Georg Trakl, Ferdinand Schmatz

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

Frühling der Seele

Aufschrei im Schlaf; durch schwarze Gassen stürzt der Wind,
Das Blau des Frühlings winkt durch brechendes Geäst,
Purpurner Nachttau und es erlöschen rings die Sterne.
Grünlich dämmert der Fluß, silbern die alten Alleen
Und die Türme der Stadt. O sanfte Trunkenheit
Im gleitenden Kahn und die dunklen Rufe der Amsel
In kindlichen Gärten. Schon lichtet sich der rosige Flor.

Feierlich rauschen die Wasser. O die feuchten Schatten der Au,
Das schreitende Tier; Grünendes, Blütengezweig
Rührt die kristallene Stirne; schimmernder Schaukelkahn.
Leise tönt die Sonne im Rosengewölk am Hügel.
Groß ist die Stille des Tannenwalds, die ernsten Schatten am Fluß.

Reinheit! Reinheit! Wo sind die furchtbaren Pfade des Todes,
Des grauen steinernen Schweigens, die Felsen der Nacht
Und die friedlosen Schatten? Strahlender Sonnenabgrund.

Schwester, da ich dich fand an einsamer Lichtung
Des Waldes und Mittag war und groß das Schweigen des Tiers;
Weiße unter wilder Eiche, und es blühte silbern der Dorn.
Gewaltiges Sterben und die singende Flamme im Herzen.

Dunkler umfließen die Wasser die schönen Spiele der Fische.
Stunde der Trauer, schweigender Anblick der Sonne;
Es ist die Seele ein Fremdes auf Erden. Geistlich dämmert
Bläue über dem verhauenen Wald und es läutet
Lange eine dunkle Glocke im Dorf; friedlich Geleit.
Stille blüht die Myrthe über den weißen Lidern des Toten.

Leise tönen die Wasser im sinkenden Nachmittag
Und es grünet dunkler die Wildnis am Ufer, Freude im rosigen Wind;
Der sanfte Gesang des Bruders am Abendhügel.

 

Drei Träume

I
Mich däucht, ich träumte von Blätterfall,
Von weiten Wäldern und dunklen Seen,
Von trauriger Worte Widerhall –
Doch könnt’ ich ihren Sinn nicht verstehn.
Mich däucht, ich träumte von Sternenfall,
Von blasser Augen weinendem Flehn,
Von eines Lächelns Widerhall –
Doch könnt’ ich seinen Sinn nicht verstehn.
Wie Blätterfall, wie Sternenfall,
So sah ich mich ewig kommen und gehn,
Eines Traumes unsterblicher Widerhall –
Doch könnt’ ich seinen Sinn nicht verstehn.

 

Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Portret door Zoran Maslic, 2021

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Zie ook alle tags voor Ferdinand Schmatz op dit blog.

 

spreken, over tandslijpen erna

onder in het dier
grijpt zich iets vast
in de tand – de tijd – en slijpt
boven de ogen hoog in het denken
wat gezien is om in schrijven
wenkt het bewaarde het schrift uit  
tot in het bij monde gezegde

waar lippen de bladen
tot tekens bewegen
van bamboe tot papier
omhoog jagen het oog in
het achter eigen staven
weggeslotene kussen

waar het vuur naar feest kantelt
en de nacht begint na te praten
de bittere bries van de dag
– zoet wordt zout –
in mallen opgetast de zinnen
gegoten uit letters in zwart
die al slijpend de dingen verfraaien

voor de klankbouw de lijst vormen
in het donker, van bloed
waar de tand het gesprokene was
de werkers daar aanzet tot kauwen
zodat wisselwoorden
in toonveranderingen
hoorbaar worden
schaduwen

naar de regel van in de kring handen geven
volgt elke versvoet in de maat van de hakken
gezet onder palmen
slaan in het hout
klinken in de botsing der ogen
zintuig onteigende vruchten

wimper geeft ooglid de aanwijzing:
geniet ervan de dag te lezen
van het trots uitspreken van fouten
– ze zijn zout in de zinnensoep –
van begrijpen tot gissen verheven
de feiten van spreuken verlost

van de mond opgebladerd
verandert het ritme
de zintuigen terug in
eenmaal gaande de angst
voor de terugkeer van ´t zelfde
meteen (als) op jacht

 

Vertaald door Tonnus Oosterhoff

 

Ferdinand Schmatz (Korneuburg, 3 februai 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e februari ook mijn blog van 3 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Tonnus Oosterhoff, Lina Kostenko

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

Het werk in het dok is gevaarlijk

Het werk in het dok is gevaarlijk, in slaap vallen dodelijk.
De mannen nemen hun slaapverweer mee naar de hut.
Daar is de spleet in het dak alweer: ochtend. Terug naar de scheepswand.
Achter hun verduisteringsgordijnen schrikken
van waarheidsdromen Chinese machthebbers wakker.
Sedert ik jou ken slaapt iedereen slechter.
Twee zien ’s nachts in de zwarte glansjes
in elkanders gezicht dat ze elkaar liggen aan te kijken.
‘We gaan scheiden!’ Ze weten meteen hoe ze tegelijk keken.
‘We scheiden!’ Arme geliefden in elkanders gedachten.
Het lichaam wordt over een woedend pad
naar een andere wereld gejaagd, steeds schrikt het wakker.
Voor drinken, uit plassen, zich krabben met zorgen.
Is het pijn, is het druk? Vroeger, als ik me omkeerde
sliep ik meteen. Nu moet ik met de uitslag,
het begin van de afloop, opnieuw leren wegzeilen.
Sinds ik jou ken slaapt iedereen slechter.
Het donker is groter, een wijdere grot.
Wie weet welk duizend jaar oud gevecht er
beslecht wordt, Chinese machthebbers, tot
een nieuwe dag valt in het sierlijk slot?
Het begin van de afloop verzegeld,
een eindeloze gang wit betegeld.
Zondagochtend begon met jouw voornaam,
door een stom toeval eruit gekegeld.
Draai je om, nog eens om, wilsonbekwaam.
Het werk in het dok is gevaarlijk, geen schip
heeft geen levens genomen. De baas vloekt,
de familie komt, en het werk gaat verder.

 

Zelfs wie de voorzichtigheid zelf is

Zelfs wie de voorzichtigheid zelf is wordt tevoorschijn gelokt:
‘Een beetje vertrouwen, honingbeer!
We willen je slechts enkel helpen;
weet je ik schenk je een kind!
Een troonopvolger. Jij moogt zorgen.’
In overmoed heb ik met laten zien.

Ik lig in de greppel om mijn domheid te lachen,
het lukt me niet overeind te komen.
De voorbijgangers blijven, als ze tijd hebben,
grinnikend staan; zij prikken
met stokken in mijn flank.
‘Spannend lange nagels heb jij!’

Alles wat ademtrapt waterhaalt.

 

Ze richtten zich uit de ellende op

Ze richtten zich uit de ellende op
om te veranderen, de socialisten.
Veranderen deden ze! Na honderd jaar draaide
Wim Kok gedienstig de dageraad uit
want de markt werkt het liefst in het donker.
Wie vandaag nog PvdA stemt
verdient alles wat over ons heen komt.

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Oekraïense schrijfster en dichteres Lina Kostenko werd op 19 maart 1930 geboren in Rzhyshchiv. Zie ook alle tags voor Lina Kostenko op dit blog.

 

De lach

Gelach op straat – ik hoor het door het raam –
Een vrouw barst in een geforceerde lach uit.
Misschien is ze verdrietig, deze vrouw, maar zij
zou graag willen lachen.
En ik kijk naar de rivieren van donkere straten
De hoofden van de vrolijke lantaarns,
Die kleine blikken doppen dragen,
En op de hoge vensterbank van mijn raam,
Geven kastanjebomen witte bloemen…
En ik kijk en denk na over mijn gedichten.
Als ze verdriet hebben, laat ze dan verdrietig zijn.
Tenminste, dat ze niets van een geforceerde lach hebben,
Omdat oprechte mensen de ramen sluiten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lina Kostenko (Rzhyshchiv, 19 maart 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2021 en ook mijn blog van 18 maart 2020 en eveneens mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.

Georg Trakl, Ferdinand Schmatz

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

Der Spaziergang

1

Musik summt im Gehölz am Nachmittag.
Im Korn sich ernste Vogelscheuchen drehn.
Holunderbüsche sacht am Weg verwehn;
Ein Haus zerflimmert wunderlich und vag.

In Goldnem schwebt ein Duft von Thymian,
Auf einem Stein steht eine heitere Zahl.
Auf einer Wiese spielen Kinder Ball,
Dann hebt ein Baum vor dir zu kreisen an.

Du träumst: Die Schwester kämmt ihr blondes Haar,
Auch schreibt ein ferner Freund dir einen Brief.
Ein Schober fliegt durchs Grau vergilbt und schief
Und manchmal schwebst du leicht und wunderbar.

2

Die Zeit verrinnt. O süßer Helios!
O Bild im Krötentümpel süß und klar;
Im Sand versinkt ein Eden wunderbar.
Goldammern wiegt ein Busch in seinem Schoß.

Ein Bruder stirbt dir in verwunschnem Land
Und stählern schaun dich seine Augen an.
In Goldnem dort ein Duft von Thymian.
Ein Knabe legt am Weiler einen Brand.

Die Liebenden in Faltern neu erglühn
Und schaukeln heiter hin um Stein und Zahl.
Aufflattern Krähen um ein ekles Mahl
Und deine Stirne tost durchs sanfte Grün.

Im Dornenstrauch verendet weich ein Wild.
Nachgleitet dir ein heller Kindertag,
Der graue Wind, der flatterhaft und vag
Verfallne Düfte durch die Dämmerung spült.

3

Ein altes Wiegenlied macht dich sehr bang.
Am Wegrand fromm ein Weib ihr Kindlein stillt.
Traumwandelnd hörst Du wie ihr Bronnen quillt.
Aus Apfelzweigen fällt ein Weiheklang.

Und Brot und Wein sind süß von harten Mühn.
Nach Früchten tastet silbern deine Hand.
Die tote Rahel geht durchs Ackerland.
Mit friedlicher Geberde winkt das Grün.

Gesegnet auch blüht armer Mägde Schoß,
Die träumend dort am alten Brunnen stehn.
Einsame froh auf stillen Pfaden gehn
Mit Gottes Kreaturen sündelos.

 

Zang van een gevangen merel

Donkere adem in de groene takken.
Blauwe bloemen zweven rond het gezicht
Van de eenzame, zijn gouden tred
Sterft weg onder de olijfboom.
Fladdert de nacht op met dronken vleugels.
Zo stilletjes bloedt ootmoed,
Dauw, die langzaam druipt van de bloeiende doorn.
Van stralende armen de barmhartigheid
Omarmt een brekend hart.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Borstbeeld door Hans Pacher bij het Trakl-Haus in Salzburg

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Zie ook alle tags voor Ferdinand Schmatz op dit blog.

 

proloog bij een toneelstuk voor architecten

wat zich hier inzingt:
woord voor woord –
om te tonen: beeld voor beeld –
als stukwerk werkstuk wordend
neemt het zich in het Nu Niets voor –
dan poort te zijn naar ´t huis
van  spreken, teken – wilden, zachten ook,
zoals in iedereen die durft,
in kijkt en benoemt wat in het woord de plek bouwt,
in beelden niet altijd wat het in zijn schild voert toont – als zin
kerft het van binnen meer dan buiten steen en teer –
de huid is niet de grens van wat hier binnen ruimte is, voorbeeld: de leegte, en ze
vult meteen, verenigt fijn en grof, fluist´rend geheim,
vloeide over, maar houdt vol in, ontnuchtert nooit –
want wat het zo noch anders zeggen kan
zal zich dan juist laten zien als plan, maar zonder plan
in ´t stuk, dat zoekt zijn heil
(en lof) vooral in het gebruik.

 

Vertaald door Tonnus Oosterhoff

 

Ferdinand Schmatz (Korneuburg, 3 februai 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e februari ook mijn blog van 3 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Tonnus Oosterhoff, John Updike

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

Als je niet buigt word je gebogen

Als je niet buigt word je gebogen,
o, wees maar niet bang, je wordt gebogen, het buigt je, het drukt je met kracht neer.

Je wordt door iedereen verlaten, ja, door jezelf.
Wees niet bang, het is snel voorbij met het gekloot.
Want gekloot is het en het wordt niet beter.

‘´t Is voorlopig nog toekomstmuziek,’ luilakt de radiopresentator, ‘vrede en broederschap.’
In huis staat een koude mist.

Ga ik in een kastje? Heb je me al in een kastje?
Geef mij je handje, kind, ik word een blinde.

Toen Jezus een kindje was had hij een tuintje waarin hij rozen kweekte. Ze waren tegen sneeuw bestand:
toen de sneeuw kwam bloeiden ze mooier.

Je kunt het beste niemand geloven, hecht geen waarde aan praatjes.

Wie heeft het meetsnoer over de aarde gelegd?
Wie heeft ware grootte ingesteld?
Die heeft alle rechte lijnen voor je gebogen.
Zodat je je, als je je tot verzet opricht, juist buigt.

 

Klemde het deurtje?

Klemde het deurtje? Een beetje.
Maar ik stiet het open en liet
– diep snoof ik de zeelucht
toen blies ik mijn hand leeg –
de dief los.

Dicht boven de golvende golven,
– natuurlijk klemde het hout,
zo lang hield het dieren
en goden gescheiden –
vloog ik mijn dief.

 

Toen zeiden ze, die hersens van mij

Toen zeiden ze, die hersens van mij:
dit ene artikel begrijpen wij niet.
Is het in een taal die wij niet kennen?
Nee, dit is niet in een taal die wij niet kennen.
Gaat het over een onderwerp waar we niets van weten?
Nee, we weten veel over het onderwerp en vinden het interessant.
Waarom is het dan of de hokken der woorden
leeg zijn?

In greppels en holen wachten de verbanden
tot het tijdschrift zich sluit. Zet ik mijn bril op,
voor de zekerheid schrikken de duiven.
Want de begrijpelijke zin verplaatst niet
maar de onbegrijpelijke zin verplaatst.


We hebben je tot de hemel gebracht, nu zoek je het zelf maar uit.

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Updike werd geboren in Shillington, Pennsylvania, op 18 maart 1932. Zie ook alle tags voor John Updike op dit blog.

 

De dood van mijn hond

Ze moet ongezien zijn geraakt of geschampt door een auto.
Te jong om veel te weten, begon ze net te leren
Om de op de keukenvloer uitgespreide kranten te gebruiken
Met als beloning, na het plassen, de woorden: ‘Goede hond! Brave hond!’

We dachten dat haar stille ongemak een reactie op een prik was.
De autopsie onthulde een scheur in haar lever.
Terwijl we haar plaagden bij het spel, vulde haar huid zich met bloed
En haar hart leerde voor altijd te gaan liggen.

Maandagochtend, terwijl de kinderen luidruchtig hadden ontbeten
En naar school waren gestuurd, kroop ze onder het bed van de jongste.

We vonden haar verwrongen en slap, maar nog in leven.
In de auto naar de dierenarts, op mijn schoot, probeerde ze

Om in mijn hand te bijten en stierf. Ik streelde haar warme vacht
En mijn vrouw riep haar met een stem waarin tranen overheersten.
Hoewel omringd door liefde die haar zou hebben gesteund,
Zonk ze toch weg en ging, verstijvend, heen.

Thuis ontdekten we dat in de nacht haar geraamte,
Bezig te ontbinden, de schande had doorstaan
Van diarree en zich over de vloer gesleept had
Naar een daar achteloos achtergelaten krant. Brave hond.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2021 en ook mijn blog van 18 maart 2020 en eveneens mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.

Tonnus Oosterhoff, Stéphane Mallarmé

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

Wij hebben in verzegeld aardewerk

Wij hebben in verzegeld aardewerk
tweeduizend jaar oude bienen met zeventien vleugelen
en tweeëntwintig pootjes gevonden, in verzegeld
aardewerk gevonden en benoemd; benoemd
hoe in Artis de tijd is begonnen te vliegen.
We bestudeerden de avondklok de avondklok
nam zijn raderen onder zijn armen, vluchtte de nacht in.

Want een verschijnsel met twee voelhorentjes draait
zijn kopje en is het oude niet meer.
Het gedraagt zich tegenover het wezen ervoor
als ernaast. Het herkent ernaast niet maar eet het.

Wat wij verbinden valt in ons gele doodshoofd weer
uit en uiteen. Echter in het doodshemd van zakken
vol enen en nullen past meer dan erin kan,
zuinig met bijfiguren omspringen, dat is onzinnig.

 

Ik zit met stil lichaam

Ik zit met stil lichaam, korte armen en palmen,
maar heel lange vingers in mijn ouderwetse rookstoel.
dampweten dampweette gedampweet
dampweten deurklopper doodklap.
Rooksociëteit De Dampkring.

Waar bewaart u uw koffer? Onder het bed?
Onder het bed of op zolder?
Ik heb de ruit met een stok
stuk geslagen en ontmoette veel
rennende mensen die hun plaats niet verlieten.

 

Onafzienbaar doodsbed met luchtpomp

Onafzienbaar doodsbed met luchtpomp,
het lijk is er wegens overcompleet
onder gaan liggen.

Humor
heb je of heb je niet
onder de wriemelpootjes van het gras
ook als je je dag eens niet hebt.

Nu verlaat me niet meer.
Sta om me heen en dring in me
pijn stiller geen is er

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Franse dichter Stéphane Mallarmé werd geboren in Parijs op 18 maart 1842. Zie ook alle tags voor Stéphane Mallarmé op dit blog.

 

Grafsteen van Charles Baudelaire

De diep bedolven tempel laat de grafmond gapen
Van een riool dat modder en robijnen braakt
Waar gruwelijk een god Anubis uit ontwaakt
Om zijn laaiende bek met woest geblaf te schrapen

Of heeft het nieuwe gas de loense dot herschapen
Die om gij weet het welke schandvlek wordt gewraakt
Tot een schel licht waarin een eeuwig schaambeen blaakt
Waarvan de vlucht met de lantaarn mee vreemd gaat slapen

Welk loof verdroogd in avondloze steden bidt
Zo vroom voor zijn gedachtenis als zij er zit
Tegen het marmer tevergeefs van Baudelaire

Afwezig uit de sluier huiverend om haar
Deze zijn Schaduw zelf een gift te zijner ere
Altijd door ons te ademen zelfs met lijfsgevaar.

 

Vertaald door Paul Claes

 

Stéphane Mallarmé (18 maart 1842 – 9 september 1898)
Portret door Auguste Renoir, 1892

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2020 en eveneens mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.

Tonnus Oosterhoff, John Updike

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

Stel: de jacht is onze tweede natuur

Stel: de jacht is onze tweede natuur.

Het is nacht en de interne jager
achtervolgt het onvermoeibaar wild.
Dat tracht te ontsnappen over het terrein van de kwekerij.
De jacht is één bezielde beweging.
Van de kweekbedden dwarrelt de jonge afschuw op.

Kijk eens naar de naakte hemel:
zilver en zwart zijn voorbeeldig gescheiden.
En nu weer naar binnen:
vangen zou onzuiver zijn.

 

Vlak boven het havenkantoor

Vlak boven het havenkantoor
schittert de Grote Beer.
Elk ogenblik is een groter gevaar.

Een maand geleden werd hier
een schipper verdronken,
de hand op het hart in het water

De boot is verkocht,
de ligplaats vergeven,
maar de hond is aan boord.

Aan boord is de hond nog.

 

Luipaard

De luipaard aan de hersenstam
luistert naar de radiowind,
wetend, niet wetend.
Hij heft de poot,
trekt de tong langs zijn plekken, geeuwt.
Ver weg is een aanrijding.
Een windvlaag trekt door de bomen.
De luipaard geeuwt, rekt zich.
De apen lachen angstig.
Het ondier vertakt zich.

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Updike werd geboren in Shillington, Pennsylvania, op 18 maart 1932. Zie ook alle tags voor John Updike op dit blog.

Schoffelen

Ik ben soms bang dat de jongere generatie wordt beroofd
van de geneugten van het schoffelen;
niemand weet
hoeveel zielen zijn gevormd door deze simpele vaardigheid.

De droge aarde breekt als een grote korst en onthult
vochtig-donkere leem–
waar de wortel van de erwt thuis is,
een vruchtbare wond die voortdurend geneest.

Hoe netjes gaat het groene onkruid onder!
Het mes hakt de aarde nieuw.
Onwetend de wijze jongen die
de wereld nooit zo heeft vruchtbaar gemaakt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn blog van 18 maart 2019 en ook mijn blog van 18 maart 2018 deel 2 en eveneens deel 3 en ook mijn blog van 18 maart 2017 deel 3.

Tonnus Oosterhoff, John Updike, Charlotte Roche, Max Barry, Christa Wolf, Wilfred Owen, Stéphane Mallarmé, Hellema, Frans Babylon

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Zie ook alle tags voor Tonnus Oosterhoff op dit blog.

 

O jongens, zeg je prevelementjes

O jongens, zeg je prevelementjes,
de geschiedenisleraar komt binnen.
Op de mutor is slecht nieuws voor doven en horenden.
‘Er is een schuchtere rede die wij afschaffen.’
De realiteit sloopt de mogelijkheden.

Met de strekking naar de speelvelden;
welk gevoel roept het product op?
Ouwe Truffoto heeft de mutorreclamebron geslagen,
Kemp rimpelt water uit de rotsen. Vrijheid van uiting.

Nu de voorlopige naam van de eeuwige organisatie nog even.

 

Tropical beach

Oplettendheid bracht de vogel.
Hier ligt het geluste in aftel,
het aas van de vissende bomen.
Voor vogelhoofdboothuis een kano
al omgekeerd op een plankje.
De vogel het nut van de snavel.
De snavel het nut van de vogel.

De zin van kleurige wieken
naar de tak van de vissende bomen.
Droom standen vol notige zaden.
Het kuifje dat even omhoog komt
om de mens in zich te onderdrukken.

 

Geheim agent

Alles heb ik geregeld: de valse naam
en het hotel waar niemand ons zou zoeken.
Zijn spierkracht, dat hij klein was, niet veel sprak,
zijn gladde bruine zolen heb ik zelf bedacht.

De rust waarmee hij alles met me deed
om me tot een bekentenis te dwingen.
Stroomstoot, ijslikeur, bamboe, valse hoop:
hij was een meester in het derdegraads verhoor.

Toen ik vertrok had ik gezworen wat hij wou.
Ik had gemoord, verraden en gelogen,
en meer getierd dan hij ooit had gehoord
en toegegeven: deze ontmoeting vond nooit plaats.

 

 
Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Updike werd geboren in Shillington, Pennsylvania, op 18 maart 1932. Zie ook alle tags voor John Updike op dit blog.

 

Perfection Wasted

And another regrettable thing about death
is the ceasing of your own brand of magic,
which took a whole life to develop and market —
the quips, the witticisms, the slant
adjusted to a few, those loved ones nearest
the lip of the stage, their soft faces blanched
in the footlight glow, their laughter close to tears,
their tears confused with their diamond earrings,
their warm pooled breath in and out with your heartbeat,
their response and your performance twinned.
The jokes over the phone. The memories packed
in the rapid-access file. The whole act.
Who will do it again? That’s it: no one;
imitators and descendants aren’t the same.

 

On The Road

Those dutiful dogtrots down airport corridors
while gnawing at a Dunkin’ Donuts cruller,
those hotel rooms where the TV remote
waits by the bed like a suicide pistol,
those hours in the air amid white shirts
whose wearers sleep-read through thick staid thrillers,
those breakfast buffets in prairie Marriotts—
such venues of transit grow dearer than home.

The tricycle in the hall, the wife’s hasty kiss,
the dripping faucet and uncut lawn—this is life?
No, vita thrives via the road, in the laptop
whose silky screen shimmers like a dark queen’s mirror,
in the polished shoe that signifies killer intent,
and in the solitary mission, a bumpy glide
down through the cloud cover to a single runway
at whose end a man just like you guards the Grail.

 

Burning Trash

At night—the light turned off, the filament
Unburdened of its atom-eating charge,
His wife asleep, her breathing dipping low
To touch a swampy source—he thought of death.
Her father’s hilltop home allowed him time
To sense the nothing standing like a sheet
Of speckless glass behind his human future.
He had two comforts he could see, just two.

One was the cheerful fullness of most things:
Plump stones and clouds, expectant pods, the soil
Offering up pressure to his knees and hands.
The other was burning the trash each day.
He liked the heat, the imitation danger,
And the way, as he tossed in used-up news,
String, napkins, envelopes, and paper cups,
Hypnotic tongues of order intervened.

 

 
John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009)
Cover

 

De Duitse schrijfser, televisiepresentatrice, actrice en zangeres Charlotte Roche werd geboren in High Wycombe, Engeland, op 18 maart 1978. Zie ook alle tags voor Charlotte Roche op dit blog.

Uit: Wrecked (Vertaald door Tim Mohr)

“Every time we have sex, we turn on both of the electric blankets half an hour in advance. We have extremely high-quality electric blankets, and they stretch from the head of the bed to the foot. I’ve always been terribly scared of those types of things, scared they’ll heat up after I fall asleep and that I’ll be roasted alive or die of smoke inhalation. But our electric blankets automatically switch themselves off after an hour. We lie down next to each other in the bed—heated to 105 degrees—and stare up at the ceiling. The warmth relaxes our bodies. I begin to breathe deeply, smiling on the inside with the excitement of what’s to come. Then I roll over and kiss him as I put my hand into his XL yoga pants. No zipper or anything else that could catch on hairs or foreskin. I don’t grab his cock at first. I reach down farther—to his balls. I cradle them in my hand like a pouch full of gold. At this point I’m already betraying my man-hating mother.
She tried to teach me that sex was something bad. It didn’t work.
Breathe in, breathe out. This is the only moment in the day when I really breathe deeply. The rest of the time I tend to just take shallow gasps. Always wary, always on the lookout, always bracing for the worst. But my personality completely changes during sex. My therapist, Frau Drescher, says I have subconsciously split myself in two—since my feminist mother tried to raise me as an asexual being, I have to become someone else in bed to avoid feeling as if I’m betraying her. It works very effectively. I am completely free. Nothing can embarrass me. I’m lust incarnate”.

 

 
Charlotte Roche (High Wycombe, 18 maart 1978)
Cover

 

De Australische schrijver Max Barry werd geboren op 18 maart 1973 in Melbourne. Zie ook alle tags voor Max Barry op dit blog.

Uit: Machine Man

“As a boy, I wanted to be a train. I didn’t realize this was unusual— that other kids played with trains, not as them. They liked to build tracks and have trains not fall off them. Watch them go through tunnels. I didn’t understand that. What I liked was pretending my body was two hundred tons of unstoppable steel. Imagining I was pistons and valves and hydraulic compressors.
“You mean robots,” said my best friend, Jeremy. “You want to play robots.” I had never thought of it like that. Robots had square eyes and jerky limbs and usually wanted to destroy the Earth. Instead of doing one thing right, they did everything badly. They were general purpose. I was not a fan of robots. They were bad machines.

***

I woke and reached for my phone and it was not there. I groped around my bedside table, fingers sneaking between novels I didn’t read anymore because once you start e-reading you can’t go back. But no phone. I sat up and turned on my lamp. I crawled underneath the bed, in case my phone had somehow fallen in the night and bounced oddly. My eyes were blurry from sleep so I swept my arms across the carpet in hopeful arcs. This disturbed dust and I coughed. But I kept sweeping. I thought: Have I been burgled? I felt like I would have woken if someone had tried to swipe my phone. Some part of me would have realized.
I entered the kitchen. Kitchenette. It was not a big apartment. But it was clean, because I didn’t cook. I would have spotted my phone. But I did not. I peered into the living room. Sometimes I sat on the sofa and watched TV while playing with my phone. Possibly the phone had slipped down between cushions. It could be there now, just out of sight. I shivered. I was naked. The living room curtains were open and the window looked onto the street. The street looked into the window. Sometimes there were dogwalkers, and school-going children. I shivered again. I should put on some clothes. My bedroom was six feet away. But my phone could be closer. It could be right there. I cupped my hands over my genitals and ran across the living room and pulled up sofa cushions. I saw black plastic and my heart leaped but it was only a remote. I got down on my hands and knees and felt around beneath the sofa. My ass tingled with the first touch of morning sun. I hoped nobody was outside that window.”

 

 
Max Barry (Melbourne, 18 maart 1973)

 

De Duitse schrijfster Christa Wolf werd geboren op 18 maart 1929 in het huidige Poolse Gorzów Wielkopolski. Zie ook alle tags voor Christa Wolf op dit blog.

Uit: Kindheitsmuster

„In die Erinnerung drängt sich die Gegenwart ein, und der heutige Tag ist schon der letzte Tag der Vergangen-heit. So würden wir uns unaufhaltsam fremd werden ohne unser Gedächtnis an das, was wir getan haben, an das, was uns zugestoßen ist. Ohne unser Gedächtnis an uns selbst. Und die Stimme, die es unternimmt, davon zu spre-chen. Damals, im Sommer 1971, gab es den Vorschlag, doch endlich nach L., heute G., zu fahren, und du stimmtest zu. Obwohl du dir wiederholtest, daß es nicht nötig wä-re. Aber sie sollten ihren Willen haben. Der Tourismus in alte Heimaten blühte. Zurückkehrende rühmten die fast durchweg freundliche Aufnahme durch die neuen Einwohner der Stadt und nannten Straßenverhältnisse, Verpflegung und Unterkunft »gut«, »passabel«, »ordent-lich«, was du dir alles ungerührt anhören konntest. Was die Topographie betreffe, sagtest du, auch um den An-schein wirklichen Interesses zu erwecken, könntest du dich ganz auf dein Gedächtnis verlassen: Häuser, Stra-ßen, Kirchen, Parks, Plätze — die ganze Anlage dieser im übrigen kaum bemerkenswerten Stadt war vollstän-dig und für immer in ihm aufgehoben. Eine Besichti-gung brauchtest du nicht. Trotzdem, sagte 1-1. Da fingst du an, die Reise gewissenhaft vorzubereiten. Der visa- freie Reiseverkehr war zwar noch nicht eingeführt, aber schon damals wurden die Bestimmungen lax gehand-habt, so daß der nichtssagende Vermerk »Stadtbesich-tigung«, in die dreifach auszufertigenden Antragsfor-mulare unter der Rubrik »Begründung« eingetragen, anstandslos durchging. Zutreffende Angaben wie »Ar-beitsreise« oder »Gedächtnisüberprüfung« hätten Be-fremden erregt. (Besichtigung der sogenannten Vater-stadt!) Die neuen Paßfotos fandet ihr — im Gegensatz zu den Angestellten der Volkspolizeimeldestelle — euch unähnlich, eigentlich abscheulich, weil sie dem Bild, das ihr von euch hattet, um den entscheidenden nächsten Altersschritt voraus waren. Lenka war, wie immer, gut getroffen, nach eurer Meinung. Sie selbst verdrehte die Augen, um sich zu ihren Fotos nicht äußern zu müssen. Während die Anträge auf Ausreise und bei der Indu-strie-und Handelsbank die Gesuche um Geldumtausch liefen, bestellte Bruder Lutz in der Stadt, die in deinen Formularen zweisprachig, unter verschiedenen Namen auftauchte, als »Geburtsort« L. und als »Reiseziel« G., vorsichtshalber telegrafisch Hotelzimmer, denn ihr kennt in deiner Heimatstadt keine Menschenseele, bei der ihr hättet übernachten können. Fristgerecht konntet ihr so-wohl die Anlagen zum Personalausweis als auch die dreimal dreihundert Zloty in Empfang nehmen, und du verrietest dich erst am Vorabend des geplanten Rei-setages, als Bruder Lutz anrief und mitteilte, er habe es nicht geschafft, seine Papiere abzuholen: Da machte es dir nicht das geringste aus, eine ganze Woche später zu fahren.“

 


Christa Wolf (18 maart 1929 – 1 december 2011)
Cover

 

De Engelse dichter en schrijver Wilfred Owen werd op 18 maart 1893 geboren in Oswestry in Shropshire. Zie ook alle tags voor Wilfred Owen op dit blog.

 

Shadwell Stair

I am the ghost of Shadwell Stair.
Along the wharves by the water-house,
And through the cavernous slaughter-house,
I am the shadow that walks there.

Yet I have flesh both firm and cool,
And eyes tumultuous as the gems
Of moons and lamps in the full Thames
When dusk sails wavering down the pool.

Shuddering the purple street-arc burns
Where I watch always; from the banks
Dolorously the shipping clanks
And after me a strange tide turns.

I walk till the stars of London wane
And dawn creeps up the Shadwell Stair.
But when the crowing syrens blare
I with another ghost am lain.

 

On My Songs

Though unseen Poets, many and many a time,
Have answered me as if they knew my woe,
And it might seem have fashioned so their rime
To be my own soul’s cry; easing the flow
Of my dumb tears with language sweet as sobs,
Yet are there days when all these hoards of thought
Hold nothing for me. Not one verse that throbs
Throbs with my heart, or as my brain is fraught.
‘Tis then I voice mine own weird reveries:
Low croonings of a motherless child, in gloom
Singing his frightened self to sleep, are these.
One night, if thou shouldst lie in this Sick Room,
Dreading the Dark thou darest not illume,
Listen; my voice may haply lend thee ease.

 

 
Wilfred Owen (18 maart 1893 – 4 november 1918)
Affiche voor een herdenking in Shropshire

 

De Franse dichter Stéphane Mallarmé werd geboren in Parijs op 18 maart 1842. Zie ook alle tags voor Stéphane Mallarmé op dit blog.

 

Apparition

La lune s’attristait. Des séraphins en pleurs
Rêvant, l’archet aux doigts, dans le calme des fleurs
Vaporeuses, tiraient de mourantes violes
De blancs sanglots glissant sur l’azur des corolles.
— C’était le jour béni de ton premier baiser.
Ma songerie aimant à me martyriser
S’enivrait savamment du parfum de tristesse
Que même sans regret et sans déboire laisse
La cueillaison d’un Rêve au coeur qui l’a cueilli.
J’errais donc, l’oeil rivé sur le pavé vieilli
Quand avec du soleil aux cheveux, dans la rue
Et dans le soir, tu m’es en riant apparue
Et j’ai cru voir la fée au chapeau de clarté
Qui jadis sur mes beaux sommeils d’enfant gâté
Passait, laissant toujours de ses mains mal fermées
Neiger de blancs bouquets d’étoiles parfumées.

 

L’enfant prodigue

Chez celles dont l’amour est une orange sèche
Qui garde un vieux parfum sans le nectar vermeil,
J’ai cherché l’Infini qui fait que l’homme pèche,
Et n’ai trouvé qu’un Gouffre ennemi du sommeil.

— L’Infini, rêve fier qui berce dans sa houle
Les astres et les cœurs ainsi qu’un sable fin !
— Un Gouffre, hérissé d’âpres ronces, où roule
Un fétide torrent de fard mêlé de vin !

II.

Ô la mystique, ô la sanglante, ô l’amoureuse
Folle d’odeurs de cierge et d’encens, qui ne sus
Quel Démon te tordait le soir où, douloureuse,
Tu léchas un tableau du saint-cœur de Jésus,

Tes genoux qu’ont durcis les oraisons rêveuses,
Je les baise, et tes pieds qui calmeraient la mer ;
Je veux plonger ma tête en tes cuisses nerveuses
Et pleurer mon erreur sous ton cilice amer ;

Là, ma sainte, enivré de parfums extatiques,
Dans l’oubli du noir Gouffre et de l’Infini cher,
Après avoir chanté tout bas de longs cantiques
J’endormirai mon mal sur votre fraîche chair.

 

 
Stéphane Mallarmé (18 maart 1842 – 9 september 1898)
Portret door François Nardi, 1887

 

De Nederlandse schrijver Hellema (pseudoniem voor Alexander Bernard (Lex) van Praag) werd geboren in Amsterdam op 18 maart 1921. Zie ook alle tags voor Hellema op dit blog.

Uit: Klèm

“Het was zes graden onder nul. De thermometer zat aan de raamlijst en was van binnenuit af te lezen. Hij opende de deur naar de tuin en stapte naar buiten. De sneeuw, gekrompen langs de rand van de gevel, liet een smalle strook tegels vrij, net genoeg om erop te staan. In de hoek die de hospitaalvleugel met het hoofdgebouw maakte, een hoek waar nooit zon kwam, lag de sneeuw hoog opgewaaid en glansde in het schijnsel van de booglampen van de buitenverlichting. Het was doodstil, een oord zonder gerucht, een hemels Jeruzalem.
In het vroege voorjaar was soms het kraken en kruien van het ijs te horen op de rivier, in warme zomernachten als overal de ramen en tuindeuren openstonden hoorde je van alle kanten geluiden of liever, je wist dat er overal geluiden waren, nachtgeluiden van slapende mensen, maar wat je werkelijk hoorde was hier en daar een enkeling die niet sliep en die hoestte of zijn stoel verschoof op de tegels voor zijn deur. En in de herfst, met wind uit het westen, kon je heel in de verte treinen horen rijden. Waarom reden er ’s nachts zoveel treinen? Het zou eigenlijk goed zijn om over al deze dingen nog eens na te denken. Over de verlichting die de mensen ’s nachts uit de slaap hield en over de treinen en ook over de rivier en de grote binnenschepen die daar voeren. Nee, dat kon hij niet weten, dat dacht hij maar zo, rivieren en binnenschepen dat hoort bij elkaar, maar gezien had hij ze van hieruit nooit.
Hij begon het koud te krijgen. Zes graden maar, dat zou niet voldoende zijn. Hij zou ziek worden, maar doodgaan zou hij niet. Hij ging naar binnen en sloot de tuindeur. Hij had er dikwijls over nagedacht hoe ze hem zouden vinden, stijf rechtop in zijn stoel op het tegelterrasje voor zijn deur, netjes in pyjama.
In het donker, bij het schijnsel van de buitenverlichting, dat door de dunne gordijnen drong, liep hij voorzichtig de paar stappen naar zijn bed, dat nog warm aanvoelde, en dekte zich toe. So wie man sich bettet so liegt man, es deckt einen da keiner zu. Dat moest Ianggeleden zijn dat hij daaraan nog eens gedacht had. Het werd toen al als achterhaald beschouwd en misschien was hij nog maar een van de weinigen geweest die – ah, Brecht, dat was de naam – die hem gelezen hadden, de meesten hadden zelfs nooit van hem gehoord.
Hij was nu klaarwakker, maar hield de ogen gesloten. Hij lag op zijn rug met de handen onder zijn hoofd gevouwen. Was dat een vliegtuig wat hij hoorde, hoog in de lucht? Hij sloeg zijn ogen op en één snelle hartslag lang meende hij dat wat hij door de gordijnen zag een zoeklicht was. Dit verwonderde hem. Waarom moest hij nu juist daaraan denken? Of kon hij zich dit nu opeens herinneren?”

 


Hellema (18 maart 1921 – 19 maart 2005)
Cover

 

De Nederlandse dichter Frans Babylon (pseudoniem van Franciscus Gerardus Jozef Obers) werd geboren in Deurne op 18 maart 1924.Zie ook alle tags voor Frans Babylon op dit blog.

 

Wintermorgen

In deze lichte morgensneeuw
van mijn abrupt ontwaken
verschijnt je vol en zacht gezicht

geruisloos vlokken witte woorden
van goedheid in mijn wezen neer

ik vind geen antwoord geen verweer

ik sta vergrauwd en wat ontredderd
te kleumen in je glimlach lief

en jij omvat mij primitief
behoedend zonder mij te raken

jij weet mij weer tot mens te maken

 

Lichten in nevel

als zich traag de avondnevel
weer in amsterdam verdicht
loop ik eenzaam langs de gevels
zoekend naar een vergezicht.

dubbelzinnig zijn reklames
punten voor mijn evenwicht;
achter de miljoenen ramen
leven mensen in het licht.

in zo’n ruime nevelavond
voel ik mij in ’t diepst gericht
naar de wezens die gehavend
geven hoe ze zijn ontwricht.

en bij één der voze grachten
-waar elk licht in damp vergaat-
smoor ik schamel kleine klachten
in een goede schoot van ’t kwaad.

en ik keer door lege stegen
waar ooit breero zwierf van pijn
godverlaten doodgezwegen
door de nevel van het Zijn.

 


Frans Babylon (18 maart 1924 – 21 augustus 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e maart ook mijn drie blogs van 18 maart 2018 en ook mijn drie blogs van 18 maart 2017.

P.C. Hooftprijs 2012 voor Tonnus Oosterhoff

P.C. Hooftprijs 2012 voor Tonnus Oosterhoff

 

De Nederlandse dichter Tonnus Oosterhoff krijgt de P.C. Hooft-Prijs 2012 voor zijn oevre. Dat heeft het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde dinsdag bekendgemaakt. Oosterhoff debuteerde in 1990 met de gedichtenbundel Boerentijger. Voor die bundel kreeg hij de C. Buddingh’-prijs. Zie ook mijn blog van 18 maart 2011.

 

Het water


Het water begon zich te schamen
voor wat het was en altijd gedaan had.
Namens iedereen kwam een vis aan land
om een regeling te treffen.

De vis rechtte zijn rug:
“Mensen: drie wensen.”

Het strand was leeg, alleen de schelpen
hadden de vorm van mutsen met oren eronder.
Het uitgekookte dier moest zijn lachen inhouden.

Ik kan beloven wat ik wil, dacht het.
Dit kost me geen stuiver. De geschiedenis is ja nog niet begonnen.
Ik moest maar eens gaan teruglopen door de branding.

Of zal ik hier nog wat blijven? Droog ben ik nu toch.
Het is wel heerlijk, die zeewind.

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

 

Zie voor schrijvers van de 20e december ook mijn vorige blog van vandaag en ook mijn tweede blog van vandaag en eveens mijn eerste blog van vandaag.

Tonnus Oosterhoff

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Hij debuteerde in het literaire tijdschrift in boekvorm Raster. Oosterhoff publiceerde dichtbundels, verhalenbundels, een roman en een essaybundel. Hij schreef toneel en hoorspelen. Zijn oeuvre kenmerkt zich door een onderkoelde humor en verraadt de neiging zichzelf met ieder boek radicaal te willen vernieuwen. Veel boeken van Oosterhoff sleepten een belangrijke literaire prijs in de wacht. In 2001 initieerde hij een website met bewegende gedichten die hij in het programma Flash schrijft.

Drie jongleerballen, vier kleuren

Drie jongleerballen, vier kleuren
van zachtgeschilderde huid.
Een, twee, drie. Een, twee, drie, vier.
Groen, geel, blauw, rood.
Zomerochtend; poes rust op ’t balkon
zich een zwart roodstaartje voorstellend.
Maar het ziekenhuis om de hoek is nog onder.
En in Park Randenbroek spelen sportparen
winteravondtennis, stoomwolkjes lachend.
Drie-, vierhonderd meter is het maar
van hier tot helemaal daar.

De gebruiksaanwijzing beweert:
‘En u jongleert. Gefeliciteerd!’

 

de nsb-er

de nsb-er danst onschuldog met de nsb’se
sierlijk en honds sierlijk en honds
zullen hun kinderen huilen

de beenderen in magere formatie,
op het zwart en wit estrik, op de zwartwitte tegels
zullen de kinderen stil zijn

hemel de onschuldige landverrader,
drenthe uniform uitspansel woef
zullen de kinderen voortgaan

de kinderen vooraan voortaan voortgaan
de hondschuldige hemel
stil niet huilen stil doordgaan

 

Tonnus Oosterhoff

‘Je bent zo integer, zo bescheiden.’
‘Voor mijn plezier!’
Het is een genoegen
Tonnus Oosterhoff te zijn.
‘Ik zou het ook wel willen.’
Jawel, maar dat gaat niet!

Dat gaat niet.

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)