Kees Torn

De Nederlandse dichter, tekstschrijver en cabaretier Kees Torn werd geboren in Oostburg op 2 februari 1967, maar groeide op in Maassluis. Na zijn middelbare school studeerde hij twee jaar piano aan het conservatorium. Na een afgebroken marketingstudie bezichtTorn enkele jaren de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten en werkte hij voor het stripblad Barwoel, dat later zou opgaan in Zone 5300. Op de kunstacademie werd hij uitgedaagd om teksten te schrijven voor een programma. In 1994 won hij in zijn eentje het Leids Cabaret Festival, nadat hij door twee vrienden ongevraagd was ingeschreven. Ruim een jaar later maakt hij zijn officiële solo-debuut met het programma ‘Laat maar laaien’. In 1999 won Kees Torn de Annie M.G. Schmidt-prijs voor het beste theaterlied van 1998 voor zijn lied ‘Streepjescode’. In november 2007 volgde de VSCD Poelifinario voor het indrukwekkendste theaterprogramma van het seizoen 2006-2007: ‘Dood en Verderf’,

Misgreep

Ober, ik heb niks aan u
Oesters, mosselen en slakken-
U zou toch de dagkaart pakken?
Dit is meer een weekmenu!

 

Tand Door M’n Lip

Ik kwam altijd thuis met een tand door m’n lip
Ik viel van de schommel, ik viel van de wip
Ik viel van de glijbaan en brak elke keer
Een knieschijf, een wervel, een kaak of een rib

Ik schoot in m’n oog met een speelgoedgeweer
Ik stak in m’n huig met een rubberen speer
Ik raakte op straat met m’n step in de slip
En eens ben ik bijna gestikt in m’n beer

Nu ben ik zo suf en onhandig niet meer
Behalve als ik me niet concentreer
Dan kan het, terwijl ik m’n teennagels knip
Dat ik een of twee van m’n tepels bezeer

Of dat ik vernis op m’n boterham smeer
Een tangetje aan m’n soldeerbout soldeer
De as van m’n peuk in m’n whiskyglas tip
Of diep in m’n kuit snij terwijl ik me scheer

Ik val uit m’n bed als ik ergens logeer
Ik val uit m’n slaapzak wanneer ik kampeer
En stoot, als ik wild aan m’n whiskyglas nip
M’n tand door m’n lip, want die is nogal teer

Als straks in de wind aan de rand van een klip
Ik over mijn eigen bananeschil glip
En later als olifant reincarneer
Herkent u me vast aan een tand door m’n lip

 

Kees Torn (Oostburg, 2 februari 1967)

Hella Haasse, James Joyce, Eriek Verpale, Monica Camuglia, Michel Marc Bouchard

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009 en ook mijn blog van 2 februari 2010.

Uit: De scharlaken stad

„Hij wist nauwelijks hoeveel maanden er waren voorbijgegaan sinds zijn terugkeer in Florence. Hij had zich ingegraven in het werk, zoals een mol zich ingraaft in zijn onderaardse koker. Hij was blind en doof voor de buitenwereld. Toen hij, in Rome, onder het vaderlijk knikken en aanmoedigend gesticuleren van paus Clemens, tenslotte zijn handtekening zette onder het nieuwe contract met de heren Della Rovere, had hij beseft dat hij zichzelf onherroepelijk veroordeelde tot dwangarbeid. Hij was bereid slaaf te zijn, niets dan slaaf, verbeten te zwoegen aan zijn taak. Hij wist wel dat hij zich nooit bevrijd zou voelen van schuld vóór die taak beëindigd was. Maar waarom werd hem niet de genade gegund ongestoord te volbrengen wat hij zijn plicht achtte, ongestoord te boeten voor een oud verzuim? In een slotwoord, vóór de audiëntie beëindigd werd, had de paus het vonnis over hem uitgesproken, luid: ‘Het grafmonument wordt voltooid, heren, dat staat nu vast, onze waarde kunstenaar hier heeft het zojuist zwart op wit bevestigd, nu is deze onaangename kwestie wel uit de wereld hopen wij,’ en, fluisterend, alleen voor hém verstaanbaar: ‘maar vergeet intussen het werk aan de Medici-kapel niet, ik reken erop dat u zich ook houdt aan het contract dat u met mij gesloten hebt.’

Sindsdien weer die innerlijke verscheurdheid waarbij ieder ander leed in het niet verzonk. In zijn dromen rees Julius’ mausoleum voor hem op, gezwollen tot geweldige afmetingen, een groep van gestalten reikend tot in de wolken, Mozes, Paulus, Rachel en Lea, giganten van marmer, omhoog gestoten door de aarde zelf, zoals gebergten ontstaan. Langs de plooien van hun gewaden, reusachtige stenen riffen, trachtte hij omhoog te klimmen. een mier, een pover zwak wezen op trillende poten, hoger, hoger, tot waar de personificaties van hemel en aarde de sarcofaag hieven waarin zijn kwelgeest sliep, Julius, wiens hoogmoed hem dit had aangedaan. De macht van die paus-veroveraar verheerlijken, meer dan tien jaren na diens dood, op een tijdstip dat het pauselijk gezag een aanfluiting was en de veroverde gebieden beefden voor de komst van een nog gevreesder vijand – dat scheen hem méér dan dwaasheid, een smaad, een leugen.“

 


Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

Lees verder “Hella Haasse, James Joyce, Eriek Verpale, Monica Camuglia, Michel Marc Bouchard”

James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu, Ayn Rand

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009 en ook mijn blog van 2 februari 2010. 

 

Uit: Deliverance (Boek)

 

“We were moving toward the white, light water and were very close to it when I saw Drew’s body backed up between the rocks and looking straight at us … I looked at Drew’s hand floating palm-up with the guitar calluses puckered white and his college class ring on it, and I wondered if his wife might not like to have the ring. But no; I couldn’t even do that; it would mean having to explain. I touched the callus on the middle finger of his left hand, and my eyes blinded with tears. I lay with him in my arms for a moment weeping river-water, going with him. I could have cried as long as the river ran, but there was no time. ‘You were the best of us, Drew,’ I said loud enough for Bobby to hear; I wanted him to hear. ‘The only decent one; the only sane one.’

 

Uit: Deliveranc (Dialoog film)

 

“Lewis: What are we gonna do with him?

Drew: There’s not but one thing to do. Take the body down to Aintry. Turn it over to the Highway Patrol. Tell ‘em what happened.

Lewis: Tell ‘em what exactly?

Drew: Just what happened. This is justifiable homicide if anything is. They were sexually assaulting two members of our party at gunpoint. Like you said, there was nothin’ else we could do.

Ed: Is he alive?

Lewis: Not now. Well, let’s get our heads together. [To vengeful Bobby] Come on now, let’s not do anything foolish. Does anybody know anything about the law?

Drew: Look, I-I was on jury duty once. It wasn’t a murder trial.

Lewis: A murder trial? Well, I don’t know the technical word for it, Drew, but I know this. You take this man down out of the mountains and turn him over to the Sheriff, there’s gonna be a trial all right, a trial by jury.

Drew: So what?

Lewis: We killed a man, Drew. Shot him in the back – a mountain man, a cracker. It gives us somethin’ to consider.”

 

 

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

Dickey met de acteur Burt Reynolds (rechts)

 

Lees verder “James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu, Ayn Rand”

William Rose Benét, Gostan Zarian, Ludwig Eichrodt, Johann Ch. Gottsched, Michael Öchsner

De Amerikaanse dichter en uitgever William Rose Benét werd geboren op 2 febrari 1886 in Fort Hamilton, Brooklyn, New York. Zie ook mijn blog van 2 februari 2009 en ook mijn blog van 2 februari 2010.

 

The Horse Thief (Fragment)

There he moved, cropping the grass at the purple canyon’s lip.
His mane was mixed with the moonlight that silvered his snow-white side,
For the moon sailed out of a cloud with the wake of a spectral ship.
I crouched and I crawled on my belly, my lariat coil looped wide.

 

Dimly and dark the mesas broke on the starry sky.
A pall covered every color of their gorgeous glory at noon.
I smelt the yucca and mesquite, and stifled my heart’s quick cry,
And wormed and crawled on my belly to where he moved against the moon!

 

Some Moorish barb was that mustang’s sire. His lines were beyond all wonder.
From the prick of his ears to the flow of his tail he ached in my throat and eyes.
Steel and velvet grace! As the prophet says, God had “clothed his neck with thunder.”
Oh, marvelous with the drifting cloud he drifted across the skies!

 

And then I was near at hand—crouched, and balanced, and cast the coil;
And the moon was smothered in cloud, and the rope through my hands with a rip!
But somehow I gripped and clung, with the blood in my brain aboil,—
With a turn round the rugged tree-stump there on the purple canyon’s lip.

 

Right into the stars he reared aloft, his red eye rolling and raging.
He whirled and sunfished and lashed, and rocked the earth to thunder and flame.
He squealed like a regular devil horse. I was haggard and spent and aging—
Roped clean, but almost storming clear, his fury too fierce to tame.

 

 

William Rose Benét (2 februari 1886 – 4 mei 1950)

Portret door Luis Quintanilla

 

 

Lees verder “William Rose Benét, Gostan Zarian, Ludwig Eichrodt, Johann Ch. Gottsched, Michael Öchsner”

Norbert Bugeja

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi op 2 februari 1980. Zie ook mijn blog van 10 juni 2009 ook mijn blog van 10 juni 2010

JUANITO BORGES, BEGGING

The Sailor sits beneath the bastions of El Corte Ingles,
a scrawny cat, gnawing at the sun with his vile oaths
and unknotting the yarns that prod him in his sleep.
The very shape of him, like waves of vintage radios
stinks in between one country and another,
snatches words uttered, and those slain,
and then transmits the moral of the story –
an olive-skinned giggle, a filterless cigarette
and two italians trailing a one-nighter.

Ola mujer, que pasa? Ostia puta.

If you come into the complex and start climbing
one floor after another,you can look down
and see him curse from every point of view:
trussardi, zegna, fnac and valentino
regard you with a slightly bizarre beard
downing the sun beneath a scorching beer…

And if you get to the top floor and gaze,
down at this city that loves you by the rate
you may be late – by then the Sailor will have picked
the pick of tales to date.


Norbert Bugeja (Siġġiewi, 2 februari 1980)

Esther Gerritsen

De Nederlandse schrijfster Esther Gerritsen werd op 2 februari 1972 geboren teNijmegen. Ze groeide op in de plaatsGendten studeerde Dramaschrijven en Literaire vorming aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Gerritsen debuteerde in 2000 met de verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn en werd direct gezien als een van de grote jonge literaire talenten. Met de twee romans die daarop volgden, Tussen Een Persoon en Normale dagen, bevestigde Gerritsen de verwachtingen. In 2008 verscheen haar derde roman De kleine miezerige god,in 2010 gevolgd door Superduif.Sinds september 2010 is Gerritsen columniste voor de VPRO gids.

Uit: Superdruif

De dag waarop ik Ine voor het eerst ontmoette was ook de dag waarop ik voor het eerst lichtjes opsteeg. Die dag begon hetzelfde als alle andere dagen. Het was een ochtend aan het eind van de winter, in het laatste jaar van de lagere school. Ik werd wakker en ik kon het niet. Zo zei ik dat tegen mijn moeder: Ik kan het niet. Want als je moeder ’s ochtends voorzichtig je slaapkamerdeur opent en goeiemorgen zegt, dan zeg je niet: Mama, ik wil liever dood dan opstaan.
Ik sliep al niet meer toen ik haar op de trap hoorde. Ik lag gespannen naar haar voetstappen te luisteren die dichterbij kwamen. Alsof het de beul zelf was die me uit mijn cel kwam halen en niet mijn eigen lieve moeder. Ze klopte en opende zachtjes de deur.
‘Bonnie, lieverd, ben je wakker?’ Ik liep af. Een veer die was opgedraaid. Een mechaniek dat geen keus had. Ik drukte mijn gezicht in het kussen en gilde. Ik sloeg met mijn vuisten op het matras.
Ik klauwde met mijn handen in het hoeslaken, krulde me op en strekte me uit, sloeg met mijn benen op mijn bed als een kleuter en ik riep: ‘Laat me! Alsjeblieft voor één keer! Voor één keer, laat me alsjeblieft!’ Toen kwam ik rustig overeind en keek mijn moeder smekend aan.
‘Ik kan het niet. Ik kan vandaag niet opstaan. Echt niet.’ Mijn moeder glimlachte, frunnikte wat aan de ceintuur van haar duster, draaide zich om en liep weer naar beneden. Daarna stond ik op.
Zo ging dat elke ochtend.
Mijn ouders zijn laat getrouwd. Mijn vader was zesenvijftig en mijn moeder drieënveertig toen ik kwam. Ze zijn beiden vertaler van beroep en hebben elkaar ontmoet op een vertalerscongres.“

Esther Gerritsen (Nijmegen, 2 februari 1972)