J.M.A. Biesheuvelprijs voor Marente de Moor

De Nederlandse schrijfster en columniste Marente de Moor heeft vrijdag de J.M.A. Biesheuvelprijs gewonnen, een prijs voor de beste Nederlandstalige bundel korte verhalen. De Moor krijgt de prijs, een bedrag van 4875,35 euro, voor haar bundel “Gezellige Verhalen” Zie ook alle tags voor Marente de Moor op dit blog.

Uit: Gezellige verhalen

“We sluiten de tent. Voorgoed. Jules is het ermee eens, althans, dat zei hij vannacht toen we in het donker tegenover elkaar stonden met de toonbank tussen ons in. De energiezuinige straatlantaarn wierp een groene gloed over zijn schedel, kaal op twee hoorntjes van pluishaar na. Mijn broer, de faun van Vaals. Hij had gedronken, de hemel mag weten wat, en nu vrees ik dat hij nooit meer terugkomt.
‘Goed man, gaan we sluiten,’ zei hij, de druipende vaatdoek wegsmijtend waarmee ik zojuist kortsluiting had veroorzaakt, ‘maar dan ook verder geen gezeik meer, ik doe wat ik wil en wat jij doet moet jij weten.’
Hij rook weer zo eigenaardig. Niet zoals toen we nog met z’n tweee¨n waren, niet naar het rijzende deeg en de vruchten van de vlaaien die hij bakte, maar naar de supplementen die zij hem laat slikken. Poeders, Aziatische wondermiddeltjes die hem uitputten. Die hoer laat hem als een estafetteloper achter zijn eigen stokje aan rennen. En de mensen zien het, want zo wandelt hij hier door de straten, met zijn dunne broek. God, de mensen zien het en zullen denken dat ik het ben, want niemand kan ons van elkaar onderscheiden. Hij is een halfuur jonger en vijf centimeter korter, knipt de zijkanten van zijn hoofd niet, ik wel; hij heeft zijn bril weggedaan terwijl ik ’m nog draag. Verschillen genoeg, zou je zeggen. Ik blijf rustig, hij is opvliegend; dat was hij al voordat hij haar ontmoette (als je bij zoiets al van een ontmoeting kunt spreken). Hij kan zingen, dansen en autorijden en ik allemaal niet; hij bakte en ik bediende, en dat wilden we volhouden tot ons pensioen, maar nu zijn we pas drieënvijftig en sluiten we de tent.
Zes uur. De volle maan is er nog even. Zal ik naar beneden gaan, beginnen met de vullingen? Dan hebben de gasten weer vlaai van Marcel, die weliswaar minder goed smaakt dan die van Jules; dat verschil merken ze dan weer wel. Kijken doe je met de bovenkant van je gezicht terwijl je proeft en roddelt met de onderkant, het is maar waar je voor kiest. Ik blijf het liefst hier liggen, zo lang mogelijk in dezelfde houding om het ledikant zijn afschuwelijke gekraak te besparen, in dit van mijn vuil verslapte beddengoed, starend naar de stripfiguurtjes aan de muur, ik blijf, ik laat alles zoals het is.”


Marente de Moor (Den Haag, 1972)

Else Kemps wint Turing Gedichtenwedstrijd 2016

De Nederlandse dichteres Else Kemps uit de Gelderse plaats Malden is de winnaar van de Turing Gedichtenwedstrijd, het grootste poëzieconcours in het Nederlandse taalgebied. Haar gedicht ’En of het zo door kan gaan’ kwam als beste uit de bus, maakte de jury woensdagavond bekend in de Stadsschouwburg Amsterdam. Aan de prijs is een bedrag van 10.000 euro verbonden. Zie ook alle tags voor Else Kemps op dit blog.

 

En of het zo door kan gaan

Het verschil tussen wachten en verwachten leerde je
van een kat die twee keer van huis liep en maar één keer terugkwam.

Je denkt aan de zuurstoffles die je opa kunstmatig in coma hield.
Of het zo door kon gaan, vroeg je tante steeds, en op Google Maps

heeft zijn fiets nog drie jaar voor de deur gestaan. Daarna was er
S, de man die zei niet verder te willen en daarom al die tijd gebleven is.

’s Nachts vertel je hem over de keer dat iemand je uitschold
voor ‘hoer’ omdat je stilstond op een zebrapad. Alles wat hij zegt

is dat ‘lopen’ in het Russisch twee werkwoordsvormen heeft,
afhankelijk van of men een bestemming heeft of niet.

 

 
Else Kemps (Malden, 1995)

Herman de Coninckprijs voor Ruth Lasters

Herman de Coninckprijs voor Ruth Lasters

De Vlaamse dichteres Ruth Lasters heeft met Lichtmeters de Herman de Coninckprijs 2016 voor beste dichtbundel gewonnen.Aan de prijs is een bedrag van 6000 euro verbonden. Ruth Lasters werd geboren in Antwerpen op 5 februari 1979. Zie ook alle tags voor Ruth Lasters op dit blog.

Woud

Of je het achteraf
van vuurwerk ooit zag. De takken van rook, niet

de vonken, maar de pluizige stammen op precies dezelfde
plaats waar net nog pijlen openknalden. het luchtwoud

dat daar na het doven enkele seconden voor je
ontstaat. De restwaarde die eigenlijk grootser is dan

de bedoelde fraaiheid van spetters kleurvuur. Zo is het ook,
nadat je hebt gezucht dat je me ondanks alles, ontrouw nog

liefhebt, wat daarna in de kamer hangt op een doordringendere,
verschrikkelijke, ongewilde manier mooier: de onherstelbaarheid

tussen ons.

 

Rijst

Bij grief groef ik mijn hand in een zak rijst
en stuurde in een omslag steeds een korrel terug naar herkomst,

naar een boer in Angkor die op zijn beurt keer op keer een klei-
knikker zond bij

onverhoopt geluk, als een mijnscherf wonderwel alleen
zijn vrouws wreef had verbrijzeld of zijn oogst niet was verloren door

een storm. De laatste korrel die ik naar hem zond: rond Pasen nadat jij
en ik weer knikkers voor elkaar verstopt hadden in huis in plaats

van eieren – wie in één dag al de zijne vond, mocht weggaan
voor altijd zonder verwijten – en je de mijne nauwelijks

verborgen had, alle zeven naast de plint, voor
het grijpen. 

 

 
Ruth Lasters (Antwerpen, 5 februari 1979)

In Memoriam Aristide von Bienefeldt

In Memoriam Aristide von Bienefeldt

De Nederlandse schrijver Aristide von Bienefeldt is op 56-jarige leeftijd overleden. Aristide von Bienefeldt (pseudoniem van Rijk de Jong) werd geboren op 24 oktober 1964 in Rozenburg bij Rotterdam. Zie ook alle tags voor Aristide von Bienefeldt op dit blog.

Uit: En weer zat er een Paul Newman in de keuken

“Ene Jaap uit Mijnsherenland heeft een reusachtige hoeveelheid houtblokken opgehaald. Ik had die blokken te koop gezet op Marktplaats, en Jaap was de eerste bieder. We hebben ze één voor één – ze lagen opgeslagen op de graanzolder – naar beneden gegooid; daarna heb ik geholpen – nou ja, ik deed alsof, hij had al betaald dus erg gemotiveerd was ik niet – om ze in het busje te stouwen dat hij speciaal voor het vervoer gehuurd had. Ik ben bang dat het busje meer gekost heeft dan het hout. Op het busje kon hij niet afdingen.
Sinds 1973, het jaar van de oliecrisis, lagen die blokken hun lot af te wachten. Mijn vader, die een ‘stel dat’-mens was, vreesde dat onze kachel op een dag niet meer zou branden.
‘Stel dat’-mensen sluiten nooit iets uit. ‘Stel dat de Arabieren de oliekraan diehtdraaien,’ rechtvaardigde hij zijn hamsterwoede, ‘dan hoeven wij van de winter geen kou te lijden.’
Dat die houtblokken veertig jaar later zouden verpulveren in een open haard in Mijnsherenland, kon hij niet vermoeden. Dat kon niemand vermoeden. Het kacheltje, bedoeld om in actie te komen als mijn vaders ‘stel dat’-scenario uitkwam, staat ook te koop. Ik vond het naast de houtberg, in een plastic zak, afgesloten met vlastouw.
‘Hout naar het bos dragen,’ dacht ik terwijl ik de blokken naar beneden gooide, samen met Jaap uit Mijnsherenland. Een quote van Erasmus, geloof ik.
Ik probeerde de quote van Erasmus in overeenstemming te brengen met onze bezigheden, of met wat mijn vader bedoeld had toen hij, bijna veertig jaar geleden, die houtvoorraad aanlegde. Vergeefse moeite.”


Aristide von Bienefeldt (24 oktober 1964 – 20 januari 2016)

In Memoriam Michel Tournier

In Memoriam Michel Tournier

De Franse schrijver Michel Tournier is maandag op 91-jarige leeftijd thuis in Choisel overleden, meldden Franse media. Michel Tournier werd geboren op 19 december 1924 in Parijs. Zie ook alle tags voor Michel Tournier op dit blog.

Uit: Les météores

« J’ai le temps de me poser la vieille question qui surgit fatalement en voyage dans le cœur sédentaire que je suis : pourquoi ne pas m’arrêter ici ? Des hommes, des femmes, des enfants considèrent ces lieux fugitifs comme leur pays. Ils y sont nés. Certains n’imaginent sans doute aucune autre terre au-delà de l’horizon. A lors pourquoi pas moi ? De quel droit suis-je ici et vais-je repartir en ignorant tout de North Bend, de ses rues, de ses maisons, de ses habitants ? N’y-a-t-il pas dans mon passage nocturne pire que du mépris, une négation de l’existence de ce pays, une condamnation au néant prononcée implicitement à l’encontre de North Bend ? Cette question douloureuse se pose souvent en moi lorsque je traverse en tempête un village, une campagne, une ville, et que je vois le temps d’un éclair des jeunes gens qui rient sur une place, un vieil homme conduisant ses chevaux à l’abreuvoir, une femme suspendant son linge sur une corde tandis qu’un petit enfant s’accroche à ses jambes. La vie est là, simple et paisible, et moi je la bafoue, je la gifle de ma stupide vitesse…
Mais cette fois encore, je vais passer outre, le train rouge fonce vers la montagne nocturne en hululant, et le quai glisse et emporte deux jeunes filles qui se parlaient gravement, et je ne saurai jamais rien d’elles, et rien non plus de North Bend.
(…)

“L’Esprit-Saint est vent, tempête, souffle, il a un corps météorologique. Les météores sont sacrés. La science qui prétend en épuiser l’analyse et les enfermer dans des lois n’est que blasphème et dérision. “Le vent souffle où il veut et tu entends sa voix, mais tune sais ni d’où il vient, ni où il va”, a dit Jésus à Nicodème. C’est pourquoi la météorologie est vouée à l’échec. ses prévisions sont constamment ridiculisées par les faits, parce qu’elles constituent une atteinte au libre arbitre de l’Esprit. Et il ne faut pas s’étonner de cette sanctification des météores que je revendique. En vérité tout est sacré. Vouloir distinguer parmi les choses un domaine profane et matériel au-dessus duquel planerait le monde sacré, c’est simplement avouer une certaine cécité et en cerner les limites. Le ciel mathématique des astronomes est sacré parce que c’est le lieu du Père. La terre des hommes est sacré, parce que que c’est le lieu du Fils. Entre les deux, le ciel est brouillé et imprévisible de la météorologie est le lieu de l’Esprit et fait lien entre le ciel paternel et la terre filiale. C’est une sphère vivante et bruissante qui enveloppe la terre comme un manchon plein d’humeurs et de tourbillons, et ce manchon est esprit, semence et parole.”

 

 
Michel Tournier (19 december 1924 – 18 januari 2016)

P. C. Hooftprijs 2016 voor Astrid Roemer

P. C. Hooftprijs 2016 voor Astrid Roemer

De P.C. Hooftprijs voor proza wordt dit jaar toegekend aan de Surinaams-Nederlandse schrijfster Astrid Roemer. Dat heeft de jury van de prijs vandaag bekendgemaakt. De P.C. Hooftprijs wordt elk jaar uitgereikt aan een auteur van achtereenvolgend essays, poëzie en proza. Roemer zal de prijs, waaraan een bedrag is verbonden van 60 duizend euro in mei volgend jaar uitgereikt krijgen in Den Haag. Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. Zie ook alle tags voor Astrid Roemer op dit blog.

Uit: Lola of het lied van de lente

“Ze hadden leren leven met de ander die in hun moeder verborgen zit – ze wisten precies wanneer die zou verschijnen; en behalve hun moeder was er een gast aan wie zij waren overgeleverd als aan de staat. De gast had hun regels opgelegd en hun bescherming geboden. En ze waren vrij zich daaraan te onttrekken maar dat ging nooit zonder een knagend gevoel van schuld.
Waren ze met ongewassen voeten, handen en gezicht naar de slaapkamer van hun moeder gestormd omdat de schaafijskar weer eens in de straat stond?! Of, hadden ze menstruerende kennissen binnengelaten terwijl hun moeder in consult zat -. En: zat er echt geen varkensvlees in het broodje sambal van de Javaan?! Of, hoe weet een jongen die altijd door de stad zwerft op welke straathoeken hij beslist niet mag blijven staan -.
Bovendien: hoe houd je een moeder en nog een stem in haar een leven lang verborgen voor anderen. Dus, toen de kinderen nog dachten dat ze een bloeddoorlopen geheim achter de huig bewaakten, wisten hun buurtvriendjes en -vriendinnetjes al, waarom er dagelijks allerlei personen op nummer zeventien aanklopten. Maar ze waren doodsbang daar zelfs met elkaar over te praten want, zo’n vak van medicijnvrouw reikt immers verder dan de pillen, zalfjes, drankjes en spuiten van de dokters die het uit boeken haalden.
Bovendien – de vrouw op nummer zeventien had zo vaak haar diensten bewezen aan de buurtbewoners dat ook de volwassenen haar even intens vreesden als hun kinderen en het lot waaraan zij zich overgeleverd voelden. Ze was geliefd – en, ze werd gehaat en het liefste als het noodlot zelf gemeden omdat ze vooral de pijnlijke geheimen van anderen achter haar zwartglanzende jukbeenderen draagt. Het had jaren geduurd – en uiteindelijk was ze met haar roeping samengegroeid tot een vakvrouw met gezag.
Dromen worden bij haar neergelegd -; verlangens waar geen bevrediging voor bestaat -; gedachten te schaamteloos voor woorden – en pijn: ongeneeslijk en te ver weg.
De ziel van een volwassen mens ligt verborgen achter een sporen-net van herinneringen waar niemand zonder te verongelukken doorheen komt.
Zij met haar honderden consulten heeft meer dan duizend mensenlevens moeten lijden om zoiets te weten te komen. Daarom wil ze ophouden met het werk – en, ze is er klaar voor.”

 
Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

ECI Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

ECI Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers ontvangt de ECI Literatuurprijs (de vroegere AKO-Literatuurprijs) voor zijn roman “Het hout”. Dat maakte juryvoorzitter Andrée van Es donderdag bekend op het Crossing Border Festival in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag. Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Het hout

“Er komt wit in mijn hersens, eindeloos horizonloos. Ik kijk, zonder dat er een spier in mijn gezicht vertrekt, naar de een, naar de ander. Gaan jullie je Jezus maar zelf begraven. Ik heb het lijk daarstraks gewassen, het kan zo nederdalen ter helle.
Je kunt gaan Bonaventura. Verdere instructies krijg je van Amadeo.
Dat boek had ik te leen, zeg ik nog. Meneer Woltgens zou het graag terug hebben.
Benedictus stempelt met zijn vuist opnieuw een bons op de rode omkafting en laat er een vochtplek op achter. Zorgen wij voor. Schuift Umbrië met de nagel van zijn pink naar Amadeo. Nog iets Amadeo? Het plaaginsect neemt de afgehandelde papiertjes van hem over en legt een nieuw papiertje voor hem neer. Dat Hyacintus daarjuist weer was binnengekomen met een klacht over
medebroeder Olaf. Straks, zegt Benedictus. De ouwe is zichtbaar afgemat.
In de gang loop ik over de witte tegels, ontheven van mijn taken. Rochus die gebogen achteruitlopend de dweil met brede bogen heen en weer beweegt groet mij niet. Ik hem ook niet. Onder de secondenklok, zestien uur zeventien, zie ik de speelplaats. Voetballen in de hitte. Wil van Lanschot die niet met zijn vriend Mark Freelink mag praten praat met Mark Freelink, dwingend gesticulerend, in de dode hoek naast de gymzaal, niet te bespieden vanuit het  rechterraam tweede verdieping schoolgebouw. Verboden plek dus. Hij durft, zo goed als vogelvrij als hij is. Mark, brekelijk albastwit als het engeltje boven zijn bed, schone kleren, beide schoenen aan, knikt, zegt iets terug, knikt. In zijn
ene bruine schoen zit een zwarte veter, dat merk ik op als ex-surveillant. Guido Weytjens komt erbij, wat in ieder geval in orde is met het kostschoolreglement dat contact tussen twee jongens verbiedt, altijd ten minste met zijn drieën om gore praatjes uit te wisselen. Wil toont Guido de paarse achterkant van zijn been. Guido reageert met een stap achteruit en roept iets, wat ik vanop deze afstand achter het raam natuurlijk niet kan verstaan. Tienduizendmiljard bommen en granaten, de grote kraakvis zal hem kraken die basjiboezoek! Ik weet dat hij verwerpelijke stripboeken leest. Ik zag altijd alles door de vingers, maar nu heeft Remigius het overgenomen. Die schreeuwt en koestert het hout in de binnenborstzak van zijn kloostervacht. De clubactiviteiten zijn voorbij, nu begint de studie en daarna, van vrijdag verplaatst naar vandaag, staat de leerlingen het doucheritueel te wachten, want morgen komt hoog kerkelijk bezoek, het lichaam moet schoon, alles wordt gecontroleerd.
Niets meer te doen, ik heb er niets meer mee te maken. U loof ik die mijn schepper zijt die met uw liefde mij geleidt.”

 
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2015 voor Navid Kermani

Aan de Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd gisteren in de Frankfurter Paulskerk de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels uitgereikt. Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Dein Name

„Wann er wieder zu beten aufhört, gehört nicht zum Gelübde. Er mag die Worte, ihren Klang, die Melodie der Reime genauso wie die Bedeutung, er mag die Bewegungen. Es könnte eine Befreiung sein, sich am Tag einige Mal zu verbeugen, sich niederzuwerfen auf die Stirn – und dann wieder aufrecht zu stehen. Wenn seit vierzehnhundert Jahren Menschen ebendiese Verse in eben dieser Abfolge von Körperhaltungen täglich fünfmal aufsagen, muß ein Segen darin wohnen. Ob es Gott gibt, steht auf einem anderen Blatt. Nicht um Ihn ist es den Religionen zu tun, von dem sie ohnehin nur Namen aussprechen, vielmehr um die Menschen, deren Handlungen mit oder ohne Gott genauso gut oder schlecht, richtig oder falsch, sinnvoll oder unnütz sind – sofern es ohne Gott gut oder schlecht gibt, richtig oder falsch, sinnvoll oder unnütz. Mit oder ohne Gott fing er heute morgen mit dem Gebet an, aber für den Vater, der keinen der vier Söhne je mit der Religion bedrängte und gerade deshalb mit Achtzig noch einen Freudensprung machen würde. Es war die einzige Möglichkeit, bei ihm zu sein, so empfand es der Jüngste, der gestern nachmittag mit der Frühgeborenen vor dem Bauch nichtsahnend aus dem Haus gegangen war, um zu spazieren, als der Internist auf dem Handy anrief. Weil die Operation der Herzklappe zu riskant schien und das Blut nicht gerinnt, hatte der Kardiologe im St. Marien allenfalls einen kleinen, oberflächlichen Eingriff in Erwägung gezogen, um die Drähte des Schrittmachers freizulegen, und deshalb einen Termin in einem Herzzentrum besorgt, wo der Chef dem Vater während der ersten Visite mitteilte, daß die Klappe ersetzt werden müsse, Risiko hin oder her, sonst läge die Lebenserwartung bei höchstens einem Jahr, wahrscheinlicher einem halben, gleich morgen also, da jeder Tag zählt, also heute, also jetzt, Donnerstag, 19. Juli 2007, 11:28, jetzt gerade liegt der Vater auf der gebogenen Streckbank aufgespannt wie auf einem großen Ball, rasiert von Hals bis Fuß, mit aufgeschnittenem Brustkorb, umringt von Ärzten, Schwestern, Apparaten, und Gott entscheidet sich, wenn es Ihn gibt, ob Er den Vater wieder zum Leben erweckt. Dem Sohn wird schlecht bei dem Gedanken, daß die Entscheidung gegen den Vater ausfallen könnte. Auch das Gebet hilft jetzt nicht mehr, schon ist die Wirkung verpufft. Kurz nach acht sollte die Operation beginnen, zweieinhalb Stunden sollte sie dauern, die Ärzte könnten also längst fertig sein, sie könnten sagen, puh, das scheint gutgegangen zu sein, oder das Gegenteil. Sie haben auch gesagt, daß es länger dauern könnte, je nachdem, was sie vorfinden und was mit der Blutgerinnung ist. Sie haben die besten, modernsten Apparate und eine neue Methode, der Chef selbst operiert, für sie ist es Routine, wie der Jüngste sich immer wieder zuredet, sie machen das jeden Tag und unter widrigen Umständen als bei dem Vater, nach Unfällen etwa, wenn die Patienten mit dem Hubschrauber eingeflogen werden und die Voruntersuchungen wegfallen.“

 

 
Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

Man Booker Prize 2015 voor Marlon James

Man Booker Prize 2015 voor Marlon James

De Jamaicaanse schrijver Marlon James heeft de Man Booker Prize 2015 gewonnen voor “Een beknopte geschiedenis van zeven moorden”. Zie ook alle tags voor Marlon James op dit blog.

UitA Brief History of Seven Killings

““Listen.
Dead people never stop talking. Maybe because death is not death at all, just a detention after school. You know where you’re coming from and you’re always returning from it. You know where you’re going though you never seem to get there and you’re just dead. Dead. It sounds final but it’s a word missing an ing. You come across men longer dead than you, walking all the time though heading nowhere and you listen to them howl and hiss because we’re all spirits or we think we are all spirits but we’re all just dead. Spirits that slip inside other spirits. Sometimes a woman slips inside a man and wails like the memory of making love. They moan and keen loud but it comes through the window like a whistle or a whisper under the bed, and little children think there’s a monster. The dead love lying under the living for three reasons. (1) We’re lying most of the time. (2) Under the bed looks like the top of a coffin, but (3) There is weight, human weight on top that you can slip into and make heavier, and you listen to the heart beat while you watch it pump and hear the nostrils hiss when their lungs press air and envy even the shortest breath. I have no memory of coffins.
But the dead never stop talking and sometimes the living hear. This is what I wanted to say. When you’re dead speech is nothing but tangents and detours and there’s nothing to do but stray and wander awhile. Well, that’s at least what the others do. My point being that the expired learn from the expired, but that’s tricky. I could listen to myself, still claiming to anybody that would hear that I didn’t fall, I was pushed over the balcony at the Sunset Beach Hotel in Montego Bay. And I can’t say shut your trap, Artie Jennings, because every morning I wake up having to put my pumpkin-smashed head back together. And even as I talk now I can hear how I sounded then, can you dig it, dingledoodies? meaning that the afterlife is just not a happening scene, not a groovy shindig, Daddy-O, see those cool cats on the mat? They could never dig it, and there’s nothing to do but wait for the man that killed me, but he won’t die, he only gets older and older and trades out wives for younger and younger and breeding a whole brood of slow-witted boys and running the country down into the ground.”

 

 
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)

Deutscher Buchpreis 2015 voor Frank Witzel

Deutscher Buchppreis voor Frank Witzel

De Duitse schrijver Frank Witzel heeft verrassend de Deutscher Buchppreis gewonnen voor zijn roman „Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch depressiven Teenager im Sommer 1969“ Dat meldt de organisatie. Het verhaal speelt zich af in de oude Bondsrepubliek in de periode na de Tweede Wereldoorlog. De auteur beschrijft een reeks episoden vanuit de ogen van een 13-jarig kind in Wiesbaden.Zie ook alle tags voor Frank Witzel op dit blog.

Uit: Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch-depressiven Teenager im Sommer 1969

“Es ist ein verschneiter Tag im Januar. Ich stehe auf einem schmalen und verschneiten Hügel, schaue in ein verschlafenes und ebenfalls verschneites Dorf, das unterhalb des Hügels liegt und versuche, mich zu erinnern wie es war, dort unten in einer kaum möblierten und ungeheizten Wohnung zweieinhalb Monate zuzubringen, in einem Haus, das eher einem Schuppen ähnelte, dicht neben einem Bach, der halb zufror in diesem Winter vor so vielen Jahren. Ich stehe auf dem Hügel und schaue meinem gefrorenen Atem hinterher und dem Eichelhäher, der kurz auf einem der verschneiten Äste aufsetzt und dann in den grauen Himmel fliegt und hinter der nächsten Kuppe verschwindet.
Die Landstraße schlängelt sich wie auf einer Kinderzeichnung vom grauweißen Horizont zu dem Feld vor meinen Füßen. Und da kommt auch schon ein Auto angefahren. Es ist kein Ferrari 250 GT 12 Zylinder 4 Takt Hubraum 2953 cm³ mit 240 PS und 230 Stundenkilometern, noch nicht mal ein Porsche 501 6 Zylinder 4 Takt Hubraum 1995 cm³ mit 120 PS und 200 Kilometern, son-dern nur ein NSU Prinz 2 Zylinder 4 Takt 578 cm³ mit 30 PS, der gerade mal 120 macht, mit Rückenwind, und hier geht es bergauf, raus aus dem verschneiten Dorf, und ich habe noch nicht mal den Mopedführerschein, und Claudia brüllt und Bernd schreit, ich soll mich weiter rechts halten, damit uns die Bullen in den Kurven aus den Augen verlieren, aber das ist gar nicht so leicht, denn unser NSU Prinz hat hinten schlecht aufgepumpte Reifen, sodass ich kaum die Balance halten kann. Trotzdem liegen wir ein ganzes Stück vorn. Hinter uns die Bullen mit ihrem vollbesetzten Mannschaftswagen VW T2 fangen an zu ballern. Die Kugeln schlagen in die Schneewehen und springen vom Straßenasphalt gegen den zitronengelben Lack der Kotflügel. Claudia kramt im Handschuhfach nach einer Waffe. Die ist nicht geladen, sage ich. Wie, nicht geladen? Kein Wasser drin. Wasser? Das ist meine Wasserpistole. Sag mal, spinnst du? schreit Bernd. Wo ist denn die Erbsenpistole? Vergessen, aber die Wasserpistole ist echt gut, die hat vorne einen Ring, da kannst du um die Ecke schießen. Ihr seid Spinner, vollkommene Spinner, ich denk, ihr habt euch das Luftgewehr von Achim geliehen. Der war nicht da, nur seine Oma, und die wollte es nicht rausrücken. Pass auf! Ich schlingere nach links, und fast wären wir umgekippt, aber Claudia und Bernd werfen sich geistesgegenwärtig auf die andere Seite, und ich komme nur für einen Moment von der Fahrbahn ab. Der Schnee spritzt an den Scheiben hoch. Die Scheibenwischer arbeiten wie wild. Vielleicht sollten wir einfach drehen, ruft Claudia, damit rechnen die nie im Leben.”

 
Frank Witzel (Wiesbaden, 1955)