P.C. Hooftprijs 2011 voor Henk Hofland

P.C. Hooftprijs 2011 voor Henk Hofland

De Nederlandse schrijver, journalist, commentator, essayist en columnist Henk Hofland krijgt de P.C. Hooftprijs 2011. Dat heeft het bestuur van de Stichting P.C. Hooftprijs voor Letterkunde dinsdag bekendgemaakt. Zie ook mijn blog van 20 juli 2010.

 

Uit: Lezen en schrijven (Column)

 

„De verbreiding van internet betekent niet dat in de digitale bovenlagen ideale democratische verhoudingen zullen heersen. Het is waar: wat we aan het begin van deze eeuw de digitale snelweg noemden, heeft de vrijheid van meningsuiting op een toen nog onvoorstelbare manier bevorderd. Het wereldwijde web heeft een onafzienbare hoeveelheid informatie voor iedereen die met een laptop kan werken toegankelijk gemaakt. Bovendien kan iedereen laten weten wat hij van alles vindt. Nooit zijn zoveel mensen in staat geweest over zoveel zaken een zo groot publiek te laten weten wat ze ervan denken. Iedere dag wordt er bij wijze van spreken een paddestoelwolk van opinies de digitale wereld ingestuurd. Met Facebook en Hyves kun je desnoods duizenden vrienden maken. Internetkranten stellen je in de gelegenheid uit de onkwetsbaarheid van je anonimiteit de machtigsten ter wereld ongenadig uit te schelden. Met Twitter laat je in 140 tekens je diepste wijsheid van het moment weten.

Maar dit wil niet zeggen dat de gebruikers van al deze fantastische faciliteiten weten waar ze het over hebben. Om goed van de schatkamers van informatie gebruik te kunnen maken, moet je weten waar je moet zoeken en datgene te begrijpen wat je hebt gevonden. Dit alles vooronderstelt kennis van zaken die een mens nu eenmaal vergaart in een vooropleiding die toewijding, energie en jaren vergt. Daaraan ontbreekt het al diegenen voor wie de wetenschap van internet wel bereikbaar is, maar de inhoud abracadabra.

De formule die Menno ter Braak in 1937 in zijn Het nationaal-socialisme als rancuneleer gebruikte, heeft een nieuwe actualiteit gekregen. „Naarmate het bezit van cultuur meer als een recht wordt gevoeld, wordt de afstand die er bestaat tussen dat recht op alles en het bezit van weinig in de praktijk, meer beseft als een onrecht.” Degene die hier het slachtoffer is „kan het meerdere bezit van de ander niet verdragen. Het maakt hem hels, de ander bevoorrecht te zien. Hij wrokt omdat hij in de wrok althans de lust van de permanente ontevredenheid beleeft.”

Heeft de schijn van gelijkheid die door de verbreiding van internet is ontstaan deze wrok tot een eigentijds verschijnsel gemoderniseerd? Ligt hier de verklaring van de wijdverbreide haat tegen de ‘elite’, bestaande uit mensen die het dankzij hun opleiding en ervaring op een grote verscheidenheid van gebieden beter weten dan wat vroeger de ‘leek’ werd genoemd? Als van iemand nu gezegd wordt dat hij ‘tot de elite hoort’, is dat in negen van de tien gevallen een verdachtmaking. Elite is een scheldwoord geworden, niet alleen hier; ook in Amerikaanse populistische kringen. ‘Linkse elite’, nog erger – terwijl toch president George W. Bush, de neoconservatieven en de bankiers aan de wortel van onze tegenwoordige problemen hebben gestaan.“

 

 


Henk Hofland (Rotterdam, 20 juli 1927)

In Memoriam Guillaume van der Graft

In Memoriam Guillaume van der Graft

 

In zijn woonplaats Utrecht is afgelopen zondag, 21 november, op 90-jarige leeftijd de Nederlandse dichter, schrijver en theoloog Guillaume van der Graft overleden. Guillaume van der Graft werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook mijn blog van 15 augustus 2007 en ook mijn blog van 15 augustus 2008 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2009 en mijn blog van 15 augustus 2010.

 

 

Met de mensen mee

Met de vogels mee om vermoeidheidsredenen
reed ik de berg af, zij volgden mij,
enkelen rolden een groot rond ei
tussen zich in, sommigen deden

driftige ave’s met hun vleugels;
gaandeweg werd de weg steenachtiger,
een reiger hijgde als een tachtiger,
allerlei onbewoonde geheugens

lagen verspreid in de groene kommen,
huppelend liepen de kleinsten naast mij,
veerkrachtig de arenden, zonder haast
de pienteren en kwaadsprekend de dommen.

Waarom? vroeg ik mij eensklaps af;
vogels zijn vlammen, ze slaan naar boven,
ze kunnen staan in een vurige oven,
maar mensen zijn as in een koud graf.

 

 

Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)

 

AKO Literatuurprijs 2010 voor David Van Reybrouck

AKO Literatuurprijs voor David Van Reybrouck

 

 

De Belgische schrijver David van Reybrouck is met zijn boek “Congo” de winnaar van de AKO Literatuurprijs 2010. Dat maakte juryvoorzitter Femke Halsema vanavond bekend in het Teylers museum in Haarlem. De winnaar ontvangt een bedrag van 50.000 euro en een sculptuur van Eugène Peters. Zie ook mijn blog van 30 mei 2009 en ook mijn blog van 30 mei 2010.

 

Uit: Congo. Een geschiedenis

 

«De eerste keer dat ik naar Oost-Congo vloog, in 2007, voor een begrafenis van een vermoorde journalist dan nog, was ik er bijna geweest. Boven het vliegveld van Bukavu waren we in een onwaarschijnlijk tropisch onweer beland. De Boeing raakte maar de helft van de overstroomde landingsbaan en kon niet stoppen. Oog in oog met een ravijn die de DC-9 zeker in tweeën had gebroken, stuurde de piloot ‘m dan maar een wei in: daar liepen we vast in de modder. We hadden net getankt, de fuel druppelde van de vleugels. Als je je daar dan in zeven haasten wegmaakt over de landingsbaan, onder regendruppels als marbels zo groot, en nog eens omkijkt naar dat vliegtuig met z’n wielen in de modder, dan denk je: ‘Chance gehad!’»

 

«Eén keer ben ik aangehouden door de veiligheidsdiensten omdat ik foto’s nam in de buurt van een postgebouw; er was in geen dertig jaar nog een brief verstuurd, maar het gold toch als strategisch gebouw. Daar ben ik alleen weggeraakt omdat ik er met een vriend was die journalist is en die, op zondagmiddag, de minister van Buitenlandse Zaken wist te bereiken – Congo is een enorm land, maar de lijnen met de macht zijn er korter dan hier. Hij gaf zijn gsm door aan de agent voor ons, en die hoorde ik zeggen: ‘Non, mon excellence, nous ne sommes pas en train de brutaliser le blanc!’ Nog mochten we niet weg; dat lukte pas toen mijn vriend de hoogste in rang daar duidelijk maakte dat hij ook het nummer van president Kabila zelf had.»

 

 

 

David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

 

Zie voor de schrijvers van de 8e november mijn vorige blog van vandaag.

Constantijn Huygens-prijs 2010 voor A.L. Snijders

 

Constantijn Huygens-prijs 2010 voor A.L. Snijders

 

Aan de Nederlandse schrijver A.L. Snijders is de Constantijn Huygens-prijs 2010 toegekend voor zijn hele oeuvre.  Aan de prijs is een geldbedrag van 10.000 euro verbonden.  A.L. verwierf bekendheid met de verschijning van het boek Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk uit 2006, een bundeling zogenaamde zkv’s (Zeer Korte Verhalen). Zie ook mijn blog van 20 november 2009.

 

 

Nulla Dies

 

De oude man loopt met zijn hond aan de rand van het bos. In de verte ligt zijn huis. Hij ziet het. Er komt met zwier een diepliggende auto aanrijden. Jeugd. De oude man heeft zijn verzet opgegeven. Hij herkent de parafernalia van de jeugd als vanzelf. Als hij het huis binnengaat, ziet hij ze staan, ze vullen de kamer als bomen, vier Thebaanse krijgers uit Amsterdam, ongeveer twee meter lang, gegroeid uit drakentanden. Het zijn vier beeldmakers, losse kunstenaars. De oude man zegt dat ze niet moeten vertrouwen op hun talent, ze moeten stug werken, iedere dag, ondanks regen en wind, nulla dies sine linea. Wat zegt u meneer? Waarom zouden de jonge soldaten weten wat de oude man weet? De lijfspreuk van Duitse houtsnijders, middeleeuwen. Geen dag zonder lijn. Na de koffie en de koekjes stopt de laagliggende auto nog even voor het raam, portieren op een kier. Gelach. Nulla dies sine linea, meneer? Mooie spreuk voor onze cokedealer!

 

 


A.L. Snijders (Amsterdam, 1937)

 

 

In Memoriam Harry Mulisch

In Memoriam Harry Mulisch

 

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch is gisteravond op 83-jarige leeftijd in Amsterdam overleden. Mulisch was een van de beroemdste Nederlandse schrijvers van de 20e eeuw. Hij schreef meer dan tien romans en tientallen verhalen. Daarnaast schreef Mulisch ook gedichten, theaterstukken en vele artikelen. Zijn boeken werden in allerlei talen vertaald. Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 29 juli 2006 en ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008 en ook mijn blog van 29 juli 2009 en eveneens mijn blog van 29 juli 2010.

 

 

Uit: Die Entdeckung des Himmels (Vertaald door Martina den Hertog-Vogt)

 

“Wer frei ist, überlegte Max eines Nachmittags im Herbst, als er auf seinem Balkon stand und die sich gelb färbenden Bäume betrachtete, kann sich nicht vorstellen, je eingesperrt zu sein, genauso wenig wie ein Gefangener sich wirklich die Freiheit vorstellen kann. Die Trägheit der Masse hat ihr Pendant in der Trägheit des Geistes: alles, was in einem bestimmten Augenblick nicht der Fall ist, hat den Charakter eines Traumes. Die Folge ist, dass die Geschichte zwar in Büchern zu finden ist, aber kaum außerhalb – und was sind schon Bücher? Kleine Gegenstände, Dinge, die selten größer sind als ein Ziegelstein, nur leichter und fast unauffindbar zwischen den Myriaden anderer Dinge, die die Erdoberfläche bedecken, und obendrein auf dem besten Wege, von Tag zu Tag unbedeutender zu werden in der immer schneller aus lauter Codes sich speisenden elektronischen Welt.”

 

 

 

Uit: Siegfried (Vertaald door Paul Vincent)

 

„The city received them into the magnificent, monumental embrace of the Ringstrasse. He did not often visit Vienna, but each time he did, he felt more at home here than in any other city. His family came from Austria; obviously people carried in their genes the imprint of towns and landscapes where they themselves had never been. It was busy, the low November sun making everything vivid and precise; the last autumn leaves on the trees were few enough to count, and after the next storm they, too, would be gone. As they drove past a bright green park, covered with golden yellow leaves, Herter pointed to them and said, “That’s how I often feel these days.” At the majestic Opera House, the car made a right turn and stopped at the Hotel Sacher. Mrs. Röell apologized for not being able to attend the lunch or reading tomorrow but said she would collect them on Thursday evening and take them to the airport.

At the reception desk in the busy lobby, he was welcomed with delighted surprise, like someone for whom the luxurious hotel had been waiting for years. Herter took the whole thing in good spirits, but since he had never seen himself the way others had seen him for decades, he thought, All this is intended for an eighteen-year-old lad just after the Second World War, desperately poor and unknown, who is trying to get a story down on paper. But perhaps, he thought with amusement as the porter followed with their suitcases down long corridors carpeted and furnished in red, with nineteenth-century portraits in heavy gilt frames, the reality was less modest—perhaps it was completely the other way around: he was indeed unchanged, in the sense that for himself he had always been as he now was for others, too, even in his attic with the frost flowers on the windows.“

 

 

Uit: Het zwarte licht

 

„Het was of er in de toren niet honderd maar duizend klokken speelden… En niet alleen de voetgangers bleven staan, ook de fietsers stapten nu af en bleven met hun machines aan de hand omhoog kijken. Het was of het uitzinnig zingende brons daarboven ook al de traagheid van het metaal verloren had: het speelde en zong en danste leniger dan een klavecimbel. En dan weer werd de onvergelijkbare kluwen van geluid plotseling naar boven, hemelwaarts getransponeerd… dan weer stortte alles neer in deze of gene diepte, waar het zo donker en verschrikkelijk was, dat de wielrijders de angst over hun voelden rillen. En bij het zien van al die roerloze, omhoogkijkende mensen overal in de straten zetten toen ook de automobilisten hun wagens aan de kant en stapten snel uit, in de verwachting een luchtgevecht, een komeet of een vliegende schotel te zien. Maar daar was de grijze lucht en de muziek. En toen alleen nog maar in de verte het zachte geknetter van een enkele motorfiets hoorbaar was, – en verder alles doodstil en onbeweeglijk geworden was in de stad, onder het dak van muziek – toen gebeurde het ontbrekende, toen was het plotseling of de wereld zich verslikte van emotie…“

 

 

Uit: Archibald Strohalm (Vertaald door Gregor Seferens).

 

“Mit der Zeit bekamen seine Pläne deutlichere Konturen und gingen seine Vorstellungen in Worte

über. Und als dieser Prozeß in Gang gekommen war, vergrößerte sich das Loch in seinem Innern, so daß sie hervorbrachen, immer schneller: Es dehnte sich zu einer klaffenden Öffnung aus, die einen wilden Strom passieren ließ. Zwar hatte er von Anfang an gespürt, daß sein Vorhaben über eine Kasperltheatervorstellung weit hinausging – dermaßen weit, daß alles andere dafür aufgegeben werden mußte –, doch es war ihm nicht bewußt gewesen, daß dieser arglose Anfang sich zu einer Ideenflut auswachsen konnte, die jetzt nur ihn überströmte, die dies in Zukunft aber mit vielen, vielen Menschen tun würde. Was gut wäre. Es würde die Menschheit von viel Unerträglichem erlösen. Ha, welch eine Wirkung dieses Wort auf ihn hatte: erlösen!

Erlösen? Mit einem Drang nach Menschlichkeit hatte das nichts zu tun. Die Menschen ließen ihn kalt. Wenn er überhaupt daran dachte, die Menschheit zu erlösen, dann war dies ein sehr abstraktes Menschentum, ein amorpher Haufen, in dem er keine Gesichter erkennen konnte. Und wovon sollte er es erlösen? Den Mund vom Schmerz? Das Auge von Dummheit? Wenn er es bloß nicht unglücklicherweise von der Liebe erlöste.

Um genau zu sein: Er war sich selbst das Menschentum.”

 

 

 

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)

 

Thomas-Mann-Prijs voor Christa Wolf

Thomas-Mann-Prijs voor Christa Wolf

 

 De Thomas-Mann-Prijs van de Hanzestad Lübeck en de Beierse Academie voor Schone Kunsten is een literaire prijs, die in 2010 voor de eerste keer is toegekend. Hij lkomt voort uit de Thomas Mann Prijs van de Hanzestad Lübeck en de Literatuur Prijs van de Beierse Academie voor Schone Kunsten. In 1975 doneerde de Hanzestad Lübeck n.a.v. de 100ste geboortedag van Thomas Mann een literaire prijs voor persoonlijkheden “die zich hebben onderscheiden door hun literaire werk in de geest van de humaniteit die het werk van Thomas Mann kenmerkte”.  In 2008 werd Prijs van de Beierse Academie voor Schone Kunsten omgedoopt tot Thomas Mann Literatuurprijs. De Thomas Mann Gesellschaft in Lübeck protesteerde vervolgens in een open brief tegen de naamgeving van de Beierse prijs. Dit zou schade doen aan de reputatie van de schrijver en tot verwarring leiden, omdat Thomas Mann 75 jaar eerder verdreven was uit München. In de zomer van 2008 stelde een auteur van het culturele tijdschrift Unser Lübeck, met goedvinden van de redactie, voor om een gemeenschappelijke prijs in te stellen. Daarover werd in 2009 overeenstemming bereikt. De prijs wordt afwisselend toegekend in Lübeck en in München. De prijs wordt toegekend voor het levenswerk van een auteur of voor een uitstekende prestaties op het gebied van de literatuur en is begiftigd met 25.000  Euro. De eerste prijswinnaar van de nieuwe prijs is de schrijfster Christa Wolf. De Thomas-Mann-Prijs 2010 werd op 24 oktober 2010 in het Theater Lübeck uitgereikt.

 

 

De Duitse schrijfster Christa Wolf werd geboren op 18 maart 1929 in het huidige Poolse Gorzów Wielkopolski. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007 en ook mijn blog van 18 maart 2008 en ook mijn blog van 18 maart 2009 en mijn blog van 19 maart 2010.

 

Uit Was Bleibt

 

Nur keine Angst. In jener anderen Sprache, die ich im Ohr, noch nicht auf der Zunge habe, werde ich eines Tages auch darüber reden. Heute, das wußte ich, wäre es noch zu früh. Aber würde ich spüren, wenn es an der Zeit ist? Würde ich meine Sprache je finden? Einmal würde ich alt sein. Und wie würde ich mich dieser Tage dann erinnern? Der Schreck zog etwas in mir zusammen, das sich bei Freude ausdehnt. Wann war ich zuletzt froh gewesen? Das wollte ich jetzt nicht wissen. Wissen wollte ich – es war ein Morgen im März, kühl, grau, auch nicht mehr allzu früh -, wie ich in zehn, zwanzig Jahren an diesen noch frischen, noch nicht abgelebten Tag zurückdenken würde. Alarmiert, als läute in mir eine Glocke Sturm, sprang ich auf und fand mich schon barfuß auf dem schön gemusterten Teppich im Berliner Zimmer, sah mich die Vorhänge zurückreißen, das Fenster zum Hinterhof öffnen, der von überquellenden Mülltonnen und Bauschutt besetzt, aber menschenleer war, wie für immer verlassen von den Kindern mit ihren Fahrrädern und Kofferradios, von den Klempnern und Bauleuten, selbst von Frau G., die später in Kittelschürze und grüner Strickmütze herunterkommen würde, um die Kartons der Samenhandlung, der Parfümerie und des Intershops aus den großen Drahtcontainern zu nehmen, sie platt zu drücken, zu handlichen Ballen zu verschnüren und auf ihrem vierrädrigen Karren zum Altstoffhändler um die Ecke zu bringen. Sie würde laut schimpfen über die Mieter, die ihre leeren Flaschen aus Bequemlichkeit in die Mülltonnen warfen, anstatt sie säuberlich in den bereitgestellten Kisten zu stapeln, über die Spätheimkehrer, die beinahe jede Nacht die vordere Haustür aufbrachen, weil sie immer wieder ihren Schlüssel vergaßen, über die Kommunale Wohnungsverwaltung, die es nicht fertigbrachte, eine Klingelleitung zu legen, am meisten aber über die Betrunkenen aus dem Hotelrestaurant im Nebenhaus, die unverfroren hinter der aufgebrochenen Haustür ihr Wasser abschlugen. Die kleinen Tricks, die ich mir jeden Morgen erlaubte: ein paar Zeitungen vom Tisch raffen und sie in den Zeitungsständer stecken, Tischdecken im Vorübergehen glattstreichen, Gläser zusammenstellen, ein Lied summen (“Geht nicht, sagten kluge Leute, zweimal zwei ist niemals drei”), wohl wissend, alles, was ich tat, war Vorwand, in Wirklichkeit war ich, wie an der Schnur gezogen, unterwegs zum vorderen Zimmer, zu dem großen Erkerfenster, das auf die Friedrichstraße blickte und durch das zwar keine Morgensonne hereinfiel, denn es war ein sonnenarmes Frühjahr, aber doch Morgenlicht, das ich liebe, und von dem ich mir einen gehörigen Vorrat anlegen wollte, um in finsteren Zeiten davon zu zehren.“

 


Christa Wolf (Gorzów Wielkopolski, 18 maart 1929)

Booker Prize voor Howard Jacobson

Booker Prize voor Howard Jacobson

De Britse schrijver Howard Jacobson heeft dinsdag de Man Booker Prize 2010 gekregen voor zijn roman The Finkler Question. De uitreiking werd rechtstreeks uitgezonden door de omroep BBC. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 50.000 pond (ruim 56.000 euro).
Howard Jacobson werd geboren op 25 augustus 1942 in Manchester. Hij is opgegroeid in Prestwich en werd opgeleid aan Stand Grammar School in Whitefield, alvorens Engels te gaan studeren op Downing College, Cambridge. Hij doceerde gedurende drie jaar aan de Universiteit van Sydney voordat hij terugkeerde naar Engeland om les te geven aan Selwyn College in Cambridge.
Zijn fictie, met name de vijf romans die hij heeft gepubliceerd sinds 1998, wordt vooral gekenmerkt door een discursieve en humoristische stijl. Terugkerende onderwerpen in zijn werk zijn man-vrouw verhoudingen en de Joodse ervaring in Groot-Brittannië in de midden-tot laat-20e eeuw. Jacobson is wel vergeleken met vooraanstaande Joods-Amerikaanse schrijvers als Philip Roth.
Zijn roman The Mighty Walzer uit 1999 over een tiener tafeltenniskampioen, won de Bollinger Everyman Wodehouse Prize for comic writing. Hij speelt in het Manchester van de jaren 1950 en Jacobson, zelf als tiener een ping pong fan, geeft toe dat er meer dan een autobiografisch element in zit. Zijn romans Who’s Sorry Now uit 2002 en Kalooki Nights uit 2006 kwamen al eerder op de long list van de Man Booker Prize. Jacobson werkte ook als columnist voor The Independent en voor de televisie. Twee tv-programma’s waren Channel 4’s Howard Jacobson Takes on the Turner uit 2000 Why the Novel Matters uit 2002.

Uit: The Finkler Question

„He should have seen it coming.
His life had been one mishap after another. So he should have been prepared for this one.
He was a man who saw things coming. Not shadowy premonitions before and after sleep, but real and present dangers in the daylit world. Lamp posts and trees reared up at him, splintering his shins. Speeding cars lost control and rode on to the footpath leaving him lying in a pile of torn tissue and mangled bones. Sharp objects dropped from scaffolding and pierced his skull.
Women worst of all. When a woman of the sort Julian Treslove found beautiful crossed his path it wasn’t his body that took the force but his mind. She shattered his calm.
True, he had no calm, but she shattered whatever calm there was to look forward to in the future. She was the future.
People who see what’s coming have faulty chronology, that is all. Treslove’s clocks were all wrong. He no sooner saw the woman than he saw the aftermath of her — his marriage proposal and her acceptance, the home they would set up together, the drawn rich silk curtains leaking purple light, the bed sheets billowing like clouds, the wisp of aromatic smoke winding from the chimney — only for every wrack of it — its lattice of crimson roof tiles, its gables and dormer windows, his happiness, his future — to come crashing down on him in the moment of her walking past.
She didn’t leave him for another man, or tell him she was sick of him and of their life together, she passed away in a perfected dream of tragic love — consumptive, wet-eyelashed, and as often as not singing her goodbyes to him in phrases borrowed from popular Italian opera.
There was no child. Children spoilt the story.
Between the rearing lamp posts and the falling masonry he would sometimes catch himself rehearsing his last words to her — also as often as not borrowed from the popular Italian operas — as though time had concertinaed, his heart had smashed, and she was dying even before he had met her.
There was something exquisite to Treslove in the presentiment of a woman he loved expiring in his arms. On occasions he died in hers, but her dying in his was better. It was how he knew he was in love: no presentiment of her expiry, no proposal.
That was the poetry of his life. In reality it had all been women accusing him of stifling their creativity and walking out on him.“

 

 
Howard Jacobson (Manchester, 25 augustus 1942)

 

Nobelprijs literatuur voor Mario Vargas Llosa

Nobelprijs literatuur voor Mario Vargas Llosa

 

 

De Nobelprijs voor de Literatuur is dit jaar toegekend aan de Peruaanse schrijver en oud-politicus Mario Vargas Llosa. Dat heeft de Zweedse Academie donderdag bekendgemaakt. Hij is de eerste Peruaan die de prijs heeft gekregen. De laatste Spaanstalige schrijver aan wie de prijs werd toegekend, was in 1990 de Mexicaan Octavio Paz. De prijs, waaraan een bedrag van 10 miljoen Zweedse kronen (1,5 miljoen euro) is verbonden is aan Vargas Llosa toegekend voor ,,de manier waarop hij machtsstructuren in kaart brengt en zijn scherpzinnige beelden van het verzet, de opstandigheid en de nederlaag van het individu.” Vargas Llosa is de elfde Spaanstalige winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur. De eerste was de Spanjaard José Echegaray in 1904. Andere Spaanstalige winnaars waren onder anderen Pablo Neruda (1971) en Gabriel Garcia Márquez (1982). Mario Vargas Llosa in Arequipa werd geboren op 28 maart 1936. Zie ook mijn blog van 28 maart 2007 en ook mijn blog van 28 maart 2008.en ook mijn blog van 28 maart 2009 en eveneens mijn blog van 28 maart 2010.

 

Uit: The Feast of the Goat (Vertaald door Edith Grossman)

 

But the colonial city has not been modernized, and neither has Gazcue, her neighborhood. And she is absolutely certain her house has hardly changed at all. It must be the same, with its small garden, old mango tree, and the flamboyán with red flowers bending over the terrace where they used to have lunch outdoors on weekends; the sloping roof and the little balcony outside her bedroom, where she would go to wait for her cousins Lucinda and Manolita, and, during that last year, 1961, spy on the boy who rode past on his bicycle, watching her out of the comer of his eye and not daring to speak. Would it be the same inside? The Austrian clock that sounded the hours had Gothic numerals and a hunting scene. Would her father be the same? No. You’ve seen him failing in the photos sent to you every few months or years by Aunt Adelina and other relatives who continued to write even though you never answered their letters. 

She drops into an armchair. The rising sun penetrates to the center of the city; the dome of the National Palace and its pale ocher walls sparkle gently under a curve of blue. Go now, soon the heat will be unbearable. She closes her eyes, overcome by a rare inertia, for she is accustomed to always being active and not wasting time in what, since her return to Dominican soil, has occupied her day and night: remembering. “This daughter of mine is always working, she even repeats her lessons when she’s asleep” That’s what Senator Agustín Cabral, Minister Cabral, Egghead Cabral used to say about you when he boasted to his friends about the girl who won all the prizes, the student the sisters always held up as an example. Did he boast to the Chief about Urania’s scholarly achievements? “I’d like so much for you to know her, she has won the Prize for Excellence every year since she enrolled at Santo Domingo. It would make her so happy to meet you and shake your hand. Urania prays every night for God to protect that iron health of yours. And for Dona Julia and Dona María as well. Do us this honor. The most loyal of your dogs asks, begs, implores you. You can’t refuse: receive her. Excellency! Chief!” 

Do you despise him? Do you hate him? Still? “Not anymore,” she says aloud. You wouldn’t have come back if the rancor were still sizzling, the wound still bleeding, the deception still crushing her, poisoning her, the way it did in your youth, when studying and working became an obsessive defense against remembering. Back then you did hate him. With every atom of your being, with all the thought and feeling your body could hold. You wanted him to suffer misfortunes, diseases, accidents. God granted your wish, Urania. Or rather, the devil did. Isn’t it enough that the cerebral hemorrhage brought him a living death? A sweet revenge that he has spent the last ten years in a wheelchair, not walking or talking, depending on a nurse to eat, lie down, dress, undress, trim his nails, shave, urinate, defecate? Do you feel avenged? “No.” 

 

Mario Vargas Llosa (Arequipa, 28 maart 1936)

Deutscher Buchpreis 2010 voor Melinda Nadj Abonji

Deutscher Buchpreis voor Melinda Nadj Abonji

 

 

De Zwitserse schrijfster en muzikante  Melinda Nadj Abonji krijgt dit jaar de Deutsche Buchpreis voor haar boek Tauben fliegen auf, zo werd op 4 oktober 2010  traditioneel bij de opening van de Frankfurter Buchmesse bekendgemaakt.

 

Melinda Nadj Abonji werd geboren op 22 juni 1968 in Bečej (nu in Servië). Zij verhuisde met haar ouders in 1973 uit het voormalige Joegoslavië van Tito naar Zwitserland en is sindsdien genaturaliseerd. Ze beëindigde haar studie aan de universiteit van Zürich in 1997 met de Lizenziatsgrad. In 2004 deed zij mee aan het Ingeborg Bachmann Concours in Klagenfurt. Ze treedt op als solo artieste en samen met rapper Jurczok 1001 als muzikante (zang en viool). Ook schreef zij tal van artikelen voor literaire tijdschriften (o.a. drehpunkt, Lenos, Basel / manuskripte, Graz / entwürfe, Zürich) en bloemlezingen. Haar roman Tauben fliegen auf werd gepubliceerd in 2010. Zij vertelt erin over de familie Kocsis, die deel uitmaakt van de Hongaarse minderheid in het noorden van Servië en die verhuisde naar Zürich. De voormalige immigrante werd de allereerste Zwitserse schrijver/schrijfster die ooit de Deutsche Buchpreis heeft gewonnen. Abonji woont al vele jaren in Zürich.

 

Uit: Tauben fliegen auf

 

“Titos Sommer

Als wir nun endlich mit unserem amerikanischen Wagen einfahren, einem tief braunen Chevrolet, schokoladefarben, könnte man sagen, brennt die Sonne unbarmherzig auf die Kleinstadt, hat die Sonne die Schatten der Häuser und Bäume beinahe restlos aufgefressen, zur Mittagszeit also fahren wir ein, recken unsere Hälse, um zu sehen, ob alles noch da ist, ob alles noch so ist wie im letzten Sommer und all die Jahre zuvor.

Wir fahren ein, gleiten durch die mit majestätischen Pappeln gesäumte Strasse, die Allee, welche die Kleinstadt vorankündigt, und ich habe es nie jemandem gesagt, dass mich diese zum Himmel strebenden Bäume in einen schwindelerregenden Zustand versetzen, einen Zustand, der mich mit Matteo kurzschliesst (der Taumel, dem ich verfalle, als Matteo und ich uns endlos im Kreis drehen, auf der schönsten Lichtung des Dorfwaldes, innig, seine Stirn auf meiner, später dann Matteos Zunge, die eigenartig kühl ist, seine schwarzen Körperhaare, die sich so an seine Haut schmiegen, als wären sie ihrer hellen Schönheit völlig ergeben).

Als wir an den Pappeln vorbeifahren, mir dieses Flirren den Verstand raubt, unser schokoladefarbenes Schiff geräuschlos von einem Baum zum nächsten gleitet, dazwischen die Luft der Ebene, die sichtbar wird, ich kann sie sehen, die Luft, die jetzt stillsteht, weil die Sonne so erbarmungslos ist, da sagt mein Vater zur Klimaanlage hin, immer noch alles genau gleich, mit kleiner Stimme sagt er, hat sich nichts verändert, gar nichts.

Niemand weiss, was mir diese Bäume bedeuten, die Luft zwischen den Bäumen, die man genau sehen kann, und nirgends sind die Bäume so verheissungsvoll wie hier, wo die Ebene ihnen Platz lässt, und ich wünsche mir auch diesmal stehenzubleiben, mich an einen dieser Stämme zu lehnen,

meinen Blick zu heben, mich von den raschen, kleinen Bewegungen der Blätter verführen zu lassen, und ich bitte meinen Vater auch diesmal nicht anzuhalten, weil ich auf die Frage »warum« keine Antwort wüsste, weil ich vieles erzählen müsste, ganz bestimmt aber von Matteo, um zu erklären,

warum ich ausgerechnet hier anhalten will, so kurz vor dem Ziel.”

 


Melinda Nadj Abonji (Bečej, 22 juni 1968)

In Memoriam Herman Franke

 

In Memoriam Herman Franke

De Nederlandse schrijver en ex-criminoloog Herman Franke is op 61-jarige leeftijd overleden. Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Hij werkte al jaren aan een doorlopende romancyclus. Het laatste deel is af en zal postuum verschijnen. Franke overleed op zaterdag 14 augustus in zijn woning in Amsterdam, zo maakte zijn uitgeverij Podium vandaag bekend. Pas op zijn vijftigste brak Franke echt door als schrijver, met De verbeelding (1998). Met deze roman won hij de Generale Bank Literatuurprijs (Nu AKO Literatuurprijs). Daarna was het even stil rond de auteur, pas met de roman Wolfstonen (2003) beleefde hij een nieuw groot succes.

Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006en ook mijn blog van 13 oktober 2007 en ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

Uit: De tuinman en de dood van Diana

“Je bent met wie je omgaat. En het is onmogelijk je niets van die anderen aan te trekken. Met de dood van intieme anderen sterven stukjes van je zelf. Daar staat tegenover dat nieuwe vrienden dode stukjes van je zelf tot leven kunnen wekken. Juist mensen van wie je niet meteen inziet dat ze uniek zijn, willen hier niet aan. Zij maken zelf wel uit hoe ze zijn. Ze geloven zelfs dat ze na hun dood in het hiernamaals precies zo zijn als tijdens hun leven. In paravisische pulpbladen- en programma’s doen ze alsof dit platte geloof buitengewoon interessant en mysterieus is. Het onkenbare en daardoor zozeer tot de verbeelding sprekende hiernamaals wordt door hen en passant teruggebracht tot een plaats waar vader zich nog steeds drukt maakt over de laffe smaak van moeders spruitjes of waar de overledenen niets anders te doen hebben dan op muren te kloppen, tafels op te tillen of ons in Engelse landhuizen achterbaks langs het hoofd te strijken, zodat we ons wezenloos schrikken. Vanuit een opgefokt ik-gevoel ontdoen zij zelfs de dood van zijn mystiek. Maar daar trekt hij zich gelukkig niets van aan.
Ik hecht niet zo aan mijn ik. Na mijn dood blijven er miljoenen mensen over die sprekend op mij lijken. Dus zo erg is het niet als ik verdwijn. Ik vloei weer terug in datgene waarvan ik vanaf mijn geboorte een eenzame, naar eenwording hunkerende verbijzondering was: het mens-zijn. Als ik dood ben, zit ik in alle mensen en ga dagelijks door de pieken en dalen van Het Menselijk Gevoel. Als ik dood ben, doe ik aan alle vrijpartijen van de wereld mee, terwijl ik in levende lijve alleen maar kan vrijen met een paar anderen. Ik ben nu eenmaal veel meer mens dan `ik’. En alles wat mij tot mens maakt blijft zolang als de aarde om de zon draait; of nog langer als de NASA bijtijds een ander zonnig stekje voor ons in de ruimte heeft gevonden.
`Alles verandert, niets vergaat’, schreef Ovidius en zo is het.”

  

Herman Franke (13 oktober 1948 – 14 augustus 2010)