De Nederlandse dichteres Mieke van Zonneveld is de winnaar van de vijfde editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, het grootste poëzieconcours van Nederland. In de Zuiderkerk in Amsterdam kreeg zij de hoofdprijs van 10.000 euro voor haar gedicht ‘Nee’. De Turing Nationale Gedichtenwedstrijd is de poëzieprijs met de grootste geldprijs ter wereld voor één gedicht. Zie ook alle tags voor Mieke van Zonneveld op dit blog.
Nee
Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je vies geworden, overal ligt zand. Ik werd ellendig wakker. Op al mijn wegen nooit één teken maar in dromen worden ze bij menigtes gegeven. Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.
Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te temmen, het joeg mij op, beloofde mij een weelderig bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.
Mieke van Zonneveld (Hilversum, 5 april 1989) Mieke wordt toegesproken door John Jansen van Galen, links jurylid David Troch
BNG Bank Literatuurprijs 2014 voor Wytske Versteeg
De BNG Bank Literatuurprijs is dit jaar gewonnen door de Nederlandse schrijfster Wytske Versteeg. Zij ontvangt 15.000 euro en een kunstwerk. Wytske Versteeg werd geboren op 2 mei 1983. Zie ook alle tags voor Wytske Versteeg op dit blog.
Uit: De wezenlozen
“Het was geen kwade wil, alleen maar onvermogen, zo langzaam waren alle afstanden gegroeid. Als in een zwart, kwaadaardig sprookje waarin niemand nog hun huis had kunnen vinden, ook haar ouders en haar broers niet die haar gewaarschuwd hadden, nooit begrepen hadden wat ze moest met zo’n oude vent, zo’n intellectueel, en uit hun mond was dat een scheldwoord. Wat overbleef was de vraag hoe het had kunnen gebeuren. (…)
Zijn moeder had altijd verlangd naar iets wat buiten het bereik lag van zijn vader, en misschien was het alleen een tijd die hij belichaamde, was hij alleen het stolsel van momenten die voor haar al lang voorbij waren. Veel later pas begreep hij werkelijk hoe zoiets wordt genoemd, en hij besloot dat het de woorden moesten zijn geweest die alles zwaar en onherroepelijk hadden gemaakt wat eerder vluchtig leek en bijna teer. Woorden hadden hen uit elkaar getrokken, prikkeldraad gespannen, onontkoombare grenzen vastgelegd. Wat hij niet begreep was hoe die woorden iets hadden gedefinieerd en ingekleurd wat hijzelf niet begreep, hoe ze het donkere, het roze hijgen hadden blootgelegd, maar de verwarring en de tederheid verborgen achter meedogenloos stenen geboden. Ze namen hem af wat er eerder was geweest, hoe bijzonder zijn moeder hem had gemaakt, een uitverkorene.”
De Nederlandse schrijfster Esther Gerritsen heeft de Frans Kellendonk-prijs 2014 gewonnen, de driejaarlijkse literatuurprijs voor een auteur met originele kijk op maatschappelijke of existentiële problematiek. Esther Gerritsen werd op 2 februari 1972 geboren in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Esther Gerritsen op dit blog.
Uit: Dorst
“Het is de eerste keer in haar leven dat Elisabeth haar dochter onverwachts treft. Ze komt van de apotheek op de Overtoom, wil net oversteken naar de tramhalte als ze haar dochter ziet fietsen aan de andere kant van de straat. Haar dochter ziet haar ook. Elisabeth staat stil. De dochter stopt met trappen maar remt nog niet. De hele Overtoom zit tussen hen in, twee fietspaden, twee rijbanen en een dubbele trambaan. Elisabeth weet meteen dat ze haar dochter moet vertellen dat ze doodgaat en ze lacht als iemand die van plan is een grap te vertellen. Vaak weet ze niet wat ze tegen haar dochter moet zeggen, maar nu heeft ze toch echt iets. Onmiddellijk daarna beseft ze dat zoiets niet te enthousiast gebracht mag worden en misschien ook niet nu. Ondertussen steekt ze de Overtoom al over en denkt aan haar huisarts, die almaar vraagt: ‘Deel je het wel met mensen?’ en hoe fijn het zou zijn als ze bij een volgend consult het goede antwoord kan geven. Ze loopt tussen twee auto’s door. Haar dochter remt en stapt van haar fiets. Elisabeth houdt de plastic apotheektas met morfinepleisters en hoestdrank stevig vast. De tas is het bewijs van haar ziekte, alsof haar woorden het nooit alleen af kunnen, en de tas is ook al het excuus.Omdat ze het echt niet zo had willen zeggen, hier, zo ongepast op straat, maar de tas had haar al verraden. Toch? Ja? Ook steekt Elisabeth zo abrupt de Overtoom over, vlak achter een tram langs, omdat het niet hoort, haar kind aan de overkant en zij hier. Een dochter hoor je niet onverwachts te treffen. Ooit was de dochter er doorlopend, en toen ze er later niet was, had Elisabeth haar zelf ergens afgeleverd. Nog later was er een bezoekregeling en de laatste jaren was er niet veel, maar in ieder geval bleven de verjaardagen. Altijd was het duidelijk en ze had zichzelf aangewend niet aan de dochter te denken als de dochter er niet was.”
De Nederlandse dichter, schrijver, essayist en criticus Jacq Firmin Vogelaar is op 69-jarige leeftijd overleden. Hij stierf afgelopen maandag.op 69-jarige leeftijd. Jacq Firmin Vogelaar werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voor Jacq Firmin Vogelaar op dit blog.
Uit: Terugschrijven (Over ‘Boze geesten’ van Fjodor M. Dostojevski)
“Boze geesten is de geschiedenis van een moord uit politieke motieven. Uiteindelijk blijkt er in het boek maar één drijfveer in het spel te zijn: vernietigingsdrang, de demon die allen in zijn greep heeft. Hoewel de moordgeschiedenis de vertelstructuur beheerst, is de politiek toch vooral een aanleiding om religieuze en ethische ideeën te behandelen. Dat verklaart het merkwaardige feit dat Pjotr, hoe belangrijk ook als onruststoker en intrigerende Judas, zowel binnen de revolutionaire kring als in het plaatselijke societyleven, inhoudelijk in de roman een bijrol heeft; ook technisch is hij een indringer in de roman die verder gecentreerd is rond Stawrogin en Kirilow. In die zin kan Pjotrs opmerking dat Nikolai Stawrogin ‘zijn betere ik’ is ook worden uitgelegd. Maar zoals goed en kwaad, Amerika en Columbus niet buiten elkaar kunnen, zo ook Pjotr Werchowenski en Nikolai Stawrogin. Als Nikolai voor Pjotr een afgod is, dan is Pjotr voor Nikolai een aap (én een naäper). Ze gebruiken elkaar, zoals trouwens allen elkaar schijnen te gebruiken. Zo ook bij voorbeeld Werchowenski en Kirilow. In Kirilow zingt het vrijheidsthema zich los van de betekenissen: ‘Volledige vrijheid zal er eerst zijn, als het er niet meer op aankomt of men leeft of niet. Ziehier het doel van alles.’ Hij is de eerste in de geschiedenis die geen God wil bedenken. Zelfmoord is voor Kirilow de proef op de som van een gedachtenexperiment: ‘Als God bestaat, dan is elke wil van Hem, en kan ik niets doen buiten Zijn wil. Als Hij niet bestaat, dan is het allemaal mijn eigen wil en ben ik verplicht, mijn vrije wil aan de dag te leggen’. Dat had een parafrase kunnen zijn van de uitspraak van Bakoenin: ‘God bestaat – en de mens is een slaaf; als de mens vrij is – bestaat God niet’, al was Bakoenin zeker niet bereid geweest Kirilow in zijn conclusie te volgen: ‘Ik ben verplicht, mijzelf dood te schieten, omdat het hoogtepunt van de vrije wil hierin bestaat – zichzelf het leven te benemen.’
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)
Uit: Zinky Boys: Soviet Voices from the Afghanistan War
“I never want to write another word about the war, I told myself. Long after I’d finished “War is not a Woman”, a book about World War II, I could still be upset by the sight of a child with a nosebleed. Out in the country I couldn’t bear to watch the fishermen cheerfully throwing their catch on to the sandy riverbank. Those fish, dragged up from the depts of God knows where, with their glassy, bulging eyes, made me want to vomit. I dare say we all have our pain threshold – physical as well as psychological. Well, I’d reached mine. The screech of a cat run over by a car, eventhe sight of a squashed worm, could make me feel I was going mad. I felt that animals, birds, fish, every living thing had a right to a life of its own. And then all of a sudden, if you can call it suddenfor the war had been going on for seven years… One day we gave a lift to a young girl. She’d been to Minsk todo some food shopping for her mother. She had a big bag with chicken heads sticking out, I remember, and a shopping-net full of bread, which we put in the boot. Her mother was waiting for her in the village. Or rather, standing at her garden gate, wailing. ‘Mama!’ The little girl ran up to her. ‘Oh, my baby. We’ve had a letter. Our Andrey in Afghanistan. Ohhh… They’re sending him home, like they did Ivan Fedorinov. A little child needs a little grave, isn’t that what they say? But my Andrei was as big as an oak and over six foot. “Be proud of me Mum, I’m in the Paras now,” he wrote to us. Oh, why? . Why? Can anyone tell me? Why? ”Each substance of agrief hath twenty shadoms.’ (Richard II) Then, last year, something else happened. I was in the half-empty waitingroom of a bus station. An officer was sitting there with a suitcase, and next to him there was as kinny boy who you could tell from his shaved head was a soldier. The young soldier was digging in a plant pot (a dryold ficus, Iremember it was) with an ordinary kitchen fork. A couple of simple country women went and sat next to them and, out ofsheer curiosity, asked where they were going, and why, who were they? It turned out the officer was escorting the soldier home.
Vader. Waarom als iemand dat woord zegt kijk ik nog steeds vooruit, niet achter mij? ben ik niet, zoek ik? Het is toch voorbij? jij bent toch in de regen weggelegd?
Wat verwacht ik dan: je hand op mijn hoofd? Waar zou ik moeten komen? ben je daar nog wel, warm woord? Of hebben ze je naar het huis gebracht waarin je hebt geloofd?
Als ik het hoor is het of ik zelf riep. Ik moet al antwoord geven en ik ken nauwelijks de vraag die ik nog altijd ben
Ja, zeg ik, en kijk om. De nacht is diep. Ik weet opeens waarvoor je hebt geleefd: ik draag de naam van wie de dood doorgeeft.
School der liefde
Woorden van geluk zijn moeilijk, ze zijn klank, wartaal, aaas en jijs en toedan, alles of niets. Het lekken van vuur; een gordijn in de wind. Ze zijn eigenlijk maar ballast.
Want we zeggen geluk niet, we doen het. Dieren hebben alleen maar hun lichamen; snuiven, stampvoeten, hoeden warmte met warmte. Het leeft en trilt, het heeft geen namen.
Hoeveel gemakkelijker vindt verdriet woorden. Dat is de wereld van de mensen: ze huilen en ze ballen vuisten en ze vullen bladzijden, maar ze sterven niet. Sterven hoorde alleen waar leven hoorde: bij geluk; en dat was teveel voor woorden.
Een nieuw lied
Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep En hun wijzen van iedere dag Die de treurwilg tot eindeloos treuren riep En de vrouw tot haar eeuwige lach
Een nieuw lied voor de Heer die de goudvissen goud En de roodborstjes rood heeft gemaakt Die de golven der zee, en de bladeren van ’t woud Met zijn vinger heeft aangeraakt Die de kolibrie schiep, en de adelaar schiep Het viooltje en de orchidee Die de schelpen en zwaardvissen liet in het diep Van dezelfde bedelvende zee Die zijn adem laat gaan langs het slapende land Tot het wenend van weelde ontwaakt Die de dauwdroppen droogt met zijn heilige hand En de zon tot zijn heilgenoot maakt
Een nieuw lied voor de Heer die het meer en de lucht En de straten vol zonnelicht goot Die de leeuwerik leidt tot zijn duizelende vlucht En de vlinder tot vlinderdood
Een nieuw lied voor de Heer die een durend nieuw lied In de mond van mijn moedertje lei Die zijn licht in haar zuivere blik achterliet En haar zei wat zij zeide tot mij
Een nieuw lied voor de Heer die van ieder nieuw lied Het ontstaan en de maker is Die het voorzingt in water en woud en in riet In de steeg en de vensternis
Een nieuw lied voor de Heer, voor de Heer Die accoorden en woorden ingeeft Aan de dichter de vrouw en het kind, o en meer dan aan weerklank en stem in hem leeft En zijn naam zij gezegend de eeuwigheid lang Zij gezegend de naam van de Heer Van de opgang der zon, tot haar ondergang zij gezegend de naam van de heer die de sneeuwvlokken zendt als de wolkige wol en de rijm als verdwarrelende as Als hij spreekt lopen alle stuwmeren vol En alles smelt wat bevroren was O gij wateren looft en gij landstreken looft En gij vogeltjes looft onze Heer En gij vuurtongen looft, en gij dauwdroppen looft Alle boomtoppen looft onze Heer
Een nieuw lied voor de Heer, met pauk en cymbaal En bij cither en luit en schalmei een nieuw lied voor de Heer in uw mond in uw taal Want wie geeft u die liederen dan hij
Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)
De Nederlandse zanger, liedschrijver en theatermaker Maarten van Roozendaal is gisteren op 51-jarige leeftijd overleden. Maarten van Roozendaal werd geboren in Heilo op 3 mei 1962.
Lied
Straks schrijf ik voor het eerst een lied Waarvan ik weet, dat jij het nooit zult horen Geen nood, er gaat niet veel verloren Ik maak het expres zo mooi maar niet
Dit wezenloos waarom en hoe Er valt niet zoveel te vertellen Wanneer de dingen echt gaan tellen Waar ligt de zin, wat is de clou
Maar als ik iets moois proberen zou Vroeg ik je eerst of alle woorden kloppen En pas als jij ja zegt, zou ik stoppen En zing ik het alleen voor jou…
Ritueel
Ik houdt het kleine ritueel in ere, opdat jij elk moment terug kunt keren Iedere dag, wanneer het avond wordt, maak ik de tafel klaar Een extra bord, bestek, je eigen stoel Een kaars een glas alsof je enkel opgehouden was
Ik hoor, hoe kon ik denken dat hetgene Waardoor ik ben voor altijd was verdwenen Ik hoor alsof de woning nog bestond Het grind, de klink het aanslaan van de hond En jij komt binnen op het ogenblik Dat ik de lamp ontsteek de bloemen schik
Ik hoop alleen dat ik dan rustig blijf En haast niet opschiet van mijn stil bedrijf De woorden vind als was het vanzelfsprekend Schuif aan, tast toe, er is op je gerekend…
De Curaçaose dichter, auteur, kunstenaar en onderzoeker Elis Juliana is op 23 juni overleden. Dat is door zijn familie bekendgemaakt. Hij is 85 jaar geworden. Juliana behoort met Luis Daal en Pierre Lauffer tot de ‘Grote Drie’ van de Antilliaanse dichtkunst in het Papiaments. Zie ook alle tags voor Elis Juliana op dit blog.
Hé Patu (fragment)
Hé Patu ta yanga. Hé Patu ta rondia Hun tiki kuminda Pa su muchanan.
Hé P’akí, hé p’ayá Hé P’akí, hé p’ayá.
Waggeleend (fragment)
Het eendje dat waggelt, Het eendje dat scharrelt Op zoek naar wat voer Voor haar jongen:
Hóp naar links! Hóp naar rechts! Hóp naar links! Hóp naar rechts!
Vertaald door Fred de Haas
Zwarte engelen
Rustend in moeders schoot vroeg het kind: Mamita, zijn er zwarte engelen ook? En wat kon de moeder anders zeggen dan: Slaap mijn kind, slaap zacht.
De Deutsche Verlags-Anstalt maakte vandaag bekend dat de Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch op 5 mei op 78-jarige leeftijd is overleden. Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.
Luft und Wasser
Aus dem Sumpfland fliegt mir die Eule Auf breiten Flügeln über den Strom Ihre Federn berühren das Wasser Das sich nun teilte ich sah Meiner Schwester Gesicht höre den Wind Schilfhalme leichter bewegen und Wolken Ziehen auf die Nacht zu verkünden.
Viel wehes Geräusch vom anderen weiteren Ufer die grauen Reiher verneigen sich Auf toten Bäumen eh sie noch schlafen. Es ist spät ich kehre hinter Türen zurück. Der Teekessel brummt auf dem Feuer Und verkleidete Könige reiten draußen Auf herrlichen Pferden vorüber.
Großer Stern Die versunkenen verwachsenen Feldherren in ihren Sträuchern Recken gebieterisch Hand und Degen Bevor der Turm mit der silbernen Kugel Sich mächtig ins Bild schiebt Von Zeit zu Zeit seh ich ihn gern Doch als er sein strenges Licht Mir jeden Abend über den Tisch goss Die zivilen Herren und Steckbriefträger Vor meiner Tür und im Fahrstuhl standen Hätte ich dieses Potenzminarett Gern in den Himmel gesprengt.
Der Himmel schuppt sich
Ach, Schnee, sag ich, hier siehst du Eine vor dir die kalte Füße hat und es satt, hilf Winter-Uhr Gleichmacher, weißer Fliegentanz, kommst auf Gerechte und Ungerechte Jahr für Jahr
Schnei ihn ein, Schnee, fall aus allen Wolken bring Nacht, Mauern aus Eis, teil deine Flocken ohn Unterlaß, roll ihn in Hochlandlawinen Er hat was nicht schlägt als Herz in der Brust
Hat schöne gläserne Augen, mit denen sieht er nicht Hat zwei Ohren, mit denen hört er nicht Hat einen Mund den kenn ich nicht
Du Schnee, weiße Federtiere, Reimwort auf Weh du bist Lava, kochender Stahl verglichen mit ihm Tau ihn auf. Er magert mich ab
De Nederlandse schrijver Tommy Wieringa heeft de Libris Literatuur Prijs 2013 gewonnen voor zijn roman “Dit zijn de namen”. De winnaar werd maandagavond in het Amstel Hotel in Amsterdam bekendgemaakt door Clairy Polak, voorzitter van de jury. Zie ook alle tags voor Tommy Wieringa op dit blog.
Uit: Dit zijn de namen
“Allemaal waren ze alleen op weg gegaan, toeval had ze bij elkaar gebracht, niemand was verantwoordelijk voor een ander. Zo lang je kon lopen, behoorde je tot de groep, zolang je kon lopen, maakte je haar sterker. Als de groep voor haar afzonderlijke leden moest gaan zorgen, verzwakte ze. Altruïsme betekende haar einde. Strikt eigenbelang vergrootte de kans op overlevering.
(…)
Hij weet dat ze vooruitgeschoven posten zijn van hun familie, hun dorp, hun gemeenschap. In hun voetspoor reist een onzichtbaar gezelschap van vaders, moeders, broers, zusters, ooms en tantes en neven en nichten mee. Op hen is alle hoop gevestigd. Zij zijn het pioniersgewas – alles kun je ze aandoen, honger, dorst, hitte en kou, ze zullen alles overleven.’
(…)
De kandelaar wees hem zijn plaats in het verleden. Hij herinnerde hem aan het kind dat hij was, dat door de slaapkamer van zijn ouders sloop en de voorwerpen in het hoekkastje in zich opnam, en vertelde hem dat hij geboren was uit een joodse vrouw, die haar afkomst verborgen had gehouden- zoals ze ook de menora onder de voile had weggemoffeld. Hij twijfelde niet meer- hij zou een jood zijn- nee, hij was er een. Dat was zijn plaats in de wereld, deel van een volk, van een gemeenschap. Een op één na uitgestorven gemeenschap. Dat hij ergens bij hoorde, dat was de ontroering.
(…)
De rabbijn had gezegd dat elke Jood, waar en wanneer hij ook ter wereld was, zichzelf moest beschouwen als een vluchteling uit Egypte, een zwerver in de woestijn, zo belangrijk waren de vlucht en de veertig zwerfjaren voor het volk van Israël. Elke voetstap van een Jood herinnerde aan de uittocht en voerde hem terug tot de geboorte van een volk in de woestijn.”