Kazuo Ishiguro, Peter Weiss, Margaret Mitchell, Bram Stoker

Kazuo Ishiguro werd op 8 november 1954 geboren in Nagasaki en leefde daar tot 1960. Toen verhuisde zijn familie naar Engeland. Ishiguro studeerde eerst aan de universiteit van Kent Engels en filosofie en later aan de universiteit van East Anglia, waar hij zijn master haalde. Sinds begin jaren 80 engageerde hij zich voor taltijke sociale projekten. Daarbij leerde hij zijn vrouw kennen en zij trouwden in 1986. Tegenwoordig woont hij met vrouw en dochter in Londen. Zijn eerste twee romans „A Pale View of Hills“ (1986) en „An Artist of the Floating World“ (1988) beschrijven Japanse ervaringen tijdens WO II. Zijn derde roman  „The Remains of the Day“ won in 1989 de Booker Prize.

Uit: A Pale View of Hills

“Memory, I realize, can be an unreliable thing; often it is heavily coloured by the circumstances in which one remembers, and no doubt this applies to certain of the recollections I have gathered here. For instance, I find it tempting to persuade myself it was a premonition I experienced that afternoon, that the unpleasant image which entered my thoughts that day was something altogether different — something much more intense and vivid — than the numerous day-dreams which drift through one’s imagination during such long and empty hours.

In all possibility, it was nothing so remarkable. The tragedy of the little girl found hanging from a tree — much more so than the earlier child murders — had made a shocked impression on the neighbourhood, and I could not have been alone that summer in being disturbed by such images.”

 

Ishiguro

Kazuo Ishiguro (Nagasaki, 8 november 1954)

 

Peter Weiss werd geboren op 8 november 1916 in Nowawes (het tegenwoordige Neubabelsberg) bij Berlijn als oudste zoon van een textielhandelaar. De familie Weiiss, tot het Christendom bekeerde joden, moest in 1935 voor de nationaal-socualisten naar Engeland vluchten. In Londen bezocht Peter Weiss korte tijd de Polytechnic School of Photography. Tussen 1935 en 1938 studeerde hij op aanraden van zijn vaderlijke vriend Hermann Hesse aan de Praagse kunstacademie. Daarna leefde Peter Weiss even in Hesses nabijheid in het Zwitserse Montagnola en vanaf 1939 in Zweden. In 1943 trouwde hij met de schilderes en beeldhouwster Helga Henschen, in 1949 met Carlota Dethorey en in 1964 met Gunilla Palmstierna. In 1966 ontving hij de Heinrich Mannprijs van de Deutsche Akademie der Künste in Oost-Berlijn. Een naam als schrijver verwief Weiss met zijn verhalen (Der Schatten des Körpers des Kutschers), zijn autobiografische romans (Abschied von den Eltern, Fluchtpunkt; Die Ästhetik des Widerstands) en zijn toneelteksten (Marat/Sade, Die Ermittlung).

Uit: Der Fluchtpunkt

“Dies war der Augenblick der Sprengung, der Augenblick, in dem ich hinausgeschleudert worden war in die absolute Freiheit, der Augenblick, in dem ich losgerissen worden war von jeder Verankerung, jeder Zugehörigkeit, losgelöst von allen Nationen, Rassen und menschlichen Bindungen, der Augenblick, den ich mit gewünscht hatte, der Augenblick, in dem die Welt offen vor mir lag. (…)
Und die Sprache, die sich jetzt einstellte, war die Sprache, die ich am Anfang meines Lebens gelernt hatte, die natürliche Sprache, die mein Werkzeug war, die nur noch mir selbst gehörte, und mit dem Land, in dem ich aufgewachsen war, nichts mehr zu tun hatte. Diese Sprache war gegenwärtig, wann immer ich wollte und wo immer ich mich befand. Ich konnte in Paris leben oder in Stockholm, in London oder New York, und ich trug die Sprache bei mir, im leichtesten Gepäck.”

 

weiss

Peter Weiss (8 november 1916 – 10 mei 1982)

 

Margaret Mitchell werd geboren op 8 november 1900 in Atlanta, Georgia in de zuidelijke Verenigde Staten. Zij bracht haar jeugd door temidden van veteranen uit de Amerikaanse Burgeroorlog en kreeg zo veel over die oorlog te horen, behalve dat de zuidelijken die hadden verloren. Hier kwam zij pas achter toen zij tien jaar oud was. Zij bezocht Smith College, maar stopte haar studie na haar eindexamen. Zij keerde terug naar Atlanta om het huishouden te leiden na de dood van haar moeder in 1919. Kort daarna ging zij werken bij de krant ‘The Atlanta Journal’ waarvoor zij een wekelijkse column verzorgde. Zij begon met het schrijven van haar beroemde (en enige) boek toen zij rust moest nemen vanwege een enkelbreuk. Het huis waar zij toen woonde is nu een waar bedevaartsoord.

UIt: Gone with the Wind

“Scarlett O’Hara was not beautiful, but men seldom realized it when caught by her charm as the Tarleton twins were. In her face were too sharply blended the delicate features of her mother, a Coast aristocrat of French descent, and the heavy ones of her florid Irish father. But it was an arresting face, pointed of chin, square of jaw. Her eyes were pale green without a touch of hazel, starred with bristly black lashes and slightly tilted at the ends. Above them, her thick black brows slanted upward, cutting a startling oblique line in her magnolia-white skin – that skin so prized by Southern women and so carefully guarded with bonnets, veils and mittens against hot Georgia sun.”

 

MARGARET_MITCHELL

Margaret Mitchell (8 november 1900 – 16 augustus 1949)

 

Bram Stoker werd geboren op 8 november 1847 in Clontarf, een wijk van Dublin in Ierland. Na een ziekelijke jeugd studeerde hij geschiedenis, letteren, wis- en natuurkunde. Zijn daarop volgende baan als ambtenaar beviel hem niet en hij ging de journalistiek in. Als theatercriticus maakte hij kennis met de beroemde acteur Henry Irving, met wie hij vriendschap sloot en die hij begeleidde op binnen- en buitenlandse tournees. Ook was hij lange tijd manager van Irvings Lyceum-theater in Londen. Door zijn werk en reizen kwam hij in contact met diverse bekende artiesten en lieden uit de hogere kringen. Stoker is vooral bekend geworden en gebleven als schrijver van het talloze malen verfilmde vampierverhaal Dracula (1897).

Uit: Dracula

“3 May. Bistritz. __Left Munich at 8:35 P. M, on 1st May, arriving at Vienna early next morning; should have arrived at 6:46, but train was an hour late. Buda-Pesth seems a wonderful place, from the glimpse which I got of it from the train and the little I could walk through the streets. I feared to go very far from the station, as we had arrived late and would start as near the correct time as possible.

The impression I had was that we were leaving the West and entering the East; the most western of splendid bridges over the Danube, which is here of noble width and depth, took us among the traditions of Turkish rule.

We left in pretty good time, and came after nightfall to Klausenburgh. Here I stopped for the night at the Hotel Royale. I had for dinner, or rather supper, a chicken done up some way with red pepper, which was very good but thirsty. (Mem. get recipe for Mina.) I asked the waiter, and he said it was called “paprika hendl,” and that, as it was a national dish, I should be able to get it anywhere along the Carpathians.”

BRAM_STOKER

Bram Stoker (8 november 1847 – 20 april 1912)

Prix Goncourt 2006 voor Jonathan Littell

Jonathan Littell heeft de Prix Goncourt 2006 gewonnen voor zijn roman Les Bienveillantes. 

Jonathan Littell, een Jood wiens familiewortels tot het 19de-eeuwse Rusland teruggaan, werd op 10 oktober 1967 in New York geboren. Maar lang in de Big Apple blijven deed hij niet. Littells moedertaal mag dan het Engels zijn, een groot deel van zijn leven, en al helemaal zijn studies, heeft hij in het Frans volmaakt. Littell studeerde aan het bekende Fénelonlyceum in Parijs, en legde ook zijn bac in het Frans af.

“Ik had haast”, vertelt de auteur in meerdere interviews. Op zijn achttiende ging hij in Yale kunst en literatuur studeren. Franse literatuur vooral. Littell is dol op Flaubert “wegens zijn historische fres- co’s”, op Stendhal ook, “voor de snelheid van zijn pennentrekken”. Maar ook de Russen, en zeker Dostojevski en Tolstoj, zijn bij Littell nooit ver weg. Of nog, Kafka, aan wie hij zijn redeneringen in het absurde ontleent. Op zijn 22ste heeft hij Sade, Genet, Blanchot en Quignard al naar het Engels vertaald.

Na zijn studie is hij als vertegenwoordiger van de Franse niet-gouvernementele organisatie Action contre la faim actief in de ergste brandhaarden van de wereld, van Sarajevo tot Kaboel, van Grozny tot Rwanda. Vijf jaar geleden begon hij aan een uitvoerige research naar de beulen van Hitler en de ondergang van de joden in de Kaukasus. Die zou uiteindelijk uitmonden in Les Bienveillantes.

 

Uit : Les Bienveillantes

” En fait, j’aurais tout aussi bien pu ne pas écrire. Après tout, ce n’est pas une obligation. Depuis la guerre, je suis resté un homme discret; grâce à Dieu, je n’ai jamais eu besoin, comme certains de mes anciens collègues, d’écrire mes Mémoires à fin de justification, car je n’ai rien à justifier, ni dans un but lucratif, car je gagne assez bien ma vie comme ça. Je ne regrette rien: j’ai fait mon travail, voilà tout; quant à mes histoires de famille, que je raconterai peut-être aussi, elles ne concernent que moi; et pour le reste, vers la fin, j’ai sans doute forcé la limite, mais là je n’étais plus tout à fait moi-même, je vacillais, le monde entier basculait, je ne fus pas le seul à perdre la tête, reconnaissez-le. Malgré mes travers, et ils ont été nombreux, je suis resté de ceux qui pensent que les seules choses indispensables à la vie humaine sont l’air, le manger, le boire et l’excrétion, et la recherche de la vérité. Le reste est facultatif.”

JONATHAN_LITTELL

Jonathan Littell (New York, 10 oktober 1967)

Albert Camus, Albert Helman, Auguste Villiers de L’Isle-Adam

Albert Camus werd geboren op 7 november 1913 in Mondovi, Algerije, in een Frans-Algerijns (pied noir) gezin. Zijn moeder was van Spaanse afkomst. Vader Lucien, stierf in de Slag bij de Marne in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. Camus leefde in armoedige omstandigheden tijdens zijn jeugd in Algiers. In 1923 werd Camus toegelaten tot een lyceum en uiteindelijk tot de Universiteit van Algiers. Maar hij kreeg tuberculose in 1930, wat een eind maakte aan zijn voetbalcarrière (hij was keeper van het universiteitsteam) en hem dwong zijn studies in deeltijd voort te zetten. Camus werd lid van de Franse Communistische Partij in 1934, waarschijnlijk te meer omdat hij bezorgd was over de politieke situatie in Spanje (die uiteindelijk zou leiden tot de Spaanse Burgeroorlog) dan dat hij de Marxistisch-Leninistische doctrine verdedigde. Tijdens de oorlog voegde Camus zich bij een groepering in het Franse Verzet genaamd Combat, die in het geheim een krant publiceerde met dezelfde naam. Hij verliet Combat in 1947, toen het een commerciële krant werd. Vanaf hier kwam hij in contact met Jean-Paul Sartre. Na de oorlog maakte Camus deel uit van Sartre’s omgeving en bezocht hij regelmatig Café de Flores op de Boulevard St. Germain in Parijs. Hoewel hij op de linkse politiek leunde, kreeg hij geen vrienden in de communistische partijen met zijn sterke kritieken op de communistische doctrine en vervreemdde hij uiteindelijk ook van Sartre. Camus’ meest kenmerkende bijdrage aan de filosofie was zijn idee van het absurde, die inhield dat het leven geen betekenis of bedoeling heeft. Hij legt dit uit in De mythe van Sisyphus en nam het op in vele van zijn andere werken. Sommigen vinden dat Camus beter omschreven kan worden als een absurdist dan als een existentialist.

Uit: l’Étranger

« Aujourd’hui, maman est morte. Ou peut-être hier, je ne sais pas. J’ai reçu un télégramme de l’asile : “Mère décédée. Enterrement demain. Sentiments distingués.” Cela ne veut rien dire. C’était peut-être hier.

L’asile de vieillards est à Marengo, à quatre-vingts kilomètres d’Alger. Je prendrai l’autobus à deux heures et j’arriverai dans l’après-midi. Ainsi, je pourrai veiller et je rentrerai demain soir. J’ai demandé deux jours de congé à mon patron et il ne pouvait pas me les refuser avec une excuse pareille. Mais il n’avait pas l’air content. Je lui ai même dit : ” Ce n’est pas de ma faute.” Il n’a pas répondu. J’ai pensé alors que je n’aurais pas dû lui dire cela. En somme, je n’avais pas à m’excuser. C’était plutôt à lui de me présenter ses condoléances. Mais il le fera sans doute après-demain, quand il me verra en deuil. Pour le moment, c’est un peu comme si maman n’était pas morte. Après l’enterrement, au contraire, ce sera une affaire classée et tout aura revêtu une allure plus officielle.

J’ai pris l’autobus à deux heures. Il faisait très chaud. J’ai mangé au restaurant, chez Céleste, comme d’habitude.

Ils avaient tous beaucoup de peine pour moi et Céleste m’a dit : ” On n’ a qu’une mère. ” Quand je suis parti, ils m’ont accompagné à la porte. J’étais un peu étourdi parce qu’il a fallu que je monte chez Emmanuel pour lui emprunter une cravate noire et un brassard. Il a perdu son oncle, il y a quelques mois. »

 

 camus2

camus

Albert Camus (7 november 1913 – 4 januari 1960)

 

Albert Helman werd geboren op 7 november 1903 in Paramaribo. Lodewijk Alphonsus Maria (Lou) Lichtveld, die later vooral onder zijn pseudoniem Albert Helman bekend zou worden was afkomstig uit de gekleurde elite van Suriname en was gedeeltelijke van Indiaanse afkomst. Hij kwam als jongen van twaalf naar Nederland om aan het internaat Rolduc van het Klein Seminarie te Roermond de priesteropleiding te gaan volgen maar hield hier al spoedig mee op en ging teruggekeerd in Suriname een muziekopleiding volgen waarna hij werkzaam was als organist en componist. In 1922 kwam hij weer naar Nederland waar hij de kweekschool volgde en daarna musicologie studeerde. Hierna werd hij journalist en muziek recensent en sloot zich aan bij een groep jonge katholieken rond het tijdschrift “de Gemeenschap”. Later zou hij zich echter van het geloof afkeren. Als auteur debuteerde hij in 1926 met “Zuid-West-Zuid”, een roman over Suriname en diens verwaarlozing en uitbuiting door de Nederlandse kolonisator, gevolgd door een vergelijkbaar boek qua thema, “de Stille Plantage.” Vele andere romans, essays en gedichten zouden volgen.

Uit: De stille plantage

“Herinneringen zijn als schuwe vogels die fladderen van dak tot dak, die nauwelijks de toppen raken en weer zweven in de lucht. Pas als zij lange dagen zwalkten, en de avond valt, en als zij nat en zwaar van de regen, huiverend over het nachtland gaan, dan eerst zwiert weer hun vlucht omlaag en vinden zij de lome weiden, open valleien, ’t grijs en stil moeras. En trager komen ze neergestreken, een voor een, verloren in de duisternis; hun kleur werd één met die van het veld, zij zijn even moe en zwaar als de aarde. Geen die dan nog beweegt, totdat een bleke zon, lang, laat daarna ze opschrikt
uit hun droom en verder jaagt. Want geen die ’s ochtends meer het land herkent, en die nog weet waar de lome zwarte avondweide bleef. Een kreet en zij peinzen: hoe kwamen wij hier. Een zonnescheut, en zij denken: verder, verder, verder moet het zijn. En eer de luiken van verre huizen de morgen komen ontdekken, zijn ze weer omhooggevlogen. Het licht ging zich nestelen tussen hun vleugels; de avondwind is dauw geworden, van hun sterrendroom bleef slechts de geur der gebersten granaatappels. Zij vluchten en verliezen zich in de damp van de horizon, en vluchten altijd voort als dwarrelende pluizen. En wie ze ooit van te voren zag, hij hervindt ze nimmermeer.”

ALBERT_HELMAN

Albert Helman (7 november 1903 – 7 oktober 1996)

 

Auguste Villiers de L’Isle-Adam werd geboren op 7 november 1838 in Saint-Brieuc. Hij stamde uit een oud Frans adelijk geslacht, dat al tijdens zijn leven verarmd raakte. Zijn ouders verhuisden naar Parijs waar de L’Isle-Adam, afgezien van enkele reizen, de rest van zijn leven doorbracht. Hij leefde als schrijver daar in armoedige omstandigheden. Hij kon door het bescheiden succes van zijn Contes Cruels en zijn journalistieke werk net in zijn levensonderhoud voorzien. Villiers de L’Isle-Adam was bevriend met Charles Baudelaire en Stéphane Mallarmé. Met zijn fantasierijke romans en novellen geldt hij als een van de grondleggers van het symbolisme.

Uit: Le chapeau chinois (1878)

Il se raidit à cette vue ; un mouvement fiévreux lui échappa, mais rien, dans son instrument, ne trahit les sentiments qui l’agitaient. Pas une clochette ne remua ! Pas un grelot ! Pas un fifrelin ne bougea. On sentait qu’il le possédait à fond. C’était bien un maître ! Il joua, sans broncher, avec une maîtrise, une sûreté qui frappèrent d’admiration tout l’orchestre ! Son exécution, pleine de nuances, était d’un rendu si pur, si parfait, que, chose étrange ! il semblait par moments qu’on l’entendait ! Les bravos allaient éclater de toutes parts, quand une indignation sacrée s’alluma dans sa vieille âme de virtuose !… Les yeux pleins d’éclairs, et agitant avec un fracas effroyable son instrument vengeur qui sembla comme un démon suspendu sur l’orchestre : “Messieurs, vociféra l’illustre professeur, j’y renonce !… je ne peux pas jouer ! c’est trop difficile ! je n’y comprends rien ! – Je proteste au nom de Concone !… Il n’y a pas de mélodie là-dedans ! L’Art est perdu !…”

Et, foudroyé par sa propre colère, il tomba mort dans la grosse caisse qu’il creva, et emporta dans le sein du monstre le secret des charmes de l’ancienne musique, en murmurant ces derniers mots : “Je vous enverrai le Soir d’un beau jour, mon ouverture pour 150 chapeaux chinois.”

LISLEADAM

Auguste Villiers de L’Isle-Adam (7 november 1838 – 18 april 1889)

Robert Musil, Michael Cunningham, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zijn vader was een ingenieur, die, toen zijn zoon tien jaar was, professor in de machinebouw aan de Technische Hogeschool van Brünn werd. Daar ging de jonge Musil naar de Realschule, maar in 1892 bezocht hij te Eisenstadt de militaire school, en twee jaar later te Mährisch-Weißkirchen. Gedurende één jaar vatte hij een militaire opleiding in Wenen aan, maar hij besloot in 1898 voor ingenieur te studeren. Na voltooiing van zijn studies was hij vrijwillige infanterist voor de Donaumonarchie, waarna hij in 1902 korte tijd assisteerde aan de Technische Hogeschool van Stuttgart. Hij had een vijf jaar durende relatie met Herma Dietz, tot 1907. In Berlijn studeerde hij vervolgens psychologie, filosofie en wiskunde, en promoveerde met een studie omtrent Ernst Mach in 1908. Hij huwde in 1911 met de schilderes Martha Marcovaldi, die joods was (Musil had zich echter tot het protestantisme bekeerd). Hij bleef tot de WO I in Berlijn wonen, waar hij als bibliothecaris werkte, en belandde in de vroege jaren 1920 op het Ministerie van Defensie. Tijdens de oorlog werd hij in Zuid-Tirol tot kapitein bevorderd. Na 1923 leefde hij uitsluitend van de pen, wat hem dikwijls zwaar viel. Musil leefde grotendeels van giften, onder andere van de uitgeverij Rowohlt. Na de Anschluss in 1938 werden Musils boeken in het Duitse Rijk verboden, en hij emigreerde. Hij stierf tijdens de Tweede Wereldoorlog in ballingschap in Zwitserland, verpauperd en onbekend. De hernieuwde publicatie in 1952 van zijn monumentale, nooit voltooide roman Der Mann ohne Eigenschaften (in het Nederlands vertaald als De man zonder eigenschappen) maakte hem postuum wereldberoemd.

Uit: Der Mann ohne Eigenschaften (Hamburg 1952, S. 649-650)

 

[…] als einer jener scheinbar abseitigen und abstrakten Gedanken, die in seinem Leben oft so unmittelbare Bedeutung gewannen, fiel ihm ein, daß das Gesetz dieses Lebens, nach dem man sich, überlastet und von Einfalt träumend sehnt, kein anderes sei als das der erzählerischen Ordnung! Jener einfachen Ordnung, die darin besteht, daß man sagen kann: “Als das geschehen war, hat sich jenes ereignet!” Es ist die einfache Reihenfolge, die Abbildung der überwältigenden Mannigfaltigkeit des Lebens in einer eindimensionalen, wie ein Mathematiker sagen würde, was uns beruhigt; die Aufreihung alles dessen, was in Raum und Zeit geschehen ist, auf einen Faden, eben jenen berühmten “Faden der Erzählung”, aus dem nun also auch der Lebensfaden besteht. Wohl dem, der sagen kann “als”, “ehe” und “nachdem”! Es mag ihm Schlechtes widerfahren sein, oder er mag sich in Schmerzen gewunden haben: sobald er imstande ist, die Ereignisse in der Reihenfolge ihres zeitlichen Ablaufes wiederzugeben, wird ihm so wohl, als schiene ihm die Sonne auf den Magen. Das ist es, was sich der Roman künstlich zunutze gemacht hat: der Wanderer mag bei strömenden Regen die Landstraße reiten oder bei zwanzig Grad Kälte mit den Füßen im Schnee knirschen, dem Leser wird behaglich zumute, und das wäre schwer zu begreifen, wenn dieser ewige Kunstgriff der Epik, mit dem schon die Kinderfrauen ihre Kleinen beruhigen, diese bewährteste “perspektivische Verkürzung des Verstandes” nicht schon zum Leben selbst gehörte. Die meisten Menschen sind im Grundverhältnis zu sich selbst Erzähler. Sie lieben nicht die Lyrik, oder nur für Augenblicke, und wenn in den Faden des Lebens auch ein wenig “weil” und “damit” hineingeknüpft wird, so verabscheuen sie doch alle Besinnung, die darüber hinausgreift: sie lieben das ordentliche Nacheinander von Tatsachen, weil es einer Notwendigkeit gleichsieht, und fühlen sich durch den Eindruck, daß ihr Leben einen “Lauf” habe, irgendwie im Chaos geborgen. Und Ulrich bemerkte nun, daß ihm dieses primitiv Epische abhanden gekommen sei, woran das private Leben noch festhält, obgleich öffentlich alles schon unerzählerisch geworden ist und nicht einem “Faden” mehr folgt, sondern sich in einer unendlich verwobenen Fläche ausbreitet.

 

Als er sich mit dieser Erkenntnis wieder in Bewegung setzte, erinnerte er sich allerdings, daß Goethe in einer Kunstbetrachtung geschrieben hat: “Der Mensch ist kein lehrendes, er ist ein lebendes, handelndes und wirkendes Wesen!”

 

 

musil2

Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952 en groeide op in Pasadena, Californië.. Hij studeerde Engels aan de Stanford-universiteit en behaalde zijn Mastertitel aan de Universiteit van Iowa. Tijdens zijn studie publiceerde hij al een aantal korte verhalen in de tijdschriften Atlantic Monthly en Paris Review. Cunningham doceert bij het Fine Arts Work Center in Provincetown, Massachusetts en aan het Brooklyn College in New York. Zijn debuutroman A Home at the End of the World werd in 1990 gepubliceerd en ontving lovende recensies. Voor zijn derde roman The Hours uit 1998 kreeg hij verschillende belangrijke prijzen, waaronder de prestigieuze Pulitzer Prize. Zie ook alle tags voor Michael Cunningham op dit blog.

Werk o.a.: 1
990 Huis aan het einde van de wereld (A Home at the End of the World),1995 Bloedverwanten (Flesh and Blood), 1998 De uren (The Hours), 2005 Stralende dagen (Specimen Days)

Uit: A home at the end of the world

“That Fourth of July the city of Cleveland had hired two famous Mexican brothers to set off fireworks over the municipal golf course. These brothers put on shows all over the world, at state and religious affairs. They came from deep in Mexico, where bread was baked in the shape of skulls and virgins, and fireworks were considered to be man’s highest form of artistic expression.

The show started before the first star announced itself. It began unspectacularly. The brothers were playing their audience, throwing out some easy ones: standard double and triple blossomings, spiral rockets, colored sprays that left drab orchids of colored smoke. Ordinary stuff. Then, following a pause, they began in earnest. A rocket shot straight up, pulling a thread of silver light in its wake, and at the top of its arc it bloomed purple, a blazing five pronged lily, each petal of which burst out with a blossom of its own. The crowd cooed its appreciation. My father cupped my belly with one enormous brown hand, and asked if I was enjoying the show. I nodded. Below his throat, an outcropping of dark blond hairs struggled to escape through the collar of his madras shirt”

 

MICHAEL_Cunningham

Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren.Na het gymnasium studeerde ze Nederlands in Leiden en Utrecht. Ze was een tijdlang actief in de gemeentepolitiek (PvdA) in haar toenmalige woongemeente Monster. Rond 1980 begon ze aan een fictief dagboek van Multatuli’s eerste vrouw, barones Everdina Huberta van Wijnbergen. Het boek verscheen uiteindelijk in 1987 als Tine of De dalen waar het leven woont. Met haar volgende romans viel ze regelmatig in prijzen en nominaties. Ze was gastschrijver aan de universiteiten van Groningen, Leiden, Delft en Berlijn en aan de Sorbonne te Parijs. Ze publiceert essays en lezingen in weekbladen en tijdschriften. Op 16 augustus 2002 verscheen bij uitgeverij Augustus de roman Pelican Bay, in 2004 gevolgd door de verhalenbundel Mevrouw Gigengack en de essaybundel Een plaats voor de geestdrift. In februari 2005 verscheen het succesvolle Altijd roomboter, waarin Nelleke Noordervliet in een mengeling van memoires, geschiedschrijving, fictie en essay het portret van haar overgrootmoeder schetst.

 

Uit:Vriendinnen en godinnen’

“Het was niet tegen te houden. De hele zaterdag luisterde hij als een hond naar het belletje, kwijlde, liep van voor naar achter om te kijken en te luisteren, maar hij zag niets en wat hij hoorde verstond hij niet. Was het nu maar een zoemend of monotoon geluid geweest, desnoods het opgewonden getetter van een radiostation, maar dit samenraapsel van gelispel, gegiechel, gefluister, gespannen zwijgen, diepe stilte, gekakel opeens, gieren, sissen, waarvan hij niet wist wat bij de vrouwen hoorde en wat aan geheimzinnige instrumenten moest worden toegeschreven, maakte hem gek. Het gif liep zijn oren in, verspreidde zich in hem. Kleine geluidsdiertjes drongen via slinkse gangen en holen door het hele huis, omknelden het met duizend tentakeltjes. Ze zouden hem eruit persen of verstikken. Als hij maar kon horen wat ze zeiden, hij zou er vrede mee hebben en niet meer met zijn oor aan een omgekeerd glas op de vloer liggen.

 Vrouwen. Ze waren altijd vriendinnen geweest, buren, zussen, moeders, minnaressen, maar nu waren ze maenaden, bacchanten, godinnen; ze behoorden tot een andere wereld, de wereld van mysteriën, de wereld van schoonheid, wedergeboorte uit de modder, het slik, het slib, het vuile schuim, de wereld van trance, extase en dood. Ze beloofden vervulling, die ze nimmer gaven. Hij kende hen niet meer. Op slag was hij alleen in het universum.”

 

NellekeNoordervliet

Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

De Nederlandse schrijfster Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935 en is van gemengd-etnische afkomst. Zij werd katholiek opgevoed (vergelijk het verhaal ‘Nonnen en straffen’, opgenomen in de bloemlezing Verhalen van Surinaamse schrijvers, 1989). Vianen ging in 1957 naar Nederland en leefde sedertdien voortdurend periodes aan beide zijden van de oceaan. Zij debuteerde met poëzie en proza in het tijdschrift Soela (1962-1964). In Sarnami,
hai
(Suriname, ik ben, 1969) revolteert het meisje Sita tegen de hindostaanse tradities. In Strafhok (1971) en Geen onderdelen (1979) doen verschillende personen verwoed pogingen om uit de knellende banden van kolonialisme, etnische verdeeldheid, geloofstegenstellingen en vooroordelen te breken.

 Uit: Nonnen en straffen

Mijn naam werd afgeroepen. Het was al meer dan eens voorgekomen, dat mijn naam werd afgeroepen tijdens de godsdienstles en dat ik zonder verklaring in het donker van de bleek moest gaan staan. Wat zou er nu weer aan de hand zijn? Mijn hart klopte in mijn keel. Ik liep naar voren. Misschien ging het om een beurt?
Vies kind, zei de soeur. Zij trok mijn rok rok strak over mijn broek. Ik voelde de hitte van de lat, beet op mijn lippen en liep daarna met mijn hoofd gebogen de katechismuszaal uit.

BEAVIANEN

Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

Anna Maria van Schurman, Hans Sachs, Washington Allston, Hanns-Josef Ortheil

Literatuur uit vier eeuwen vandaag.

Anna Maria van Schurman werd geboren in Keulen op 5 november 1607. Zij was de zeer begaafde dochter van Frederik van Schurman en Eva van de Harf. Toen ze 4 jaar oud was, kon Van Schurman al lezen. Het gezin verhuisde in 1613 naar Utrecht waar ze in 1636 als eerste vrouwelijke studente aan de universiteit studeerde. Omdat vrouwen in die tijd eigenlijk niet aan een universiteit mochten studeren, volgde ze de colleges achter een gordijn zodat de mannelijke studenten haar niet konden zien. Ze had belangstelling voor literatuur en allerlei wetenschappen, waaronder vooral theologie Anna Maria van Schurman sloot zich in 1669 aan bij de door Jean de Labadie (1610 – 1674) gestichte mystieke sekte van labadisten en vertrok naar Amsterdam. Omdat deze sekte daar niet welkom was, vertrok de groep en kwam na omzwervingen in Altona (destijds Denemarken thans Duitsland) terecht, waar Jean de Labadie in 1674 stierf. Hierna trokken de labadisten naar Wieuwerd in Friesland.

 

Gedicht voor koningin Henriëtta Maria van Engeland

 

 ECHO

  

 Alludens ad insignia REGNI BRITANNI tribus rosis figurata.

  

 Quae tibi nunc gelido miracula nata Decembri

 Quippe moras steriles Flora perosa? Rosa.

 Sortem vicisti communem: Anglisque perennis

 Arridet veris spes generosa. Rosa.

 

 Sic genitrix sis saepe Deûm. Sors statque caditque

 Dum paris, aut cessas Diva operosa. Rosa.

 

 Vertaling:

Voor de meest minzame koningin van Engeland die onlangs van haar kraambed is  opgestaan, winter 1635.

Echo.

Verwijzend naar de insignes van het Britse koningshuis uitgebeeld door drie rozen

  

Flora, wat voor wonder is jou nu in het koude December geboren,

jij die juist onvruchtbare periodes waarin niets plaatsvindt haat? Een roos.

Jij hebt de natuur overwonnen: edele hoop op een eeuwige lente lacht

de Engelsen toe.

Een roos.

 

Mag jij zo vaker de moeder van goden zijn.

Het lot staat en valt zoals jij wel of niet nieuw leven voortbrengt, hardwerkende godin..

Een roos.

 

 

Schurman

 

Anna Maria van Schurman (5 november 1607 – 4 of 14 mei 1678)

Hans Sachs werd op 5 november 1494 in Nürnberg geboren als zoon van een kleermaker. Van 1509 tot 1511 bezocht hij de Latijnse school en volgde daarna een opleiding tot schoenmaker. In deze tijd diende hij tijdelijk aan het hof van keizer Maximilian I in Innsbruck en daar zou hij besloten hebben zich te wijden aan de studie van de „Meistersang“. (Meistersinger waren burgerlijke dichters en zangers die zich in een soort gilden organiseerden. Hun werken leidden zij af van de middeleeuwse minnezang, maar zij gehoorzaamden aan strenge regels). Sachs ging in de leer bij meester Lienhard Nunnenbeck in München. In 1516 keerde hij voorgoed terug naar Nürnberg, werd er in 1520 meester schoenmaker, lid van de Meistersinger en rond 1555 hun voorzitter. Al vroeg koos hij de kant van de reformatie en verbreidde hij de leer van Luther, bijvoorbeeld met zijn gedicht Die Wittenbergisch Nachtigall (1523). Hij produceerde meer dan 6000 werken en werd de bekendste Duitse dichter uit de 16e eeuw.

Uit: Eulenspiegel mit dem blauen Hosentuch

Eulenspiegel
(tritt ein und spricht):

Ich bin ein Jahr zu früh geborn,
Dieweil mir schon vorm Jahr beschieden,
Was ich soll heuer haben hinieden.
So gewinn ich jedesmal ein Jahr.
Ich tat so lang Fortuna singen,
Bis sie mir ließ ein Füllen springen.
Jetzt reit ich um zu Fuß im Land,
Hab weder bares Geld noch Pfand.
Wovon will ich im Winter zehren?
Will gleich hinein gen Uelzen kehren,
Da wird wohl heut ein Jahrmarkt sein,
Da kommt viel Volk zusammen ein.
Auf dem will ich mich schauen um,
Daß ich auch etwas überkumm.
Mein’ Hantierung ist das Lügen,
Die Leute bescheißen und betrügen.
Mein Handel ist schier jedem kund,
Muß aus einem unverschalkten Grund
Mich wenden an die Einfaltbauern,
Weil sie verschalkt sind in den Mauern
Und kennen mich zum großen Teil;
Will bei den Bauern versuchen mein Heil.
Was steh ich lang? Ich will hinein
Und nachgehen dem Handel mein.

 

HANSSACHS

Hans Sachs (5 november 1494 -19 janauari 1576)

 

De Amerikaanse schilder en dichter Washington Allston werd geboren op 5 november 1779 in de buurt van Charleston, South Carolina. Hij studeerde in Harvard en in Londen aan de Royal Academie, later ook nog in Rome. Allston werd een van de belangrijkste Amerikaanse schilders van het begin van de 19e eeuw. Coleridge was een groot bewonderaar van zijn werk. Van zijn dichterlijke werk zijn de „Sonnets“  en het grote gedicht “The sylphs of the seasons” (1813) het bekendste.

 

On the Group of the Three Angels before the
Tent of Abraham, by Raffaelle, in the Vatican

O, now I feel as though another sense,

From heaven descending, had informed my soul;

I feel the pleasurable, full control

Of Grace, harmonious, boundless, and intense.

In thee, celestial Group, embodied lives

The subtile mystery, that speaking gives

Itself resolved; the essences combined

Of Motion ceaseless, Unity complete.

Borne like a leaf by some soft eddying wind,

Mine eyes, impelled as by enchantment sweet,

From part to part with circling motion rove,

Yet seem unconscious of the power to move;

From line to line through endless changes run,

O’er countless shapes, yet seem to gaze on One.

 

AllstonPortret2

Washington Allston (5 november 1779 – 9 juli 1843)

 

ITALIAN_Shepherd_boy

Italian Shepherd Boy, schilderij van Washington Allston

 

De Duitse schrijver Hanns-Josef Ortheil werd geboren op 5 november 1951 in Keulen. Hij bezocht het gymnasium in Mainz. Na zijn eindexamen in 1970 studeerde hij in Rome kunstgeschiedenis. Vanaf 1971 studeerde hij muziekwetenschap, germanistiek, filosofie en vergelijkende literatuurwetenschap aan universiteiten in Mainz, Parijs, Göttingen en Rome. Hij promoveerde met een literatuurwetenschappelijk werk in Mainz. In Mainz werd hij wetenschappelijk assistent voor Nieuwere Duitse Literartuur en begon hij eigen werk te publiceren. Tegenwoordig woont hij in Stuttgart en vervult nog diverse docentschappen.

 

Werk o..a.: Faustinas Küsse (1998), Im Licht der Lagune, (1999), Die Nacht des Don Juan (2000), Lo und Lu (2001)

 

Uit: Im Licht der Lagune

 

„An einem klaren, windstillen Abend des Jahres 1786 erkannte der Conte Paolo die Barbaro, der mit einer kleinen Schar von Jägern in einem entlegenen Teil der Lagune auf Entenjagd war, in den fernen Schilfmatten die Umrisse eines Bootes. Im ersten Augeblick glaubte er noch, sich zu täuschen, doch als er auch bei längerem Hinsehen die dunklen, im Abendsonnenlicht zitternden Formen wahrnahm, machte er seine Begleiter auf die seltsame Erscheinung aufmerksam.

Alle Blicke richteten sich kurz auf das anscheinend herrenlos im Schilf treibende Boot, es war ein einfaches, altes, in diesen Gegenden kaum mehr gebräuchliches Fischerboot, das sich im morastigen Sumpf verfangen hatte. Di Barbaro erteilte den leisen Befehl hinzurudern, die Männer schwiegen, manche auf ihre Gewehre gestützt; so näherte man sich langsam dem geisterhaft fremden Schwarz, das die dunkelgrünen Linien der Schilfhalme wie ein kräftiger, breiter Pinselstrich grundierte.“

 

ortheil2

Hanns-Josef Ortheil (Keulen, 5 november 1951)

Judith Herzberg, Klabund, Felix Braun

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam als dochter van de schrijver Abel Herzberg. Ze woont afwisselend in Nederland en Israël. Herzberg debuteerde in 1961 als dichteres in het weekblad Vrij Nederland. Twee jaar later verscheen haar eerste dichtbundel Zeepost. Later volgden onder meer Beemdgras, Vliegen, Strijklicht, Botshol en Dagrest. Ook schreef ze de toneelstukken Leedvermaak en Rijgdraad, die beide verfilmd werden (de laatste onder de titel ‘Qui vive’) door Frans Weisz. Weisz verfilmde eerder haar scenario ‘Charlotte’.

Stadsgeluiden

Stadsgeluiden in de warme nacht
hebben, als op een schilderij, een achtergrond.
Een vliegtuig ronkt tegen een fond van auto’s
een bromfiets schiet luidruchtig links omlaag.
Ik hoor het graag, het doet mij denken aan
22 juni 1964, dat is vanavond.

 

 

Au

Zou dat er zijn, een wet
tot het behoud van pijn?
Zodat, als wij hem hier bestrijden
iemand, ergens, pijn moet lijden
erger dan het woordje au?

Of zou pijn, als energie
(even nog, analogie)
zich omzetten, niet in warmte,
maar bijvoorbeeld in een armte
erger dan het woordje au?

Of zou de pijn die wij verdrijven
in een àndere vorm hier blijven
lachloos, zangloos doen verstijven
onze pijn-dorstige lijven
hunkerend naar het woordje au?

 

 

Spreeuw

 

Had niets te beweren

te klein voor veren

te nat om bruin te heten

en snavel dicht

ook tegen eten.

 

Maar werd een hoogst

warmpotige geleerde

specialistisch geïnteresseerde

zeehondgeveerde

vetervereerder.

 

Frivoolkelige imitator

een parel-bespetterde

wezel, een vliegende

ongeletterde triomfator.

 

JUDITHERZBERG

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

De Duitse schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Toen hij 16 jaar oud was kreeg hij tbc, hoewel zijn artsen aanvankelijk slechts de diagnose longontsteking stelden. De ziekte zou hem zijn korte leven door begeleiden. Na zijn eindexamen studeerde hij eerst scheikunde en farmacie in München, maar hij verruilde die vakken al snel voor filosofie, taalkunde en theaterwetenschappen in München, Berlijn en Lausanne. Al in München verkeerde hij in kringen van de bohème en maakte hij kennis met Frank Wedekind. In

 

Melancholie

Schau, den Finger in der Nase
Oder an der Stirn,
Zeitigt manche fette Phrase
Das geölte Hirn.

Warum liebt der die Erotik?
Jener die Zigarrn?
Der die Aeropilotik?
Der den Kaiserschmarrn?

Warum geht’s uns meistens dreckig?
Weshalb schreib ich dies Gedicht?
Warum ist das Zebra fleckig
Und Mariechen nicht?

Dennoch ahnt man irgendwie
Gottes Qualverwandtschaft,
Trifft man unerwartet sie
Draußen in der Landschaft.

 

Regen

Der Regen rinnt schon tausend Jahr,
Die Häuser sind voll Wasserspinnen,
Seekrebse nisten mir im Haar
Und Austern auf des Domes Zinnen.

Der Pfaff hier wurde eine Qualle,
Seepferdchen meine Nachbarin.
Der blonde Seestern streckt mir alle
Fünfhundert Fühler zärtlich hin.

Es ist so dunkel, kalt und feucht.
Das Wasser hat uns schon begraben.
Gib deinen warmen Mund – mich deucht,
Nichts bleibt uns als uns lieb zu haben.

 

 

 

Davoser Bar

Die rosa Sängerin mit jenem Juden,
Der achtungsheischend ein Monokel trägt,
Fühlt sich vom Lärm der laubenbunten Buden
Ersichtlich auf- und ab- und angeregt.

Er dreht mit ihr sich rund im Karusselle,
Er lüftet ihr den gelbpunktierten Sekt,
Indem die oberitalienische Kapelle
Sich selbst und andre mit Musik befleckt.

Ein Herr tanzt exaltiert wie ein Tuberkel,
Des Frackes Schöße zwitschern vogelgleich.
Die rosa Sängerin hält fürstlich Cercle.
Ein Oberleutnant pokert schreckensbleich.

Ein Jüngling träumt von einer fernsten Ferne.
Aus seiner ausgeschnittnen Weste stiert
Die Höhlung einer riesigen Kaverne,
In der die Nacht wie eine Palme friert.

KLABUND

Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)

 

De Oostenrijkse schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zijn moeder stierf drie jaar later bij de geboortje van zijn zus Käthe die eveneens zou gaan schrijven. Felix Braun studeerde vanaf 1904 in Wenen germanistiek en kunstgeschiedenis. In 1905 publiceerde hij voor het eerst werk in de Neue Freie Presse, de Österreichische Rundschau, en de Neue Rundschau. In 1917 trad hij uit de joodse gemeenschap. Als lector bij de Verlag Georg Müller in München leerde hij belangrijke schrijvers kennen, zoals Hans Carossa, Thomas Mann en Rainer Maria Rilke. In 1935 werd hij opgenomen in de katholieke kerk. In 1939 emigreerde hij naar Engeland waar hij bleef tot 1951 en literatuur en kunstgeschiedenis doceerde. Terug in Wenen kreeg hij een aanstelling aan de Akademie für angewandte Kunst. Felix Braun was ook secretaris van de dichter Hugo von Hofmannsthal en met hem bevriend.

 

Der Leser

Sag: ist das nicht ein wunderliches Leid?
Um fremde Menschen trauern, die nicht leben,
und über Dinge, die sich nie begeben,
voll Sehnsucht träumen in der Einsamkeit.

Geheimnis, dessen Sinn ich nie verstand:
Sich über Worte atemlos zu zeigen
und zu vernehmen in gespanntem Schweigen,
was einer dachte, fühlte und erfand.

Wenn Zeile so nach Zeile still verrinnt,
sich wohlig weit zurück im Sessel lehnen,
die Arme breiten, lächeln u
nter Tränen.
Und wieder müßig blättern wie als Kind.

Und auf und ab in Abendgassen gehn
und Verse summen, darin Glocken läuten,
und ahnen, daß sie Welt und Leben deuten
und dennoch dunkel in den Wind verwehn…

FELIXBRAUN

Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

In memoriam William Styron

Op 1 november is de Amerikaanse schrijver William Styron overleden. Hij werd geboren in Newport News, Virginia, op 11 juni 1925 als zoon van een arbeider in de scheepsbouw. Hij debuteerde in 1951 met Lie Down in Darkness. In deze lyrisch geschreven roman over de reacties op de zelfmoord van een meisje, betoonde Styron zich een schrijver in de grote Zuidelijke traditie van William Faulkner, een hokje waaraan hij de rest van zijn carrière probeerde te ontsnappen. Hij vertrok naar New York en Parijs, maar boekte weinig succes met de boeken die hij daar schreef. Het succes kwam terug met een roman over een typisch Zuidelijk onderwerp: The Confessions of Nat Turner, het goed gedocumenteerde en gefictionaliseerde verslag van een slavenopstand uit 1831. Het boek verscheen in 1967, op het hoogtepunt van de Burgerrechtenbeweging, en leverde hem de Pulitzer Prize voor fictie op. Styron deed jarenlang onderzoek voor zijn volgende roman, die in 1979 onder de titel Sophie’s Choice zou verschijnen. Het is het verhaal van een jonge schrijver die in New York verliefd wordt op een Poolse vrouw die niet kan leven met de herinnering aan de dood van haar kinderen in Auschwitz. De kernscène van de roman, waarin de moeder bij een nazi-selectie moet kiezen tussen haar zoontje en haar dochtertje, staat gegrift in de collectieve herinnering – ook dankzij de verfilming uit 1984 met Meryl Streep in de hoofdrol. In 1990 deed Styron nog een keer van zich spreken, met het non-fictieboek Darkness Visible, over de depressie waarin hij raakte toen hij in 1985 afkickte van een alcoholverslaving. Het veel naar Dantes Inferno verwijzende verslag geldt als een van de eerlijkste en herkenbaarste ‘memoires van gekte’ (zoals de ondertitel luidde) van de afgelopen jaren. Het verloste Styron niet van zijn depressies; het enige dat hij nog publiceerde was een bundel met drie oude verhalen, A Tidewater Morning (1993).

Uit: Lie Down in Darkness (1951)

“It was obvious that he was not clicking, that he was lamely striving for a tender humorous effect – the reason for which he couldn’t explain himself – and that he was failing completely. Along the line he had said something wrong. Harry was wearing an appreciative, courteous grin, but the smiles on the faces of Peyton and Helen – both of which he sensed, rather than saw, at the same time – seemed fastened on with paste, and concealed a tense and inner reproach.”

 

Uit:  The Confessions of Nat Turner (1967)

Was it not fact, known even to the humblest yeoman farmer and white-trash squatter and vagabond, that there was something stupidly inert about these people, something abject and sluggish and emasculate that would forever prevent them from so dangerous, so bold and intrepid a course, as it had kept them in meek submission for two centuries and more?”

Uit:  Sophie’s Choice (1979)

“Sophie ceased looking at the pictures – all became a blur – and her eyes sought instead the window flung open against the October sky where the evening star hung, astonishingly, as bright as a blob of crystal. An agitation in the air, a sudden thickening of the light around the planet, heralded the onset of smoke, borne earthward by the circulation of cool night wind. For the first time since the morning Sophie smelled, ineluctable as a smotherer’s hand, the odor of burning human beings

 

 

WILLIAMSTYRON

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

 

André Malraux, Dieter Wellershoff, Joe Queenan

De Franse schrijver en kunstfilosoof André Malraux werd geboren op 3 november 1901 in Parijs. Hij studeerde in Parijs archeologie en oosterse talen. In 1920 publiceerde hij zijn eerste artikel, ‘Des origines de la poésie cubiste’, en in het jaar daarop zijn eerste roman, Lunes en papier. Met zijn tweede roman, Les conquérants (1928), bereikte hij het grote publiek in Frankrijk en met zijn vierde roman, La condition humaine (Het menselijk tekort), sleepte hij de Prix Goncourt in de wacht.  In 1944 ontmoette Malraux als commandant van de brigade Alsace-Lorraine De Gaulle aan het front in de Elzas. Deze ontmoeting leidde ertoe dat de schrijver tot begin 1946 deelnam aan de regering als minister van Voorlichting. In 1958 nam hij weer zitting in de Franse regering, dit keer als minister van Voorlichting en later als minister van Culturele Zaken. Vanaf 1967 legde Malraux zich wederom toe op het schrijven. Malraux was bevriend met Eduard du Perron en heeft Het menselijk tekort aan hem opgedragen.

 

Uit: La condition humaine

« 21 mars 1927. Minuit et demi. Tchen tenterait-il de lever la moustiquaire ? Frapperait-il au travers ? L’angoisse lui tordait l’estomac ; il connaissait sa propre fermeté, mais n’était capable en cet instant que d’y songer avec hébétude, fasciné par ce tas de mousseline blanche qui tombait du plafond sur un corps moins visible qu’une ombre, et d’où sortait seulement ce pied à demi incliné par le sommeil, vivant quand même – de la chair d’homme. La seule lumière venait du building voisin : un grand rectangle d’électricité pâle, coupé par les barreaux de la fenêtre dont l’un rayait le lit juste au-dessous du pied comme pour en accentuer le volume et la vie. Quatre ou cinq klaxons grincèrent à la fois. Découvert ? Combattre, combattre des ennemis qui se défendent, des ennemis éveillés ! » (begin)

« Lentement empli du long cri d’une sirène, le vent qui apportait la rumeur presque éteinte de la ville en état de siège et le sifflet des vedettes qui rejoignaient les bateaux de guerre, passa sur les ampoules misérables allumées au fond des impasses et des ruelles ; autour d’elles, des murs en décomposition sortaient de l’ombre déserte, révélés avec toutes leurs taches par cette lumière que rien ne faisait vaciller et d’où semblaient émaner une sordide éternité. Cachés par ces murs, un demi-million d’hommes : ceux des filatures, ceux qui travaillaient seize heures par jour depuis l’enfance, le peuple de l’ulcère, de la scoliose, de la famine. Les verres qui protégeaient les ampoules se brouillèrent et, en quelques minutes, la grande pluie de Chine, furieuse, précipitée, prit possession de la ville. » (p.19)

Malraux

André Malraux (3 november 1901 – 23 november 1976)

 

De Duitse schrijver en essayist Dieter Wellershoff werd geboren op 3 november 1925 in Neuss. In 1943 werd hij opgeroepen voor de Reichsarbeitsdienst en deed daarna als soldaat dienst in WO II. In 1944 raakte hij gewond in Litouwen en in 1945 werd hij krijgsgevangene. Na de oolog haalde hij alsnog zijn eindexamen gymnasium en vanaf 1947 studeerde hij in Bonn germanistiek, kunstgeschiedenis en psychologie. In 1952 promoveerde hij op de dichter Gottfried Benn. Van 1952 tot 1955 werkte hij als redacteur bij de “Deutschen Studentenzeitung”, en vanaf 1959 als lector bij uitegeverij Kiepenheuer & Witsch in Keulen. Vanaf 1960 was Dieter Wellershoff aangesloten bij de Gruppe 47. In 1965 stond hij aan de wieg van  een „nieuw realisme“. De daauit voortgekomen groep staat bekend als de „Kölner Schule“. Wellershoff kreeg talrijke uitnodigingen als lector, gastdocent en Writer-in-Residence van universiteiten en hogescholen in binnen-en buitenland.

Uit: Der Liebeswunsch

„Nie zuvor hatte sie daran gedacht zu heiraten, nicht, weil sie es ablehnte, sondern weil sie annahm, dies sei, wie das ganze übrige, normale Leben, für sie nicht vorgesehen. Sie haderte nicht damit, sie litt nicht darunter, es war ihr nicht einmal deutlich bewusst. Ihr Leben hatte seit langem etwas Unfühlbares und Gleitendes angenommen. Zwar war ihr nicht alles leicht gemacht worden, schon gar nicht von Kindheit an. Es gab Widerstände, Einengungen, Enttäuschungen. Doch konnte sie nie wirklich glauben, dass sie gemeint war.

Sie war neunundzwanzig Jahre alt, als sie heiratete, eine Studentin, die im vierzehnten Semester ohne Berufsziel und ohne Aussicht auf einen baldigen Abschluss Literatur und Sprachen studierte und zwischen all den jüngeren Studentinnen und Studenten, die mit ihr in den Seminaren saßen, ein wenig vereinsamt erschien. Sie hatte immer nebenher gearbeitet (als Kellnerin, Schreibkraft, Verkäuferin und in anderen Gelegenheitsjobs), denn ihre Mutter, die geschieden war und ein kleines Modegeschäft betrieb, konnte ihr kein Geld geben. Der Vater war zu einer anderen Frau gezogen, als sie vier Jahre alt war, und ihre Mutter hatte sie verpflichtet, nie mehr von ihm zu sprechen und keine Verbindung mit ihm aufzunehmen.”

WELLERSHOFF

Dieter Wellershoff (Neuss, 3 november 1925)

 

De humorist en criticus Joe Queenan werd geboren op 3 november 1950 in Philadelphia, Pennsylvania. Gepubliceerd heeft hij in zo’n uiteenlopende tijdschriften als GQ en Movieline. Hij staat bekend voor zijn bijtende ironie en scherpe observaties van de Amerikaanse cultuur. Van hem verschenen o.a. Balsamic Dreams, een bittere kritiek op de babyboomers en Red Lobster, White Trash, and the Blue Lagoon, een humorischtische tour door de “low-brow” Amerikaanse popcultuur. True Believers beschrijft het tragische leven van sport fans.

Uit: True Believers

One sweltering morning I received a letter from one of my closest friends announcing that playoff tickets would soon go on sale, and that if I wanted to attend the series against the rampaging Big Red Machine, I should let him know quickly. This put me in a bit of a bind. I had gone to France with the specific intention of writing the Great American Novel and was pretty much determined not to return to the United States until I had. The book I was working on dealt with a young college biology student who, through a series of dangerous skin grafts and appendage transplants involving a frog, succeeded in turning himself into the highest-leaping, greatest basketball player of all time. Needless to say, the novel liberally borrowed from both The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde and The Fly and ended with the hero missing a championship-winning dunk because he was diverted by a scrumptious insect that happened to fly past as he was poised to begin a windmill jam. If I was truly serious about remaining in France until the Great American Novel had been written, it was unlikely I would be home in time for the National League playoffs. 

queenan

Joe Queenan (Philadelphia, 3 november 1950)

E. du Perron, Odysseas Elytis, Leo Perutz

De nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd  geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Hij richtte samen met Menno ter Braak en Maurice Roelants het invloedrijke literaire tijdschrift Forum op. E. du Perron groeide in Nederlands-Indië op en was daar werkzaam als schrijver en journalist. In 1921 verhuisde hij met zijn ouders naar Europa, die gingen wonen op een kasteel in het Zuid-Belgische Gistoux. Du Perron bezocht verschillende steden en na zes maanden ging hij op het kasteel bij zijn ouders wonen maar hij voelde zich in België niet op z’n plaats en zocht afleiding in Parijs, Brussel en Nederland. Hij stierf op dezelfde dag als zijn vriend Ter Braak, maar aan een hartaanval.

 

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeders nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen
verwondering en teêrste vriendelijkheden

Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wij handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.
’t Eenzame kleine kind, zelf langverdwenen
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen
tussen de dode heren en mevrouwen.

 

De Francs-Tireurs

Geen Pennewip met brillende argus-ogen
hebben wij ooit één regel toegedacht.
Geen jongedames die, beheerst en zacht,
als door een rietje, van de lettren zogen.

Geen kenners, die het hoge braaf verhogen,
slechts prijzen wat vertrouwd is, langgeacht.
Geen vakmans-oordeel hebben wij betracht,
geen boekverkopers-reekning overwogen.

Geen koster, hoe genaamd, hoe bijgepompt,
maakt onze maag afkerig van ’t gekruide.

Geen levensles, geen preek, hoezeer vermomd,
geen Etika kan iets voor ons beduiden.

De Poëzie blijft, naakt en ongekromd,
een Tijdverdrijf voor enkle Fijne Luiden.

DUPERRON

E. du Perron (2 november 1929 – 14 mei 1940)

 

Odysseas Elytis (pseudoniem voor Odysseas Alepoudhelis) werd op 2 november 1911 te Iraklion op Kreta geboren en stierf 1996 in Athene. Hij vertaalde uit een half dozijn talen o.a. Eluard, Gide, Rimbaut, Brecht, Eliot, Pound, Lorca, Ungaretti, Maiakowski. Hij publiceerde essays en kritieken, maar is vooral om zijn poëzie bekend. Hij schreef in totaal vijftien, overwegend surrealistische poëziebundels. In 1979 ontving hij de Nobelprijs. Een belangrijke uitspraak van deze universele dichter is, dat de poëzie het geweten van de mensen kan veranderen.

 

      GIFT SILVER POEM

 

I know that all this is worthless  and that the language

I speak doesn’t have an alphabet

Since the sun and the waves are a syllabic script

which can be deciphered only in the years of sorrow and exile

And the motherland  a fresco with successive overlays

frankish or slavic which, should you try to restore,

you are immediately sent to prison and

held responsible

 

To a crowd of foreign Powers  always through

the intervention of your own

 

As it happens for the disasters

But  let’s imagine that in an old days’ threshing-floor

which might be in an apartment-complex children

are playing and  whoever loses

 

Should, according to the rules, tell the others

and give them a truth

 

Then everyone ends up  holding in his

hand a small

Gift, silver poem.

 

 

Vertaald door  Marios Dikaiakos

 

 

Op het feest van Akindynos, Elpidoforos, Anempodistos

 

Nu houd ik mijn blik gericht op de boot die leeg zal zijn
Als je instapt, op een uitgestrekt Zeekerkhof
Met marmeren Meisjes die bloemen dragen. Het zal
nacht zijn en augustus
De tijd waarbij de sterrenbeelden wisselen van wacht. En
de bergen gewichtloos
Vol donkere nevel zweven even boven
de grenslijn van de horizon
Geuren hier of daar van verbrand gras. En verdrietigheid
van ongekende soort
Die uit de hoogte
neerstroomt op de ingeslapen zee
In mij fonkelt wat ik niet ken. Toch fonkelt het
Ach schoonheid al gaf je mij nooit helemaal jezelf
Iets tenminste kon ik jou ontvreemden. Ik noem: dit glimpje
groen in de ogen van het meisje dat voor het eerst
Ingaat op de liefde en dat andere onsje goud, waar
je het ook legt het juliet.
Trek voort aan de riemen jullie gewend aan eeltig werk.
Mij krijg je niet mee waar de anderen gaan
Dit gebeurt niet. Ik ben niet bestemd om mij in te lijven
Als vazal van de hemel daar ook wil ik weerom vrij zijn
En echt mezelf. Dit vertelt ook de wind.

 

Vertaald door Guido Demoen 

ElytisOdysseas

Odysseas Elytis (2 november 1911 – 18 maart 1996)

 

Leo Perutz werd geboren op 2 november 1882 in Praag. Zodoende was hij een burger in de Oosdtenrijks – Hongaarse dubbelmonarchie. Tot de “Anschluss”  van Oostenrijk aan Duitsland in 1938 woonde hij in Wenen. Daarna emigreerde hij naar Palestina. Hij was een wiskundige van wereldklasse en werkte als statisticus voor een verzekeringsmaatschappij. Tijdens de jaren vijftig keerde hij af en toe terug naar Oostenrijk, waar hij uiteindelijk ook stierf. Zijn eerste roman “Die dritte Kugel” schreef hij toen hij herstellende was van een wond die hij in WO I had opgelopen. Leo Peutz schreef in totaal elf romans die hem de bewondering opleverden van Jorge Luis Borges, Italo Calvino, Ian Fleming, Karl Edward Wagner en Graham Greene. Zijn bekendste roman “Nachts unter der steinernen Brücke”  bestaat uit verschillende verhalen die verbonden worden door de, in hun dromen gedeelde, liefde tussen een joodse vrouw en keizer Rudolf II.

Uit: Nachts unter der steinernen Brücke

 

Im Herbst des Jahres 1589, als in der Prager Judenstadt das große Kindersterben wütete, gingen zwei armselige Spaßmacher, ergraute Männer, die davon ihr Leben fristeten, dass sie bei den Hochzeiten die Gäste belustigten, durch die Belelesgasse, die vom Nicolasplatz zum Judenfriedhof führte.
Es dunkelte. Sie waren schwach vor Hunger, beide, denn seit zwei Tagen hatten sie nicht viel mehr als ein paar Bissen Brot gegessen. Die Zeiten waren schlimm für Spaßmacher. Denn in diesen Tagen, da der Zorn Gottes über die unschuldigen Kinder gekommen war, gab es keine Hochzeiten und keine Freudenfest in der Judenstadt.
Der eine von den beiden, Koppel-Bär, hatte schon eine Woche vorher seinen zottigen Pelz, in dem er, als wildes Tier verkleidet, seine drolligen Sprünge machte, zum Geldverleiher Markus Korivy getragen. Der andere, Jäckele-Narr, hatte seine silbernen Schellen verpfändet. Jetzt besaßen sie nichts als ihre Kleider und ihre Schuhe, und Jäckele-Narr hatte auch noch seine Geige, für die wollte der Pfandleiher nichts geben.
Sie gingen langsam, denn noch war es nicht völlig dunkel geworden, und sie wollten nicht gesehen werden, wenn sie den Friedhof betraten. So viele Jahre hindurch hatten sie sich mit ehrlicher Arbeit das Brot für alle Tage und den Bedarf des Sabbats verdient, und nun stand es so mit ihnen, dass sie des Nachts auf den Grabsteinen nach Kupferpfennigen suchen mussten, die die frommen Besucher des Friedhofes bisweilen für die Armen zurückließen.

 

perutz

Leo Perutz (2 november 1882 – 25 augustus 1957)

Ilse Aichinger, Rudy Kousbroek, Stefaan van Laere

Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Haar (joodse) moeder was arts en haar vader leraar. Na de scheiding van haar ouders werden de zusjes door hun grootmoeter opgevoed. Na de „Anschluss“ van Oostenrijk aan Duitsland werd de familie vervolgd, maar het lukte alleen Helga om naar Engeland te vluchten. Ilses moeder verloor haar baan, maar zij werd als hoofdverantwoordelijke voor de opvoeding, niet gedeporteerd en overleefde de oorlog. Haar grootmoeder en de jongere zusjes van haar moeder kwamen wel om het leven. Van 1945 tot 1947 studeerde Ilse Aichinger medicijnen, schreef haar (deels autobiografische) roman “Die größere Hoffnung”, werkte als lector voor de S. Fischer Verlag en als assistente van Inge Aicher-Scholl aan de Hochschule für Gestaltung in Ulm. In 1951 werd zij voor het eerst voor de Gruppe 47 uitgenodigd. In 1953 trouwde zij met collega-auteur Günter Eich (1907 – 1972).

Widmung

Ich schreibe euch keine Briefe,
aber es wäre mir leicht, mit euch zu sterben.
Wir ließen uns sacht die Monde hinunter
und läge die erste Rast noch bei den wollenen Herzen,
die zweite fände uns schon mit Wölfen und Himbeergrün
und dem nichts lindernden Feuer, die dritte,
da war ich
durch das fallende dünne Gewölk mit seinen spärlichen Moosen
und das arme Gewimmel der Sterne, das wir so leicht überschritten,
in eurem Himmel bei euch.


Die trüben Stunden nutzend

Laß das Gelichter
auf den Feldern rasten,
im Dunst, der aufsteigt,
denn nichts leuchtet dir.
Die Grottenbahnen auf den Hügeln
sind jetzt geschlossen,
die Rüben lange aus der Erde,
die Kinder fort.
Die Blumenflechter sind die letzten,
die noch blieben,
sie brennen Öl,
mit ihnen läßt sich reden.

 

Briefwechsel

Wenn die Post nachts käme
und der Mond
schöbe dir Kränkungen
unter die Tür:
Sie erschienen wie Engel
in ihren weißen Gewändern
und stünden still im Flur.

AICHINGER2

Ilse Aichinger (Wenen, 1 november 1921)

 

Rudy Kousbroek werd op 1 november 1929 Pematang Siantar in Indonesië geboren. Van 1929 tot 1934  woonden hij met zijn ouders in Nederland, daarna vertrok het gezin weer naar Indonesië. Bijna de hele tweede wereldoorlog bracht hij door in Japanse interneringskampen. In 1946 kwam hij naar Nederland. Op de middelbare school in Amsterdam sloot hij vriendschap met Remco Campert. Samen richtten ze in 1950 het tijdschrift Braak op, waarin ze beiden debuteerden. In Amsterdam begon Kousbroek aan de studies wiskunde en natuurkunde, maar wist deze studies niet af te maken. In Parijs studeerde hij enkele jaren Japans en Chinees. Ook deze studies voltooide hij niet. Gedurende lange tijd woonde hij in Parijs. Vanaf de jaren zestig publiceerde hij essays in onder meer Hollands Maandblad, NRC Handelsblad en Vrij Nederland, waarin hij fulmineerde tegen waandenkbeelden in uiteenlopende vakgebieden: filosofie, politiek, natuurwetenschap en geschiedschrijving. Zijn essays geven geregeld aanleiding tot polemieken (met Jeroen Brouwers, Willem Frederik Hermans en Arnon Grunberg e.a.). In 1975 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistische werk. Behalve essays publiceerde hij (kinder)gedichten, reisverslagen, herinneringen, een roman en vertalingen uit het Frans en het Engels.

Uit:Inwendig vuur

 

“Wat er in zit moet er uit. Dat was de voorstelling die ik mij als kind maakte van het vulcanische binnenwerk van de aarde. Ik kwam er al vroeg mee in aanraking: ik was een jaar of zeven toen op een ochtend de hoofdonderwijzer langs onze klaslokalen rende, roepend: ‘D’r uit! d’r uit!’ We stoven naar buiten. Een aardbeving! Ik z
ag in de schoolmuren scheuren en barsten ontstaan, die het beeld opriepen van een beest dat zich onder de grond bewoog en zijn rug er onder zette als een athleet die wakker wordt.

     Het lot wilde dat ik zou opgroeien tussen vulkanen en zwavelmeren; bij elke gelegenheid dat ik met iets van dat vulcanisme te maken kreeg stelde ik mij een complex van onderaardse hoogovens voor, ketelhuizen onder de grond waarin helse onbedwingbare vuren loeiden, met verstopte schoorstenen en op springen staande leidingen, aan alle kanten lekkend door spleten en barsten en zich een weg banend naar buiten. De aanwezigheid daarvan was af te leiden uit de scheuren in de aardkorst, de sulfataren, de fumarolen en de borrelende zwavelpoelen die ik gezien had in de krater van de Sibajak, de grote vulkaan die waakte over mijn jeugd.

     Ook onderzees vulcanisme, vuurspuwende bergen onder water, waren een onderdeel van dit beeld. De uitbarsting van de Krakatau, oorzaak van een ‘grote golf’ (het woord tsunami, dat in feite ‘havenvloed’ betekent, was nog niet gangbaar) waardoor op de kusten van Java en Sumatra bijna 38.000 mensen omkwamen, leefde in mijn kinderjaren in Indonesië nog sterk in de herinnering.”                              

                          (Verschenen in Verborgen verwantschappen, Uitgeverij Augustus, 2005)

 

RUDY_Kousbroek

Rudy Kousbroek (Pematang Siantar, 1 november 1929)

 

Stefaan van Laere werd geboren op 1 november 1963 in Wetteren. Hij groeide op in Laarne, wilde wielrenner worden, en als dat niet zou lukken, sportjournalist. Het wielrennen bleek al gauw een utopie, maar het schrijven bleekt hem goed af te gaan. Na het behalen van zijn licentiaat pers- en communicatiewetenschappen aan de Gentse Universiteit, begon hij in 1988 te schrijven als freelance beroepsjournalist-auteur. Hij schrijft zowel fictie als non-fictie voor kinderen en volwassenen en maakt reportages in de geschreven media over lifestyle onderwerpen.

 

In memoriam

 

De illusie de tijd te kunnen stremmen

smolt toen hij zijn klein meisje groot zag in het bad.

Hij voelde zich betrapt.

Reik me de handdoek aan, vader, zei ze nuchter

en ze bedekte wat hij met zijn ogen dicht kon zien.

Die avond vergaapten ze zich aan het spektakel

de massa schuifelde over de dansvloer, van prins tot boer.

In het telraam van zijn geheugen verschoof hij enkele parels

en zijn raspende handen vroegen haar mee.

Hij streelde haar rug, als was ze haar moeder.

Maar zijn huid hield afstand, om te kunnen ademen.

Ze stond openlijk te gissen naar het verleden

zo hielden ze haar nagedachtenis in stand.

 

vanlaere

Stefaan van Laere (Wetteren, 1 november 1963)