Paul Celan

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

 

ZUVERSICHT

Es wird noch ein Aug sein,
ein fremdes, neben
dem unsern: stumm
unter steinernem Lid.

Kommt, bohrt euren Stollen!

Es wird eine Wimper sein,
einwärts gekehrt im Gestein,
von Ungeweintem verstählt,
die feinste der Spindeln.

Vor euch tut sie das Werk,
als gäb es, weil Stein ist, noch Brüder.

 

IN MUNDHÖHE

In Mundhöhe, fühlbar:
Finstergewächs.

(Brauchst es, Licht, nicht zu suchen, bleibst
das Schneegarn, hältst
deine Beute.

Beides gilt:
Berührt und Unberührt.
Beides spricht mit der Schuld von der Liebe,
beides will dasein und sterben.)

Blattnarben, Knospen, Gewimper,
Äugendes, tagfremd.
Schelfe, wahr und offen.

Lippe wußte. Lippe weiß.
Lippe schweigt es zu Ende.

 

EINE HAND

Der Tisch, aus Stundenholz, mit
dem Reisgericht und dem Wein.
Es wird
geschwiegen, gegessen, getrunken.

Eine Hand, die ich küßte,
leuchtet den Mündern

 

Waar ijs is

Waar ijs is, is koelte voor twee.
Voor twee: dus liet ik je komen.
Een waas als van vuur hing er om je –
Je kwam van de roos vandaan.

Ik vroeg je: Hoe heette je daar?
Je noemde hem mij, je naam daar:
een schijn als van as lag er op –
Van de roos vandaan kwam je.

Waar ijs is, is koelte voor twee:
ik gaf je de dubbele naam .
Jij sloeg je oog op daaronder –
Een glans lag over de bijt.
Nu sluit ik, zo sprak ik, het mijne – :
Neem dit woord – mijn oog zegt ’t tegen het jouwe!
Neem het, spreek het mij na,
spreek het mij na, spreek het langzaam ,
spreek het langzaam, stel het wat uit,
en je oog – hou het open zo lang nog!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e november ook mijn blog van 23 november 2018 en eveneens mijn blog van 23 november 2014 deel 2.

Gayl Jones

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Gayl Jones werd geboren op 23 november 1949 in Lexington, Kentucky. Ze kwam uit een creatieve achtergrond; haar grootmoeder Amanda Wilson schreef religieuze drama’s en haar moeder Lucile schreef fictie. Tegen de tijd dat ze zeven jaar oud was, was ze al begonnen met het schrijven van haar eigen fictie. Op de middelbare school werd Jones door haar leraren beschreven als briljant, maar pijnlijk verlegen. Jones studeerde Engels aan  Connecticut College, waar ze verschillende prijzen ontving voor haar poëzie en in 1971 een bachelorsdiploma behaalde. Daarna volgde een masterdiploma in creatief schrijven aan de Brown University, terwijl ze studeerde bij William Meredith en Michael Harper en waar haar eerste toneelstuk, “Chile Woman”, werd opgevoerd. In 1973 behaalde zij haar masterdiploma en vervolgde ze haar studie aan Brown, waar ze uiteindelijk een Ph.D. in creatief schrijven behaalde in 1975. Jones publiceerde datzelfde jaar haar eerste roman, “Corregidora”, en een jaar later werd ze assistent-professor aan de Universiteit van Michigan. Tot Jones’ latere werken behoren “Eva’s Man” (1976), “White Rat” (1977), “Song for Anninho” (1981), “The Hermit-Woman” (1983), “Xarque and other Poems” (1985), “Liberating Voices: Oral Tradition of African American Literature” (1991 ), “The Healing” (1998) en “Mosquito” (1999). “The Healing” was finalist voor de National Book Award in 1998.

Uit: Eva’s Man

“The police came and found arsenic in the glass. but I was gone by then. The landlady in the hotel found him. Shc went in bringing him the Sunday’s paper, and wanting the bill paid. They say she screamed and screamed and woke up the whole house. It’s got a bad name now, especially that room. They tell me a lot of people like to go and look at it. and see where the crime happened. They even wrote an article about it in one of these police magazines. That’s the way they do, though. I never did see the article. It bothered me at first when I found out they’d used his picture in there, one showing what I did. It didn’t bother me so much having mine in there. Elvira said they had my picture in there and my hair was all uncombed and they had me looking like a wild woman. Elvis’s the woman in the same cell with me down at the psychiatric prison. They let her go out more than they do me because they say she’s got more control than I have. It ain’t nothing I’ve done since I’ve been in here. It’s what I did be-fore I came, the nature of my crime that makes them keep me in here. The way they look at me. They don’t let me out with the other women. When Elvira goes out, she reads the papers and comes back and tells me what’s in them. She wanted to bring me that article but they wouldn’t let her bring it to Inc. I wanted to see it at first, but then when she sneaked it in with her down in her underwear, I wouldn’t look at it. I made her tear it up and flush it down the toilet.
“You know, they thought you was going to give that hotel a bad name,” she said. “I mean, a bad name where wouldn’t nobody wont to come and stay in it. But now it turns out that they’s some queer people in this world.” “What do you mean?” I was frowning. “I mean, they’s people that go there just so they can sleep in the same place where it happened, bring their whores up there and all. Sleep in the same bed where you killed him at. Some peoples think that’s what you was. A whore.” I kept frowning. “It ain’t me saying it.” I lay on my cot and stared up at the ceiling. There were also people saying I did it because I found out about his wife. That’s what they tried to say at the trial because that was the easiest answer they could get. I’ve seen his wife, though. I didn’t want to see her because I didn’t know how I was going to feel. She came in to see me only one time during the trial. She was a skinny, run-down-looking woman in a black hat. For some reason, I had expected her to be a big, handsome-looking woman.
She didn’t say anything. She just stood there outside the cell and stared at me, and I stared back. The only thing I kept wondering is how did he treat her. Because it looked like he made her worse than he made me. I mean, if she was as bad-off on the inside as she looked on the outside. She must’ve stood there for close to fifteen minutes, and then left. She didn’t have anything at all in her eyes—not hate not nothing. Or whatever she did have, I couldn’t see it. When she left, I wondered what she saw in mine. Even now people come in here and ask me how it happened. They want me to tell it over and over again. I don’t mean just the psychiatrists, but people from newspapers and things.”

 

Gayl Jones (Lexington, 23 november 1949}

Dirk van Weelden, Christian Filips

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Zie ook alle tags voor Dirk van Weelden op dit blog.

Uit: Wrede vrijheid

Stel je voor, je kinderwereld is saai, grauw en getekend door armoede. De volwassenen om je heen vechten tegen hun oorlogsherinneringen. Je hunkert naar iets anders, een breuk met de oude toestand. Maar al je verlangens naar vrijheid, avontuur, plezier, het verruimen van je horizon worden in benauwde Hollandse alledaagsheid en moralisme gesmoord.
En als je al probeert te dromen van een ontsnapping of een alternatief, dan dienen zich met overrompelend geweld de beelden en geluiden aan die uit Amerika komen. Daar zijn de jeugd, het optimisme, de vooruitgang en het plezier de baas. Vanuit zo’n standpunt bezien kun je de Amerikaanse culturele invloed als een kolonisering ervaren. Ze hadden ons bevrijd en nu dwongen ze ons hen na te doen, of nee, het was onweerstaanbaar hen na te doen. Want ook dat beloofde een bevrijding, zij het een die op zelfverraad kon lijken. En dat leverde een intense haat-liefdeverhouding op, die onderdeel uitmaakt van de mentaliteit van de generatie die twintig was in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw.
Ik was toen een jochie van tien. De eerste keren dat ik me iets probeerde voor te stellen van de Verenigde Staten van Amerika woonde ik in een spiksplinternieuwe buitenwijk in een Noord-Hollandse stad. Ik keek naar Rawhide op de televisie en speelde in de braakliggende bouwterreinen en rietvelden aan de rand van de stad. De duinen in de verte waren de canyons, de vaarten tussen bouwland en weiland de machtige Rio Grande.
De kinderwereld van waaruit ik me een beeld van Amerika vormde, was helemaal niet grauw, moralistisch en saai. Van behoudzucht en oorlogsherinneringen was niets te merken. Om ons heen woonden jonge, vrolijke moeders, een groot deel ervan kleedde zich modieus en had een vak geleerd. De huisvaders reden iedere paar jaar in een grotere auto, waarmee ze hun kinderen in de weekends naar het Evoluon reden om ze in die betonnen ufo van Philips de wereld van de toekomst te laten zien. Of ze gingen naar de Euromast om met de ronddraaiende lift op te stijgen naar een glorieus uitzicht over de grootste haven van de wereld. De trots van mijn vader was besmettelijk.”

Ik wil maar zeggen: als het om welvaart, technologische vooruitgang en energiek optimisme ging, had in mijn beleving Europa evenveel te bieden als Amerika. Als jochie van tien zwijmelde ik bij de TEE-treinen, precies even hartstochtelijk als bij de Geminicapsules van de NASA. En popmuziek was geen Amerikaans specialisme. Eerlijk gezegd vond ik de Engelse bandjes op de radio even lekker of irritant klinken als hun Amerikaanse, Zweedse, Nederlandse of Duitse collega’s.

 

Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Daar op het loerende, het witte stuk

waar helderheid, open, zo vijandig open
en betrapt ligt: om de helderheid te begrijpen
van het concept helderheid, alsof zeggen we
er een breed veld was, alsof zeggen we
het bedekt met sneeuw was, alsof het ook helder was
van grote afstand: daar ligt toch mijn blik
en hij is en kijkt daar zo vriendelijk vreemd
daar op de uitgestrekte witte loer

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen, 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e november ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

Freya North, R. S. Thomas

De Britse schrijfster Freya North werd geboren op 21 november 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Freya North op dit blog.

Uit: Home Truths

`How do you say goodbye to a mountain?’

From her vantage point, Cat York looked across to the three Flatirons, to Bear Peak and Green Mountain. She gazed down the skirts of Flagstaff, patting the snow around her and settling herself in as though she was sitting on the mountain’s lap. ‘It’s like a giant, frozen wedding dress,’ she said. ‘It probably sounds daft, but for the last four years, I’ve privately thought of Flagstaff as my mountain.’ `There’s a lot of folk round here who think that way,’ Stacey said. ‘You’re allowed to. That’s the beauty of living in Boulder.’ The sun shot through, glancing off the crystal-cracked snow on the trees, the sharp, flat slabs of rust-coloured rock of the Flatirons soaring through all the danling white at their awkward angle. `When Ben and I first arrived and I was homesick and insecure, I’d walk to Chautauqua Meadow and just sit on my own. It felt like the mountains were a giant aim around my shoulders.’ Cat looked around her with nostalgic gratitude. ‘Then soon enough we met you lot, started hiking and biking the trails and suddenly the mountain showed me its other side. You could say it’s been my therapist’s couch and it’s been my playground. It’s now my most favourite place in the world.’ Stacey looked at Cat, watched her friend cup her gloved hands over her nose and mouth in a futile bid to make her nose look less red and her lips not so blue. ‘This time next week, the only peaks I’ll be seeing are Victorian rooftops,’ Cat said, ‘grimy pigeons will replace bald eagles and there’ll just be puddles in place of Wonderland Lake. Next week will be a whole new year.’ `Tell me about Clapham,’ Stacey asked, settling into their snow bunker. `Well,’ said Cat, ‘it’s a silent “h” for a start.’ They laughed. `God,’ Cat groaned, leaning forward and knocking her head against her knees, ‘I’m still not sure we’re doing the right thing — but don’t tell Ben I said so. I can’t tell you about Clapham, I don’t think I’ve ever been.’ She paused and then continued a little plaintively. `God, Stacey, I have no job, my two closest friends don’t even live in the city any more and I’m moving to an opposite side of London to where I used to live, where my sisters still live.’ `It’s exciting,’ Stacey said, ‘and if you don’t like it, you can always come back.’ She tore into a pack of Reese’s with her teeth, her chilled fingers unfit for the task. ‘And there’s some stuff that’s really to look forward to.’ Placated and sustained by the pack of peanut butter, the comfort of chocolate, Cat agreed. ‘I’ve missed my family — by the sound of it, my middle sister Fen is having a tough time at the moment. And it’s going to be a big year for Django — he’ll be seventy-five which will no doubt warrant a celebration of prodigious proportions.’ `I’d sure like to have met him,’ Stacey said and she laughed a little. ‘I remember when I first met you, I thought you were like, so exotic, because you came to Boulder with your English Rose looks and a history that Brontë couldn’t have made up. You with the mother who ran off with a cowboy, you who were raised by a crazy uncle called Django, you and your sisters brought up in the wilds of Wherever.’

 

Freya North (Londen, 21 november 1967)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

Poste Restante

Ik wil dat je weet hoe het was,
of het kruis vergruist tot stof
onder mensenwielen of helder schijnt
als monument voor een nieuw tijdperk.

Er was een kerk en een man
diende haar, en weinigen gingen ter kerke
daar in het rauwe licht op de heuvel
in de winter, zich voortbewegend tussen de stenen,
om hen heen gevallen als ruïnes
van een cultuur waar ze te zwak voor waren
om haar te vervangen, zelf te arm
om iets anders te doen dan wachten
op het aflopen van een leven
waar ze niet om hadden gevraagd.
Dan kwam de priester
en luidde de gebarsten klok die niemand
hoorde, en betrad die plaats
van duisternis, zuur van de schimmel
van jaren. Dan rende de spin
uit de kelk, en lag de wijn
daar een tijdje, koud en ongewenst
door iedereen behalve hem, terwijl de kaarsen
flikkerden wanneer de wind
aan het dak plukte. En hij zou
over dat karige maal zijn gezicht
naar hem zien staren door het gebarsten glas
van het raam, de lippen in beweging
als van een bewoner van
een wereld daarbuiten.
En zo terug
naar de vochtige sacristie naar het boek
waarin hij zijn naam en de datum zou krassen,
die hij zich nauwelijks kon herinneren, zondag
na zondag, terwijl de plek
op zijn knieën zonk en de aarde draaide
van seizoen tot seizoen als het wiel
van een grote gieterij om jou, vriend,
voort te brengen, die zal weten wat er is gebeurd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e november ook mijn blog van 21 november 2020 en ook mijn blog van 21 november 2018 en ook mijn blog van 21 november 2015 deel 2.

The Kingdom (R. S. Thomas), Scott Cairns 

 

Bij Christus Koning

 

Christus als Koning, geschilderd op de tussenverdieping in de Heilig Kreuz Kirche in Goesdorf, Luxemburg

 

The Kingdom

It’s a long way off but inside it
there are quite different things going on;
festivals at which the poor man
is king and the consumptive is
healed; mirrors in which the blind look
at themselves and love looks at them
back; and industry is for mending
the bent bones and the minds fractured
by life. It’s a long way off, but to get
there takes no time and admission
is free, if you will purge yourself
of desire, and present yourself with
your need only and the simple offering
of your faith, green as a leaf.

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)
De St John the Baptist Church in Cardiff, de geboorteplaats van R. S. Thomas

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Voordracht

Hij viel toen niet, blind op een weg,
evenmin verdween zijn levenslange verlamming.
Hij hoorde geen stem, behalve de bekende,

onophoudelijk, zelfondervraging
van de pijnlijk verwarde. De ketel stoomde
en floot. Een zware vrachtwagen schakelde terug

vlakbij het plein. Hij hoorde een kind roepen,
en hoorde een rouwende duif zijn eigen
doffe roep inzetten. Ondanks dat alles bleef zijn verstand

vrij nevelig. Hij ademde en sprak de woorden die hij las.
Als wat allang dood was toen tot leven kwam,
dan was die opstanding blijkbaar

metaforisch. Het wonder vond plaats
zonder vertoon. Hij hield een boek vast en terwijl hij las
vond hij precies wat hij zocht. Alleen dat.

Een leven met weinig pijn behalve één, het geluksgeschenk
van een rafelig boek, een ketel die langzaam opwarmt,
en dus tijd genoeg om het boek op te nemen

en in een kleine passage juist die wens te vinden
die hij niet hardop durfde te uiten, dat wil zeggen, totdat
hij de woorden uitsprak die hij las.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e november ook mijn blog van 19 november 2020 en ook mijn blog van 19 november 2018 en eveneens mijn blog van 19 november 2017 deel 3.

Scott Cairns

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

First Storm and Thereafter

What I notice first within
this rough scene fixed
in memory is the rare
quality of its lightning, as if
those bolts were clipped
from a comic book, pasted
on low cloud, or fashioned
with cardboard, daubed
with gilt then hung overhead
on wire and fine hooks.
What I hear most clearly
within that thunder now
is its grief—a moan, a long
lament echoing, an ache.
And the rain? Raucous enough,
pounding, but oddly
musical, and, well,
eager to entertain, solicitous.

No storm since has been framed
with such matter-of-fact
artifice, nor to such comic
effect. No, the thousand-plus

storms since then have turned
increasingly artless,
arbitrary, bearing—every
one of them—a numbing burst.

And today, from the west a gust
and a filling pressure
pulsing in the throat—offering
little or nothing to make light of.

 

Idiot Psalms

4

Isaak’s penitential psalm, unaccompanied.

Again, and yes again, O Ceaseless Tolerator
of our bleaking recurrences, O Forever Forgoing
Foregone (sans conclusion), O Inexhaustible,
I find my face against the floor, and yet again
my plea escapes from unclean lips, and from a heart
caked in and constricted by its own soiled residue.
You are forever, and forever blessed, and I aspire
one day to slip my knot and change things up,
to manage at least one late season sinlessly,
to bow before you yet one time without chagrin.

 

Eremiet

—Katounakia, 2007

De grot zelf is aangenaam sober,
met weinig rommel – niets behalve
een smalle plaat, een versleten wollen omslagdoek,
en in de afgebroken uitsparing hier
drie roetige iconen verlicht door een olielamp.
Net voorbij de opening van de donkere grot,
rust een zwartgeblakerde ketel tussen de kolen,
waarmee, elke middag, een handvol
wilde groenten wordt gekookt tot een malse brij.
De eremiet ligt op de grond dichtbij
twee boeken – een evangelie en het verzameld proza
van de Syriër – waarvan de pagina’s omslaan,
geholpen door een briesje. Naast de sliert
van houtrook die uit de kolen opstijgt,
trekt geen andere beweging de aandacht. Het gezicht
van de oude man wordt in de aarde gedrukt,
zijn lichaam uitgerekt alsof hij vooruit wil reiken.
De pot kookt droog. Hij voedt zich met wat
we niet zien en zou verzadigd kunnen zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e november ook mijn blog van 19 november 2020 en ook mijn blog van 19 november 2018 en eveneens mijn blog van 19 november 2017 deel 3.

Toon Tellegen, Joost Oomen

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook alle tags voor Toon Tellegen op dit blog.

 

Ik schreef je dat je geen illusies…

Ik schreef je dat je geen illusies…
ik heb het je meteen gezegd, de eerste keer,
ik had het bij me op een briefje
en ik schreef het op de rand van een krant
en op een kalender aan je muur,
en ik zei het in je oor, in de deuropening,
en op straat, aan een kade,
ik riep het naar je over het water
in het licht van een zwiepende straatlantaarn,
en jij riep terug;
“Ik ook van jou”.

 

Een man dacht…

Een man dacht:
wanneer zal ik eens 1 minuut niet aan haar denken?
Nu?
Hij ging zitten
en dacht 1 minuut niet aan haar.

Toen stond hij op en wandelde verder, dacht verder,
steeds verder, zonder tussenpozen,
aan haar.

 

Nog één stap… zegt de een…

Nog één stap… zegt de een
Nog duizend stappen… zegt de ander.
… tussen jou en mij, zegt de een.
… tussen mij en jou, zegt de ander.

De een neemt duizend stappen
en de ander zegt:
nu zijn het er nóg meer, nog tienduizend stappen!

De ander neemt één stap
en de een zegt:
een halve stap was al voldoende,
nu zie ik het.

 

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941) 

 

De Nederlandse dichter Joost Oomen werd geboren in De Bilt op 18 november 1980. Zie ook alle tags voor Joost Oomen op dit blog.

 

Alles is zoet

Alles is zoet
de trein is zoet
mijn broek is zoet
mijn vingers zijn zoet

Alles is zoet
want papaya is zoet
en brillen zijn zoet

tragisch en druipend is zelfs de Iongontsteking zoet
want alles is zoet
TL-licht is zoet

alles is zoet,
onze koningin is
zoet en goudverguld als een Spaanse sinaasappel

Gummibeertjes en augurken en wraak malend in jouw mond
achter jouw lippen, jouw lippen ook, allemaal zoet, zoetzoet, zoetzoet

Sterren, sparrenbossen, elektronica, golven staan bekend
als hartig en zout maar dat is een leugen, lieverds
alles is zoet

lk wil duizend keer ranja zeggen
lk wil een hollende stabij zien vanuit mijn kerkerraampje
Alles is zoet, diep ademend dromen dekbedden van suiker
zoet, zoetzoet, zoetzoet.

 

Lievegedicht

er zijn best wat mensen
die er niet in geloven

en er zijn mensen
die er wel in geloven
maar het helemaal verkeerd uitleggen
of verwarren met iets anders

die zeggen het is als een theekopje rum
terwijl het een theekopje jam moet zijn

die zeggen
een theekopje sinaasappelsap
waar de zon in schijnt
terwijl het juist het oranje sap zelf was
dat de zon deed schijnen
en het theekopje vertrok
als een zucht door de lucht

zo raakt alles door de war
een zwaan landt aan de verkeerde kant
van de waterspiegel
je gooit een stok en de hond komt
terug met een baar goud in zijn bek
je sok is nat, het hindert niet
je vindt haar mooier dan de maan
ze heeft krullen als de kringen in water
als er eendenkuikens voor het eerst
zwemmen gaan.

 

Joost Oomen (De Bilt, 18 november 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e november ook mijn blog van 18 november 2020 en ook mijn blog van 18 november deel 2 en eveneens deel 3.

Guido van Heulendonk, Chinua Achebe

De Vlaamse schrijver Guido van Heulendonk (pseudoniem van Guido Beelaert) werd geboren in Eeklo op 17 november 1951. Zie ook alle tags voor Guido van Heulendonk op dit blog.

Uit: Vrienden van de poëzie

“Het was in die donkere dagen dat mensen elkaar gedichten begonnen te sturen. Ook hij kreeg de kettingmail binnen, op een morgen dat hij met een zeurende kies was ontwaakt en het vooruitzicht trachtte te verwerken misschien op zoek te moeten naar een tandarts, in een zieltogend land waarin niets nog functioneerde.
Toen hij het gordijn wegtrok verrees zijn stad, net als de dagen ervoor, als een foto uit een brochure over stedelijke architectuur: stil, koud, kleurloos, met spaarzame silhouetten die langs de gevels slopen. Scherpe schaduwen in de ochtendzon, waarbij zich, toen hij het raam openduwde, de auditieve skyline van een verre sirene voegde.
Een stad zonder winkels, cafés, musea.
Een stad vol ziekenhuizen.
Ook de tandartsen werkten niet meer, wist hij, op enkele noodkabinetten na, strategisch verdeeld over de natie, op geheime plekken, slechts te traceren via speciale nummers. Alleen ‘wie dringend hulp nodig had’ kon er terecht, na strenge triage, en werd dan geholpen door astronauten. Hij had de beelden gezien op tv.
Zover was hij nog niet. Zijn kies zeurde alleen maar, lichtjes protesterend tegen de druk van zijn tastende tong, die hij niet kon verhinderen telkens even te checken of het al niet wat beter ging, zoals een moeder dwangmatig haar hand op het voorhoofd van een koortsig kind legt.
Enkel als je radeloos grommend in je kussen beet.
Enkel dan mocht je bellen.
Stelde hij zich voor.
Als je razend rond de tafel beende, de zelfmoord nabij.
Niet eerder, om land en maatschappij niet nodeloos te belasten. Ieder zijn steentje, zijn druppeltje zweet, dan komen we er allemaal doorheen.
Zei men. Zong men, ’s avonds, op balkons en in de straat, op tien armlengtes van elkaar. We shall overcome. Op de tanden bijten.
Niet evident, als je tandpijn had.
Maar hij begreep het wel. Hij was absoluut aan boord, en de gezangen ontroerden hem, hoewel hij er zelf niet aan deelnam. Nooit een manifestatiemens geweest. En zingen kon hij niet. Toch: al die mensen van goede wil, al die solidariteit. Er was niets mooiers, en het hielp om elke dag in verzoening af te sluiten.”

 

Guido van Heulendonk (Eeklo, 17 november 1951)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Lazarus

Het adembenemende
van zijn zussen toen het woord
zich verspreidde: Hij is opgestaan! Maar een
man die een vol leven heeft geleefd
zal met anderen rekening
moeten houden naast zijn
zussen. Zeker die ondergeschikte
met zijn scherpe blik die is doorgeschoven
naar zijn bureau op kantoor, voor
hem is opstanding een verschrikkelijke
kwelling. De ongelukkige
mensen van Ogbaku kenden de
verschrikkingen die dag waarop het tweekoppige
kwaad over hun snelweg schreed. Het
kan niet gemakkelijk zijn geweest
om de met bloed bespatte
knuppels weer op te pakken
die ze hadden weggegooid; of zich
af te wenden van het gehavende lichaam
van de advocaat die naast zijn
gehavende limousine lag om hun eigen man
af te maken, die zich nu plotseling roerde
in opstanding met de ogen wijd open. Hoe goed
begrepen ze die dorpelingen
met hun grimmige gezichten die hun karmozijnrode
wapens nogmaals hanteerden dat op het uur
van zijn verrijzenis hun bloedverwant,
door moord gewroken, zich van hen af zou keren
in gehoorzaamheid aan andere
broederschappen, feitelijk veranderen zou
in hun eigen aanklager en in één
adem hun pleidooi en rechtvaardiging
zou vernietigen! Dus vermoordden ze
hem een tweede keer die dag op de
drempel van een veelbelovende opstanding.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e november ook mijn blog van 17 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Anton Koolhaas, Chinua Achebe

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Anton Koolhaas op dit blog.

Uit: De hond in het lege huis

“Doorgaans hadden ze een hond bij zich. In het hotel kenden ze die hond wel. Hij was uit het dorp en behoorde niet aan het paar, maar kennelijk voegde hij zich bij hen als ze op het eiland waren en hun zomerhuis betrokken hadden, aan de andere kant van het eiland, waar de rotsen ronder en vriendelijker waren, de oceaan gebroken was en blauw, heel aangenaam voort golfde naar land in de verte. Aan die kant van het eiland waren ook de strandjes. Er liep van het dorp een weg dwars door het oude fort, dat vroeger het eiland verdedigd had en vrijwel ongenaakbaar maakte en dat later als opslagplaats van allerlei soorten van gevangenen gediend had. Het was tussen het open vissersdorp en de weg langs de bruine rotsen en de strandjes een sombere passage; maar gelukkig was er vaak zon, die de kilheid van de hoge, drukkende muren wat verzachtte. Maar niet die van het ravijn midden in het fort waar een bruggetje overheen liep, waarlangs de kou uit de diepte, als een sombere kermisattractie omhoog leek te blazen.
In zekere zin was dat fort een voorbeeld van de ellende die mensen altijd over zich zelf heen weten te halen. Hier was nu een eiland, dat niets vreesaanjagends had, in een zee, die afgezien van het barre jaargetijde op een rijke manier het eiland een gelukzalig isolement verschafte, maar midden er op hadden de mensen weer een fort moeten maken, dat geschoten had en beschoten was, verdedigd, veroverd en teruggewonnen, tot het allemaal onzin was gebleken. En toen had het dan die ellendige gevangenen geborgen en hun verzuurde bewakers. Een plaats van dood en stuiptrekkingen, waar iedereen die op het eiland woonde of het bezocht, doorheen moest. Een donkere klimop overwoekerde de muren en verlaten gangen en deuren die nooit meer opengingen, maar van rijkswege om de zoveel tijd werden geschilderd als een nutteloze manie om een kwaad in stand te houden.
Het fort lag aan de ene kant van het eiland en het vreemde hotel aan de andere, maar daartussen was een vervullend bestaan. De hond uit het dorp, die inderdaad zijn intrek nam in het huis van het paar, als dat zijn twee maanden per jaar op het eiland doorbracht, was er een symbool van. De man pakte het slapend dier soms in zijn nekvel, als het in de zon lag en zei dan: ‘Heb je het weer zo lekker, groebes?’ De hond kreunde dan vol welbehagen. Inderdaad, hij had het lekker en als de man hem zo in de dikke plooi van zijn nek pakte en die lekker robbelde, dan ging hij op zijn rug liggen met zijn poten opgetrokken en dan bestond er niets dan dadenloze volmaaktheid.”

 

Anton Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Gieren

In de grauwe miezerigheid
van een dageraad, waarin nergens
een voorbode van de zonsopgang
viel te bekennen, zat een gier
hoog op gebroken knekels van
een dode boom, naast zijn wijfje,
zijn gladde gedeukte kop, een kiezel
op een stengel wortelend in een hoop
slordige veren, liefdevol neigend
naar die van haar. Gisteren pikten ze
de ogen uit van een opgezwollen
lijk in een volgelopen loopgraaf
en aten ze de dingen in zijn
ingewanden. Volgevreten keerden ze
terug naar hun tak, het uitgeholde
restant ruim binnen bereik houdend
van koude telescoopogen…

Vreemd, dat liefde,
in andere opzichten toch zo
kieskeurig, een hoek in dat knekelhuis
uitzoekt, die aan kant maakt en daar
zich nestelt, misschien zelfs in-
slaapt – met haar gezicht naar de muur!
… Zo blijft de commandant van Bergen-
Belsen die van zijn werk komt
met in zijn harige neusgaten
de hardnekkige stank van menselijk
gebraad, staan bij een snoepkraam
en koopt een chocolaatje voor
zijn lieve kroost dat wacht
tot vader thuiskomt …
Prijs de vrijgevige
voorzienigheid, zo je wilt
die zelfs een mensenetende reus
van een glimwormpje tederheid
voorziet, ingekapseld in ijzige
spelonken van een wreed hart,
of anders, vervloek het lot
want juist daar, in die kiem
van de liefde voor de zijnen
schuilt de onuitroeibaarheid
van het kwaad.

 

Vertaald door Joris Iven

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e november ook mijn blog van 16 november 2018 en eveneens mijn blog van 16 november 2014 deel 2.

Susanne Fröhlich, Ted Berrigan

De Duitse schrijfster en journaliste Susanne Fröhlich werd geboren op 15 november 1962 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Susanne Fröhlich op dit blog.

Uit: Heimvorteil

„Sie war überrascht, wie schnell Sterben gehen kann. So lautlos und ohne jedwedes Aufsehen.
Auf den Tag genau vor zehn Jahren ist Klaus gestorben. Da war sie gerade mal achtundfünfzig Jahre alt. Es war ein sonniger Frühlingstag, harmlos, ein ganz gewöhnli-cher Morgen. Klaus und sie haben gefrühstückt, 6.45 Uhr, wie immer. Als er sich die erste Zigarette des Tages an-stecken wollte, hatte sie gemeckert. Auch wie immer. »Sei nicht so eine zickige Ziege!«, hatte er erwidert. Und als sie in die Küche ging, um für beide eine weitere Tasse Kaffee zu holen, ist er vornüber auf den Tisch gesunken und war, als sie mit dem Kaffee ins Esszimmer zurück-kam, tot Ein Herzinfarkt. »Nichts zu machen, das war heftig! «, hatte der Notarzt nur gesagt und bedauernd den Kopf geschüttelt. Sie hatte sich hingesetzt und eine Zigarette aus Klaus’ Packung genommen. Sie, die Nichtraucherin. Er braucht sie ja nicht mehr, hatte sie nur gedacht. »Zickige Ziege« war das Letzte, was er zu ihr gesagt hatte. Weil sie, wie eigentlich jeden Morgen, genörgelt hatte. Ober seine Raucherei. Jetzt war es zu spät für jegliche Freundlich-keit »Gehen Sie nie schlafen oder getrennter Wege, ohne jede Streitigkeit aus dem Weg geräumt zu haben!«, lautet eine Weisheit aus Frauenzeitschriften. Aber sie war bloß mal eben in die Küche gegangen. Und statt zu rauchen, stirbt Klaus. Das kann man nun wirklich nicht ahnen. Da dürfte man ja nie was sagen. Er hat die kurze Gelegenheit genutzt, um sich davonzustehlen. So jedenfalls hat sie es eine Weile gesehen. Inzwischen ist sie milder gestimmt, zehn Jahre sind eine verdammt lange Zeit. Genug, um Tatsachen zu akzeptieren. Zweiundvierzig Jahre waren sie zusammen, seit der Schule. Sie haben die Mittlere Reife gemeinsam gemacht. Sie nennt es noch immer Mittlere Reife. Passt besser als Realschule, findet sie. Und Klaus macht sich einfach aus dem Staub. Stirbt. Nach all den Jahren, ohne jede Vor-warnung. Das hatte sie sich anders vorgestellt. Noch heute wird sie ein klein bisschen wütend, wenn sie daran denkt. Nie ist er zur Vorsorge gegangen, egal, wie sehr sie gedrängt hat. »Brauche ich nicht, keine Zeit, ich geh zum Arzt, wenn ich krank bin!«, waren seine Ausreden. »Das kommt davon!«, hätte sie ihm gerne am Grab hinterhergerufen. »Jetzt hast du wirklich keine Zeit mehr!«
Diese Wut hat ihre Trauer all die Jahre überschattet. Viel-leicht auch erträglicher gemacht. Heute, zum zehnjähri-gen Todestag, will sie rausfahren zum Grab. Das macht sie nur noch selten. Wozu auch? Es ist kein Ort, an dem sie Klaus nah ist. Aber waren sie sich je wirklich nah?”

 

Susanne Fröhlich (Frankfurt am Main, 15 november 1962)

 

De Amerikaanse dichter Ted Berrigan werd geboren op 15 november 1934 in Providence, Rhode Island. Zie ook alle tags voor Ted Berrigan op dit blog.

 

Nieuw persoonlijk gedicht

Voor Michael Lally

Je had je eigen redenen om jezelf in de weg te zitten. Je wilde niet
Duidelijk zijn voor jezelf. Je wist heel
Wat meer dan je
voor jezelf wilde weten. Ik voelde
Ter plekke een natuurlijke liefde voor je. RESPECT. Juist.
Mooi. Ik gebruik het woord niet lichtvaardig. lk
Protesteerde met welke liefde dan ook (eerlijkheid) (& frontale naaktheid) waar
Een, ja, in wezen gereserveerde, Iers-katholieke-Amerikaanse Providence Rhode
Island New Englander mee om kan gaan. Jij
Bent geraffineerd, niet ongecompliceerd, niet
Naïef en niet eenvoudig. Een Entertainer, & dat ben ik ook.
Frank O’Hara respecteerde de liefde, jij ook, & wij ook.
Hij was zichzelf en ik was ik. En toen we elkaar troffen
Elk zichzelf in Iowa, helemaal
Dat was liefde, & dat is het nog steeds, liefde, vandaag. Kun je mij zien
In wat ik zeg? Want ik zie ook dat je weet
In wat je te zeggen hebt, ik hield van Frank, net als ik hou
Van jou, “op de juiste manier”.
Dat is gewoon praten, geen Logos,
een aan de slag gaan met zaken:
Ik beschouw het als simpele bijzonderheden dat
we onze gevoelens op ons gezicht dragen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Berrigan (15 november 1934 – 4 juli 1983)
Portret door Alex Katz, 1967

 

Voor nog meer schrijvers van de 15e november zie ook mijn blog van 15 november 2018 en eveneens mijn blog van 15 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.