De Amerikaanse dichteres Connie Wanek werd geboren op 1 juni 1952 in Madison, Wisconsin, en groeide op in Las Cruces, New Mexico. In 1989 verhuisde ze met haar gezin naar Duluth, Minnesota. Ze verdeelt nu haar tijd tussen Minnesota en New Mexico. Haar werk verscheen in Poetry, The Atlantic Monthly, The Virginia Quarterly Review, Quarterly West, Poetry East, Prairie Schooner, en Missouri Review. Ze heeft vier dichtbundels gepubliceerd, één boek met kort proza, en was co-editor (met Joyce Sutphen en Thom Tammaro) van de uitgebreide historische bloemlezing van vrouwelijke dichters uit Minnesota, genaamd “To Sing Along the Way” (New Rivers Press, 2006). ). Ted Kooser, Poet Laureate of the United States (2004-2006), benoemde haar in 2006 tot Witter Bynner Fellow van de Library of Congress.
Monopoly
We used to play, long before we bought real houses. A roll of the dice could send a girl to jail. The money was pink, blue, gold, as well as green, and we could own a whole railroad or speculate in hotels where others dreaded staying: the cost was extortionary.
At last one person would own everything, every teaspoon in the dining car, every spike driven into the planks by immigrants, every crooked mayor. But then, with only the clothes on our backs, we ran outside, laughing.
After Us
I don’t know if we’re in the beginning or in the final stage. — Tomas Tranströmer
Rain is falling through the roof. And all that prospered under the sun, the books that opened in the morning and closed at night, and all day turned their pages to the light;
the sketches of boats and strong forearms and clever faces, and of fields and barns, and of a bowl of eggs, and lying across the piano the silver stick of a flute; everything
invented and imagined, everything whispered and sung, all silenced by cold rain.
The sky is the color of gravestones. The rain tastes like salt, and rises in the streets like a ruinous tide. We spoke of millions, of billions of years. We talked and talked.
Then a drop of rain fell into the sound hole of the guitar, another onto the unmade bed. And after us, the rain will cease or it will go on falling, even upon itself.
6 Wat zal zijn zal goed zijn – want wat is is goed, Belang hechten is goed, en geen belang hechten zal goed zijn.
De hemel blijft mooi… het genot van man met vrouw zal nooit bevredigd worden… noch het genot van vrouwen met mannen… noch het genot van gedichten; De vreugdevolle dingetjes in huis, het dagelijks huishouden of dagelijkse zaken – dit zijn geen spoken… de dingen hebben gewicht en vorm en plek; Het verschil tussen zonde en goedheid is geen spookverschijning; De aarde is geen echo… de mens en zijn leven en alle dingen van zijn leven zijn goed overdacht. Je bent niet verspild… je schaart je zeker en veilig rond jezelf, Jezelf! Jezelf! Jezelf voor altijd en eeuwig!
7 Het is niet om jou te ontbinden dat je geboren bent uit je moeder en vader – het is om je te vereenzelvigen, Het is niet dat je onbesloten zou moeten zijn, maar dat je vastbesloten zou moeten zijn;
Iets vormeloos’ dat zich lang heeft voorbereid is gekomen en gevormd in jou, Daarom ben je veilig, wat ook komt of gaat.
De draden die gesponnen zijn komen bij elkaar… de inslag kruist de schering… het patroon is systematisch.
De voorbereidingen zijn allemaal nodig geweest; Het orkest heeft zijn instrumenten voldoende gestemd… het stokje heeft het signaal gegeven.
De gast die kwam… hij had goede redenen om zo lang te wachten… hij is nu onder dak, Hij is een van hen die mooi en gelukkig zijn… hij is een van hen voor wie geldt dat het voldoende is naar hen te kijken en bij hen te zijn.
De wet van het verleden kan niet worden ontdoken, De wet van het heden en de toekomst kan niet worden ontdoken, De wet van de levende wezens kan niet worden ontdoken… hij is eeuwig, De wet van voortgang en verandering kan niet worden ontdoken, De wet van helden en weldoeners kan niet worden ontdoken, De wet van dronkaards en verklikkers en valse personen kan niet worden ontdoken.
Vertaald door Ilja Leonard Pfeijffer
Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893) Portret door Xanthus Russell Smith, 1897
“De zomer van 1979. Voor het eerst sinds mijn kleutertijd ben ik terug in de tropen. Ik sta tussen mijn ouders in Albina onder de palmen op de zandige oever van de rivier die de grens vormt tussen Suriname en Frans-Guyana. In de verte brullen apen vanuit de donkere bosrand. Achter ons is de zon tussen de vrolijke huisjes bijna ondergegaan. Nog een paar tellen en we worden opgeslokt door donkerpaars en zwart. ‘Waar ontspringt de Marowijne?’ vraag ik aan Jim. ‘Ergens in Brazilië,’ antwoordt hij. ‘Dat is toch geen antwoord,’ zegt Elsie met haar zonnebril nog op. Jim zegt niets. ‘En dat voor een militair!’ ‘Ik zal thuis op mijn stafkaarten kijken. ’‘Maxwell heeft een sterke vader nodig,’ zegt ze terwijl ze een sigaret opsteekt. ‘Papa is sterk,’ verdedig ik. ‘Is het sterk om een kind in de steek te laten?’ ‘Hij heeft me niet in de steek gelaten. ’‘Wat deed hij anders toen hij twee jaar geleden de deur van het jachthuis achter zich dichttrok?’ ‘Hij deed wat van hem werd… ’‘Maak jezelf niets wijs,’ snauwt Elsie. ‘Maar nu is het vakantie,’ zegt Jim, de slanke korjaal wenkend. De uitgeholde boom houdt voor ons stil en de zwarte bootsman steekt lijdzaam zijn hand naar Elsie uit om haar als eerste aan boord te laten gaan. Jim en ik volgen. Jim, die vooraan in de boot is gaan zitten, wijst naar de overkant van de brede rivier. ‘Daar in Saint-Laurent fietsen ze op Peugeot-fietsen met alpinopetten op.’ ‘En een stokbrood onder de arm,’ vult Elsie hem aan. ‘En ze dragen Yves Saint Laurent-zonnebrillen,’ voeg ik toe. De bootsman zet zijn motor aan en keert de neus oostwaarts. Hij laat zijn schouders berustend hangen. Hij ruikt naar kokoszeep. De maan schittert door de jagende wolken in het stromende water. De boot gaat wild op en neer en de golfslag is hoog. Af en toe slaat er een guts water binnen. ‘We gaan het dodenrijk binnen,’ zegt Elsie dromerig. Over haar schouder zie ik tussen de plooien van Charons schaamrok zijn opgewonden geslacht. ‘Jullie hebben toch wel honger?’ vraagt Jim, die de kunst verstaat niet te zien wat hij niet wil zien. ‘Ik heb gegeten en gedronken,’ zegt Elsie. Alleen het tweede is waar. Na drie cuba libres in de bar van het hotel zou ze beter iets eten. ‘Ik wel hoor, papa,’ hoor ik mezelf roepen, hoewel ik misselijk ben van al die flesjes Fernandes-limonade die ik sinds mijn aankomst heb gedronken, ik wilde mierzoete herinneringen ophalen: cherry bouquet, golden orange en green punch. We meren aan op de Frans-Guyanese oever voor een laag gebouwtje dat op palen in het water staat. Vanuit de breedkruinige amandelbomen die eromheen staan klinkt het krijsen van ara’s. In de schaars verlichte kantine nemen we plaats aan een tafel bij het raam. In de verte flikkeren onrustig de lichtjes van Albina. ‘Is het restaurant wel open?’ vraagt Elsie. Vanuit het donker verschijnt een man met borden en glazen. Het lijkt alsof de tafel zichzelf dekt. Zonder op de kaart te kijken, doet Jim de bestelling. ‘Je vader probeert Frans te spreken,’ schertst Elsie. ‘Wees lief,’ draag ik haar op. ‘Ik bén toch lief,’ fluistert ze.”
We zitten in een ansichtkaart, rijdend over Hollywood Boulevard: de auto heeft vinnen, de palmbomen zijn roze, we dragen cat-eye zonne- brillen in de L.A-nacht- gloed, het neongebabbel, wazige witte lichten van snel rijdende auto’s. Wij zijn snelheid en licht, vlam en vingers; de hele nacht is een handvol minuten, een snelle auto, sterren.
Later, zullen we luid de liefde bedrijven in een kamer die van geen van ons beiden is, een kamer bezaaid met onze kleren en onze bezittingen. We zullen herhalen waar we het meest van houden, onze tongen wijs en specifiek. Je zult zeggen dat ik een glimworm ben, een kobaltster.
In L.A., zijn de palmbomen ouder dan ze eruit zien en objecten dichterbij dan ze lijken, maar geen stadsmythen kunnen onze twee maangezichten in het donker verklaren. We zijn zoemende en luide, snelle handen, een helder licht, een prachtige planeet, L.A. bij nacht.
“IF I CLOSE my eyes and silently mouth the word dorp, what I conjure up. even now. sixty or more years later, is an image of wide dusty streets, the pavements overgrown with thorns (which we called, with good reason. duwweltjies, little devils), in a predictable grid around the tall spire of the Dutch Reformed Church, that sat brooding over the surrounding houses like a large and somewhat unwieldy hen with outstretched wings protecting her chickens. Twice on Sundays, and on Wednesday evenings for prayer meetings. the congregation would be summoned by the booming of the church bell, and men. women and children would respond — not so much out of conviction as because an empty place would undoubtedly invite ever-expanding circles of gossip rippling through town and district, possibly for weeks on end. After the Sunday service, having reviewed all the most recent news and scandals and secrets of the town, everybody would hurry back to the gargantuan meals prepared by black women on Aga or Dover stoves in kitchens as hot as the furnace of Nebuchadnezzar: roasted leg of lamb, and frikkadelle or meatballs, a joint of venison in winter, or chicken, perhaps a tomato stew on the side, and potatoes and sweet potatoes. yellow rice with raisins, beans and peas and carrots, stewed prunes and peaches. and quinces, pumpkin with cinnamon and sugar, gem squashes, possibly rhubarb. beetroot with sugar and vinegar, bean salad, followed by blancmange and yellow and green and red jelly, and a banana foam. maybe trifle or a vinegar or brandy pudding or roly-poly, or the custardy dessert our family knew as ‘My mad aunt’s sister’, with or without green fig preserve or quince jelly or the grape syrup called moskop61. all of it washed down with sweet wine. preferably muscadel or jerepigo. Afterwards, as grown-ups snored in a stupor of overindulgence. and giggling. viciously inventive children went about their arcane business while they were supposed to ‘rest’ on their beds or read edifying books, the same women would clear the tables and wash and stack the dishes, before carrying off the scraps to their own kids waiting in the ‘location’ (but only after the most tasty morsels had been scraped off for the chickens. the dogs and cats, and sometimes a pig wallowing in the backyard). Near the church would be two or three streets of shops with wide stoops: a pharmacy, two or three grocers recognisable by large posters advertising Big Ben or C-to-C cigarettes, Lyle’s Golden Syrup. Marmite, Elastoplast. Black Cat peanut butter. shoes, khaki overalls: butcher, baker. a café or two, an undertaker who might also sell books and newspapers and cover his customary suit of solemn black with a soiled white dustcoat to double as hairdresser, a Pegasus garage with handpumps, the bank. and some offices. one or two lawyers. And a hotel — Royal or Masonic or Commercial — with an off-sales where even before the official advent of apartheid separate entrances kept white and black decently segregated.”
Als dieren nadenken over de dood, zullen de nachtelijke – de lemuur bijvoorbeeld of de wasbeer— hem beschouwen als een soort licht, een schittering in de toekomst, een plek waar roofdieren zich wapenen met Gods fluorescerend schild?
Zijn ze bang voor een wildernis van licht zoals wij bang zijn voor het donker? ik slaap met de lampen aan in de andere kamer, alsof je voor de gek houdt wat voor ons ligt, uilvormig of vooruitziend als een vleermuis, die wacht om me te smoren in zijn nachtelijke vleugels.
1. Niet de stilte beschrijven van dodenmuziek en de voeten in zachte wol – luxe; er is geen einde aan romantische vioolconcerten rond de presidentiële baar.
Waarschijnlijk had de componist gelijnd papier en een ganzeveer er is wel een tekening van te vinden – liet hij een lied zingen en de piano iets anders totdat hij gansch verloren in klank zichzelf bewoog:…
‘Ik belijd mijn onmacht om de ganzepen te roeren mijnheer de president het vetbultig pathos staat op ons gezicht en de hand tussen twee lijnen.’
2. Maar de structuur van 5 tikken geven bij 16 een tremolo op de trom de s betekent hier slow (lui van klank) dat ribbelen weer en zo gaat dat door.
de staafspeelster moet fast/snel het moet wel sterk worden (doen we straks wel; dat hokje is een registeromvang dat boogje betekent: de klank zet zich door)
‘Akwariumvis’ proberen om razendsnel en hard te fluisteren en nog een keer – zonder mannen. Willen die zich er niet mee bemoeien!
‘Wij hebben onze zee, met zon erop. Wij hebben onze bomen met bladeren. Dag en nacht gaan wij maar, naar achter en naar voor tussen onze zee en onze bomen.’
Lokaties voor een film
Geïntimideerd door het toevallige: er lag een bootje in de ringvaart Verhalen die hoe langer hoe minder verhaal met storm tegen het haar in
Dus deze mogelijkheden: een fietser, een bootje (kajuit), tochtje naar het Nieuwe Meer waar bv. ontdekt dat vlakbij Amsterdam je op de fiets nog een bloedneusgevoel kunt hebben
Drie auto’s onderweg en een stuk afgeschafte autoweg (Rijkswaterstaats Eigen Weg); geen tegenliggers, vakantiegangers o.i.d. maar het eerste herfstweekend, een zaterdag tegen zessen
Weg wezen
Vanwaar de bloedneus, de auto’s (het detail van de rotte achterband van de fiets erbij betrekken). Geheimzinnig doen? Misdaad? Liefde? En niet te vergeten: hoe schokkend het is rond die tijd de pasgemaaide gazons te zien van de ontvolkte volkstuinen, een lokaas voor ontroering op zijn minst.
There is no infant this time, only my own life swaddled in bandages and handed back to me to hold in my two arms like any new thing, to hold to my bruised breasts and promise to cherish.
The smell of cut flowers encloses this room, insistent as anesthetic. It is spring. Outside the hospital window the first leaves have opened their shiny blades, and a dozen new accidents turn over in their sleep. waiting to happen.
ANGELS
Are you tired of angels? Myra Sklarew
I am tired of angels, of how their great wings rustle open the way a curtain opens on a play I have no wish to see. I am tired of their milky robes, their star-infested sashes, of their perfect fingernails translucent as shells from which the souls of tiny creatures have already fled.
Remember Lucifer, I want to tell them, his crumpled bat wings nose-diving from grace. But they would simply laugh with the watery sound a harp makes cascading through bars of music. Or they would sing to me in my mother’s lost voice, extracting all the promises I made to her but couldn’t keep.
THE COMING ON OF NIGHT
When ambition, like a faulty pilot light, sputters and goes out and the abstract spark of hunger with it;
when even those whose fiery eccentricities seemed inextinguishable have faded into darkness or been snuffed out,
we are left with the peace of evensong, with night coming on in the midst of what yesterday
was simply afternoon. All the clocks are changed now. It is almost time to feel our way out of the world.
ENGELEN
Ben je engelen beu? Myra Sklarew
Ik ben engelen beu, beu hoe hun grote vleugels openruisen zoals een gordijn opengaat voor een toneelstuk dat ik niet wil zien. Ik ben hun melkachtige gewaden beu, hun met sterren besmeurde gordels, hun perfecte vingernagels doorschijnend als schelpen, van waaruit de zielen van kleine schepselen al zijn gevlucht. Denk aan Lucifer, wil ik tegen ze zeggen, aan zijn verfrommelde vleermuisvleugels in een duikvlucht uit de genade. Maar ze zouden gewoon lachen met het waterige geluid dat een harp maakt, die neer tuimelt over muzikale ritmes. Of ze zouden voor me zingen met de vervlogen stem van mijn moeder, alle beloften bovenhalen, die ik haar deed, maar niet kon houden.
“She heard a faint familiar sound, the knock of the broken gate against the post at the bottom of the garden; and then an unfamiliar voice, with an edge to it, and then George’s laugh. He must have brought Cecil the other way, through the Priory and the woods. Daphne ran up the narrow half-hidden steps in the rockery and from the top she could just make them out in the spinney below. She couldn’t really hear what they were saying, but she was disconcerted by Cecil’s voice; it seemed so quickly and decisively to take control of their garden and their house and the whole of the coming weekend. It was an excitable voice that seemed to say it didn’t care who heard it, but in its tone there was also something mocking and superior. She looked back at the house, the dark mass of the roof and the chimney-stacks against the sky, the lamp-lit windows under low eaves, and thought about Monday, and the life they would pick up again very readily after Cecil had gone. Under the trees the dusk was deeper, and their little wood seemed interestingly larger. The boys were dawdling, for all Cecil’s note of impatience. Their pale clothes, the rim of George’s boater, caught the failing light as they moved slowly between the birch-trunks, but their faces were hard to make out. George had stopped and was poking at something with his foot, Cecil, taller, standing close beside him, as if to share his view of it. She went cautiously towards them, and it took her a moment to realize that they were quite unaware of her; she stood still, smiling awkwardly, let out an anxious gasp, and then, mystified and excited, began to explore her position. She knew that Cecil was a guest and too grown-up to play a trick on, though George was surely in her power. But having the power, she couldn’t think what to do with it. Now Cecil had his hand on George’s shoulder, as if consoling him, though he was laughing too, more quietly than before; the curves of their two hats nudged and overlapped. She thought there was something nice in Cecil’s laugh, after all, a little whinny of good fun, even if, as so often, she was not included in the joke. Then Cecil raised his head and saw her and said, ‘Oh, hello!’ as if they’d already met several times and enjoyed it. George was confused for a second, peered at her as he quickly buttoned his jacket, and said, ‘Cecil missed his train,’ rather sharply. ‘Well, clearly,’ said Daphne, who chose a certain dryness of tone against the constant queasy likelihood of being teased. ‘And then of course I had to see Middlesex,’ said Cecil, coming forward and shaking her hand. ‘We seem to have tramped over much of the county.’ ‘He brought you the country way,’ said Daphne. ‘There’s the country way, and the suburban way, which doesn’t create such a fine impression. You just go straight up Stanmore Hill.’
In mij zit een klein geschilderd pleintje, Omzoomd door oude winkels, met opzichtige luifels. En voor de winkels zitten oude mannen met open hemden te roken, Zonlicht te drinken. De oude mannen zijn mijn gedachten: En ik kom elke avond naar ze toe, in een krakende kar, En laad stilletjes voorraden uit. We vullen slanke pijpen en praten, En inhaleren geuren van bleke bloemen in het midden van het pleintje. . . . Sterke mannen, rinkelende vrouwen en druipende, jengelende kinderen Kuieren aan ons voorbij, of de winkels in. Ze groeten de winkeliers en tikken voor mij tegen hun hoed of voorhoofd. . . . Op een avond zal ik niet terugkeren naar mijn mensen.
„Auf der Heimfahrt, den Kirchturm von St. Egyd im Blick, habe ich gedacht: Sollte ich entgegen meiner ursprünglichen Absicht, diese geheimen Aufzeichnungen mein Leben, mein Werk, mein Land, meine Stadt betreffend nur für mich zu machen, doch eines fernen Tages eine Veröffentlichung anstreben, dann müsste ich der Publikation folgendes Vorwort voranstellen: Dieser Roman ist ein Roman. Also genau genommen ein Tagebuchroman. Also genau genommen ein Tagebuch. Aber das darf man unter gar keinen Umständen sagen. Schriftwerke über zweihundert Seiten sind Romane, sonst verkaufen sie sich nicht, das ist ein unumstößliches Gesetz. Natürlich sind einige der besten Romane Briefromane oder Tagebuchromane, also Briefsammlungen oder Tagebücher, und ob sie erfunden oder gefunden, das heißt real und echt sind, wenn kümmert das? Wahr müssen sie sein. Ein Beispiel müssen sie geben. Und im Heterogenen spiegelt sich das Authentische. Man darf nicht gleich einen Bauplan erkennen können, wenn es keinen gibt. Jede Ähnlichkeit mit real existierenden Personen ist selbstverständlich! Das genaue Gegenteil von »rein zufällig und unbeabsichtigt«. Niemand schreibt ein Tagebuch, in dem die Ähnlichkeit mit den Menschen seiner Umgebung rein zufällig ist! Von Ähnlichkeit kann gar keine Rede sein: Ich bilde sie genauso ab, wie ich sie sehe, wahrnehme, empfinde! Von Identität kann man nur deswegen nicht sprechen, weil Literatur und Leben zwei verschiedene Medien sind. Natürlich könnte jede einzelne dieser Tagebuchromanfiguren, die ich bei ihrem richtigen Namen nenne, auf ihre Persönlichkeitsrechte pochen und Klage gegen mich einbringen. Sollen sie nur! Alle! Jeder Jurist und jeder Germanist weiß, dass das nur mir nützt! Klagen Sie ohne Weiteres, Betroffene! Die interessantesten Romane spielen im Gericht! Work in Prozess! Zwölf Geschworene? Zwölf Millionen hätte ich gern! Nein, nein, wenn diese Figuren, sofern noch am Leben, halbwegs bei Verstand und bei Trost sind, schweigen sie dieses Buch tot, so wie sie alle meine Bücher tot-geschwiegen haben – in der irrigen Meinung, bloß weil sie es totschweigen, würde es nicht gelesen; in der irrigen Meinung, bloß weil sie es nicht lesen, existiere es nicht. Jedenfalls ist dieser Roman ein Roman. Die Frage ist: Will ich mich auf das Politische konzentrieren oder lieber aufs Private? Als ich das abgelaufene Jahr nachgelesen habe, musste ich zu meiner Verwunderung feststellen, dass ich viel weniger politisch geschrieben habe als selbst vermutet: Die meisten Eckdaten des politischen Lebens habe ich nicht nur nicht kommentiert, sondern nicht einmal erwähnt. Ich kann mich nur an Ekel erinnern. Pornografische Stellen werde ich streichen, umbauen oder abmildern: Erstens sind die privat, zweitens hebe ich mir die für postum auf. Außerdem mache ich mich auf diese Weise gleich interessant. Man sollte schließlich auch noch einen Nachlass hinterlassen, der ein letztes Mal alle schockiert und »ein völlig neues Bild« zeichnet. Mal sehen. So werde ich also starten. So oder so ähnlich.“
I De grijze schapen kwamen. Ik vluchtte, Mijn lichaam half in brand. (Vader van bloemen, wie durft Het ding te zien dat hij is?)
Of puur bestaan ontwaakte, Stoof het stof op en sprak; Een vorm riep uit een wolk, Riep krachtig tot mijn bloed.
(En toch was ik niet daar, Maar ging door lange gangen, Mijn eigen, mijn geheime lippen Wauwelend in urinoirs.)
II In een donker woud zag ik – Zag ik mijn menige zelven Aanrennen uit de bladeren, Platte, achteloze leventjes Die onder stenen schoten, Of braken, maar niet wilden gaan. Ik draaide om mijn as, En nog en nog een maal, Een kille Godskwade man Kronkelend tot de laatste Vormen van zijn heimelijk leven Lagen naast de zooi van de dood.
Ik werd mezelf, alleen.
Ik ontkwam die helse plek Trager mijn adem halend, Koud, in mijn eigen dode zout.
brabbelnd dreht sich ein, was eins will sein, am zettel, schrift – so züngelts halt das an, was braust, und oben hallt als mancher töne stoss, so stimmt es das, was sausend alle himmel formt, die lautwand hoch – wo sprache weinend fliesst besagten brabblern durch der kehle fell, getränkt hin bis zum bruch, gespalten (nun das buch) –
ja, so walten sie des ganzen, teil für heil, der stift jedoch, der hellt im schein des fackelns nicht so richtig auf was sinnt – denn richtig grell brennt nichts mehr an, gefeuertes geht aus, entgeistert schlägt es mundwärts selbst das tor – zu kunden – nur noch auf, und lockt mit glocken zu feste, das was hellt, das bildet aber nichts mehr aus, doch brockt es ein: was rede ruhe war, wird schal, im rauch der bilder liegen worte, brach (im brauch) –
sirren sie dann los, was jetzt war freut sich – unten – nicht mal an sich selbst, weil sichs verdreht und nichts versteht (was ist, geschrieben steht) – gesetzt hinüber bleibt es, unlesbar und süsst der reben sinn im dann, danach (ist wann): vom eigenen gelöst durch fremder zunge stock schlägt es das eine wie das andre auf – taub – und legt sich so das ganze wieder einmal hin und aus – so dass die glosse lallt
Ferdinand Schmatz (Korneuburg, 3 februari 1953) De Egidiuskerk in Korneuburg
De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.
God woont niet op het dorp…
God woont niet op het dorp in kamerhoeken zoals de spotter denkt, maar overal. Hij zegent dak en bord en schouderdoeken en maakt geen deur te breed of ooit te smal. Hier op het land leeft God in alle dingen, kookt ’s zaterdags zijn linzen in de pan, danst loom op vuur, hurkt neer om op te springen, knipoogt mij toe als zijn vertrouwensman. Hij maakt het hek, maakt meisjes echtgenote van koddebeiers en zorgt voor de grap dat wéér de stroper er heeft naast geschoten, de eend weer aan de weitas is ontsnapt.
De kans dat je dit allemaal bekijkt – wanneer de herfstwind fluit of als het mist – is in het dorp daarbij het enig blijk van Gods genade voor de atheïst.
Vertaald door Charles B. Timmer
Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996) Portret door Aleksey Moroz, 2011
“Thank you for telling me that,” Obama said. “You know, I could hear it in his playing. Something grieving. But I didn’t know what it was.” “Mr. Jones was his own kind of shiftless fool,” she said gently. “A musician. He made, I guess he made, all these elaborate plans for his funeral, a marching band, a Cadillac hearse.” She shook her head. “The past two weeks, when we could have been getting ready for the baby, enjoying our last time alone together? My husband chose to spend them in the garage, repairing that dusty old dinosaur of an amplifier over there. Now, with a month to go? He’s going to get caught up in all this funeral foolishness. Instead of what he should be focusing on.” “But you know,” the senator said, “I, I understand your frustration. We’ve all heard, we all know how musicians can be. But traveling around, campaigning, at home, around the country, I have seen a lot of people, met a lot of people. The lucky ones are the people like your husband there. The ones who find work that means something to them. That they can really put their heart into, however foolish it might look to other people.” “You’re right,” she said. “I have been wasting my life.” “Oh, don’t be too hard on the brother, now,” he said, trying to keep his tone light. “I don’t mean him,” she said. “I mean, I do, but I don’t. I mean what you said about work. About putting your heart and soul into something meaningful. Thank you for that.” She shook his hand with a puzzling solemnity. The band was silenced, the guests assembled, and Barack Obama loped into the living room, at ease and smiling. He stood against a high wall painted cinnamon brown, under a display of retablos, battered squares of scrap tin and steel on which credulous souls of Mexico had painted, with painful and touching simplicity of technique, scenes that depicted their woes and expressed in stark terms their gratitude to the Holy Mother of God or various santos and santas for the granting of relief. The state senator seemed to at least one observer to feel the weight of such wishes upon him. He paused for a couple of seconds before opening his remarks.“
Du bist nicht ganz von uns geschieden, Du nimmst dich unser ewig an, Dein großes Herz ist nicht zufrieden Mit allem, was es schon gethan.
Du hast den Tröster uns gesendet, Den scharfen, reinen, klaren Geist, Der Licht und Trost und Wahrheit spendet, Und deine Zukunft uns verheißt.
O, jede Seele sei ihm offen, Dem werthen, gottgesandten Freund, Er stärke unser liebend Hoffen, Bis der Geliebte selbst erscheint.
Maximilian von Schenkendorf (11 december 1783 – 11 december 1817) De Neue Kirche in Tilsit (Tegenwoordig: Sovjetsk), de geboorteplaats van Maximilian von Schenkendorf.