In Memoriam György Konrád

In Memoriam György Konrád

De Hongaarse schrijver en anticommunistische dissident György Konrád is op 86-jarige leeftijd overleden. György Konrád werd geboren op 2 april 1933 in Berettyóújfalu (bij Debrecen). Zie ook alle tags voor György Konrád op dit blog.

Uit: Zonsverduistering (Vertaald door R. Kellerman)

“Het was een feest om in de oceaan van geleuter een solide eiland aan te treffen. In de jaren van censuur was lezen een vlucht, een elke avond weerkerende emigratie, een tijdelijke opschorting van de valse verhalen die de woning binnen drongen. Een goed boek in mijn tas was een compensatie voor de frases die ik lijdelijk had moeten aanhoren, en een bron van genot, zoals de theesalon of het bordeel dat voor opgeschoten jongens was. Met behulp van de literatuur kunnen we streng zijn tegenover onze medemensen, maar als we leren lezen kunnen we hun ook vergeven, ons zelfs in hen verlustigen. Sedert mijn gymnasiumtijd stel ik mij voor dat de mensheid in standgehouden wordt door aanhoudende conversatie tussen dicht geschreven teksten.
(…)

We hebben een huis in het dorp gebouwd, we passen erin, in deze kamer heb ik draaglijk geschreven en hier regel ik ook wat ik van elders heb meegebracht. Dit zich terugtrekken om te kunnen observeren geeft vrijheid. In Berlijn ben ik Boedapester, in Boedapest Berlijner, in beide hoofdsteden iemand uit Hegymagas.
Ik verkoop mijn gebrom aan het publiek, zolang ik nog enigszins in de markt lig.
Ik schrijf, ik spreek, van andere dingen heb ik geen verstand, de manifestaties bevruchten elkaar en vermeerderen zich ongeremd.
Laat het huis vol zijn, laat iedereen komen!”

György Konrád (2 april 1933 – 13 september 2019)


Tõnu Õnnepalu en Vriendschappelijke brieven (Frans Roumen)

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Flanders Diary (Vertaald door Miriam McIlfatrick)

“The first to push this anticipation further into the future was perhaps the Church itself, when it started to build heavy stone churches, crypts, beneath which the chosen dead had to await the Resurrection. The very thickness of the walls shows that this event is not likely to to come about any time soon.
I have not lived in other cultures so I do not know if anticipation occupies such an important place in them. Some claim that it does not, but I do not place much trust in such external observation of foreign cultures. You see what you are looking for there. And if you live it as your own, you do not see anything other than life.
This civilisation that I see here in the heart of Europe, in old Flanders, on my salutary bicycle trips through these endlessly branching and snaking little concrete roads, this is our civilisation and yet it is not. I am as much inside it as outside it. It is a question of a small shift of time and space. I am still not used to everything being ready, concreted, smoothed, fully constructed, in order and reliable. But I have seen the speed and enthusiasm with which Estonia has in recent years aspired to this state, and with some success, though “a great deal still has to be done”. I have never really believed that we will ever achieve this state in our country. We made it to the party-table at the very last minute, we did make it but a wee bit too late. Just in time for dessert. Soon the waiters will start clearing the table, the party is over, the guests are tired and a little drunk, everyone is going home. We probably will not achieve such a level of concreting, mechanisation and welfare, because before getting there the spiritual and material preconditions will have been lost. Boredom and fear will destroy the spiritual preconditions, mother nature will take care of the material preconditions.
Because what will happen, I am thinking on the spiritual plane, when everything is ready? What is left for people then? Boredom, because there is nothing else to do except everyday aimless (yes, aimless, because it changes practically nothing) pottering about, though of course like Sisyphus people always try to get ahead, bring home a new computer, install a faster internet browser, fly away to some even further part of the globe. And come back no wiser because how far away was it really? And fear, when they occasionally stop to think about things (and this moment comes every day), just like when we walk past the mirror and see ourselves, before it occurs to us to make that face that we usually make when we look in the mirror. We are afraid because we have so much. Or it seems to us that we have so much, i.e., we have so much to lose. Or just as much to escape from?
Creating well-being has for some time been purely fictitious. As there is actually nothing more to add, appearances are added. What is human well-being? To eat your fill (and not just anything, but what tastes good), to be protected from the elements, to sleep in a warm enough room between cool clean sheets, to “have” a husband or wife, preferably children too, who appreciate and love you, not to spend every minute in fear for your life. In short, peace, a fear-free existence, just enough excitement … Voilà. Of course, the trouble with this is that well-being is very hard to define. Because it does not exist. It is where we are not. If your stomach is full of delicacies, it starts to hurt, your health.”

 

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)
Cover

 

*************************

In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het eerste van een nog nader te bepalen aantal.

Uit: Vriendschappelijke brieven

“Arnhem, 1 juni 1996, 14.12 uur

Lieve Stefan,

Ik heb je net aan de telefoon gehad, dus studeer maar ijverig verder met al je moeheid. Gefeliciteerd met je uitzicht op promotie, hoe dan ook. Dat je je bij al die drukte niet lekker voelt kan ik me voorstellen. Ik denk dat je op dit moment meer geleefd wordt dan zelf leeft. Dat is heel vermoeiend.

(Voorhoeve kletst nog altijd uit zijn nek en ik vergeet ook steeds weer dat die klojo minister van defensie is. En dat wou ik nou even kwijt.)

14.43 uur. De wasmachine weer eens aangezet. Raar. Ik heb daar maar twee minuten werk aan en toch moet ik mij er iedere keer toe dwingen. 0 Mama Mia.

Naar de Aldi, Kenan.

Ik moet zeggen : je undercover uitvoering met de twee flessen goedkope Martini is perfect. Die goeie ouwe tijd toch in het Kronenburgerpark. Ik heb maar flink wat Primus Inter Pares ingeslagen. ( 15.43 uur ).

Sorgdrager en Dijkstal hebben ook iets opgepikt over een hoeveelheid andere mentaliteit, gezien hun opdracht aan mr. C. Ficq.

Albrecht Nederland zit in Culemborg. Weten wij dat ook weer. Zou Albrecht veel lezen ?

V en D, Kenan, en daarna de COOP.

Ik sta iets zeer eenvoudigs te koken, nu om 18.28 uur, later dan normaal. De computer staat aan. Ik luister naar mijn nieuwe cd van Sinatra. De t.v. staat aan en af en toe lees ik in een boek en ik geniet eigenlijk van deze vrijheid c.q. chaos. En net als ik denk dat ik eenzaam ben – niet dus – belt Deny.

 

Ontwerp voor een cover

Ballade van het uiterlijke leven (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

Big Eye children door Christian – Montmartre, 1964 (Fragment)


BALLADE DES ÄUSSEREN LEBENS

Und Kinder wachsen auf mit tiefen Augen,
Die von nichts wissen, wachsen auf und sterben,
Und alle Menschen gehen ihre Wege.

Und süße Früchte werden aus den herben
Und fallen nachts wie tote Vögel nieder
Und liegen wenig Tage und verderben.

Und immer weht der Wind, und immer wieder
Vernehmen wir und reden viele Worte
Und spüren Lust und Müdigkeit der Glieder.

Und Straßen laufen durch das Gras, und Orte
Sind da und dort, voll Fackeln, Bäumen, Teichen,
Und drohende, und totenhaft verdorrte …

Wozu sind diese aufgebaut? und gleichen
Einander nie? und sind unzählig viele?
Was wechselt Lachen, Weinen und Erbleichen?

Was frommt das alles uns und diese Spiele,
Die wir doch groß und ewig einsam sind
Und wandernd nimmer suchen irgend Ziele?

Was frommts, dergleichen viel gesehen haben?
Und dennoch sagt der viel, der »Abend« sagt,
Ein Wort, daraus Tiefsinn und Trauer rinnt

Wie schwerer Honig aus den hohlen Waben.

 

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


Ballade van het uiterlijke leven

En kinderen groeien op met diepe ogen
Die van niets weten, groeien op en sterven
En alle mensen gaan hun eigen wegen.

En bittere vruchten worden zoet en sterven
En vallen “s nachts als dode vogels neer
En liggen enkele dagen en bederven.

En altijd waait de wind en altijd weer
Vernemen wij en spreken vele woorden
En voelen lust en moeheid in de leden

En straten lopen door het gras en oorden
Zijn hier en daar, vol fakkels, bomen, dijken,
En dreigende, en dodelijk verdorde…

Waarom zijn zij toch opgebouwd?
En lijken Nooit op elkaar? En zijn ontelbaar vele?
Wat wisselt lachen, wenen en bezwijken?

Wat baat dat alles ons en deze spelen,
Daar wij toch groot en eeuwig eenzaam zijn
En zwervend door geen doel worden geboeid?

Zoveel gezien te hebben, kan dat baten?
En nochtans zegt hij veel die “avond” zegt,
Een woord, waaruit diepte en droefheid vloeit

Als zware honing uit de holle raten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 12e september ook mijn blog van 12 september 2018.

De keizer van China spreekt (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

Een keizerlijk portret van de Chinese imperator Xianfeng, 1855


Der Kaiser von China spricht

In der Mitte aller Dinge
Wohne Ich, der Sohn des Himmels.
Meine Frauen, meine Bäume,
Meine Tiere, meine Teiche
Schließt die erste Mauer ein.

Drunten liegen meine Ahnen:
Aufgebahrt mit ihren Waffen,
Ihre Kronen auf den Häuptern,
Wie es einem jeden ziemt,
Wohnen sie in den Gewölben.

Bis ins Herz der Welt hinunter
Dröhnt das Schreiten meiner Hoheit.
Stumm von meinen Rasenbänken,
Grünen Schemeln meiner Füße,
Gehen gleichgeteilte Ströme

Osten-, west- und süd- und nordwärts,
Meinen Garten zu bewässern,
Der die weite Erde ist.
Spiegeln hier die dunkeln Augen,
Bunten Schwingen meiner Tiere,

Spiegeln draußen bunte Städte,
Dunkle Mauern, dichte Wälder
Und Gesichter vieler Völker.
Meine Edlen, wie die Sterne,
Wohnen rings um mich, sie haben

Namen, die ich ihnen gab,
Namen nach der einen Stunde,
Da mir einer näher kam,
Frauen, die ich ihnen schenkte,
Und den Scharen ihrer Kinder,
Allen Edlen dieser Erde

Schuf ich Augen, Wuchs und Lippen,
Wie der Gärtner an den Blumen.
Aber zwischen äußern Mauern
Wohnen Völker meine Krieger,

Völker meine Ackerbauer.
Neue Mauern und dann wieder
Jene unterworfnen Völker,
Völker immer dumpfern Blutes,
Bis ans Meer, die letzte Mauer,

Die mein Reich und mich umgibt.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


De keizer van China spreekt

In het midden van alle dingen
Woon ik de Zoon des Hemels.
Mijn vrouwen, mijn bomen,
Mijn dieren, mijn vijver
Sluit in de eerste muur.

Beneden ligt mijn voorgeslacht
Opgebaard met hun wapens,
Hun kronen op de hoofden,
Zoals het een ieder past,
Wonen zij in de gewelven.

Tot in’t wereldhart beneden
Dreunt het schrijden van mijn hoogheid.
Stom vanaf mijn zodenbanken
Groene bankjes van mijn voeten,
Gaan stromen in gelijke delen
Oost-en west en zuid-en noordwaarts,

Om mijn tuin er te bevloeien,
Die de wijde aarde is.
Spiegelen hier de donkere ogen,
Bonte vleugels van mijn dieren,
Spiegelen buiten bonte steden,
Donkere muren, dichte wouden

En gezichten veler volkeren.
Mijn edellieden, als de sterren,
Wonen rond om mij, zij hebben
Namen, die ik hun gaf,
Namen naar dat eerste uur,
Toen er een mij nader kwam,

Vrouwen, die ik hun schonk,
En de scharen van hun kinderen ;
Alle edellieden dezer aarde,
Schiep ik ogen, groei en lippen,
Zoals de tuinman aan de bloemen.
Echter tussen buitenste muren

Wonen volkeren, mijn krijgers,
Volkeren, mijn akkerbouwers.
Nieuwe muren en dan weer
Deze onderworpen volkeren,
Volkeren van steeds doller bloed,
Tot aan de zee, de laatste muur,

Die mijn rijk en mij omgeeft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2018.

Ein Traum von grosser Magie (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

The Magician door Alexandre-Evariste Fragonard, z.j.


Ein Traum von grosser Magie

Viel königlicher als ein Perlenband
Und kühn wie junges Meer im Morgenduft,
So war ein großer Traum – wie ich ihn fand.

Durch offene Glastüren ging die Luft.
Ich schlief im Pavillon zu ebner Erde,
Und durch vier offne Türen ging die Luft –

Und früher liefen schon geschirrte Pferde
Hindurch und Hunde eine ganze Schar
An meinem Bett vorbei. Doch die Gebärde

Des Magiers – des Ersten, Großen – war
Auf einmal zwischen mir und einer Wand:
Sein stolzes Nicken, königliches Haar.

Und hinter ihm nicht Mauer: es entstand
Ein weiter Prunk von Abgrund, dunklem Meer
Und grünen Matten hinter seiner Hand.

Er bückte sich und zog das Tiefe her.
Er bückte sich, und seine Finger gingen
Im Boden so, als ob es Wasser wär.

Vom dünnen Quellenwasser aber fingen
Sich riesige Opale in den Händen
Und fielen tönend wieder ab in Ringen.

Dann warf er sich mit leichtem Schwung der Lenden –
Wie nur aus Stolz – der nächsten Klippe zu;
An ihm sah ich die Macht der Schwere enden.

In seinen Augen aber war die Ruh
Von schlafend- doch lebendgen Edelsteinen.
Er setzte sich und sprach ein solches Du

Zu Tagen, die uns ganz vergangen scheinen,
Daß sie herkamen trauervoll und groß:
Das freute ihn zu lachen und zu weinen.

Er fühlte traumhaft aller Menschen Los,
So wie er seine eignen Glieder fühlte.
Ihm war nichts nah und fern, nichts klein und groß.

Und wie tief unten sich die Erde kühlte,
Das Dunkel aus den Tiefen aufwärts drang,
Die Nacht das Laue aus den Wipfeln wühlte,

Genoß er allen Lebens großen Gang
So sehr – daß er in großer Trunkenheit
So wie ein Löwe über Klippen sprang.

………………………………………………………………

Cherub und hoher Herr ist unser Geist –
Wohnt nicht in uns, und in die obern Sterne
Setzt er den Stuhl und läßt uns viel verwaist:

Doch Er ist Feuer uns im tiefsten Kerne
– So ahnte mir, da ich den Traum da fand –
Und redet mit den Feuern jener Ferne

Und lebt in mir wie ich in meiner Hand.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


Een droom van grote magie

Voor Alexander

Veel koninklijker dan een parelsnoer
En koen als jonge zee in morgenlucht,
Zo was een grote droom die ik ervoer.

Door open glazen deuren ging de lucht.
Ik sliep in’t paviljoen, dicht bij de aarde
En door vier open deuren ging de lucht

En eerder liepen al getuigde paarden
Erdoor en honden, een hele schaar
Aan mijn leger voorbij. Maar toen gebaarde

De magiër, de eerste, grote; daar
Was plotseling tussen hem en wat ik vond
Zijn trotse knikken, koninklijke haar.

En achter hem geen muren; er ontstond
Een wijde pracht van afgrond, donkere zee,
En uit zijn hand wies groene weidegrond.

Hij bukte zich en trok het diep omhoog.
Hij bukte zich en zie, zijn vingers gingen
Zo, als was het water, de bodem door.

Maar uit dunne bronwateren vingen
Zijn handen zich opalen van gewicht
Die klinkend al weer neervielen in ringen.

Toen wierp hij met een lendenzwaai zich licht,
En als uit trots de klippen op, zozeer nabij, –
Voor hem zag ik de zwaartekracht gezwicht.

En in zijn ogen was het stil getij
Van slapende – maar levende edelstenen.
Toen ging hij zitten en sprak zulk een jij

Tot dagen die ons ver verleden schenen,
Dat zij terugkeerden, vol verdriet en groot;
Toen was hij blij te lachen en te wenen.

Hij voelde zich der mensen lotgenoot,
Zoals hij dromend ook zijn lichaam voelde.
Hem was niets te na of ver, niets klein of groot.

En toen diep onder hem de aarde afkoelde,
Het donker uit de diepten opwaarts drong,
De nacht de lauwheid uit de kruinen woelde,

Genoot hij met wie het leven groots bezong
Zo zeer dat hij in grote dronkenschap,
Zoals een leeuw over de klippen sprong.

………………………………………………………………

Cherub en hoge heer is onze geest –
Woont niet in ons, en in de hoogste sterren
Zet hij zijn stoel en laat ons zeer verweesd:

Maar hij is vuur in onze diepste kern en –
Vermoedde ik, toen in die droom beland –
Hij spreekt ook met de woorden van die verte

En leeft in mij als ik leef in mijn hand.

 

Vetaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 10e september ook mijn blog van 10 september 2018.

Vivaldi “Summer” (Alexander Rybak), Liefdeslied (Rainer Maria Rilke)

 

Alexander Rybak (Minsk, 13 mei 1986)

 

Liefdeslied

voor Alexander

Hoe moet ik mijn ziel nu houden, dat
zij niet de jouwe raakt? Hoe moet ik haar
heentillen over jou naar andere dingen?
Oh, graag zou ik haar nu zomaar wat
Verloren in het donker doen bedaren,
op een vreemde, stille plek die niet
blijft zingen nu al je diepten zingen.
Maar alles wat ons aanraakt, jou en mij,
brengt ons tesamen in een wij,
dat nu een toon vormt uit twee snaren.
Op wiens viool zijn wij beland?
En welke strijker heeft ons in de hand,
Mijn liefste lied?

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
De Sint-Salvatorkerk in Praag, de geboortestad van Rilke


Zie voor de schrijvers van de 10e september ook mijn blog van 10 september 2018.

Septembermorgen (Eduard Mörike)

 

Dolce far niente

 

Matinée de Septembre door Paul Émile Chabas, 1911

 


Septembermorgen

Im Nebel ruhet noch die Welt,
Noch träumen Wald und Wiesen:
Bald siehst du, wenn der Schleier fällt,
Den blauen Himmel unverstellt,
Herbstkräftig die gedämpfte Welt
In warmem Golde fließen.

 

Eduard Mörike (8 september 1804 – 4 juni 1875)
Standbeeld voor Mörikes voormalige woonhuis in Lorch


Zie voor de schrijvers van de 9e september ook mijn twee blogs van 9 september 2018.

Alexander Rybak “Tak i skazhi”

Say so

Youre as silent as space
and youre fastened with a bar.
Though its not too late
you make me sleepy.
But I assure you I have no wish to sleep
when youre so cold to me.

Ill totally forget
the sound of your voice soon.
Shout at me, broke some dishes
but dont keep silent.
Its like nobody is beside me.
If you dont love me, say so.

I still cant understand whats the matter with you.
Tell me that you have missed another man
for a long time,
but dont keep silent.
Dont be silent all day long.
You must be the only speachless person
among all these talkative women.
Or the only intelligent enough.
Theres nobody beside me again.
If you dont love me, say so.

I still cant understand whats the matter with you.
Tell me that you have missed another man
for a long time,
but dont keep silent.
Dont be silent all day long.

(twice)

Boyzone – No Matter What

No Matter What

No matter what they tell us
No matter what they do
No matter what they teach us
What we believe is true

No matter what they call us
However they attack
No matter where they take us
We’ll find our own way back

I can’t deny what I believe
I can’t be what I’m not
I know I’ll love forever
I know no matter what

If only tears were laughter
If only night was day
If only prayers were answered
Then we would hear God say

No matter what they tell us
No matter what they do
No matter what they teach us
What we believe is true

And I will keep you safe and strong
And shelter from the storm
No matter where it’s barren
A dream is being born

No matter who they follow
No matter where they lead
No matter how they judge us
I’ll be everyone you need

No matter if the sun don’t shine
Or if the skies are blue
No matter what the end is
My life began with you

I can’t deny what I believe
I can’t be what I’m not
I know, I know
I know this love’s forever
That’s all that matters now
No matter what

Jennifer Egan, Jessica Durlacher, Aart G. Broek, Christopher Brookmyre

De Amerikaanse schrijfster Jennifer Egan werd geboren in Chicago op 6 september 1962. Zie ook alle tags voor Jennifer Egan op dit blog.

Uit: Manhattan Beach

“More than one girl had wept, describing her terror that a husband or fiancé would not return. Anna couldn’t listen. The talk stirred in her an uncomfortable anger at these girls, who seemed so weak. Thankfully, Mr. Voss had put an end to that topic during working hours, prompting an unlikely trill of gratitude in Anna. Now they sang songs from their colleges while they worked: Hunter, St. Joseph’s, Brooklyn College, whose song Anna finally learned—not having bothered to in the year she was a student there.

She synchronized her wristwatch with the large wall clock they all answered to, and stepped outdoors. After the sealed hush of her shop, the roar of Yard noise always shocked her: crane and truck and train engines; the caterwaul of steel being cut and chipped in the nearby structural shop; men hollering to be heard. The stench of coal and oil mingled with gusts of chocolate from the factory on Flushing Avenue. It wasn’t making chocolate anymore, but something for soldiers to eat when they might otherwise starve. This chocolate cousin was supposed to taste like a boiled potato, Anna had heard, so that soldiers wouldn’t be tempted to snack on it ahead of time. But the smell was still delicious.
As she hurried alongside Building 4, the structural shop, with its thousand dingy windows, she saw a girl climbing onto a bicycle. Anna didn’t register at first that it was a girl; she wore the same plain blue work clothes they all did. But something in her bearing, the flair with which she mounted, caught Anna’s eye, and she watched the girl glide away with a shiver of envy.

At a canteen near the piers, she bought her forty-cent boxed meal—today it was chicken, mashed potatoes, canned peas, and applesauce—and made her way toward Piers C and D, both close enough to her shop that she could eat (often while standing, even walking) and be back on her stool by twelve-fifteen. A ship had berthed at Pier C since the previous day, its sudden towering apparition almost otherworldly. With each step Anna took toward the ship, its height seemed to rise, until she had to tip her head fully back to follow the curved prow all the way up to the distant deck. It was thronged with sailors, identical-looking in their toylike uniforms and caps, all leaning over the rail to gawk at something below. In that same moment, a chorus of catcalls reached her. She went still, clutching her boxed lunch—then saw with relief that the object of their ardor was not her but the girl on the bicycle, who was riding back alongside the ship from the foot of the pier, a tousle of peroxide curls pried from her scarf by the wind. Anna watched her approach, trying to discern whether the girl was enjoying this attention or not. Before she could make up her mind, the bicycle hit a patch of gravel and skidded on its side, dumping its rider onto the brick-paved pier, to the jeering hilarity of the sailors. Had the men been within reach of the girl, they doubtless would have elbowed each other aside to rush to her aid. But at such a height, with only each other to show off for, they settled for an orgy of heckling:
“Aw, poor baby lost her balance.”

 

Jennifer Egan (Chicago, 6 september 1962)
Cover


De Nederlandse schrijfster Jessica Durlacher werd geboren in Amsterdam op 6 september 1961. Zie ook alle tags voor Jessica Durlacher op dit blog.

Uit: Schrijvers!

“In de auto zuchtte ik zo ontzettend dat Marvin meteen deed wat ik had gehoopt: hij vroeg wat er was. Hij vroeg het kil, niet alsof hij het werkelijk wilde weten. Ik vroeg hem of hij dan niet wist wat er was. Ik vroeg het zo dreigend als ik kon. En daarna zuchtte Marvin op zijn beurt. Ik moest wel schreeuwen. Wat, brulde ik, kon er in godsnaam de reden van zijn dat hij zuchtte? En toen maakte de auto een raar geluid, een soort moedeloze plof die ons kortstondig door elkaar schudde. Marvin stopte, midden op straat. Ik keek naar buiten. We hadden nog maar een meter of dertig afgelegd. `Lekke band,’ zei hij. En stapte uit. Pas toen ik Marvin de krik uit de laadruimte zag halen, begreep ik wat die woorden betekenden. Heel even drong de gedachte zich op dat ik met mijn geschreeuw de band van zijn auto lek had gestoken. Ik stapte ook uit.

De krik was roestig en weigerde in de gewenste stand gebogen te worden. Ik kon Marvin niet helpen. Langzaam kwam ik bij mijn positieven. Toen besefte ik dat de identiteit van de schuldigen voor de hand lag. Vastbesloten liep ik terug om aan te bellen bij de giechelende watergooiers. Ik moest driemaal bellen. Een voor haar leeftijd te jeugdig geklede vrouw verscheen in de deuropening. `U beschuldigt mijn kinderen van vandalisme?’ concludeerde ze na mijn relaas. Haar stem klonk koud. Nou…’ vervolgde ik, vriendelijk doch ferm, ‘ik vroeg mij af of u heeft gemerkt dat er van de derde verdieping van uw huis volle zakken water naar beneden zijn geworpen. Er klonk gegiechel…’ `Mijn zoons zijn boven, met vrienden. Ik zal ze roepen.’ Twee spottende gezichten, jong en trots. Het waren jongens van een jaar of veertien. Ik probeerde ze me voor te stellen met een priem, een mes, een spijker — de lol van het vernielen. Ook het hoofd van een derde jongen werd heel kort zichtbaar. `Dat van die waterzakken — dat hebben we gezien,’ zei ik. Dat waren jullie. Maar nu is onze band ook lek.’ De moeder bleef erbij staan. Onbewogen nam ze haar zoons op, daarna mij. Wat vervelend,’ zei de jongen met het keurigste gezicht. ‘Daarnet was er ook al een man aan de deur die een lekke band had. Maar wij hebben dat dus echt niet gedaan!’

 

Jessica Durlacher (Amsterdam, 6 september 1961)
Cover

 

De Nederlandse dichter en schrijver Aart G. Broek werd op 6 september 1954 geboren in Maasland. Zie ook alle tags voor Aart G. Broek op dit blog.

Uit: Benoem Zwarte Piet voor het leven

“ONHOUDBAAR / Bizar genoeg gaat het debat over Zwarte Piet uit van een onhoudbaar doel: ‘maak Sinterklaas weer speciaal voor iedereen!’ Het sinterklaasfeest is helemaal geen feest speciaal voor iedereen en zal dat ook nooit kunnen zijn. Onze multiculturele samenleving staat bol van (al dan niet religieus gevoede) festiviteiten, manifestaties en uitingen van zeer uiteenlopende aard.
Het is ondoenlijk van iedereen in Nederland te verlangen dat hij/zij zich zonder meer kan vinden in elk ervan. Er is geen festiviteit of manifestatie of er is wel meer of minder gegronde kritiek op te leveren. Vrijwel altijd is er sprake van een vorm van discriminatie, vanwege levensovertuiging, politieke gezindheid, godsdienst, ras, geslacht en wat al niet meer.

DREADLOCKS / Een willekeurig voorbeeld: wordt het geen hoog tijd een gevecht aan te gaan tegen het dragen van dreadlocks? Het laten groeien van het kroezige haar tot woeste manen vormt namelijk hét symbool van dictatoriale macht, uitbuiting en racisme.
Voor de religieuze beweging van het rastafarianisme, ontstaan in Jamaica, is het dragen van dreadlocks een symbolische toenadering tot hun god. Die god wordt algemeen Jah genoemd en betreft Haile Selassie, ofwel Ras Tafari, de Overwinnende Leeuw van de stam van Juda (en nog een reeks van eretitels). In de haardracht van dreadlocks imiteert de rastafariër de manen van de leeuw en verbindt zich zodoende met de geest van de leeuw van Juda. Daarenboven onderstrepen de ‘manen’ de dominante rol die de man in deze beweging speelt: vrouwen zijn er om kinderen te baren, te koken en om te (be)dienen.
Het rastafarianisme heeft naast deze ‘zwarte god’ nog als basisprincipes dat blanken inferieur zijn aan zwarten en dat het zwarte ras voorbestemd is over de wereld te heersen. Bob Marley heeft die ondergang op luchtige reggaeritmes en onder het genot van ganja (hasj) bezongen.”

 

Aart G. Broek (Maasland, 6 september 1954)
Zwarte Piet

 

De Schotse schrijver Christopher Brookmyre werd geboren op 6 september 1968 in Glasgow. Zie ook alle tags voor Christopher Brookmyre op dit blog.

Uit: Black Widow

“My trial has barely begun, and no testimony heard, but already I know that in the eyes of this court, I am an abomination. As I gaze from the dock and take in all the faces gazing back, I think of the opinions they have formed, the hateful things they have written and said. I think of how once it stung, but my skin has grown thicker over time, and I have worse things to endure now than mere words. They have to be respectful in their conduct within these walls: no shouting and barracking like when the van with its blacked-out windows pulled up outside the prisoners’ entrance, a desperate photographer extending a hopeful arm and firing blind with a flash gun as he pressed himself perilously close against the moving steel. One of these days the vehicle is going to run over one of those reckless idiots’ feet: several tons of G4S hardware degloving the flesh from crushed and shattered bones as it rolls across his instep, all in the service of striving for, at best, a blurry low-contrast image of some scared and wretched prisoner cowering inside. It would be a valuable illustration of the risk-benefit equation pour encourager les autres. To them, I am someone who ought to have been grateful for all that life apparently gifted me, not asked for more. I should have settled for what I was dealt, as it was generous enough in other people’s estimation. The actions I took in pursuit of my desires, to better my lot and to extricate myself from an intolerable situation, these were unforgivable, depraved. Society’s judgement is always harsher upon a woman who has done grave deeds to get what she wants: a woman who has challenged their values, violated the accepted order of things. It’s a crime against society, a transgression of unwritten rules that are far more precious than those inscribed in law. With this thought I glance across the room, and to my surprise feel a sorority even with the woman I came to regard as my enemy: the woman who laid me low, brought my deeds to light. In our own ways we both acted for the purest of reasons. Her I respect. Everyone else is merely white noise to me now. I do not expect anyone’s sympathy. I do not seek forgiveness from people who have never been tested like I was. I may be guilty, and I may be sentenced, but I will not be condemned: not by those who cannot understand. Nobody here can judge me until they know the whole truth. Until then, their opinions are no more than impotent angry words, and my, haven’t those been in spate since this business first came to light. Just think how they were exercised by the revelation that this bitch murdered her husband. The tone was one of boiling anger, and at the heart of it all was one single rhetorical question: How dare she. How dare she. There’s a thought: nobody ever asks ‘How dare he?’ when a man kills his wife. The coverage is coloured by sombre tones, its language muted and respectful. It’s like they’re reporting on a death from disease or calamitous mishap. ‘It’s dreadful, but it happens. Poor thing. So tragic,’ it seems to say. And like disease or disaster, the follow-up is about asking whether more could have been done. What signs were missed? What can we learn? By contrast there’s a conspicuous shortage of victim-blaming when it’s a husband who lies slain. `Why didn’t he leave her? He must have known what she might be capable of. There must have been indications that she was dangerous. I’m not condoning it, but surely he was aware of her triggers. There’s no excusing what she did, but it wouldn’t have happened unless he did something to provoke her.’ Said nobody ever. See, that’s what chills them. They can just about handle a crime of passion, a moment of madness.”

 

Christopher Brookmyre (Glasgow, 6 september 1968)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e september ook mijn blog van 6 september 2018 en ook mijn blog van 6 september 2017 en ook mijn blog van 6 september 2015 deel 2.