Thomas Schlesser

De Franse schrijver en kunsthistoricus Thomas Schlesser werd geboren in Parijs op 8 december 1977. Sinds 2014 is hij ook hoogleraar aan de École Polytechnique. Eerder was hij journalist voor het tijdschrift Beaux Arts en Radio Nova. In 2006 voltooide Thomas Schlesser een doctoraat in geschiedenis en beschavingen aan de l’École des hautes études en sciences sociales over de kunstenaar Gustave Courbet. Zijn proefschrift is gepubliceerd onder de titel “Réceptions de Courbet, fantasmes réalistes et paradoxes de la démocratie »(Les Presses du Réel, 2007). Thomas Schlesser wijdt zich meer specifiek aan de verbanden tussen “de esthetische en politieke velden”. Hij heeft met name studies gepubliceerd over de karikatuur, censuur en, als onderdeel van een Centre d’Histoire de Sciences-Po-beurs, over de carrière van de Lyonese kunstenaar Paul Chenavard. Hij werkte ook bij het Rijksinstituut voor Kunstgeschiedenis als studie- en onderzoeksmedewerker (2002-2006) en vervolgens als resident (2010). Sinds 2014 staat Thomas Schlesser aan het hoofd van de Hartung-Bergman Foundation in Antibes, waar hij François Hers opvolgde. Als auteur van verschillende essays werd hij in november 2017 beloond met de Prix Bernier , uitgereikt door de Academie voor Schone Kunsten, voor zijn boek “L’Univers sans l’homme” (2016). In 2019 publiceerde Thomas Schlesser “Faire rêver – e l’art des Lumières au cauchemar publicitaire” en stelde het concept van ‘oneirogeniciteit’ voor, geïnspireerd door Jean Starobinski, om in de kunst aan te duiden ‘datgene wat dromen voortbrengt, of de neiging heeft dagdromen, dromen en visioenen te produceren. Thomas Schlesser publiceerde de eerste biografie van de Frans-Noorse kunstenaar Anna-Eva Bergman (Anna-Eva Bergman.  Schlesser is de kleinzoon van de zanger, cabaretier van zigeuneroorsprong André Schlesser, en de zoon van de schrijver Gilles Schlesser en Françoise Schlesser.  “Les Yeux de Mona”, uitgegeven door Albin Michel op 31 januari 2024, is de tweede roman van Thomas Schlesser na “La Vierge maculé” uit 2003. Deze vertelt het verhaal van een klein meisje dat blind dreigt te worden en dat haar grootvader een jaar lang meenam naar Parijse musea (in de volgorde: Het Louvre, Orsay, Beaubourg) zodat ze zich kon onderdompelen in het werk, van Botticelli tot Soulages, en dat ze de schoonheid ervan in herinnering houdt. Het boek werd over het algemeen gunstig onthaald door de pers. Drie maanden na de release in Frankrijk werden er meer dan 160.000 exemplaren van verkocht en werd het in 37 talen vertaald. Het boek wordt ook in braille uitgegeven.

Uit: Les Yeux de Mona

« Tout devint sombre. Ce fut comme un habit de deuil. Et puis, çà et là, des scintillements, à la façon des taches que produit le soleil quand les yeux le fixent en vain derrière les paupières serrées, de même qu’on serre le poing pour résister à la douleur ou à l’émotion.
Bien sûr, elle n’avait pas du tout décrit la chose ainsi. Dans la bouche d’une enfant de dix ans, fraîche et inquiète, la détresse se formule sèchement, sans fioriture ni lyrisme.
– Maman, c’est tout noir !
Mona avait lancé ces mots d’une voix étranglée. Une plainte ? Oui, mais pas seulement. Elle y avait, malgré elle, glissé un accent de honte que sa mère, chaque fois qu’elle l’identifiait, prenait avec gravité. Car s’il était bien quelque chose que Mona ne feignait jamais, c’était la honte. À peine celle-ci se nichait-elle dans un mot, une attitude, une intonation, que le sort en était jeté : une vérité désagréable avait pénétré.
– Maman, c’est tout noir !
Mona était aveugle.
L’effet semblait dépourvu de cause. Rien de particulier ne s’était passé ; elle travaillait sagement à ses mathématiques, un stylo dans la main droite, un cahier coincé sous la paume gauche, à l’angle de la table où sa mère truffait d’ail un rôti bien gras. Mona était en train de retirer délicatement de son cou un pendentif qui la gênait parce qu’il se balançait au-dessus de sa feuille d’exercices et qu’elle avait pris la mauvaise habitude de se voûter pour écrire. Elle sentit une ombre lourde s’abattre sur ses deux yeux, comme s’ils étaient punis d’être si bleus, si grands, si purs. L’ombre ne vint pas du dehors, ainsi qu’elle vient communément, quand la nuit tombe ou quand les lumières d’un théâtre baissent d’intensité ; l’ombre s’empara de sa vue depuis son propre corps, depuis l’intérieur. En elle-même s’était insinuée une nappe opaque qui l’avait coupée des polygones tracés sur son cahier d’écolière, de la table en bois brun, du rôti posé plus loin, de sa mère en tablier blanc, de la cuisine carrelée, de son père assis dans la pièce à côté, de l’appartement de Montreuil, du ciel grisé de l’automne qui surplombait les rues, du monde entier. L’enfant, par un sortilège, plongeait dans les ténèbres.
Fébrile, la mère de Mona téléphona au médecin de famille. Elle décrivit confusément les pupilles voilées de sa fille et précisa, parce que le docteur le lui demandait, qu’elle ne semblait souffrir d’aucun trouble du langage, ni de paralysie. »

 


Thomas Schlesser (Parijs, 8 december 1977)

Bernard Wesseling, Michael Krüger

De Nederlandse dichter en schrijver Bernard Wesseling werd geboren in Amsterdam op 7 december 1978. Zie ook alle tags voor Bernard Wesseling op dit blog.

 

Het spoorwachtershuisje!

Het spoorwachtershuisje!
Daar kan je in als je wil, met je probleem. Kan je er
wonen.
Dat is wat ik voor je heb gewenst voor als de tijd
komt dat je het spoor opzoekt.
Schoorsteen, boom ernaast, schuur voor het hout. Ik
had gedacht dat het ongeveer moet zijn alsof je in
een kindertekening intrekt. Klinkt goed, toch?
Nee, er is niks verder. Klimop.
Vermaak je met de seizoenen of bouw een vogelhuis
als je moeite hebt met loslaten.
Waar je het mee moet doen dit, vriend. Niet weer
wegrennen.
Lange winters, ik weet het, nog langere zomers.
Maar dat uitgerekend jij niet gelukkig kon zijn, wordt
met de dag minder waar.
En, oh ja, je krijgt een taak en dat is de wissel. De
wissel is jouw taak.

 

Hij lag al dagen op zijn kamer

Hij lag al dagen op zijn kamer. Beetje bijkomen.
Beetje afwachten. Beetje nadenken.
Te zweten tussen zijn lakens.
En de rekeningen stapelden op de mat, koffie stolde
in de pot, de kat van de buren gaf de vuilnis kopjes
op het balkon.
Een hand was uit zijn bed gevallen, daar staarde je
nu naar.

Hij zei: ‘Als je vastzit, denk dan aan jezelf in de
gevangenis.
Dat helpt. En als je het echt nodig hebt, maak je er
van jezelf nog een bewaker bij ook, prins.
Laat een steen los in de muur achter, voor mij.’

 

Huize vergetelheid

Dat de klok stil staat, is meer dan veelzeggend,
is bewijs genoeg nu we wonen in huize Vergetelheid.

We beginnen met afzonderlijk van elkaar in bijziendheid
te oefenen. Maar ook ver-zien doen we, wetend dat een
starend mens nog geen dooie ziel is. Vooral in de spiegel
blijkt het goed uit te houden. Beurtelings gaat er een naar
boven om een Escher-achtige wandeling te maken.

De huisdieren ondertussen slapen opgerold met hun kop
aan de staart temidden van een treinset vormend
het oneindigheidsteken.

Grootste ontdekking is wel, naarmate de vertraging tot
stilstand neigt, dat ramen er juist zijn om van alles mee in
te lijsten, gevangen in de seizoenen:
een dagelijkse tuin en een dagelijkse vijver,
een aanlopende geliefde die binnenskamers
in portretten juist verschiet.

 


Bernard Wesseling (Amsterdam, 7 december 1978)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Michael Krüger werd geboren op 9 december 1943 in Wittgendorf. Zie ook alle tags Michael Krüger op dit blog.

 

BETOOG VAN DE TAXI-CHAUFFEUR

De gast wilde de kortere weg nemen,
niet ik. Eerst stak een egel de straat over,
later een kudde koeien, toen een hert,
dat van geen wijken wilde weten. Een zwarte kat
dwong ons een omweg te maken naar de grens
en verder, naar het oosten. De meneer moest toen
uitstappen en verdwaalde in het bos.
Verscheurd en trillend lag hij onder de bramen,
waar hij dacht dat zijn bril was. Wij waren nader
tot elkaar gekomen. We hebben wat paddenstoelen gevonden,
die we rauw aten om de honger te bestrijden. Ik was hem
waarschijnlijk vreemd, hoewel hij mij helemaal niet
goed verstond. We moesten overgeven tijdens het rijden
allebei uit het raam. Je ziet bleek
zei hij tegen mij, zijn gezicht wit als een laken.
Toen nog een grens. Niet werkelijk Duits,
dus weer terug. Op de luchthaven, rond 17.00 uur.
stapte hij in mijn taxi. Zonder bagage,
in een lichte jas, een dun boek onder zijn arm.
Om een lang verhaal kort te maken: tegen de ochtend bereikten we
een stad, op de een of andere manier gelukkig en nu
erg aan elkaar gewend. Mijn God, wat voor een leven
leidde hij. Alleen betalen wilde hij niet.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Michael Krüger (Wittgendorf, 9 december 1943)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e december ook mijn blog van 7 december 2023 en ook mijn blog van 7 december 2020 en eveneens mijn blog van 7 december 2018 en eveneens mijn blog van 7 december 2014 deel 2.

Julia Kasdorf

De Amerikaanse dichteres Julia Mae Spicher Kasdorf werd geboren op 6 december 1962 in Lewistown, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Julia Kasdorf op dit blog.

 

They Call It a Strip Job

Stretch of 219 —old road out of West Virginia
they still call the Mason-Dixon Highway—

widens and divides at the Meyersdale bypass,
the right lane closed, drowned by a mound

of inside-out hillside, so I drift to the left, now
running both ways, as the scent of mud floods

in through the vents. All my growing up among
men who skinned hills to scrape their seams,

I’ve never seen a strip job this deep or trucks this big.
No one works the job tonight, which stays light

long after moonrise, no one hears me cuss.
Remember Strypeeze, the goop Mom painted onto

antiques, how it burned your skin and buckled varnish?
Ever feel how hot wax, stroked on the bone beneath

your brow, stings with the flick of a stylist’s wrist?
Ms. Woitek, turquoise eyelids and coral lips, danced

on stage at the Silver Dollar out on Route 30,
everyone said, but who had seen? Her specialty:

one semester of creative writing for eleventh graders.
She’s gone by now. 0, kt her rest on a green hill

somewhere. Let the light hold until I make it home
front a job where I sat in a clean, quiet room

in a brick hall built during the century that built
railroads to haul coal from these hills and logs

from those mountains to prop open deep mines
or to make the ties that held the rails that became

ways to walk our of those towns. 0. how did I come
to get paid to sit in a clean, quiet room and listen

to lines written by coal mined grandchildren, listen
until we find the spots that smolder or sing.

 

Mennonites

We keep our quilts in closets and do not dance.
We hoe thistles along fence rows for fear
we may not be perfect as our Heavenly Father.
We clean up his disasters. No one has to
call; we just show up in the wake of tornadoes
with hammers, after floods with buckets.
Like Jesus, the servant, we wash each other’s feet
twice a year and eat the Lord’s Supper,
afraid of sins hidden so deep in our organs
they could damn us unawares,
swallowing this bread, his body, this juice.
Growing up, we love the engravings in Martyrs Mirror:
men drowned like cats in burlap sacks,
the Catholic inquisitors,
the woman who handed a pear to her son,
her tongue screwed to the roof of her mouth
to keep her from singing hymns while she burned.
We love Catherine the Great and the rich tracts
she gave us in the Ukraine, bright green winter wheat,
the Cossacks who torched it, and Stalin,
who starved our cousins while wheat rotted
in granaries. We must love our enemies.
We must forgive as our sins are forgiven,
our great-uncle tells us, showing the chain
and ball in a cage whittled from one block of wood
while he was in prison for refusing to shoulder
a gun. He shows the clipping from 1916:
Mennonites are German milksops, too yellow to fight.
We love those Nazi soldiers who, like Moses,
led the last cattle cars rocking out of the Ukraine,
crammed with our parents—children then—
learning the names of Kansas, Saskatchewan, Paraguay.
This is why we cannot leave the beliefs
or what else would we be? why we eat
’til we’re drunk on shoofly and moon pies and borscht.
We do not drink; we sing. Unaccompanied on Sundays,
those hymns in four parts, our voices lift with such force
that we lift, as chaff lifts toward God.

 

 

Soms is het makkelijk om te weten wat ik wil

Op een weg die door het rijkste, niet-geïrrigeerde land
van de natie loopt, remde, volgens sommige inwoners van Lancaster, PA,

een minibusje af en riep een vrouw met een goed kapsel:
Wil je een lift of loop je omdat je dat wilt?

Ik antwoordde niet omdat mijn leven zo mislukt voelde—
ongeacht de reden, je krijgt dit of je krijgt het niet—

mislukt op een manier die gebaren van tederheid
verwoestend maakt, zoals de keer dat ik in Minnesota aankwam, broos

van verdriet, en de professor die gestuurd was om me op te halen
vroeg of ik verwarming wilde in de stoel van zijn sportwagen

of de lokale appel die hij had meegebracht voor het geval ik hongerig aankwam.
Ik wist niet dat mensen stoelen maken om een lichaam stralend

te houden als de genadige hand van God. De appel was knapperig en koud
en zoet. Misschien heb ik hem in de ogen gekeken en hem de hand geschud

met allebei mijn handen toen ik wegging, ik weet het niet meer. Maanden later,
stuurde hij een leeg zaadpakket, opengescheurd, gelithografeerd

met een dikke, gele eenjarige die niemand meer kweekt, flamboyant
als glaswerk uit de depressietijd. Dat was alles, dank u.

Dank u, oh, hartelijk dank, heb ik uiteindelijk tegen de vrouw gezegd
omlijst door het raam van een minibusje, maar inderdaad , ik wil liever lopen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Julia Kasdorf (Lewistown, 6 december 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2023 en ook mijn blog van 6 december 2018 en ook mijn blog van 6 december 2017

‘t Verhaal van tante Mathilde (Annie M.G. Schmidt), Christina Rossetti

 

Bij Sinterklaas

 

 

‘t Verhaal van tante Mathilde

van tante Mathilde uit ’s-Hertogenbosch,
die niet aan Sint geloven wilde,
en altijd beweerde: die baard, die zit los!
Die tabberd, die mijter, hij heeft ze gehuurd!
’t Is zo maar een mannetje, hier uit de buurt.
De hele familie verbleekte en rilde,
Wanneer ze dat zei, onze tante Mathilde!
O, tantetje wees toch voorzichtig! riep Vader,
als Pieter het hoort, wordt ie vreselijk kwaad.
’t Is kwart over acht, het uur komt als nader,
daar wordt al geklopt, zo meteen is ’t te laat!
En werkelijk, nu ging het feest al beginnen;
tik-tik aan de voordeur. Daar kwamen ze binnen;
Sint Nicolaas, statig en streng en rechtop,
en Pieter, die strooide met koek en drop!
De kinderen zongen en juichten en gilde,
Sint Nicolaas lachte en wenkte zijn knecht.
’t Ging allemaal goed, totdat tante Mathilde
ineens hard ging roepen: DIE BAARD IS NIET ECHT!
Ze deed een paar stappen naar voren… Helaas,
ze trok aan de baard van Sint Nicolaas.
Het was of het hele gezelschap verkilde…
Wat dom en brutaal van die tante Mathilde.
Wat zou er nu komen? Wat ging er gebeuren?
Sint Nicolaas werd dodelijk bleek en sprak;
Het spijt me. Hoe zeer ik het ook moet betreuren,
maar tante Mathilde moet mee in de zak.
Je snapt, dat de kindertjes vreselijk schrokken,
ze kropen meteen achter moeders rokken.
En tante Mathilde? Ze beet en werd woest,
ze schopte en trapte. Maar ‘t hielp niet, ze moest.
De volgende dag lag het schip aan de kade,
een prachtig nieuw schip, gemeerd aan de wal,
van allerlei werd in het ruim geladen:
ook tante Mathilde, met zak en al!
De schimmel, doodmoe van het daken bestijgen,
stond boven aan ’t dek nog amechtig te hijgen.
De sint wuifde vrolijk heen en weer
en schreeuwde: Tot ziens, tot de volgende keer!
’t Was frisjes en Pieterbaas blies in zijn wanten;
hij vroeg; Sinterklaas, nu even nog dit:
Wat moeten we strakjes beginnen met tante?
Met tante Mathilde, bij ons in Madrid?
Wat zeg je? zei Sint; hij werd bleek om de neus,
daar had hij nog niet gedacht, en heus…
Zijn verdere leven met tante Mathilde?
Daarginds bij hem thuis in Madrid? Hij rilde…
Toen zei hij: laat tante Mathilde maar lopen,
Zij is nu voldoende gestraft. Laat ‘r los!
Ze maakten die zak-vol-tante open
en zij kon terug gaan naar ’s-Hertogenbosch.
De hele familie stond haar op te wachten
ze haalden haar binnen: ze huilden en lachten…
En weet je wat tante meteen heeft gezegd?:
Toch weet ik het zeker: DIE BAARD IS NIET ECHT!
we zullen ’t er verder nou maar bij laten…
met tante Mathilde valt NIET te praten.

 


Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)
Sinterklaas bij de intocht in Kapelle, de geboorteplaats van Annie M.G. Schmidt

 

De Engelse dichteres en schrijfster Christina Georgina Rossetti werd geboren in Londen op 5 december 1830. Zie ook alle tags voor Christina Rossetti op dit blog.

 

Sonnetten zijn vol liefde

Sonnetten zijn vol van liefde, dus ik zal
Mijn hoogste liefde ook in sonnetvorm uiten,
Niets weet ik dan die liefde, niets staat buiten
Niets boven haar – zij is mij ’t een en ’t al.

Zo liefde zwijge, waar ze in d’enge hal
Van aardse min de liefste aan ’t hart mag sluiten,
Of stijgend, waar gedachte en woorden stuiten
Verstommen voor Gods stille woordenval….

Daar, waar de liefde liefdes doel verloor,
Of waar de liefde twijfelt aan zichzelven,
Daar spreekt haar stem en vult de luchtgewelven
Met klang en klaagt de hoge heemlen door…

Sonnetten zijn vol liefde en liefsverlangen,
Hoe dieper droefenis, hoe zoeter zangen.

 

Vertaald door Jacqueline van der Waals.

 


Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.

Rainer Maria Rilke, Geert Mak

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Die fünfte Elegie

Frau Hertha Koenig zugeeignet

Wer aber sind sie, sag mir, die Fahrenden, diese ein wenig
Flüchtigern noch als wir selbst, die dringend von früh an
wringt ein wem, wem zu Liebe
niemals zufriedener Wille? Sondern er wringt sie,
biegt sie, schlingt sie und schwingt sie,
wirft sie und fängt sie zurück; wie aus geölter,
glatterer Luft kommen sie nieder
auf dem verzehrten, von ihrem ewigen
Aufsprung dünneren Teppich, diesem verlorenen
Teppich im Weltall.
Aufgelegt wie ein Pflaster, als hätte der Vorstadt-
Himmel der Erde dort wehe getan. Und kaum dort,
aufrecht, da und gezeigt: des Dastehns
großer Anfangsbuchstab …, schon auch, die stärksten
Männer, rollt sie wieder, zum Scherz, der immer
kommende Griff, wie August der Starke bei Tisch
einen zinnenen Teller.

Ach und um diese
Mitte, die Rose des Zuschauns:
blüht und entblättert. Um diesen
Stampfer, den Stempel, den von dem eignen
blühenden Staub getroffnen, zur Scheinfrucht
wieder der Unlust befrucheten, ihrer
niemals bewußten, — glänzend mit dünnster
Oberfläche leicht scheinlächelnden Unlust.

Da: der welke, faltige Stemmer,
der alte, der nur noch trommelt,
eingegangen in seiner gewaltigen Haut, als hätte sie früher
zwei Männer enthalten, und einer
läge nun schon auf dem Kirchhof, und er überlebte den andern,
taub und manchmal ein wenig
wirr, in der verwitweten Haut.

Aber der junge, der Mann, als wär er der Sohn eines Nackens
und einer Nonne: prall und strammig erfüllt
mit Muskeln und Einfalt.

Oh ihr,
die ein Leid, das noch klein war,
einst als Spielzeug bekam, in einer seiner
langen Genesungen ….

Du, der mit dem Aufschlag,
wie nur Früchte ihn kennen, unreif,
täglich hundertmal abfällt vom Baum der gemeinsam
erbauten Bewegung (der, rascher als Wasser, in wenig
Minuten Lenz, Sommer und Herbst hat) —
abfällt und anprallt ans Grab:
manchmal, in halber Pause, will dir ein liebes
Antlitz entstehn hinüber zu deiner selten
zärtlichen Mutter; doch an deinen Körper verliert sich,
der es flächig verbraucht, das schüchtern
kaum versuchte Gesicht … Und wieder
klatscht der Mann in die Hand zu dem Ansprung, und eh dir
jemals ein Schmerz deutlicher wird in der Nähe des immer
trabenden Herzens, kommt das Brennen der Fußsohln
ihm, seinem Ursprung, zuvor mit ein paar dir
rasch in die Augen gejagten leiblichen Tränen.
Und dennoch, blindlings,
das Lächeln …..

Engel! o nimms, pflücks, das kleinblütige Heilkraut.
Schaff eine Vase, verwahrs! Stells unter jene, uns noch nicht
offenen Freuden; in lieblicher Urne
rühms mit blumiger schwungiger Aufschrift: »Subrisio Saltat.«.
Du dann, Liebliche,
du, von den reizendsten Freuden
stumm Übersprungne. Vielleicht sind
deine Fransen glücklich für dich —,
oder über den jungen
prallen Brüsten die grüne metallene Seide
fühlt sich unendlich verwöhnt und entbehrt nichts.
Du,
immerfort anders auf alle des Gleichgewichts schwankende Waagen
hingelegte Marktfrucht des Gleichmuts,
öffentlich unter den Schultern.

Wo, o wo ist der Ort — ich trag ihn im Herzen —,
wo sie noch lange nicht konnten, noch voneinander
abfieln, wie sich bespringende, nicht recht
paarige Tiere; —
wo die Gewichte noch schwer sind;
wo noch von ihren vergeblich
wirbelnden Stäben die Teller
torkeln …..

Und plötzlich in diesem mühsamen Nirgends, plötzlich
die unsägliche Stelle, wo sich das reine Zuwenig
unbegreiflich verwandelt —, umspringt
in jenes leere Zuviel.
Wo die vielstellige Rechnung
zahlenlos aufgeht.

Plätze, o Platz in Paris, unendlicher Schauplatz,
wo die Modistin, Madame Lamort,
die ruhlosen Wege der Erde, endlose Bänder,
schlingt und windet und neue aus ihnen
Schleifen erfindet, Rüschen, Blumen, Kokarden, künstliche Früchte —, alle
unwahr gefärbt, — für die billigen
Winterhüte des Schicksals.
… … … … … … … …

Engel!: Es wäre ein Platz, den wir nicht wissen, und dorten,
auf unsäglichem Teppich, zeigten die Liebenden, die’s hier
bis zum Können nie bringen, ihre kühnen
hohen Figuren des Herzschwungs,
ihre Türme aus Lust, ihre
längst, wo Boden nie war, nur an einander
lehnenden Leitern, bebend, — und könntens,
vor den Zuschauern rings, unzähligen lautlosen Toten:
Würfen die dann ihre letzten, immer ersparten,
immer verborgenen, die wir nicht kennen, ewig
gültigen Münzen des Glücks vor das endlich
wahrhaft lächelnde Paar auf gestilltem
Teppich?

 

 

De Sonnetten aan Orpheus

V

Sticht geen gedenksteen. Laat alleen de rozen
te zijnen gunste bloeien, ieder jaar.
Want het is Orpheus. Zijn metamorfose
in dit en dit. En zoeken wij niet naar

andere namen. Want ten enen male
is ’t Orpheus, in elk lied. Hij komt, verdwijnt.
Is ’t niet al veel als hij de rozeschalen
voor een paar dagen te overleven schijnt?

O dat gij zijn vermind’ring toch beseft!
Hoe angst voor heengaan soms hem overmande!
Omdat zijn woord het hierzijn overtreft,

is hij al ginds, waar gij ’t niet kunt geleiden.
Geen snarentralies dwingen hem de handen.
En hij gehoorzaamt in dit overschrijden.

 

 

Vertaald door W. Blok en C.O. Jellema

 


Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)

 

 

De Nederlandse schrijver Geert Mak werd geboren op 4 december 1946 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Geert Mak op dit blog.

Uit: Grote verwachtingen. In Europa – 1999-2019

“Het is, vanuit de hemel, een bruingrijs landschap. Het is de maan, waar net een stortbui passeerde. Het is gebutste aarde, met duizend meren en stroompjes. Het doet denken aan de poelen en kreken die zich in de modder aftekenen als de zee zich terugtrekt, tweemaal daags, in eeuwigheid. Het is rotsen en korstmossen, en totale verlatenheid.
We zijn er bijna. Een enkele boom — stralend geel in de beginnende winter. Een felrood huis. Opeens een paar fabrieksgebouwen, een grote scheepswerf, een klontering van winkels en woningen rond een plein, een paar kranen, een haven. Het stadje. Vanuit de ijszee komt een trawler binnenvaren, blauw met zwart, koningskrabben vangen ze hier, krengen van dieren waar de luxerestaurants in Europa verzot op zijn. Het is al bijna avond, de straten zijn stil en leeg, je hoort enkel de wind. Alleen in het stadhuis brandt nog licht, en in het grote gele Russische consulaat met de ramen vol tralies. Het restaurant biedt walvis-biefstuk, of een pasta met rendier en paddenstoelen. Op de kade staat de complete uitstalling van de ijzerwinkel nog buiten: drie druipende aluminiumladders, een korte, een lange en de middenmaat. In de kleine supermarkt staan twee meisjes lang te overleggen, dit is hun uitstapje deze week: wordt het een milkshake of een modern drankje? Even later zal het hek aan de grens, een paar kilometer verderop, weer op slot gaan voor vandaag. De soldaat aan deze kant zal de handen drukken van de twee soldaten aan de andere kant, hij mag bij deze handeling niet verder dan dertig centimeter op het vreemde grondgebied komen, het ritueel is strak, er mogen geen brokken van komen.”

 

Geert Mak (Vlaardingen, 4 december 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2018 en eveneens mijn blog van 4 december 2017 en ook mijn blog van 4 december 2016 deel 3.

Grace Andreacchi, Kristina Sandberg

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Grace Andreacchi werd geboren op 3 december 1954 in New York. Zie ook alle tags voor Grace Andreacchi op dit blog.

 

After the Snow

That moment when you wake
to the unaccustomed quiet and just know
by the delicate glow that creeps
from under the window blind
it must be snow.
And for a little space, less than a day,
it’s perfect. The cat in her beauty sits and stares
at this strange white wonder
and nobody dares walk on it
yet. But then a fox runs across it
or a crow. Then it begins to melt
a bit around the edges and the hedges
and all too soon it’s just
old snow. But my it was perfect
Once.

 

Cassandra

That god with his damned lyre has hated me
pinned by his heavy shadow, snakes licked my ears
Now the sibilant future shrieks for me
Waves breaking on the shore of time

earth sky Apollo

In my white robe rain-soaked I stand at the door
And all night long till my throat is raw
I have told you the truth, what’s more
I have even brought photographs

Lost birds flutter out of sight
this is the end station
children disembark to die here
dreams go up in reeking smoke here

I told you so

 

 

The Last Train
.
dressed in old gold it lingers
at the very last station on earth
under a desert sky the air is cold
the stars pinpricks under your skin
.
on board forgotten faces glow
pale but bravely smiling
you hope they won’t recognise you
and they don’t
.
so you sink with a sigh into your
green velvet seat
sip a glass of champagne
as the train pulls out
.
wailing its desert song into the night
you were not expecting this
and yet you are here
this first class seat has your name on it

 

 

MITTELPUNKT

Het midden van de wereld
begint met ‘W’
is een nog steeds groen punt waar
perenbloesems vallen
één voor één in
mijn verdoofde hart terwijl ik
me jouw zoete gekke
beloften herinner gezongen
in een andere taal
het midden van de wereld
is hier en nergens anders
deze kleine pure hemel
waar we misschien
ooit onder deze bomen hebben gekust
kussen die smaakten naar
kindertijd en gestolen peren

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954)

 

 

De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall. Zie ook alle tags voor Kristina Sandberg op dit blog.

Uit: Leven tot elke prijs (Vertaald door Jasper Popma en Webdy Prins)

“Dan dommelt ze weg – ontwaakt – het snelle kedoenk van haar hart – daar is het gerammel weer. Een sleutel in de deur. Tomas – of de portier van het hotel… Het lichtknopje van het bedlampje -Ben je nog wakker? Tomas… Ze strijkt met haar handen over haar gezicht, over haar haar. Gaat rechtop zitten, maar durft niet op te staan. Haar benen – Maj ziet ze haast verslappen – ik was zo bang, Tomas! Het licht van het wandlampje bereikt hem net niet, de geluiden als hij zijn jas aan het knaapje hangt, langzaam wordt zijn gestalte zichtbaar, hoe hij zich bukt om zijn schoenen uit te doen. De sigaret – nu mag ze roken. Een hele, genotvolle sigaret – rook uitblazen, kramp… ze hoort het geklater tegen het porselein van de wc, dan wordt er doorgespoeld… Ze is zo opgelucht dat hij terug is dat ze niet in staat is boos te worden. Hoewel er zo veel is waar ze verdrietig, verontwaardigd en verbolgen over zou kunnen zijn. Razend, furieus, woedend – nu is hij terug, de verjaardag in Skansen gaat door. Langzaam zakt de spanning weg uit haar schouders, nek, kaken. Weer bloed naar haar handen, voeten. Ze hoeft haar zuster en Edvin morgen niet te bellen om hun te vragen haar en de kinderen te helpen terug te komen in ornskiildsvik. En ze hoeft de portier van het hotel niet lastig te vallen, geen gedoe met geld – want ze weet niet eens of Tomas de kamer vooruit had betaald. Ik hoef je niet als vermist op te geven, verdwenen. De deur van de badkamer glijdt open – Tomas, wat is er gebeurd? Ik dacht… dat je dood was. Hij draalt in de duisternis bij de kapstok. Zoekt hij iets in zijn jaszak? Een luid smakkend geluid, Lasse gooit een arm opzij, slikt speeksel door. Maar hij slaapt – Anita ligt met haar rug naar haar toe, doodstil. Alleen bier, zegt Tomas dan. Binnensmonds? Nee, vrij duidelijk, maar zacht. Als hij naar het bed komt, kan ze echter niet bepalen of hij recht loopt of met zijn handen zijn evenwicht moet bewaren. Vlak voor haar blijft hij staan, haalt zuchtend adem. Luister… Het was niet zoveel… ik begrijp best als je het niet gelooft… ik zweer het, echt waar. Ze mochten bij mij slapen… Tomas knikt. Ik durfde niet naar het hotel te komen toen ik het eenmaal verbruid had. Wilde het… uit mijn bloed krijgen. Maj drukt de sigaret zorgvuldig uit in de asbak. Dan komt ze overeind. Hij ruikt naar bier. Misschien zweet, rook. Ik heb alleen maar rondgewandeld, vervolgt hij. De Gitgatan, Ringv’ágen, Hornsgatan, Vásterbron, Kungsholmen, Klara… je had moeten zien hoe mooi Stockholm in de voorjaarsschemering is! Toch trekt er een vluchtige grimas over zijn gezicht, hij onderbreekt zichzelf door snel een hand op zijn mond te leggen.”

 


Kristina Sandberg (Sundsvall, 3 december 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2021 en ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.

George Saunders, Arthur Sze

De Amerikaanse schrijver George Saunders werd geboren op 2 december 1958 in Chicago. Zie ook alle tags voor George Saunders op dit blog.

Uit: The braindead megaphone

“Imagine a party. The guests, from all walks of life, are not negligible. They’ve been around: they’ve lived, suffered, own businesses, have real areas of expertise. They’re talking about things that interest them, giving and taking subtle correction. Certain submerged concerns are coming to the surface and surprise, pleasant surprise– being confirmed and seconded and assuaged by other people who’ve been feeling the same way. Then a guy walks in with a megaphone. He’s not the smartest person at the party, or the most experienced, or the most articulate. But he’s got that megaphone. Say he starts talking about how much he loves early mornings in spring. What happens? Well, people turn to listen. It would be hard not to. It’s only polite. And soon, in their small groups, the guests may find them-selves talking about early spring mornings. 0r, more correctly, about the validity of Megaphone Guy’s ideas about early spring mornings. Some arc agreeing with him, some disagreeing—but because he’s so loud, their conversations will begin to react to what he’s saying. As he changes topics, so do they. if he continually uses the phrase “at the end of the day,” they start using it too. If he weaves into his arguments the assumption that the west side of the room is preferable to the east, a slow westward drift will begin. These responses are predicated not on his intelligence, his unique experience of the world, his powers of contemplation, or his ability with language, but on the volume and omnipresence of his narrating voice. His main characteristic is his dominance. He crowds the’ other voices out. His rhetoric becomes the central rhetoric because of its unavoidability. In time, Megaphone Guy will ruin the party. The* guests will stop believing in their value as guests, and come to see their main role as reactors-to-the-Guy. They’ll stop doing what guests are supposed to do: keep the conversation going per their own interests and concerns. They’ll become passive, stop believing in the validity of their own impressions. They may not even notice they’ve started speaking in his diction, that their thoughts are being limned by his. What’s important to him will come to seem important to them. We’ve said Megaphone Guy isn’t the smartest, or most articulate, or most experienced person at the party– but what if the situation is even worse than this? Let’s say he hasn’t carefully considered the things he’s saying. Fie’s basically just blurting things out. And even with the megaphone, he has to shout a little to be heard, which limits the complexity of what he can say. Because he feels he has to be entertaining, he jumps from topic to topic, favoring the conceptual-general (“We’re eating more cheese cubes—and loving it!”), the anxiety-or controversy-provoking (“Wine running out due to shadowy conspiracy?’), the gossipy (“Quickie rumored in south bathroom!”), and the trivial (“Which quadrant of the party room do YOU prefer?”).”

 


George Saunders (Chicago, 2 december 1958)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Paardengezicht

Een man in de gevangenis wordt paardengezicht genoemd maar doet niets
als iedereen in de kleermakerij scherpe koude scharen heeft;

hij herinnert zich de belediging maar lacht die weg. Terwijl hij lacht
draait een Cattaraugus indiaan die een stalen steunbalk last

zich naar een schreeuw die samenvalt met de lach en glijdt uit
naar zijn dood. Ik trek een biertje open, een auto nadert een garage.

De deur gaat open, het licht springt aan, binnen glimmen harken;
een kind met dysenterie wast zijn handen in koeienpis.

Ik vind een spoor van zaagmeel, loop in de stijve oude schoenen
van een dode moordenaar en voel hoe moeilijk het is om

het volledige gevaar van een moment te voelen: een merrie baart
een veulen, in de stad valt de elektriciteit uit, een danseres

staat stil in het donker en luistert naar het voorgeschreven geluid
van de voorstelling maar hoort alleen plotse paniekerige kreten.

 

Vertaald door K. Michel

 


Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e december ook mijn blog van 2 december 2023 en ook mijn blog van 2 december 2018.

 

Neuer Advent (Maximilian von Schenkendorf), Arthur Sze

 

Bij de eerste zondag van de Advent

 


Kerstmarkt op de Marienplatz door Julie Galante, 2011

 

Neuer Advent

Komm wieder aus der Jungfrau Schoß,
O Kind aus Himmelshausen!
Es sehnt sich alles, klein und groß,
Ins Antlitz dir zu schauen.
Es schmachtet deinem Segen
Die Erde, Herr, entgegen.

Wie damals in der Römerzeit
Die Menschheit lag gebunden,
Des Paradieses Herrlichkeit
Von hinnen war geschwunden,
Als du, sie zu entsühnen,
Auf Erden warst erschienen.

So liegt sie nun, gebeugt, gedrückt,
In namenlosen Wehen;
Dein Licht, o Herr, ist ihr entrückt,
Ihr Licht scheint auszugehen;
Wollst wieder sie erlösen
Von der Gewalt des Bösen.

Dich rufen Leid und Klageton,
Dir weint ein Meer von Tränen
Und leise Seufzer kaum entflohn
Bescheidnem bangem Sehnen,
Zum Retten, zum Befreien
Das Alte zu erneuen.

O Menschensohn, voll Lieb’ und Macht,
O ew’ges höchstes Leben,
Hast oft schon Funken angefacht
Und Sterbekraft gegeben!
O Himmelsgast, steig wieder
Zum Tränentale nieder.

Wir haben oft auf unsrer Bahn
Wie Simeon gebetet;
Wir blicken alle himmelan,
Ob sich der Osten rötet,
Komm denn im alten Liede
Auf Erden Freud’ und Friede!

 


Maximilian von Schenkendorf (11 december 1783 – 11 december 1817)
De Duitse kerk in Tilsit (tegenwoordig: Sovjetsk), de geboorteplaats van Maximilian von Schenkendorf

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Tienduizend op een

De Foeniciërs waakten over een recept dat
tienduizend purperslakken vereiste om
een onsje Tyrisch purper te maken.

Scan het oppervlak van Aldebaran met een radiogolf;
vermaal lapis lazuli
tot ultramarijn.

Zoek de zomerhemel af naar het sterrenbeeld kalkoen van de Anasazi;
zie hoe algen onder een elektronenmicroscoop
lijken op een Magelhaese wolk.

Een chemicus probeerde benzeen om te zetten in kinine
maar verknoeide het tot een violette
anilinekleurstof geheel bij toeval.

Heb je ooit maden zich tegoed zien doen aan een dode rat?
Luister naar het scheren van een roodstaartbuizerd
over de verstomde sparren en

dennenbomen in de canyon. Voel hoe een waterdruppel
langs een dennennaald rolt en glinstert
hangend aan de punt.

 

Vertaald door K. Michel

 

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e december ook mijn blog van 1 december 2023 en ook mijn blog van 1 december 2020 en eveneens mijn blog van 1 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.  

Dennis Gaens, Arthur Sze

De Nederlandse dichter Dennis Gaens werd geboren in Susteren op 30 november 1982. Zie ook alle tags voor Dennis Gaens op dit blog.

 

Raaktuffen

Mijn katers kruipen in mijn kaken, dus daar zal
de kanker ook wel gaan zitten. Ik droom de laatste tijd
dat ik wakker lig. Of ik lig wakker en denk dat ik
droom – maar dat lijkt me sterk.

Ik denk soms: ik ben de wereld die oefent.

Ik heb nog wat vragen openstaan, waaronder:
– Hoeveel mandarijnen tellen als twee stuks fruit?
– Wie kwam toch op het idee om miniatuurschepen
in flessen te zetten?

Iedereen kijkt filmpjes van volwassen mannen die
complete kamers in ballenbakken veranderen, met
koptelefoons op.

– Is het normaal dat inademen met piepgeluidjes
gepaard gaat?

Ik ben steeds vaker het soort persoon dat ik nog
geen vijf minuten aan mijn keukentafel zou
tolereren.

Ik denk tegelijkertijd: alles kan
en wat doe ik hier in vredesnaam?

Dan komen de drones.
Komt de hebzucht.
Komen de sluipschutters.
Komt de uitputting.

– Hoe weet je dat je toe bent aan een Deuter-rugzak
en stevige, winddichte kleren?

 

 

AAN KEATS

Nu de nachten steeds vroeger komen en langer duren, zou je denken dat we van feest naar feest en steeds weer ergens heen moeten, maar snel weer zullen bijpraten, beloofd. In werkelijkheid maakt de herfst ons achterdochtig.

Lotte heeft alleen al de afgelopen twee weken drie mobieltjes in de Waal gegooid, omdat ze dacht dat haar nummer weer was gelekt op internet en ze vreemde telefoontjes verwachtte. Ze draagt meer vermommingen dan outfits dit seizoen.

Dave eet alleen nog bij zijn ouders en sukkelt elke avond in slaap voor de TV, die de hele nacht reclames blijft herhalen. Hij zegt dat zijn fiets stuk is, maar beweert dat hij, zodra hij dat geregeld heeft, weer eens ergens een feestje geeft.

Dani gooit alles uit haar raam naar buiten; nu ze het daar zelf te koud begint te vinden, wil ze binnen plek hebben om rondjes door de kamer te kunnen draaien, ze noemt dat spinnen.

Luc is ook deze zomer niet teruggekomen. We kunnen alleen maar hopen dat hij het halfrond is overgestoken en ergens in de zon zit. Tot hij terugkomt blijven we hem indachtig sjekkies roken.

Terwijl de zwaluwen zich boven onze huizen verzamelen en zingend de kale weilanden achterlaten, twitteren wij met klamme handen vanaf de bank over hoe hard het buiten waait. We verversen de schermen tot de slaap ons haalt.

 


Dennis Gaens (Susteren, 30 november 1982)

 

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze  op dit blog.

 

Een groot plein heeft geen hoeken

‘Cut.’
Een actrice die honderd seconden veinst dood te zijn snakt naar adem.
Een man geeft gas
en scheurt met een rode Mustang heen en weer door de straat.
‘Cut.’

Een pottenbakker maakt op een heuvelflank een oven open
haalt er een gesmolten kom uit
en dompelt die onder
in koud water
hij sist, wordt zwart, breekt.

In nood wordt een parel een bol.
‘Cut.’
In Bombay staat langs de straat een rij oorschoonmakers.
Op de top van een mesa
breken de zuidelijke ramen van een huis;

ondergronds laten uraniummijnwerkers
explosieven ontploffen.
‘Cut.’
Een touw begint in je geest te rafelen
is, als een rood gewei,

de spil van een droom.
‘Cut.’
Wat is het geheim om de tijd te laten stilstaan?
Een kalligraaf met één oog
schrijft met een mop ‘een groot plein heeft geen hoeken’.

 

Vertaald door K. Michel

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e november ook mijn blog van 30 november 2018 en eveneens mijn blog van 30 november 2016 en ook mijn blog van 30 november 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Mario Petrucci, George Szirtes

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

Z

Armstrong making the moon, was z. Giving that chicken
next door a synchronised Chinese burn for sidling
his angular wish-bones into our hide-n-seek: z.

Zapped, before break, your double-dare to work it
into Maths. If 4a – 4b equals 2a + 6b, what is a?
and I said z so dead-pan Sir had to scan the board.

Word got round. We were the brothers determined
to have the last letter in everything. Even Dad,
belt aloft, demanding to know what devil we’d done

in his shed, mouthed air when (backs to the outside
toilet wall) we finally surrendered our stupendous
name and rank – z – then chose bed over a hiding.

We pitched our duvet tent with knees; you shook
the torch like a cocktail to revive it. Till the dreaded Mum
brought it all down with three dull crumps from below.

You’ve got balls, you grinned. But it was a year
before I sprouted my first real cock-feather – chinned
z straight at the bully without back-up, his neck

wattle-red as he came at me, arms outstretched,
to wring mine. That night, you turned coat. Flushed
at me, shot short words at what the hell I’d expected

as you continued to tease your fringe in the mirror
and for God’s sake wasn’t I just a bit too old?
Your bedroom reeked of Elvis, and with those

few words z span away black as vinyl, became instead
that lost world the end-of-song guitar starts into
just before it fades to crackly nothing.

 

anima I

cannot write
her straight – this
man in whom straightness is

an arrow curving
its path : mere illusion
for lovers who plot where it arcs

I cannot know
her in this line I draw
back tauter than the string that lets

pain go or
the bow supple in its
bend yet ever prone to warp & send

off-true : so
how may I find a You
where speech is impossible unless

this skimming
of targets be the way
into speaking between a man &

that woman he
started with neither
mother nor wife but She he

squints at
clear through near
-sighted morning as if

her stroke
steady & precise
through him were

all
air ready
to be parted

 


Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

De Britse dichter en schrijver George Szirtes werd geboren op 29 november 1948 in Boedapest. Zie ook alle tags voor George Szirtes op dit blog.

 

GEKKENHUIS

Het punt met het gekkenhuis is dat het mannelijk is.
Het punt met het gekkenhuis is dat het vasthoudt aan z’n geloof.
Het punt met het gekkenhuis is dat gezondheid bourgeois is.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand acteert.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand binnenkomt door gewoon aardig te zijn.
Het punt met het gekkenhuis is dat het de geest bevrijdt.
Het punt met het gekkenhuis is dat je er gewoon mag denken wat je wilt.
Het punt met het gekkenhuis is dat iedereen er binnen kan.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, mensen komen en gaan er voortdurend.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, we gaan allemaal dood.
Er is niets terminaals aan het gekkenhuis, je gaat mee met het tochtje.
Er is niks droevigs aan het gekkenhuis, geween en tandengekners, dat is niks.
Er is niets gek aan het gekkenhuis, het is standaard gezond.
Wij zijn standaard gezond, gek door ontwerp, maar de gekken zijn bewonderenswaardiger.
Bewonderenswaardig is de mensaap, de bard, de mitochondria, de opgezwollen larynx,
Bewonderenswaardig de orchidee, de knoflook, het vuur in het gesloten boek,
Bewonderenswaardig het geschreeuw der gekwelden, de verloren stem van de nachtegaal, het gelach
in ogenschijnlijk alles wat gezond is maar naar gekte neigt
zoals zonlicht, trage regen, elke hangende druppel, de brede weg,
het vollopende oog, schaduwen, picnics, publieke vervoersmiddelen, donder.
Natuur is gekte met methode en daarom des te gekker.
Cultuur is gekte die iedereen erft.
Wetenschap is gekte die verliefd is op getallen, de ware amour fou.
Gezondheid is gekte die van minuut tot minuut verschuift, gesundheit!
Geld is gekte die je zakken vult en een zilver slakkenspoor in de tuin achterlaat.
Het punt met het gekkenhuis is beschrijf het niet.
Het punt met het gekkenhuis is verander het niet.
Het punt met het gekkenhuis is leef er
om jezelf te gewennen aan z’n smetteloze manieren
om voor altijd in het huis des Heren te verblijven
met de profeet, de dichter, de dwerg, de geleerde, het vuur.

 

Vertaald door Rob Schouten

 


George Szirtes (Boedapest, 29 november 1948)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn blog van 29 november 2023 en ook mijn blog van 29 november 2018 en eveneens mijn blog van 29 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.