Eddy Pinas, Jeppe Aakjær, Viktor Paskov, Hilda Doolittle, Reinhard Lettau, George Bataille

De Surinaamse dichter en schrijver Eddy Louis Pinas werd geboren in Paramaribo op 10 september 1939. Zie ook alle tags voor Eddy Pinas op dit blog.

 

de rivier zal ’t weten

de rivier zal ’t weten
vanaf de bergen
tot daar waar het
in in-
nig
samenzijn knuffelt met
dorstig zeewater

het brullend
bruizend wezen op
de rug van de
granolosoela
draagt in iedere molecule
de tedere kiem
van wording

ook de zee zal ’t weten
en de boodschap
beuken tegen ijzeren rompen
op iedere strand
zal het te lezen zijn

door de branding
zal het geëtst worden
op de klippen
de zon zal het
met bladders neerschrijven
op de gevels
Suriname wordt vrij
maar…

heb ik mijn vaccinatiebewijs
niet vergeten?

 

 
Eddy Pinas (Paramaribo, 10 september 1939)

Lees verder “Eddy Pinas, Jeppe Aakjær, Viktor Paskov, Hilda Doolittle, Reinhard Lettau, George Bataille”

Theo Olthuis

De Nederlandse dichter en schrijver Theo Olthuis werd geboren in Amsterdam op 10 september 1941. Hij groeide op en woonde in Amsterdam tot in 1998. Toen verhuisde hij naar Bergen. Olthuis is onderwijzer geweest en thans dramadocent. Vanaf 1978 schrijft hij teksten – zowel voor kinderen als volwassen – voor theater en televisie. Daarnaast schrijft hij liedjes en gedichten. In 1980 debuteerde hij als dichter met de bundel “De jongste dag”. In 1984 verscheen zijn eerste bundel kindergedichten “Een hele grote badkuip vol”. Sindsdien verschenen vele bundels met kindergedichten. In 2007 stelde hij een bloemlezing samen uit al de eerder verschenen kindergedichten getiteld “In je hoofd kun je alles”. Theaterteksten schreef hij onder andere voor Theater Splinter, Theater Spoenk, Platform Gelderland en Theater Gnaffel. Vanaf 1981 schrijft hij (lied)teksten voor kinderen, onder andere voor Sesamstraat, Koekeloere, Het Klokhuis en Samba Salad. Daarnaast schreef hij ook liedteksten voor volwassenen; onder andere voor Herman van Veen, Lori Spee, Willem Nijholt, Eddy Christiani, Robert Paul en Philippe Elan. In 2010 won Olthuis de Rabobank Cultuurprijs

 

Kerkje in Groet

Als ik nou God was
en zag voor het eerst
het witte kerkje in Groet
en hoorde die verfijnde stilte,
soms nog beklemtoond door
een voetstap of een vogel,

één vingerknip
of knipoog
en het was al
tot in eeuwigheid
mijn buitenhuisje.

 

Prooi

Zoals een roofdier
hongerig
tegen de wind in
zijn prooi besluipt
en dan
gespannen wacht,
doodstil –

zo nader
de projectontwikkelaar
met dat verschil
dat de maag gevuld
en zijn geduld oneindig.

 

 
Theo Olthuis (Amsterdam, 10 september 1941)

C. O. Jellema, Wim Huijser, Cesare Pavese, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Edward Upward, Hana Androníková, Bas Jongenelen

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

Afscheid komt zelf. Dat wat je nemen moet.

Afscheid komt zelf. Dat wat je nemen moet.
Je kunt wel doen alsof het niet bestaat.
’t Bestaat ook niet zover het denken gaat.
Hoe kun je anders, alles wat je doet

schuift afscheid op, pas als een schaakstuk slaat
voorbij het denken valt een gat voorgoed.
Nemend wat kwam wordt leegte naam. En hoe’t
gebeurde is beschrijfbaar. Maar te laat.

Schrijvend voorbij te zijn. Dat afscheid. Kijk:
voorwerpen om je heen, jouw woord geeft glans
zoals het licht dat doet – zij, onbewogen,

zijn om te zijn en geven jou gelijk.
Benoeming schijnt een overlevingskans:
verdwijnen in een woord. Voor eigen ogen.

 

De brief

Er is een glimlach blijven staan
tussen de andere veel grotere lettertekens –

eens toen wij langs de rivier liepen
heb je me met een dove vergeleken
een liplezer. het is zo moeilijk, zei je,
het is zo moeilijk om met jou te praten,
zei je, omdat je kijkt en niets zegt;
wij gaan niet vrijuit. – later
toen ik alleen terugliep en er niets meer
te luisteren viel, het grind niet meer
onder je voeten, de wind niet ritselend door je haar,
toen gaf ik antwoord: luister nu goed,
zei ik, zie je de zon drijven op de rivier?
misschien gaat hij al vannacht de grens over,
dan is het winter morgen, dan is het hier
winter, zei ik, ik houd van je.

nu schrijf je over het boek dat je leest
en over de voorbijgangers die je zien zitten
omdat je de tafel bij het raam geschoven hebt
voor het betere licht; want het is winter,
schrijf je, en daar tussen de andere lettertekens
zie ik je glimlach staan
onooglijk –

 

Nazomer
Trakl zum Gedächtnis

onder het zand is het gaan stromen
gaatjes ontstaan een huis hangt ietsje scheef
en uit de oksels van de bomen
druppelt een sterke geur van zweet

wel valt de hamer lichter op de stenen
wanneer de wegen worden omgelegd
de rode zon schijnt rustig naar beneden
een mens wacht of een mens iets zegt

maar in de hemel liggen wolken wit
en roerloos op een blauwe baar
onder het zand rekt een gevaar
als slangen in hun slaap zich uit

en mannen die lang jong bleven en fit
ontwaken op een morgen met grijs haar

 

 
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)
Hier bij een portret van hem zelf, geschilderd door Matthijs Röling

Lees verder “C. O. Jellema, Wim Huijser, Cesare Pavese, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Edward Upward, Hana Androníková, Bas Jongenelen”

Meyer Sluyser

De Nederlandse schrijver, journalist en radiocommentator Meyer Sluyser (officiële naam luidt: Meijer Sluijser) werd geboren in Amsterdam, 9 september 1901. Sluyser kwam uit het socialistisch Joodse gezin van de diamantslijper Mozes Sluijser en Sara Verdooner. Hij trouwde drie keer. Uit het eerste huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. Uit het tweede en derde huwelijk werden geen kinderen geboren. Na een opleiding aan de driejarige mulo en wat baantjes werd hij tolk bij internationale socialistische bijeenkomsten. In 1926 werd hij lid van de VARA. In 1929 werd Sluyser redacteur van het sociaaldemocratische dagblad “Het Volk”. Sluyser bestreed alle vormen van dictatuur: het communisme, het fascisme en, vooral nadat in 1933 in Duitsland Hitler aan de macht kwam, de nazi’s. Na de Duitse inval en de capitulatie wist Sluyser met zijn gezin op 15 mei 1940 vanuit IJmuiden met de Friso naar Engeland te ontkomen. Hij werd er chef van de Radioluisterdienst van de Nederlandse regering in Londen en van het Londense Vrij Nederland. Sluyser werkte ook mee aan radioprogramma’s van Radio Oranje. In november 1944 keerde hij terug naar bevrijd Zuid-Nederland. Hij werd één van de oprichters van het dagblad “Het Vrije Volk” en leverde wekelijks Commentaar op het nieuws. Ook bij De Groene Amsterdammer had hij een column. Na zijn terugkeer naar Amsterdam zou hij een reeks van boeken gaan schrijven, vooral over het Joodse verleden van Amsterdam. Hij schreef twee detectives onder het pseudoniem Richard Parridon. In 1965 werd hij officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Uit: Voordat ik het vergeet

“Op zaterdagavond trekken de bewoners van de buurt naar de andere delen van de stad. Een week hard werken is teneinde. De rustdag is genoten, de uitgaansavond aangebroken. Ze kuieren naar ‘Carré’ waar het puik der Italiaanse zoete kelen de opera’s van het populaire repertoire kweelt. Ze proppen op de torenhoge galerijen van het circusgebouw. Laat de rijke mensen maar beneden
pralen in de dure stoelen of in de roodpluche presenteerblaadjes één hoog. Wie komt voor de kunst, koopt bij de opkopers vijftig centimeter ruimte op het schellinkje. Daar geniet hij voor één geld van twee zangfestijnen.
Het eerste is het officiële. Het gepatenteerde. Het feest van de onversneden kunst op de planken. Het tweede begint en eindigt in de pauze. Niemand van het schellinkje sloft naar de koffiekamer. Hoogstens wipt hij, secuur voorzien van een pauzekaartje, even naar buiten om bij Moos en Greetje Koopman, in het Komkommerbuurtje haastig een broodje met overbloezend pekelvlees te kopen. Leeftocht in de hand, rept hij zich dan naar zijn plaats terug. Pauze of geen pauze, het zangfestijn gaat voort. Er zijn altijd bezoekers, die ongenood bezwijken voor de onstuimige drang een aria te zingen, een heuse aria met lange uithalen en een gerekte nagalm.
Zullen hun kennissen later van hem zeggen:
‘ Hij . . . hij heeft in Carré gezongen.’ ‘Kunsjt. Hij heeft in de pauze op de galerij gezongen.
‘Hoor eens, dat is kinnesinne (van kin-ah = ijverzucht, en sin-ah= haat. In dit geval: afgunst). Per slot van rekening is Louis Bouwmeester ook met kleine rolletjes begonnen.’
De kenners op de goedkope rangen luisteren met genegenheid en critische aandacht. Voordracht en dictie zijn voor hen bijzaak. Het boezemt hun hoegenaamd geen belang in of de gezongen tekst klopt met het officiële libretto. Hen boeit alleen de aanwezigheid der melodie en de kracht van het geluid.
Zeggen ze:
‘Die jongen heeft een prachtstem. “Wat een ‘kol’.’
‘Geen wonder. Weet U niet wie zijn grootvader was?’
‘Hoe zou ik dat moeten weten? ik ken die hele jongen niet.’
‘Kerpel… Kerpel! de grootste zanger, die ooit heeft bestaan.”

 
Meyer Sluyser (9 september 1901 – 26 januari 1973)

Siegfried Sassoon, Anthonie Donker, Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Eduard Mörike, Franz Hellens, Perikles Monioudis, Frederic Mistral, Grace Metalious

De Engelse dichter Siegfried Sassoon werd geboren op 8 september 1886 in Brenchley, Kent. Zie ook alle tags voor Siegfried Sassoon op dit blog.

 

Prelude: The Troops

Dim, gradual thinning of the shapeless gloom
Shudders to drizzling daybreak that reveals
Disconsolate men who stamp their sodden boots
And turn dulled, sunken faces to the sky
Haggard and hopeless. They, who have beaten down
The stale despair of night, must now renew
Their desolation in the truce of dawn,
Murdering the livid hours that grope for peace.

Yet these, who cling to life with stubborn hands,
Can grin through storms of death and find a gap
In the clawed, cruel tangles of his defence.
They march from safety, and the bird-sung joy
Of grass-green thickets, to the land where all
Is ruin, and nothing blossoms but the sky
That hastens over them where they endure
Sad, smoking, flat horizons, reeking woods,
And foundered trench-lines volleying doom for doom.

O my brave brown companions, when your souls
Flock silently away, and the eyeless dead
Shame the wild beast of battle on the ridge,
Death will stand grieving in that field of war
Since your unvanquished hardihood is spent.
And through some mooned Valhalla there will pass
Battalions and battalions, scarred from hell;
The unreturning army that was youth;
The legions who have suffered and are dust.

 

Song-Books Of The War

In fifty years, when peace outshines
Remembrance of the battle lines,
Adventurous lads will sigh and cast
Proud looks upon the plundered past.
On summer morn or winter’s night,
Their hearts will kindle for the fight,
Reading a snatch of soldier-song,
Savage and jaunty, fierce and strong;
And through the angry marching rhymes
Of blind regret and haggard mirth,
They’ll envy us the dazzling times
When sacrifice absolved our earth.

Some ancient man with silver locks
Will lift his weary face to say:
‘War was a fiend who stopped our clocks
Although we met him grim and gay.’
And then he’ll speak of Haig’s last drive,
Marvelling that any came alive
Out of the shambles that men built
And smashed, to cleanse the world of guilt.
But the boys, with grin and sidelong glance,
Will think, ‘Poor grandad’s day is done.’
And dream of lads who fought in France
And lived in time to share the fun.

 

 
Siegfried Sassoon (8 september 1886 – 1 september 1967)

Lees verder “Siegfried Sassoon, Anthonie Donker, Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Eduard Mörike, Franz Hellens, Perikles Monioudis, Frederic Mistral, Grace Metalious”

Joaquin Miller

De Amerikaanse dichter en schrijver Joaquin Miller werd geboren op 8 september 1837 in Liberty, Indiana. Zie ook alle tags voor Joaquin Miller op dit blog.

 

In San Francisco

Lo! here we sit mid the sun-down seas
And the white Sierras. The swift sweet, breeze
Is about us here; and the sky so fair
Is bending above its azaline hue,
That you gaze and you gaze in delight, and you
See God and the portals of heaven there.

Yea, here sit we where the white ships ride
In the morn made glad and forgetful of night,
The white and the brown men side by side
In search of the trruth, and betrothed to the right;
For these are the idols, and only these,
Of men that abide by the sun-down seas.

The brown brave hamd of the harvester,
The delicate hand of the prince untried,
The rough hard hand of the carpenter,
They are all upheld with an equal pride;
And the prize it is his to be crown’d or blest,
Prince or peon, who bears him best.

Yea, here sit we by the golden gate,
Not demanding much, but inviting you all,
Nor publishing loud, but daring to wait,
And great in much that the days deem small;
And the gate it is God’s, to Cathay, Japan,–
And who shall shut it in the face of man?

 

Joaquin Miller, Romenu
Joaquin Miller (8 september 1837 – 17 februari 1913)

Elly de Waard

De Nederlandse dichteres, vertaalster, recensente en popcritica Elly de Waard werd geboren in Bergen (NH) op 8 september 1940. Vijftien jaar lang verschenen van haar hand recensies over popmuziek in Het Vrije Volk, de Volkskrant en Vrij Nederland. Na het Murmelliusgymnasium studeerde De Waard Neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Ze woonde in de jaren zestig samen met dichter Chr.J. van Geel. Na zijn dood in 1974 begon ze zelf met het schrijven van poëzie. In 1978 debuteerde ze als dichter met de bundel “Afstand”. Haar belangrijkste voorbeelden waren Emily Dickinson, Sylvia Plath, Vasalis en Ida Gerhardt. In de jaren tachtig was Elly de Waard actief in de vrouwenbeweging, met name de literaire kant. In 1986 stichtte ze samen met Anja Meulenbelt, Renate Dorrestein en Caroline van Tuyll de Anna Bijns Stichting (vernoemd naar vroegmoderne dichteres Anna Bijns), die tweejaarlijks een prijs toekent aan een vrouwelijke auteur. Elly de Waard is tevens jurylid geweest voor de Edison Music Award, P.C. Hooft-prijs, VSB Poëzieprijs, Herman Gorterprijs en de C. Buddingh’-prijs. Van 2007 tot 2008 was zij vaste medewerker van het weekblad Opinio.

 

Ochtend in de tuin, mijn ogen

Ochtend in de tuin, mijn ogen
tranen van het opstaan
Naar het mooie dat ik zien wil
moet ik haast raden

Het is maar klein verdriet
dat meekomt, kleine tegenslagen
Misschien van gisteren pas
of enkele dagen

Maar het draagt wel onvermijdelijk
de herinnering aan pijnlijk
grote dingen, soms nog uit
een ver verleden, in zich

Het geleefde is één geheel
dat ouder wordend steeds
bepaalder raakt, als een gedicht
waarvan de laatste regel nadert

 

Klimaatverandering

Waarom was de herfst droog, mediterraan
en dat na zo’n moessonzware zomer.

Eergisteravond, na drie keer een volle maan
ononderbroken continentaal, was de wind

opeens gedraaid in zijn normale richting;
de adem van de zee stoof over het land

en ik snoof het zout dat ik gemist had en de geur
van vuur in hout. Eindelijk tijd voor westerstormen

brekende takken, krakende bomen, dwarrelsneeuw
van blad. Het regent nu, wolken

van neerslaand water worden door het bos
geslagen. Ook op de binnenvaart is er

herademing. Rivieren kunnen weer stijgen
boten varen, ladingen verder gedragen.

 

Als Cassandra

Wie is er geen Cassandra in een tijd
waarin je zonder visionair te zijn
kunt zien dat Troje zal gaan branden?

Aan rafelranden van de stad en in
de buitenwijken smeult het al –
Luister, het is de wind niet, blijf niet doof

en blind, het zijn miljoenen naderende
voeten, aanschuifelend tot een storm
die weinig overeind zal laten staan

Berg je nu het nog kan, want wie gesteld
is boven ons is machteloos en arrogant
en zal alleen zichzelf trachten te redden

 

 
Elly de Waard (Bergen, 8 september 1940)

Merijn de Boer, Anton Haakman, Edith Sitwell, Willem Bilderdijk, Michael Guttenbrunner, Jenny Aloni, Margaret Landon, Henry Morton Robinson

De Nederlandse schrijver Merijn de Boer werd geboren in Heemstede op 7 september 1982. Zie ook alle tags voor Merijn de Boer op dit blog.

Uit:’t Jagthuys

“Binnert stond achter het gordijn terwijl ik kennismaakte met zijn moeder. Ze wist niet dat hij daar stond en ik had het aanvankelijk ook niet door.
`Hoelang doe je dit werk al?’ vroeg ze.
Door de bizarre situatie duurde het even voordat ik een antwoord kon formuleren.
`Twee jaar,’ antwoordde ik afwezig, terwijl ik niet naar haar maar naar het gordijn keek. De zoom kwam tot zijn kuiten: hij droeg een gele broek, rode sokken en bruinrode brogues. Waardoor het leek alsof het gordijn voeten had. Want ook het velours was geel, okerachtig, met een patroon erop van rode bloemen en sierlijke groene bladeren.
Hij had zich zo opgesteld, precies achter de grote, lichtpaarse fauteuil waarin zijn moeder zat, dat ik hem wel kon zien en zij niet.
Ze keek me belangstellend aan en vroeg: ‘Mag ik vragen waarom je dit werk doet?’
`Uit idealisme,’ antwoordde ik. En uit cynisme, maar dat zei ik er niet bij. Idealisme en cynisme waren een verbond met elkaar aangegaan.
`Ja, het is bijzonder dat zoiets bestaat,’ zei de WOUW. Ik had er nog nooit van gehoord. Tot er op het journaal aandacht aan werd besteed. En ik dacht: dat is misschien wel iets voor mijn Binnert.’
Achter het gordijn werd een keel geschraapt maar ze hoorde het niet.
`Kan ik jou nog wat thee inschenken, Vera?’ Zonder dat ik iets had geantwoord, stond ze al op.
Ondanks de warmte in de kamer droeg ze een wijde wollen jurk, die de contouren van haar lichaam haast volledig verborg. Ze had grote zware borsten, dat zag ik wel, maar waar haar heupen zich precies bevonden en of er een dikke buik onder die borsten hing, dat kon ik niet uitmaken. Waarschijnlijk wel, want anders droeg je natuurlijk niet zo’n soepjurk.
Ze duwde haar paarse bril tegen haar voorhoofd en kwam, een beetje log, met in haar hand een vergeelde theepot naar me toe. Snel hield ik mijn halfvolle kopje thee omhoog, zodat ze me makkelijker kon bijschenken. ‘Ik vrees dat ik een beetje verslaafd ben aan zoethoutthee,’ vertelde ze. ‘Mijn dokter zegt dat het slecht is voor mijn bloeddruk maar ik drink al decennia meerdere koppen per dag en ik heb nergens last van. Heb ik nou op je mouw gemorst?”

 

 
Merijn de Boer (Heemstede, 7 september 1982)

Lees verder “Merijn de Boer, Anton Haakman, Edith Sitwell, Willem Bilderdijk, Michael Guttenbrunner, Jenny Aloni, Margaret Landon, Henry Morton Robinson”

Christopher Brookmyre, Jennifer Egan, Aart G. Broek, Amelie Fried, Jessica Durlacher, Alice Sebold, Julien Green, Willem Brandt, Carmen Laforet

De Schotse schrijver Christopher Brookmyre werd geboren op 6 september 1968 in Glasgow. Zie ook alle tags voor Christopher Brookmyre op dit blog.

Uit: Be My Enemy

“`Bin Laden? A fucking charlatan.’ ‘Be serious for a minute,’ Williams told him. ‘I am being serious. That’s my point. Everybody’s so reverent about this guy. Strip away all the mythologising and hocus-pocus and what have you got? Patty Hearst with a beard. Bored rich kid playing at soldiers. He’s in the huff with his family, for Christ’s sake — the psychology’s pitifully mundane. If he’d been born into a semi in Surbiton he’d have painted his bedroom black, got himself a Nine Inch Nails T-shirt and hung around swingparks drinking cider from plastic bottles.’ Fotheringham’s rant was attracting admonitory glances, more in disapproval of the growing volume and vehemence than the content, which wouldn’t have been clearly discernible above the whipping wind. Raised voices were not decorous at a funeral; they suggested that your thoughts were not respectfully concentrated upon the memory of the departed, even if, in Williams’s case, that was not strictly true. Nothing was more prominent in his mind than the man they had just buried or the consequences of his loss, not least the fact that Williams now had his job. Fotheringham gestured apologetic acknowledgement and Williams led him in the opposite direction to the dispersing mourners. `Bin Laden’s about a lot more than thrill kills and power trips,’ Williams chided, measuring his condescension precisely. ‘And there’s three thousand dead people in New York of the opinion that you should be taking him more seriously.’ ‘I’m taking him entirely seriously, sir. I just don’t think it will help us if we buy into the hype and start thinking of him as some kind of formidable genius. Look at the Black Spirit, if you need a primer. Remember what a bogeyman he was? Turned out to be a fucking oil-biz wage slave from Aberdeen.’ `Quite. Something, I should remind you, that we only learned after the fact. Didn’t make him any easier to catch, did it? And besides, I don’t think there’s much ground for comparison. For all his theatrics, the Black Spirit was essentially just a mercenary, prepared to do horrific things on other people’s behalf if they paid him enough. Bin Laden represents the possibility of ten thousand Black Spirits, all of them prepared to do horrific things merely because it’s Allah’s bidding. We’ve never had to face this kind of fanaticism before: there’s no fifth column to cultivate, no disaffected factions to encourage, no waverers, not even anyone we can bribe and corrupt. Just total, unquestioning, homicidal, suicidal commitment to the cause.’ `With respect, sir, that’s what I mean by believing the hype. For one thing, there is no cause. Bin Laden’s too smart to marry himself to anything as cumbersome as a coherent or even consistent political ideology, because such a thing could be debated, held up to scrutiny, and, worst of all, alienate potential followers. “The cause of Islam” is expediently nebulous.”

 

 
Christopher Brookmyre (Glasgow, 6 september 1968)

Lees verder “Christopher Brookmyre, Jennifer Egan, Aart G. Broek, Amelie Fried, Jessica Durlacher, Alice Sebold, Julien Green, Willem Brandt, Carmen Laforet”

Haro Kraak

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver en journalist Haro Kraak werd geboren in Amsterdam in 1986. Kraak studeerde sociologie en journalistiek in Amsterdam. Kraak schreef voor o.a. hard//hoofd, Folia Magazine, Joop.nl en zat in de redactie van Spunk. Daarnaast is hij maandelijks gastheer tijdens het Literair Café bij 16CC. Hij werkt nu als verslaggever en recensent bij de Volkskrant. Hij schrijft onder andere over literatuur, populaire cultuur en media. Hij debuteerde in 2016 met de roman “Lekhoofd”.

Uit: Lekhoofd

“Mijn vader knoopte de choker zorgvuldig om zijn nek, niet te strak, want dan was het net alsof hij een halsband droeg, maar ook niet te losjes, anders kon de warmte of de waarheid hem zomaar ontsnappen. En dat moest hij niet hebben, zeker vandaag niet. Nadat hij zijn adamsappel had bedekt, stak hij zijn hoofd in het trapgat en riep: ‘Komen jullie?’
Ik stond al klaar, wachtend op zijn startsein. Hij had zijn lichtgroene broek aan en trok baantjes door de gang, het hoofd gebogen. Op de trap klonk gestommel en gezucht: de vrouwen kwamen eraan, met iets meer haast dan ze zouden willen. Bij de deur bleef mijn vader staan en gebaarde naar
buiten. Een voor een liepen we de voordeur door, mijn moeder, mijn zusje en ik. Op het grind bleven we wachten.
‘Een momentje,’ zei mijn vader en hij liep de gang weer in.
Het was een zaterdag en Boelie was al twee dagen kwijt.
Ik had hem voor het laatst gezien voordat ik naar voetbaltraining ging op donderdagavond. Toen ik thuiskwam was hij nergens te vinden. Ik keek in de plastic mand tussen de schone was, waar hij graag op ging zitten als die warm uit de droger kwam, maar daar was hij niet en er zaten ook geen haren op
de kleren. Mijn vader zei dat Boelie wel terug zou komen, heus, zo ging dat toch altijd met katten, en anders zouden we in het weekend gaan zoeken. Hij rook naar vers zweet en zei dat alles goed zou komen. Ik weet niet of het aan de vertrouwde geur lag, maar ik geloofde hem. Na mijn wedstrijd, we hadden met 3-1 van Hilversum d1 gewonnen, was het zover: we gingen de buurt in.
Met de verrekijker om zijn nek kwam hij na een paar minuten naar buiten en deed de voordeur op slot. ‘Komt misschien van pas,’ zei hij. En daarna tikte hij opgewekt tegen de papieren in mijn hand. ‘Kom, we gaan die krengen ophangen.’
Mijn zusje droeg de grote nietmachine met twee handen. Ze was goed ingepakt tegen de kou: muts, sjaal, wanten, winterjas. Als een pinguïn waggelde ze over het grind, ze zocht beschutting onder de lammycoat van mijn moeder en leunde tegen haar been. Die schudde Nina van zich af en zei: ‘Over
een uurtje zijn we weer thuis.’

 
Haro Kraak (Amsterdam, 1986)