250 jaar August Wilhelm Schlegel, Marcel Möring, Herman Koch, Jos Vandeloo, Margaretha Ferguson, Ward S. Just, Heimito von Doderer, Rachid Boudjedra, Peter Winnen

De Duitse literatuurcriticus, dichter, schrijver en vertaler August Wilhelm Schlegel werd geboren in Hannover op 5 september 1767. Dat is vandaag precies 250 jaar geleden. Zie ook alle tags voor August Wilhelm Schlegel op dit blog.

 

Zueignung des Trauerspiels Romeo und Julia

Nimm dieß Gedicht, gewebt aus Lieb’ und Leiden,
Und drück’ es sanft an deine zarte Brust.
Was dich erschüttert, regt sich in uns beiden,
Was du nicht sagst, es ist mir doch bewußt.
Unglücklich Paar! und dennoch zu beneiden;
Sie kannten ja des Daseins höchste Lust.
Laß süß und bitter denn uns Thränen mischen,
Und mit dem Thau der Treuen Grab erfrischen.

Den Sterblichen ward nur ein flüchtig Leben:
Dieß flücht’ge Leben, welch ein matter Traum!
Sie tappen, auch bei ihrem kühnsten Streben,
Im dunkel hin, und kennen selbst sich kaum.
Das Schicksal mag sie drücken oder heben:
Wo findet ein unendlich Sehnen Raum?
Nur Liebe kann den Erdenstaub beflügeln,
Nur sie allein der Himmel Thor entsiegeln.

Und ach! sie selbst, die Königin der Seelen,
Wie oft erfährt sie des Geschickes Neid!
Manch liebend Paar zu trennen und zu quälen
Ist Haß und Stolz verschworen und bereit.
Sie müßen schlau die Augenblicke stehlen,
Und wachsam lauschen in der Trunkenheit,
Und, wie auf wilder Well’ in Ungewittern,
Vor Todesangst und Götterwonne zittern.

Doch der Gefahr kann Zagheit nur erliegen,
Der Liebe Muth erschwillt, je mehr sie droht.
Sich innig fest an den Geliebten schmiegen,
Sonst kennt sie keine Zuflucht in der Noth.
Entschloßen sterben, oder glücklich siegen
Ist ihr das erste, heiligste Gebot.
Sie fühlt, vereint, noch frei sich in den Ketten,
Und schaudert nicht bei Todten sich zu betten.

Ach! schlimmer droh’n ihr lächelnde Gefahren,
Wenn sie des Zufalls Tücken überwand.
Vergänglichkeit muß jede Blüth’ erfahren:
Hat aller Blüthen Blüthe mehr Bestand?
Die wie durch Zauber fest geschlungen waren,
Löst Glück und Ruh und Zeit mit leiser Hand,
Und, jedem fremden Widerstand entronnen,
Ertränkt sich Lieb’ im Becher eigner Wonnen.

Viel seliger, wenn seine schönste Habe
Das Herz mit sich in’s Land der Schatten reißt,
Wenn dem Befreier Tod zur Opfergabe
Der süße Kelch, noch kaum gekostet, fleußt.
Ein Tempel wird aus der Geliebten Grabe,
Der schimmernd ihren heil’gen Bund umschleußt.
Sie sterben, doch im letzten Athemzuge
Entschwingt die Liebe sich zu höherm Fluge.

Dieß mildert dir die gern erregte Trauer,
Die Dichtung führt uns in uns selbst zurück.
Wie fühlen beid’ in freudig stillem Schauer,
Wir sagen es mit schnell begriffnem Blick:
Wie unsers Werths ist unsers Bundes Dauer,
Ein schön Geheimniß sichert unser Glück.
Was auch die ferne Zukunft mag verschleiern,
Wir werden stets der Liebe Jugend feiern.

 

 
August Wilhelm Schlegel (5 september 1767 — 12 mei 1845)
Portret door Johann Friedrich August Tischbein, rond 1800

Lees verder “250 jaar August Wilhelm Schlegel, Marcel Möring, Herman Koch, Jos Vandeloo, Margaretha Ferguson, Ward S. Just, Heimito von Doderer, Rachid Boudjedra, Peter Winnen”

Adrian Matejka

De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Hij studeerde af aan de Southern Illinois University Carbondale met een MFA in Creative Writing. Hij heeft beurzen ontvangen van de Cave Canem Workshop, de Guggenheim Foundation, de Lannan Foundation en de Amerikaanse kunstenaars. Hij debuteerde in 2003 met “The Devil’s Garden”. In 2009 volgde “Mixology”. Zijn derde bundel, “The Big Smoke” uit 2013 ging over Jack Johnson en was finalist voor de National Book Award 2013 en de Pulitzer Prize 2014 en won een Anisfield-Wolf Book Award. Zijn nieuwste bundel “Map to the Stars” werd in 2017 uitgegeven. Zijn werk is verschenen in literaire tijdschriften en tijdschriften, waaronder American Poetry Review, Callaloo, Crab Orchard Review, Gulf Coast, Indiana Review, Poetry, Plowshares, Prairie Schooner, en in bloemlezingen, waaronder From the Fishouse en The Best American Poetry 2010. Matejka doceert literatuur en creatief schrijven aan de Indiana University. Hij woont in Bloomington, Indiana met zijn vrouw, dichter Stacey Lynn Brown, en hun dochter.

If You’re Tired Then Go Take a Nap

I never liked bridges or cops & there
are more of both of them in the suburbs,
lording over possibilities like stumbles

do stairs. Down the blue & white set next
to the small gym after first period, shoelace
caught under a new bully’s foot. He would

have gotten stole on in Carriage House, but
not by me. Gots to chill or it’ll get worse:
in blue Jams & pushed off summer’s slick

ledge, long fall into the private pool broken
into three distinct verses: the flail & giggling
girls, the sun-stroked lifeguard’s exclamation,

& the red-handed water’s backslap rising up,
splitting into two, more chlorinated skies.

 

Ticket on the Titanic

Etta & I had no intention of missing
the maiden voyage of the finest ship
built by man, but Captain Smith drew
the color line almost as quickly as Tommy

Burns did. I expected the line from
a frightened prizefighter, but an English
sea captain? He should be more principled.
Especially after I offered $4,000 for each

ticket. Of course, that color line kept me
from fighting our way onto a lifeboat
after that iceberg. That is a fight
you can bet your last copper I would

have won. Even after all the offense
I suffered & the indignity of being refused
passage, I would never dance the Eagle
Rock after all those people drowned.

 
Adrian Matejka (Neurenberg, 5 september 1971)

Carolijn Visser

De Nederlandse schrijfster Carolijn Visser werd geboren in Leiden op 5 september 1956. Toen zij een jaar oud was, verhuisde het gezin naar Middelburg, waar Vissers vader geschiedenisles gaf en haar moeder Engels. Op haar vijftiende ging ze al in haar eentje op reis. Met de Stichting Internationale Werkkampen reisde ze naar Poznan in Polen om er in een dierentuin-in-aanbouw te gaan werken; de jaren erop bracht ze met dezelfde stichting de zomervakanties door in Hongarije en Turkije. Na het atheneum schreef Visser zich in aan de Universiteit van Amsterdam voor de studie pedagogiek, maar maakte de studie uiteindelijk niet af. Ondertussen was ze wel begonnen met het schrijven van artikelen voor de NRC. Interviews die ze, samen met Sasza Malko, hield met oud-Indisch- gasten over het leven in Nederlands-Indië tussen ongeveer 1920 en 1940 werden samengebracht in “Herinneringen aan ons Indië”, later herdrukt onder de titel “En nog steeds hebben wij twee vaderlanden. Op avontuur in Nederlands-Indië”. Haar speciale belangstelling gaat uit naar communistische en postcommunistische samenlevingen als China, Vietnam, Nicaragua en Estland. Haar reisverhalen over deze landen, zoals “Buigend bamboe” (1990), “Hoge bomen in Hanoi” (1993), “De kapers van Miskitia”(1997), “Uit het moeras” (2000) en “Tibetaanse perziken” (2003), laten een onafhankelijk schrijfster zien die zich aangetrokken voelt tot mensen die zich onder barre omstandigheden staande weten te houden. In 2016 verscheen “Selma. Aan Hitler ontsnapt, gevangene van Mao”,het tragische verhaal van een levenslustige Nederlandse vrouw in communistisch China,

Uit: Selma. Aan Hitler ontsnapt, gevangene van Mao

“Selma wierp een nerveuze blik op de wachtenden onder aan de vliegtuigtrap. Een in blauw en groen geklede menigte stond beneden samengedromd achter een hek. Alle ogen waren meteen
op haar gericht. Een buitenlandse! Terwijl ze niet eens blond en groot was, maar donker en frêle.
Tot haar grote opluchting ontdekte ze tussen de geheven gezichten dat van haar zeventienjarige zoon Dop. Net als de meeste mensen om hem heen droeg hij een blauw katoenen jasje met een bijpassende pet. Toch viel hij op omdat hij zo lang was en, zelfs van deze afstand, duidelijk Chinese én westerse trekken had. Selma bleef kijken. Ze droeg haar kroezende haar strak naar achteren onder een zwarte band. Haar dik gerande bril gaf haar een ernstige uitdrukking. Ze had een donkere broek en blouse aan die ze speciaal had uitgekozen om bij aankomst geen onnodige aandacht te trekken. Greta, haar dochter van zestien, zag ze nergens.
Terwijl zíj tussen Chinezen altijd nog meer opviel dan haar broer, met haar bruine krullenbos en vrijwel ronde ogen. Op elke klassenfoto pikte je haar er zo uit. En waar was haar man, Chang? Voor hem was ze zestien jaar geleden naar China verhuisd. Selma had erop gerekend dat haar hele gezin hier zou zijn om haar te verwelkomen. Zo hadden ze haar per slot van rekening vijf maanden geleden ook uitgezwaaid.
Bij het afscheid wilden haar kinderen wachten tot zij in de Toepolev was opgestegen. Chang had daar nog lichtjes tegen geprotesteerd. Hij moest die middag vergaderen en vond het geen pas geven om de chauffeur zo lang te laten wachten. Toch gaf hij toe omdat Greta en Dop het maanden zonder hun moeder zouden moeten stellen. Selma’s ogen gleden nogmaals over de wachtenden.
Nederland was totaal anders geweest dan ze zich had voorgesteld. Vreemd was dat niet, haar laatste herinneringen dateerden uit de schrale jaren na de oorlog, toen alles nog op de bon was en er woningnood heerste. De huidige overvloed had haar verbluft.”

 
Carolijn Visser (Leiden 5 september 1956)

Helga Ruebsamen, Antonin Artaud, René de Chateaubriand, Constantijn Huygens, Richard Wright, Mary Renault, Marijn Sikken, Femke Brockhus, Dik van der Meulen

De Nederlandse schrijfster Helga Ruebsamen werd op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië. Zie ook alle tags voor Helga Ruebsamen op dit blog en ook mijn blog van 4 september 2010.

Helga Ruebsamen

“Het zelfportret van een schrijver moet natuurlijk uit al zijn personages bestaan, want een schrijver schrijft omdat hij zoveel mensen tegelijk is. (Er huizen zoveel zielen in zijn borst.) Een schrijver kun je aanroepen bij de naam van zijn personage, dan kijkt hij om. Ik zou het zelfportret van een schrijver of een schrijfster nooit of te nimmer vertrouwen. Schrijvers! Vandaag zijn zij Blauwbaard, morgen zijn bruid.
Mijzelf vertrouw ik ook geen zelfportret toe, ik ben nog niet eens te vertrouwen waar het mijn eigen naam betreft. De voorzienigheid heeft mij een naam toegespeeld, die hier niet altijd even gemakkelijk wordt verstaan. Wat zegt u? Hoe zei u? Oh, Heldere Zuupzager, juist ja. Zeg dat dan meteen, hoor je ze vaak denken. Ik kan mijn geluk niet op dat ik nu zomaar een ander kan zijn, zonder er eerst zelf een heel karakter voor te hebben moeten verzinnen. Tijdenlang stel ik me aan iedereen voor als Heldere Zuupzager, waarna het caleidoscopisch gerommel met de klinkers en de medeklinkers begint. In alle mogelijke rangschikkingen, in schier ondenkbare lettercombinaties word ik nu vervolgens benoemd, geroepen en aangeschreven, totdat iemand ineens zegt: hee, Helga Ruebsamen. Ik schrik daar flink van, wat doen we? We gaan de letterlijke waarheid toch niet rauw opdissen? De werkelijkheid versieren we, verzoeten of verzilten wij al naar gelang van onze smaak van dit moment, plooien we naar onze inzichten van dit ogenblik.
Helse Gluurdame, zei de donkere, landerige stem van een telefoniste een tijdje geleden en ik was weer intens gelukkig. Helse Gluurdame, waarom was ik er zelf eigenlijk nooit opgekomen als pseudoniem. Ik presenteerde mij overal parmantig als Helse Gluurdame en niemand keek er vreemd van op. De mens is van schokbeton aan het worden, gelukkig maar, als je bedenkt wat ons nog allemaal te wachten staat.
Helse Gluurdame is na een glorieus leventje vol schittering en uitspatting nu langzaam aan, aftakelend, op weg naar huis. Binnenkort staat die Helga Ruebsamen weer voor mijn deur. Hoe saai, hoe oervervelend, hoe voorspelbaar om mij dan weer met mijzelf te verenigen, aan mijzelf is zonder verzinsels en hersenspinsels niets aan.”

 

 
Helga Ruebsamen (4 september 1934 – 8 november 2016)
Jakarta (voormalig Batavia)

Lees verder “Helga Ruebsamen, Antonin Artaud, René de Chateaubriand, Constantijn Huygens, Richard Wright, Mary Renault, Marijn Sikken, Femke Brockhus, Dik van der Meulen”

In memoriam Theo Sontrop

In memoriam Theo Sontrop

De Nederlandse dichter en voormalige literaire uitgever Theo Sontrop is gisteren op 86-jarige leeftijd overleden. Theodorus Alexander Leonardus Maria (“Theo”) Sontrop werd geboren in Haarlem op 2 mei 1931. Zie ook alle tags voor Theo Sontrop op dit blog.

 

Vluchtig

Een blad in de lucht is nog iemand:
wentelend vreemd, als een bootje misbarend –
met niemand aan boord dan de ijskoude
bladluis die klampt aan de stengel –
zichtbaar voor ieder zolang in beweging.
Geen zee kan te hoog, geen hoos die hem deert
als de afstand tot aarde bewaard blijft.
Wat is er ruimer dan het woord dat niet mag,
dan het woord dat je niet meer wilt zeggen?
Dan zwerk? Smaller dan spansel,
het ruim tussen zuilen van hout of nog zachter?
Wie daar doorvaart ziet haven al
wordt hij geblazen als voert hij de kluiver.
Later, vergaderd met velen tot macht,
pas verlaten, al wordt hij weer blad.

 

 
Theo Sontrop (2 mei 1931 – 3 september 2017)

In Memoriam John Ashbery

In Memoriam John Ashbery

De Amerikaanse dichter John Ashbery is gisteren op 90-jarige leeftijd overleden. John Ashbery werd geboren op 28 juli 1927 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor John Ashberry op dit blog en ook mijn blog van 28 juli 2010.

 

How to Continue

Oh there once was a woman
and she kept a shop
selling trinkets to tourists
not far from a dock
who came to see what life could be
far back on the island.

And it was always a party there
always different but very nice
New friends to give you advice
or fall in love with you which is nice
and each grew so perfectly from the other
it was a marvel of poetry
and irony

And in this unsafe quarter
much was scary and dirty
but no one seemed to mind
very much
the parties went on from house to house
There were friends and lovers galore
all around the store
There was moonshine in winter
and starshine in summer
and everybody was happy to have discovered
what they discovered

And then one day the ship sailed away
There were no more dreamers just sleepers
in heavy attitudes on the dock
moving as if they knew how
among the trinkets and the souvenirs
the random shops of modern furniture
and a gale came and said
it is time to take all of you away
from the tops of the trees to the little houses
on little paths so startled

And when it became time to go
they none of them would leave without the other
for they said we are all one here
and if one of us goes the other will not go
and the wind whispered it to the stars
the people all got up to go
and looked back on love

 

 
John Ashbery (28 juli 1927 – 3 september 2017)

Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag, Doğan Akhanlı

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Reisverhaal

“Er wordt niet geklapt. Hoe iedereen weet dat het niet is afgelopen zal altijd een raadsel blijven. Veiligheidshalve klap ik bij alle gelegenheden dat er mogelikerwijs verwacht wordt dat men klapt, zonder geluid muis op muis zogezegd. Iedereen kucht of hoest voluit, het beste bewijs dat hoesten en kuchen niet nodig is zomin als ademhalen, ik bedoel snuivend ademhalen. Omdat het toeval wil dat ik op dit moment twee varkens met ridikule sprongen, met wapperende oren en overdreven snuivende snuiten een ekster zie wegjagen, lijkt me dit het juiste moment om iets recht te zetten. Hoelang ik al hier ben weet ik niet precies maar lang dat is zeker, iedereen kent me, voor niemand ben ik een vreemde en het is alsof het nooit anders geweest is, toch weet iedereen dat ik er niet bij hoor, dat zie ik, dat voel ik aan alles, misschien is het domweg een kwestie van geur. Daarover hoef ik dus niets te zeggen. Het hoe van de situatie mag ik bekend veronderstellen. Maar het wordt tijd uit de doeken te doen hoe ik hier terecht ben gekomen, en als men zegt dat ik daar rijkelik laat mee ben en bovendien zegt dat mijn verhaal bezijden de waarheid is, en dat zelfs voordat ik iets heb kunnen vertellen, dan komt dat omdat de een of ander die mij een hak wil zetten, en ik weet wie het is al zal ik hem niet het genoegen doen zijn naam voluit te vermelden zo goed als ik ook de anderen niet of alleen onder een andere naam zal laten optreden, een verhaal de wereld in heeft gestuurd waarin op z’n zachtst gezegd enkele details vergeten zijn, een hele reeks details mag ik wel zeggen, precies de hoofdzaken moet ik eerlikheidshalve zeggen die voor beter begrip onmisbaar zijn. Algemeen wordt aangenomen dat ik hier terecht kwam, terecht, terecht? – terecht, omdat ik familie wilde opzoeken of enkele oude bekenden, gewoonlik de enige reden voor een normaal mens om zich in de provinsie te wagen, of zelfs om ergens rustig een paar dagen te gaan zitten, men heeft het in dat verband over uitblazen of op adem komen gehad, maar die veronderstelling is uitsluitend gebaseerd op een slordigheid van de bewuste persoon die het verhaal in omloop heeft gebracht en het had over een fraaie lentedag. Eigenlik doet het er helemaal niet toe wat voor weer en welk seizoen het was – in dit land schijnt bij alles de weersgesteldheid vermeld te moeten worden evenals de leeftijd, het geslacht, vooropleiding, eventuele kwalen en huwelikse staat, dat geeft een schijn van konkreetheid neem ik aan, en ik zou zelf niet eens geweten hebben wat voor weer het was geweest ware het niet dat ik bij toeval weet dat het hartje winter was en vroor dat het kraakte, zo heet dat, zo was het ook inderdaad, hartje winter want het was bitter koud en het vroor dat het kraakte zodat het zelfs terwijl we reden dermate koud in de auto was dat onze adem op onze lippen bevroor, soms zelfs de woorden in onze keel bleven steken en nog wat van die onalledaagse effekten.”

 

 
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

Lees verder “Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag, Doğan Akhanlı”

Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Robert Habeck, Pierre Huyskens

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Willem de Mérode op dit blog.

 

Zomers einde

Er is een groote regen losgekomen,
Zooals soms in ontruste nacht de droomen
Van een heel leven, saâmgedrongen
Tot één droom, door ons slapen zongen,
Zoo is de zomer in dit zware ruischen
Geperst, en spat uiteen en is gedaan.
Reeds morgen zullen wijd de hemelsluizen
Voor ’t plassen van het najaar openstaan.

De paden van den tuin zijn breede stroomen
Geworden, die door sprieterige zoomen
Gras van de meren zijn gescheiden:
De perken, waarin bloemen lijden.
Het struikgewas, verwirrewaaid, verpletterd,
Zwenkt treurig tallenkanten heen en weer.
En uit de hooge boomen kletst en klettert
Een bui dor hout en zwakke takken neêr.

Ten bongerd, hoeveel vruchten zijn ontvlogen
Aan ’t vast verband voor ongewisheids logen.
Zij lieten zekerheid van lot en voortbestaan
Om vrij, als vagebonden, dood te gaan.
Misschien dat straks de tuinman of zijn knapen
Hen, zwaar beschadigd, in hun manden rapen.
Maar ’t ooft, geduldig dragend tijd en duur,
Wordt rijp geplukt op ’t volslagen uur.

 

Je haar

Nu denk ik aan het geuren van je haren,
Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg,
En als je handen dan met groote zorg
Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren,

Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden
Langs ’t leuke kort gekroezel in je nek,
En zag, hoe lieflijk blozend elke plek
Werd, waar zij spelend eventjes verbeidden.

Elken dag is mij dit geluk geweest,
En als een zieke, die wel traag geneest,
Maar ’t frisscher bloed voelt door zijn leden stroomen,

Sterker van stuwing, al maar krachtiger,
Beheerscht mij heviger en machtiger
Het leven, dat ons samen heeft genomen.

 

Shakespeare

Hij kende ’t schoon beweeg van edelvrouwen,
Van koningen en dartel ambachtsvolk;
Van minnenden en sluipers met de dolk
In drukke stad en vredige landouwen.

Bij glans van maan en flakkrende flambouwen,
Onder den schijn van zon, in regenwolk,
Bij feest, op kerkhof, bij den heksenkolk,
Durfde hij levens wrevel aan te schouwen.

Hij proefde, walgelijk, de gal van kwaad,
Hij leed de kwaal van ontrouw en van haat,

En ter genezing werd hem ingeschonken
De liefde, en hij werd van liefde dronken.

En ’t eigen lijden en zijn zoet ontzetten
Verborg hij stil in stralende sonnetten.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Rond 1910

Lees verder “Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Robert Habeck, Pierre Huyskens”

Joseph Roth, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook alle tags voor Joseph Roth op dit blog en ook mijn blog van 2 september 2010.

Uit:Die Kapuzinergruft

Wir heißen Trotta. Unser Geschlecht stammt aus Sipolje in Slowenien. Ich sage: Geschlecht; denn wir sind nicht eine Familie. Sipolje besteht nicht mehr, lange nicht mehr. Es bildet heute mit mehreren umliegenden Gemeinden zusammen eine größere Ortschaft. Es ist, wie man weiß, der Wille dieser Zeit. Die Menschen können nicht allein bleiben. Sie schließen sich in sinnlosen Gruppen zusammen, und die Dörfer können auch nicht allein bleiben. Sinnlose Gebilde entstehen also. Die Bauern drängt es zur Stadt, und die Dörfer selbst möchten justament Städte werden.
Ich habe Sipolje noch gekannt, als ich ein Knabe war. Mein Vater hatte mich einmal dorthin mitgenommen, an einem siebzehnten August, dem Vorabend jenes Tages, an dem in allen, auch in den kleinsten Ortschaften der Monarchie der Geburtstag Kaiser Franz Josephs des Ersten gefeiert wurde.
Im heutigen Österreich und in den früheren Kronländern wird es nur noch wenige Menschen geben, in denen der Name unseres Geschlechts irgendeine Erinnerung hervorruft. In den verschollenen Annalen der alten österreichisch-ungarischen Armee aber ist unser Name verzeichnet, und ich gestehe, daß ich stolz darauf bin, gerade deshalb, weil diese Annalen verschollen sind. Ich bin nicht ein Kind dieser Zeit, es fällt mir schwer, mich nicht geradezu ihren Feind zu nennen. Nicht, daß ich sie nicht verstünde, wie ich es so oft behaupte. Dies ist nur eine fromme Ausrede. Ich will einfach, aus Bequemlichkeit, nicht ausfällig oder gehässig werden, und also sage ich, daß ich das nicht verstehe, von dem ich sagen müßte, daß ich es hasse oder verachte. Ich bin feinhörig, aber ich spiele einen Schwerhörigen. Ich halte es für nobler, ein Gebrechen vorzutäuschen als zuzugeben, daß ich vulgäre Geräusche vernommen habe.
Der Bruder meines Großvaters war jener einfache Infanterieleutnant, der dem Kaiser Franz Joseph in der Schlacht bei Solferino das Leben gerettet hat. Der Leutnant wurde geadelt. Eine lange Zeit hieß er in der Armee und in den Lesebüchern der k. u. k. Monarchie: der Held von Solferino, bis sich, seinem eigenen Wunsch gemäß, der Schatten der Vergessenheit über ihn senkte. Er nahm den Abschied. Er liegt in Hietzing begraben. Auf seinem Grabstein stehen die stillen und stolzen Worte: »Hier ruht der Held von Solferino.«

 

 
Joseph Roth (2 september 1894 – 27 mei 1939)
Postzegel ter gelegenheid van zijn 100e geboortedag in 1994

Lees verder “Joseph Roth, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß”

Fuminori Nakamura

De Japanse schrijver Fuminori Nakamura werd geboren op 2 september 1977 in Tōkai. Nakamura studeerde in 2000 af aan de faculteit voor openbaar bestuur van de universiteit van Fukushima. Tegenwoordig woont hij in Tokio. In Japan heeft Fuminori Nakamura al meer dan een dozijn romans gepubliceerd. Zijn werken zijn vertaald in verschillende talen en zijn verschenen in onder meer de Verenigde Staten, Engeland, China, Frankrijk en Spanje. In 2002 ontving hij de Shincho Young Award voor zijn debuutroman. In 2004 werd hij bekroond voor de Shako Noma Literatuurprijs, in het volgende jaar voor “Tsuchi no naka no kodomo” met de Akutagawa-prijs. Voor de roman “Suri” ontving hij in 2010 de Ōe-Kenzaburō-prijs. “Suri” werd door critici ook goed ontvangen in de Engelse vertaling met de titel “The Thief”; In 2015 verscheen de roman onder de titel “Der Dieb” als de eerste van Nakamura’s werken ook in het Duits. Als literaire invloeden noemt Nakamura onder andere Franz Kafka en Fjodor Dostojevski.

Uit: The Thief (Vertaald door Satoko Izumo en Stephen Coates)

“When I was a kid, I often messed this up.
In crowded shops, in other people’s houses, things I’d pick up furtively would slip from my fingers.
Strangers’ possessions were like foreign objects that didn’t fit comfortably in my hands. They would tremble faintly, asserting their independence, and before I knew it they’d come alive and fall to the ground. The point of contact, which was intrinsically morally wrong, seemed to be rejecting me.
And in the distance there was always the tower. Just a silhouette floating in the mist like some ancient daydream. But I don’t make mistakes like that these days. And naturally I don’t see the tower either.
In front of me a man in his early sixties was walking towards the platform, in a black coat with a silver suitcase in his right hand. Of all the passengers here, I was sure he was the richest. His coat was Brunello Cucinelli, and so was his suit. His Berluti shoes, probably made to order, did not show even the slightest scuffmarks. His wealth was obvious to everyone around him. The silver watch peeping out from the cuff on his left wrist was a Rolex Datejust. Since he wasn’t used to taking the bullet train
by himself, he was having some trouble buying a ticket. He stooped forward, his thick fingers hovering over the vending machine uncertainly like revolting caterpillars. At that moment I saw his wallet in the left front pocket of his jacket.
Keeping my distance, I got on the escalator, got off at a leisurely pace. With a newspaper in my hand, I stood behind him as he waited for the train. My heart was beating a little fast. I knew the position of all the security cameras on this platform. Since I only had a platform ticket, I had to finish the job before he boarded the train. Blocking the view of the people to my right with my back, I folded the paper as I switched it to my left hand. Then I lowered it slowly to create a shield and slipped my right index and middle fingers into his coat pocket. The fluorescent light glinted faintly off the button on his cuff, sliding at the edge of my vision. I breathed in gently and held it, pinched the corner of the wallet and pulled it out. A quiver ran from my fingertips to my shoulder and a warm sensation gradually spread throughout my body. I felt like I was standing in a void, as though with the countless intersecting lines of vision of all those people, not one was directed at me. Maintaining the fragile contact between my fingers and the wallet, I sandwiched it in the folded newspaper. Then I transferred
the paper to my right hand and put it in the inside pocket of my own coat.”

 
Fuminori Nakamura (Tōkai, 2 september 1977)