Graeme C. Simsion

Onafhankelijk van geboortedata

De Nieuw-Zeelandse schrijver Graeme C. Simsion werd geboren in in Auckland, Australië, in 1956.. Voorafgaand aan het schrijven van fictie was hij consultant informatie- systemen en schreef hij twee boeken en een aantal artikelen over datamodellering. Hij begon in 1982 met een consultatiebedrijf in en verkocht het in 1999. Op dat moment had Simsion Bowles and Associates meer dan zeventig medewerkers. Simsion was mede -oprichter van een wijn distributiebedrijf, Pinot Nu, sammen met Steven Naughton. In de periode 2002-2006 was hij als promovendus verbonden aan de Universiteit van Melbourne. Hij won in 2012 de Victorian Premier’s Unpublished Manuscript Award met zijn boek “The Rosie Project”.

Uit: The Rosie Project

“It seems right now that all I’ve ever done in my life is making my way here to you.’
I could see that Rosie could not place the line from The Bridges of Madison County that had produced such a powerful emotional reaction on the plane. She looked confused.
‘Don, what are you…what have you done to yourself?’
‘I’ve made some changes.’
‘Big changes.’
‘Whatever behavioural modifications you require from me are a trivial price to pay for having you as my partner.’
Rosie made a downwards movement with her hand, which I could not interpret. Then she looked around the room and I followed her eyes. Everyone was watching. Nick had stopped partway to our table. I realised that in my intensity I had raised my voice. I didn’t care.
‘You are the world’s most perfect woman. All other women are irrelevant. Permanently. No Botox or implants will be required.
‘I need a minute to think,’ she said.
I automatically started the timer on my watch. Suddenly Rosie started laughing. I looked at her, understandably puzzled at this outburst in the middle of a critical life decision.
‘The watch,’ she said. ‘I say “I need a minute” and you start timing. Don is not dead.

‘Don, you don’t feel love, do you?’ said Rosie. ‘You can’t really love me.’
‘Gene diagnosed love.’ I knew now that he had been wrong. I had watched thirteen romantic movies and felt nothing. That was not strictly true. I had felt suspense, curiosity and amusement. But I had not for one moment felt engaged in the love between the protagonists. I had cried no tears for Meg Ryan or Meryl Streep or Deborah Kerr or Vivien Leigh or Julia Roberts.
I could not lie about so important a matter.
‘According to your definition, no.’
Rosie looked extremely unhappy. The evening had turned into a disaster.”

 

Graeme C. Simsion (Auckland in 1956)

 

Dolce far niente (Wie freu`ich mich der Sommerwonne!, Hoffmann von Fallersleben)

Dolce far niente

 

 

 

Zomerlandschap, Pierre-Auguste Renoir, 1873

 

 

Wie freu`ich mich der Sommerwonne!

Wie freu`ich mich der Sommerwonne,
Des frischen Grüns in Feld und Wald,
Wenn`s lebt und webt im Glanz der Sonne
Und wenn`s von allen Zweigen schallt!

Ich möchte jedes Blümchen fragen:
Hast du nicht einen Gruß für mich?
Ich möchte jedem Vogel sagen:
Sing, Vöglein, sing und freue dich!

Die Welt ist mein, ich fühl es wieder:
Wer wollte sich nicht ihrer freu`n,
Wenn er durch frohe Frühlingslieder
Sich seine Jugend kann erneu`n?

Kein Sehnen zieht mich in die Ferne,
Kein Hoffen lohnet mich mit Schmerz;
Da wo ich bin, da bin ich gerne,
Denn meine Heimat ist mein Herz.

 

 

Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874)

Porträt von Karl Georg Schumacher, 1819

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn twee blogs van 26 juli 2011.

Gregoire Delacourt

 

De Franse schrijver, journalist, regisseur en scenarist Gregoire Delacourt werd geboren op 26 juli 1960 in Valenciennes, Delacourt bezocht het jezuïetencollege La Providence in Amiens. Na het afronden van zijn bachelor in Lille studeerde hij rechten in Grenoble. Met zijn vrouw Dana Philp richtte hij in 1982 een reclamebureau op dat hij leidde tot 2004. Hij werkte voor bekende merken zoals Taittinger en Unilever. Al als 18 -jarige schreef hij poëzie en hij publiceerde in 1978 zijn eerste stukken in Le Monde. In de tijd schreef van zijn reclamebureau schreef en regisseerde hij ook de film “Preference” die in de Franse bioscopen kwam op 17 juni 1998. Met “L’ Écrivain de la famille” debuteerde Delacourt in 2011 als schrijver. De roman werd meer dan 20.000 keer verkocht en Delacourt heeft verschillende literaire prijzen, waaronder de Prix Marcel Pagnol en de Prix Rive Gauche à Paris, ontvangen. Zijn tweede roman “La Liste de mes envies” verscheen in 2012 en vertelt het verhaal van een getrouwde moeder die na zware slagen van het noodlot plotseling meer dan 18 miljoen euro in de loterij wint en aarzelt om haar net hersteld levensgeluk in gevaar te brengen. Alleen al in Frankrijk werd de roman meer dan 400.000 keer verkocht. De rechten zijn verkocht naar 27 landen. Nadat Mikaël Chirinian in 2013 het verhaal voor het theater had bewerkt begonnen de opnames voor de film op 15 april 2013. Delacourts derde roman “La première chose qu’on regarde” verscheen in 2013. Het is een liefdesverhaal tussen een monteur en een jonge vrouw in een Frans dorp. De personages tonen een verwarrende gelijkenis met de acteurs Ryan Gosling en Scarlett Johansson. Toen hij van een lezingentoernee uit Duitsland terug kwam vernam hij dat Johansson een rechtszaak aangespannen had tegen zijn uitgever JC Lattès wegens “schending en frauduleus gebruik van haar persoonlijke rechten “.

Uit: La liste de mes envies

« On se ment toujours.
Je sais bien, par exemple, que je ne suis pas jolie. Je n’ai pas des yeux bleus dans lesquels les hommes se contemplent ; dans lesquels ils ont envie de se noyer pour qu’on plonge les sauver. Je n’ai pas la taille mannequin ; je suis du genre pulpeuse, enrobée même. Du genre qui occupe une place et demie. J’ai un corps dont les bras d’un homme de taille moyenne ne peuvent pas tout à fait faire le tour. Je n’ai pas la grâce de celles à qui l’on murmure de longues phrases, avec des soupirs en guise de ponctuation ; non. J’appelle plutôt la phrase courte. La formule brutale. L’os du désir, sans la couenne ; sans le gras confortable. Je sais tout ça.
Et pourtant, lorsque Jo n’est pas encore rentré, il m’arrive de monter dans notre chambre et de me planter devant le miroir de notre armoire-penderie – il faut que je lui rappelle de la fixer au mur avant qu’un de ces jours, elle ne m’écrabouille pendant ma contemplation.
Je ferme alors les yeux et je me déshabille doucement, comme personne ne m’a jamais déshabillée. J’ai chaque fois un peu froid ; je frissonne. Quand je suis tout à fait nue, j’attends un peu avant d’ouvrir les yeux. Je savoure. Je vagabonde. Je rêve. Je revois les corps émouvants alanguis dans les livres de peinture qui traînaient chez nous ; plus tard, les corps plus crus des magazines.
Puis je relève doucement mes paupières, comme au ralenti.
Je regarde mon corps, mes yeux noirs, mes seins petits, ma bouée de chair, ma forêt de poils sombres et je me trouve belle et je vous jure qu’à cet instant, je suis belle, très belle même. »
(…)

« Il me proposa de boire un café après la fermeture. J’avais cent fois, mille fois rêvé ce moment où un homme m’inviterait, me courtiserait, me convoiterait. J’avais rêvé d’être ravie, emportée loin dans le feulement d’une automobile rapide, poussée à bord d’un avion qui volerait vers des îles. J’avais rêvé de cocktails rouges, de poissons blancs, de paprika et de jasmin mais pas d’un café au Tabac des Arcades. Pas d’une main moite sur la mienne. Pas de ces mots sans grâce, ces phrases huileuses, ces mensonges déjà. »

 

 
Gregoire Delacourt (Valenciennes, 26 juli 1960)

Dolce far niente, (Sommerabend, Rainer Maria Rilke)

 

Dolce far niente

 

Otto Modersohn, Hooimijt bij Soest, 1888

 

SOMMERABEND

Die große Sonne ist versprüht,
der Sommerabend liegt im Fieber,
und seine heiße Wange glüht.
Jach seufzt er auf: “Ich möchte lieber …”
Und wieder dann: “Ich bin so müd …”

Die Büsche beten Litanein,
Glühwürmchen hängt, das regungslose,
dort wie ein ewiges Licht hinein;
und eine kleine weiße Rose
trägt einen roten Heiligenschein.

 


Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Rilke in Moskou, Leonid Pasternak, 1928

 

Zie voor nog de schrijvers van de 25e juli ook mijn twee blogs van 25 juli 2011.

 

Lieke Marsman

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman is op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zij won twee maal de eerste prijs van Doe Maar Dicht Maar. Haar gedichten verschenen in Tirade en dat leidde in 2011 tot uitgave van de bundel “Wat ik mijzelf graag voorhoud”, die bekroond werd met de Van der Hoogt-prijs. Lieke Marsman studeert filosofie in Amsterdam.

 

 Enquête

De jongen op straat vraagt
Wat is het mooiste woord
Wat u ooit zei, ik zeg
Heb je even en denk
Aan alles wat ik ooit
Heb gezegd, maar dan
In fragmenten
Stroboscoop
Nachtegaal
Nanoseconde
Ei
Die kleur paars waarvan ik de naam steeds vergeet
Badschuim
Trotseren
Petroleumlamp
Een moment waarop ik niets kan verzinnen
Mag ik even op je blaadje kijken
De vocabulaire hoogtepunten
Van onze medemens
Ik hou van jou
Dat zijn vier woorden
Die streept hij straks weg
En verder
Gezondheid
Baby
Salaris
Liefde
Weekend
Seks

 

 
Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

Dolce far niente (Gewitter, Stefan George)

 

Dolce far niente

 

Feodor Vasilyev, Wolk studie, rond 1870

 

Gewitter

Die irren flämmchen allerwege sind erloschen
Ein jäher donner hat die hohe saat gedroschen
Der sturm der nacht zerspaltet das geäst im forste
Er stört der eber lager und der geier horste.

Der strenge könig sprengt aus seinem wolkenschlosse
Er folgt auf goldgeschirrtem pferd mit grossem trosse
Der falschen gattin die sich tummelt in den wettern
Und preisgegeben ist den zügellosen rettern.

Oft glaubt er mit der rauhen faust sie zu versichern
Doch sie entwindet sich mit einem leisen kichern –
Bis er sie festet… zwischen seines gürtels spangen
Und dem genick des pferdes ist sie quer gefangen.

Bezwungen schluchzend regt sie ihre blanken zähne
Und schüttelt zürnend ihre aufgelöste mähne
Um ihre nackten glieder spült der schiefe regen
Ihr kalter busen sieht gefasst der haft entgegen.

 

Stefan George (12 juli 1868 – 4 december 1933)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn drie blogs van 24 juli 2011.

Dolce far niente (Summer Sun, Robert Louis Stevenson)

 

Dolce far niente

 


Feodor Vasilyev, Koren, 1870

 

Summer Sun

Great is the sun, and wide he goes
Through empty heaven with repose;
And in the blue and glowing days
More thick than rain he showers his rays.

Though closer still the blinds we pull
To keep the shady parlour cool,
Yet he will find a chink or two
To slip his golden fingers through.

The dusty attic spider-clad
He, through the keyhole, maketh glad;
And through the broken edge of tiles
Into the laddered hay-loft smiles.

Meantime his golden face around
He bares to all the garden ground,
And sheds a warm and glittering look
Among the ivy’s inmost nook.

Above the hills, along the blue,
Round the bright air with footing true,
To please the child, to paint the rose,
The gardener of the World, he goes.

 

Robert Louis Stevenson (13 november 1850 – 3 december 1894)
Portret door William Blake Richmond, 1887

 

 Zie voor de schrijvers van de 23e juli ook mijn twee blogs van 23 juli 2011.

In Memoriam Michel van der Plas

In Memoriam Michel van der Plas

De Nederlandse schrijver en dichter Michel van der Plas is zondagochtend op 85-jarige leeftijd overleden. Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

Vader en zoon

Vader. Waarom als iemand dat woord zegt
kijk ik nog steeds vooruit, niet achter mij?
ben ik niet, zoek ik? Het is toch voorbij?
jij bent toch in de regen weggelegd?

Wat verwacht ik dan: je hand op mijn hoofd?
Waar zou ik moeten komen? ben je daar
nog wel, warm woord? Of hebben ze je naar
het huis gebracht waarin je hebt geloofd?

Als ik het hoor is het of ik zelf riep.
Ik moet al antwoord geven en ik ken
nauwelijks de vraag die ik nog altijd ben

Ja, zeg ik, en kijk om. De nacht is diep.
Ik weet opeens waarvoor je hebt geleefd:
ik draag de naam van wie de dood doorgeeft.

 

 

School der liefde

Woorden van geluk zijn moeilijk, ze zijn
klank, wartaal, aaas en jijs en toedan, alles
of niets. Het lekken van vuur; een gordijn
in de wind. Ze zijn eigenlijk maar ballast.

Want we zeggen geluk niet, we doen het.
Dieren hebben alleen maar hun lichamen;
snuiven, stampvoeten, hoeden warmte met
warmte. Het leeft en trilt, het heeft geen namen.

Hoeveel gemakkelijker vindt verdriet
woorden. Dat is de wereld van de mensen:
ze huilen en ze ballen vuisten en ze
vullen bladzijden, maar ze sterven niet.
Sterven hoorde alleen waar leven hoorde:
bij geluk; en dat was teveel voor woorden.

 

Een nieuw lied

Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep
En hun wijzen van iedere dag
Die de treurwilg tot eindeloos treuren riep
En de vrouw tot haar eeuwige lach

Een nieuw lied voor de Heer die de goudvissen goud
En de roodborstjes rood heeft gemaakt
Die de golven der zee, en de bladeren van ’t woud
Met zijn vinger heeft aangeraakt
Die de kolibrie schiep, en de adelaar schiep
Het viooltje en de orchidee
Die de schelpen en zwaardvissen liet in het diep
Van dezelfde bedelvende zee
Die zijn adem laat gaan langs het slapende land
Tot het wenend van weelde ontwaakt
Die de dauwdroppen droogt met zijn heilige hand
En de zon tot zijn heilgenoot maakt

Een nieuw lied voor de Heer die het meer en de lucht
En de straten vol zonnelicht goot
Die de leeuwerik leidt tot zijn duizelende vlucht
En de vlinder tot vlinderdood

Een nieuw lied voor de Heer die een durend nieuw lied
In de mond van mijn moedertje lei
Die zijn licht in haar zuivere blik achterliet
En haar zei wat zij zeide tot mij

Een nieuw lied voor de Heer die van ieder nieuw lied
Het ontstaan en de maker is
Die het voorzingt in water en woud en in riet
In de steeg en de vensternis

Een nieuw lied voor de Heer, voor de Heer
Die accoorden en woorden ingeeft
Aan de dichter de vrouw en het kind, o en meer
dan aan weerklank en stem in hem leeft
En zijn naam zij gezegend de eeuwigheid lang
Zij gezegend de naam van de Heer
Van de opgang der zon, tot haar ondergang
zij gezegend de naam van de heer
die de sneeuwvlokken zendt als de wolkige wol
en de rijm als verdwarrelende as
Als hij spreekt lopen alle stuwmeren vol
En alles smelt wat bevroren was
O gij wateren looft en gij landstreken looft
En gij vogeltjes looft onze Heer
En gij vuurtongen looft, en gij dauwdroppen looft
Alle boomtoppen looft onze Heer

Een nieuw lied voor de Heer, met pauk en cymbaal
En bij cither en luit en schalmei
een nieuw lied voor de Heer in uw mond in uw taal
Want wie geeft u die liederen dan hij

 

Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)

 

Dolce far niente (A something in a summer’s Day, Emily Dickinson)

 

Dolce far niente

 

Feodor Vasilyev, Op het eiland Valaam, 1869

 

 A something in a summer’s Day

A something in a summer’s Day
As slow her flambeaux burn away
Which solemnizes me.

A something in a summer’s noon —
A depth — an Azure — a perfume —
Transcending ecstasy.

And still within a summer’s night
A something so transporting bright
I clap my hands to see —

Then veil my too inspecting face
Lets such a subtle — shimmering grace
Flutter too far for me —

The wizard fingers never rest —
The purple brook within the breast
Still chafes it narrow bed —

Still rears the East her amber Flag —
Guides still the sun along the Crag
His Caravan of Red —

So looking on — the night — the morn
Conclude the wonder gay —
And I meet, coming thro’ the dews
Another summer’s Day!

 

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

 

Zie voor de schrijvers van de 22e juli ook mijn twee blogs van 2 juli 2011 en eveneens mijn blog van 22 juli 2012.

Dolce far niente (A Summer Invocation, Walt Whitman)

Dolce far niente

 

 

Feodor Vasilyev, Warme zomerdag, 1869

 

 

A Summer Invocation

 

Thou orb aloft full dazzling,

    Flooding with sheeny light the gray beach sand;

Thou sibilant near sea, with vistas far, and foam,

    And tawny streaks and shades, and spreading blue;

Before I sing the rest, O sun refulgent,

    My special word to thee.

 

Hear me, illustrious!

    Thy lover me—for always I have loved thee,

Even as basking babe—then happy boy alone by some wood edge—thy touching distant beams enough,

    Or man matured, or young or old—as now to thee I launch my invocation.

(Thou canst not with thy dumbness me deceive.

    I know before the fitting man all Nature yields.

Though answering not in words, the skies, trees, hear his voice—and thou, O sun,

    As for thy throes, thy perturbations, sudden breaks and shafts of flame gigantic,

I understand them—I know those flames, those perturbations well.)

 

Thou that with fructifying heat and light,

    O’er myriad forms—o’er lands and waters, North and South,

O’er Mississippi’s endless course, o’er Texas’ grassy plains, Kanada’s woods,

    O’er all the globe, that turns its face to thee, shining in space,

Thou that impartially enfoldest all—not only continents, seas,

    Thou that to grapes and weeds and little wild flowers givest so liberally,

Shed, shed thyself on mine and me—mellow these lines.

    Fuse thyself here—with but a fleeting ray out of thy million millions,

Strike through this chant.

 

Nor only launch thy subtle dazzle and thy strength for this;

    Prepare the later afternoon of me myself—prepare my lengthening shadows.

Prepare my starry nights.

 

 

 

Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)

Portret door Thomas Cowperthwaite Eakins, 1887

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2.