Alexis de Roode, Marína Tsvetájeva, Martin van Amerongen, Benjamin Cheever, André Theuriet, Jakob Arjouni, Nikolaus Becker

De Nederlandse dichter Alexis de Roode werd geboren op 8 oktober 1970 in Hulst. Alexis de Roode groeide op in Nijmegen en studeerde geologie in Utrecht. In 2004 begon hij zich te manifesteren als dichter op podia en poetry slams in Nederland. In november 2005 debuteerde hij met de dichtbundel Geef mij een wonder, die verscheen bij de Amsterdamse Uitgeverij Podium. De bundel werd goed ontvangen en werd in 2006 genomineerd voor de C. Buddingh-prijs. In april 2008 verscheen de tweede dichtbundel van Alexis de Roode, Stad en Land.  Inmiddels stond de Roode op de meeste grote poëziepodia van Nederland en Vlaanderen, zoals de Nacht van de Poëzie, Lowlands, Dichter aan Huis, Crossing Border Festival, Het Voorwoord en de Poëziezomer in Watou. Alexis de Roode woont en werkt in Utrecht, waar hij o.a. actief is als medeorganisator van Poëziecircus en het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. Zie ook mijn blog van 24 maart 2008.

 

 

De lege landen

Ik zit in de trein naar Utrecht
als ik mij plotseling afvraag:
waar is het wonder?
Want alles wat ik zie, bestaat zo ontzettend:
struikjes, koetjes, boerderijen,
er is geen speld tussen te krijgen.

Neem nu die haagbeuk:
die staat daar maar
aan de rand van een weiland.
Beetje groen zijn. Beetje groeien.
Het is allemaal zo van deze wereld!

Geef mij a.u.b. een wonder,
een heel klein krasje
in het diamant van de feiten,
een mirakeltje van niets,
er hoeft heus geen engel bij
of donderstem.

Al is het maar die haagbeuk
die op een mistige ochtend
een beetje is verschoven.
Dan weet ik genoeg.

 

 

Kleine beweging

Zo vaak als nodig is, zeg ik nee.
Zeg ik nee.
Nee.
Het besluit is gevallen,
het valt, het blijft vallen,
en gelijk het valt, zo val ik.

Wij vallen diep, mijn besluit en ik,
maar wij vallen samen.

Wij zoeken het ravijn,
en van klimmen
is voorlopig geen sprake.

Op de bodem van het ravijn
groeien wonderlijke
bloedbloemen.

 

AlexisDeRoode

Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)

 

 

De Russische dichteres en schrijfster Marína Tsvetájeva werd geboren op 8 oktober 1892 in Moskou. Zie ook mijn blog van 9 oktober 2006.

 

Goed dat u niet bezeten bent van mij

Goed dat u niet bezeten bent van mij,
Goed dat ik ook van u niet ben bezeten,
Dat wij op aarde blijven en dat wij
Niet wegzweven naar andere planeten
.
Goed dat ik gek mag doen – losbandig, vrij,
Dat ik mijn woorden niet hoef af te meten,
En dat een aanraking van uw kledij
Geen wild, benauwend vuur in mij ontketent.

Goed dat u in mijn bijzijn ook gerust
Liefkozingen van anderen kunt krijgen,
En dat u, als een ander mí j eens kust,
Mij niet met hel en vagevuur zult dreigen.
Goed dat u steeds, bewust of onbewust,
Mijn lieve naam, o lieve, zult verzwijgen…
Dat nooit in ’t godshuis, in gewijde rust
een halleluja voor ons op zal stijgen.

Ik dank u voor dat alles; ik ben blij
Dat u, zonder er zelf iets van te weten,
Zo van mij houdt: dank voor de zon die wij
Niet samen zien, de niet met u gesleten
Verstilde nacht; dat wij elkander bij
Zonsondergang en maneschijn vergeten,
Dat u niet – ach! – bezeten bent van mij,
En dat ik – ach! – van u niet ben bezeten.

 

Vertaald door Anne Stoffel

 

I stare into the mirrored glass, –

I stare into the mirrored glass, –
All hazy, drowsy and foggy, –
To ascertain where you will pass
And where you’ll stop for lodging.

I look and see: An old ship’s mast.
There, on the deck, you’re standing…
You, by the clouded train… The vast,
Green fields, at night, lamenting…

The evening countryside in dew,
There, ravens soar in flight…
–My dear one, I am blessing you
To go where you decide!

 

 

In Paris

Skyscrapers, and the sky below,
The earth is closer in the grayness.
The same old enigmatic woe
Remains in vast and happy Paris.

The evening boulevards are loud,
Sunset’s final glimmer dies.
And there are couples all around,
With trembling lips and daring eyes.

I’m here alone. It’s nice to rest
One’s head against a chestnut tree!
Just as in Moscow, here, the chest
Cries out with Rostand’s poetry.

Dear are the long gone days of folly,
These nights in Paris are a torture,
I’m walking home to grieving violets
And someone’s kind and tender portrait.

That profile glance, as of a brother,
Is intimate and sad. It seems,
Tonight I’ll see the Reichstadt martyr,
Rostand and Sarah, – in my dreams!

In vast and happy Paris, here,
I dream of grass and cloudy nights,
And laughter’s far and shadows near,
Again, the same deep pain abides.

 

 

Vertaald door Andrey Kneller

 

 

Tsvetajeva

Marína Tsvetájeva (8 oktober 1892 – 31 augustus 1941)

 

 

 De Nederlandse schrijver en journalist Martin van Amerongen werd geboren op 8 oktober 1941 in Amsterdam. Hij was de zoon van een joodse vader en een christelijk opgevoede Duitse moeder. Die achtergrond heeft zijn belangstelling voor de Duitse cultuur, met name de muziek, maar ook de literatuur, in hoge mate bepaald. Hij was vooral geïnteresseerd in de joodse bijdragen aan die cultuur. Van Amerongen was een autodidact die zich al vroeg voor klassieke muziek interesseerde en daarover een grote kennis zou verwerven. Een vroeg baantje bij de Stichting Jeugd en Muziek verschafte hem toegang tot die wereld van de muziek.

Van Amerongen begon zijn in 1962 loopbaan als journalist bij de provinciale redactie Friesland van Het Vrije Volk, waar hij het plaatselijke nieuws verzorgde, maar ook al vroeg over Mahler publiceerde. In 1965 trad hij toe tot de redactie van Vrij Nederland, waarin hij tot 1 mei 1984 actief was. Hij legde zijn functie neer naar aanleiding van een intern redactieconflict over het Midden-Oosten. In zijn tijd bij Vrij Nederland verscheen een aantal briefwisselingen met bekende publieke persoonlijkheden onder de titel De brieven van Ir. H.A. Schuringa (1981), die geschreven waren door een duidelijk reactionaire auteur. De uitgave bleek een mystificatie waarachter Van Amerongen schuilging. Een bundel fictieve interviews van deze Ir. Schuringa verscheen in 1984 onder de titel De mens centraal. Op 1 januari 1985 werd Van Amerongen hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer.

Van Amerongen besteedde op literair gebied vooral aandacht aan Heinrich Heine. In 1975 verzorgde hij een vertaling van Die Harzreise, waaraan hij een uitvoerig essay onder de titel ‘In het voetspoor van de dichter’ toevoegde (opgenomen in de reeks Privé Domein). In Het matrassengraf (1985, herz. druk 2002) schreef hij over Heines sterfbed. In Heine en Holland (1997) verzamelde hij stukken die hij eerder in De Groene Amsterdammer publiceerde.

Vanuit zijn grote kennis van de muziek schreef Van Amerongen over Bach, Mozart, Schubert en Wagner. Over Bachs Mattheuspassie schreef hij Zijn bliksem, zijn donder (1997), over Mozart een Mozartbrevier (1992). Het meest opzienbarend is toch wel zijn boek over Wagner, met wie na WO II steeds geworsteld is vanwege diens antisemitisme en de nazi-verering die hem ten deel viel. Van Amerongen schreef met De buikspreker van God (Privé Domein, 1983) een essay over Wagner, waarin hij niet alleen de muziek van Wagner analyseert, maar ook de abjecte manier waarop met deze componist is omgesprongen na diens dood.

Martin van Amerongen was tot zijn overlijden in 2002 redacteur van De Muze, een periodiek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest. Hij droeg ook veelvuldig bij aan dit blad met artikelen en columns. Voorts vertaalde hij enkele zedenkomedies van Schnitzler.

 

Uit: De bende van vijftien

 

“Er is gesproken over een ‘duister stel’ (premier Wim Kok) van ‘landverraders’ (de zanger Gerard Joling), een verzameling ‘angsthazen’ (Algemeen Dagblad) respectievelijk een ‘stel alcoholische lolbroeken dat thuis niets te vertellen heeft’ (De Telegraaf). In werkelijkheid betreft het een initiatief van vijftien nette, sociaal redelijk geslaagde, veelal gestudeerde, niet zelden vanwege hun maatschappelijke verdiensten onderscheiden heren die boven een kopje soep hebben gediscussieerd over de – alleszins legitieme – vraag of de republiek wellicht boven de monarchie te prefereren valt.
Een dergelijk ritueel heeft per definitie, mede gezien de avontuurlijke samenstelling van het gezelschap, het karakter van een bijeenkomst van jongensclub De Zwarte Hand, inclusief de jolige, ironische toonzetting van het gesprek. Het is trefzeker in de notulen gedocumenteerd. Daarin is ook de twijfelachtige opmerking opgenomen over de masculien-autochtone achtergrond van de initiatiefnemers, een opmerking die vanzelfsprekend niet serieus is bedoeld. Alsof er in onberispelijke mannen als prof. L. Koopmans, mr. L. van Vollenhoven, drs. J. Kleiterp of prof. A.J. Dunning ook maar de schaduw van dit soort sentimenten zou leven! Ondertussen heeft Dunning, talent scout op jacht naar verse PvdA-kamerleden, problemen omdat een aantal kandidaat-volksvertegenwoordigers het bange vermoeden heeft dat hij wellicht iets tegen landgenoten met een kleurtje zou hebben.
WANT HOE GAAT het in de publicitaire praktijk? Zo’n mislukte grap wordt door De Telegraaf tot monstrueuze proporties (‘Anti-monarchisten weren allochtonen’) opgeblazen, dezelfde krant die zelf sinds jaar en dag elke Marokkaanse fietsendief pleegt te stigmatiseren, liefst inclusief zijn telefoon- en sofinummer. De beschuldiging is gebaseerd op een brief van de schrijver Harry Mulisch die, na lezing van de notulen, verklaarde zich ‘als zoon van twee allochtonen’ niet langer in het Republikeins Genootschap thuis te voelen. Allemaal onzin en aanstellerij, waarbij moge worden gewezen op het feit dat Mulisch’ eigen Herenclub – nomen est omen – in de twintig jaar van zijn bestaan geen vrouw, geen allochtoon, laat staan een allochtone vrouw in zijn gelederen heeft toegelaten, en dat zeker ook nier van plan is ooit te doen.”

 

amerongen

Martin van Amerongen (8 oktober 1941 – 11 mei 2002)

 

 

De Amerikaanse schrijver Benjamin Cheever werd geboren op 8 oktober 1948 in New York. Hij is een zoon van de beroemde schrijver John Cheever en een broer van de eveneens schrijvende Susan Cheever. Cheever schreef tot nu toe vier romans en enkele non-fictie boeken, waaronder The Plagarist, The Partisan, Famous After Death, and The Good Nanny. Ook is hij verantwoordelijk voor de uitgave van The Letters of John Cheever.

Uit: Famous after death

 

„This is NOT Weight Watchers,” she said, and she said it disdainfully. Disdain is what I get from attractive women. Doctor Santarelli is an attractive woman. She was wearing black cowboy boots with white stitching, and a long suede skirt, suitable for riding sidesaddle. Paint a powder smudge on her pale white cheek and she might have stepped out of a TV western. She had everything but the carbine.

No wedding band. But, then, aren’t they supposed to hide their wedding rings for therapy? That way the patient is free to imagine that the doctor is really his mother. Or his lover. Or both. You’re also supposed to pretend that the psychiatrist would still care about you for no money. Which is way too much heavy lifting for this dwarfish imagination.

Doctor Santarelli does seem to think the journal is a good idea. Especially since I’m having so much trouble with my memory. She wants me to spice the entries with current events. “Place yourself in the exterior world,” she says.

I told her about my memory lapses. “I lose whole days,” I told her.

She wanted to know if I’d seen a “real doctor” (her phrase), an internist or a neurologist. I told her that I had been in an auto-mobile accident once, several years ago, and had hit my head, but that afterwards I’d been thoroughly checked. “I seem to be able to function adequately at my job,” I said. “I do what’s expected of me. It’s just that afterward I can’t always bring it to mind.”

“And what is it about the disability that concerns you the most?”

“The bottom line is that I can’t recall what I’ve eaten. I don’t know if I had one bagel with two foil units of cream cheese, or two bagels with one foil unit of cream cheese.”

“You can write that down, too,” she said. “If you want.”

“I might. If I can remember what to write down.”

“Write down whatever you remember,” she said.

“Do you want me to read my journal here?” I asked. “Or you could read it yourself.”

“If you’d like. Not all of it necessarily,” she added, quickly. Ever notice how loath people are to read anything longer than their own horoscope? Not a good sign for those of us in publishing. In any case, the doctor expects that the very process of keeping a diary will be therapeutic. She expects that I will get to know myself. “Find out what you need from life.”

I told her that was simple. “I know what I need from life.”

“And what do you need from life then?”

“I want to be beloved of women. Beloved of many beautiful women. I don’t want them to get tired of me either. I want the women always to feel the way they do when we’ve just met. Or if she’s married to a brute.”

 

cheever_photo1

Benjamin Cheever (New York, 8 oktober 1948)

 

De Franse schrijver en dichter André Theuriet werd geboren op 8 oktober 1833 in Marly-le-Roi. Hij studeerde rechten in Parijs en kwam te werken op hetministerie van financieën, waar hij het bracht tot chef de bureau, tot hij in 1886 met pensioen ging. In 1867 publiceerde hij de dichtbundel Chemin des bois met gedichten die eerder al verschenen waren in de Revue des Deux Mondes;. Theuriet schreef 228 werken, waaronder vele romans, zoals Le Mariage de Gérard, Le Livre de la Payse, Amour d’áutomne en Villa tranquille.

 

 

La chanson du vannier

 

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Brins d’osier, vous serez le lit frêle où la mère
Berce un petit enfant aux sons d’un vieux couplet :
L’enfant, la lèvre encor toute blanche de lait,
S’endort en souriant dans sa couche légère.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Vous serez le panier plein de fraises vermeilles
Que les filles s’en vont cueillir dans les taillis.
Elles rentrent le soir, rieuses, au logis,
Et l’odeur des fruits mûrs s’exhale des corbeilles.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Vous serez le grand van où la fermière alerte
Fait bondir le froment qu’ont battu les fléaux,
Tandis qu’à ses côtés des bandes de moineaux
Se di
sputent les grains dont la terre est couverte.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Lorsque s’empourpreront les vignes à l’automne,
Lorsque les vendangeurs descendront des coteaux,
Brins d’osier, vous lierez les cercles des tonneaux
Où le vin doux rougit les douves et bouillonne.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Brins d’osier, vous serez la cage où l’oiseau chante,
Et la nasse perfide au milieu des roseaux,
Où la truite qui monte et file entre deux eaux,
S’enfonce, et tout à coup se débat frémissante.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Et vous serez aussi, brins d’osier, l’humble claie
Où, quand le vieux vannier tombe et meurt, on l’étend
Tout prêt pour le cercueil. – Son convoi se répand,
Le soir, dans les sentiers où verdit l’oseraie.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Andre-THEURIET

André Theuriet (8 oktober 1833 – 23 april 1907)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 oktober 2006.

 

De Duitse schrijver Jakob Arjouni (pseudoniem van Jakob Bothe) werd geboren op 8 oktober 1964 in Frankfurt am Main.

De Duitse schrijver Nikolaus Becker werd geboren op 8 oktober 1809 in Bonn.

Simon Carmiggelt, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally, Dirkje Kuik, Miguel Delibes, Steven Erikson, Wilhelm Müller

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006 en mijn blog van 7 oktober 2007.

 

Ongerust

 

„Tien uur ’s avonds. In het café was het eb. De bar werd zolang waargenomen door een beleefde Marokkaan die net genoeg Nederlands verstond om je geen arsenicum te geven als je pils vroeg. Er zaten twee ontheemde landgenoten van hem op de krukken, intens luisterend naar de Marokkaanse plaat die in de jukebox zit omdat hier veel gastarbeiders komen. Aan de capriolen van de zingende stem kon je horen hoe ver ze van huis waren.

Aan een tafeltje zat een oud echtpaar koffie te drinken. De man, die iets weg had van een verwoeste held, zei op gepijnigde toon: ‘Wat ’n herrie, hè?’

‘Ik hou wel van levendigheid,’ antwoordde de vrouw. ‘Ik wel. Nou ik eens.’

‘Ik heb altijd hard gewerkt,’ sprak de man mat.

‘Ja, ja…’

‘En ik móést veel in cafés komen voor de zaken.’

‘Ja – en voor de wijven,’ riep ze.

Een zware vrouw was ze, ééns begeerlijk geweest voor een gulzige natuur.

‘Geef mij nou maar eens een lekker likeurtje, daar heb ik nou eens trek in,’ zei ze. De man stond vermoeid op en ging, aan de bar, de Marokkaan duidelijk maken wat zij begeerde. Met veel wijzen op de flessen lukte het.

‘En mij nog een kop koffie,’ voegde hij er toonloos aan toe. Hij leek me uitgewoed, helemaal toe aan pantoffels en leugens. Toen hij terugliep naar het tafeltje, ging de deur open en kwam een veel jonger paar binnen. Begin veertig waren ze. De vrouw liep voorop, nogal snel. Ze was te goed gekleed voor deze kroeg. Een mooi, beweeglijk, wat doorlijnd gezicht had ze. Lachen kon ze wel, maar nu niet. Haar ogen stonden een beetje troebel.

‘Leuk is het hier,’ zei ze, op een kruk klimmend.

‘Vin je?’ vroeg de man omzichtig.

Hij was het er niet mee eens en bleef staan, met één arm leunend op de bar. Bezorgd keek hij naar haar. Hij zag eruit of hij de situatie doorgaans meester was. Maar deze niet.

De Marokkaan vervoerde het blad met het likeurtje en de kop koffie zó krampachtig dat omvallen onvermijdelijk leek. Maar het liep goed af want zijn voetenwerk was zeer soepel. Je hebt ook zulke kunstschaatseressen, die sierlijk over het ijs zweven, maar hun armen bewegen of ze de was ophangen.

‘Ik wil wel een sherrietje,’ zei de vrouw aan de bar.

‘Zou je ’t wel doen?’ vroeg hij. ‘We kunnen misschien beter naar huis gaan.’

Maar de Marokkaan had deze bestelling zonder ondertitels begrepen en zette het glas triomfantelijk voor haar neer.

‘En naar de tv kijken of zo iets?’ vroeg ze geïrriteerd. ‘Dat kan ik nu niet. Ik ben ongerust. Ik ben altijd ongerust als ze met Elly in die danstent is. ’t Soort kerels dat daar komt…’

‘Ach…,’ begon de man.

‘Een kind van veertien hoort daar niet,’ zei ze heftig.

Ze nam een grote slok.

‘Maar ze doet altijd wat ze belooft,’ antwoordde hij zacht, maar toch voor ieder hoorbaar. ‘Als ze zegt: “kwart over twaalf thuis,” dan is ze kwart over twaalf thuis. Ik heb haar geld voor een taxi gegeven. En ze weet dat ze op straat alléén moet lopen waar het licht is en waar mensen zijn. Niet op donkere grachten. Dat heeft ze me belóófd…’

Ze haalde haar schouders op, dronk het glas leeg en zei: ‘Nog een.’

De dikke vrouw aan het tafeltje stond op.

‘Wat ga je doen?’ vroeg de man.

‘Stukkie muziek maken,’ zei ze. ‘Ik hou van levendigheid. En als jij tóch niet praat…’

Ze liep naar de jukebox, deed er geld in en drukte zomaar op een knop.

‘Ik moet Fred nog even bellen over die vergadering, anders wordt het te laat,’ zei de jongeman aan de bar.

‘Doe ’t nou rustig, alsjeblieft. We moeten gewoon zijn, als ze thuiskomt. Gewoon.’

Hij liep naar de telefooncel achterin het café.

Uit de jukebox kwam nu de donkere stem van Cleo Laine. Ze zong ‘There’s something sad’, erg mooi en erg toepasselijk.

‘Vind je dat nou zo’n leuk moppie?’ vroeg de oude man.

‘’t Is muziek, niet?’ riep de vrouw. ‘Ik hou van levendigheid. Van die stilte word ik gek. Jij hebt vroeger genoeg levendigheid gehad.’

De vrouw aan de bar dronk het glas weer leeg en staarde in de spiegel. There’s something sad. Het lied overspoelde haar, als mist. De man nam een slok uit zijn kopje en zei: ‘De koffie is hier goed. Een lekker koppie koffie is wat waard.’

 

carmiggelt_kl

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006.

 

 

A Barefoot Boy

 

A barefoot boy! I mark him at his play —
For May is here once more, and so is he, —
His dusty trousers, rolled half to the knee,
And his bare ankles grimy, too, as they:
Cross-hatchings of the nettle, in array
Of feverish stripes, hint vividly to me
Of woody pathways winding endlessly
Along the creek, where even yesterday
He plunged his shrinking body — gasped and shook —
Yet called the water “warm,” with never lack
Of joy. And so, half enviously I look
Upon this graceless barefoot and his track, —
His toe stubbed — ay, his big toe-nail knocked back
Like unto the clasp of an old pocketbook.

 

 

 

A Noon Interval

 

A deep, delicious hush in earth and sky —
A gracious lull–since, from its wakening,
The morn has been a feverish, restless thing
In which the pulse of Summer ran too high
And riotous, as though its heart went nigh
To bursting with delights past uttering:
Now–as an o’erjoyed child may cease to sing
All falteringly at play, with drowsy eye
Draining the pictures of a fairy-tale
To brim his dreams with–there comes o’er the day
A loathful silence wherein all sounds fail
Like loitering sounds of some roundelay . . .
No wakeful effort longer may avail —
The wand waves,
and the dozer sinks away.

 

James-Whitcomb-Riley

James Whitcomb Riley (7 oktober1849 – 22 juli 1916)

 

De Australische schrijver Thomas Keneally werd geboren op 7 oktober 1935 in Sydney. Aanvankelijk studeerde hij voor priester, maar brak die opleiding af en studeerde rechten. In de jaren ’60 begon hij al met het schrijven van verhalen. De eerste bekende roman die hij schreef was “The Chant Of Jimmy Blacksmith” (1972), over rassendiscriminatie tegen de Aboriginals.

In 1982 schreef hij zijn meest bekende boek, namelijk “Schindler’s Ark”, over de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Dit boek werd later succesvol verfilmd door Steven Spielberg onder de naam “Schindler’s List”.

 

Uit: Schindler’s Ark

 

“General Sigmund List”s 5 armored divisions, driving north from the Sudetenland, had taken the sweet south Polish jewel of Cracow from both flanks on September 6, 1939. And it was in their wake that Oskar Schindler entered the city which, for the next five years, would be his oyster. Though within the month he would show that he was disaffected from National Socialism, he could still see that Cracow, with its railroad junction and its as yet modest industries, would be a boomtown of the new regime. He wasn”t going to be a salesman anymore. Now he was going to be a tycoon.

It is not immediately easy to find in Oskar”s family”s history the origins of his impulse toward rescue. He was born on April 28, 1908, into the Austrian Empire of Franz Josef, into the hilly Moravian province of that ancient Austrian realm. His hometown was the industrial city of Zwittau, to which some commercial opening had brought the Schindler ancestors from Vienna at the beginning of the sixteenth century.

Herr Hans Schindler, Oskar”s father, approved of the imperial arrangement, considered himself culturally an Austrian, and spoke German at the table, on the telephone, in business, in moments of tenderness. Yet when in 1918 Herr Schindler and the members of his family found themselves citizens of the Czechoslovak republic of Masaryk and Benes, it did not seem to cause any fundamental distress to the father, and even less still to his ten-year-old son. The child Hitler, according to the man Hitler, was tormented even as a boy by the gulf between the mystical unity of Austria and Germany and their political separation. No such neurosis of disinheritance soured Oskar Schindler”s childhood. Czechoslovakia was such a bosky, unravished little dumpling of a republic that the German-speakers took their minority stature with some grace, even if the Depression and some minor governmental follies would later put a certain strain on the relationship. Zwittau, Oskar”s hometown, was a small, coal-dusted city in the southern reaches of the mountain range known as the Jeseniks. Its surrounding hills stood partly ravaged by industry and partly forested with larch and spruce and fir. Because of its community of German-speaking Sudetendeutschen, it maintained a German grammar school, which Oskar attended. There he took the Real-gymnasium Course which was meant to produce engineers—mining, mechanical, civil—to suit the area”s industrial landscape. Herr Schindler himself owned a farm-machinery plant, and Oskar”s education was a preparation for this inheritance.”

keneally

Thomas Keneally (Sydney, 7 oktober 1935)

 

De Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik werd geboren in Utrecht op 7 oktober 1929. De in Utrecht wonende en werkende Dirkje werd geboren als William Diederich Kuik. In 1977 ging Kuik de voornaam Dirkje bezigen en in 1979 liet Kuik zich in een ziekenhuis in Londen opereren en ging sindsdien geheel door het leven als vrouw. Over haar operatie, haar belevenissen als genderdiasporapatiënt, zoals zij het noemde en hoe zij haar leven na de operatie weer oppakte schreef ze uitgebreid, met name in Huishoudboekje met rozijnen.

Kuik studeerde enige tijd aan de Rijksacademie voor beeldende kunst in Amsterdam, was kunstrecensent bij Het Parool en tekende voor Vrij Nederland. In 1960 richtte Kuik samen met Moesman en Van Maarseveen het grafisch gezelschap De Luis op. Deelnemende kunstenaars met uiteenlopende ideeën wisselden elkaar af gedurende twintig jaar.

Als graficus, illustrator en tekenaar legde ze zich toe op stadsgezichten, figuurvoorstellingen en portretten, daarnaast was ze schrijver en dichter. Als dichter debuteerde ze in 1969 met de bundel 45 Gedichten, nog onder de naam William D. Kuik. Het werk wordt gezien als belangrijke bijdrage tot de Nederlandse neoromantische stroming. Voor Utrechtse Notities uit 1969 ontving ze de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam. De door Kuik zelf geïllustreerde feuilleton De held van het potspel uit 1974 werd bekroond met de Vijverbergprijs.

 

 

Geesten van stand

 

Geesten van stand wonen, men weet het,
gaarne onder een steen.
En niet alleen in het theehuis denkt men zo beminde,
de schorpioen, de grijze pissebed, de vaal gezinde
muis kan het u vertellen.
Vreemd volk, vriendelijk voor vrienden, vreselijk voor vijanden,
zegt toch ook het boek
met gekleurde houtgravure, kleur van broodjes
harde waterverf, turks het rood, berlijns het blauw
vervuld de kinderhand.

 

kuik_boyer

Dirkje Kuik (7 oktober 1929 – 18 maart 2008)

 

De Spaanse schrijver Miguel Delibes werd op 7 oktober 1920 in Valladolid geboren. Hij volgde o/a/ tekenonderwijs aan de Escuela de Artes y Oficios. In 1938 meldde hij zich als vrijwilliger bij de marine. Later studeerde hij economie en rechten en volgde hij ook nog een snelcursus journalistiek in Madrid.
In 1941 begon Miguel Delibes als tekenaar bij de krant “El norte de Castilla” In 1944 werd hij redacteur van diezelfde krant. Na banen bij een bank en als leraar werd hij vanaf 1945 als schrijver actief. In 1947 verscheen zijn eerste werk “La sombra del Ciprés es alargada” waar hij een jaar later de Premio Nadal voor ontving. 1962 verfilmde Ana Mariscal zijn roman El camino; dat was de start van meer films, gebaseerd op zijn werk. Delibes ontving o.a. de staatprijs voor Spaanse literatuur en de Cervantes prijs.

 

Uit:  Mein vergötterter Sohn Sisí  (Mi idolatrado hijo Sisí, vertaald door Lisa Grüneisen)

 

Das Unternehmen »Sanitärbedarf Cecilio Rubes« besaß 1917 drei große Schaufenste
r zur Straße hin, elektrische Beleuchtung, eine gute Heizung und einen geräumigen Verkaufsraum, randvoll mit Sanitärzubehör. Cecilio Rubes war 1917 ein erfahrener Händler, das, was man einen gewieften Geschäftsmann nennt, verbürgt durch eine jahrzehntelange Tradition. Als Kind hatte Cecilio Rubes nichts für die Geschäfte seines Vaters übrig gehabt; er hätte gerne mit der Familientradition gebrochen und einen Beruf ergriffen, der mehr Verstand und Unternehmungsgeist erforderte, doch Cecilio Rubes ließ die entscheidenden Jahre verstreichen, vielleicht, weil er nicht das war, was man unter einem intuitiven, tatkräftigen Menschen versteht, vielleicht, weil der Handel mit Sanitärwaren den Rubes unabänderlich im Blut lag.
Um sieben Uhr am Heiligabend 1917 waren die Lichter im Geschäft »Sanitärbedarf Cecilio Rubes« gelöscht, und die weiße Keramik strahlte im Halbdunkel – dem schwachen, grünlich schimmernden Gaslicht, das durch die drei großen Fenster von der Straße hereinfiel – die unwirkliche, erstarrte Reglosigkeit eines verlassenen Friedhofes aus.
Im hinteren Teil des Geschäfts befanden sich die Büros. In jenem von Valentín, dem Buchhalter, brannte Licht, und in diesem Augenblick sagte Cecilio Rubes, der mit den Daumen unter den Achselhöhlen dastand, stockend, so als kostete es ihn Mühe, den gewaltigen blonden Schnurrbart zu bewegen, um seiner Stimme Durchlaß zu verschaffen:
»Es ist so, Valentín. An Heiligabend bin ich sonst immer ein wenig milder gestimmt, aber heute … Nun, heute bin ich nicht milder gestimmt, sondern kälter als gewöhnlich. Etwas Merkwürdiges geht mit mir vor.«
Der Buchhalter, der über einer Kladde saß, war alt und hatte seine Lesebrille auf die Stirn geschoben. Er echote:
»…etwas Merkwürdiges geht mit mir vor … Auch Ihr Vater erforschte jede Weihnachten sein Gewissen und war besonders vertraulich an diesem Abend, Señor Rubes. Das ist so bei gutherzigen Menschen wie Ihnen und Ihrem Herrn Papa.«
Cecilio Rubes vollführte eine unbestimmte Geste mit seiner feisten, weichen, gepflegten Hand. Vielleicht war seine Geste Ausdruck eines unterschwelligen Überdrusses. Cecilio Rubes fragte:
»Glauben Sie, daß ein Mann von fünfunddreißig Jahren des Lebens so überdrüssig sein kann, daß er nicht mehr leben möchte?«
Der Buchhalter richtete sich auf. In seinem gleichmütigen Gesicht zeigte sich ein wenig Furcht; sein Bärtchen bebte leicht. Er antwortete:
»…nicht mehr leben möchte … Ich denke schon. Aber das trifft nicht auf Sie zu, Señor Rubes. Sie leiten eines der angesehensten Unternehmen der Stadt, und Sie haben eine wunderbare Frau und ein schönes Haus, das Leben meint es gut mit Ihnen.«

 

miguel-delibes

Miguel Delibes (Valladolid,  7 oktober 1920)

 

De Canadese schrijver, archeoloog, antropoloog Steven Erikson (pseudoniem van Steve Rune Lundin) werd geboren in Toronto op 7 oktober 1959. Hij groeide op in Winnipeg. Erikson is opgeleid tot antropoloog en archeoloog en tevens afgestudeerd aan de Iowa Writer’s Workshop.

Zijn eerste fantasieboek Gardens of the Moon (1999) is tevens het eerste boek van het “Malazan Book of the Fallen”. Het werk zal uiteindelijk uit tien delen bestaan. De boeken beschrijven vele personages en culturen. Erikson bedacht de Malazan wereld samen met Ian Cameron Esslemont.

 

Uit: Toll the Hounds

 

“Surrounded in a city of blue fire, she stood alone on the balcony. The sky’s darkness was pushed away, an unwelcome guest on this the first night of the Gedderone Fete. Throngs filled the streets of Darujhistan, happily riotous, good- natured in the calamity of one year’s ending and another’s beginning. The night air was humid and pungent with countless scents.

There had been banquets. There had been unveilings of eligible young men and maidens. Tables laden with exotic foods, ladies wrapped in silks, men and women in preposterous uniforms all glittering gilt – a city with no standing army bred a plethora of private militias and a chaotic proliferation of high ranks held, more or less exclusively, by the nobility.

Among the celebrations she had attended this evening, on the arm of her husband, she had not once seen a real officer of Darujhistan’s City Watch, not one genuine soldier with a dusty cloak- hem, with polished boots bearing scars, with a sword- grip of plain leather and a pommel gouged and burnished by wear. Yet she had seen, bound high on soft, well- fed arms, torcs in the manner of decorated soldiers among the Malazan army – soldiers from an empire that had, not so long ago, provided for Darujhistan mothers chilling threats to belligerent children. ‘Malazans, child! Skulking in the night to steal foolish children! To make you slaves for
their terrible Empress – yes! Here in this very city!’

But the torcs she had seen this night were not the plain bronze or faintly etched silver of genuine Malazan decorations and signi.ers of rank, such as appeared like relics from some long- dead cult in the city’s market stalls. No, these had been gold, studded with gems, the blue of sapphire being the commonest hue even among the coloured glass, blue like the blue .re for which the city was famous, blue to proclaim some great and brave service to Darujhistan itself.

Her fingers had pressed upon one such torc, there on her husband’s arm, although there was real muscle beneath it, a hardness to match the contemptuous look in his eyes as he surveyed the clusters of nobility in the vast humming hall, with the proprietary air he had acquired since attaining the Council. The contempt had been there long before and if anything had grown since his latest and most triumphant victory.”

 

eriksonsnovels

Steven Erikson (Toronto, 7 oktober 1959)

 

De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006.

 

Wanderschaft

 

Das Wandern ist des Müllers Lust,
Das Wandern!
Das muß ein schlechter Müller sein,
Dem niemals fiel das Wandern ein,
Das Wandern.

Vom Wasser haben wir’s gelernt,
Vom Wasser!
Das hat nicht Rast bei Tag und Nacht,
Ist stets auf Wanderschaft bedacht,
Das Wasser.

Das sehn wir auch den Rädern ab,
Den Rädern!
Die gar nicht gerne stille stehn,
Die sich mein Tag nicht müde drehn,
Die Räder.

Die Steine selbst, so schwer sie sind,
Die Steine!
Sie tanzen mit den muntern Reihn
Und wollen gar noch schneller sein,
Die Steine.

O Wandern, Wandern, meine Lust,
O Wandern!
Herr Meister und Frau Meisterin,
Laßt mich in Frieden weiter ziehn
Und wandern.

 

muller

Wilhelm Müller (7 oktober 1794 – Dessau, 1 oktober 1827)

Zeventig jaar Victor Vroomkoning, Ferdinand von Saar, Peter Gosse, Horst Bingel, Ludwig Begley

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Hij is vandaag dus zeventig jaar geworden. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2006 en ook mijn blog van 6 oktober 2007.

 

 

Buddléia

 

Wat weten vlinders van augustus?
De buddléia bloeit, ze nemen het
ervan. Je dochter kan dat eigenlijk
niet aan, zo ijl, zo flinterdun

 

haar jurk. Je bent haar vader maar
kunt kijken als een man. Waar eindigen
haar poten? Hoge zomen vangen wind,
de zomer raakt nu op zijn bangst.

 

Ze fladdert weg, je kijkt haar na zoals
de vriend die laatst iets ongelukkigs
zei toen zij op haar fiets passeerde.

 

Later als het licht de middag heet
en scherp maakt bij de sloot aan gene
zijde jaagt een man bij de buddléia ‘s.

 

 

 

De Belgische Ardennen

 

Heel bemoedigend natuurlijk
al die therapeutische sparren:
de een begrijpt je, een ander
peinst met je mee, een derde
slaat wat takken om je heen
maar allemaal met dat sombere
smoelwerk. Alles druppelt,
druipt, snottert, wasemt, sopt.
Hout dat wil verzoenen, helen,
meeleeft, meewaait, maar vooral
meemiezert. Om de dooie
dood geen bouwvakkerspark waar
iedereen vrolijk luidruchtig
maar wat aanrotzooit. Nee,
hier introverte riviertjes,
survivalinspanninkjes, feedback-
uitspanninkjes. Intellectueel
woud-voertaal beschaafd Hollands-
onder een stolp van eeuwige mist.
En overal creaturen die de door
melancholie bevangen dichter uithangen.

 

 

 

OM DE BEURT

En het geschiedde in de vrije jaren zeventig
dat de Buwalda’s helemaal uit Groningen
ten behoeve van partnerruil met doosje en
apparaat voor onze Gelderse deur verschenen.

Nadat mevrouw zich weldra bloot als een vis
op ons vloerkleed had uitgestrekt, begon meneer
een preekbeurt over het hoe en het wat van het wad
dat hij tegen een vrijgemaakte wand projecteerde.

Terwijl ik aan zijn vrouw zat, raakte de
mijne verstrikt in de netten van de droog-
kloot in geitenwollen sokken en open sandalen.
Eindelijk een vent die van haar af bleef.

Jaren later begreep ik de draagwijdte van zijn
vertoog: soms was het wad, meestal was het
niet. Wij hielden het op den duur niet droog
werden schipbreukelingen zonder compassie.

vroomkoning

Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2006.

 

 

Alter

 

Das aber ist des Alters Schöne,
Daß es die Saiten reiner stimmt,
Daß es der Lust die grellen Töne,
Dem Schmerz den herbsten Stachel nimmt.

 

Ermessen läßt sich und verstehen
Die eigne mit der fremden Schuld,
Und wie auch rings die Dinge gehen,
Du lernst dich fassen in Geduld.

 

Die Ruhe kommt erfüllten Strebens,
Es schwindet des Verfehlten Pein –
Und also wird der Rest des Lebens
Ein sanftes Rückerinnern sein.

 

 

Der Ziegelschlag

Weit gedehnte, öde Strecken,
schmutziggelbe Wassertümpel,
einsam ragt der Schlot des Ofens
über morsche Bretterschuppen.

Fahle Menschen, wie geknetet
aus dem fahlen Lehm des Bodens,
drin sie wühlen, treiben lautlos
Jahr um Jahr hier ödes Handwerk.

Füllen und entleeren Truhen,
mischen, treten, streichen, schlichten,
so des Backsteins ewig gleiche
Form verdrossen wiederholdend.

Träge ziehn vorbei die Stunden;
aufgelöst in Staub und Hitze
oder rings in Kot zerfließend,
scheint die Welt auch hier zu Ende.

Von_Saar

Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Peter Gosse werd geboren in Leipzig op 6 oktober 1938. Gosse rondde een technische studie af in Moskou en werkte eerst als ingenieur. Vanaf 1968 was hij zelfstandig schrijver in de DDR. Sinds 1985 was hij docent poëzie aan het Literaturinstitut “Johannes R. Becher” in Leipzig. In 1993 kwam hij er in de directie. Sinds 2008 is hij waarnemend president van de Sächsischen Akademie der Künste.

 

 

Das Verhältnis

So schön Du bist – Du bist mirs nicht auf Dauer,
sag ich zu ihr, die neben mir liegt nackt
und sich statt nackt nun platt entblößt fühlt. Fakt,
sag ich, ist Fakt: je länger desto lauer.

Nicht daß mich, was ich red, nicht irritierte.
Ich will ihr Gutes, doch was ist das: gut?
Sie griff schon unters Sofa nach dem Hut.
Nun quält uns zart das Frösteln der Begierde.

Mein Kaltsinn ists, der ihrer Glieder Beben
anfeuert, dann ersäuft in Glück. (Verfiel
ich ihr kurzatmig-innig, wie sie will –
der Wollust tiernes Ganz verfiel, das Leben.)

Sie will beherrscht sein, ich will herrschen. – Wüst.
Lust ist, weil Zwistes Tränensalz uns süßt.

 

gosse

Peter Gosse (Leipzig op 6 oktober 1938)

 

De Duitse dichter, schrijver, graficus en uitgever Horst Bingel werd geboren in Korbach op 6 oktober 1933. Na een opleiding tot boekhandelaar studeerde hij schilderkunst en beeldhouwkunst. Van 1957 tot 1969 was hij als redacteur en uitgever betrokken bij het blad „Streit-Zeit-Schrift“. In 1965 richtte hij het Frankfurter Forum für Literatur op. Bingel was uitgever van verschillende bloemlezingen en organiseerde talloze schrijversbijeenkomsten. Van 1983 tot 1985 was hij stadsschrijver van Offenbach am Main. „Das Fragegedicht“ ontstond in 1964 tijdens de Auschwitz processen en verscheen  januari 1965 in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Het gedicht was wekenlang onderwerp van een controverse in de lezersbrieven.

 

 

Fragegedicht

(Wir suchen Hitler)

 

Hitler war nicht in Deutschland

niemals

haben sie wirklich herrn Hitler gesehen

Hitler ist eine erfindung

 

man wollte uns

wie damals

die schuld

Hitler ist eine erfindung

dekadent

ihre dichter

 

für Hitler

erstmals

den Nobelpreis

für ein kollektiv

Hitler

 

eine deutsche Frau

ist nicht für Hitler

die deutschen frauen

nicht

sie tun es

die pfarrer

am sonntag frühmorgens

niemand hat Hitler gesehen

 

niemand hat Hitler gesehen

Hitler ist ein gedicht

nur an gedichten

sterben sie nicht

 

in blauen Augen

wird Hitler

kein unheil anrichten

wer hat gesagt

die Juden die Deutschen die Polen

gibt es nicht

 

Hitler ist eine erfindung

der bösen der guten der bösen

wer so etwas

wir aber werden

verzeihen

poesie

das hebt

heraus

Hitler ist keine nationaldichtung

wir waren schon immer

verderbt

durch fremdländisches

 

Hitler ist

internationale poesie

Goethe hat es

geahnt

Goethe unser

 

Hitler hat inspiriert

autobahnen

briefmarken

wir haben Hitler

umgesetzt

wirtschaftlich autark

nichts wurde fortan

unmöglich

 

Hitler

unsere stärke

war

fremdländisches

umzusetzen

umzusetzen

wir haben Hitler

assimiliert geschluckt

Hitler

ich

du

Hitler

ohne ende ohne

kein ende

ich

du

wir fragen nach

Hitler

 

Hitler

wir

Hitler

aber wir fragen

 

 

Bingel

Horst Bingel (6 oktober 1933 – 14 april 2008)

 

De Amerikaanse schrijver Louis Begley werd geboren als Ludwig Beglejter op 6 oktober 1933 in Stryj (toen Polen, tegenwoordig Oekraïne). Tijdens WO II werd zijn vader gedwongen dienst te nemen in het Russische leger. Louis vluchtte met zijn moeder naar Warschau om aan het ghetto te ontsnappen. In de herfst van 1945 verliet de familie, inmiddels weer herenigd, Polen, en emigreerde via Parijs naar de VS. Begley studeerde aan de Harvard University rechten. John Updike was een van zijn jaargenoten bij het vak Engelse literatuur, dat hij daarnaast ook nog als studie had gekozen. Zijn debuutroman Wartime Lies beschrijft
de gebeurtenissen tijdens de holocaust in Polen. Latere romans spelen in de Amerikaanse upper class. Zijn boek Schmidt werd met Jack Nicholson in de hoofdrol verfilmd. (About Schmidt)

 

Uit: Matters of Honor

 

„This is my first memory of Henry: I stand at the door of one of the three bedrooms of the ground floor suite in the college dormitory to which I have been assigned. At the open window, with his back to me, a tall, slender, red-haired boy is leaning out and waving to someone. He has heard my footsteps, turns, and beckons to me saying, Take a look, a beautiful girl is blowing kisses to me. I’ve never seen her before. She must be mad.

I went to the window. Not more than ten feet away, a girl standing on the grass was indeed blowing kisses and waving her hand in the direction of our window. Between kisses, she grinned, her mouth made to seem very large by a thick layer of red lipstick. She wore a suit of beige tweed, dark green stockings, and a Tyrolean hat with a little pheasant feather. A couple of paces away from her I saw a middle-aged woman, in darker tweeds and a brown fedora. Something about her—the hat? an air of haughty distinction?—made me think of Ingrid Bergman in Casablanca, about to board the plane for Lisbon. I assumed, partly on account of their similar dress, that she was the girl’s mother.

Several undergraduates had stopped on the path leading diagonally to the far corner of the Widener and were gawking at the scene. Neither the daughter’s antics nor the audience they had attracted seemed to disturb the mother. But after a few more minutes she said something in a voice too low for us to hear, and the girl, having blown one more kiss, threw up her arms in theatrical despair. They strolled away.

I’m in love, sighed the red-haired boy. I want to throw myself at her feet.

Why don’t you? I replied, only half kidding. It’s not too late. Climb out the window right now and you won’t even have to run to catch them.

Oh no, he wailed, I can’t. Why did this have to happen today, when I’m not prepared?

As there wasn’t a trace of irony in his voice or expression, I should have let the subject drop. Instead, I told him that, while a formal declaration might be premature, no harm could come of his proposing a cup of coffee in the Square.

He shook his head bitterly. I don’t dare, he said. Don’t you see how splendid she is? Penthesilea in tweeds! None but the son of Peleus could tame her. I am unworthy even of her scorn.

His face was a mask of discouragement.

I suppose that I shrugged. That or perhaps the expression on my face must have told him that I thought he had gone overboard. He recomposed his face into a bland smile and said, I suppose you are one of my roommates. I’m Henry White . . . from New York.”

 

begley

Louis Begley (Stryj, 6 oktober 1933)

Charlotte Link, Václav Havel, Roberto Juarroz, Stig Dagerman, Flann O’Brien

De Duitse schrijfster Charlotte Link werd geboren op 5 oktober1963 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2007.

 

Uit: Die Insel

 

„Nachts hatte er Mordgedanken. Er konnte nicht schlafen, obwohl er den ganzen Tag am Meer entlanggelaufen, durch den schweren, nassen Sand dicht an der Brandung gestapft war, obwohl er so viel frische Luft in den Lungen hatte, dass es für Jahre hätte reichen müssen .. . nicht zu vergessen den Whisky, den er abends noch getrunken hatte, um sein Elend zu vergessen und müde genug zu werden, die quälenden Bilder verscheuchen und einschlafen zu können. Er hatte sich immer als Pazifist bezeichnet, hatte jede Art von Gewalt als primitiv erachtet, hätte nie geglaubt, dass er sich einmal mit Gewaltphantasien herumschlagen würde. Aber nun tat er es. Er konnte an gar nichts anderes mehr denken.

Er wünschte dem fetten, alten, reichen Kerl jede nur vorstellbare schwere Krankheit an den Hals. Er sah ihn mit einem Messer im Herzen, mit einem Gewehrlauf an der Schläfe. Er sah ihn im Meer ertrinken und als hässliche, aufgequollene Leiche bei Flut an den Strand gespült werden. Er sah ihn vergiftet, gevierteilt, erhängt, verbrannt.

Und er sah sich als den Täter, sah sich hängen, sich gevierteilt, sich ertränkt. Sein Körper schwamm im Schweiß bei diesen Vorstellungen. Sein Atem ging schneller. Das Entsetzen über sich selber lag im ständigen Gefecht mit dem Hass, den er für das Opfer empfand.

Das bin ich nicht, dachte er, setzte sich auf und knipste das Licht an, das kann nicht ich sein. Es ist

ein anderer. Das Zimmer sah so freundlich und harmlos aus wie immer. Das typische Wohnzimmer in einem typischen Ferienappartement: billiger Tisch, billige Stühle, billige Schränke. Alles praktisch, zweckdienlich, robust und von ausgesuchter Scheußlichkeit. Aber trotzdem freundlich. Bunte Vorhänge und zwei gerahmte Fotografien von Sonnenuntergängen am Strand bei Rantum an der Wand. Ein Strauß Blumen auf dem Fernseher. Den hatte die Vermieterin dort hingestellt, zumindest nahm er das an. Niemand sonst kam hier herein, und sie war heute zum Putzen da gewesen. Er hatte die Blumen vorgefunden, als er spätabends von Strand und Kneipe zurückgekommen war. Die Blumen – hellrosa Strauchrosen – waren ihm sofort aufgefallen, und im ersten Moment hatte er geglaubt, Clara sei wieder da. Sein Herz hatte zu jagen begonnen, sein Mund war in Sekundenschnelle ausgetrocknet.

Doch dann hatte er festgestellt, dass sie nicht da war und dass nichts hier darauf hinwies, dass sie überhaupt je da gewesen war. Er konnte nicht ein Kleidungsstück von ihr entdecken, auch

nicht Schuhe oder eine Handtasche. Keine Spur von Kosmetika im Bad, keine zweite Zahnbürste.

Von Clara stammten die Rosen nicht. Warum stellt mir die Alte Rosen ins Zimmer?, hatte er aggressiv gedacht, war kurz versucht gewesen, Vase samt Rosen vom Fernseher zu fegen. Sie soll hier putzen und mich im Übrigen in Ruhe lassen, dafür bekommt sie ihr Geld, verdammt!“

 

 Link

Charlotte Link (Frankfurt am Main, 5 oktober 1963)

 

 

De Tsjechische schrijver en politicus Václav Havel werd op 5 oktober 1936 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2006.

 

Uit: Fassen Sie sich bitte kurz

„Vor allem möchte ich mich ein wenig gegen den Titel «Star im Thea­ter der Opposition» verwahren. Zum Ersten haben wir alles dafür getan, dass wir nicht aufgeteilt wurden in «Stars» und die Übrigen. Je bekannter jemand von uns war, und daher auch etwas geschütz­ter, desto mehr trat er zur Verteidigung der weniger Bekannten und daher Verletzlicheren auf. DasRegime hielt sich nämlich an das Prinzip «Teile und herrsche». Dem einen sagten sie: «Wie können Sie sich, ein von allen respektierter, gebildeter Mensch, mit solchen Nichtsnutzen abgeben?», dem anderen: «Fang mit denen nichts an, die stehen unter Naturschutz, die lügen sich immer irgendwie heraus und dich lassen sie dann sitzen, damit du alles für sie auslöffelst.» Es ist begreiflich, dass wir in einer solchen Situation besonderen Wert auf den Grundsatz der Gleichheit aller legten, die sich irgend­wie oppositionell äußerten. Zum Zweiten: Sie wissen sehr gut, wie ich ständig an mir selbst zweifle, wie ich mir alles Mögliche und Unmögliche vorwerfe, wie ich mir selbst nicht gefalle; ein solches Individuum kann nur schwer ohne Protest die Behauptung ertragen, ein «Star» gewesen zu sein. Andererseits muss ich zugestehen, dass ich wohl eine bestimmte integrative Fähigkeit habe: als Mensch, der dicke Luft, Konflikte und Konfrontationen unmittelbar physisch nicht erträgt, besonders, wenn sie mehr oder weniger überflüssig sind, und der es darüber hinaus nicht gern hat, wenn sich das Ge­spräch ohne sichtbares Ergebnis immer nur im Kreis dreht, habe ich mich stets bemüht, Menschen zusammenzubringen, zu ihrer Über­einstimmung beizutragen und eine Art und Weise zu finden, den gemeinsamen Standpunkt in eine sichtbare Tat zu verwandeln. Viel­leicht waren es gerade diese meine Eigenschaften, die mich schließ­lich immer – ohne dass ich das wollte oder danach gestrebt hätte – in den Vordergrund trugen, weshalb ich dann manchen wohl als «Star» erscheinen mochte. Nun aber endlich zum Kern Ihrer Frage: Ich glaube nicht, dass sich in meinem Leben eine irgendwie deut­liche Zäsur zwischen der Zeit finden lässt, als ich mich nicht mit Politik befasste, und der Zeit, in der ich dies tat. In einem gewissen Maße habe ich mich mit Politik oder öffentlichen Angelegenheiten immer befasst, und in einer gewissen Weise war ich immer – auch als «bloßer» Schriftsteller – eine politische Erscheinung. In totalitä­ren Verhältnissen ist eben eigentlich alles Politik, zum Beispiel auch ein Rock-Konzert. Unterschiede gab es selbstverständlich in der Art oder Sichtbarkeit der politischen Wirkung dessen, was ich tat: In den sechziger Jahren war es anders als in den Achtzigern. Der ein­zige wirklich umbruchartige Augenblick in meinem Leben war von diesem Gesichtspunkt aus meine Entscheidung im November 1989, die Kandidatur zum Präsidenten anzunehmen. Ab damals ging es nicht mehr allein um die politische Wirkung meines Tuns, sondern auch um eine politische Funktion – mit allem, was damit verbunden ist. Ich habe bis zur letzten Sekunde gezögert.”

Havel

Václav Havel (Praag, 5 oktober 1936)

 

 

 

De Argentijnse dichter, essayist en literatuurwetenschapper Roberto Juarroz werd geboren in Coronel Dorrego 1925. Hij werd bekend door zijn “Poesía vertical” (Verticale poëzie). Juarroz publiceerde veertien dichtbundels, opeenvolgend genummerd 1 tot 14, onder de verzameltitel “Poesía vertical“. De eerste verscheen in 1958 en de laatste, postuum, in 1997. De poezië van Juarroz is sober en soms cryptisch. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Latijns-Amerikaanse dichters van de twintigste eeuw.

 

 

Loving Against Love

 

Entering into the intimate cruelty

of correcting one with two,

but not with three.

Taking care of the trunk more than the

fruit

and nesting, if necessary,

on the fallen trunk,

on its bare root.

Insisting sometimes on the fl ower,

but without the theft of cutting it

or seizing its perfume.

And when two or longer correct one,

to retrieve the cruelty of loving against

love

and traveling toward zero,

only in the direction of zero.

 

 

Where Does Autumn Descend to?

 

Where Does Autumn Descend to?

What does it look for under things?

Why does it drag down all the colors

as if it must fade whatever falls?

And where do we descend to

like small portable autumns?

Where do we go down to even though

autumn ends?

What disordered light

undermines our foundations or erases

them?

Or does life lack foundations

and light only swim in emptiness?

Autumn pulls us

toward a depth that doesn’t exist.

All the while

we continue looking up toward a height

that exists even less.

 

 

Vertaald door Mary Crow

 

 

 

De taalobsessies,
zoals alle obsessies,
bezoeken ons ’s nachts.
Soms als wij wakker zijn,
maar bijna altijd als wij slapen.

Dan leren wij af
wat wij schijnbaar weten
en inaugureren wij
wat wij schijnbaar niet weten.

Daarom
worden gedichten ’s nachts geschreven,
hoewel zij zich soms als licht vermommen.
Of als ze overdag worden geschreven,
veranderen ze de dag in nacht.

 

Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu

 Juarroz

Roberto Juarroz (5 oktober 1925 – 31 maart 1995)

 

 

 

De Zweedse schrijver en journalist Stig Dagerman werd geboren op 5 oktober 1923 in Älvkarleby. In de jaren ’40 van de twintigste eeuw was Stig Dagerman een van de meest prominente Zweedse schrijvers. Omdat zijn vader geen mogelijkheden en middelen had om hem op te voeden groeide Stig op bij zijn grootouders in Älvkarleby. Enige maanden na zijn geboorte had Stig’s moeder de boerderij en haar kind verlaten om nooit weer terug te keren. In tegenstelling tot verhalen die de ronde doen omschreef Stig zijn kinderjaren als de gelukkigste periode van zijn leven. Als tiener voelde hij zich al aangetrokken tot het syndicalisme. Hij werd lid van de Syndicalistische Jeugd Federatie. Deze idealen is hij zijn leven lang trouw gebleven.

In de jeugdfederatie ontwikkelde hij zijn talent als schrijver en redacteur. Stig werd redacteur van de krant van de beweging (Storm). Later zou hij bijdragen leveren aan Arbetaren, een andere krant binnen de syndicalistische beweging. Toen Stig zijn militaire dienstplicht vervulde woedde in de rest van Europa de Tweede Wereldoorlog. In zijn vroege werk spelen zijn ervaringen tijdens de mobilisatie een belangrijke rol. Stig was pas 22 jaar oud toen hij zijn debuut maakt met de roman Ormen. Dit was een los geconstrueerde vertelling met horror als belangrijkste thema. De critici waren opgewonden en Stig kreeg een reputatie als briljant auteur. Hij nam ontslag bij Arbetaren en werd full-time schrijver. In de volgende vier jaren produceerde Stig een grote hoeveelheid literatuur. Zijn tweede roman, De dömdas ö (Eiland der Verdoemden) verscheen in 1946. In 1954 pleegde Stig zelfmoord in de garage van zijn huis. Dit werd wederom een literair thema in het werk van andere schrijvers, waaronder Jeroen Brouwers.

 

Uit: To kill a child

„It’s not far to Larson’s, it’s only across the road and while the child runs across the road the little blue car enters the second village. It’s a small village with small red houses and newly awake people who sit in their kitchens with their coffee cups raised and watch the car drive by on the other side of the hedge with a large cloud of dust trailing behind it. It goes very fast and the man in the car sees the apple trees and the freshly tarred telephone poles glimpse by like grey shadows. Summer flows through the windows, they race out of the village, they lie in the middle of the road nice and secure and alone – as yet. It’s good to drive all alone on a soft, broad road and out on the plain it goes even better. The man is happy and strong and with his right elbow he feels his woman’s body. He is not an evil man. He’s hurrying to the sea. He couldn’t hurt a wasp, and yet he shall soon kill a child. While they rush towards the third village the girl again closes her eyes and plays that she won’t open them until they can see the sea and she dreams in harmony with the the soft bumps of the car about how serene it will be.

For so uncaring is life constructed that a minute before a happy man kills a child he is still happy and a minute before a woman screams with fear she can close her eyes and dream of the sea and the last minute of a child’s life this child’s parents can sit in the kitchen and wait for sugar and speak of their child’s white teeth and about a rowing boat and the child itself can close a gate and start walking across a road with a few lumps of sugar wrapped in white paper in its right hand and this entire last minute nothing see except a long, shiny river and a broad boat with silent oars.

Afterwards it is all too late. Afterwards a blue car stands on the road and a screaming woman removes her hand from her mouth and the hand is bleeding. Afterwards a man opens a car’s door and tries to stand upright although he has a hole of horror inside himself. Afterwards a few lumps of sugar lie randomly scattered in blood and gravel and a child lies unmoving on its belly with its face tightly pressed against the ground. Afterwards two pale-faced people who have not yet had their coffee run out of a gate and see a sight on the road that they shall never forget. For it is not true that time heals all wounds. Time does not heal a dead child’s wound and and it heals very poorly the pain of a mother who has forgot to buy sugar and sends her child across the road to borrow some and just as poorly does it heal the grief of the once happy man who has killed it.

For he who has killed a child does not go to the sea. He who has killed a child goes quietly home and beside him he has a silent woman with her hand bandaged and in all the villages they pass they see not one happy person. All the shadows are very dark and when they part it is still under silence and the man who has killed the child knows that this silence is his enemy and that he will need years of his life to defeat it by shouting that it wasn’t his fault. But he knows that is a lie and in his nights’ dreams he shall instead wish his life back so he could make this single minute different.

But so uncaring is life against the man who has killed a child that everything after is too late.”

 Dagerman

Stig Dagerman(5 oktober 1923 – 5 november 1954)

 

 

De Ierse schrijver Flann O’Brien werd geboren op 5 oktober 1911 in Strabane, County Tyrone. Van 1929 tot 1935 studeerde hij in Dublin Iers, Engels en Duits. Al tijdens zijn studie begon hij met schrijven en gaf hij het tijdschrift Blather uit. Daarna werkte hij als ambtenaar van de regering, doceerde een tijdje en schreef voor verschillende tijdschriften. Rond 1940 schreef hij drie romans, waaronder At Swim-Two-Birds en The Third Policeman. Vanaf 1940 begon hij in de Irish Times satires te publiceren onder het pseudoniem Myles na gCopaleen. Deze column, Cruiskeen Lawn, is een voorbeeld van de tweetalige humor die men bij O’Brien vaak vindt. In 1953 moest de schrijver de publieke dienst verlaten omdat hij een satire geschreven had over een minister. Hoewel hij nu meer tijd had om te schrijven kon hij niet aanknopen bij het vroegere succes.

 

Uit: At Swim-Two-Birds

 

„That same afternoon I was sitting on a stool in an intoxicated condition in Grogan’s licensed premises. Adjacent stools bore the forms of Brinsley and Kelly, my two true friends. The three of us were occupied in putting glasses of stout into the interior of our bodies and expressing by fine disputation the resulting sense of physical and mental well-being. In my thigh pocket I had eleven and eightpence in a weighty pendulum of mixed coins. Each of the arrayed bottles on the shelves before me, narrow or squat-bellied, bore a dull picture of the gas bracket. Who can tell the stock of a public-house? Many no doubt are dummies, those especially within an arm-reach of the snug. The stout was of superior quality, soft against the tongue but sharp upon the orifice of the throat, softly efficient in its magical circulation through the conduits of the body. Half to myself, I said:
Do not let us forget that I have to buy Die Harzreise. Do not let us forget that.

Hazreise, said Brinsley. There is a house in Dalkey called Heartrise.

Brinsley then put his dark chin on the cup of a palm and leaned in thought on the counter, overlooking his drink, gazing beyond the frontier of the world.

What about another jar? said Kelly.

Ah, Lesbia, said Brinsley. The finest thing I ever wrote. How many kisses, Lesbia, you ask, would serve to sate this hungry love of mine? – As many as the Libyan sands that bask along Cyrene’s shore where pine-trees wave, where burning Jupiter’s untended shrine lies near to old King Battus’ sacred grave:

Three stouts, called Kelly.

Let them be endless as the stars at night, that stare upon the lovers in a ditch – so often would love-crazed Catallus bite your burning lips, that prying eyes should not have power to count, nor evil tongues bewitch, the frenzied kisses that you gave and got.

Before we die of thirst, called Kelly, will you bring us three more stouts. God, he said to me, it’s in the desert you’d think we were.

That’s good stuff, you know, I said to Brinsley,

A picture came before my mind of the lovers at their hedge-pleasure in the pale starlight, no sound from them, his fierce mouth burying into hers.

Bloody good stuff, I said.

Kelly, invisible to my left, made a slapping noise.

The best I ever drank, he said.

As I exchanged an eye-message with Brinsley, a wheezing beggar inserted his person at my side and said:

Buy a scapular or a stud, Sir.

This interruption I did not understand. Afterwards, near Lad Lane police station a small man in black fell in with us and tapping me often about the chest, talked to me earnestly on the subject of Rousseau, a member of the French nation. He was animated, his pale features striking in the starlight and his voice going up and falling in the lilt of his argumentum. I did not understand his talk and was personally unacquainted with him. But Kelly was taking in all he said, for he stood near him, his taller head inclined in an attitude of close attention. Kelly then made a low noise and opened his mouth and covered the small man from shoulder to knee with a coating of unpleasant buff-coloured puke. Many other things happened on that night now imperfectly recorded in my memory but that incident is still very clear to me in my mind. Afterwards the small man was some distance from us in the lane, shaking his divested coat and rubbing it along the wall. He is a little man that the name of Rousseau will always recall to me. Conclusion of reminiscence.“

 

 O'Brien_O'Toole

Flann O’Brien (5 oktober 1911 – 1 april 1966)
Portert door Brian O’Toole

Oek de Jong, Cynthia Mc Leod, Herbert Kranz, Roy Alton Blount Jr, Hugh McCrae, Juliette Adam

De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2007.

Uit: Dronken van taal

 „Zich in bochten wringen noem ik het. Toen ik Kellendonk op een avond in 1986, in Theater De Balie, deze inmiddels bekende paradox hoorde uitspreken, vond ik het meteen een onding, ondanks de verrassende woordkeus, ondanks zijn meesterlijke beknoptheid. Om te beginnen lijkt ‘veinzen’ me verkeerd gekozen: het woord heeft immers een negatieve bijklank – veinzerij is een vorm van onoprechtheid. Dat bedoelde hij er niet mee. Hij zag ‘veinzen’ als ‘voorwenden’ (dat in Van Dale als derde en laatste betekenis gegeven wordt). Maar veinzen heeft nu eenmaal die negatieve bijklank. Werd hij hier het slachtoffer van zijn voorliefde voor dubbelzinnigheid? Of speelde zijn vertrouwdheid met het werk van Shakespeare hem parten en werd hij door diens ‘for the truest poetry is the most feigning’ op het verkeerde spoor gezet? Hoe het ook zij, deze paradox is een onding.

In al zijn bochtigheid geeft deze formulering van Kellendonk wel aan waar de schoen wringt: er is geen overgave mogelijk, geen onvoorwaardelijke beleving van het religieus verlangen. Dat is begrijpelijk, want voor hem bood alleen de katholieke leer een vorm voor dat verlangen, en van die leer had hij afstand genomen. Dus kon alleen een intellectuele constructie nog uitkomst bieden, een paradox die zowel de verlangde overgave als het voorbehoud inhield. Maar op een ironische manier geloven in een God die verzinsel is, dat is onzin.

Een religieus ritueel is, zo men wil, gebaseerd op een fictie: een aantal afspraken over vorm en betekenis, een stilzwijgende overeenkomst tussen mensen. Het is ‘maar’ een ritueel, een hulpmiddel. Gelóven in een ritueel is onzin. Van belang is alleen maar het deelnemen. Je doet mee of je doet niet mee, je beleeft er iets aan of niet. Zo is ook geloven in God onzin. Er is een ervaring van het goddelijke, van het mysterie, van het numineuze, het heilige – hoe men het ook maar noemen wil – of niet. Er is vervoering, er is extase, er is een onverklaarbare en alles overspoelende bezieling of niet. Met geloof heeft het niets te maken. Religie is ervaring – bevinding, om een term uit het piëtisme te gebruiken – en de rest is vormendienst. Zo is het door mystici, die men religieuze empiristen zou kunnen noemen, altijd gezien.

Wallace Stevens stelde de poëzie in de plaats van de religie, zoals veel modernistische schrijvers hebben gedaan: de esthetische ordening verving de goddelijke, de esthetische ervaring was het substituut voor de religieuze. Maar Kellendonk was een postmodernist: voor hem werkte deze oplossing niet meer, hij had hem doorzien, en hij keerde terug naar de idee van een Kerk, een gemeenschap van gelovigen, die een kathedraal van liefde bouwt.

‘Bouw uit die ribben en knoken van jullie, op deze matras, maar eens een kerk!’, zo klinkt het streng en belerend in Mystiek lichaam, en op honderden andere plaatsen in deze roman wordt gebruik gemaakt van de taal en de beelden van de katholieke leer, alles parodie, maar even zo goed aanwezig. Kellendonk was misschien vooral of zelfs uitsluitend gehecht aan de beeldspraak van de Kerk, die schepping van duizenden sublieme geesten, zonder twijfel het grootste kunstwerk van het oude Europa. Dat hij het, zelfs als hij plaatsnam in de achterste banken, nooit langer dan tien minuten uithield in een katholiek kerkgebouw, bewijst dat de menselijke werkelijkheid van een geloofsgemeenschap voor hem onverdraaglijk was – hij kon er zich niet mee verbinden. De Kerk, de Moederkerk die ‘gemeenschap sticht’ in saecula saeculorum – die Kerk was voor Kellendonk een idee, een literaire werkelijkheid, een bouwsel van denkbeelden. Het verklaart ook hoe hij op het idee van oprecht veinzen kon komen; immers, tot een literaire werkelijkheid, een werkelijkheid van taal, kun je je ironisch verhouden. Met denkbeelden kun je op een ironische manier omgaan. Maar niet met de overgave aan het magische, die het essentiële gegeven van alle religie is. Op die overgave volgt eventueel de ironie of humor om er afstand van te nemen. Maar eerst is er dat moment van ondubbelzinnigheid, van gaan, doen en zijn. Overgave lijkt zo zacht en willig. Maar het begin ervan is niet zelden hard en splijtend. Je gaat open of niet.“

 

Oek_de_Jong

Oek de Jong (Breda, oktober 1952)

 

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri Mc Leod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2006.

 

Uit: Hoe duur was de suiker?

De dag brak aan op plantage Hébron en terwijl de hemel aan de oostelijke zijde zich rood kleurde door de opkomende zon, gingen één voor één deurtjes open van de slavenhutten en kon men kleine vuurtjes zien onder de afdakjes daarnaast. Faya watra werd gemaakt. Heet water waarin een scheutje melasse werd geroerd. Hier en daar steeg een heerlijke damp uit een kookpot, omdat er in het water een anijsblad was gedaan of een paar beirumbladeren.

Bij alle hutjes kon men nu mannen, vrouwen en kinderen zien staan, soms pratend, sommige rondkijkend. Vervolgens liepen de meesten naar de zuidzijde van de plantage, waar er haaks op de rivier een kanaal was gegraven, dat diende voor de toe- en afvoer van water. Naast het botenhuis, waar de rivieroever ondiep was, gingen ze in het water om een bad te nemen; de groten meer ernstig, de kinderen soms vrolijk lachend en elkaar nat spetterend. Met een lendedoek om het natte lichaam geslagen gingen ze daarna terug naar de hutjes, meest in kleine groepjes, voorafgegaan en gevolgd door naakte grotere en kleine kinderen. Het was dan tijd om de faya watra te drinken en als ontbijt wat overgebleven restjes van het vorige avondmaal te eten.

In de hut waar de 15-jarige Amimba met haar moeder, broertjes en zusjes woonde, deed ma Leida in een grote kalebas een handvol gedroogde bitabladeren en schonk daar kokend water op. De bita was voor Amimba; zoals elke maand het geval was, had ze erge buikpijn.

Kermend had ze de hele nacht op haar matje gelegen, draaiende van de ene op de andere zijde, nu eens liggend, dan weer zittend. Nu sliep ze wat, gelukkig. Maar ook ma Leida zelf had de afgelopen nacht haast geen oog dicht gedaan. Na faya watra en ontbijt ging men in de richting van het magazijn, een enkele vrouw met een kind aan de borst, weer een andere had de baby al op de rug gebonden. Bij het magazijn waren de deuren nog gesloten, maar het duurde niet lang of daar kwam de blanke opzichter, masra Mekers, al met de sleutels. Aan ieder gezinshoofd werd nu het rantsoen voedsel voor het avondeten uitgedeeld, en men hoorde wat er moest gebeuren.

  Eerst de presentie. Waar was Kofi? O ja, die had een verstuikte enkel, en ging dus niet ’t veld in, maar moest werken in de timmerloods. Amimba buikpijn? Alweer! Geen onzin! Hier komen ofze werd met de zweep gehaald. Waarom had Afi haar baby niet bij zich? Die was ziek, de hele nacht koorts. Afi liet hem vandaag liever thuis bij de dresi mama, die zou hem een bad geven met korsu wiri. Tenu? Waar was Tenu. Hier komen! Basya, 5 zweepslagen voor de 13-jarige Tenu, die voor de kippen zorgde. Hij had eieren gestolen, er waren wel 6 te min gisteren, de lege doppen lagen nog naast het hok. Tenu maakte veel misbaar! Gelogen, hij had geen eieren gestolen. Wist masra dan niet dat er een grote sapakara op de loer lag en dat die de eieren stal? Als hij, Tenu eieren zou hebben gestolen zou hij heus niet zo stom zijn geweest om de lege doppen naast het hok achter te laten. Evengoed, 5 zweepslagen voor Tenu! Want het was toch zijn taak om voor de kippen te zorgen. Hoe had een sapakara de kans gezien om 6 eieren te stelen als Tenu daar was? Wel, omdat Tenu daar niet was geweest. Had hij gisteren niet de halve dag aan de kreek zitten hengelen? 5 zweepslagen! En vanavond mocht er geen enkel ei ontbreken en moest Tenu de dode sapakara laten zien! Ook 5 zweepslagen voor Kobi, die een jaar ouder was dan Tenu en hulpje was in de stal bij Felix die voor de paarden en muilezels en de koeien zorgde. Kobi had gisteren veel te weinig gras gesneden voor de beesten. Geen wonder! Had hij niet samen met Tenu aan de waterkant zitten hengelen! 5 zweepslagen en vanavond moest er een dubbele portie gras zijn gesneden. Dat was alles.

 

cynthia

Cynthia Mc Leod (Paramaribo, 4 oktober 1936)

 

De Duitse schrijver Herbert Kranz werd geboren op 4 oktober 1891 in Nordhausen. Hij volgde het gymnasium in Berlijn en studeerde daarna in Berlijn en Leipzig germanistiek, filosofie en geschiedenis. Aan het begin van WO I meldde hij zich aan als vrijwilliger, maar twee jaar later werd hij wegens ziekte ontslagen. Er volgde een wisselvallige loopbaan met redacteurschappen bij verschillende kranten, publicaties als schrijver, aanstellingen als regiseur en als docent Duits. In 1933 raakte hij in conflict met het nazi regime wegens zijn liberale opvattingen en verloor hij zijn werk. Na WO II vestigde hij zich als zelfstandig schrijver. Zijn bekendste werk is de romancyclus Ubique Terrarum die uit tien delen bestaat en de avonturen vertelt van tien mannen uit diverse landen.

 

Uit: Schuldlos unter Schuldigen

 

„Zur selben Stunde, in welc
her der Graf mit Neunauge und Plumpudding das Burgschloss betrat, wurden der Chef, GG und Figur im langen Zuge der Sträflinge von den Bewaffneten zum Lager

geführt, und wie die Schlossgäste, so beobachteten auch diese drei jeden Schritt ihres Weges. Denn ehe sie an Befreiung und Flucht denken konnten, mussten sie genau wissen, wie die Insel

beschaffen war. Was sie jetzt noch bei Tageslicht sahen, das mussten sie vielleicht einmal im Dunkel der Nacht durchhasten.

Der Zug umging die Höhe, auf der die Schlossburg lag, und schritt in der Richtung auf die mächtige Felswand zu, welche die Insel zum Land hin abschloss. Mit dem Scharfblick des erfahrenen Bergsteigers schätzte der Chef sie ab. Er hatte den isolierten, scharfkantigen Gneisobelisk des Matterhorns von der gefährlichen Nordseite aus bezwungen – aber er sah, an der glatten Steinwand da vor ihm kam niemand hinauf. Oder ging es doch mit Mauerhaken? Aber wie sollte man sie einschlagen, ohne dabei gesehen zu werden? Die Spitze des Zuges stockte. Alle mussten stehen bleiben.

Die Männer sahen sich um. Im Sattel zwischen den beiden Erhebungen war fruchtbares Land. Hier wuchsen Palmen, dichte Rhododendrenbüsche, und in üppigem Gras weideten einige gelbbraune, kurzhornige Zebus. Die Insel war schmal. Zu beiden Seiten konnten sie den weißen Gischt der Brandung sehen; mehr als drei Kilometer betrug die Inselbreite nicht.

Jetzt ging es weiter. Sie hörten wüstes Hundegebell. Dann sahen sie, warum sie hatten warten müssen: vor ihnen wurde eine Zugbrücke langsam heruntergelassen. Sie mussten zwischen

zwei Wachhäusern durch, die so eng nebeneinander standen, dass sie nur im Gänsemarsch vorbeikamen. Dann kamen sie auf die Zugbrücke. Sie ging über einen Graben, der an die zehn

Meter breit und gut das Doppelte tief war. In ihm tobte ein starkes Rudel mittelgroßer, rötlicher Doggen, die wie von einem Pinselklatsch von der Schnauze bis zu den Augen schwarz waren.

GG warf nur einen Blick auf sie, dann wusste er Bescheid.

„Kuba-Doggen“, sagte er halblaut zum Chef. „Sie wurden früher auf entlaufene Sklaven gehetzt. Sie reißen wilde Ochsen nieder.“

Rasend vor Wut bellten die Bestien vom Grund des Grabens zu ihnen hinauf. Die Brücke hallte von den Schritten der Gehenden, und das Geräusch brachte die Tiere offenbar außer sich.

„Nicht schlecht ausgedacht“, sagte der Chef.

Als die letzten des Zuges die Brücke passiert hatten, ging der Laufsteg wieder hoch. Sein Angelpunkt lag, von ihnen aus gesehen, jenseits des Grabens, so dass das Lager nun völlig abgeschieden war. Eine hohe Mauer umschloss es. Der Eingang lag zwischen zwei ebenerdigen Steinhäusern. Sie waren mit Schießscharten versehen und standen auch einander so nahe, dass sie wieder nur im Gänsemarsch zu passieren waren. Eiserne Harmonikagitter schlossen den Zugang auf beiden Seiten ab, und jetzt rasselten und schnappten sie zu. Der Transport war da angelangt, wo die Gefangenen Jahre, manche von ihnen ihr ganzes Leben zubringen sollten.”

 

Kranz

Herbert Kranz (4 oktober 1991 – 30 augustus 1973)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist, musicus en acteur  Roy Alton Blount Jr. werd geboren op 4 oktober 1941 in Indianapolis, Indiana. Hij maakte o.a. een documentaire over de rivier de Mississippi, treedt frequent op in nieuws/comedies/quiz shows en schrijft (veelal humoristische) boeken.

 

Uit: Alphabet Juice

 

“Have you ever tried to spell any of the various sounds that pigs make? It isn’t easy. It’s damn well worth trying, but eventually you have to settle on something close. (Chickens being more articulate, you’ll find their noises to be pretty similar the world round. Baby chicks go peep peep in English, pío pío in Spanish, piyo piyo in Japanese.)

And I’m not sure Pinker is playing fair with that chrjo. It’s not Russian letters. How am I supposed to know how Russian people or pigs pronounce it? Fortunately, by Googling “Russian pigs go,” I have obtained the input of an online chatperson (at ask.metafilter.com) named “MrAnonymous,” who sounds like he knows what he is talking about:

In Russian, pigs go hroo, hroo. Note that these are rolled r’s and the h is more of a hk sound, like when you try to build a loogie. (Don’t try and pronounce the K, just flem up the H.)

That, although it should be “try to pronounce” and phlegm, is not bad.Over the years and around the world, generation building upon generation, people have put much mimetic effort into the spelling of pig utterance.

For that matter, grunt works for me, and I resent any insinuation that I have been programmed by random convention. Dictionaries in their grudging way call grunt “probably imitative.” The word is a distinct refinement, or counterrefinement, of the Old English grunettan, and although the parallel Greek gry, in comparison, looks less than fully swinish, you can see the resemblance. The French for “to grunt” is grogner. You know what the French for the growl of a car is? Vroum!

That car is running on alphabet juice. So, less obviously, are spice and tang and strength (do you think that word fits its meaning no better than would, say, delicacy?) and, excuse me, sphincter, which shares a root, incidentally, with the Sphinx.

Marshall McLuhan, whom we celebrate for coming up with such memes as “the global village” and “the medium is the message,” played fast and loose with the roots of words, according to his biographer, Philip Marchand: he “pored over etymologies in the OED as if they were mystic runes,” and irritated colleagues at Cambridge by making up fanciful derivations to support his theories. I prefer a firmer grip on etymology—”the wheel-ruts of modern English,” as etymonline.com puts it.”

 

Blount

Roy Alton Blount Jr. (Indianapolis,  4 oktober 1941)

 

 

De Australische dichter en schrijver Hugh Raymond McCrae werd geboren op 4 oktober 1876 in Melbourne. Oorspronkelijk wilde hijarchitect worden, maar uiteindelijk begon hij met schrijven en acteren. McCrae was onder andere bevriend met de beeldhouwer en kunstenaar Norman Lindsey en de dichters Kenneth Slessor, John Neilson en Christopher Brennan.

 

Australian Spring

 

The bleak faced Winter, with his braggart winds
(Coiled to his scrawny throat in tattered black),
Posts down the highway of his late domain,
His spurs like leeches in his bleeding hack.

He rides to reach the huge embattled hills
Where all the brooding summer he may lie
Engulfed in Kosciusko’s silent snow,
His shadow waving o’er the lofty sky.

And jolly Spring, with love and laughter gay
Full fountaining, lets loose her tide of bees
Upon the waking ember-flame of bloom
New kindled in the honey-scented trees.

The old, old man forsakes the chimney-hole,
Where erst he warmed his bones and lazy blood,
And, clasping Molly to his wheezing breast,
Triumphant floats, cock-whoop, upon the flood.

 

 

Song of the Rain

 

Night,
and the yellow pleasure of candle-light….
old brown books and the kind, fine face of the clock
fogged in the veils of the fire – it’s cuddling tock.

The cat,
greening her eyes on the flame-litten mat;
wickedly, wakeful she yawns at the rain
bending the roses over the pane,
and a bird in my heart begins to sing
over and over the same sweet thing–

Safe in the house with my boyhood’s love
and our children asleep in the attic above.

 

McCrae

Hugh McCrae (4 oktober – 1876 – 17 februari 1958)

 

De Franse schrijfster, polemiste en feministe Juliette Adam werd geboren op 4 oktober 1836 in Verberie. In 1858 publiceerde zij haar Idees antiproudhoniennes sur l’amour, la femme et le marriage,  waarin zij Daniel Stern (Marie d’Agoult) en haar vriendin George Sand verdedigde. In de jaren 1870 opende zij in Parijs een salon die o.a. door republikeinse en liberale politici en schrijvers werd bezocht, die zich verzetten tegen de conservatieve reactie van de Derde Republiek. Hetzelfde doel diende ook het tijdschrift Nouvelle Revue dat zij in 1879 oprichtte, de eerste acht jaar ook zelf uitgaf en waaraan zij tot 1899 ook mede leiding gaf. Zij publiceerde o.a. werk van Paul Bourget, Pierre Loti en Guy de Maupassant. In 1896 publiceerde zij Octave Mirbeaus roman Le Calvaire. Zij schreef ook artikelen over buitenlandse politiek, waarin zij vaak en zonder ophouden Bismarck aanviel en een revanche eiste voor de nederlaag in de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871.

 

Uit: THE SCHEMES OF THE KAISER

 

„William II appeals to the higher ranks of officers, who are tradition personified, to put an end to tradition.  It is really wonderful what a genius he has for exciting cupidity in one class and resistance in the other.  And he has done the same thing with the working class as with the army.

 

What a strange riddle his character presents–this quietist, this worshipper of an angry and a jealous God, with a mania for achieving the happiness of his people in the twinkling of an eye!  A strange figure, this Emperor of country squires, who despises the bourgeois and who threatens to despoil the aristocracy of the very privileges which have been the safeguard of the Hohenzollerns’ throne for centuries.

 

These peculiarities are due to an occult influence which weighs on the mind of William II, an influence which, while it points the way to action, blinds him to its consequences.  The dead hand is upon him!

 

Frederick III, that liberal, bourgeois monarch, compels his reactionary, Old-Prussian-school son, to do those things which he would have done himself, had he not been victimised by Bismarck and his pupil.

 

I wonder whether the ever-mystical William II sometimes reflects on the ways by which God leads men into His appointed ways?  Such thoughts might do more to enlighten him than his way of gazing at the heavens in the belief that all the stars are his.“

 

juliette_adam

Juliette Adam (4 oktober 1836 – 23 augustus 1936)

Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Gore Vidal, Louis Aragon, Thomas Wolfe, Stijn Streuvels

De Franse schrijver Alain-Fournier werd geboren op 3 oktober 1886 in Épineuil-le-Fleuriel (Cher). Fournier stamde uit een onderwijzersgezin en kreeg les van zijn vader in het dorpsschooltje van Épineuil-le-Fleuriel. Zijn plan om zeeman te worden ging niet in vervulling en ook in het onderwijs raakte hij, bij gebrek aan diploma, niet aan de slag. Als 18-jarige schoot hij in vuur en vlam voor de mooie Yvonne Quiévrecourt die hem echter afwees. Die ervaring zou hem zijn verdere leven blijven obsederen en werd de basis voor zijn boek Le Grand Meaulnes (1913), waarin hij een droom- en kinderwereld oproept die definitief verloren zijn. Het is een monument in de Franse literatuur en één van de weinig succesvolle boeken binnen de stroming van het symbolisme. Het boek werd als een meesterwerk onthaald en miste op een haar na de prestigieuze Prix Goncourt. In 2006 werd het boek verfilmd door Jean-Daniel Verhaeghe.

Afgezien van een aantal gedichten, essays en verhalen, die werden verzameld in de postuum verschenen bundel Miracles (1924), was dit het enige werk dat hij zou voltooien. Opgeroepen als luitenant van het 288ste infanterieregiment, stierf Alain-Fournier tijdens één van de eerste gevechten van de Eerste Wereldoorlog nabij Verdun. Hij verdween in een massagraf. Na een 14-jarige zoektocht werd zijn lichaam in 1991 geïdentificeerd en bijgezet op het kerkhof van Saint-Remy-la-Calonne.

 

Uit: Le Grand Meaulnes

 

« Dès qu’ils eurent disparu, l’écolier sortit de sa cachette. Il avait les pieds glacés, les articulations raides ; mais il était reposé et son genou paraissait guéri.

“Descendre au dîner, pensa-t-il, je ne manquerai pas de le faire. Je serai simplement un invité dont tout le monde a oublié le nom. D’ailleurs, je ne suis pas un intrus ici. Il est hors de doute que M. Maloyau et son compagnon m’attendaient…”

Au sortir de l’obscurité totale de l’alcôve, il put y voir assez distinctement dans la chambre éclairée par les lanternes vertes.

Le bohémien l’avait “garnie”. Des manteaux étaient accrochés aux patères. Sur une lourde table à toilette, au marbre brisé, on avait disposé de quoi transformer en muscadin tel garçon qui eût passé la nuit précédente dans une bergerie abandonnée. Il y avait, sur la cheminée, des allumettes auprès d’un grand flambeau. Mais on avait omis de cirer le parquet ; et Meaulnes sentit rouler sous ses souliers du sable et des gravats. De nouveau il eut l’impression d’être dans une maison depuis longtemps abandonnée… En allant vers la cheminée, il faillit buter contre une pile de grands cartons et de petites boîtes : il étendit le bras alluma la bougie, puis souleva les couvercles et se pencha pour regarder.

C’étaient des costumes de jeunes gens d’il y a longtemps, des redingotes à hauts cols de velours, de fins gilets très ouverts, d’interminables cravates blanches et des souliers vernis du début de ce siècle. Il n’osait rien toucher du bout du doigt, mais après s’être nettoyé en frissonnant, il endossa sur sa blouse d’écolier un des grands manteaux dont il releva le collet plissé, remplaça ses souliers ferrés par de fins escarpins vernis et se prépara à descendre nu-tête.

Il arriva, sans rencontrer personne, au bas d’un escalier de bois, dans un recoin de cour obscur. L’haleine glacée de la nuit vint lui souffler au visage et soulever un pan de son manteau.

Il fit quelques pas et, grâce à la vague clarté du ciel, il put se rendre compte aussitôt de la configuration des lieux. Il était dans une petite cour formée par des bâtiments des dépendances. Tout y paraissait vieux et ruiné. Les ouvertures au bas des escaliers étaient béantes, car les portes depuis longtemps avaient été enlevées ; on n’avait pas non plus remplacé les carreaux des fenêtres qui faisaient des trous noirs dans les murs. Et pourtant toutes ces bâtisses avaient un mystérieux air de fête. Une sorte de reflet coloré flottait dans les chambres basses où l’on avait dû allumer aussi, du côté de la campagne, des lanternes. La terre était balayée, on avait arraché l’herbe envahissante. Enfin, en prêtant l’oreille, Meaulnes crut entendre comme un chant, comme des voix d’enfants et de jeunes filles, là-bas, vers les bâtiments confus où le vent secouait des branches devant les ouvertures roses, vertes et bleues des fenêtres.

Il était là, dans son grand manteau, comme un chasseur, à demi penché, prêtant l’oreille, lorsqu’un extraordinaire petit jeune homme sortit du bâtiment voisin, qu’on aurait cru désert.

Il avait un chapeau haut de forme très cintré qui brillait dans la nuit comme s’il eût été d’argent ; un habit dont le col lui montait dans les cheveux, un gilet très ouvert, un pantalon à sous-pieds… Cet élégant, qui pouvait avoir quinze ans, marchait sur la pointe des pieds comme s’il eût été soulevé par les élastiques de son pantalon, mais avec une rapidité extraordinaire. Il salua Meaulnes au passage sans s’arrêter, profondément, automatiquement, et disparut dans l’obscurité, vers le bâtiment centr
al, ferme, château ou abbaye, dont la tourelle avait guidé l’écolier au début de l’après-midi.

Après un instant d’hésitation, notre héros emboîta le pas au curieux petit personnage. Ils traversèrent une sorte de grande cour-jardin, passèrent entre des massifs, contournèrent un vivier enclos de palissades, un puits, et se trouvèrent enfin au seuil de la demeure centrale.

Une lourde porte de bois, arrondie dans le haut et cloutée comme une porte de presbytère, était à demi ouverte. L’élégant s’y engouffra. Meaulnes le suivit, et, dès ses premiers pas dans le corridor, il se trouva, sans voir personne, entouré de rires, de chants, d’appels et de poursuites.

Tout au bout de celui-ci passait un couloir transversal. Meaulnes hésitait s’il allait pousser jusqu’au fond ou bien ouvrir une des portes derrière lesquelles il entendait un bruit de voix, lorsqu’il vit passer dans le fond deux fillettes qui se poursuivaient. Il courut pour les voir et les rattraper, à pas de loup, sur ses escarpins. Un bruit de portes qui s’ouvrent, deux visages de quinze ans que la fraîcheur du soir et la poursuite ont rendus tout roses, sous de grands cabriolets à brides, et tout va disparaître dans un brusque éclat de lumière.

Une seconde, elles tournent sur elles-mêmes, par jeu ; leurs amples jupes légères se soulèvent et se gonflent ; on aperçoit la dentelle de leurs longs, amusants pantalons ; puis, ensemble, après cette pirouette, elles bondissent dans la pièce et referment la porte. » 

 

Alain_Fournier

Alain-Fournier (3 oktober 1886 – 22 september 1914)

 

 

De Russische dichter Sergej Aleksandrovitsj Jesenin werd geboren op 3 oktober 1878 in het dorpje Konstantinovo, bij Rjazan. Hij begon op zijn negende met schrijven. In 1912, op zijn zeventiende, verhuisde Jesenin naar Moskou, waar hij een baantje als proeflezer bij een uitgeverij had om in zijn onderhoud te voorzien. Ook studeerde hij anderhalf jaar aan de Staatsuniversiteit van Moskou.

In 1915 verhuisde hij naar Sint-Petersburg, alwaar hij in aanraking kwam met dichters als Aleksandr Blok, Sergej Gorodetski, Nikolaj Kljoejev en Andrej Bely. Met name Blok was hem zeer behulpzaam in het begin van zijn carrière. Jesenin zei dat hij van Bely de betekenis van vorm had geleerd en van Blok en Kljoejev de lyriek. In 1915 publiceerde hij zijn eerste bundel, Radoenitsa, snel gevolgd door Ritueel voor de Doden. Zijn liefdesgedichten en gedichten over het alledaagse leven waren geliefd en zijn faam groeide snel.

In 1916 en 1917 vervulde hij zijn militaire dienstplicht, maar hij heeft nooit hoeven vechten, aangezien Rusland zich na de Oktoberrevolutie terugtrok uit de oorlog. Aanvankelijk toonde hij zich een voorstander van de Revolutie, maar al snel raakte hij gedesillusioneerd. Een gedicht uit de tijd luidde “De gure Oktober heeft mij bedrogen”.Ondertussen hield Jesenin er een turbulent liefdesleven op na. In 1913 was hij al getrouwd met een medewerkster van de uitgeverij, van wie hij al snel scheidde. In augustus 1917 trouwde hij met actrice Zinaida Raich, met wie hij twee kinderen zou krijgen. In 1918 richtte hij zijn eigen uitgeverij op: ‘Het arbeidersbedrijf van artiesten van het woord’. Hij maakte enkele jaren deel van uit de imaginistische beweging. In de herfst van 1921 ontmoette hij de beroemde danseres Isadora Duncan, die 18 jaar ouder was en geen Russisch sprak, terwijl Jesenin op zijn beurt geen vreemde talen sprak. Ze trouwden in mei 1922. Jesenin vergezelde zijn vrouw op tournee door Europa en de Verenigde Staten. Jesenin had altijd al een zwak voor alcohol gehad, maar in deze periode van zijn leven werd zijn verslaving alleen maar erger. Hij sloeg zijn vrouw, vernielde hotelkamers en maakte scènes in restaurants. De internationale pers besteedde hier veel aandacht aan. Het huwelijk hield de facto slechts een jaar stand; in mei 1923 keerde hij terug naar Moskou. In de laatste twee jaar van zijn leven was Jesenin vrijwel elke dag dronken. In 1925 trouwde hij Sofia Tolstaja, een kleindochter van Tolstoj. Zij probeerde hem tevergeefs van zijn drankverslaving af te helpen. Na een geestelijke instorting werd hij voor een maand opgenomen in een psychiatrische inrichting. Twee dagen nadat hij tijdelijk vrij was gelaten in verband met Kerst, sneed hij zijn polsen door en schreef hij met zijn bloed zijn afscheidsgedicht. Een dag later hing hij zichzelf op aan een verwarmingsbuis in een hotel.

 

 

Den See befährt das Abendrot

 

Den See befährt das Abendrot mit glühenden Kähnen.
Im Tann das klagende Gebalz von Auerhähnen.

 

Und ein Pirol schluchzt an verborgnem Quell.
Nur ich klag nicht, in meiner Seele ist es hell.

 

Ich weiß, du kommst dorthin, wo sich der Weg verläuft:
Zur Nachbarscheune, wo das frische Heu gehäuft.

 

Ich küß dich, bis du außer dir bist, ich zerdrück
Dich Blume, tollgeworden, außer mir vor Glück.

 

Du selber wirfst das Seidentuch ab, wachgekost.
Ich trag dich hin zum Strauch, bis uns der Tag umtost.

 

Ob auch die Auerhähne klagend schrein im Tann –
Für uns bricht mit dem Abendrot die Freude an.

 

 

 

Vertaald door  Hans Baumann

 

 

 

Des Abends Brauen sind eingesunken,
Fremde Pferde stehn unten vorm Haus.
Hab’ ich gestern die Jugend vertrunken?
War die Liebe zu dir gestern aus?

 

Knarre doch nicht, du verspäteter Wagen!
Wie unser Leben so spurlos verfliegt!
Morgen ist es das Krankenhauslager,
Das dann vielleicht auf immer mich wiegt.

 

Morgen vielleicht, ein anderer wieder,
Geh’ ich geheilt die Straße voran,
Höre die Blätter, des Regens Lieder –
Davon erblühen die Kräfte im Mann.

 

Dann vergeß ich die Nacht und die Lüge,
Alles, was quälend mich fast zerbricht.
Antlitz, liebendes! Trauteste Züge!
Dich alleine vergesse ich nicht.

 

Mag ich mir auch eine andre erwählen,
Will ich doch ihr, zu der ich entbrannt,
Auch von dir, Geliebte, erzählen,
Die ich einstmals Liebste genannt.

 

Wie unser Leben, das nie verflossen,
Hinfloß, erzähl ich ihr später bei Nacht …
Du mein Kopf, voller Streiche und Possen,
Wozu hast du mich wieder gebracht?

 

 

 

Vertaald door Heinrich Stammler

 

Sergej_Esenin

Sergej Jesenin (3 oktober 1878 – 28 december 1925)

 

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006 en ook mijn blog van 3 oktober 2007.

 

Uit: Inventing a Nation

 

On September 5, 1774, forty-five of the weightiest colonial men formed the First Continental Congress at Philadelphia. The weightiest of the lot was the Boston lawyer John Adams, known as the best-read man in Boston. Short, fat, given to bouts of vanity that alternated with its first cousin self-pity, he was thirty-nine years old when he joined the Massachusetts delegation to the Congress. He was married to Abigail Smith, a marriage somewhat similar to that of his father, John the farmer, to Susanna Boylston. Each Adams had seemed instinctively to be obeying an old law of new societies, by marrying above his social station: farmer John to a Boylston, while Abigail’s mother was a storied Quincy.

 

The one who moves up is known as a hypergamist and, not too surprisingly, such marriages tend to be happier than classic love matches between like-stationed couples. Certainly, Abigail and John were the most interesting couple among the founders of the embryo nation, and their letters to each other are still a joy to read; nor were they alone in their marital adventurousness; even the protocolossus, Washington, had condescended to marry a grand fortune.

 

If Adams was the loftiest of the scholars at the Continental Congress of 1775, Thomas Jefferson was the most intricate character, gifted as writer, architect, farmer—and, in a corrupt moment, he allowed his cook to give birth to that unique dessert later known as Baked Alaska. Like Adams, he had tried his hand at constitution making in the spring of 1776. He sent A Summary

 

View of the Rights of British America to Patrick Henry, the orator and professional Virginia politician, but got no answer. Henry reputedly had a problem with laudanum, the drug of the day. Jefferson was not pleased with this rebuff: “Whether Mr. Henry disapproved the ground taken,” he later wrote, “or was too lazy to read it (for he was the laziest man in reading I ever knew) I never learned but he communicated it to nobody.”

 

Vidal

Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

 

 

De Franse dichter, schrijver en essayist Louis Aragon werd geboren in 1897 in Parijs. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2007.

 

J’arrive où je suis étranger 

 

Rien comme être n’est passager

C’est un peu fondre comme le givre

Et pour le vent être léger

J’arrive où je suis étranger

Un jour tu passes la frontière

D’où viens-tu mais où vas-tu donc

Demain qu’importe et qu’importe hier

Le coeur change avec le chardon

Tout est sans rime ni pardon

Passe ton doigt là sur ta tempe

Touche l’enfance de tes yeux

Mieux vaut laisser basses les lampes

La nuit plus longtemps nous va mieux

C’est le grand jour qui se fait vieux

Les arbres sont beaux en automne

Mais l’enfant qu’est-il devenu

Je me regarde et je m’étonne

De ce voyageur inconnu

De son visage et ses pieds nus

Peu a peu tu te fais silence

Mais pas assez vite pourtant

Pour ne sentir ta dissemblance

Et sur le toi-même d’antan

Tomber la poussière du temps

C’est long vieillir au bout du compte

Le sable en fuit entre nos doigts

C’est comme une eau froide qui monte

C’est comme une honte qui croît

Un cuir à crier qu’on corroie

C’est long d’être un homme une chose

C’est long de renoncer à tout

Et sens-tu les métamorphoses

Qui se font au-dedans de nous

Lentement plier nos genoux

O mer amère ô mer profonde

Quelle est l’heure de tes marées

Combien faut-il d’années-secondes

A l’homme pour l’homme abjurer

Pourquoi pourquoi ces simagrées

Rien n’est précaire comme vivre

Rien comme être n’est passager

C’est un peu fondre comme le givre

Et pour le vent être léger

J’arrive où je suis étranger

 

 

 

Les Yeux d’Elsa

 

Tes yeux sont si profonds qu’en me penchant pour boire

J’ai vu tous les soleils y venir se mirer

S’y jeter à mourir tous les désespérés

Tes yeux sont si profonds que j’y perds la mémoire

À l’ombre des oiseaux c’est l’océan troublé

Puis le beau temps soudain se lève et tes yeux changent

L’été taille la nue au tablier des anges

Le ciel n’est jamais bleu comme il l’est sur les blés

Les vents chassent en vain les chagrins de l’azur

Tes yeux plus clairs que lui lorsqu’une larme y luit

Tes yeux rendent jaloux le ciel d’après la pluie

Le verre n’est jamais si bleu qu’à sa brisure

Mère des Sept douleurs ô lumière mouillée

Sept glaives ont percé le prisme des couleurs

Le jour est plus poignant qui point entre les pleurs

L’iris troué de moir plus bleu d’être endeuillé

Tes yeux dans le malheur ouvrent la double brèche

Par où se reproduit le miracle des Rois

Lorsque le coeur battant ils virent tous les trois

Le manteau de Marie accroché dans la crèche

Une bouche suffit au mois de Mai des mots

Pour toutes les chansons et pour tous les hélas

Trop peu d’un firmament pour des millions d’astres

Il leur fallait tes yeux et leurs secrets gémeaux

L’enfant accaparé par les belles images

Écarquille les siens moins démesurément

Quand tu fais les grands yeux je ne sais si tu mens

On dirait que l’averse ouvre des fleurs sauvages

Cachent-ils des éclairs dans cette lavande où

Des insectes défont leurs amours violentes

Je suis pris au filet des étoiles filantes

Comme un marin qui meurt en mer en plein mois d’août

J’ai retiré ce radium de la pechblende

Et j’ai brûlé mes doigts à ce feu défendu

Ô paradis cent fois retrouvé reperdu

Tes yeux sont mon Pérou ma Golconde mes Indes

Il advint qu’un beau soir l’univers se brisa

Sur des récifs que les naufrageurs enflammèrent

Moi je voyais briller au-dessus de la mer

Les yeux d’Elsa les yeux d’Elsa les yeux d’Elsa

 

Aragon

Louis Aragon (3 oktober 1897 – 24 december 1982)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006.

 

Uit: Joanne Marshall Mauldin: Thomas Wolfe, When Do the Atrocities Begin?

 “Throughout 1937, Thomas Wolfe’s penultimate year on earth, he was boneweary.

He was in desperate need of a quiet place to rejuvenate in order to continue composing his self-saga. “I am not just pretending I am tired—” he wrote his brother Fred, “I am, actually, honestly and genuinely—nervously, physically and mentally.”

There had been few lulls in Wolfe’s life. Every year was chaotic and frenzied. During this period of unusual weariness, he concluded it was time to cut loose from the web—Maxwell Perkins, his best friend and editor—and from the rock—New York, his residence for fourteen years—and head south.

He had not ventured home for over seven and a half years—not since his first book, Look Homeward, Angel, blew the lid off every coffin in the cemetery and the door off every closet in Asheville. Pockets of resentment still seethed beneath the surface. Although his exile was self-imposed, in truth, he would

be welcomed more because he was at the height of his fame than because his literary indiscretions were forgiven.

Wolfe’s first venture into the South was a weeklong stopover in New Orleans, where, fêted until he dropped, he managed, finally, on 10 January to mail a twelve-thousand-word letter informing Perkins he was leaving Charles Scribner’s Sons—probably—after nine years and four books. He also mentioned his mixed feelings about plans to visit Asheville. It will be strange to be back home again. I had but recently met you when I was there last. I was unknown then, but within a few weeks after my visit home a storm of calumny and abuse broke out that made me long for my former oblivion. Now that storm has apparently died down. They are willing to have me come back. So much has happened in those seven years. I’ve seen so many people that I know go down to ruin, others have died, others
have grown up, some have lost everything, some have recovered something. People I knew well I no longer see.“

 

wolfe
Thomas Wolfe (3 oktober 1900 – 15 september 1938)

 

 

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006.

Uit: Het Leven en de Dood in den Ast

De schuur met de dubbele poortluiken breed open, gelijkt een tooneel waar, in de gapende diepte, door havelooze mannen, in haastig tempo, een spel wordt opgevoerd. Het gebouw staat er eenzaam op de verlatene vlakte; het tooneel zonder toeschouwers, en de spelers doende achter een sluier van watermist, die ’t al omdoezeld houdt. De mannen vervullen elk zijne aangewezen rol, – handeling welke ineensluit als een geordend werktuig dat in ’t ijle draait – een schouwspel dat in ’t tijd- en ruimtelooze afspint.

Van de torenhoogen stapel, bezijds, schept de man met den ruifel, altijd maar wortelen in den draagbak, die effen aan door twee anderen opgenomen, weggedragen, in den open trechter van het snijpeerd omgekanteld en ledig teruggebracht, bij den hoop neervalt om weer gevuld te worden. De vierde man draait de vrange waar het messenwiel de wortelen opvangt, die knarzelend dooreen wentelen en in stukken gesneden, langs de geul uitstroomen. Een forsige kerel schept de gemalen boonen met groote ruifelgrepen op, en gooit ze met machtigen zwaai in de diepte tegen den donkeren achterwand der schuur, waar de hoop gestadig aangroeit.

 

Zonder toeven of verpoozen, ononderbroken, gehaast, vordert het werk in eenbaarlijk herhalen derzelfde beweging, het een door ’t ander in gang gehouden, voortgestuwd, zonder zichtbaar doel of uitkomst, oneindig, streng en onmeedoogend gelijk de wanhopig gispende regen, ’t lijfelijk blazen van den wind, de onafzienbare grauwheid der wolkenvracht die loodzwaar over de wereld weegt. Aan ’t derve gelaat van den dag is de gang der uren niet te onderscheiden, – alle dagen der week zijn eender van uitzicht, vervuld met ’t zelfde weerkeerend werk.

In hun hoofd hebben de mannen geen flauw besef meer van den naam der dagen, – van ’t leven en de doening der menschen op ’t dorp weten ze minder dan niets, onverschillig zijn ze geworden aan alles wat ginder gebeurt. Ze leven hier met hun vijven, afgezonderd, buiten alle gemeenschap met de wereld, – als op een schip in volle zee, dag en nacht aan ’t porren en wroeten om den torenhoogen stapel wortelen – die van ver aangebracht, altijd maar hooger wordt – af te voeren, door den snijmolen te draaien, op den ast te laden, waar de boonen gekeerd en gewend, boven de vuren gedroogd, in zakken gevuld, weer de wereld ingaan. Hetgeen zij hier uitrichten is het voortdurend herhalen en herdoen, het wentelen in zotten kring, het vullen van een vat zonder bodem, het trappelen ter plaats, arbeiden ten ondomme, waar niemand het eind of ’t begin, het doel of het nut van bespeuren kan…

Op een stom teeken van den opperdroger vallen de schoppen neer, het knarzen van het snijpeerd houdt stil – een bedrijf is afgespeeld, en zonder tusschenpoos begint het volgend: de mannen trekken hun natte bovenkleeren uit, klimmen den steiger op, duwen de zoldervalle naar omhoog, gooien de luiken der dakvensters open en, onzichtbaar in dedikken damp, doorroefelen zij de droge boonen”

 

Streuvels

Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969)

Graham Greene, Wallace Stevens, Dimitri Verhulst, Andreas Gryphius, Göran Sonnevi, Waltraud Anna Mitgutsch, Jan Morris

De Engelse schrijver Graham Greene werd geboren op 2 oktober 1904 in Berkhamsted, Hertfordshire. Zie ook alle tags voor Graham Greene op dit blog.

 

Uit: The End of the Affair

 

“The sense of unhappiness is so much easier to convey than that of happiness. In misery we seem aware of our own existence, even though it may be in the form of a monstrous egotism: this pain of mine is individual, this nerve that winces belongs to me and to no other. But happiness annihhilates us: we lose our identity. The words of human love have been used by the saints to describe their vision of God, and so, I suppose, we might use the terms of prayer, meditation, contemplation to explain the intensity of the love we feel for a woman. We too surrender memory, intellect, intelligence, and we too experience the deprivation, the noche oscura, and sometimes as a reward a kind of peace. The act of love itself has been described as the little death, and lovers sometimes experience too the little peace. It is odd to find myself writing these phrases as though I loved what in fact I hate. Sometimes I don’t recognize my own thoughts. What do I know of phrases like “the dark night” or of prayer, who have only one prayer? I have inherited them, that is all, like a husband who is left by death in the useless possession of a woman’s clothes, scents, pots of cream … And yet there was this peace …

That is how I think of those first months of war – was it a phoney peace as well as a phoney war? It seems now to have stretched arms of comfort and reassurance all over those months of dubiety and waiting, but the peace must, I suppose, even at that time have been punctuated by misunderstanding and suspicion. Just as I went home that first evening with no exhilaration but only a sense of sadness and resignation, so again and again I returned home on other days with the certainty that I was only one of many men – the favourite lover for the moment. This woman, whom I loved so obsessively that if I woke in the night I immediately found the thought of her in my brain and abandoned sleep, seemed to give up all her time to me. And yet I could feel not trust: in the act of love I could be arrogant, but alone I had only to look in the mirror to see doubt, in the shape of a lined face and a lame leg – why me? There were always occasions when we couldn’t meet – appointments with a dentist or a hairdresser, occasions when Henry entertained, when they were alone together. It was no good telling myself that in her own home she would have no opportunity to betray me (with the egotism of a lover I was already using that word with its suggestion of a non-existent duty) while Henry worked on the widows’ pensions or – for he was soon shifted from that job – on the distribution of gas-masks and the design of approved cardboard cases, for didn’t I know it was possible to make love in the most dangerous circumstances, if the desire were there? Distrust grows with a lover’s success. Why, the very next time we saw each other it happened in jut the way that I should have called impossible.

I woke with the sadness of her last cautious advice still resting on my mind, and within three minutes of waking her voice on the telephone dispelled it. I have never known a woman before or since so able to alter a whole mood by simply speaking on the telephone, and when she came into a room or put her hand on my side she created at once the absolute trust I lost with every separation.

“Hello,” she said, “are you asleep?”

“No. When can I see you? This morning?”

“Henry’s got a cold. He’s staying at home.”

“If only you could come here …”

“I’ve got to stay in to answer the telephone.”

“Just because he’s got a cold?”

Last night I had felt friendship and sympathy for Henry, but already he had become an enemy, to be mocked and resented and covertly run down.

“He’s lost his voice completely.”

I felt a malicious delight at the absurdity of his sickness: a civil servant without a voice whispering hoarsely and ineffectively about widows’ pensions. I said, “Isn’t there any way to see you?”

“But of course.”

There was silence for a moment on the line and I thought we had been cut off. I said, “Hello. Hello.” But she had been thinking, that was all, carefully, collectedly, quickly, so that she could give me straightaway the correct answer. “I’m giving Henry a tray in bed at one. We could have sandwiches ourselves in the living room. I’ll tell him you want to talk over the film – or that story of yours”, and immediatley she rang off the sense of trust was disconnected and I thought, how many times before has she planned in just this way? When I went to her home and rang the bell, I felt like an enemy – or a detective, watching her words as Parkis and his son were to watch her movements a few years later. And then the door opened and trust came back.”

 

Greene

Graham Greene (2 oktober 1904 – 3 april 1991)

 

De Amerikaanse dichter en essayist Wallace Stevens werd geboren op 2 oktober 1879 in Reading, Pennsylvania. Na zijn studie rechten in Harvard, die hij hij niet af maakte, werkte hij een tijd lang als journalist in New York. Daar maakte hij in 1903 de studie alsnog af en publiceerde hij ook zijn eerste gedichten. Hij trad vervolgens in dienst bij een verzekeringsmaatschappij in Missouri en leidde later hun kantoor in New York. Door een fusie verloor hij deze baan en vond een nieuwe in Hartford. In 1923 verscheen zijn eerste dichtbundel Harmonium. Deze werd echter nauwelijks opgemerkt, wellicht ook omdat het publiek na het verschijnen van The Waste Land een jaar eerder minder gevoelig was voor verniewingen. Teleurgesteld hierover publiceerde Stevens in de jaren twintig niets meer. Zijn werk vond pas echt erkenning in de jaren veertig. Toen ontving hij ook verschillende prijzen, waaronder de National Book Award.

 

Poem Written at Morning

 

A sunny day’s complete Poussiniana
Divide it from itself. It is this or that
And it is not.
By metaphor you paint
A thing. Thus, the pineapple was a leather fruit,
A fruit for pewter, thorned and palmed and blue,
To be served by men of ice.
The senses paint
By metaphor. The juice was fragranter
Than wettest cinnamon. It was cribled pears
Dripping a morning sap.
The truth must be
That you do not see, you experience, you feel,
That the buxom eye brings merely its element
To the total thing, a shapeless giant forced
Upward.
Green were the curls upon that head.

 

 

 

Of Modern Poetry

 

The poem of the mind in the act of finding
What will suffice. It has not always had
To find: the scene was set; it repeated what
Was in the script.
Then the theatre was changed
To something else. Its past was a souvenir.

It has to be living, to learn the speech of the place.
It has to face the men of the time and to meet
The women of the time. It has to think about war
And it has to find what will suffice. It has
To construct a new stage. It has to be on that stage,
And, like an insatiable actor, slowly and
With meditation, speak words that in the ear,
In the delicatest ear of the mind, repeat,
Exactly, that which it wants to hear, at the sound
Of which, an invisible audience listens,
Not to the play, but to itself, expressed
In an emotion as of two people, as of two
Emotions becoming one. The actor is
A metaphysician in the dark, twanging
An instrument, twanging a wiry string that gives
Sounds passing through sudden rightnesses, wholly
Containing the mind, below which it cannot descend,
Beyond which it has no will to rise.
It must
Be the finding of a satisfaction, and may
Be of a man skating, a woman dancing, a woman
Combing. The poem of the act of the mind.

 

wallace_stevens

Wallace Stevens (2 oktober – 1879 – 2 augustus 1955)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook alle tags voor Dimitri Verhulst op dit blog.

 

Uit: Zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren

„Ik was nooit makkelijk uit bed te krijgen, en ik moet er plots aan denken hoe mijn moeder vroeger, na tien keer mijn naam van beneden aan de trap te hebben geschreeuwd, ineens met een stevige ruk het laken van mijn lichaam trok, net zoals de lijkschouwer nu doet, zodat ik daar bloot en weerloos lag, beschaamd om wat de natuur ‘s ochtends vroeg een man aandoet. Het verschil is dat ik dit keer niet als de weerlicht in mijn kleren schiet terwijl ik haar op de gang hoor schaterlachen, geen mens die dat verwachten kan.
Mijn moeder, het mens. Zou ze ondertussen het nieuws al vernomen hebben?

Er zit een vlieg op het voorhoofd van de lijkschouwer en dat schijnt hem niet te deren. Hij meer dan wie ook weet dat die vlieg straks op mij zal komen neergestreken en vanaf dan geen enkele belangstelling meer voor zijn zwetende knikker zal tonen. Ze zal haar eieren in me leggen en die zullen met deze hitte spoedig uitkomen. Want toevallig zijn wij vandaag de eerste donderdag na Misericordias (de dag waarop in ons dorp traditioneel de kermis begint). Het is dan altijd uitstekend weer en vooral de ouderen verlangen dan opnieuw naar de winter die ze nog niet zo heel lang achter zich lieten en die ze evenzeer verwensten.Vijfentwintig graden zoals vandaag is geen uitzondering. Het zal pas volgende week vrijdag, of misschien zelfs zaterdag zijn dat de pastoor de opdracht zal hebben gekregen mij na een elfurendienst te begraven; tegen die tijd zal ik al sappig zijn, en mals voor de maden.

Dit gebouwtje is niet altijd eigendom van de gerechtelijke geneesheren geweest. Lang geleden was dit de jongensschool. Dat moet geweest zijn toen de schoolplicht nog tot de leeftijd van veertien gold en alleen de rijken er iets voor voelden hun kinderen naar de stad te sturen, waar ze bij de paters-jezuïeten een opleiding genoten die je het lachen deed vergaan maar waarmee je vele sloten open kreeg.“

 

verhulst_dimitri

Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Gryphius (gelatiniseerde naam van Andreas Greif) werd geboren op 2 oktober 1616 in Glogau (Silezië). Zie ook alle tags voor Andreas Gryphius op dit blog.

 

 

Thränen des Vaterlandes

XXIV.

 

Anno 1636.

 

WIr sind doch nunmehr gantz / ja mehr denn gantz verheeret!

Der frechen Völcker Schaar / die rasende Posaun

Das vom Blutt fette Schwerdt / die donnernde Carthaun /

Hat aller Schweiß / und Fleiß / und Vorrath auffgezehret.

 

Die Türme stehn in Glutt / die Kirch ist umgekehret.

Das Rathauß ligt im Grauß / die Starcken sind zerhaun /

Die Jungfern sind geschänd’t / und wo wir hin nur schaun

Ist Feuer / Pest / und Tod / der Hertz und Geist durchfähret.

 

Hir durch die Schantz und Stadt / rinnt allzeit frisches Blutt.

Dreymal sind schon sechs Jahr / als unser Ströme Flutt /

Von Leichen fast verstopfft / sich langsam fort gedrungen

 

Doch schweig ich noch von dem / was ärger als der Tod /

Was grimmer denn die Pest / und Glutt und Hungersnoth

Das auch der Seelen Schatz / so vilen abgezwungen.

 

gryphius

Andreas Gryphius (2 oktober 1616 – 16 juli 1664)

 

 

De Zweedse dichter en vertaler Göran Sonnevi werd geboren in Lund op 2 oktober 1939. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2007.

 

Uit: Mozart’s Third Brain (Vertaald door Rika Lesser)

 

CVI

 

Which is the time of music?  I know I exist inside it, liberated
As if this were the core:  the dance, the throat, the instruments

Listening, I play   Unknown music grows out of the instrument
Time grows out of me   All the more clearly, out toward the outermost tips of the galaxies
I am a comet, I imagined when I was little, dashing
around the schoolyard, arms outspread behind me like wings. . .

Stalin, too, loved Mozart   Thus even these forms are
completely empty   Interpretations know no limits
Nor shall we have any guarantees   Art is
not an insurance company, not a question of trust, and thus not politics
Disorder is complete   In Dante I find the word modern

The deep architecture of heaven, in its turnings   In music
I hear its deep mysteriousness   I hear its openness
The birds, in their movements over the planet’s surface   I see the cranes,
on the banks of Ljusnan, on the field of brown earth, between
flat patches of snow   The water dark, streaming   Heaven’s abyss
moves   The fragile, stinging stars rise   How do we
touch one another’s souls   In severity’s order   In what can only be grace

The skinny woman of about 50, in the May Day demonstration,
who said, never again would she vote for the Social Democrats
All over her face and body she bore the mark of someone betrayed
Who speaks now for the lowest?  And in which language?

Karl is dying now   M was there yesterday, to help out with
the shelves for the LPs   Karl lay in bed the whole time, did not want
to or could hardly speak, but was there mentally   Maybe it’s
the morphine, I said, that’s making it hard to focus, intellectually
I got the impression, said M, that Karl has now decided
it is time   I recall the severity in Karl’s face, the enormous
seriousness, the first time I was up at the offices of Aftonbladet,
in 1967, with the poem, “To the National Liberation Front of South Vietnam”;
he read it in my presence   His probing examination, his concentration
How I wondered if it would hold up   In the end almost
nothing does   Except for what exists in the time that is of eternity  

The music deeper and deeper toward darkness   The prelude to Siegfried,
the tubas, the basses   Again in Mahler, Scelsi   How this touches
Europe, invoked also in Dante, in The Paradiso   The third
age will come, according to Joachim de Fiore   But this, too,
will suffer decadence, before perfection in the Last Judgment   Here
all the ages move more rapidly, everything blended, confused   Realms
succeed one another   Within each human being his time   The vector cloud of times
moves, in the stream of people   Under the mountain of the heart hubris grows

 

goran

Göran Sonnevi (Lund, 2 oktober 1939)

 

De Oostenrijkse schrijfster en literatuurwetenschapster Waltraud Anna Mitgutsch werd geboren in Linz op 2 oktober 1948. Anna Mitgutsch bezocht tot 1967 het gymnasium in Linz, waarna ze aan de universiteit van Salzburg anglistiek en germanistiek ging studeren. Na verschillende reizen doceerde ze van 1971 tot 1973 aan de universiteiten van Norwich en Kingston-upon-Hull. Ze behaalde haar doctoraat in Salzburg in 1974, met een studie over Ted Hughes, en vervolgens assisteerde ze vier jaar aan het instituut voor amerikanistiek aan de universiteit van Innsbruck.

In 1978 trok ze naar Seoel, alwaar ze als assistent-professor voor Duits en Engels werkzaam was. Tussen 1980 en 1985 doceerde ze aan verscheidene universiteiten aan de Oostkust van de Verenigde Staten. Sedert 1985 is ze zelfstandig schrijfster, en woont ze afwisselend in Linz en in Boston. Tot 2000 was ze lid van de Oostenrijkse afdeling van de International PEN; ze zetelt daarnaast in de Grazer Autorenversammlung en de Interessengemeinschaft Österreichischer Autorinnen und Autoren.

A
nna Mitgutsch won verschillende prijzen, waaronder de Gebroeders-Grimm-Prijs van de stad Hanau (1985), de Kulturpreis des Landes Oberösterreich (1986), de Anton-Wildgans-Preis (1992), de Österreichischer Würdigungspreis für Literatur (2001), de Solothurner Literaturpreis (2001), alsmede de Kunstwürdigungspreis der Stadt Linz (2002).

 

Uit: Die Züchtigung

 

Im Kindergarten mußte ich besser gekleidet sein als die anderen Kinder und durfte mich auch nur mit den Kindern aus den sogenannten „besseren Kreisen“ anfreunden. Auch in der Schule gab es erneut Anstrengungen um mit dem Wohlstand mithalten zu können. Beste Schreibwaren, Stifte und adrette Schulkleider. Ich wurde zur Meisterschülerin. Wenn ich Einser nach Hause brachte, war ich Mamas gutes Kind und wurde vorgezeigt. Im Grunde war es Mamas Leistung und beim ersten Zweier begann ich hemmungslos zu weinen, bei der Frau Lehrerin. Wie weit haben meine Schreie wohl gehallt, an schönen Sommertagen, wenn alle Fenster weit geöffnet waren, nur unsere fest und sorgfältig verschlossen.

Mein Vater war nur eine Marionette, die bei uns wohnte, mit uns aß, im Nebenzimmer schlief und den ich „Papa“ nannte. Wenn ihm die Drohungen und Streitigkeiten mit der Mutter zuviel wurden, stand er auf und ging. Die einzige Zärtlichkeit, die ich von meinen Eltern gesehen habe, war vor Zeugen, um ihr Eheglück zu demonstrieren. Sonst gingen sie getrennte Wege: Mutter lehrte mich, meinen Vater zu verachten. Nach der Volksschule ging ich ins Gymnasium, wo ich das einzige Arbeiterkind war und mir dies auch deutlich von meinen Mitschülerinnen gezeigt wurde. Die Schulleistungen sanken in den nächsten Jahren von „Sehr Gut“ auf „Nicht Genügend“. Meine Mutter begann darauf hin wieder – pflichtbewußt wie sie war – mich für jede schlechte Note zu züchtigen.

Ich wurde feige und ängstlich. Die Leute lobten mich, aber sie übersahen das freudlose, verängstigte Gesicht. Bei uns zu Hause herrschte die absolute Sauberkeit und die Vorstellung von schmutziger Wäsche verfolgte mich auch noch in meinen Träumen. überall lauerte die Gefahr, jedes geglückte Abenteuer endete mit Schlägen. Das Schmerzgefühl blieb mir im Hals stecken, wenn sie mich packte und wahllos in mein Gesicht schlug bis ihre Hände und mein Gesicht blutig waren. Ich wurde übergewichtig und so zum Gespött der Klasse und während die anderen Mädchen modebewußt wurden blieb ich matronenhaft.

Mein Mutter war glücklich, die Pubertätskrise war überwunden und ich wurde wieder Klassenbeste! „Vera ißt brav, Vera lernt brav, Vera macht mir jetzt viel Freude“, sagte sie zu ihren Schwestern. Mutter hatte nun auch diese Runde gewonnen.

Die Matura bestand ich mit Auszeichnung und meine Eltern kamen in die Schule, als ich für ausgezeichnete Leistung einen Kunstband vom Direktor bekam.

War meine Erziehung damit abgeschlossen?”

 

Anna_mitgutsch_2

Waltraud Anna Mitgutsch (Linz, 2 oktober 1948)

 

De Britse (reis)schrijfster en  historica Jan Morris werd als James Humphrey Morris geboren op 2 oktober 1926 in Clevedon, Somerset. Zij volgde een opleiding aan het Lancing College, West Sussex, Morris is vooral bekend vanwege haar Pax Britannica trilogie over de geschiedenis van het Britse Rijk, en voor haar geschreven portretten van steden als Oxford, Triest, New York en Venetië. Ook schreef zij over de Spaanse cultuur en geschiedenis. Jan was als man geboren en trouwde met Elisabeth Tuckniss. Het paar kreeg vijf kinderen. In 1972 veranderde Morris van sexe via een operatie en nam de naam Jan aan, maar bleef getrouwd. De zoektocht naar haar identiteit beschreef zij in haar boek Conundrum.

 

Uit: Jan Morris drinks her way across Europe

 

„Everyone seems to know everyone else in the Plaza de la Paz. Everyone knows the two ancient ladies who walk up and down, up and down, past the cafe tables beneath a shared white parasol. Everyone greets the extremely genteel seller of lottery tickets, and time and again the cry of Hombre! rings across the square as stocky jarreños (jug-makers, as they call Haro citizens) greet one another around the bandstand. Every passer-by peers into the convivial interior of the Café Madrid, to see what friends are propping up the bar, and a few look curiously at me as I pour more wine from the bottle I have put under the table, to keep it out of the sun.

I must not idealize the scene. A group of suave Spaniards (from Burgos, they tell me) has just settled at a pair of tables on the pavement, very gold-bangled and silk-scarfed and sunglassed, and a terrific pair of thugs whom I take to be Basque terrorists has just swaggered by with an alarming dog. There are a few weirdos about, bikers in leather jackets, babies in ostentatious prams. But in general the passers-by seem people without pose or affectation, a rough but serene kind of people, from a rough but generally serene place.

And the wine? Give me a moment, while I swallow this prawn and think about it. Mmm. More serenity than roughness, I think. It is example No. 1,301 of a remarkable vintage of 8,400 bottles that won important prizes in Bordeaux last year, but it is loyal Rioja all the same, well-oaked, honest, strong, straight, an organic tasting wine. And as is only proper in the new Spain — in the new Europe — its winemaker was a woman.“

 

_366960_morris180

Jan Morris (Clevedon, 2 oktober 1926)

P. N. van Eyk, Charles Cros, Günter Wallraff, Sergej Aksakov, Michael Schindhelm, John Hegley, Inge Merkel, Khalid Boudou

De Nederlandse dichter criticus, essayist en letterkundige Pieter Nicolaas van Eyk (naamsverandering omstreeks 1907 in Van Eyck) werd geboren op 1 oktober 1887 in Breukelen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2007.

 

Boeddha-beeld

Daar staat het, grijs, in ’t korrelige steen:
Hij, bijna, ‘vrij’ , aan drift en wil ontstegen,
Tot afscheid van wat stil wordt weggezwegen
Iets als een glimlach om zijn lippen heen.

En onbetwist haast, de oogen toe. Want niet
Nu hij geheel in zich rust, zijn de leden
Tot schut der ziel voor de aarde toegegleden,
Doch als broos teken dat hij niet meer ziet, –

Maar mij, die nimmer zijn kon wat ik ben,
Gistren nog moe van ’t blind door wond’ren lopen,
Nu plotseling ziende, is ’t al zo licht en open
Dat ik mij zelf ternauwernood herken –

Een blij bewoner van dit wijd domein –
Nog onbegrijpelijk ruist het door mijn zinnen!
Ik voel mijn hart een nieuwe droom beginnen:
God wil, in mij, als mens gelukkig zijn.

Voor het raam

Hier, in mijn eigen leven: ik.
Op gras en takken stilte en sneeuw –
Wat droomde ik van heelal en eeuw?
Daar is alleen: dit oogenblik.

Ik voel ’t. En toch, niet gans als míjn,
Maar of ’t mij toeruist door die boom:
Een stem, van verder dan mijn droom
Gezongen uit een dieper zijn.

Wel weet ik: als die stem mij richt,
Wordt eens dit bont-verweven lot
Plotseling tezaamgetrokken tot
Eén, helle, kern, een flitsend licht.

 

Van_eyck

P. N. van Eyk (1 oktober 1887 – 10 april 1954)

 

De Franse dichter Charles Cros werd geboren in Fabrezan op 1 oktober 1842. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2007.

 

Les quatre saisons – L’automne

 

L’automne fait les bruits froissés
De nos tumultueux baisers.

Dans l’eau tombent les feuilles sèches
Et sur ses yeux, les folles mèches.

Voici les pèches, les raisins,
J’aime mieux sa joue et ses seins.

Que me fait le soir triste et rouge,
Quand sa lèvre boudeuse bouge ?

Le vin qui coule des pressoirs
Est moins traître que ses yeux noirs.

 

 

 

Testament

 

Si mon âme claire s’éteint
Comme une lampe sans pétrole,
Si mon esprit, en haut, déteint
Comme une guenille folle,

Si je moisis, diamantin,
Entier, sans tache, sans vérole,
Si le bégaiement bête atteint
Ma persuasive parole,

Et si je meurs, soûl, dans un coin
C’est que ma patrie est bien loin
Loin de la France et de la terre.

Ne craignez rien, je ne maudis
Personne. Car un paradis
Matinal, s’ouvre et me fait taire.

 

Cros

Charles Cros (1 oktober 1842 – 9 augustus 1888)

 

De Duitse schrijver en undercoverjournalist.Günter Wallraff werd geboren op 1 oktober 1942 in Burscheid bij Keulen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2006 en ook mijn blog van 1 oktober 2007.

 

Uit: Undercover

Glitzernd ragt das Hochhaus in den Himmel über Köln, acht Meter höher als der Dom. Der Köln-Turm im MediaPark ist mein Ziel an diesem Morgen, die neue deutsche Arbeitswelt, in der nichts mehr qualmt und rußt wie einst in Fabriken und in Zechen, sondern die staubfrei hinter Stahl und Glas versteckt ist. Finanzdienstleister, Makler, Beratungsfirmen, Callcenter. Eine automatische Drehtür schiebt mich ins Foyer, vor den Empfang. Ich trage falsche Haare, Kontaktlinsen, habe meinen Schnauzbart abrasiert, und das Marathontraining des vergangenen Jahres hat mich zusätzlich verjüngt. Ich bin 49 und heiße von nun an Michael G. – mein Name, und damit meine Identität, ist von einem Freund geliehen. Die junge Dame am Empfang gibt den Aufzug frei, nachdem mein Besuchswunsch aus der Zieletage positiv beschieden wurde. „Mit dem Anwachsen der Geschäftsvolumina steigen in gleicher Weise die Diskretionsbedürfnisse“, lautet die Köln-Turm-Eigenwerbung. Deshalb „schützt Sie das Lift-look-Aufzugssystem vor ungebetenen Gästen“. So viel Diskretion wird Gründe haben. Im Köln-Turm haben sich Unternehmen niedergelassen, die sich nur ungern in die Karten schauen lassen. Ich will zu CallOn, dem zweitgrößten Vermarkter von Lotterielosen in Deutschland. CallOn ist ein Callcenter, einer der Big Player in diesem neuen Wirtschaftszweig.

Mehr als 5500 Callcenter gibt es in Deutschland. 400.000 Beschäftigte hatte die Branche 2006, in diesem Jahr werden vermutlich 40.000 Mitarbeiter hinzukommen. Es scheint, als seien Callcenter die Bergwerke der Neuzeit: Zigtausende arbeiten im Verborgenen, werden unsichtbar – und ihre Arbeitsbedingungen auch. Die Branche wächst schnell und verändert sich rasant: Nur noch ein Drittel der Firmen ist mit sogenannten Inbound-Geschäften betraut, nimmt also im Auftrag eines Unternehmens Anfragen, Beschwerden oder Anregungen von Kunden entgegen. Zwei Drittel widmen sich teilweise oder vollständig dem Outbound: Verkaufsgeschäften. Allgemein bekannt ist, dass diese Callcenter Lottolose und Zeitschriftenabonnements verkaufen, weniger bekannt, dass sie im Grunde mit allem Möglichen handeln: mit Nahrungsmitteln, Versicherungsverträgen und Hedgefonds. Was auch immer sie verkaufen: In aller Regel ist es überteuert. Fast immer ist der Kunde der Betrogene. Die Callcenter rufen tagein, tagaus bei den Deutschen an – in der Regel ungebeten. 900.000 unaufgeforderte Anrufe, schätzt der Bundesverband der Verbraucherzentralen, werden täglich von Callcentern aus geführt. In 95 Prozent der Fälle fühlen sich die Verbraucher belästigt.”

 

Wallraff

Günter Wallraff (Burscheid , 1 oktober 1942)

 

De Russische schrijver Sergej Aksakov werd geboren op 1 oktober 1791 in Oefa en had een ziekelijke jeugd op het landgoed van zijn ouders in Novo-Aksakova, voordat hij studeerde aan het gymnasium van Kazan. Daarna studeerde hij vanaf 1805 aan de Staatsuniversiteit van Kazan. Hij raakte geïnteresseerd in theater en zette zich af tegen het als oubollig geziene werk van Nikolaj Karamzin en steunde Aleksandr Sjisjkov in zijn strijd tegen het maniërisme van Karamzin en zijn pleidooi voor volksgedichten in de Russische taal.

In 1807 ging Aksakov naar Sint-Petersburg en in 1812 naar Moskou, waar hij meedeed aan de Campagne van 1812. Hij trouwde met Olga Saplatina en leefde vervolgens gelukkig vanaf 1816 met haar op zijn landgoed Aksakov. Ze kregen vier zonen en vijf dochters. Twintig jaar later, in 1826, trok hij met zijn gezin naar Moskou. Zijn landgoed bracht echter te weinig op om van rond te komen en hij trad daarop in dienst van Sjisjkov op de afdeling censuur, maar omdat hij te flexibel was voor het regime van tsaar Nicolaas I, vertrok hij daar weer snel. In 1833 werd hij inspecteur en in 1835 directeur van de School voor veldmeetkunde in Moskou. Nadat zijn vader was overleden in 1837 kon Aksanov op zijn landgoed leven zonder verdere beroepsverplichtingen. Als landheer opende hij zijn huis voor literair en wetenschappelijk geïnteresseerden. Een van hen, prozaïst Nikolaj Gogol, moedigde hem aan te gaan schrijven, hetgeen hem ertoe aan zette zijn aantekeningen over onderwerpen als jagen en vissen te publiceren. Deze publicaties maakten hem een nationale held en bezorgden hem een groot aantal bewonderaars. De verhalen over zijn jeugdjaren bezorgden hem de grootste bekendheid. Hij stierf op 68-jarige leeftijd in 1859 in Abramtsevo.

 

Uit: The Little Scarlet Flower

 

„In a certain realm, in a certain land, there lived a wealthy merchant, a man of great means.

Much wealth had he of every kind—gold and silver treasure, pearls and precious stones, costly wares from far-off lands. And this merchant had three daughters, each more lovely than words can tell, but the youngest was the fairest of all. He loved his daughters more than his entire fortune—more than his pearls and precious stones, more than his gold and silver treasure. His love was great, for his wife was dead and he had nobody else to love. Though he loved his elder daughters, he loved his youngest daughter best because she was the kindest and most loving to her father.

One day, this merchant made ready to sail across the sea with his wares, to the ends of the earth. Before departing, he said to his dear daughters, “O my kind and sweet and tender daughters, I take my ships to trade in lands across the sea. Whether I be long on my way I cannot say, but I bid you live in virtue and peace while I am gone. Then I shall bring you back whatever gifts your hearts desire. And I give you three days to make your choice; then you shall tell me what gifts you desire.”

For three days and nights they considered, then came to their father and told him of the gifts they each desired. The first daughter bowed low to her father, and spoke thus, “Sire, my dear beloved father, bring me no gold or silver brocade, no black sable, no wondrous pearls. Bring me, I pray thee, a golden crown set with precious stones, such that shines as the full moon or the bright sun, such that turns the dark of night into the light of day.”

The honest merchant thought awhile, then said, “So be it, daughter mine, I shall bring you just such a crown. I know a man across the sea who can get it for me. It belongs to a foreign princess and is concealed in a stone chamber buried deep in a mountain of stone, seven yards down behind three iron doors with three German locks. The task is not an easy one, but my fortune knows no bounds.”

Next, his second daughter bowed low and said, “Sire, my dear beloved father, I want no gold or silver brocade, no black Siberian sable, no wondrous pearl necklace, no golden crown with precious stones. Bring me a mirror of Eastern crystal, so pure and perfect I may behold all the beauty under the sun, such that when I look into it I may never grow old, my maidenly beauty shall increase.”

The honest merchant became thoughtful; then he said, “So be it, daughter mine, I shall bring you a crystal mirror such as you describe. There is just such a mirror belonging to the daughter of the King of Persia, a young princess whose beauty no tongue can de-scribe, no pen can depict, no mind can imagine. The mirror is hidden in a stone tower, tall and strong, that stands on a mountain cliff seven hundred yards high. And the mirror is kept behind seven iron doors with seven German locks. Three thousand steps lead up to the tower and on every step stands a Persian warrior guarding the treasure day and night, each wielding a mighty sword of sharp steel.“

aksakov

Sergej Aksakov (1 oktober 1791 – 12 mei 1859)

 

 

De Duitse schrijver, vertaler en dramaturg  Michael Schindhelm werd geboren op 1 oktober 1960 in Eisenach. Hij studeerde scheikunde in Merseburg en het Russische Voronezj. Van 1984 tot 1986 was hij wetenschappelijk medewerker aan de Akademie der Wissenschaften in Oost-Berlijn. Daarna werkte hij als vertaler, schrijver en dramaturg. Tot 2006 had hij aanstellingen als intendant bij verschillende Duitse theaters. Sinds maart 2008 is hij directeur cultuur van de Dubai Culture and Arts Authority.

 

Uit: Die Herausforderung

 

„Das Tor knarrte seit letztem Sommer. Er sah hinter sich und entließ Schmitt und den Fahrer Rölke mit einem ungewissen Handzeichen. Durch die das fahle Abendlicht spiegelnden Fenster waren ihre Gesichter im Inneren des Wagens nicht zu erkennen. Er hielt neben einem dunkelbraunen Cabrio und den Containern inne, aus denen zwei feiste schwarze Plastiksäcke herausblähten, und starrte auf das frei stehende Einfamilienhaus aus den zwanziger Jahren mit den zwei Apfelbäumen im Vorgarten und einem verbeulten blauen Briefkasten am Zaun. Dieses Innehalten gehörte inzwischen zum Nachhausekommen wie das Knarren des schiefhängenden Gartentors. Weit und breit das einzige altersschwache und ungeölte Exemplar. Nicht, daß er sich darauf etwas einbildete, aber er mußte zugeben, daß er sofort auf andere Gedanken kam, hatte er erst einmal dieses Tor mit einem Ruck angehoben und geöffnet. Eine Nacktschnecke robbte quer über den Plattenweg zum Haus. Er nahm das schlüpfrige, karamelfarbige Eingeweidesäckchen zwischen Daumen und Zeigefinger der rechten Hand und warf es ins Gras zurück. Die Hand schloß sich unwillkürlich zur Faust.

Hinter ihm schlugen nacheinander mehrere Kirchen- glocken an. Er baute sich breitbeinig vor dem Rasen auf, drückte die Knie durch und atmete tief ein und aus. Das gehörte nicht mehr zu den Ritualen des Nachhausekommens, und als er die blaugrauen Wolkenstores über dem

Nachbarhaus entdeckte und wie sie den Garten eindun- kelten, fiel ihm auf, daß er sonst nie in diese Richtung sah und sich bis vor wenigen Sekunden in dem Glauben gewiegt hatte, es würde an diesem Maitag noch viele träge Stunden dauern, bevor der Abend anbrach. Er sah zer-

streut auf die klebrige Handfläche.

Eine Amsel flog aus den Holunderbüschen auf. Er hatte jetzt das Gesicht dieses Journalisten im Kopf, zusammengewachsene Augenbrauen und eine steile Falte darüber,

wie ein Blitzableiter. Wie ihm dieser Typ vorhin, nach der Gründungsfeier, auf dem Herrenklo entgegengekommen war. Mit überkreuzten Armen und den Händen unter den Achseln, weil es angeblich keine Papierhandtücher gebe.

»Wurzener Tageblatt«. Das eignete sich bestimmt auch zum Händetrocknen. In der Regel vergaß er solche Leute, sobald sie aus seinem Blickfeld verschwunden waren. Es

sei denn, es handelte sich um Journalisten wie diesen Steil- falte. Er erklärte sich den Fall damit, daß er zum Gründungsakt der Bundeskulturstiftung gesprochen und dem Mann danach plausibel zu machen versucht hatte, wes- halb dieses Land eine Bundeskulturstiftung bitter nötig hatte. Die Leser vom »Wurzener Tageblatt« sollten wissen, daß ohne ihn, Müller, diese Stiftung nie zustande ge-

kommen wäre.“

 

schindhelm

Michael Schindhelm (Eisenach, 1 oktober 1960)

 

De Engelse dichter John Hegley werd geboren op 1 oktober 1953 in Londen, maar bracht zijn jeugd grotendeels door in Luton. Hegley behaalde een graad aan de universiteit van Bradford. Voor zijn loopbaan als dichter leidde hij een comedygroep Popticians, die af en toe nog met hem op toernee gaat.

 

Werk o.a.: Dog (2000), My Dog is a Carrot (2002), The Sound of Paint Drying (2003), Uncut Confetti (2006)

Pop and me

 

My dad had come along to watch me
the day I came last in the cub scout sack race;
the day my glasses fell off on to the running track
and somebody behind me
deliberately hopped on top of them
and damaged them really badly.
I was that
struggling runt at the back
laughed at by everyone,
everyone, except my dad.
And not because he had
a beating in mind
but because he felt for me.
And when he came to find me
and I was melting with tears
he said ‘You’re the one
they’ll remember in the years to come, son,
you were very funny.’
And he took me to the shop
and ordered me some pop
and we halved the humiliation
when he didn’t have the money.

 

john-hegley

John Hegley (Londen, 1 oktober 1953)

 

De Oostenrijkse schrijfster Inge Merkel, werd geboren op 1 oktober 1922 in Wenen. Zij studeerde klassieke talen, geschiedenis en germanistiek aan de universiteit in haar geboortestad. Daarna werkte zij als wetenschappelijk medewerkster en als lerares Latijn. Pas toen zij zestig jaar was begon zij met schrijven. Zij schreef zes omvangrijke romans en een bundel verhalen. In 1982 ontving zij de Aspekte-Literaturpreis voor het beste debuut. Ook ontving zij nog in 1986 de Literaturpreis der Stadt Wien, 1987 de Anton-Wildgans-Preis, 1990 de Otto-Stoessl-Preis en in 1992 den Ehrenpreis des österreichischen Buchhandels für Toleranz in Denken und Handeln.

 

Uit: Sie kam zu König Salomo

 

„Er schob sich etwas näher an sie heran. Dabei gerieten sie mit den Handrücken aneinander, und nach einer Weile griff er nach ihrem Handgelenk. Durch das Nähertreten berührten sie sich nun auch leicht an den Schultern und Hüften. Salomo seufzte, dann drehte er den Kopf zur Seite, der Königin zu.
“Würden wir nicht bequemer liegen und es traulicher haben, wenn wir uns einander zuwandten?”
Sie taten es und schwiegen wieder eine ganze Weile. Dann sagte sie: “Ich weiß, mein Salomo, worauf du hinauswillst, und ich gestehe es dir gleich, auch mich bewegt derselbe Wunsch, stark und dringend.
Aber ich rate ab.”
“Ich weiß. Es ist unseres Alters wegen. Die Leute urteilen da ziemlich schroff. Aber eine glatte Haut und geschmeidige Glieder hab ich mehr als genug im Frauenhaus.”
“Es ist nicht nur, weil im Alter die Haut rauh wird und die Glieder nicht mehr schlank und beweglich sind. Ich meine es anders.”
“Und ich sage, ist es nicht das Schönste, was uns Gott gegeben hat in diesem dunklen Dasein?”
“Ja, ja, du hast ja recht, doppelt und dreifach recht. Aber seit ich alt bin, setzt mir der Vorgang selbst zu, verstehst du? Die besondere Eigenart dieses Vorgangs, die man in der Kopflastigkeit der Jugend, im Rausch des Geschehens übersieht, weil man von diesem Geschehen so überwältigt ist, daß einem die klaren Sinne schwinden und man glückseligerweise gar nichts mehr wahrnimmt. Ist es doch sogar die Voraussetzung für einen befriedigenden Ablauf dieses Vo
rgangs, daß die Schärfe der Wahrnehmung verschwimmt. Schon ein verständiger Blick oder Gedanke stört die schwunghafte Erhöhung, unterbricht sie rüde, sodaß man sich ernüchtert zur Seite rollt. Wir sind zu alt dafür, Salomo. Ich liebe dich tief und schwer, aber wir sind zu alt für das schöne Spiel, das der Jugend vorbehalten ist. Nicht wegen der Sittsamkeit, sondern wegen des Geschmacks.”

 

Merkel

Inge Merkel (1 oktober 1922 – 15 januari 2006)
Boekomslag (geen portret beschikbaar)

 

De Nederlands – Marokkaanse schrijver Khalid Boudou werd geboren in Tamsamane, Marokko op 1 oktober 1974. Boudou begon met het schrijven van korte verhalen en gedichten. Voor het verhaal De Stemmendans ontving hij de El Hizjra Literatuurprijs. Hij is vooral bekend door het boek Het Schnitzelparadijs uit 2002, dat in 2005 verfilmd werd door Martin Koolhoven, naar een scenario van Marco van Geffen. Het werd een enorme bioscoophit. In 2002 werd dit boek bekroond met Het Gouden Ezelsoor. In november 2005 verscheen zijn tweede boek De President. Boudou heeft een wekelijkse column op BNR Nieuwsradio. Zijn derde boek, PizzaMaffia is verschenen in november 2007. Khalid Boudou woont in Tiel.

 

Uit : De president

 

‘Dames en heren, ik neem even een slokje water.
We zijn wakker, zeer gewaardeerde burgers van Zapland. Ik ben opgestaan en u bent opgestaan. Wat hebben we geleerd? Lui achteroverleunen is in deze verkiezingstijd alleen nog weggelegd voor chronische klagers. U zult zelf de toekomst van uw maatschappij moeten regisseren. Doet u dat niet in het parlement of op een voetbalfeestje, dan wel op uw verjaardag. Tijdens mijn campagne, waarvan ik helaas door het noodlot de laatste dagen niet heb mogen meemaken, werd er druk gediscussieerd en was er soms sprake van een massale toestroom op de verkiezingsavonden van mijn politieke tegenstanders. Thuis wachtte de televisie, met polls, hysterische debatten en mensen die de jas en mondhoeken van politici analyseerden en een wirwar van grafieken tentoonspreidden…
Dames en heren, ik neem even een slokje water.
Zo. Dames en heren, de geloofwaardigheid van de politiek maakt velen onder u nog altijd sceptisch. Dat begrijp ik, dat ben ik ook. Wel lijkt u doordrongen te zijn van het besef dat de politieke arena geen speeltuin is voor blaffende honden en mannen in hun tweede jeugd – anders had u niet voor mij gekozen, maar voor mijn gevallen op-po-nent. U hebt daarmee het bewijs geleverd, beste, honorabele burger, dat hij die beweert dat de gemiddelde kiezer een hol vat is met armen en benen, dat de gemiddelde kiezer zijn stem laat afhangen van de neus van de president, zijn afkomst of de jurk van diens vrouw, hooghartig is. U hebt zich niet laten inpakken door enquêtebureaus, die het volk misleiden met nietszeggende onderzoekjes. U koos massaal voor mij, omdat ik uw land transparant, eerlijk en veilig zal maken – zo veilig als een aspergeveld.“

 

Boudou_Drent

Khalid Boudou (Tamsamane, 1 oktober 1974

Truman Capote, Hendrik Marsman, Roemi, Eli Wiesel, Henk Spaan, Jurek Becker

De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2006 en ook mijn blog van 30 september 2007.

 

Uit: In Cold Blood

 

„Ordinarily, Mr. Clutter’s mornings began at six-thirty; clanging milk pails and the whispery chatter of the boys who brought them, two sons of a hired man named Vic Irsik, usually roused him. But today he lingered, let Vic Irsik’s sons come and leave, for the previous evening, a Friday the thirteenth, had been a tiring one, though in part exhilarating. Bonnie had resurrected her “old self”; as if serving up a preview of the normality, the regained vigor, soon to be, she had rouged her lips, fussed with her hair, and, wearing a new dress, accompanied him to the Holcomb School, where they applauded a student production of Tom Sawyer, in which Nancy played Becky Thatcher. He had enjoyed it, seeing Bonnie out in public, nervous but nonetheless smiling, talking to people, and they both had been proud of Nancy; she had done so well, remembering all her lines, and looking, as he had said to her in the course of backstage congratulations, “Just beautiful, honey–a real Southern belle.” Whereupon Nancy had behaved like one; curtsying in her hoop-skirted costume, she had asked if she might drive into Garden City. The State Theatre was having a special, eleven-thirty, Friday-the-thirteenth “Spook Show,” and all her friends were going. In other circumstances Mr. Clutter would have refused. His laws were laws, and one of them was: Nancy–and Kenyon, too–must be home by ten on week nights, by twelve on Saturdays. But weakened by the genial events of the evening, he had consented. And Nancy had not returned home until almost two. He had heard her come in, and had called to her, for though he was not a man ever really to raise his voice, he had some plain things to say to her, statements that concerned less the lateness of the hour than the youngster who had driven her home–a school basketball hero, Bobby Rupp.

Mr. Clutter liked Bobby, and considered him, for a boy his age, which was seventeen, most dependable and gentlemanly; however, in the three years she had been permitted “dates,” Nancy, popular and pretty as she was, had never gone out with anyone else, and while Mr. Clutter understood that it was the present national adolescent custom to form couples, to “go steady” and wear “engagement rings,” he disapproved, particularly since he had not long ago, by accident, surprised his daughter and the Rupp boy kissing. He had then suggested that Nancy discontinue “seeing so much of Bobby,” advising her that a slow retreat now would hurt less than an abrupt severance later–for, as he reminded her, it was a parting that must eventually take place. The Rupp family were Roman Catholics, the Clutters, Methodist–a fact that should in itself be sufficient to terminate whatever fancies she and this boy might have of some day marrying. Nancy had been reasonable–at any rate, she had not argued–and now, before saying good night, Mr. Clutter secured from her a promise to begin a gradual breaking off with Bobby.“

 

Capote2

Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist Zie ook mijn blog van 30 september 2006  en ook mijn blog van 30 september 2007.

Verzet

Toen zei de man: ik ben moe;
vijand, laat van mij af;
ik verweer mij niet meer;
ik lig nog maar wat en wacht af
of ik gehaald word vannacht. –
en de priester: ik breng u den Heer….
maar hij, met een laatsten slag
sloeg het kruisbeeld weg van zijn mond
en krijschte: ga weg –
neem mijn laatst bezit mij niet af:
mìjn zonden gaan mee in mìjn graf.

 

 

Ontmoeting in het Donker

 

Vaag, geheimzinnig en grootsch

gaat de avond over in nacht –

alle grens en gloed wordt gedoofd

en het donker regent als asch.

 

en ik, dien de roepstem des doods

heeft bezworen als nimmer voorheen

van mijzelven afstand te doen,

en ik, wien de engel verscheen

 

zonder blinkende rusting of zwaard

zwart en stil aan het eind van de laan,

ik prevelde: waar moet ik heen?

en hij zeide: naar waar ge vandaan

 

zijt gekomen, en waarom waagt gij het niet?

waarom laat ge mij telkens hier staan,

en doet luid, en alsof ge niet ziet

dat wij eindelijk samen moeten gaan?

 

– omdat ik u haat en vrees,

– maar gij haat en vreest ook het leven. –

(zoo is het altoos geweest,

ik ben bang voor den dood en bemin niet het leven) –

 

hij ging, en ik hoor nóg het lied

als een vogel die fluit in een wolk,

maar ik weiger, ik ga nog niet,

o Vlerk in mijn rug, o Dolk. –

 

 

 

Vrouw

 

Lichaam wentelend al-leven
gedrochtelijk staan wij massaal geheven
tegen den rottend-paarsen hemel van verlangen

hijgende nacht

mijn vale handen tasten even
het slierend kransen van uw blauwe haren
die, gif en scheemring, vachten hemel waren
over al-ruimte, uw gelaat, ivoor ovaal,
waarin uw oogen, spitse spleten, hangen:
en groen signaal. 

 

Marsman

Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)

 

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook mijn blog van 30 september 2007.

 

Daglicht

 

De Geliefde is alles, de minnaar slechts een sluier.
De Geliefde is levend, de minnaar een dood ding.
Wanneer Liefde haar kracht gevende zorg onttrekt,
blijft de minnaar achter als een vogel zonder vleugels.
Hoe kan ik wakker en bewust zijn
als het licht van de Geliefde afwezig is?
Liefde wil dat dit Woord
aan het daglicht wordt gebracht.
Vind je de spiegel van het hart dof,
dan is de roest nog niet van haar oppervlak geveegd.

 

 

***

 

Als je bij me bent,
houdt onze liefde me uit de slaap.
Als je niet bij me bent,
kan ik niet slapen van verdriet.
Wonderlijk, twee nachten van wakker liggen –
Maar god, wat een verschil!

 

Roemi

Roemi (30 september 1207 – 17 december 1273)

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Eli Wiesel werd geboren op 30 se
ptember 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië.
ook mijn blog van 30 september 2007.

 

Uit: The Judges

 

“Outside, the wolves, if there were any, must have been jubilant; they reigned supreme over a doomed world. Razziel pictured a pack of them in full cry, anticipating the delight of falling upon sleeping prey, and that reminded him dimly of the troubling landscape of his youth. Were these the only things that seemed familiar to him, his only points of reference? Was there no face he could have called to mind for reassurance? Yes, there was one: that of an old wise man, wise and mad, mad with love and daring, with thirst for life and knowledge, the ravaged face of Paritus. Whenever Razziel thought about his own past, Paritus always surfaced in his memory.

The storm was violent, driven by the fury, both blind and blinding, of a thousand wounded monsters; when would its howling cease? It seemed as if it were pitilessly bent on uprooting everything, sweeping everything away to a land dominated by white death, and that this would engulf the log cabin in which he sat in this little village hidden away somewhere in the mountains between New York and Boston. Was it the end of the world? The end of a tale whose origins were unknown to Razziel? Was he to die before having met once more with his great protector, his guide, the messenger of his destiny? Surely not; it was just a fantasy, an illusion that arose from the nightmares buried deep in Razziel’s memory, from which he himself had been barred for time beyond measure.

A strange orator roused him from his reverie. Theatrical, with a harsh, emphatic voice, he was delivering a speech as if he were onstage or standing before a gathering of learned men.

“I salute the gods who have guided you to this modest dwelling. Welcome. Warm yourselves, and may our meeting have a significance worthy of us all,” said the man, smiling.”

 

wiesel1

Eli Wiesel (Sighet, 30 september 1928)

 

De Nederlandse (gelegenheids-)dichter, (sport)journalist, televisiepresentator en columnist Henk Spaan werd geboren in Heerhugowaard op 30 september 1948. Spaan studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam, maar voltooide zijn studie niet. Tijdens zijn studie was hij redacteur van het studentenweekblad Propria Cures. Hij kreeg eind jaren ’70 landelijke bekendheid toen hij samen met Harry Vermeegen het VARA-radioprogramma ‘Tussen start en finish’ weer leven inblies. Daarna maakten ze samen de televisieprogramma’s ‘Pisa’, ‘Verona’, ‘Nieuwe Koeien’ en ‘Die Twee’. Solo presenteerde hij ‘Studio Spaan’ en ‘Voetballen doe je zo’. Spaan is op dit moment columnist voor het Algemeen Dagblad en Onze Taal. In februari 2008 hield hij, na drieëndertig jaar, op met zijn wekelijkse column in Het Parool omdat hij niet akkoord ging met een verlaging van zijn honorarium.

In 2006  verscheen van hem “De kop van Kuijt en andere gedichten”, een gedichtenbundel ter gelegenheid van het WK–voetbal in Duitsland

 

 

Andere tijden

In mijn buurt waar jongens nu
Khalid heten, Mo
Tarek, Youssef en Yassin
En de meisjes Fatima, Rachida, Nadia
Heetten ze ooit Joyce, Daisy of Adinda
De jongens Roy, Reggie en Saïdja.

Voetballen konden die Indo’s en
Gitaar en ukelele spelen
Ik zong de tweede stem
Naar nasi rook het in het trappenhuis
Soms was het buiten vechten
Mijn vader zei: “Nee jongen, jij blijft thuis”.

Als het leuk werd moest ik binnenblijven
Kevers raceten over straat en stoep
Door de lucht vloog een politiepet
Wiebe Holvast in de handboeien
Mijn vader: “Dit soort gasten
Zat vroeger in ’t verzet.

Indische jongens hadden een Kreidler
Een vetkuif en een leren jack
Het is een andere tijd
Als Boulahrouz in zijn Bentley
Door zo’n oude buurt rijdt.

 

Spaan

Henk Spaan (Heerhugowaard, 30 september 1948)

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in Łódź, in Polen. Zijn geboortedatum werd willekeurig uitgekozen. Zijn vader ham hem ouder gemaakt om hem voor deportatie uit het joodse ghetto te beschermen. Becker was waarschijnlijk een paar jaar jonger dan vermeld werd.Toen in 1968 zijn draaiboek Jakob der Lügner werd afgewezen werkte hij het om tot roman. Die verscheen in 1969 en werd in 1974 alsnog verfilmd. In 1973 verscheen zijn tweede roman Irreführung der Behörden en in 1974 werd hij in het presidium van de schrijversbond van de DDR gekozen. In 1975 ontving hij de Nationalpreis der DDR voor literatuur. In 1976 ondertekende Becker met elf andere schrijvers een brief waarin zij protesteerden tegen de „Ausbürgerung“ van Wolf Biermann. Als straf werd hij uit het presidium gezet. Uit protest verliet hij zelf in 1977 de bond omdat deze Reiner Kunze uitsloot. Met toestemming van de DDR-regering verhuisde hij toen naar, omdat zijn boeken in de DDR niet meer werden uitgegeven en zijn filmprojecten werden afgewezen.

 

Uit: Jakob der Lügner

 

“Sind Sie denn dabeigewesen?”, fragt Schmidt.
“Nicht die Spur. Aber Kowalski hat mir vorher alles Wort für Wort erklärt.”
“Aber wenn Sie nicht dabeigewesen sind, den Sachverhalt also nur vom Hörensagen kannten, hätten Sie doch gar nicht als Zeuge auftreten dürfen. Woher wollten Sie denn mit Sicherheit wissen, dass Kowalski diesem Herrn das Geld auch tatsächlich zurückgegeben hatte? Er hätte, ich will es ihm nicht unterstellen, aber es wäre immerhin denkbar, Kowalski hätte Sie doch belügen können, damit Sie zu seinen Gunsten aussagen?”
“Das glaube ich nicht”, sagt Jakob ohne langes Nachdenken. “Er hat viele schlechte Seiten, die kennt keiner so gut wie ich, aber ein Lügner ist er nicht. Er hat mir gleich gesagt, dass er Porfir das Geld nicht zurückgegeben hat. Woher hätte er es denn nehmen sollen?”
“Und obwohl Sie das wussten, haben sie vor dem Staatsanwalt ausgesagt, er hätte es in Ihrer Gegenwart zurückgezahlt?”
“Ja, natürlich.”

 

6becker

Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997

Pé Hawinkels, Miguel de Unamuno, Elizabeth Gaskell, Miguel de Cervantes, Lanza del Vasto, Akram Assem, Ingrid Noll, Colin Dexter

De Nederlandse schrijver, vertaler en dichter  Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 29 september 2006 en ook mijn blog van 29 september 2007.

 

 

Naar bed
Naar John Donne (1572-1631)

 

Kom, Vrouwe, geen seconde rust voor mij,

Totdat ik – lig, nou ja, maar werk daarbij.

Ziet men de vijand, – ook wie nimmer kruit

Geroken heeft, houdt ’t wachten dan niet uit.

Die gordel af, die straalt als ’s hemels kring,

Maar om een wereld sluit van schoner schittering.

Speld van uw borst die plaat, die met pailletten

Der dwazen blik de toegang moet beletten.

Rijg los, ’t uur, dat zo welluidend slaat,

Zegt mij: ’t is tijd, dat gij naar bed toe gaat.

Uìt dat corset, dat ‘k zijn geluk benijd

U na te zijn, te stààn, en dat altijd.

Uw jurk onthult een pracht als bloemenweiden,

Waar heuv’lenschaduw steels vandaan komt glijden.

Dat nare kroontje kan nu af; toon nu

De diadeem van haar, die groeit op U.

Die schoenen uit; betreed dan veilig

Dit bed, der liefde tempel zacht & heilig.

Als men een Engel van de hemel ziet,

Is Die in ’t wit, als gij, die ’n hemel biedt

Als Mohammed’s paradijs; gaan geesten beide

Soorten in ’t wit, toch kan men onderscheiden

Een goede Engel van een boze geest:

Dees’ zet ons haar rechtop, en die ons vlees.

 

Laat vrij mijn handen dolen, laat ze gaan,

Van voor, van achter, tussen, boven-, onderaan.

Amerika! Mijn nieuw-gevonden-land,

Mijn Rijk, ’t best met één man slechts bemand,

Mijn Mijn van Edelstenen, Keizerrijk,

Oh, hoe gezegend dees’ ontdekkingsreis!

De vrijheid vind ik pas in deze banden;

Zo zal mijn zegel zijn, waar nu m’n handen.

Spiernaakt! Eerst zò kan men de vreugden leren,

De ziel van ’t lichaam, ’t lichaam van de kleren

Bevrijd. Juwelen zijn slechts, zo te zeggen,

Atlanta’s appels, om mànnen voor te leggen:

Wiens oog voor vrouwensieraad schittert, wel,

’t Hunne wil de dwaas misschien, niet hèn.

Zoals een leuke boekomslag voor leken,

Zo moet de opschik van een vrouw bekeken;

Zelf zijn zij boeken van mystiek; géén dan wij

(Wie hun onbesprokenheid genadig zij)

Moet die ontsluierd zien. Welaan, toon nou

Aan mij, vrijuit als aan een vroede vrouw,

U zelve. Vort nou, ook dit linnen weg,

Op onschuld staat geen straf, wat ik U zeg.

Hier, kijk: ìk ben al naakt; nu dan,

Wat moet U meer bedekken dan een man…

 

hawinkels

Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

 

De Spaanse dichter en filosoof Miguel de Unamuno y Jugo werd geboren op 29 september 1864 in Bilbao. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006.

 

 

The Snowfall Is So Silent

 

The snowfall is so silent,
so slow,
bit by bit, with delicacy
it settles down on the earth
and covers over the fields.
The silent snow comes down
white and weightless;
snowfall makes no noise,
falls as forgetting falls,
flake after flake.
It covers the fields gently
while frost attacks them
with its sudden flashes of white;
covers everything with its pure
and silent covering;
not one thing on the ground
anywhere escapes it.
And wherever it falls it stays,
content and gay,
for snow does not slip off
as rain does,
but it stays and sinks in.
The flakes are skyflowers,
pale lilies from the clouds,
that wither on earth.
They come down blossoming
but then so quickly
they are gone;
they bloom only on the peak,
above the mountains,
and make the earth feel heavier
when they die inside.
Snow, delicate snow,
that falls with such lightness
on the head,
on the feelings,
come and cover over the sadness
that lies always in my reason.

 

MigueldeUnamuno

Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)

 

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006.

 

Uit: North and South

 

„But are all these quite necessary troubles?’ asked Margaret, looking up straight at him for an answer. A sense of indescribable weariness of all the arrangements for a pretty effect, in which Edith had been busied as supreme authority for the last six weeks, oppressed her just now; and she really wanted some one to help her to a few pleasant, quiet ideas connected with a marriage.

‘Oh, of course,’ he replied with a change to gravity in his tone. ‘There are forms and ceremonies to be gone through, not so much to satisfy oneself, as to stop the world’s mouth, without which stoppage there would be very little satisfaction in life. But how would you have a wedding arranged?’

‘Oh, I have never thought much about it; only I should like it to be a very fine summer morning; and I should like to walk to church through the shade of trees; and not to have so many bridesmaids, and to have no wedding-breakfast.“

 

Elizabeth_Gaskell_1832

Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)

 

 

De Spaanse dichter en schrijver Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006.

 

Uit : Don Quichot

 

“Mijnheer Don Quichot, waar gaat u naar toe? Wat duivels rijden u, dat ze u inblazen ons katholiek geloof te lijf te gaan? Zo waar ik een zondaar ben, dat is toch een boetprocessie, en de dame die op het voetstuk meegevoerd wordt is het gebenedijde beeld van de onbevlekte Maagd; mijnheer, let u toch op wat u doet, want ditmaal kan men toch zeggen dat u niet doet wat u kunt.”

Maar Sancho sloofde zich tevergeefs uit; want zijn heer had het zo vast in het hoofd om de zaak met de gehemde mannen uit te vechten en de dame in de rouw te bevrijden, dat hij geen woord meer hoorde; en had hij het gehoord, dan zou hij nog niet zijn teruggekeerd, al had de koning in eigen persoon het hem bevolen. Hij kwam ten slotte bij de processie aan, hield Rossinant in, die al lust had om het wat kalmer aan te doen, en met ontroerde en hese stem sprak hij: “Staat, gij allen die wellicht omdat gij niet veel goeds in uw schild voert, het gelaat bedekt; staat stil en luistert naar hetgeen ik u zeggen zal.”

De eersten die stilstonden waren de mannen die het beeld droegen; en een van de vier geestelijken die de litaniën zongen, antwoorde toen hij de vreemde tronie van Don Quichotte zag, de scharminkeligheid van Rossinant en andere bespottelijkheden die hem bij Don Quichot in het oog vielen en troffen, zeggende: “Heer broeders, zo gij ons iets te zeggen hebt, zeg het dan snel, want deze broeders gaan hun weg onder kastijding des vlezes; en wij kunnen en mogen hier niet stilstaan om wat ook aan te horen, tenzij het zo kort is dat het in twee woorden gezegd kan worden.”

“In een woord zal ik het u zeggen,” hernam Don Quichot, “en het is dit: dat gij onverwijld de vrijheid zult hergeven aan deze schone vrouw, wier tranen en droef gelaat de klare bewijzen zijn dat gij haar een schandelijk onrecht hebt aangedaan; maar ik die ter wereld gezonden ben om dergelijke beledigingen te wreken, ik zal niet toestaan dat gij ook maar een stap verder gaat, eer gij haar de zo begeerde vrijheid schenkt waarop zij recht heeft.”

Cervantes

Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)

 

 

De Italiaanse filosoof, poëet, artiest, en geweldloos activist Lanza del Vasto werd geboren als Giuseppe Giovanni Luigi Enrico Lanza di Trabia in San Vito dei Normanni op 29 september 1901. Als westerse volgeling van Mohandas K. Gandhi, die hij leerde kennen via het werk van Romain Rolland en die hij in India opzocht in 1936, werkte hij aan inter-religieuze dialoog, spirituele vernieuwing, ecologisch activisme en geweldloze actie.

Hij bleef enkele maanden met de Mahatma die hem de naam “Shantidas” (dienaar van de vrede) gaf, en vertrok in juni 1937 op pelgrimstocht naar de bronnen van de Ganges in de Himalaya. Daar had hij een visioen dat hem opdroeg ‘keer terug en sticht’.

Hij publiceerde verschillende poëtische werken en, in 1943, het verhaal van zijn reis naar India en ‘le Pèlerinage aux sources’ (pelgrimstocht naar de bronnen), dat een enorm succes werd.. Hij stichtte de eerste van de gemeenschappen van de Ark in 1948, in het begin met heel wat tegenkanting en moeilijkheden.

In 1962 vestigde de gemeenschap zich in de Haut-Languedoc, in La Borie Noble, nabij Lodève, op een domein met een vervallen klokkentoren. Het is een werkende lekenorde, van mannen en vrouwen die de principes van de geweldloosheid in de praktijk brengen.

 

Hou je recht

 

Als je het gemakkelijk hebt of moeilijk,

In armoede of overvloed, ziekte of gezondheid.

Hou je recht en glimlach.

Te midden van hen die voortsnellen,

die zich druk maken in de leegte

of elkaar bestrijden

Hou je recht en glimlach.

Te midden van hen die met de ellebogen werken,

die de handen uitsteken om te grijpen,

Ofwel die kruipen en schipperen,

Hou je recht en glimlach.

Te midden van hen die redetwisten,

En die elkaar uitschelden,

Die de vuisten ballen, die de wapens opnemen,

Hou je recht en glimlach.

In tijden van woede en van vlucht,

Wanneer alles instort en afbrandt,

Jij alleen overeind te midden van de paniek.

Hou je recht en glimlach.

Tegenover de onbuigzame rechtvaardigen,

De rechters met bloedige deugden,

De voornamen, die zich uitsloven,

Hou je recht en glimlach.

Zingt men je lof,

Spuwt men je in het gelaat,

Hou je recht en glimlach.

Thuis tussen je naasten,

Hou je recht en glimlach.

Tegenover je geliefde,

Hou je recht en glimlach.

In spel en dans,

Hou je recht en glimlach.

Tijdens het waken en het vasten,

Hou je recht en glimlach.

Alleen in de hoge stilte,

Hou je recht en glimlach.

Bij het begin van de grote tocht,

Zelfs als je ogen schreien,

Hou je recht en glimlach.

 

vasta

Lanza del Vasto (29 september 1901 – 5 januari 1981) 

 

De Afghaanse schrijver en historicus Akram Assem werd geboren op 29 september 1965 in Kabul. Hij studeerde en promoveerde aan de Sorbonne in Parijs. Tijdens de bezetting van Afghanistan door de Sovjet Unier streed Akram op diverse plaatsen voor de bevrijding van zijn land. In mei 1993, gaf hij, teleurgesteld  wegens de voortdurende machtsstrijd tussen de voormalige verzetsgroepen, zijn diplomatieke post in Parijs op. Sinds 1996 woont hij met zijn gezin In Springfield, Virginia in de VS.

 

Uit: Is the US Respecting Afghanistan’s Sovereignty?

 

“Historically, Afghanistan has been victim of its geography, attracting all kinds of invaders, from Alexander of Macedonia and Genghis Khan to the British and the Czarist then Soviet empires. To focus on the recent past, it has been almost twenty-three years since Afghans have had quasi no say on major decisions affecting their rights as a nation, as a people. Did the Afghans ask the Soviets to invade their country? Did the Afghans ask to be caught in the game between Eastern and Western blocks? During their resistance against the
Soviet aggression, did the Afghans ask the Americans to give the bulk of all military and financial assistance to the most extremist groups among the Afghan Mujahedeen, as it was the case to the benefit of Mr.Gulbuddin Hekmatyar’s Hizb-e-Islami? Did the Afghans ask the CIA, the ISI and the Saudi intelligence to play Dr. Frankenstein and create the Taliban in 1994? Did the Afghans ask the Americans in 1996 to direct the regime of General Omar Al-Bashir of Sudan to expel Ben Laden and his suite to Afghanistan?


Why do the Afghans have to pay for the mistakes made by the CIA? Is Afghanistan only an experimentation ground for some undercover pseudo-expert agents willing to exercise their strategy-building abilities in a land that appears to them as exotic and to a certain extent fascinating but ultimately not vital for the overall strategy of the United States? But, as we all have witnessed, mistakes made abroad have had tragic consequences on the American soil, too. I would welcome the idea of a congressional inquiry digging into the files related to the Afghan policy of the United States, especially looking into those belonging to the CIA, to bring into light and weigh the consequences of their repeated miscalculations and inability – or may be unwillingness – to understand Afghanistan and make the right decisions.

 

akram

Akram Assem (Kabul, 29 september 1965)

 

De Duitse (detective)schrijfster Ingrid Noll werd geboren op 29 september 1935 in Shanghai. In 1949 trok zij naar Duitsland en bezocht daar tot 1954 een katholieke meisjesschool in Bad Godesberg. Daarna studeerde zij in Bonn germanistiek en kunstgeschiedenis. Pas in 1990 verscheen haar debuut Der Hahn ist tot. Haar boeken worden nu in meer dan twintig talen vertaald en wel eens vergeleken met die van Patricia Highsmith.

 

Kuckuckskind

 

„Früher hatten mir das Singen im Chor und die wö­chentlichen Proben sehr viel bedeutet. Es war eine nette Gemeinschaft, die sich da einmal in der Woche zusammenfand, ausserdem konnte ich mein musika­lisches Wissen erweitern und einen Abend lang alle Probleme vergessen. Die Konzentration, die für zwei Stunden nötig war, machte mich nie müde, sondern gab mir Kraft. Beschwingt und in bester Laune kam ich dann nach Hause zurück.

Bis zu jenem schwarzen Montag, als die Probe ausfiel, ohne dass man uns vorher benachrichti­gen konnte. Wir standen schon im Vereinsraum vor dem Flügel herum und schwatzten, als die Frau des Chorleiters hereinstürzte und uns mitteilte, ihr Mann habe einen Unfall gehabt. Die meisten von uns zogen in eine Kneipe weiter. Vielleicht hätte ich ihnen
besser folgen sollen, doch ich beschloss, den frei gewordenen Abend daheim zu verbringen. Ger­not würde sich bestimmt freuen.

Als ich mein Fahrrad abgestellt hatte und unsere Haustür aufschloss, tönte mir Musik entgegen. Ich lauschte verwundert: Je t’aime – moi non plus…

Diese alte Aufnahme von Serge Gainsbourg und Jane Birkin hatte ich mir während eines Studienauf­enthaltes in Frankreich zugelegt. Seltsam, dachte ich und setzte erst einmal Teewasser auf, denn ich fror ein wenig. Draussen war es herbstlich kühl ge­worden, und ich hatte nur eine Strickjacke überge­zogen. Ob Gernot litt, wenn er jeden Montagabend allein war? Tröstete er sich mit erotischen Chan­sons? Wir hatten schon lange keinen Sex mehr ge­habt.

Anscheinend hatte er mein Kommen nicht be­merkt. Ein leiser Argwohn bewog mich, die Schuhe auszuziehen, über den Flur zu schleichen und durch einen Türspalt ins schummrig beleuchtete Wohn­zimmer zu spähen.

Zuerst konnte ich nicht richtig erkennen, was sich da auf unserem Sofa abspielte. Aber es waren un­übersehbar zwei Personen, die dort stöhnten“.

ingrid_noll

Ingrid Noll (Shanghai, 29 september 1935)

 

De Britse schrijver Colin Dexter werd geboren op 29 september 1935 in Stamford, Lincolnshire. Aanvankelijk wilde hij leraar worden. Hij studeerde klassieken in Cambridge. Tijdens een verregende vakantie in Wales in 1972 begon hij schreef hij twee middelmatige detective verhalen. Hij vond dat hij het beter moest kunnen en in 1975 schreef hij zijn eerste roman over inspecteur Morse, Last Bus to Woodstock.

 

Uit: The Remorseful Day

 

“You holy Art, when all my hope is shaken,

And through life’s raging tempest I am drawn,

You make my heart with warmest love to waken,

As if into a better world reborn.

(From An Die Musik, translated by Basil Swift)

Apart (of course) from Wagner, apart from Mozart’s compositions for the clarinet, Schubert was one of the select composers who could occasionally transport him to the frontier of tears. And it was Schubert’s turn in the early evening of Wednesday, July 15, 1998, when–The Archers over–a bedroom-slippered Chief Inspector Morse was to be found in his North Oxford bachelor flat, sitting at his ease in Zion and listening to a Lieder recital on Radio 3, an amply filled tumbler of pale Glenfiddich beside him. And why not? He was on a few days’ furlough that had so far proved quite unexpectedly pleasurable.

Morse had never enrolled in the itchy-footed regiment of truly adventurous souls, feeling (as he did) little temptation to explore the remoter corners even of his native land, and this principally because he
could now imagine few if any places closer to his heart than Oxford—the city which, though not his natural mother, had for so many years performed the duties of a loving foster parent. As for foreign travel, long faded were his boyhood dreams that roamed the sands round Samarkand; and a lifelong pterophobia still precluded any airline bookings to Bayreuth, Salzburg, Vienna–the trio of cities he sometimes thought he ought to see.

Vienna . . .

The city Schubert had so rarely left; the city in which he’d gained so little recognition; where he’ddied of typhoid fever–only thirty-one.

 

Dexter

Colin Dexter (Stamford, 29 september 1935)