Hans Sahar, Paul Celan

De Nederlandse schrijver van Marokkaanse afkomst Hans Sahar (pseudoniem van Farid Boukakar) werd geboren in Al Hoceima, Marokko, op 24 november 1974. Zie ook alle tags voor Hans Sahar op dit blog.

Uit: Hoezo bloedmooi

“Mooie zwartharige jongen verwent dames. Bel voor een afspraak naar Abi: Telefoon 17775.
Dat was de definitieve tekst voor de advertentie. Hij had er lang aan zitten prutsen en proberen. Verschillende kladjes had hij verscheurd en door de plee getrokken. Al vonden ze thuis maar een flintertje van zo’n tekst dan kon dat al fataal zijn.
Nu zat hij eindelijk in lijn 8 om de advertentie op te gaan geven bij de krant. Hij keek de mensen om hem heen even aan, maar kon maar aan één ding denken.
Hij was op het idee gekomen toen hij in de snackbar zat te lullen met een andere Marokkaan, een man die in zaken zat, foute zaken, en die altijd met zijn zaktelefoon bezig was. Ideaal ding. Altijd en overal ben je bereikbaar en geen kip die je pikt. En omdat Hassan toch een maand naar Marokko ging, kon Abi hem mooi gebruiken.
De juffrouw achter de balie pakte het briefje aan, nam een formulier, begon in te vullen, stopte, keek hem aan, probeerde achteloos verder te gaan. Simpel, mager ding. Er kwam een ander vrouwtje bij. Keek mee. Abi schaamde zich een beetje maar nam de telefoon uit z’n jack om te laten zien dat het ernst was.
Die tweede was aantrekkelijk genoeg om zelf in de termen te vallen: dertiger, lekker sensuele lippen, ogen die vragen, een lijf dat uitdaagt.

‘Dat is dan drie plaatsingen maal achtenzeventig dat is tweehonderdvierendertig gulden inclusief.’
Hij schoof het geld over de toonbank en kreeg een reçuutje. Bij het verlaten van het kantoor keek hij even snel in de grote spiegelruit: daar heb je de nieuwe gigolo. Maar hij zag ook dat de meiden hem nakeken en smoesden. Niks van aantrekken, misschien belt die ene wel.
‘You are the reason God created girls.’
Hoe vaak had hij die clip van Prince al gezien? Die woorden zaten op de raarste ogenblikken in zijn hoofd. Die avond thuis, de volgende dag op school. En hij dacht niet eens speciaal aan meisjes die hij kende.
‘You are the most beautiful girl in the world.’
Nou, het zou misschien druk worden aan de telefoon, maar most beautiful zouden ze vast niet zijn.
Toch belde er een meisje van twintig. Hij zat op zijn zoldertje mtv te kijken en zette het geluid zachter. Heel gesprek.
‘Hoe zie je eruit?’
Lang blond haar. Ze was studente. Wat de prijs was. Had ontzettend veel zin in een man maar was te verlegen. Geen maagd meer maar gewoon weinig vrienden. Weinig uitgaan, zulk gepraat. Ze zou er even over denken en terugbellen.
‘Daaaag schatje, ik hoor wel van je.’
Intussen de zwarte boys en girls van Inner Circle. Geluid harder. Een heftige clip, sexy, wild, wreed, dansen, swingen, tekeergaan. En die stemmen: ‘I’m looking in your big brown eyes.’

 

Hans Sahar (Al Hoceima, 24 november 1974)

 

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.  Hier volgt de vertaling van een vroeg gedicht uit 1947.

 

De koningsweg achter de schijndeur,

het door het tegen-
teken met dood omgeven
Leeuwsteken ervoor,

het gesternte, gekapseisd,
vermoerast,

jij, met de
de wonde doorgrondende
wimpers

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn blog van 24 november 2020 en ook mijn blog van 24 november 2018 deel 1 en ook deel 2.

Paul Celan

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

 

Drüben

Erst jenseits des Kastanien ist die Welt.

Von dort kommt nachts ein Wind im Wolkenwagen,
und irgendwer steht auf dahier…
Den will ich über die Kastanien tragen:
`Bei mir ist Engelsüß und roter Fingerhut bei mir!
Erst jenseits der Kastanien ist die Welt.‘

Dann zirp ich leise, wie es Heimchen tun
dann halt ich ihn, dann muss er sich verwehren:
ihm legt mein Ruf sich ums Gelenk!
Den Wind hör ich in vielen Nächten wiederkehren:
`Bei mir flammt Ferne, bei dir ist es eng…‘
Dann zirp ich leise, wie es Heimchen tun.

Doch wenn die Nacht auch heut sich nicht erhellt,
und wiederkommt der Wind im Wolkenwagen:
‘Bei mir ist Engelsüß und roter Fingerhut bei mit!’
Und will ihn über die Kastanien tragen –
dann halt, dann halt ich ihn nicht hier.. .

Erst jenseits der Kastanien ist die Welt.

 

EIN LIED IN DER WÜSTE

Ein Kranz ward gewunden aus schwärzlichem Laub in der Gegend von Akra:
dort riss ich den Rappen herum und stach nach dem Tod mit dem Degen.
Auch trank ich aus hölzernen Schalen die Asche der Brunnen von Akra
und zog mit gefalltem Visier den Trümmern der Himmel entgegen.

Denn tot sind die Engel und blind ward der Herr in der Gegend von Akra,
und keiner ist, der mir betreue im Schlaf die zur Ruhe hier gingen.
Zuschanden gehaun ward der Mond, das Blümlein der Gegend von Akra:
so blühn, die den Dornen es gleichtun, die Hände mit rostigen Ringen.

So muss ich zum Kuss mich wohl bücken zuletzt, wenn sie beten in Akra…
O schlecht war die Brünne der Nacht, es sickert das Blut durch die Spangen!
So ward ich ihr Iächelnder Bruder, der eiserne Cherub von Akra.
So sprech ich den Namen noch aus und fühl noch den Brand auf den Wangen.

 

VOR EINER KERZE

Aus getriebenem Golde, so
wie du’s mir anbefahlst, Mutter,
formt ich den Leuchter, daraus
sie empor mir dunkelt inmitten
splitternder Stunden:
deines
Totseins Tochter.

Schlank von Gestalt,
ein schmaler, mandeläugiger Schatten,
Mund und Geslecht
umtanzt von Schlummergetier,
entschwebt sie dem klaffenden Golde,
steigt sie hinan
zum Scheitel des Jetzt.

 

Tenebrae

Nabij zijn wij, Heer,
nabij en grijpbaar.

Gegrepen reeds, Heer,
de klauwen reeds in elkaar geslagen, alsof
het lichaam van ieder van ons
uw lichaam was, Heer.

Bid, Heer,
bid tot ons,
wij zijn nabij.

Windscheef gingen wij heen,
gingen wij heen, om ons te buigen
over trog en kratermeer.

Naar de drenkplaats gingen wij, Heer.

Het was bloed, het was
wat u vergoten had, Heer.

Het glansde.

Het wierp ons uw beeld in de ogen, Heer.
Ogen en mond staan zo open en leeg, Heer.
Wij hebben gedronken, Heer.
Het bloed en het beeld dat in ’t bloed stond, Heer.

Bid, Heer.
Wij zijn nabij.

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)
Monument in Tsjernivtsi (Duits: Czernowitz)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e november ook mijn blog van 23 november 2018 en eveneens mijn blog van 23 november 2014 deel 2.

Dirk van Weelden, Christian Filips

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Zie ook alle tags voor Dirk van Weelden op dit blog.

Uit: Die blik van Ninetto

“Poëzie levert geen wetenschap, geen filosofische theorie, geen religieuze leerstelligheden en zelfs geen kunstmetafysica op. Voorzover er van inzicht, uitzicht of overzicht sprake is, ligt die besloten in de ervaring van de poëtische activiteit zelf. En die is uiterst concreet, individueel en lokaal; gebonden aan dat ene landschap, de woorden in dit ene gedicht, die paar filmbeelden, de lijnen en kleuren van het schilderij, de klanken van het muziekstuk, dit ene lichaam.
In de slotalinea vertelt Beurskens over een derde Pasolini-film, ‘Uccellacci e uccellini’ (1965), waarin Rosanna di Rocco opnieuw een engel speelt. Ze is het vriendinnetje van de jongen Ninetto, die toekijkt hoe zij in haar engelenkostuum op weg gaat naar het kerkelijk feest waar ze als engel optreedt. Maar wanneer ze vertrokken is ziet hij Rosanna in de gebouwen om zich heen, in deuropeningen, in openstaande ramen, op het dak. Ze is wonderbaarlijk alomtegenwoordig. En altijd lacht ze en zwaait en verdwijnt. De laatste zin van het essay luidt: ‘Dan moet je die blik van Ninetto zien!’
Een vreemd en abrupt einde? Nee, want die blik van Ninetto is nu precies hetgene dat het essay ons geboden heeft. Met die laatste zin kijken we de essayist Beurskens in het gezicht. Ninetto is een speler in de film, waarin de engel Rosanna haar poëzie kan tonen, maar hij is ook altijd nog die ander: het gewone, niet-acteurslichaam, de man die het wonder aanschouwt en rilt en zich tot in zijn tenen verbaast. De essayist Beurskens is een Ninetto, die meespeelt in de vormenwereld van de kunst, maar zijn kracht put uit het feit dat hij ook altijd zichzelf speelt: de amateur in de nobelste zin van het woord, degene wiens betrokkenheid op liefde en plezier gebaseerd is en nooit vrij is van de laconieke scepsis, die alle kunst omringd, ja verzwolgen ziet door het leven.
Dit essay is een mooie versie van Beurskens denkwijze over de verhouding tussen de vormen van de kunst, de mythische clichés en de even wonderlijke als groteske effecten wanneer die in contact komen met de aarde en de lichamen, de zintuigen van sterfelijke mensen. Ik zeg opzettelijk versie en niet voorbeeld of illustratie omdat dit essay met zijn vervlechting van filmbeschouwing en herinnering zelf doet waarover het spreekt. De slingerbeweging langs filmscènes, citaten, denkbeelden en herinneringen levert een poëtische gebeurtenis op. In Beurskens gedichten, romans en verhalen zien we de maker aan het werk. De essays zijn het werk van een Ninetto, die is gaan schrijven, vragen gaan stellen, verbanden gaan leggen, omdat het niet genoeg is het spel zelf te spelen, omdat hij het niet laten kan te vertellen wat hij meemaakt en uit te leggen hoe het werkt als hij voor zijn ogen de dochter van de melkboer een engel ziet worden, omdat dat het wonder van alle poëzie is.”

 

Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Momenten van de dag

Aanmerkelijk is alles weer
onopgemerkt verstreken:
de dag zonder zorgen
in de morgen met het scheermesje
je tanden gepoetst.
De trillende nekhaartjes
onmerkbaar verwijderd
zonder pincet.
De bewuste vingers.
Ze zijn ingekort.
De behoedzame knie
onopgemerkt benaderd:
De nacht onzorgvuldig
daarna met het gordijn
de sporen gewist.
In bewuste uren:
Ze zijn verstreken, weer
onopgemerkt verstreken
zonder iets opmerkelijks.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen, 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e november ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

A Poem For The Feast Of Christ The King (Pamela Cranston), R. S. Thomas, Garth Risk Hallberg

 

Bij Christus Koning

 

Tu Rex Gloriae Christe door William Earley, 1933. Glas-in-lood raam in de St. Joseph’s Church in Toomyvara, County Tipperary, Ierland

 

A Poem For The Feast Of Christ The King

See how this infant boy
lifted himself down
into his humble crèche
and laid his tender glove of skin
against splintered wood—
found refuge in a rack
of straw—home
that chilly dawn,
in sweetest silage,
those shriven stalks.

This outcast king lifted
himself high upon his savage cross,
extended the regal banner
of his bones, draping himself
upon his throne—his battered feet,
his wounded hands not fastened
there by nails but sewn
by the strictest thorn of love.

 

Pamela Cranston
De episcopale Saint Thomas Church in New York, de geboorteplaats van Pamela Cranston

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

Het Koninkrijk

Er is nog een lange weg te gaan maar daarbinnen
zijn nogal verschillende dingen aan de hand;
festivals waar de arme man
koning is en de tbc-patiënten
genezen; spiegels waarin blinden kijken
naar zichzelf en liefde naar hen terug-
kijkt; en nijverheid er is om gekromde beenderen
en door het leven gebroken geesten
te herstellen. Er is nog een lange weg te gaan, maar om er
te komen kost geen tijd en de toegang
is gratis, als je jezelf wilt zuiveren
van verlangen, en jezelf wilt presenteren met
alleen je behoeften en het eenvoudige aanbod
van je geloof, groen als een blad.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)

 

De Amerikaanse schrijver Garth Risk Hallberg werd geboren op 1 december 1978 in Louisiana en groeide op in Noord-Carolina. Zie ook alle tags voor Garth Risk Hallberg op dit blog.

Uit: Stad in brand (Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema)

“IN NEW YORK kun je alles thuis laten bezorgen. Dat is in elk geval het principe van waaruit ik werk. Het is het midden van de zomer, het midden van het leven. lk bevind me in een verder verlaten appartement in West Sixteenth Street, waar ik zit te luisteren naar het vredige gezoem van de ijskast in de kamer hiernaast, en al bevat het ding alleen maar een half pakje boter uit de vroege Middeleeuwen dat mijn gastheren hebben achtergelaten toen ze afreisden naar de kust, ik kan binnen veertig minuten zo ongeveer alles eten wat mijn hartje zou kunnen begeren. Toen ik nog een jongeman was – een jongere man, moet ik zeggen – kon je zelfs drugs thuis laten bezorgen. Visitekaartjes met een Manhattan telefoonnummer en die verweesde woordjes bezorging aan buis erop, of, iets gebruikelijker, allerlei bullshit over therapeutische massage. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat ooit vergeten was. Maar ja, de stad is veranderd, of de mensen willen andere dingen. De bosjes die de transacties van de hosselaars op Union Square aan het oog onttrokken zijn verdwenen, net als de telefooncellen van waaruit je je dealer kon bellen. Toen ik er gistermiddag heen wandelde om er even uit te zijn, was er een stel moderne dansers bezig in slow motion opwinding te creëren onder de opgeleefde bomen. In wijnkleurig licht zaten gezinnetjes keurig op plaids. Ik zie dat tegenwoordig overal, openbare kunstuitingen die je nauwelijks kunt onderscheiden van het openbare leven, bestippelde auto’s die over Canal Street rondcruisen, krantenkiosken die zijn versierd met linten alsof het cadeautjes zijn. Alsof je je dromen gewoon als opties in het keuzemenu van mogelijke ervaringen kunt zetten. Merkwaardig genoeg leidt dit rationaliseren van werkelijk ieder verlangen – de overdaad van deze tegenwoordig toch al zo overdadige stad – er vooral toe dat waar je werkelijk naar smacht nou net niet op straat te vinden is.
Waar ik persoonlijk naar heb gesmacht sinds ik zes weken geleden aankwam is dat mijn hoofd op een bepaalde manier zou aanvoelen. Destijds zou ik dat gevoel niet onder woorden hebben kunnen brengen, maar nu denk ik dat het zoiets is als het gevoel dat alles nog elk moment zou kunnen veranderen. Ooit was ik een ns-New Yorker, zwartrijder, vuilnissnuffelaar, iemand die bij wildvreemden in de stad binnenviel, en dat gevoel was de grondtoon van mijn bestaan. Als dat gevoel dezer dagen de kop opsteekt, is dat alleen maar bij vlagen. Maar goed, ik heb ermee ingestemd tot eind september op dit huis te passen, en hoop dat dat genoeg zal zijn. Het heeft de vorm van zo’n bouwblokjeshuis uit een primitief videospelletje: slaapkamer en zitkamer aan de voorkant, dan een eetgedeelte en de grote slaapkamer, plus de keuken die er als een staart aan is vastgeplakt.“

 

Garth Risk Hallberg (Louisiana, 1 december 1978)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e november ook mijn blog van 21 november 2020 en ook mijn blog van 21 november 2018 en ook mijn blog van 21 november 2015 deel 2.

Don DeLillo, Scott Cairns

De Amerikaanse schrijver Don DeLillo werd op 20 november 1936 geboren in New York City als zoon van Italiaanse immigranten. Zie ook alle tags voor Don DeLillo op dit blog.

Uit: The Silence

“They sat waiting in front of the superscreen TV. Diane Lucas and Max Stenner. The man had a history of big bets on sporting events and this was the final game of the football season, American football, two teams, eleven players each team, rectangular field one hundred yards long, goal lines and goal posts at either end, the national anthem sung by a semi-celebrity, six U.S. Air Force Thunderbirds streaking over the stadium.
Max was accustomed to being sedentary, attached to a surface, his armchair, sitting, watching, cursing silently when the field goal fails or the fumble occurs. The curse was visible in his slit eyes, right eye nearly shut, but depending on the game situation and the size of the wager, it might become a full-face profanity, a life regret, lips tight, chin quivering slightly, the wrinkle near the nose tending to lengthen. Not a single word, just this tension, and the right hand moving to the left forearm to scratch anthropoidally, primate style, fingers digging into flesh.
On this day, Super Bowl LVI in the year 2022, Diane was seated in the rocker five feet from Max, and between and behind them was her former student Martin, early thirties, bent slightly forward in a kitchen chair.
Commercials, station breaks, pregame babble.

Max, speaking over his shoulder, “The money is always there, the point spread, the bet itself. But consciously I recognize a split. Whatever happens on the field I have the point spread secured in mind but not the bet itself.”
“Big dollars. But the actual amount,” Diane said, “is a number he keeps to himself. It is sacred territory. I am waiting for him to die first so he can tell me in his final breath how much money he has pissed away in the years of our something-or-other partnership.”
“Ask her how many years.” The young man said nothing.
“Thirty-seven years,” Diane said. “Not unhappily but in states of dire routine, two people so clutched together that the day is coming when each of us will forget the other’s name.”
A stream of commercials appeared and Diane looked at Max. Beer, whiskey, peanuts, soap and soda. She turned toward the young man.
She said, “Max doesn’t stop watching. He becomes a consumer who had no intention of buying something. One hundred commercials in the next three or four hours.”
“I watch them.”
“He doesn’t laugh or cry. But he watches.”
Two other chairs, flanking the couple, ready for the latecomers.”

 

Don DeLillo (New York City, 20 november 1936)

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Imperatief

Het is zaak om te onthouden hoe
Voorlopig dit allemaal echt is.
Je zou dood wakker kunnen worden.

Of de vrouw van wie je houdt
Zou kunnen besluiten dat je lelijk bent.
Misschien geeft ze het eindelijk op te
Proberen de manier te negeren
Waarop je je tanden flost als je
Televisie kijkt. Alles wat ik zeg
Is dat er hier niets zeker is.

Ik bedoel, je wordt waarschijnlijk levend wakker,
En zij zal waarschijnlijk elke daadwerkelijke
Beslissing over je uiterlijk blijven uitstellen .
Misschien is ze blij dat je tanden
Zo schoon zijn. De ochtend zou
Vol van alle liefde en vriendelijkheid kunnen zijn
Die jij nodig hebt. Ga gewoon niet denken
Dat je er iets van verdient.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e november ook mijn blog van 20 november 2018 en eveneens mijn blog van 20 november 2017.

Scott Cairns

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Loves

Magdalen’s Epistle

Of Love’s discrete occasions, we
observe sufficient catalogue,
a likely-sounding lexicon

pronounced so as to implicate
a wealth of difference, where reclines
instead a common element,

itself quite like those elements
partaken at the table served
by Jesus on the night he was

betrayed—like those in that the bread
was breakable, the wine was red
and wet, and met the tongue with bright,

intoxicating sweetness, quite
like… wine. None of what I write arrives
to compromise that sacrament,

the mystery of spirit graved
in what is commonplace and plain—
the broken, brittle crust, the cup.

Quite otherwise, I choose instead
to bear again the news that each,
each was still itself, substantial

in the simplest sense. By now, you
will have learned of Magdalen, a name
recalled for having won a touch

of favor from the one we call
the son of man, and what you’ve heard
is true enough. I met him first

as, mute, he scribbled in the dust
to shame some village hypocrites
toward leaving me unbloodied,

if ill-disposed to taking up
again a prior circumstance.
I met him in the house of one

who was a Pharisee and not
prepared to suffer quietly
my handling of the master’s feet.

Much later, in the garden when,
having died and risen, he spoke
as to a maid and asked me why

I wept. When, at any meeting
with the Christ, was I not weeping?
For what? I only speculate

—brief inability to speak,
a weak and giddy troubling near
the throat, a wash of gratitude.

And early on, I think, some slight
abiding sense of shame, a sop
I have inferred more recently

to do without. Lush poverty!
I think that this is what I’m called
to say, this mild exhortation

that one should still abide all love’s
embarrassments, and so resist
the new temptation—dangerous,

inexpedient mask—of shame.
And, well, perhaps one other thing:
I have received some little bit

about the glib divisions which
so lately have occurred to you
as right, as necessary, fit

That the body is something less
than honorable, say, in its
… appetites? That the spirit is

something pure, and—if all goes well—
potentially unencumbered
by the body’s bawdy tastes.

This disposition, then, has led
to a banal and pious lack
of charity, and, worse, has led

more than a few to attempt some
soul-preserving severance—harsh
mortifications, manglings, all

manner of ritual excision
lately undertaken to prevent
the body’s claim upon the heart,

or mind, or (blasphemy!) spirit—
whatever name you fix upon
the supposéd bodiless.

I fear that you presume—dissecting
the person unto something less
complex. I think that you forget

you are not Greek. I think that you
forget the very issue which
induced the Christ to take on flesh.

All loves are bodily, require
that the lips part, and press their trace
of secrecy upon the one

beloved—the one, or many, endless
array whose aspects turn to face
the one who calls, the one whose choice

it was one day to lift my own
bruised body from the dust, where, it seems
to me, I must have met my death,

thereafter, this subsequent life
and late disinclination toward
simple reductions in the name

of Jesus, whose image I work
daily to retain. I have kissed
his feet. I have looked long

into the trouble of his face,
and met, in that intersection,
the sacred place—where body

and spirit both abide, both yield,
in mutual obsession. Yes,
if you’ll recall your Hebrew word.

just long enough to glimpse in its
dense figure power to produce
you’ll see as well the damage Greek

has wrought upon your tongue, stolen
from your sense of what is holy,
wholly good, fully animal—

the body which he now prepares.

 

Een woord
Voor A. B.

Ze zei God. Hij lijkt er te zijn
wanneer ik Hem aanroep maar aanroepen
is ook moeilijk geweest. Pijnlijk.

En terwijl ze stil werd om een ander woord
te zoeken, was ik nog een keer
overgeleverd aan mijn eigen lange worsteling

met diezelfde engel hier — nog steeds
hier —  aan de voet van de oude
Paradijsladder, in vuil stof

smachtend nochtans helemaal
op de onderste tree, liet mijn greep varen
lang voor de zegen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e november ook mijn blog van 19 november 2020 en ook mijn blog van 19 november 2018 en eveneens mijn blog van 19 november 2017 deel 3.

Toon Tellegen, Seán Mac Falls

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook alle tags voor Toon Tellegen op dit blog.

 

Men moet

Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,

maar men moet wel een beetje verloren zijn –
van het reddeloze soort –
anders zou men alleen maar gelukkig zijn,

toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,

anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig
altijd.

 

Treurig gedicht

‘Dit is het einde van de weg’ zeiden ze.
Er stond een bordje:
DIT IS HET EINDE VAN DE WEG
‘Hier, dit punt,’ zeiden ze.
Ze hurkten erbij neer
en raakten het voorzichtig even aan.
‘Is dit het?’
‘Dit is het.’
Het was herfst, het regende, het stormde.
Ze stonden op, draaiden zich om.

Later kwamen ze nog even terug
met een vergrootglas.
Het was echt het einde van de weg.

 

Ze kijken elkaar aan

Ze kijken elkaar aan.
‘Jij hield van mij.’
‘Nee, jij hield van mij.’
‘Nee, jij van mij.’
‘O nee, jij van mij!’

‘Maar ik heb jou in de steek gelaten.’
‘Nee, ik heb jou in de steek gelaten.’
‘Nee, nee, ik jou.’
‘O nee, ik jou!’

Ze slaan hun ogen neer.

‘Jij bent vast heel verdrietig nu.’
‘Nee, jij bent vast heel verdrietig nu.’

Ze fluisteren.

‘Ontken het maar niet.’
‘Ontken jij het maar niet.’

 

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941) 

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook alle tags voor Seán Mac Falls op dit blog.

 

Ik zag een jager bij een landweg

Ik zag een jager bij een landweg
die parallel met mij zeilde terwijl ik reed.

Zijn hoodie-hoofd, monnikachtig naar de grond gericht,
riep muziek op, zo klankrijk, heilig,
en ik, onbeweeglijk boven een vermoeid vlees-
kleurig voertuig, voelde naakt en dood aan,

want hij was zo vroom getooid en gekleed om te doden
in de kleuren van de lucht, bad met vleugels,
mijn kiekendief, zijn ogen louter zuiverheid en goud
en die van mij met lelijke spikkels, bleek en blauw.

Maar het verlangen naar voedsel verbond twee
wezens nauw, nochtans, overvoed, voelde ik me roestig
onder zijn stalen honger en welke redding
zou Gods genade muizen dan wel mensen bieden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e november ook mijn blog van 18 november 2020 en ook mijn blog van 18 november deel 2 en eveneens deel 3.

Guido van Heulendonk, Chinua Achebe

De Vlaamse schrijver Guido van Heulendonk (pseudoniem van Guido Beelaert) werd geboren in Eeklo op 17 november 1951. Zie ook alle tags voor Guido van Heulendonk op dit blog.

Uit: De afrekening

“Mannen met humorrr. Mijn taxi kiest de Boulevard de Ménilmontant en ik denk aan de laatste keer dat ik een mop vertelde. Ik kan het me amper te binnen brengen. Zo gaat dat in de derde leeftijd: het begint met het groeiende onvermogen moppen te kun-nen smaken, zaait dan uit naar geen moppen meer kunnen onthouden, en bereikt zijn overtreffende trap wanneer je zelfs niet meer weet waar het ook al weer was dat je voor aap stond, toen je vastliep in een mop waarvan je dacht de pointe nog te kennen. Lorenzo’s verjaardag? De pointe schiet me vreemd genoeg wel te binnen. De terdoodveroordeelde die struikelt op de trap naar het schavot en moppert: ‘Een mens zou hier nog zijn nek breken ook: Eigenlijk heb ik nooit van moppen gehouden. En nog minder van moppenvertellers. Ik denk dat hier de reden ligt voor mijn menwlyfailumja, dat moet het zijn.
Wat ik me wel nog herinner is de laatste keer dat ik dacht: oké, hier stopt het, ik ga nu naar mijn bureau en download dat formulier. Het was na zo’n tweet van de pas verkozen Trump. November vorig jaar dus. Een van die kreten over hoe fantastisch The Donald zichzelf wel niet vond. Welk geschenk voor de mensheid Donald Potus beloofde te zijn. De Amerikaanse mensheid in de eerste plaats. Ik kan me de concrete inhoud niet meer herinneren, maar ik las die tweet, op de site van The New Yorkergeloof ik, en dacht: genoeg is genoeg. Een Zeno-moment. Zeno van Citium: ik kreeg de oude filosoof zelfs even in beeld, volgens de overlevering ook al gestruikeld, zij het niet op de trappen van het schavot maar op die van de Atheense school. Ik zag hem daar en, stomend van ergernis uit elke rimpel, niet zozeer omdat hij bij de val zijn teen had gebroken, als wel omdat hij dat zelf niet had georganiseerd. Hij had hulp noch signalen nodig, vond hij, zou zelf wel bepalen wanneer het laatste bedrijf begon. Dus hield hij foeterend zijn adem in tot hij stierf. Zegt men. Zo voelde ik me ook: klaar met deze planeet en zijn clowns.
Nauwelijks verkeer, nauwelijks mensen. Een stad in versuffing. De chauffeur neuriet een deuntje dat ik ken, maar niet kan thuisbrengen. Johnny Hallyday? In ieder geval niet Tour moi la vie va commencer Edith Piaf? In ieder geval niet ‘Non, je ne regrette rien’. Lichte aanslag op de voorruit. De chauffeur draait de ventilatie hoger.
Wat wellicht evenzeer een rol speelde: we hadden net oom Ferdinand begraven. De laatste van alle ooms en tantes die ik ooit heb gehad, en dat waren er een boel. Allemaal, zowel van moeders- als van vaderskant, product van een lang achter de horizon verzonken, lichtjes naar stalmest meurend Vlaanderen, toen echtelieden vanaf de preekstoel nog met hel en verdoemenis werden bedreigd als ze niet elk ongeboren zieltje de kans gaven op menswording en dus op een entree in Gods rijk.”

 

Guido van Heulendonk (Eeklo, 17 november 1951)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Gieren

In de grauwe miezerigheid
van een dageraad, waarin nergens

een voorbode van de zonsopgang
viel te bekennen, zat een gier
hoog op gebroken knekels van
een dode boom, naast zijn wijfje,
zijn gladde gedeukte kop, een kiezel
op een stengel wortelend in een hoop
slordige veren, liefdevol neigend
naar die van haar. Gisteren pikten ze
de ogen uit van een opgezwollen
lijk in een volgelopen loopgraaf
en aten ze de dingen in zijn
ingewanden. Volgevreten keerden ze
terug naar hun tak, het uitgeholde
restant ruim binnen bereik houdend
van koude telescoopogen…
Vreemd, dat liefde,
in andere opzichten toch zo
kieskeurig, een hoek in dat knekelhuis
uitzoekt, die aan kant maakt en daar
zich nestelt, misschien zelfs in-
slaapt – met haar gezicht naar de muur!

… Zo blijft de commandant van Bergen-
Belsen die van zijn werk komt
met in zijn harige neusgaten
de hardnekkige stank van menselijk
gebraad, staan bij een snoepkraam
en koopt een chocolaatje voor
zijn lieve kroost dat wacht
tot vader thuiskomt …
Prijs de vrijgevige
voorzienigheid, zo je wilt
die zelfs een mensenetende reus
van een glimwormpje tederheid
voorziet, ingekapseld in ijzige
spelonken van een wreed hart,
of anders, vervloek het lot
want juist daar, in die kiem
van de liefde voor de zijnen
schuilt de onuitroeibaarheid
van het kwaad.

 

Vertaald door Joris Iven

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e november ook mijn blog van 17 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Anton Koolhaas, Chinua Achebe

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Anton Koolhaas op dit blog.

Uit: Vanwege een tere huid

“Alle ramen van het huis van de eerste geliefde hebben de eigenschap, dat zij zelf er onverhoeds voor kan verschijnen. Die vensters zijn daardoor rusteloos als een te dunne huid, die bij iedere emotie bloost of juist helemaal wit wordt, of vlekkerig als er spanning is. Ze zijn onaandoenlijk en tegelijkertijd onheilspellend als zij niet voor het raam van haar eigen kamer staat.
Wáár, waar in godsnaam is zij in dat huis? In vreselijke omstandigheden, omdat ze niet op de gewone plaats is voor haar altijd open raam in niet eindigende zomer? Hoe kan een raam zo ver open zijn, alsof er eigenlijk helemaal geen raam met houten randen is? En dat haar toch omlijst, als ze er iedere dag staat, als de jongen – altijd op hetzelfde uur en op dezelfde manier – langs komt fietsen.
Waarom is het altijd zomer? Ze hebben elkaar nog nooit iets gezegd; amper een teken gegeven zelfs. Ze zijn niet van dezelfde school. Niettemin staat zij daar, als hij uit de zijne komt, alsof ze nooit iets te doen heeft en altijd daar op die plaats kan zijn, om haar ogen door de zijne te laten vangen als hij gehuld in een diepvriezer van vrees dat ze er vandaag niet zal zijn passeert; zijn gezicht zonder enig teken erop in haar richting heft, vol benauwenis wel en van àl zijn herinneringen sedert zijn geboorte eigenlijk alleen nog maar weet hoe adembenemend groot dìt venster is. Hoe zonder grenzen groot, zoals de zomer zonder grenzen is, toch omraamd door bloesems en takken en klimop en van alles dat niet op kan en niet weg. En hoe blond ze daar staat: voor altijd de enige die kan beantwoorden aan de vraag en aan de spanning die achter die vraag perst, of er tussen de geboorte en de dood een ander wezen bestaat van niets dan liefde. Vandaag is het hele leven.
De werkelijkheid mag zijn dat ze welbeschouwd kort, gebobt, maar glad stroogeel haar heeft en dat er in hetzelfde raam een drooglijntje is gespannen met een kleur eraan die te drogen hangt. Zoals een vlam vaak juist pas even boven de pit of de brander begint, is het met de liefde: in de tussenruimte tussen de vergankelijke werkelijkheid van de pit en de vlam, waar dus niets is, bestaat die. Er is niets te zien, niettemin is vlak daarboven de vlam; loeiend soms.
De jongen heet Jokke. Een straf zo’n naam, in een klas. Naar de een of andere grootvader natuurlijk, die misschien nog wel turf stak in een moeras. Het meisje heette Takkie de Koning. Dat zal tenminste wel, want Jokke is één keer omgekeerd na het raam gepasseerd te hebben, om het naambordje op de deur te lezen en daar stond A.G.J.M. de Koning, arts, op. Van een andere jongen op school had hij gehoord dat ze Takkie heette (aangenomen dat ze dezelfde bedoelden).”

 

Anton Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Vluchtelinge met kind

Geen Madonna met Kind die zich hiermee meten kon,
het beeld van deze moeder, vol tedere aandacht
voor een zoon die ze spoedig zou moeten vergeten.

Overal hing de lucht van de diarree
van ongewassen kinderen die met uitstekende ribben
en verschrompelde billen, met houterige stappen
rondliepen, achter hun opgezwollen, lege buikjes aan.
De meeste moeders daar kon het allang niets
meer schelen, maar deze wel. Met de schim
van een glimlach tussen haar tanden en met
in haar ogen de schim van moederlijke trots,
kamde ze het schamele roestbruine haar
dat zijn hoofdje nog bedekte, en toen
– terwijl er een lied verscheen in haar ogen –
begon ze te zoeken naar luizen… In een ander leven
was dit een vluchtige routine geweest,
voor zijn ontbijt en naar school gaan;
maar nu deed ze het alsof ze bloemen schikte
op een heel klein graf.

 

Vertaald door Joris Iven

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e november ook mijn blog van 16 november 2018 en eveneens mijn blog van 16 november 2014 deel 2.

Clemens J. Setz, Ted Berrigan

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Clemens J. Setz werd geboren op 15 november 1982 in Graz. Zie ook alle tags voor Clemens J. Setz op dit blog.

Uit: Die zwischen Frau und Gitarre

„Da meldete sich der Fahrer. Er wisse nicht, wie er das machen solle, sagte er. Er bringe sie gern überall hin, aber der Ballon … Er sprach das Wort mit Betonung auf der ersten Silbe aus. Allein dafür hätte Natalie ihn ohrfeigen können. Die Musik in ihrem Kopf verstummte. Sie lehnte sich nach vorn. — Lassen Sie mich aussteigen, sagte sie. — Haben Sie Adresse? Nein, die hatte sie vergessen. Es war ja auch nicht der Sinn einer dreistündigen Verspätung, gut vorbereitet und mit allen Informationen versorgt zu sein, oder? Verdammter Idiot.
Ist egal, sagte sie. Ich steig hier bitte aus. Der Fahrer seufzte und hielt an. Weit waren sie nicht gekommen. – Ich habe gehofft, es ginge zumindest bis zur Stadtgrenze, sagte Natalie. Einfach so, ohne Fragen. Es hatte keinen Sinn mehr. Er hatte alles kaputtgemacht. – Ja soll ich Sie bringen? Bis Stadtgrenze? Ist ka Problem. Aber Bállon Der Fahrer deutete mit einer irritierend würdevollen Handbewegung auf das in großer Entfernung schwebende Flugobjekt. – Bállön, korrigierte Natalie und versuchte, sich von dem tiefehrlichen Taxifahrerschnurrbart, der ihr schneeweiß aus dem Gesicht entgegenleuchtete, nicht aus der Ruhe bringen zu lassen. Hier. Stimmt so. Sie gab ihm einen Fünf-Euro-Schein, mehr als genug für eine so kurze Fahrt. Er bedankte sich kopfschüttelnd bei ihr, hielt den Schein in der Hand und blickte drein, als hätte er nun wirklich jeden Glauben an – aber nein, stellte Natalie fest, sein Glaube an die Menschheit war immer noch intakt. Da, man sah es an seinem Nacken. Bestimmt konnte er ganz viele Sprachen. Deprimiert stieg sie aus dem Taxi.

Es wäre ohnehin zu spät gewesen. Dreieinhalb Stunden. Sie hatte gestern Abend das Muskelrelaxans genommen, davon schlief sie zu gut. Sie überquerte die Straße und lief in einen heißen Sommerwindstoß. Unruhe überkam sie, die Hände und Fingerspitzen fühlten sich komisch an, aurig – das war ihr Wort, seit der Kindheit, für den Zustand, der einem Grand-Mal-Anfall vorauszugehen pflegte. Aura, aurig. Es war so, als wäre man in unangenehm heißer, dichter und intimer Verbindung mit der Umgebung. (Ist es wieder aurig?, fragte ihre Mutter, und Natalie nickte benommen.) Aber ihr letzter großer Anfall lag elf Jahre zurück. Mein Gott, einfach bis zur Stadtgrenze, ohne zu fragen – zumindest diese Freude hätte der Taxifahrer ihr machen können! Elender Weltbürger. Kein Wunder, dass Haare und Bart schneeweiß waren. Er lebte an den Verhältnissen vorbei. Da es sonst nichts gab, was ihr irgendeine Richtung vorschlug, ging sie weiter auf den kilometerweit entfernten Heißluftballon zu. Sie stellte sich vor, wie das Leben des Taxifahrers in seinem Heimatland gewesen sein musste. Heimatländer, das hatten sie ja alle. Sie schüttelte ihre Finger aus. Kein Anfall. Nicht hier auf der Straße. Nicht nach elf Jahren ohne. Nicht wegen ein paar Ballone … Ballons … Ballonen? Wie war die Mehrzahl? Okay, einfach nicht darüber nachdenken. Irgendeine Mehrzahl hat das Wort. Und sie ist unter diesen dreien. Ich bin wieder siebzehn, sagte sie sich. Der Gedanke konnte sie manchmal beruhigen. T-minus-eins. Bei null nächstes Jahr wird das Leben schlagartig stockdunkel und witzlos und mau.“

 

Clemens J. Setz (Graz, 15 november 1982)

 

De Amerikaanse dichter Ted Berrigan werd geboren op 15 november 1934 in Providence, Rhode Island. Zie ook alle tags voor Ted Berrigan op dit blog.

 

Persoonlijk gedicht nr. 9

Het is 8:54 uur in Brooklyn het is 26 juli
’t zal in Manhattan ook 8:54 uur zijn maar ik zit
in Brooklyn……ik eet muffins en drink een Pepsi
en ik zie hoe Brooklyn toch ook gewoon bij
New York hoort……heel gek……ik heb het altijd als iets
heel eigens gezien……iets als Bellows Falls……of
Little Chute……of Uijongbu

………………………………………… Nooit had ik op de
Williamsburg Bridge gedacht dat ik zo vaak in Brooklyn zou zijn
alleen om juristen en agenten die niet eens gewapend waren
mijn vrouw weg te zien halen en weer terugbrengen
………………………………………………………Nee
en ik had ook nooit gedacht dat Dick weer naar Gude zou gaan
geen baard meer zijn haar kort Carol verdiept in
zijn boeken en wij maar pokeren tot de zon
opkwam boven de Navy Yard aan de over-
kant van de rivier
……………………………Ik denk dat ik dacht aan
als ik wat verder was zo in de buurt van Perry Street
belezen beslapen verguisd en aanbeden
met nieuwe poëzie in voorbereiding
gedrukt op oud bruin papier in een gewone letter
vrouwelijk prachtig en sterk

 

Vertaald door Rutger H. Cornets de Groot

 

Ted Berrigan (15 november 1934 – 4 juli 1983)

 

Voor nog meer schrijvers van de 15e november zie ook mijn blog van 15 november 2018 en eveneens mijn blog van 15 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.