Merijn de Boer, Edith Sitwell

De Nederlandse schrijver Merijn de Boer werd geboren in Heemstede op 7 september 1982. Zie ook alle tags voor Merijn de Boer op dit blog.

Uit: De geur van miljoenen

“‘Heeft hij je gezien?’
‘Nee, hij was uiteraard weer volledig verdiept in zijn krant.’
In Maris’ hoofd verscheen het beeld van Alexandre Molenaar die aan hun keukentafel zat en daar urenlang niet van was weg te slaan. De Telegraaf lag uitgespreid op diezelfde tafel. Maris begreep nooit hoe je zoveel uren kon doorbrengen met het lezen van deze krant.
De enkele keer dat hij zich had laten verleiden tot een politieke discussie met deze cryptofascistische jongen, die bij een studentenschietvereniging zat en regelmatig onsmakelijke grapjes maakte over allochtonen, was hij woedend geworden. Maar Maris was iemand die zich geen raad wist met woede. Waarschijnlijk had Alexandre Molenaar niet eens gemerkt dat hij boos was.
‘Wat doen we nu?’ vroeg Anna.
‘Wat mij betreft doen we niks,’ antwoordde hij. ‘We blijven rustig zitten en we vergeten dat hij daar ook zit.’
‘Maar die man is een oplichter!’
In 2005 woonden Anna en hij samen in een appartement in de Tweede Looiersdwarsstraat. Het was een smal en tamelijk bouwvallig huis, dat ondanks alle gebreken was voorzien van een royale huurprijs. Ze zaten allebei in de eindfase van hun studie. Omdat ze met z’n tweeën de maandelijkse huur niet konden betalen, en omdat er bovendien makkelijk drie of eigenlijk zelfs vier studenten in zouden kunnen wonen, moesten ze op zoek naar een derde huurder.
In hun eigen omgeving vonden ze niemand die bij hen wilde intrekken, wat niet zo vreemd was, want er is weinig vervelender dan een derde wiel aan de wagen te zijn. Daarom organiseerden ze op een maandagavond een hospiteerronde. En zo ontmoetten ze Alexandre Molenaar.
Hij ergerde zich ineens ontzettend aan dat ‘Alexandre’. Waarom heette hij niet gewoon Alexander? Een Franse achtergrond kon hij onmogelijk hebben, want Maris had hem eens het woord ‘entrecôte’ horen uitspreken.
Misschien heette hij eigenlijk wel heel anders.
‘Je hebt gelijk,’ zei hij, ‘we moeten iets doen.’ Hij legde zijn tijdschrift weg.
‘Gaan we naar hem toe?’ Ze wilde al opstaan.
Alleen al de gedachte aan een openbare ruzie in het vliegtuig, of nog erger: een scène, stond hem verschrikkelijk tegen.”

 

Merijn de Boer (Heemstede, 7 september 1982)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Edith Sitwell werd geboren op 7 september 1887 in Scarborough. Zie ook alle tags voor Edith Sitwell op dit blog.

 

Poëzie

Veredelt het hart en de ogen,
en onthult de betekenis van alle dingen
waarbij het hart en de ogen verwijlen.
Zij ontdekt de geheime stralen van het universum,
en herstelt voor ons vergeten paradijzen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edith Sitwell (7 september 1887 – 9 december 1964)
Portret door Roger Fry, 1915

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e september ook mijn blog van 7 september 2018.

Christopher Brookmyre, Cyrus Atabay

De Schotse schrijver Christopher Brookmyre werd geboren op 6 september 1968 in Glasgow. Zie ook alle tags voor Christopher Brookmyre op dit blog.

Uit: Fallen Angel

“Rain is lashing down as she emerges from the Tube station, gusts of wind angling the deluge almost to the horizontal. A tenaciously brutal winter had relinquished its grip only with grudging reluctance, giving way to some unseasonably hot and sunny late spring days, but this meant that it caught everyone off-guard when the heavens opened this morning.

Ivy had overheard a woman in the carriage talking about the recent warm spell’s contrast to the Beast from the East, saying she had almost forgotten what it was like to feel the sun on her shoulders. Ivy realises this is true of her too, but that doesn’t mean she has missed it. Living in London, she seldom spends much time out of doors. Her office and her apartment are climate controlled to within a decimal point of perfection. What does she need sunshine for?

Sunshine is a disinfectant, people say, as though bringing simply anything into the light is an unambiguously wise and healthy thing to do. As far as Ivy is concerned, the only value of sunshine is that it casts shadows, and that is where she operates.

The problem with sunshine is that it makes people believe everything is going to be all right, and in her area of PR, that isn’t good for the bottom line. It isn’t good for clients’ welfare either, to be honest. Clients need to be able to envisage an approaching worst-case scenario, so that they can take appropriate steps to avoid it, and the most appropriate step, always, is to retain her services.

She reaches Lincoln House on Remnant Street, where the Cairncross Partnership occupies two floors, hurrying through the revolving doors out of the downpour. There is a trail of water on the floor ahead of her, leading to where a woman has stopped to shake off a dripping umbrella, this action complicated by one of its spokes having bent. Ivy estimates her to be in her forties, probably a mother of teens from the look of her; lower-to-middle-tier manage¬ment, if that. Her body language is cowed as though apologising for her very existence: someone who has reached that point in life at which she realises all the things she once thought she might achieve or experience are never going to happen. Probably been kidding herself for the past decade and a half that the kids would make up for it, telling herself that raising them was a worthy achievement in itself before coming to realise – too late – just what a wretched con that was.”

 

Christopher Brookmyre (Glasgow, 6 september 1968)

 

De Duitstalige, Iraanse dichter en schrijver Cyrus Atabay werd geboren op 6 september 1929 in Teheran. Zie ook alle tags voor Cyrus Atabay op dit blog.

 

Stagnatie bij de paspoortcontrole

je bent nu emigrant thuis
in het elders
mooi woord verledentijdsbestaan
asiel verleent je een zomertuin
bignonia-ranken hangen over het hek
vuurdoorn omzoomt de weg naar het huis
een woord als een granaatappel
de korrels op de drempel –
een traditioneel gebruik
is het te gronde gaan
het verzoent je met alles

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Cyrus Atabay (6 september 1929 – 26 januari 1996)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e september ook mijn blog van 6 september 2019 en ook mijn blog van 6 september 2017 en ook mijn blog van 6 september 2015 deel 2.

Marcel Möring, Adrian Matejka

De Nederlandse dichter en schrijver Marcel Möring werd geboren in Enschede op 5 september 1957. Zie ook alle tags voor Marcel Möring op dit blog.

Uit: Eden

‘Jij ziet er niet uit als een man die geen gezonde kinderen kan maken,’ zei ze. Ze greep hem bij zijn arm, legde zijn hand op haar volle boezem en zei: ‘Ik heb genoeg voor twee. Ik heb zelfs te veel.’ Ze liet zijn verstijfde hand los en lachte. ‘Ik heb zoveel dat ik zelfs jou kan zogen.’ Daarbij schaterde ze zo hard dat mijn vader omkeek om te zien of niemand hen gadesloeg. De wasvrouw wenkte hem en liep haar huisje in zonder te kijken of mijn vader haar volgde. Zo werd mijn leven gered, door de achteloze weldoenster die mijn voedster werd. Mijn vader legde mij in haar armen en gaf mij over aan het lot. Zijn kind zou zeker sterven als hij het terugbracht naar het dorp zonder naam. Beter het achter te laten waar het misschien zou bederven dan het te bewaren voor de vuigheid van de wereld met de kans dat het zou sterven, want wie het leven redt van één mens, redt de mensheid. Die nacht, toen hij terugkeerde bij zijn ijlende vrouw, waar een van de andere vrouwen de koorts probeerde te stillen met een kompres van zuringblad, haalde hij zijn schouders op en zei dat het allemaal te laat was geweest en tevergeefs. Zo weinig hoop had hij, dat hij zijn kind overgaf aan de Engel des Doods voor die het opeiste. De wasvrouw heette Ana. Toen mijn vader haar met mij alleen had gelaten, ontknoopte ze de veter van haar jak, tilde er haar linkerborst uit en legde mij aan. Ik dronk als een dorstige die lang heeft gedwaald en eindelijk een bron heeft gevonden en toen de linkerborst was geledigd, legde ze mij aan haar rechterborst en ook daarvan dronk ik. Die nacht vreesde ze voor mijn leven, omdat ik mij kromde onder krampen en desondanks niet schreeuwde. De volgende ochtend, toen ze mijn buik had gewreven en mijn lippen had bevochtigd met een aftreksel van venkel, legde ze mij weer aan en dronk ik voor de tweede keer en hoewel de melk mij opnieuw krampen bezorgde, was zelfs na een dag al te zien dat ik sterker en gezonder werd en zes maanden later, toen mijn vader weer naar het dorp kwam, nu om huiden te verkopen en zout en stof mee te nemen, zag hij een kind met blozende wangen, een weerbarstige bos gitzwart haar en een lijf als een vette big. Mijn moeder was toen al gestorven. Toen ik geen zuigeling meer was, haalde mijn vader mij op en keerde ik terug in het dorp dat niet bestond. Omdat niemand ooit had gehoord van een kind zonder naam en er geen was om uitsluitsel te geven, liet mijn vader het erbij. Men noemde mij ‘die weg was’, of Niekas, wat ‘niemand ’ betekent. De jaren gingen voorbij, hete zomers kwamen, witte winters gingen, en ik groeide uit tot een jongen die hielp bij het vellen van de eik en het stropen van de bever. Als ik aan het vliedende water stond waarin de boomstammen stroomafwaarts dreven, was het alsof het bos de hele wereld was en alles daartoe behoorde.”

 

Marcel Möring (Enschede, 5 september 1957)

 

De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.

Collectable Blacks

I am stuck in. This is the polyphone
where my head is an agrarian gang
sign pointing like a percussion mallet
to a corn maze in one of the smaller
Indiana suburbs where there aren’t
supposed to be black folks. Be cool & try
to grin it off. Be cool & try to lean
it off. Find a kind of black & bet on it.
I’m grinning to this vernacular
like the big drum laugh tracks a patriotic
marching band. Be cool & try to ride
the beat the same way me, Pryor,
& Ra did driving across the 30th Street
Bridge, laughing at these two dudes
with big afros like it’s 1981 peeing into
the water & looking at the stars. Right
before Officer Friendly hit his lights.
Face the car, fingers locked behind
your heads. Right after the fireworks
started popping off. Do I need to call
the drug dog? Right after the rattling
windows, mosquitoes as busy in my ears
as 4th of July traffic cops. Right before
the thrill of real planets & pretend planets
spun high into the sky, Ra throwing up
three West Side fingers, each ringed
by pyrotechnic glory & the misnomer
of the three of us grinning at the cop’s club
down swinging at almost the exact same
time Pryor says, Cops put a hurting on your
ass, man. & fireworks light up in the same
colors as angry knuckles if you don’t
duck on the double. Especially on the West
Side—more carnivorous than almost any
other part of Earth Voyager saw when
it snapped a blue picture on its way out
of this violently Technicolor heliosphere.

 

Soave Sia Il Vento

naar Wolfgang Amadeus Mozart

In de wiebelige pirouette tussen liedjes
& stof, ramen in de woonkamer met hondenneuzen
& een paarse bank die had moeten worden ingetoomd
afgelopen juli: zaterdags zonlicht knipt alles uit elke
keer dat je in een soort ballethouding leunt.
Je buik & knobbelige elleboog & balletpantyknie
wankelend in een slank evenwicht. Jeté, effacé-
Ik weet niet wat ze bedoelen en knik toch.
Je rekt en spint en hondenhaar hangt
in de lucht als het begin van een oprecht applaus.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Matejka (Neurenberg, 5 september 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e september ook mijn blog van 5 september 2018 en ook mijn blog van 5 september 2017 en ook mijn blog van 5 september 2015 deel 2.

Helga Ruebsamen, Adrian Matejka

De Nederlandse schrijfster Helga Ruebsamen werd op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië. Zie ook alle tags voor Helga Ruebsamen op dit blog.

Uit: Het lied en de waarheid

“De tokeh liet zich zelden zien, maar hij riep om de zoveel tijd luid zijn eigen naam, zodat wij en andere tokehs wisten dat hij er was. Hoe vaker de tokeh riep, des te meer geluk hij bracht. Iedereen kon hem verstaan, ook wij. Zodra de tokeh begon, hielden wij op met praten. Zachtjes telden wij mee. Een… twee… drie, het duurde lang. Zou er nog wel een volgende roep komen? Ja, nog een. Snel verder, vier, vijf, zes, zeven. Dan werd het hoe langer hoe spannender, omdat bij negen keer het geluk zou gaan stromen. Riep de tokeh twaalf keer, dan kregen wij een lang leven, veel dappere zonen, een bekoorlijke dochter en een onmetelijk fortuin. Mijn moeder vertelde later dat de tokeh in de nacht voordat wij naar Europa vertrokken, dertien keer had geroepen. Als de tokeh een paar keer had geroepen, als bijna niemand meer sprak op de waranda, werd ik naar mijn kamer gebracht. Voor mij begon ’s nachts een ander leven. Zodra de zon was ondergegaan, hoefde ik niet meer te onthouden wat er overdag was gebeurd, de nacht wiste de harde en witte dingen uit zoals de spons op het zwarte schoolbord van mijn moeder haar krijtletters uitwiste. ’s Nachts kon ik zeggen en doen wat ik wilde. Ik hoefde het alleen maar te zien in mijn hoofd en het gebeurde al. Als ik uit bed wilde, naar buiten toe om de maan te zien, dan werd ik meteen uit mijn bed getild en op de arm meegenomen. De nachtmensen liefkoosden mij, lachten altijd en vroegen niets. Van de nachtmensen kreeg ik roze siroop zoveel als ik wilde en zachte groene en roze kleefkoek erbij. Overal mocht ik aankomen. Overal mocht ik naar kijken. Als ik iets zei, kirden ze vrolijk of klakten ze bewonderend met hun tong. Ze vroegen mij nooit iets, maar ze gaven wel altijd antwoord. Wij spraken honderduit, de nachtmensen en ik, of we elkaar nu woord voor woord verstonden of niet. Nachtmensen droegen namen van het werk dat ze overdag deden, baboe, kokki, djait, djongos, kebon. Ze hadden ook nog wel andere namen, die zangerig klonken; die kende ik ook.”

 

Helga Ruebsamen (4 september 1934 – 8 november 2016)

 

De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.

 

Gymnopédies No. 2″

In NYC hebben we vissen beslopen
in filets van geluiden: lever
voertuigen en askleurige deuren

die dichtklappen, verkopers
enkelvin & silhouet-

gevormde woorden in zoute
verwachtingen. Mijn dochter

& ik liepen door een paar
slank gemetselde blokken
die roken naar snappers

& afro glans zonder afros
in zicht. Op warrig getande

straten, namen we de natte
steegjes dubbel waar dingen van de haak

sprongen zoals slimme zeevruchten
voor de lunch. We scheidden

de perfecte en overvloedig overwinterde

straten. Mijn dochter zei: ik ken
dit gedeelte als een vermoeide pianiste
rustend op haar bank.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Matejka (Neurenberg, 5 september 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e september ook mijn blog van 4 september 2018.

Jacq Firmin Vogelaar, Adrian Matejka

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Pro domo

“Ti Taats Toverbal

Stel dat Taats heel iemand anders is dan hij lijkt. Laat hij het niet horen. Formuleer het wat anders. Wat anders? Stel je eens voor dat Taats heel anders is dan hij eruitziet. Hij die zich aan uiterlijk niets gelegen laat liggen. Ja, dat zegt hij. Iemand kan denken dat hij een grote kerel is met een brede borstkas en een warm hart; een man die vrank en vrij met zijn lichtblauwe of staalgrijze ogen de wereld in kijkt en als hij het even niet weet, altijd weer even, met een grote klad door zijn woeste blonde haar harkt. Hij ziet eruit als een worstelaar, en dat dikt hij graag aan. Er zijn mensen die hem alleen maar hebben zien worstelen met cijfers; zelfs de eenvoudigste som kost hem hoofdbrekens. Hij zoekt ook overal iets achter. Ho ho, nu heb je het over iemand anders, de portier van Casa Rosso, een man op wie hij heel in de verte lijkt, leek moet je zeggen: leptosoom type met grote schelpen van oogleden, kort bros haar op een harde schedel, een raspende baard die hij maar niet weggeschoren krijgt en een enorme neus, oja een kanjer, een kokkert, een kromgeslagen neus die als je niet beter wist een feestneus lijkt. Maar dat is gezichtsbedrog, dit keer bedrog ván het gezicht, dat komt omdat alles aan hem gekruld is, zijn haar, zijn zinnen natuurlijk, zijn tenen; daar heeft hij lang op geoefend, omdat hij van nature hangende schouders en mondhoeken, lede ogen en een hangkont heeft. En zijn tenen, nu zijn het jubeltenen maar toen, toen sloegen ze haken in de grond; je kon je land ermee eggen.

Die man, die ze echt niet met Taats mogen verwisselen, weet alles en iedereen om de tuin te leiden. Iedereen denkt met een zachtmoedig type te maken te hebben, pas op, hij neemt je te grazen waar je bij staat. Zijn loodrechte carrière één grote leugen, één lange val. Die kerel heeft natuurlijk geen wiskunde gestudeerd in Delft, hij werkt niet bij een bank op de afdeling verzekeringen, zelfs niet met als specialisme de total loss; hij heeft geen bungalow, ziekelijke vrouw, inwonende zuster, twee kinderen en twee auto’s, een grote en een hybride met aangepast handgas. Hij heeft alleen een moeder die hem handenvol geld kost, voor wie hij als kind al van school moest toen de heer der schepping er van tussen was, de hort op, en er toch iemand voor brood op de plank moest zorgen.”

 

Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

 

De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.

 

“Gymnopédies No. 1”

Dat was de week
        dat het maar bleef sneeuwen.

Dat was de week
        toen vijfvingerige bomen op huizen

vielen en hoogspanningsleidingen
         braken alsof er iemand op betaaldag

wachtte in een sneeuwstorm.
Die sneeuwweek sjokten mijn dochter

& ik over de gebroken takken,
        friemelend door de sneeuw

        als hongerige vingers door
        een lege zak.

Over de door termieten uitgeholde stronk
zo compact als een lekke band.

         Over de holte
         waar de vos induikt
als we ’s nachts de achterdeur openen.

Dat was de week van sneeuw
         & hij glinsterde zoals elke
         kerstkaart die we ons konden
         herinneren terwijl mijn dochter

in het rond prikte voor de beste plek
om een sneeuwpop neer te zetten. Een

met een dennenappelneus.
            Een met door de duim ingedrukte

            ogen om het hele plaatje te zien
zodra de dingen opwarmen.

  

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Matejka (Neurenberg, 5 september 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 september 2018 en ook mijn blog van 3 september 2017.

Willem de Mérode, Sabine Scho

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog.

 

Het jubileum

Hier zit hij nevens zijne gemalin
Die hen met ’t Woord vertroostte en bezeerde,
Tegen hun reglementen rebelleerde,
En veel te veel verdiende naar hun zin.

En hoeveel zegen heeft hij hier genoten!
At hij niet van hun koe en van hun kip!
Mevrouw keek altijd even zuur en sip,
Schoon melk en honing haar kwam toegevloten.

Zoo denken zij … het echtpaar zit heel statig
En vindt de feestcommissie heel nalatig.
Waar blijft ’t cadeau? … veel is men niet gewend.

Maar eindlijk staan de meubels om hen henen.
’t Is tweederangsch – zij zou wel kunnen weenen!
En tweedehandsch – de gevers zijn content.

 

De peer

O peer, o gulden flessche
Vol sap, versneeuwde gloed,
Doorhonigd moes van bessen,
Schuim van jong druivenbloed.
O koelgestelde spijze!

Hoe noem ik wat ik proef,
Uw smaak, uw geur? En wijze
Nog nagenietend prijze?
Eenzaam geluk, dat lijze
Zwaar wordt en droef !

 

Triestig

Ik denk: zo zal het later misschien zijn:
Jij hebt een huisgezin, een vrouw en zonen,
En ik zal nog als nu heel eenzaam wonen,
En deze eenzaamheid is als een wijn
Die men aan zieken schenkt om te versterken.
En nu en dan zul jij mij troosten komen
En mild je kracht in mij doen overstromen
En dagenlang zal ik de krachtstroom merken.

En als er, nog maar zelden, een gedicht
Ontstaat, stiller en met verzachte glansen,
Zullen er lichtjes in je ogen dansen,
En even is de wereld voor mij licht,
De wereld, reeds van ondergangen zwanger.
Ik ben zo moe, wat doe ik hier nog langer.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Portret door oor Alfred Löb, 1936

 

De Duitse dichteres en schrijfster Sabine Scho werd geboren op 1 september 1970 in Ochtrup. Zie ook alle tags voor Sabine Scho op dit blog.

 

Wat trek ik in godsnaam aan?

Zijn straatkleren goed genoeg
bij het déjeuner sur l’herbe
uit gistgebak, met veel boter,

brioche in het groen, eigenschappen
goed gebakken ‘kwetsen
het publieke gevoel van schaamte ‘

De dresscode van de keizer geldt,
dringt zich voor de tweede keer op: Brumaire
die oplost, smelt op de tong

Eva’s consumptie, bandeloze
kleine tong – schandalig dichtbij

middelvette vogel van het geslacht turdus
lucht zijn longen, zware middenrif-
ademhaling en bromt (Dolby-A Sound)

geen resonantie, zwarte lijster, je ruist
alleen maar
wat trek ik aan?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sabine Scho (Ochtrup, 1 september 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn blog van 2 september 2018 deel 1 en ook deel 2.

W. F. Hermans, Sabine Scho

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook alle tags voorW. F. Hermans op dit blog.

Uit: Nooit meer slapen

“Voor hij hem oplaadde, heb ik tersluiks gevoeld hoe zwaar Arne’s rugzak was: veel zwaarder dan de mijne. Als wij buiten lopen zeg ik, meer uit angst te kort te schieten dan uit schijnheiligheid: — Hoor eens, jij draagt meer dan ik. Dat is oneerlijk. — Maak je niet ongerust. Jij komt nog wel aan de beurt als we de proviand volledig hebben aangeschaft. Dankbaar accepteer ik die goede raad mij niet ongerust te maken, voor zover de wetenschap dat wij bijna alle proviand nog moeten aanschaffen, daartoe bijdraagt. Tussen de bungalows en de sparren lopen we naar de hoofdweg terug. Op de grond groeit zo goed als niets. Trouwens, geen enkele spar is zo hoog als een spar hoort te zijn. Ik draag het zware statief van de theodoliet beurtelings op mijn rechter en mijn linkerschouder. Muggen vlijen zich voortdurend neer op mijn gezicht en op de ruggen van mijn handen. Zelfs aan sigaretterook storen zij zich niet. Arne wijst naar het etui aan mijn broekriem: — Wat heb je daarin? — Een kompas. Wou je het zien? Ik maak het etui open en overhandig hem mijn kompas. — Jezus, wat een mooi instrument. Heb je dat speciaal voor deze gelegenheid gekocht? — Nee, ik heb het mijn hele studententijd al gebruikt. — Het ziet eruit als nieuw, zegt hij, met een blik die ik voor wantrouwend houd. — Ik heb het zeven jaar geleden van mijn zusje gekregen. Die is altijd erg bang dat ik zal verdwalen. Met een gevoel of ik lieg en een op niets gebaseerde schaamte, berg ik het kompas weer op. — Heb jij een zusje? — Ja, zes jaar jonger dan ik. Een raar meisje, mooi om te zien, maar erg dom. Ze is namelijk gelovig, om niet te zeggen bijgelovig. Ben jij religieus opgevoed? — Gelukkig niet.
— Wij evenmin. Ik ben niet eens gedoopt, Eva trouwens ook niet. Maar ze denkt erover dat alsnog te laten doen. — Er bestaat, zegt Arne, een boek: Het gezicht van God na Auschwitz. Dat gezicht moet wel de moeite waard zijn geweest. Wij barsten allebei in onbehaaglijk lachen uit bij de gedachte aan wat God zag toen Hij dat gezicht zette. Is dit de hoofdstraat van Alta? In elk geval blijkt hier het busstation te zijn en recht daartegenover zie ik het postkantoor. Wij leggen de bagage op de grond, zoals alle mensen die op de bus wachten. Arne steekt over naar het postkantoor, ik blijf staan. Onder de wachtenden is een groepje Lappen, die ik nauwkeurig bestudeer, hun kleren vergelijkend met de ansichtkaarten die ik gezien heb. Geen twee zijn gelijk gekleed.”

 

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)
Portret door Erik van Straten, 1986

 

De Duitse dichteres en schrijfster Sabine Scho werd geboren op 1 september 1970 in Ochtrup. Zie ook alle tags voor Sabine Scho op dit blog.

 

archaeopteryx
(Berlijns exemplaar)

opgelicht voor een
platgeslagen kip
koehandel
klinkt bescheiden
bij de overgang van
door de aarde gevormde
schepsels naar door de lucht klievende
duikelaars, van waggelgang naar klauw, klaar
om te vallen, met schelle
schreeuwen, spiedend, ready for take off
van schub tot verenkleed, dat misschien
alleen maar versiering was, verwarmde, om te vliegen
niet deugde, en toch, eenmaal nijinsky zijn
en, faunachtig vervormd op dit ene moment
in verloren evenwicht verstenen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sabine Scho (Ochtrup, 1 september 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e september ook mijn blog van 1 september 2018.

Sander Kok, Wolfgang Hilbig

De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Zie ook alle tags voor Sander Kok op dit blog.

Uit: Smeltende vrouw

“De kinderen daar hadden tenminste geen verstand gehad. Hij had hun weinig, maar toch iets kunnen leren. De kinderen die nu tegenover hem zaten, hielden hun verstand als een schild tegen hem opgeheven, en hij, de zogenaamde kenner, hakte met zijn kennis op hen in. Vorig jaar, op een congres over moeilijk lerende kinderen in het Muntgebouw in Utrecht, was vaak een term gevallen – wat was het? – didactisch resistent. Fraai. De leerlingen in dit lokaal zijn didactisch resistent, niet omdat ze te dom zijn, maar omdat ze te slim zijn. Hun valt niets te leren. Anders dan bescheidenheid. Ze haatten hem, hij voelde het. Ze minachtten hem. Bij zijn collega’s, was zijn indruk, was dat anders, daar lachten ze om elk stom grapje dat gemaakt werd. Zelf maakte hij geen grapjes, hoewel hij wist hoe het moest. Alleen niet hier, bij deze leerlingen.
Didactisch resistent. Willemijn gaf een kort en achteloos ‘oké’, alsof ze met haar zwaard een tik op haar schild gaf, en zette haar pen op het papier van haar schrift. Ze deed het waarschijnlijk gedachteloos, maar het kwam Reukens voor alsof ze een aantekening maakte: een minnetje voor meneer Reukens, een minnetje voor zijn gebrek aan inspanning en een minnetje voor zijn kennis, die maar weer eens tekortschoot. Hij keek naar de eik, naar de zware takken die uit de stam groeiden en het gebladerte dat zo overdadig was dat je er een kind in kon verstoppen. De klas was stil, doodstil. Het meisje achterin had haar make-updoosje voor zich neergelegd en keek voor zich uit, langs hem naar het schoolbord. Niemand keek hem in het gezicht. Een glimlachje speelde rond zijn lippen. In het lege, dode landschap van geest en klas verscheen vanuit de verte een nieuwe gedachte als een ruiter aan de horizon. Had hij ze eronder, zoals dat heette? Zijn glimlach werd breder. ‘Jullie moeten goed luisteren,’ zei hij met een kracht waarmee hij zichzelf verraste. ‘Jullie krijgen na het weekend een proefwerk over alle onderwerpen die we tot nu toe hebben doorgenomen. Ik ga geen hints geven, jullie moeten het zelf doen. En ik stel essayvragen, dus slijp je pen.’ Hij wist niet goed wat hij met dat laatste bedoelde, maar de klas keek hem aan alsof het normaal was.”

Sander Kok (Arnhem, 31 augustus 1981)

 

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Hilbig werd geboren in Meuselwitz op 31 augustus 1941. Zie ook alle tags voor Wolfgang Hilbich op dit blog.

 

Bladeren en schaduw

Niet nieuw kan zijn wat je begint –
omdat je altijd neemt wat je al lang is gegeven
en geeft het prijs:
zoals in de liefde omdat het mij ontbreekt
aan elke kennis: rood zoals de beuken loof rondstrooien,
overvloedig aan de wegkant waar ik al heel vroeg liep …
en kende de weg niet
en ken hem nog niet
en ken het kind niet waarvan de schaduw voor me uit rent
en weet niets van de zon, die haar rode goud
in het gebladerte brandt.
En weet niets meer van de herfst
die ernstig achter mijn rug liep en van wie ik schaduw
was: de steeds opnieuw ontworpen schaduw van talloze herfsten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolfgang Hilbig (31 augustus 1941 – 2 juni 2007)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2019 en ook  mijn blog van 31 augustus 2018 en ook mijn blog van 31 augustus 2017.

Charles Reznikoff

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

Autobiography: New York

I
It is not to be bought for a penny
in the candy store, nor picked
from the bushes in the park. It may be found, perhaps,
in the ashes on the distant lots,
among the rusting cans and Jimpson weeds.
If you wish to eat fish freely,
cucumbers and melons,
you should have stayed in Egypt.

II
I am alone—
and glad to be alone;
I do not like people who walk about
so late; who walk slowly after midnight
through the leaves fallen on the sidewalks.
I do not like
my own face
in the little mirrors of the slot-machines
before the closed stores.

III
Walking along the highway,
I smell the yellow flowers of a shrub,
watch the starlings on a lawn, perhaps—
but why are all these
speeding away in automobiles,
where are they off to
in such a hurry?
They must be going to hear wise men
and to look at beautiful women,
and I am just a fool
to be loitering here alone.

IV
I like the sound of the street—
but I, apart and alone,
beside an open window
and behind a closed door.

V
Winter is here indeed; the leaves have long been swept
from the winding walks; trees and ground are brown—
all is in order.
Only the lamps now flourish in the park.
We walk about and talk;
but the troubles of the unsuccessful middle-aged
are so uninteresting!

 

Autobiografie: New York

I
Je kunt ze niet kopen voor een cent
in de snoepwinkel, noch plukken
van de struiken in het park. Je vindt ze misschien
in de as op de verre stukjes grond,
tussen de roestende blikken en doornappels.
Als je vrijelijk vis wilt eten,
komkommers en meloenen,
had je in Egypte moeten blijven.

II
Ik ben alleen-
en blij om alleen te zijn;
Ik hou niet van mensen die zo laat
rondlopen; die na middernacht langzaam
door de bladeren lopen die op de trottoirs zijn gevallen.
ik hou niet van
mijn eigen gezicht
in de kleine spiegels van de verkoopautomaten
voor de gesloten winkels.

III
Lopend langs de snelweg
ruik ik de gele bloemen van een struik,
kijk naar de spreeuwen op een gazon, misschien-
maar waarom haasten die zich allemaal
weg in auto’s,
waar gaan ze heen
zo snel?
Ze zullen wel naar wijze mannen gaan luisteren
en naar mooie vrouwen gaan kijken,
en het is gewoon idioot van mij
om hier alleen rond te hangen.

IV
Ik hou van het geluid van de straat-
maar ik, apart en alleen,
naast een open raam
en achter een gesloten deur.

V.
’t Is inderdaad winter hier; de bladeren zijn al lang weggevaagd
van de kronkelige paden; bomen en grond zijn bruin-
alles is in orde.
Alleen de lampen gedijen nu in het park.
We lopen rond en praten;
maar de problemen van de vruchteloze middelbare leeftijd
zijn zo oninteressant!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e augustus ook mijn blog van 30 augustus 2019 en ook mijn blog van 30 augustus 2017 en ook mijn blog van 30 augustus 2016.

Elma van Haren, Rita Dove

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook alle tags voor Elma van Haren op dit blog.

 

Alles wat je wil

Er ritselen grote brede rode heggen,
waar je u tegen wilt zeggen.

Er wiegen zwoele kakmadammen,
wiens ravenzwarte suikerspinnenragebol
je graag dooreen wil kammen

Er deinen dikke donkerblauwe bloemen,
die de stralen van de zon verkoelen

en er stappen stoere lange blonde mannen,
die je zus geniepig in haar zijdezachte
ijzersterke kousennet wil vangen.

Er knisperen zachte truien knuffelhonden,
kleine dorpen, vreemd verlangen
Lutjebroek, België en Londen
met hun glinsterende lichten
landerijen, vergezichten
dwergen en zwaargewichten
wolleweien kromgewrichten
losbollen en love-berichten
hartenzeer en bliksemschichten
knolrapen en burenplichten
en nog veel meer van die woorden;
woorden waar je nooit van hoorde,
maar die je, als je heel goed zoekt
ongetwijfeld vinden moet.

Want het mooie ervan is,
dat alles wat er bestaat,
loopt of ligt of zit
speelt rent of praat
treurt lacht zeurt
of bloeit loeit en geurt
zomaar midden op de straat.

En zie je het niet zitten
midden op de straat,
kijk dan in je eigen kop.
Dan zul je het daar vinden,
schoongewassen vuilbesmeurd
met alles eraan vastgemaakt
en het topje er bovenop.

En heeft zowel de straat
als je kop het niet paraat,
dan wil ik voor honderd euro
met je wedden,
dat het in je woordenboek
zwart op wit allemaal beschreven staat.

 

Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954)

 

De Amerikaanse schrijfster en dichteres Rita Frances Dove werd geboren op 28 augustus 1952 in Akron, Ohio. Zie ook alle tags voor Rita Dove op dit blog.

 

DE NARCIS

Ik herinner me mijn voet in zijn frivole slipper,
een angstige vogel… niet de aarde opengeritst

maar de manier waarop ik mijn eigen vingers kon zien en mijzelf
horen gillen toen de bloesem verkoold werd.

En hoewel niets de duik
kon kuisen, deze man
onvermurwbaar als een mes dat zich nestelt

in de nederigste spleet, bevond ik mij
in het hart van een kalmte zo puur dat het haat was.

Het mysterie is, dat je angst kan opeten
eer angst jou opeet,

dat je kan leven voorbij het sterven –
en een koningin worden
die door niets wordt verrast.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Rita Dove (Akron, 28 augustus 1952)

 

Zie voor de schrijvers van de 29e augustus ook  mijn blog van 29 augustus 2018 en eveneens mijn blog van 29 augustus 2017 en ook mijn blog van 29 augustus 2016 en ook mijn blog van 29 augustus 2015 deel 1 en eveneens deel 2.