Dolce far niente, Christa Kluge, Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts, Paul Verhuyck

 

Dolce far niente

 

All Summer In A Day door Peter Graham, 2015


Sommerhitze

Des Mittags Hitze lastet schwer
und drückend auf den reifen Früchten.
Doch ohne Gnade strahlt die Sonne,
kein Lebewesen regt sich mehr.

Kein Wölkchen ist bis jetzt zu sehen
am Himmel, der wie blaue Seide.
Erschöpft und wie in tiefem Schlafe
die Rosen kaum noch aufrecht stehen.

Die Luft, vor Glut scheint sie zu flimmern,
ein leiser Windhauch lässt sie zittern.
Und auf des Daches dunklen Ziegeln
Millionen Sonnenstrahlen schimmern.

Kein Vogel singt sein frohes Lied,
von Blatt zu Blatt kein Falter taumelt,
der Nachbarshund, er schlummert fest,
auch keine Biene jetzt sich müht.

Der Gärtner selbst, in heit’rem Traum
ruht er von seiner Arbeit aus.
Doch – plumps – da fällt mit lautem Knall
auf ihn ein Apfel jäh vom Baum.

 

Christa Kluge (1941)
Naumburg, gedurende lange tijd de woonplaats van Christa Kluge


De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

Uit: Sprakeloos

“Het kleine moederland verzilverde het allemaal, dubbel en dik zelfs, dankzij zijn eeuwenoude troef. Zijn ligging in het klokhuis van Europa, pal op de kruisende lijnen van Londen naar Berlijn en van Parijs naar Rotterdam.
Veel beter kun je niet liggen in Europa, tenzij wanneer het oorlog wordt.
Maar spijts zijn beginnende burgerluchtvaart — opererend in wit en blauw, omdat zijn nationale kleuren te veel geleken op die van Duitsland — en spijts zijn dichte spoorwegnet met robuuste locomotieven van eigen makelij, spijts ook de doorbaak van een vaderlandse superbolide, de Minerva, ‘de Rolls-Royce van het Vasteland’, spijts dat alles en veel meer, deed het Belgisch interbellum buiten de hoofdstad — ‘Bruxelles? Petit Paris!’ — en, komaan, ook buiten Antwerpen en Luik natuurlijk, en allez vooruit: ook buiten Gent en Bergen, en uiteraard ja: ook buiten Charleroi — enfin, samengevat: in de provincie en op de boerenbuiten deed het Belgisch interbellum nog altijd een beetje terugdenken aan de belle époque. Maar dan zonder de koetsen en de paardentrams, en in kleren die gemakkelijker zaten en waaraan, boven de gordel dan toch, al eens een knop mocht blijven openstaan.
Evengoed werd van een vrouw die rookte op straat nog altijd schande gesproken, evengoed bleven de overal opduikende danszalen bestemd voor werkvolk en crapuul, evengoed stonden de priester-leraars aan de ingang van de steeds populairdere cinema’s de namen te noteren van bezoekende leerlingen, die de dag daarna zonder pardon veranderden in ex-leerlingen. En evengoed was het niet vanzelfsprekend dat een stichtelijk opgevoede jongedame uit het Waasland in haar eentje de wereld begon af te reizen terwijl ze niet eens missiezuster wilde worden, maar gewoon op cursus ging, ter Vervolmaking dan nog, tot ver over het Kanaal.
Dat kon met recht en reden curieus worden genoemd, het meiske zelf mocht nog zo bij de pinken zijn, nog zo koket, nog zo goed van de tongriem gesneden, in drie talen alstublieft. Maar zelfs dat van die drie talen? Dat had ze van jongs af aan zelf zo gewild en zo bepleit, bij ieder die daarover zijn toestemming te geven had, en bij een boel anderen die er helemaal niets over in de pap te brokken hadden. Als ze maar kon pleiten. ‘Het liefst van al,’ zou ze heel haar leven benadrukken, meestal achter haar slagerstoonbank vandaan, en met altijd iets van spijt, ‘het liefst van al was ik advocaat geworden aan de balie. Maar ik wilde kinderen. Dat ging voor. De mens moet leren kiezen in zijn leven.’
Ewel, wie weet? Misschien had ze op een goede dag ook uit zichzelf ervoor gekozen om zo knap en elegant te worden? En was dat vervolgens ook geschied?
Het zou weinigen verbaasd hebben. ‘Als ons Joséeke zich iets voorneemt?’ Dat kon je haar elf broers en zussen meer dan eens te berde horen brengen, niet zelden zuchtend, op nieuwjaarsfeesten en huwelijkspartijen, vlak voor, of nog lang na, het uitbarsten van alweer een familiedispuut dat jaren aan kon slepen. Al dient gezegd dat de Verbeken zich bij markante familiemomenten nooit lieten kennen als kleinzielig of kleinzerig. Ze verschenen zonder mankeren opnieuw op het appel, tegen hun goesting of juist in weergevonden harmonie, hoe dan ook: hier zaten ze weer, herenigd op elkaars lip, in hun gebruikelijke kakofonie van harde architectenstemmen, knarsende metsersmoppen en vloekend kaarterslatijn

Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)


De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Zie ook alle tags voor Kristien Hemmerechts op dit blog.

Uit: Alles verandert

“Ze heeft zin om het tegen het portret van Freud te knallen. Knusjes hangt het tussen vader en grootvader Wouters in, alle drie in donkere tinten uitgevoerd, en in olieverf. Hij stelt zijn vaste vraag: of ze afgelopen week iets moois heeft gezien? Als er geen antwoord komt, loopt hij naar de mahoniehouten kast, kiest de dildo van Muranoglas. Ooit heeft ze hem toevertrouwd die het lekkerst te vinden, lekkerder zelfs dan de ivoren uit Japan, die een tijdlang ‘haar’ dildo was. Ze beeldde zich in dat de dokter een geisha was, zij zijn steenrijke klant. ‘En dat windt je op?’ — ‘Ja, dat windt me op.’ Daarna had hij haar de Murano leren kennen, door opa Wouters op Capri van een oude homo gekocht. Die had de dildo laten maken voor zijn vrouw, met wie hij een verstandshuwelijk gesloten had om zijn familie te paaien. Het echtpaar noemde de dildo `il toro di vetro’ en bewaarde hem in een nis waar ooit een Mariabeeld had gestaan. De echtgenote was overleden, de weduwnaar zat in geldnood, en dus werd de toro op de markt gegooid. Langer dan de Japanner moet dokter Wouters hem opwarmen in zijn vuist en hij moet hem met olie behandelen. Haar moet hij eerst natter laten worden, maar eenmaal in haar past hij zo perfect als Assepoesters voetje in het muiltje van glas. Hoe razend ze ook op de dokter is, haar kutje begint al te kwijlen. Hongerig, gulzig beest. Hij dempt het licht, zet de muziek iets luider, nodigt haar uit te gaan liggen. Alles verloopt zoals altijd, maar koeler, professioneler, alsof ze vreemden voor elkaar zijn geworden. Ze is een nummer, een van de vele vrouwen die hem voor een efficiënte behandeling 5o euro betalen, en die hij een getuigschrift overhandigt waarmee ze van het ziekenfonds 33 euro krijgen terugbetaald. Wat een luxe! Wat een land! Zodra de sessie is afgelopen, stapt ze van de onderzoekstafel. Ze trekt haar laarsjes aan, legt een briefje van vijftig op zijn bureau, pakt haar jas en tas. Bij de deur draait ze zich om. Dag’, zegt ze. ‘Dag’, zegt hij over zijn schouder. Op straat beseft ze dat ze het getuigschrift vergeten is, het allerlaatste getuigschrift uit zijn dokterscarrière, eentje om in te lijsten. Met snelle passen loopt ze terug, drukt op de bel bij de ingang voor patiënten, wacht, drukt opnieuw, wacht tevergeefs. Dan richt ze haar aandacht op de deur voor de bewoners. Er hangt geen bel, wel een codeslot. Hij slaat op de vlucht, denkt ze. Hij is bang voor wat er tussen ons is gegroeid. Het was er meteen, vanaf het allereerste moment. `Je hoeft je niet uit te kleden’, had hij met zijn diepe, vaderlijke stem gezegd. ‘Ik kan erbij.’ Alsof hij wist dat ze kousen droeg, en geen panty. Natuurlijk wist hij dat.”

Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

 

De Vlaamse schrijver Paul Verhuyck werd op 27 augustus 1940 in Antwerpen geboren. Zie ook alle tags voor Paul Verhuyck op dit blog.

Uit: Inmiddels op aarde

“Waren we halve elfen? Interessant, vond Stijn, maar dat klankspel geldt alleen in onze taal, en is dus onvertaalbaar, want elke taal heeft zijn eigen metaforen, andere kruisverbanden voor afwijkende gewrichten. Stijn zou daar later zijn proefschrift over schrijven, Het vertalen van onvertaalbaarheden. Kobus wees erop dat elf ook het getal was van de zotten bij de carnavalsviering, de Raad van Elf, maar om ons nou de Elf Zotten te noemen, daar hadden we net niet genoeg zelfspot voor. Neen, we kozen voor de Elf Zonen van Kafka, dat klonk mooi en somber en als puber moest je levensmoeheid uitstralen. Een verveelde blik, sigaret in de mondhoek, een rebels air van onbemindheid. Kafka was toen al in de mode, hoewel hij in de lessen nog niet vermeld werd. Hij heerste over de buitenschoolse tegencultuur. Kafka s verhaal over de elf zonen was niet erg bekend, dat vonden we een voordeel. We dachten dat alleen wij het kenden. Het is een heel kort verhaal. De vader is aan het woord en begint met de zin Ik heb elf zonen, daarna bespreekt hij elke zoon in een korte, kritische alinea om te eindigen met de laconieke zin dat zijn de elf zonen. Hij somt ze op, hij geeft ze niet eens een naam, hij vindt ze niet geweldig. Maar de elf zonen en wij, dat was problematischer. Dagenlang hebben we bij elke zoon een passende klasgenoot gezocht. Dat lukte niet goed, hoe we ook schoven met de mogelijkheden tot we de tekst bijna uit ons hoofd kenden. We goochelden met genummerde rechthoekjes van gekleurd karton, links de rode voor de elf zonen van Kafka, rechts de groene voor ons, maar hoe we ook schoven en wisselden, we kwamen er niet uit. De kartonnetjes, die Alexander uit het kelderlokaal van Handenarbeid had gepikt, wilden geen verstandshuwelijk aangaan, zelfs geen afspraakje, hoezeer we onze vermeende eigenschappen ook vervalsten. Hadden we wel goed gekozen? Waren we wel de elf zonen van Kafka? Kennelijk niet. Toch bleven we ons stug zo noemen, misschien wel een paar maanden lang, tot de fictie in april 58 een stille dood stierf. Daar is nog een foto van, een klassenfoto.
De klassenfoto werd gemaakt toen we net geen zonen van Kafka meer waren. Die foto is een van de zeldzame documenten die bewijzen dat onze eindexamenklas ooit echt bestaan heeft, hetgeen met de jaren minder evident wordt. Verder zijn er ook de palmaressen geweest, gestencilde, geniete boekjes met de uitslagen die aan het eind van elk schooljaar ongevraagd werden uitgedeeld. De palmares: letterlijk de lijst van de uitgedeelde palmen. Palmen van lauwerblad. Daarin kon je zien wie de eerste van de klas was, wie de tweede, wie de laatste, wie bleef zitten of een herexamen had; we leken roedels wolven met alfa-, bèta- en omegadieren.”

Paul Verhuyck (Antwerpen, 27 augustus 1940)
In 1996

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e augustus ook mijn blog van 27 augustus 2018 en ook mijn drie blogs van 27 augustus 2017.

Summertime (George Gershwin, Dubose Heyward

Dolce far niente – augustus

 

Summertime door Alfons Niex, 2012.


Summertime

Summertime
And the living is easy
Fish are jumpin’
And the cotton is high

Oh, your daddy’s rich
And your mama’s good lookin’
So hush little baby now
don’t you cry

One of these mornin’s
You’re gonna rise up singin’
Then you’ll spread your wings
And take to the sky

But til that mornin’
Ain’t nothin’ can harm you
With your daddy
And your mammy
standin’ by.

 

George Gershwin en Dubose Heyward, Porgy and Bess 
Scene uit Porgy and Bess 

 

Zie voor de schrijvers van de 26e augustus ook mijn blog van 26 augustus 2018 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Dolce far niente – The Narrow Door (Fannie Stearns Davis)

Dolce far niente –  Bij de 21e zondag door het jaar

 

The Narrow Door door Anthony Falbo, 2014


The Narrow Doors

The Wide Door into Sorrow
Stands open night and day.
With head held high and dancing feet
I pass it on my way.

I never tread within it,
I never turn to see
The Wide Door into Sorrow.
It cannot frighten me.

The Narrow Doors to Sorrow
Are secret, still, and low:
Swift tongues of dusk that spoil the sun
Before I even know.

My dancing feet are frozen.
I stare. I can but see.
The Narrow Doors to Sorrow
They stop the heart in me.

Oh, stranger than my midnights
Of loneliness and strife
The Doors that let the dark leap in
Across my sunny life!

Fannie Stearns Davis (30 april 1877 – 15 februari 1930)
Cover

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2018.

Dolce far niente, Charles Simic, Stephen Fry, Drs. P, Marion Bloem, Pepijn Lanen, John Green

Dolce far niente

 

Back Road Driving door Tom Maakestad, 2013

 

Driving Home

Minister of our coming doom, preaching
On the car radio, how right
Your Hell and damnation sound to me
As I travel these small, bleak roads
Thinking of the mailman’s son
The Army sent back in a sealed coffin.
His house is around the next turn.
A forlorn mutt sits in the yard
Waiting for someone to come home.
I can see the TV is on in the living room,
Canned laughter in the empty house
Like the sound of beer cans tied to a hearse.

Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)


De Engelse komiek, schrijver, acteur en presentator Stephen John Fry werd geboren in Londen op 24 augustus 1957. Zie ook alle tags voor Stephen Fry op dit blog.

Uit: More Fool Me

“There is nothing very appealing about showbusiness memoirs. A linear chronology of successes, failures and blind ventures into new fields is dull enough. And then there is the problem of how to approach descriptions of collaborators and contemporaries:
‘She was adorable to work with, incredibly funny and always intensely cheerful and considerate. To know her was to worship her.’
‘I was captivated by his talent, how marvellously he shone in everything he did. There was a luminosity, a kind of transcendence.’
‘She always had time for her fans, no matter how persistent they were.’
‘What a perfect marriage they had, and what ideal parents they were. A golden couple.’
I could be describing actors, TV show presenters or producers with total accuracy, leaving out only their serial polygamies, chronic domestic abuse, violent orgiastic fetishes and breathtaking assaults on the bottle, the powders and the pills.
Is it right of me to be searingly, bruisingly honest about the lives of others? I am quite prepared to be searingly, bruisingly honest about my own, but I just don’t have it in me to reveal to the world that, for example, producer Ariadne Bristowe is an aggressively vile, treacherous bitch who regularly fires innocent assistants just for looking at her the wrong way; or that Mike G. Wilbraham has to give a blow-job to the boom operator while finger-banging the assistant cameraman before he is prepared so much as to think about preparing for a scene. All these things are true, of course, but fortunately Ariadne Bristowe doesn’t exist and neither does Mike G. Wilbraham. OR DO THEY?
The actor Rupert Everett in his autobiographical writings manages to be caustic in what you might call a Two Species manner: bitchy and catty. The results are hilarious, but I am far too afraid of how people view me to be able to write like that. Very happy to recommend both his volumes of autobiography/memoir to you, however: Red Carpets and Other Banana Skins and The Vanished Years. Ideal holiday or Christmas reading.”

Stephen Fry (Londen, 24 augustus 1957)

 

De Nederlands-Zwitserse schrijver, tekstschrijver, componist, zanger en pianist Drs. P (eig. Heinz Hermann Polzer) werd geboren in het Zwitserse Thun op  24 augustus 1919. Zie ook alle tags voor Drs. P op dit blog.

Alweer een nieuw patroon

Alweer een nieuw patroon, en wel de (d)e(e)F
En wat me hiertoe dreef, dat is de macht
(Ik hoop dat niemand lacht) van ’t nodeloze
Geen geestdrift of neurose, maar een gril
Daar ik eens kijken wil hoe dat voldoet
Wanneer je rijmen moet als hier gedaan:
Het binnenrijm sluit aan bij ’t eindrijm dat
Je vlak daarboven had, en bovendien –
Dat zult u strakjes zien – de hele woorden
Waarin die rijmen gloorden aan ’t begin
(Dus in de aanhefzin): patroon en (d)e(e)F
Welnu, die woorden geef ik nog een beurt
Aan ’t slot, en u bespeurt dat ik verdomd
Niet weet wanneer dat komt. In elk geval
Betwijfel ik of al die fraaie toeren
Wel boeien of ontroeren of zoiets
Misschien een goede witz? Een sterk verhaal?
Je kunt het minimaal eenmaal proberen
Hij had er zeven keren om gevraagd
Zij vond het te gewaagd en indecent
Tenslotte riep hij: ‘Kent je hart dan niet
Het zinderende lied van roes en lust?’
Ze werd wat ongerust en zei: ‘Maar Jan
Het spijt me erg, ik kan zoiets niet doen
Nog niet voor tien miljoen, bij al ’t gedruis
In zulk een warenhuis, zo fel verlicht
Dat is toch geen gezicht! Dat hoort niet, daar
Ja, als het nu nog maar fellatio was…’
Hij pulkte aan zijn das, en ging – mishaagd
Ze heeft hem níet gevraagd, terug te keren
Zo kunt ook u het leren; volg gewoon
Het voorbeeld (wonderschoon) dat ik hier schreef
Wij noemen dit de (d)e(e)F, een nieuw patroon.

 

Katholieke roman
Paul Lemmens S.J.

In ’t oude huis heerst droefenis en schrik
De bleke vader loopt vertwijfeld rond
Eenieder ziet zijn triest omfloerste blik

De zeven zoons, zij houden braaf hun mond
En ook de meisjes, negen in totaal
Ontzien hun lieve vader in deez’ stond

Want in de stille kamer, hoog en kaal
Ligt zij, de moeder van de kinderschaar
Nu opgebaard, haar lichaam koud als staal

Ze ligt, met zoete bloempjes in het haar
Als slapend op het bed dat werd tot baar

 

Uit: Herenspraak

De employé, voorop, in grijze pas
Vervoerde een container met de as
Van iemand die – wat opgedragen was
Per wilsbeschikking, want je weet maar nooit –

In Westerveld te water werd gestrooid
Bezocht u deze dodenakker ooit?
Dan weet u dat het daar behoorlijk glooit
De gasten bleven op het pad en zwegen

De man moest naar beneden daarentegen
Daar kon hij, door een handgreep te bewegen
De bus van onder openen, dus legen
Een vuilwit gruis belandde op de plas

Veel eenden kwamen smakkend aangesneld
En werden als zo vaak, teleurgesteld

Drs. P (24 augustus 1919 – 13 juni 2015)


De Nederlandse dichteres en schrijfster Marion Bloem werd op 24 augustus 1952 geboren in Arnhem. Zie ook alle tags voor Marion Bloem op dit blog.

Uit: Haar goede hand

“Er wordt beweerd dat een mens zich niets van voor zijn vierde levensjaar kan herinneren. Maar mijn moeder, inmiddels zesentachtig, vertelt over de ontdekking van de kinderverlamming, die haar leven en aldus ook het mijne heeft bepaald, met telkens meer details. Melanie Krijger, door haar zussen en broers Mee genoemd, was drie, bijna vier toen ze aan Raymond, haar jongere broertje, vroeg: ‘Mag ik je pistool?’ Raymond draaide zich van haar weg, roepend: `Pief! Dood!’ Daarop liet Boelé, haar oudere zus, zich giechelend op de modderige grond vallen. En Raymond, wankelend op zijn koddige beentjes en zijn bolle buikje vooruit, mikte recht op Melanie. Zij reikte met haar linkerhand naar zijn wapen. Haar broertje negeerde dat gebaar. Met zijn twee knuistjes stevig om de bamboestok geklemd schreeuwde hij: `Henzup!’ Haar oudste broer, Han, had het pistool van bamboe en elastiekjes gemaakt. Speciaal voor Raymond, die nota bene nog geen zin kon zeggen. Wel losse woordjes. Ze was jaloers dat zij geen wapen had. Ze kon al tot tien tellen, ook in het Maleis. Wellicht sloeg ze soms een cijfer over als ze het te snel wilde doen. En Han had haar geleerd hoe ze haar eigen letter in de vulkanische aarde moest schrijven. Een moeilijke letter. Als ze hem per ongeluk ondersteboven had getekend, ging ze aan de andere kant staan en was hij weer goed. En zij wist al wat dood was. Want haar hond had ze door elkaar geschud, aan zijn lange zwarte haar getrokken, in zijn oren geschreeuwd, en toch werd hij niet wakker. Han had gezegd: ‘Ga van hem af, Mee. Hij is morsdood, we moeten hem begraven.’ Haar oudste zus, Yola, bemoeide zich er niet mee, evenmin als Boelé, maar zij mocht Han helpen omdat Hon van haar was. Zij noemde hem zo sinds ze had leren praten. Het was geen afkorting, geen verbastering. Ze wist niet beter of dat was de naam van haar eerste hond. Iedereen was zijn vorige vergeten. Han groef een kuil vlak bij de wc van de bediendes. ‘Daar liggen er nog twee,’ had hij gezegd, ‘honden gaan eerder dood dan mensen.’ Raymond was een lopende baby. Hij dacht nog dat je dood was als je in de modder viel en je ogen dichthield. En hij dacht dat dood iets was waaruit je even later op kon staan alsof er niets gebeurd was. Haar broertje was schattig, zoals wanneer hij balanceerde terwijl hij met de aan elkaar gebonden bamboestokken in haar richting wees. Hij porde ermee in haar buik.
Ze weet zeker dat ze bij aankomst Tante en Oom met haar goede hand had begroet. Al herinnert ze zich niet hoe ze na de lange treinreis het tuinpad van Tantes erf op liepen. Als het toen niet gelukt was om haar rechterhand omhoog te brengen, hadden ze het immers meteen gemerkt. Wanneer de arm haar in de steek begon te laten, is voor haar een raadsel. Misschien logeerden ze al twee handen bij Tante, misschien pas zes vingers. Wie nog niet naar school gaat, begrijpt niks van tijd. Voor een kind duurt plezier altijd te kort, verveling te lang, en angst lijkt nooit te stoppen. Angst beklijft. Naderhand vertelde niemand haar de details. Mammie zeker niet.

Marion Bloem (Arnhem, 24 augustus 1952)


De Nederlandse schrijver en rapper Pepijn Lanen werd geboren in Utrecht op 4 augustus 1982. Zie ook alle tags voor Pepijn Lanen op dit blog.

Uit: Sjeumig

“En om het allemaal af te maken was in de verte heel zachtjes maar duidelijk het piepen en knarsen van een huifkar te horen, getrokken door een lomp boerenpaard. Het was de symbolische huifkar van een vergeten afspraak. Na nog een minuut of tien over straat slenteren als een menselijke wijnvlek in het witte damast van het leven viel het hem eindelijk allemaal te binnen. ‘conjo’ schreeuwde hij zowel in het Spaans als in het Nederlands.
Hij keek uit het raam van de taxi naar de voorbij glijdende gevels die op een speelse manier modern en klassiek met elkaar afwisselden. In zijn hoofd woedde een wervelstorm van tijdstippen, adressen, mensen om teleur te stellen en dingen om niet te vergeten. Hij had zich verdwaald gewaand in een stadsdeel uit de jaren tachtig tot er ineens uit het niks een onooglijke taxi van de elektrische variant was opgedoemd, waar hij zich nog net niet op had geworpen. De meter stond vooralsnog op zevenentwintig euro en een slordige vijfendertig centen. Op dit moment was het olijke tweetal, bestaande uit hemzelf en de taxichauffeur met psoriasis, nog steeds onderweg om zijn laptop op te halen bij zijn atelier. De honger vrat hem van binnenuit op en de kater vervloekte hem voor het tot tweemaal toe afslaan van een gebakken ei. In zijn portemonnee woonde helaas nog maar één briefje van vijftig euro, en daarbij had de chauffeur met het huidprobleem eerder nogal nors en negatief gegromd bij de notie dat hij niet direct naar de bestemming van zijn afspraak bliefde te gaan, maar dit via een stopplek op de locatie van zijn creativiteitsbunker wenste te doen.
De meter stond inmiddels op een bescheiden zesenveertig euro met een verwaarloosbaar aantal centen achter de komma. Het ritje had zich ontwikkeld tot een expeditie de treurnis in, zo leek het. Niet alleen wilde hij gillend alle haren uit zijn hoofd trekken en zijn ogen eruit krabben vanwege de stress en de vijfenveertig minuten die hij inmiddels te laat was; maar ook maakte het urbane landschap een dusdanig deprimerende indruk op hem dat hij zijn ziel in brand wenste te steken met wasbenzine, zodat het vuur hem van binnenuit zou kunnen verteren. De plaats van afspreken was op een dreef dan wel een kade, waar zowel hij als zijn roodgevlekte mobiele metgezel nog nooit van gehoord had. Van tijd tot tijd draaide de chauffeur zich om en wees naar wat façades die opgetrokken waren in een ‘leuke’ niet-leuke klassieke stijl. Vaak stelde de chauffeur hier ook nog een vraag bij, die hij dan niet goed kon verstaan. Druppels uitgezwete alcohol dansten via zijn voorhoofd, wangen en nek zijn kraag in. Eerder al had hij zijn laptop geopend, de vingers gekruist dat de e-mail met de bevestiging van de desbetreffende afspraak nog openstond.”

Pepijn Lanen (Utrecht, 4 augustus 1982)


De Amerikaanse schrijver John Green werd geboren in Indianapolis, Indiana, op 24 augustus 1977. Zie ook alle tags voor John Green op dit blog.

Uit:The Fault in Our Stars

“Once we got around the circle, Patrick always asked if anyone wanted to share. And then began the circle jerk of support: everyone talking about fighting and battling and winning and shrinking and scanning. To be fair to Patrick, he let us talk about dying, too. But most of them weren’t dying. Most would live into adulthood, as Patrick had.
(Which meant there was quite a lot of competitiveness about it, with everybody wanting to beat not only cancer itself, but also the other people in the room. Like, I realize that this is irrational, but when they tell you that you have, say, a 20 percent chance of living five years, the math kicks in and you figure that’s one in five…so you look around and think, as any healthy person would: I gotta outlast four of these bastards.)
The only redeeming facet of Support Group was this kid named Isaac, a long-faced, skinny guy with straight blond hair swept over one eye.
And his eyes were the problem. He had some fantastically improbable eye cancer. One eye had been cut out when he was a kid, and now he wore the kind of thick glasses that made his eyes (both the real one and the glass one) preternaturally huge, like his whole head was basically just this fake eye and this real eye staring at you. From what I could gather on the rare occasions when Isaac shared with the group, a recurrence had placed his remaining eye in mortal peril.
Isaac and I communicated almost exclusively through sighs. Each time someone discussed anticancer diets or snorting ground-up shark fin or whatever, he’d glance over at me and sigh ever so slightly. I’d shake my head microscopically and exhale in response.
•••
So Support Group blew, and after a few weeks, I grew to be rather kicking-and-screaming about the whole affair. In fact, on the Wednesday I made the acquaintance of Augustus Waters, I tried my level best to get out of Support Group while sitting on the couch with my mom in the third leg of a twelve-hour marathon of the previous season’s America’s Next Top Model, which admittedly I had already seen, but still.
Me: “I refuse to attend Support Group.”
Mom: “One of the symptoms of depression is disinterest in activities.”
Me: “Please just let me watch America’s Next Top Model. It’s an activity.”
Mom: “Television is a passivity.”
Me: “Ugh, Mom, please.”

John Green (Indianapolis, 24 augustus 1977)

 

Zie voor de schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2018.


Dolce far niente, Ivo de Wijs, Lois Henderson

 

Dolce far niente

 

Vogels in een landschap door Roelant Savery , 1622

 

Vogelbescherming

Gewoonlijk leid ik een kantoorbestaan
Ik zit aan een bureaustoel vastgevroren
Ik schrijf, dat is hoofdzakelijk mijn baan
Maar ’s zondags klim ik bij het ochtendgloren
Maar al te graag uit mijn ivoren toren
Mijn vroege vogels dulden geen protest
Daar ga ik, wel wat vaag en ongeschoren
Voor de vogels kom ik fluitend uit mijn nest

 

Ivo de Wijs (Tilburg, 13 juli 1945)


Jonge vrouw in een nis met een papegaai en kooi door Gerrit Dou, ca. 1660–65

 

Parrots
In thanks to Monique (“Dance! Dance!”)

Parrots are a funny bunch –
They often curse and swear –
You really cannot take them out to lunch
When your grandmamma is there.

They like to stride atop a cage,
Much as a soldier might,
Then hang upside down from the top railing –
Oh my, what a sight!

They sample many a tasty morsel
Proffered with anxious hand,
Then shy away from the very next damsel
Who flashes a wedding band.

Never try to shut them up,
Or tell them “hey!” – that’s rude –
They chatter away at you non-stop,
Just as a parakeet should.

But do not blame them for their foibles,
For they are sourced in us.
If only we’d leave them back in the trees –
Or, at least, allow them to do as they please –
Rather than force them into a cage
Against which both beast and bird may rage,
They could remain as the good Lord intended
And not become one of us, appended.

 

Camebridge, de geboorteplaats van Lois Henderson


Zie voor nog meer schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2018 en ook mijn blog van 23 augustus 2016 en ook mijn blog van 23 augustus 2015 deel 2.

Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus, Dorothy Parker, Wolfdietrich Schnurre, Gorch Fock, Gustaf Fröding

De Vlaamse schrijfster en columniste Griet Op de Beeck werd geboren in Turnhout op 22 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Griet Op de Beeck op dit blog.

Uit: Vele hemels boven de zevende

“Zo had ik mijn leven gemaakt. Zekerder dan het leven kan zijn. Alles is een kwestie van kiezen, daar was ik van overtuigd. Of beter: van beslissingen nemen, die als een stevige paal de grond in kloppen, en daar aan vasthouden. Als wapen tegen een wankele wereld. Als manier om te blijven staan, ook als het stormt en waait en woest tekeergaat, vanbinnen en daarbuiten.
En dan gaat Eva dood. Ze is gesprongen. Zij kon ook goed kiezen. Geen half werk. Geen truttig gedoe met pillen en gevonden worden, en dan opnieuw. Zij wilde dood omdat het leven haar niet bracht wat ze droomde. Omdat ze heel diep kon voelen. Omdat ze niet meer kon. Ik geloof nog altijd: zij wilde niet per se dood, zij wilde niet dit leven, niet dit hoofd, niet dit gehavende hart. Dat is echt iets anders. Er viel nog zoveel te proberen. Ik ben daar eerder verdrietig om dan kwaad, tegenwoordig.
Ik heb gedacht, na haar: het gaat om wendbaar blijven. Om blijven kijken naar wat is. Om nu en dan een kwartslag draaien en nog eens kijken. Mogelijkheden durven zien. Had zij dat maar gedaan. Ik had het haar moeten zeggen, maar toen kon ik dat niet. Het was pas na haar dat ik langzaamaan ben gaan beseffen: het gaat om voelen. Om openstaan. Om trouw zijn aan en eerlijk zijn met jezelf. Zij heeft het mij gezegd: dat ik mijn kop in het zand stak, zoals onze ouders altijd deden. Ik heb het weggewuifd, zo deed ik dat. Zij had niks om naar te kijken, bij mij stond het voor mijn neus. Dat was het verschil.
Casper ging niet weg. Wie zo diep in je hart kruipt, die blijft altijd minstens een beetje. Ik was van hem weggegaan. Op het scherp van de snee niet vertrokken maar thuisgebleven. Ik koos voor Walter, omdat ik niet wou kiezen. Omdat ik dacht dat ik alleen zo recht kon blijven staan. Ik zag de afspraak die ik met mezelf had gemaakt. Ik zag onze jaren samen. Ik zag onze kinderen. Ik noemde dat liefde, en dat was het ook. Maar was het de beste liefde voor mij? Was het die weldadige warmte die totaal kan vervullen? Was het die gedeelde kwetsbaarheid van elkaar graag te zien tot in de lelijke hoekjes toe? Was het die diepe connectie die alles in het leven dat cruciale tikje beter maakt? Was het dat prikkelen van alle zinnen dat je wonderlijk dicht bij elkaar kan brengen? Was het dat wederzijdse stimuleren en dat elkaar vinden in bijna alles wat belangrijk is? Was het dat dichtbij willen zijn dat nooit verstikt? Was het die ongelooflijk grote fun met elkaar? Eigenlijk durfde ik niet naar Walter te kijken. Naar Walter en mij te kijken. Naar wat onder en achter de constructie zat. Niet echt. Schrik voor wat doet wankelen, waarschijnlijk. Schrik om uit de rol te vallen. Om niet te zijn wie anderen wilden dat ik was, wie ik dacht dat ze wilden dat ik was, wie ik vond dat ik moest zijn. Maar als je bang bent om iets in vraag te stellen, hoe kan dat dan het goeie zijn?
Eva zei een keer: ‘Het leven is kort, zeggen ze, ik vind het lang, maar da’s een reden om nog meer voluit te gaan.’

Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973)
Cover

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jeroen Theunissen werd geboren in Gent op 22 augustus 1977. Zie ook alle tags voor Jeroen Theunissen op dit blog.

Uit: Jouw huid

“Je zoekt de fles, voelt hoe het hete honfrnlijf van Napoleon tegen je schuurt, om aandacht fleemt, je hebt nu even geen tijd, hebt eigenlijk toch best wel tijd, zet de fles neer en liefkoost en streelt die harige massa, en wast achteraf je handen, de straal van warm water op je huid, je houdt ervan, of gewoon de handen te laten zakken, voorzichtig te dopen in het meestal lauwe maar soms toch nog hete afwassop. Die tintelende sensatie. In een hoekje zit de man op de oude cinemastoel onder de purperen bloempot met de hangplant waarvan de onderste bladeren als hij zijn rug recht zijn haren raken. Hij opent een laptop, legt naast die laptop een smartphone. Haalt een verfrommelde pet uit zijn jas, legt die daar weer naast. Lijkt even weg te dromen. Probeert zich een houding aan te meten maar slaagt er niet in. En je ziet dat hij acteert, ongetwijfeld met talent. Zijn maatpak glimt. Hij heeft de stropdas losgemaakt en voor zich bij de pet gelegd. Grijze pet, met ruitpatroon. Er nog naast die fietshelm. Hij stopt een bierviltje onder een poot om de tafel te stabiliseren. Behalve Pierre, die hem in de gaten houdt, let geen van de stamgasten meer op hem, aanvaard is hij niet maar hij ziet eruit alsof hij niemand kwaad doet, en na de regen, denkt men, verdwijnt hij. Hij vraagt of er hier wifi is, een code voor de internettoegang, maar dit is niet zo’n hipsterkroeg, hier komen alleen mensen zonder werk of alleszins zonder laptop. Waarop hij je ongelovig aanstaart. En je lacht dus opnieuw, en haalt je schouders op, vervolgens lijkt ook hij te lachen, in een vertrouwelijk gebaar leg je een hand op zijn arm, omdat je hem gerust wilt stellen dat het oké is. Dat ook jij hier vreemd bent. Dat we hier allemaal vreemd zijn. Dat het zo is, in deze stad, dat het zo moet zijn, dat het goed is. En misschien omdat je hem mag. Je denkt aan hoe je hier passeerde, aan deze hoek. Maanden geleden, hoe je hier nog niet lang was, werk zocht in deze nerveuze stad, moeilijke dagen waren het, en dan dat lieve en eenzame dier liggend aan de deur, hoe je er een band mee opbouwde.”

Jeroen Theunissen (Gent, 22 augustus 1977)
Cover


De Amerikaanse schrijfster en journaliste Annie Proulx werd geboren op 22 augustus 1935 in Norwich, Connecticut. Zie ook alle tags voor Annie Proulx op dit blog.

Uit: Brokeback Mountain

.”Right,” said Jack, and they shook hands, hit each other on the shoulder, then there was forty feet of distance between them and nothing to do but drive away in opposite directions. Within a mile Ennis felt like someone was pulling his guts out hand over hand a yard at a time. He stopped at the side of the road and, in the whirling new snow, tried to puke but nothing came up. He felt about as bad as he ever had and it took a long time for the feeling to wear off.
In December Ennis married Alma Beers and had her pregnant by mid-January. He picked up a few short-lived ranch jobs, then settled in as a wrangler on the old Elwood Hi-Top place north of Lost Cabin in Washakie County. He was still working there in Sep-tember when Alma Jr., as he called his daughter, was born and their bedroom was full of the smell of old blood and milk and baby shit, and the sounds were of squalling and sucking and Alma’s sleepy groans, reassuring of fecundity and life’s continuance to one who worked with livestock. When the Hi-Top folded they moved to a small apartment in Riverton up over a laundry. Ennis got on the highway crew, tolerating it but working weekends at the Rafter B in exchange for keeping his horses out there. The second girl was born and Alma wanted to stay in town near the clinic because the child had an asthmatic wheeze. “Ennis, please, no more damn lonesome ranches for us,” she said, sitting on his lap, wrapping her thin, freckled arms around him. “Let’s get a place here in town?” “I guess,” said Ennis, slipping his hand up her blouse sleeve and stirring the silky armpit hair, then easing her down, fingers moving up her ribs to the jelly breast, over the round belly and knee and up into the wet gap all the way to the north pole or the equator depending which way you thought you were sailing, working at it until she shuddered and bucked against his hand and he rolled her over, did quickly what she hated. They stayed in the little apartment which he favored because it could be left at any time. “

Annie Proulx (Norwich, 22 augustus 1935)
Scène uit de film Brokeback Mountain uit 2005

 

De Nederlandse dichter en schrijver Krijn Peter Hesselink werd op 22 augustus 1976 geboren in Utrecht. Zie ook alle tags voor Willem Krijn Peter Hesselink op dit blog.

Uit: Moederziel

“De kinderen in mijn klas moesten altijd lachen als ik weer eens zoiets had verzonnen. Volgens de juf lachten ze me niet uit, ze lachten me toe, dus ik trok me er niets van aan, maar het ?jne van mijn zandbak was dat er niemand was om me toe te lachen, dat ik niet bang hoefde te zijn dat iemand het op me voorzien zou kunnen hebben, dat ik me ongestoord kon verbeelden hoe ik samen met het zand en mijn plastic schep en soms zelfs de balken werd meegesleurd, de lucht in.
Eerst schampten we rakelings langs het dak van de buren. Door het zolderraam keek ik naar binnen. Spinnenwebben, vleermuizen, een uitgedoofde kaars. Een week geleden waren ze in een grote verhuiswagen de straat uit gereden. Geen idee waar ze naartoe waren gegaan. Geen idee wat ze hadden achtergelaten. Maar we woeien alweer verder. Ik zag nog net een muis rondscharrelen over de houten planken van de vloer. Toen scheurde ik mijn blik los en keek om me heen, naar onze esdoorn die woest met zijn takken zwiepte, naar de berk in de tuin van de buren, naar de meeuwen die rondcirkelden door het eindeloze luchtruim. Beneden waren de huizen in stipjes veranderd, de straten in rag?jne lijntjes. We gingen steeds hoger, door een mist?ard, en nog een, de zon tegemoet, tot we ten slotte neerstreken in de woestijn, bij een oase. Mijn schep plofte naast me neer. Onder een palmboom stond een Arabier. Hij knikte me toe. ‘Heel goed,’ zei hij. ‘Welkom, Jonathan. Hier ligt inderdaad de schat. Graaf jij hem even op?’
Dromen kon overal, maar het ging toch het beste in de zandbak, daar wilde ik heen, maar het regende en volgens mijn moeder kon je niet buitenspelen als het regende. Zelf zag ik het probleem niet. Ik had laarzen, een regenjas, ik redde me wel. In de zandbak zouden complete zeeën ontstaan, dat was alleen maar leuk. Als het uit de hand liep, maakte ik van een van de balken een vlot en dan peddelde ik met mijn schep naar een onbewoond eiland. Daar was het altijd zonnig en hoefde je nooit je kamer op te ruimen.
Ineens was mijn moeder aan het krijsen. Ze had een vaatdoek in de hand waarmee ze woest in het rond zwiepte, als was het een zweep waarmee ze de stoel tuchtigde, de muur, de deur, alles wat maar bij haar in de buurt kwam, net zolang tot er een mok omging. ‘Haal een doekje,’ hijgde ze, terwijl ze als versteend neerkeek op de plas die zich dampend over het tafelblad verspreidde. ‘Werk nou eens mee. Haal een doekje!’ Toen begon ze de thee op te dweilen met haar vaatdoek. ‘Alsof we niet al genoeg vuile was hebben,’ foeterde ze. ‘En dat allemaal omdat jij… omdat jij…’ Zonder haar zin af te maken verdween ze naar de keuken.”

Krijn Peter Hesselink (Utrecht, 22 augustus 1976)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Willem Arondéus werd op 22 augustus 1894 in Naarden geboren. Zie ook alle tags voor Willem Arondéus op dit blog.

Uit: Matthijs Maris’ jeugdjaren

“Het décor dezer herinnering is vriendelijk, en listig opgesteld: een zomerdag buiten, een groene wei met boterbloemen. En langs de boterwei een sloot vol kroos, een ‘groen tapijt’ zooals het in kinderliedjes gezongen wordt. Het scheen, dit groen tapijt, geen diepte te zijn, en geen gevaar daaronder, heelemaal niet – tot je, voorover, met een voorzichtige hand het kroos van-een schoof. Dan gleed het zonlicht een verzonken wereld binnen, grotten van het wonder gingen weer open waarin het traag bewoog, heel traag. Maar wat er bewoog bleef een geheim van het wonder..
Ik zit aan de rand van het liedjes-tapijt. Er is een hooge, blauwe hemel, er is zon en een rondom groen geluk – en wat of er nu plotseling verschenen is, een kever of een kikker, en wat of ik nu plotseling grijpen wou, welk drogbeeld van het wonder blind en roekeloos grijpen wou, weet ik niet meer, maar ergens is het toen misgegaan, ik grijp in het groen en eensklaps gaat de diepte open en draait de wereld om. Ja, draait de wereld om; dit is het wat ik van het verraad der diepte zonderling fel onthouden heb, het draait om, de zon en de hemel zwaaien over…. en ontzet, druipnat en huilend werd ik na deze ramp van den ondergang uit de sloot getrokken.
Hoe verschillend ook beide herinneringen in de verte zijn: ergens in mijn gedachten worden zij één. Ergens bezitten zij elkander – misschien in een soort moraliseerend instinct, dat als een symbolisch ‘weest op uw hoede’ waarschuwt hoe tusschen de verbeelding en de werkelijkheid een groen tapijt ligt; tusschen een kinderliedje en een ondergang; een groene, gevaarlijke diepte die men nooit en nimmer beroeren zal: het onbereikbare in het wonder, de tragiek van den droom.
Geen schilder in Holland heeft, wat ik hierboven het geluk der verbeelding noemde – dit zeldzame, grandioze dwalen in een ruimte voorbij de werkelijkheid – zóó groot bezeten en zóó groot verloren als Matthijs Maris. In geen schilder is zóó vol, zoo synthetisch bijna, in zijn leven en zijn werk de verbeelding tot werkelijkheid opgejaagd geworden, maar ook in geen is de grens, de groene diepte van den ondergang die tusschen droom en waken ligt, zóó stil en gevaarlijk opengegaan als in dezen zeer grooten, wellicht grootsten schilder van het Holland der negentiende eeuw. De grootste, en welhaast symbolisch eenzame. In een eenzaamheid die, door de verbeelding ondermijnd, langzaam de levende werkelijkheid verloor, langzaam de grens der zintuigen losliet en geen antwoord meer hoorde, niet meer hooren wilde, tot zij in de giganten-stilte van een omgezwaaide wereld zelve als stilte uitvloeide en verdween.”

Willem Arondéus (22 augustus 1894 – 1 juli 1943)
Matthijs Maris, De Oorsprong te Oosterbeek, 1860.

 

De Amerikaanse dichteres en critica Dorothy Parker werd geboren in New York op 22 augustus 1893. Zie ook alle tags voor Dorothy Parker op dit blog.

 

The Passionate Freudian To His Love

Only name the day, and we’ll fly away
In the face of old traditions,
To a sheltered spot, by the world forgot,
Where we’ll park our inhibitions.
Come and gaze in eyes where the lovelight lies
As it psychoanalyzes,
And when once you glean what your fantasies mean
Life will hold no more surprises.
When you’ve told your love what you’re thinking of
Things will be much more informal;
Through a sunlit land we’ll go hand-in-hand,
Drifting gently back to normal.

While the pale moon gleams, we will dream sweet dreams,
And I’ll win your admiration,
For it’s only fair to admit I’m there
With a mean interpretation.
In the sunrise glow we will whisper low
Of the scenes our dreams have painted,
And when you’re advised what they symbolized
We’ll begin to feel acquainted.
So we’ll gaily float in a slumber boat
Where subconscious waves dash wildly;
In the stars’ soft light, we will say good-night—
And “good-night!” will put it mildly.

Our desires shall be from repressions free—
As it’s only right to treat them.
To your ego’s whims I will sing sweet hymns,
And ad libido repeat them.
With your hand in mine, idly we’ll recline
Amid bowers of neuroses,
While the sun seeks rest in the great red west
We will sit and match psychoses.
So come dwell a while on that distant isle
In the brilliant tropic weather;
Where a Freud in need is a Freud indeed,
We’ll always be Jung together.

 

Poem In The American Manner

I dunno yer highfalutin’ words, but here’s th’ way it seems
When I’m peekin’ out th’ winder o’ my little House o Dreams;
I’ve been lookin’ ‘roun’ this big ol’ world, as bizzy as a hive,
An’ I want t’ tell ye, neighbor mine, it’s good t’ be alive.
I’ve ben settin’ here, a-thinkin’ hard, an’ say, it seems t’ me
That this big ol’ world is jest about as good as it kin be,
With its starvin’ little babies, an’ its battles, an’ its strikes,
An’ its profiteers, an’ hold-up men—th’ dawggone little tykes!
An’ its hungry men that fought fer us, that nobody employs.
An’ I think, ‘Why, shucks, we’re jest a lot o’ grown-up little boys!’
An’ I settle back, an’ light my pipe, an’ reach fer Mother’s hand,
An’ I wouldn’t swap my peace o’ mind fer nothin’ in the land;
Fer this world uv ours, that jest was made fer folks like me an’ you
Is a purty good ol’ place t’ live—say, neighbor, ain’t it true?

 

Dorothy Parker (22 augustus 1893 – 7 juni 1967)
Cover


De Duitse dichter en schrijver Wolfdietrich Schnurre werd geboren op 22 augustus 1920 inFrankfurt am Main. Zie ook alle tags voor wolfdietrich Schnurre op dit blog.

Uit: Begegnung mit der Zeit

„Ich glaube, dass ich für alle spreche, wenn ich euch die folgenden Worte, mit Freudentränen in den Augen, anvertraue:
„Während meiner Kindheit bin ich, wie jeder andere sicherlich auch, der Zeit begegnet. Geglänzt und gestrahlt hat sie. Sie war so hell, dass man die Augen kaum offen halten konnte. Man wurde regelrecht geblendet. Und in was für prächtige Kleider sie gehüllt war. Stoffe so edel, dass selbst der reichte Mensch der Welt sie nicht hätte bezahlen können.
Sie reichte mir ihre Hand. Diese Berührung weckte in mir das intensivste Gefühl, das ich bis dahin kannte und noch heute kenne. Es ist das Gefühl der absoluten und grenzenlosen Freiheit.“
Ich glaube, dass ich für alle spreche, wenn ich euch die folgenden Worte, voller Furcht, ins Ohr flüstre:
„ Ich bin kürzlich erst, wie jeder andere sicherlich auch, wiedereinmal der Zeit begegnet. Ich glaube zumindest, dass die Zeit war. Schrecklich sah sie aus. Verblasst der Glanz, der mich einst als Kind geblendet hat. Zerfetzt die edlen Stoffe, die ihren Körper zierten. Das Gesicht, abgemagert. Nein, nicht abgemagert, es war das Gesicht eines Toten. Vor mir war ein Schädel, über den jemand eine dünne Haut gespannt hat. Furchtbar!
Ich musste die Augen schließen, mich wegdrehen, einfach davonrennen. Es gab keinen anderen Ausweg. Ihr Anblick war nicht zu ertragen.“
Ich weis, dass ich nicht für alle spreche, wenn euch die folgenden Worte, vom höchsten Punkt der Welt aus, so dass ein jeder sie hören wird, schreie:
„Lange ist es her, dass ich beim Anblick der Zeit davongerannt bin. Schrecklich war ihr Äußeres und doch besaß ich fortwähren den Wunsch, sie wiederzusehen. Ich hatte vor, mich auf die Suche nach der Zeit zu begeben. Die Suche sollte nicht von langer Dauer sein, denn plötzlich stand die Zeit vor mir. Im alten Glanz und in neuen, weit aus prächtigeren Kleidern.
Sie wusste die Ketten, in die mich der Alltag gelegt hatte, zu sprengen, meine Neugeburt einzuleiten und das vergangene Sterben zu verhindern.
Mir fiel auf, dass das Gefühl der absoluten und grenzenlosen Freiheit niemals verschwunden war. Es umgab mich seit meiner Geburt. Ich hatte lediglich verlernt es zu sehen.“
Ich glaube, dass alle den folgenden Satz verstehen werden, da sie meine Worte schließlich gehört haben müssen:
„Nachdem ich nun die Zeit wiedergefunden habe, ist mir etwas an ihr aufgefallen. Sie besitzt eine austergewöhnliche Eigenschaft. Sie nutzt sich ab, wenn man sie nicht nutzt.“

Wolfdietrich Schnurre (22 augustus 1920 – 9 juni 1989)



De Duitse schrijver Gorch Fock (pseudoniem van Johann Wilhelm Kinau) werd geboren op 22 augustus 1880 in Finkenwerder. Zie ook alle tags voor Gorch Fock op dit blog.

Uit:Seefahrt ist not!

Endlich – ein erlösendes Husten unten im Schiff, ein befreiendes Scharren oben auf dem Chor, ein dreistes Sperlingsgeschrei draußen in den Erlen und Eschen. Da vergingen Gespenster und Gedanken, die Sonnenstrahlen fingen wieder an zu spielen, und Alt-Bodemann bekam seine Sprache zurück. Und als er dann bei seinem Herrgott um den Hausstand anhielt und alle, die dazugehörten, um gottesfürchtige Eheleute, Eltern und Herren, gehorsame Kinder und frommes und getreues Gesinde, da war die große Stille vorüber; die Konfirmanden machten wieder ihre verstohlenen Zeichen, die Mädchen kicherten und stießen einander im geheimen an, Gesine Külper dachte an den ersten Schnellwalzer, Thees Segelmacher stützte die Ellbogen auf die Brüstung und hörte so genau zu, als wenn er noch Pastor werden wollte, und die Fahrensleute rollten die Prüntjer geruhig wieder hinter die Kusen.
Klaus Mewes, der junge Seefischer, der in der Nähe der Orgel auf dem Chor saß, war von der Erinnerung an seinen Vater freigekommen, die ihn jäh befallen hatte, und konnte sich wieder seines guten Platzes freuen. Denn er hatte sich so zu Anker gehen lassen, daß er nicht allein recht in der Sonne saß, sondern auch aus dem Fenster sehen konnte. Hinter den Wischen und Gräben sah er den hohen Deich aufragen, und über den Stroh- und Pfannendächern der Häuser gewahrte er die Masten der Fischerfahrzeuge, die auf den Schallen und am Bollwerk lagen, und die Rauchwolken der Dampfer, die im Fahrwasser, hart am holsteinischen Elbufer, auf und ab fuhren: Dinge, die ihm Hirn und Herz mit Mut und Freude füllten.
Wenn er dieses Mal gleichwohl nicht sonderlich darauf achtete, so konnte nur sein Junge schuld daran sein, der unter seinen Augen unermüdlich neben der Kirche im Gras auf und ab ging. Er freute sich wie ein Stint, daß er ihn nicht mit hereingenommen hatte, wie es eigentlich seine Absicht gewesen war, als der Junge ihm mit dem Hund nachgekommen war und gesagt hatte, sie wollten das Gesangbuch tragen und ihn bis an die Kirchentür bringen. Denn hätte der Vogel Bunt so lange ruhig gesessen und geschwiegen? Sicherlich nicht – er wäre bald aufgestanden und umhergelaufen und hätte geguckt und gezeigt und gefragt und getan; beim stillen Eingangsgebet in der Fensternische hätte er gesagt, was jener Bauernjunge vom Osterende gesagt hatte, als er seinen Vater in den Hut gucken sah.“

Gorch Fock (22 augustus 1880 – 31 mei 1916)
Finkenwerder, haven


De Zweedse dichter Gustaf Fröding werd geboren op 22 augustus 1860 in Alsters herregård bij Karlstad. Zie ook alle tags voor Gustaf Fröding op dit blog.

Renaissance

“Mit herrlichem Zierat, bei Pluto,
ist der Knauf deines Degens belegt,
verrät deine Kunst, Benvenuto.
–  laß sehn, wie die Klinge schlägt.”

So riefen die Freunde entgegen
dem Meister Cellini im Chor.
“Heraus mit dem stolzen Degen!”
Und lachend rief er: “D’accord!

Seht her: die Klinge der Klingen!
Ihresgleichen ist nicht in der Welt,
mit ihr wird Cellini zwingen
sich vorwärts, wie ’s ihm gefällt

Und Spott aus schamlosen Kehlen
macht diese Klinge zu Schand;
mit ihr will im Streit ich nicht fehlen,
alleine, Rücken an Wand!

Mit ihr will mein Mädchen ich schützen,
meine Kunst, mit der ich vereint,
auf sie beim Trunke mich stützen,
wenn ich trink auf den einzigen Freund.”

Doch sie, die trug Weine und Speise,
sinnierte, wen er gemeint.
“Cellini”, flüstert sie leise,
“wie heißt dein einziger Freund?”

Er sagte: “Freundschaft vergehet!
Doch der, der mich nie läßt im Stich,
dessen Freundschaft immer bestehet,
–  mein einziger Freund, das bin ich!”

Und er nahm den Becher vom Brettchen,
in der Scheide der Degen versank,
und er schlang den Arm um das Mädchen
und küßte sie lachend und trank.

Gustaf Fröding (22 augustus 1860 – 8 februari 1911)


Zie voor nog meer schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2018 en ook mijn blog van 22 augustus 2016 en ook mijn blog van 22 augustus 2015 deel 1 en ook deel 2.


Rogi Wieg, X.J. Kennedy, Robert Stone, Aubrey Beardsley, Pete Smith, Frédéric Mitterrand, Lukas Holliger, Elisabeth Alexander, Gennadi Ajgi

De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.

Poëzie

Nu is het dus dat ik niet meer weet
hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand
zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet
niet wat je was: ogen, haar, een hand

om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen,
de stadsweg waarover je naar huis toe gaat,
mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen
van dit leven is gewichtig. dat je hier bestaat

alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig
– en al die mooie dingen dan –
om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichtvaardig.

Er is te weinig taal in mij om zaken
te omschrijven zoals dit gebrek aan angst;
dus noem ik maar wat afgebroken wordt, om nog iets goed te maken.

 

U bent

Toen U wegging brak U mijn hart.
Als U terug kon keren zou ik Uw nek breken.
Maar U heeft geen nek, alleen een onsterfelijke,
denkbeeldige lange hals, als van een fles van
dun glas die zich uitstrekt over het water van de zee,
glas met daarin de geschiedenis van alles.

Als U terug kon keren zou ik de tafel dekken,
het brood breken en de wijn drinken. Ik zou
mijzelf aan het kruis slaan van Uw bestaan.

U bent niet meer De Zoon en niet meer De Vader
U bent het onbezielde veld en de ruimtetijd.
U bent de onbezielde zwaartekracht en het verloop
van de lichtstraal bij nacht, U bent de wiskunde
zonder zachte geest, U bent r nu en bent er
altijd al geweest. U bent de symbolen die men leest.

Maar niet De Zoon en niet De Vader. Niet De Geest.

Toen U wegging brak U mijn hart.
Als U terug kon keren zou ik U hardhandig wurgen.

U bent ooit toen ik kind was in mijn huis geweest.

 

In alle dingen

Nu dan, die verschrikte vogel in je handpalm
is maar lijnenspel, want uitje huid
vloog niets meer op, zo was mijn verveling: kalm
verwachten hoe het middag werd. Hoe je niets besluit,

ook niet dat je slapen wilt, of dichter bij
mijn lichaam wilt. En zoals je zei de middag
viel; alleen wat helder ogenlicht. Geef mij
dit terug, een tijd die zonder angstval in mij lag.

Er komt weer regen over de rivier, koude
stedenlucht. Men leeft, beweging is alom
en verder gaan de dingen weer als lang geleden.

Je weet, ik ben een beetje angstig voor
mijn leven. Ik denk steeds vaker dat de som
van alles zinvol is. Misschien om wat wij deden.

Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015)
In 1980


De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.

Uit: A Hoarse Half-Human Cheer

“Open up in the name of the law,” Knox said.
The tube delivered a laugh. “Oh, the cops again? Always welcome.”
The door buzzed and unlatched and they stepped into a long narrow hall heavy with stale tobacco smoke. It led to a parlor that had three loveseats and two big mohair couches. Red velvet wallpaper, a painting of a nymph pursued by a satyr, and perched in the middle of a coffee table, a punchboard from the Children’s Crusade.
A friz-haired blonde in an abbreviated purple dress occupied one of the loveseats with a patron, a plump sixtyish man in a striped business suit, dangling a gold watch chain, resting an affectionate hand on her nearer knee. They were sharing a drink out of a lipsticked glass. On a couch a kid Moon’s age and a middle-aged man in a lumberjack shirt were sitting. The kid was scrawny with pipe-stem arms and legs and a cap that said CAPTAIN MARVEL. A young woman, wearing short shorts and a rabbit-fur vest that hung open over her breasts, stood leaning against a wall, smoking sullenly.
An imposing matron with prominent jowls, double chins, handsome once, in a gold evening gown and a necklace with a facsimile of the Star of India, cruised up to them and greeted the cop like a long lost brother.
“Why, Officer Branigan, where you been keeping yourself? Getting it at home for a change? Say, I got you a new Latina named Dolores—”
Branigan’s face turned a darker red. With a toss of his head he indicated Knox. “Listen, Diane,” he said under his breath, “you don’t know me. This is an official call.”
“What you giving me?” the Madame shrilled. “I don’t need any more official calls. I already gave to Sergeant Fitzroy for the Police Social Fund. Who’s your friends?”
Moon stood gazing at the young woman against the wall. She looked sulky, resentful. His thumb revolved in his secret gesture of tribute, drawing an imaginary circle around her face.
Knox poked him with an elbow. “Don’t get any ideas.”
Looking at Aisling, the madam said to Knox, “My God, that’s a beautiful woman you’ve got with you.”
“Thanks,” Aisling said. She turned on a winning smile.
“Suppose I wanted a job with you. What’s the salary like?

X.J. Kennedy (Dover, 21 augustus 1929)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Robert Stone wed geboren op 21 augustus 1937 in New York. Zie ook alle tags voor Robert Stone op dit blog.

Uit: Dog Soldiers

“She supposed that she had meant it to. “Please,” Gerald said quickly. Jody looked uncertain. “I don’t know. Would it go?” “I think we should have a drink,” Gerald said. Marge moved the backpack with the pistols in it to the far edge of the bed and brought Gerald the bottle of Wild Turkey. “I’m afraid there aren’t any glasses.” “That’s all right,” Gerald said. He held the bottle toward the light, examining the texture of the whiskey. “Very fine stuff.” He took three large swallows and passed the bottle to his wife. Jody drank from it grimly. “Do you?” she asked Marge inclining the bottle. Marge took it and drank. For some reason it tasted sweet to her, like sherry. “Are you an addict?” Jody asked. “Certainly,” Marge said. Jody smiled intelligently. “No. Really.” “I don’t know if I am or not.” “Doesn’t that usually mean you are?” Marge shrugged. “How about him,” Gerald asked. “Is he?” “No.” “Aren’t there some funny moral areas there?” Jody asked. “I guess it depends on your sense of humor,” Marge said. Gerald had another drink. “We’re not here to judge,” he said. “There’s such a thing as personal necessity. Maybe it’s beyond moral areas.” Marge found that the liquor made her eyes ache. She closed them against the light, and leaned back on the pil-lows. She had already been told to shut up.
“You must be a terrific writer,” she said. Hicks and Eddie Peace huddled against the dark wall of the last bungalow. Eddie hugged his shoulders, his back to the wind. “Ridiculous,” Hicks said. “Ridiculous bullshit.” “I thought you’d be amused for Christ’s sake.” “Amused?” Hicks shivered. “You got a lot of nerve. What happened to the Englishman?” “I got news for you,” Eddie said, “your shit has a bad rap.” “Then there’s a misunderstanding.” “I don’t think so,” Eddie said. Hicks ran a hand over his hair. “Then get those assholes out of here.” Eddie shook his head in impatience. “You don’t understand, Raymond, that’s the misunder-standing. You don’t know how things work here. This guy has just been paid an absurd figure. His wife is an heiresS. I tell you these people have no conception of money.” “You’re the con man,” Hicks said, “not me. I’ve got qual-ity shit to sell — why do I want this insanity?” “Raymond,” Eddie said, “Raymond, try and learn some-thing. I deliver this goof into your hands.” He reached out, took Hicks’ right hand and squeezed it. “He’s a nice fella. He’s very polite.” “I don’t know what you’re talking about.” “Then you’re stupid, Raymond. I tell you your shit is a no-no around here. I’ll give you six thousand for what you can give me. And with a little imagination you can screw Gerald for a lot more. Listen, it would wipe you out what I’ve got working with those two. The guy is scared shit-less — even if he doesn’t know it yet. He’s gotta be dis-creet.” “You’ll give me what?” Hicks said. “What’s that figure again?” He put his hand on Eddie’s shoulder. “You just take it easy,” Eddie said.

Robert Stone (21 augustus 1937 – 10 januari 2015)


De Engelse dichter, schrijver en illustrator Aubrey Vincent Beardsley werd geboren op 21 augustus 1872 in Brighton. Zie ook alle tags voor Aubrey Bewardsley op dit blog.

Uit: Arthur Symons. A memoir (Aubrey Beardsley)

“This clear, unemotional intellect, emotional only in the perhaps highest sense, where emotion almost ceases to be recognisable, in the abstract, for ideas, for lines, left him, with all his interests in life, with all his sociability, of a sort, essentially very lonely. Many people were devoted to him, but he had, I think, scarcely a friend, in the fullest sense of the word ; and I doubt if there were more than one or two people for whom he felt any real affection. In spite of constant ill-health, he had an astonishing tranquillity of nerves ; and it was doubtless that rare quality which kept him, after all, alive so long. How far he had deliberately acquired command over his nerves and his emotions, as he deliberately acquired command over his brain and hand, I do not know. But there it certainly was, one of the bewildering characteristics of so contradictory a temperament.
One of his poses, as people say, one of those things, that is, in which he was most sincere, was his care in outwardly conforming to the conventions which make for elegance and restraint ; his necessity of dressing well, of showing no sign of the professional artist. ; He had a great contempt for, what seemed to inferior craftsmen, inspiration, for what I have elsewhere called the plenary inspiration of first thoughts; and he hated the outward and visible signs of an inward yeastiness and incoherency. It amused him to denounce everything, certainly, which Baudelaire would have denounced ; and, along with some mere ganiinerie, there was a very serious and adequate theory of art at the back of all his destructive criticisms. It was a profound thing which he said to a friend of mine who asked him whether he ever saw visions : ” No,” he replied, *’ I do not allow myself to see them except on paper.” All his art is in that phrase.
And he attained, to the full, one certainly of his many desires, and that one, perhaps, of which he was most keenly or most continuously conscious : contemporary fame, the fame of a popular singer or a professional beauty, the fame of Yvette Guilbert or of Cleo de Mdrode. . And there was logic in his insistence on this point, in his eagerness after immediate and clamorous success. Others might have waited ; he knew that he had not the time to wait._ After all, posthumous fame is not a very cheering prospect to look forward to, on the part of those who have worked without recompense, if the pleasure or the relief of work is not enough in itself. Every artist has his own secret, beyond the obvious one, of why he works.”

Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 – 16 maart 1898)
Zelfpotret


De Duitse schrijver Pete Smith werd op 21 augustus 1960 in Soest (Westfalen) geboren. Zie ook ook alle tags voor Pete Smith op dit blog.

Uit: Arm sind die anderen

„Mama stahl sich ausgerechnet in der Nacht aus unserem Leben, in der ich mit meinem Freund Agi durchs Bahnhofs-viertel streifte, eine Nacht wie ein Traum, der sich lautlos heranschleicht, aufregend und fiebrig, eine Nacht, die man nie vergisst, weil sie nie endet, die längste, die dunkelste Nacht meines Lebens.
Wenn ich die Augen schließe, sehe ich als erstes den Schnee. Flocken, die zu Boden schweben, die herum-wirbeln und miteinander verschmelzen, die aufleuchten und verblassen, die vor dem grauen Himmel tanzen und vor dem Weiß der Fassaden verschwinden. Der Platz vor unserem Hochhaus, die Straßen, die Vorgärten, die Büsche und Bäume, die parkenden Autos, der Müll — alles lag unter einer dicken, weißen Decke begraben. Auf der Wiese zwi-schen unseren Häusern thronte ein gigantischer Schnee-mann, dem irgendein Witzbold einen ebenso gigantischen Ständer verpasst hatte. Am Rande der Gehwege warfen die Räumfahrzeuge meterhohe Schneegebirge auf. Einen abseits gelegenen Hügel hatten die Zwillinge aus dem drit-ten Stock festgestampft und ausgehöhlt — seitdem krochen sie jeden Abend in ihre Höhle, um sich vor ihrem besoffe-nen Alten zu verstecken.
Es war die Nacht vor Heiligabend. Seit fünf Tagen schon schneite es ohne Unterlass. Die Zeitungen würden später von einem Jahrhundertwinter schreiben, dabei waren vom Jahrhundert erst zwei Jahrzehnte vergangen. Ich stand am Küchenfenster und sah hinunter und überlegte, über die weiße Wiese zu stapfen, um einmal im Leben der erste zu sein. Wie lange würde es dauern, bis meine Spur unter neuem Schnee verschwand?
Gegen Winterromantik und weiße Weihnacht und die Schwermut der Verlierer am Ende eines Jahres bin ich im-mun. Aber in dieser Nacht …
Ich sah hinaus und hoffte, dass irgendetwas geschah. Ein Wunder oder ein Unglück, ein Anfang oder ein Ende, gleich was, Hauptsache, wir würden auch morgen noch darüber sprechen oder besser sogar noch im nächsten Jahr. Die Stille wuchs, eine eisige Kälte breitete sich in mir aus und mit ihr das dumpfe Gefühl einer Bedrohung, ich hielt die Luft an, wartete, doch nichts geschah.“

Pete Smith (Soest, 21 augustus 1960)


De Franse schrijver, scenarioschrijver, documentairemaker, filmer en politicus  Frédéric Mitterrand werd geboren op 21 augustus 1947 in Parijs. Zie ook alle tags voor Frédéric Mitterand op dit blog.

Uit: La Mauvaise vie

« Quand l’un des serveurs vient leur glisser à l’oreille qu’ils ont été choisis, ils cochent une petite case sur un tableau avant de se diriger vers le bar d’un air parfaitement dégagé et les autres garçons se gardent poliment de commenter la transaction qui s’ébauche. La direction relève sans doute le carnet de notes mural avant la fermeture. Une fois que la réservation a été confirmée, après une présentation qui s’éternise rarement, le garçon se rhabille prestement en coulisses, et revient ; il n’y a plus qu’à régler les consommations, la commission au club due par le client et à sortir au milieu des courbettes, des marionnettes grimaçantes qui font office de loufiats et lancent d’une voix suraiguë : Good night sire, see you again. On peut prendre deux garçons, ou même plusieurs, aucune objection puisque la réponse est toujours : I want you happy. Contrairement à une assertion généralement colportée il y a peu de ruines sexuelles occidentales parmi le public, la clientèle est en majorité locale, d’âge moyen, bien convenable et sort en bande légèrement arrosée au whisky-Coca. Les quelques naufragés à peau blanche du Spartacus font plutôt tache dans l’ensemble mais il est vrai aussi qu’on leur propose les meilleures tables.
Evidemment, j’ai lu ce qu’on a pu écrire sur le commerce des garçons d’ici et vu quantité de films et de reportages ; malgré ma méfiance à l’égard de la duplicité des médias je sais ce qu’il y a de vrai dans leurs enquêtes à sensation ; l’inconscience ou l’âpreté de la plupart des familles, la misère ambiante, le maquereautage généralisé où crapahutent la pègre et les ripoux, les montagnes de dollars que cela rapporte quand les gosses n’en retirent que des miettes, la drogue qui fait des ravages et les enchaîne, les maladies, les détails sordides de tout ce trafic.
Je m’arrange avec une bonne dose de lâcheté ordinaire, je casse le marché pour étouffer mes scrupules, je me fais des romans, je mets du sentiment partout ; je n’arrête pas d’y penser mais cela ne m’empêche pas d’y retourner. Tous ces rituels de foire aux éphèbes, de marché aux esclaves m’excitent énormément. La lumière est moche, la musique tape sur les nerfs, les shows sont sinistres et on pourrait juger qu’un tel spectacle, abominable d’un point de vue moral, est aussi d’une vulgarité repoussante. Mais il me plaît au-delà du raisonnable. La profusion de garçons très attrayants, et immédiatement disponibles, me met dans un état de désir que je n’ai plus besoin de refréner ou d’occulter. L’argent et le sexe, je suis au cœur de mon système ; celui qui fonctionne enfin car je sais qu’on ne me refusera pas. Je peux évaluer, imaginer, me raconter des histoires en fonction de chaque garçon ; ils sont là pour ça et moi aussi. Je peux enfin choisir. J’ai ce que je n’ai jamais eu, j’ai le choix ; la seule chose que l’on attend de moi, sans me brusquer, sans m’imposer quoi que ce soit, c’est de choisir. Je n’ai pas d’autre compte à régler que d’aligner mes bahts, et je suis libre, absolument libre de jouer avec mon désir et de choisir.”

Frédéric Mitterrand (Parijs, 21 augustus 1947)

 

De Zwitserse schrijver, dramaturg en redacteur Lukas Holliger werd geboren op 21 augustus 1971 in Basel. Zie ook alle tags voor Lukas Holliger op dit blog.

Uit: Glas im Bauch

“Scheibenwischer

Die Drahtspange mit dem Gummibelag streift unaufhörlich das Wasser vom Glas. Zwei solche Spangen sind es, die sich an gegenüberliegenden Stellen um ihre Endpunkte drehen und mit den äußeren Spitzen Halbkreise beschreiben. Nur die Flächen innerhalb der Halbkreise werden vom Wasser befreit, und diese Flächen überschneiden sich. Abwechselnd fahren die Scheibenwischer durch die Schnittmenge, spritzen das mitgebrachte Wasser ins Revier des Nachbarn, der es, um eigenes Wasser ergänzt, zurückwirft. So winken beide nach links und nach rechts und spielen sich jedes Mal den Regen zu, zerstören jedes Mal den Halbkreis des Partners. Das Wimmern des Gummis ist im Wageninnern nur abgeschwächt zu hören. Kupplung, Cas-und Bremspedal tragen den Schmutz von Wanderschuhen. Auf dem Rücksitz eine Hundedecke. Alle Fenster-scheiben sind hochgekurbelt, die Knöpfe auf den geschlossenen Türflügeln heruntergedrückt. Der offene Aschenbecher wartet auf Asche. Der Geschwindigkeitszeiger liegt unter der Null. Nur die Scheibenwischer streiten weiter, schieben das Regenwasser hin und her und der Regenschauer wird grob, trommelt aufs Karosseriedach. Die Außenwelt verschwimmt. Die Wischer verlieren die Herrschaft über ihre Halbkreise, zerhacken sich trotzdem weiterhin die Grenzlinien. Die Schritte meines Vaters nähern sich über dem Kies. Seine Gestalt verdunkelt das Wageninnere, beugt sich über die Fahrertür, reißt sie auf. Der Regen wird echt. Viel zu viel Wind drängelt sich durch die offene Fahrertür, das Wasser erreicht den Rücksitz, meine Beine. Der Motor startet, die Scheinwerfer blenden das fallende Wasser. Mein Vater erwischt mich im Rückspiegel und die Scheibenwischer turnen zwei Stufen schneller““ .

Lukas Holliger (Basel, 21 augustus 1971)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Elisabeth Alexander werd geboren op 21 augustus 1922 in Linz am Rhein. Zie ook alle tags voor Elisabeth Alexander op dit blog.

De foto

Het allerbelangrijkste
is de nagel
bij ontbreken
valt de kunst.

 

Sekt

Ook Duitse
prikkelt
is niet zo duur
en tenslotte
kun je achteraf
immers
vrijen op zijn Frans


Vertaald door Frans Roumen

Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)
Linz


De Russische dichter Gennadi Ajgi werd geboren op 21 augustus 1934 in het dorpje Sjajmoerzjino in de Tsjoewasjische republiek, aan de Wolga, 400 km ten oosten van Moskou. Zie ook alle tags voor Gennadi Aigi op dit blog.

Dag

en weer
die dromen in asfaltglans
nu eens van heuvels in gloed dan uitholling in zwart
als een vonkende vloedgolf
enormgrote kringen in
een oeverloze zee kikkerdril

en overdag verandert de asfaltarena
in iets dat veel lijkt op
toneelstellages uit Shakespeare’s tijden

en achter elke lantaarnpaal schemeren
bergen en rivieren – en vuurtorens

en reeds wordt stad tot zee
en sneeuwhopen, ijspegels, smeltwaterplassen
zijn niet anders dan de kammen
van een onzichtbare zee

en die zee is onstuimig door
sporen van auto’s – sleetjes – overschoenen
en de jaarlijkse vervlechting
van al die sporen, van alle tekens
wordt tot de deining van
een Stad-Zee

 

Mijn eigen

Ik moet
met mijn lippen
de grenzeloosheid van haar ogen bereiken
en mij dan verbazen over de nauw merkbare klop
in de aderen van het onderste ooglid
en begrijpen dat dit door hun doorzichtigheid komt
en hun onlichamelijkheid
zo licht en zo smartelijk
zijn die ogen die bijna niet trillen

en ik zal van haar houden met handen en lippen
en met mijn zwijgen en droom en de straten van mijn gedichten
en met de leugen – voor staten
en met de waarheid – voor leven

en met de perrons van alle spoorwegstations
waar ik eens voor het laatst zal verwijlen
voor een blik op de hete en zwarte ruggen
van locomotieven op rangeerterreinen

en haar laat ik over aan
in de rij staande mensen, aan toevluchtsoorden
in Siberië van kleine vreselijke steden
en van haar ga ik weg en voor goed

naar het slachthuis der mensen
van de eeuw ook die van mij…

Vertaald door Charles B. Timmer

Gennadi Ajgi (21 augustus 1934 – 21 februari 2006)


Zie voor nog meer schrijvers van de 21e augustus ook mijn blog van 21 augustus 2016 en ook mijn blog van 21 augustus 2016 deel 2.

Anneke Brassinga, Etgar Keret, Alfred Birney, James Rollins, Arno Surminski, Maren Winter, Edgar Guest, Charles de Coster, Tarjei Vesaas

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog.

Heen

In de hondsdagen versterft het wilde gezang.
Bij de kom in het gras is de merel komen drinken
vier lange teugen voor hij weer vloog –
wat leeft, leeft van schrik en beven.

Ik ken iemand; hij ligt in zijn groene graf,
het is nog vers. Hij zwijgt daar
als de schuwe vogel die hij altijd was.

Ook ik ben nog nooit zo stil geweest.
Er is beangstigend weinig te vrezen.

De zomer weelderig, de warme aarde
rustplaats waar overal
schaduwen lijken te groeien uit stralende zon.

 

Elementa

Als ieder ogenblik een ongekend begin is
van nasleep die pas over eeuwen
licht zal werpen op dit nu –

zijn de bekende woorden sterrenschijnsel,
amechtig arriverend, veel te laat.
Waar kunnen we dan nog over praten?

Alleen de lokstem van het water zwatelt
in strikt hedendaagse taal, geen touw
aan vast te knopen; zeker niet

op het razende tijdstip van je verschuimen
in een onophoudelijk liggen gaande
onophoudelijk weer opstekende storm.

 

Stof

Zo mooi is het om gedichten te schrijven
’s nachts als de dagtaak af is en iedereen
die bij de Nederlandsche Bank werkt al slaapt;
het is donker, dat spreekt, en ook stil,
in mijn hoofd suist het van woorden, woorden,
mijn vingers zijn hard van de schrijfmasjien.
De versterker kreunt na: laatste zenders
geven gruis. Het is nacht, maar de bomen blijven
staan. Dat denk ik althans; en ik denk aan alles
dat plaatsvindt, tot stuiven de overhand neemt.

Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 


De Israëlische schrijver Etgar Keret werd geboren op 20 augustus 1967 in Ramat Gan. Zie ook alle tags voor Etgar Keret op dit blog.

Uit: Suddenly, a Knock on the Door

“Tell me a story,” the bearded man sitting on my living-room sofa commands. The situation, I must admit, is anything but pleasant. I’m someone who writes stories, not someone who tells them. And even that isn’t something I do on demand. The last time anyone asked me to tell him a story, it was my son. That was a year ago. I told him something about a fairy and a ferret—I don’t even remember what exactly—and within two minutes he was fast asleep. But here the situation is fundamentally different. Because my son doesn’t have a beard, or a pistol. Because my son asked for the story nicely, and this man is simply trying to rob me of it.
I try to explain to the bearded man that if he puts his pistol away it will only work in his favor, in our favor. It’s hard to think up a story with the barrel of a loaded pistol pointed at your head. But the guy insists. “In this country,” he explains, “if you want something, you have to use force.” He just got here from Sweden, and in Sweden it’s completely different. Over there, if you want something, you ask politely, and most of the time you get it. But not in the stifling, sultry Middle East. All it takes is a single week around here to figure out how things work—or rather, how things don’t work. The Palestinians asked for a state, nicely. Did they get one? The hell they did. So they switched to blowing up kids on buses, and people started listening. The settlers wanted a dialogue. Did anyone pick up on it? No way. So they started getting physical, pouring hot oil on the border patrolmen, and suddenly they had an audience. In this country, might makes right, and it doesn’t matter if it’s about politics or economics or a parking space. Brute force is the only language we understand.
Sweden, the place the bearded guy made aliya from, is progressive, and is way up there in quite a few areas. Sweden isn’t just ABBA or IKEA or the Nobel Prize. Sweden is a world unto itself, and whatever they have, they got by peaceful means. In Sweden, if he’d gone to the Ace of Base soloist, knocked on her door and asked her to sing for him, she’d invite him in and make him a cup of tea. Then she’d have pulled out her acoustic guitar from under the bed and and play for him. And all this, with a smile. But here? I mean, if he hadn’t been flashing a pistol I’d have thrown him right out. Look, I try to reason. “Look yourself,” the bearded guy grumbles, and cocks his pistol. “It’s either a story or a bullet between the eyes.”

Etgar Keret (Ramat Gan, 20 augustus 1967)

 

De Amerikaanse schrijver James Rollins (pseudoniem van James Paul Czajkowski) werd geboren in Chicago op 20 augustus 1961. Zie ook alle tags voor James Rollins op dit blog.

 Uit: The Doomsday Key:

“Spring, 1086 England
The ravens were the first sign. As the horse-drawn wagon traveled down the rutted track between rolling fields of barley, a flock of ravens rose up in a black wash. They hurled themselves into the blue of the morning and swept high in a panicked rout, but this was more than the usual startled flight. The ravens wheeled and swooped, tumbled and flapped. Over the road, they crashed into each other and rained down out of the skies. Small bodies struck the road, breaking wing and beak. They twitched in the ruts. Wings fluttered weakly. But most disturbing was the silence of it all. No caws, no screams. Just the frantic beat of wing—then the soft impact of feathered bodies on the hard dirt and broken stone. The wagon’s driver crossed himself and slowed the cart. His heavy-lidded eyes watched the
These last were closer to the truth than anyone suspected. Martin had read the wax-sealed letter. He’d observed that lone scribe painstakingly recording the results of the royal commissioners in the great book, and at the end, he’d watched the scholar scratch a single word in Latin, in red ink.
Vastare.
Wasted.
Many regions were marked with this word, indicating lands that had been laid waste by war or pillage. But two entries had been inscribed entirely in crimson ink. One described a desolate island that lay between the coast of Ireland and the English shore. Martin approached the other place now, ordered here to investigate at the behest of the king. He had been sworn to secrecy and given three men to assist him. They trailed behind the wagon on their own horses. At Martin’s side, the driver twitched the reins and encouraged the draft horse, a monstrously huge chestnut, to a faster clop. As they continued forward, the wheels of the wagon drove over the twitching bodies of the ravens, crushing bones and splattering blood.”

James Rollins (Chicago, 20 augustus 1961)


De Nederlandse schrijver, essayist en columnist Alfred Alexander Birney werd geboren in Den Haag op 20 augustus 1951. Zie ook alle tags voor Alfred Birney op dit blog.

Uit: De tolk van Java

“Gitaar en schrijfmachine

Als jongeman zag mijn vader in Soerabaja de ‘vliegende sigaren’ van de Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage in dienst van her zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten Austr-lische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren, hij zag Punjabisoldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de Birmaspoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hirte van de Javaanse Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa’•, hij zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun eenvoudige huisjes uit rennen en overhoopgeschoten worden, hij leerde schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling achter wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de hard.nekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van honderd gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station Wonokrorno en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit zesenveertig lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij vond een Indo-vriend* terug die zichzelf voor de kop had geschoten nadat hij had ontdekt dat zijn meisje niet een Hollandse soldaat het bed had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap* jongens af met wie hij nog een appeltje le schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak. Of ben je dat laatste vergeten, Pa, omdat je het misschien verzonnen had?”

Alfred Birney (Den Haag, 20 augustus 1951)


De Duitse schrijfster Maren Winter werd geboren op 20 augustus 1961 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Maren Winter op dit blog.

Uit: Das Lied des Glockenspielers

„An den Prähmen, den Schwimmstegen vor dem Ufer, konnten je drei Segler gleichzeitig anlegen, und normalerweise war genügend Stapelfläche für ihre Fracht vorhanden. Nicht jedoch, wenn Görgen von Kortholt dort die Befehle gab. Der drahtige Alte fuchtelte mit seinen Listen, rief scharf nach Gütern, die im Schiffsrumpf hinter allem anderen gelagert waren, und verlangte im nächsten Moment nach dem, was eben noch vorne gestanden hatte. Seine Kästen, Ballen und Fässer verteilten sich bald überall auf dem gesamten Steg, sodass für die Lasten weiterer Schiffe kein Durchkommen mehr blieb. Dadurch wurden Görgens Güter immer als Erstes auf die Wagen geladen, was ihm einen erheblichen Zeitvorteil verschaffte. Liron beschäftigte die Anwesenheit des Kaufmanns aber aus ganz anderen Gründen. Görgen von Kortholt war als Ratsherr auch Vorsteher von St. Marien. Er regierte über Kantor, Organist und Glöckner der bedeutenden Kirche, die alle Laute der Schöpfung in sich zu bergen schien und in minutenlangem Nachhall zu immer neuen Klängen verwob. Einmal war Liron dem Kaufmann schon so nahe gekommen, dass er ihn hätte berühren können. Wenn es nur eine Möglichkeit gäbe, ihn auf sich aufmerksam zu machen. «Beachtlich, dass der alte Pfeffersack bei diesem Wetter zum Hafen kommt», sagte er. «Nee, nee», brummte Eggert, «ich meine nicht den Alten, ich rede vom Junior, vom Sohn.» Lirons Interesse nahm deutlich ab. Er ruckte sein Fass zurecht und trat vorsichtig auf die Planke, die zum Steg hinunterführte. Das Holz war glatt, denn seit dem Morgen nieselte es schon. Wenigstens war die glitschige Schicht heute nicht gefroren. Er war erst wenige Schritte balanciert, als der schleppende Tross ins Stocken geriet. Zurück konnte Liron nicht mehr, und das schwankende Laufbrett war viel zu schmal, um das Fass darauf abzusetzen. Soweit es ihm in der gebückten Haltung möglich war, hob er den Kopf und spähte an den anderen Männern vorbei zum Prahm hinüber. Da stand er, der junge Thiedemann von Kortholt, in aufrechter Haltung, als ob er einem Maler Modell stehen würde. Seine Rechte ruhte auf dem Degen, in der Linken hielt er einen Federhut.“

Maren Winter (Lübeck, 20 augustus 1961)


De Duitse schrijver Arno Surminski werd geboren op 20 augustus 1934 in Jäglack in Oostpruisen. Zie ook alle tags voor Arno Surminski op dit blog.

Uit: Vaterland ohne Väter

„Im Dezember 1944 brauchten die Königsberger keine Rußlandkarten mehr.
Ich hefte die Karte mit Stecknadeln an die Wand über meinem Schreibtisch. Ein Riesenraum öffnet sich, ein Tor springt auf, Schnee weht mir ins Gesicht, Bäume brechen unter der weißen Last, Kälte strömt mir entgegen. Vor mir eine weiße Landschaft, in der wie Strichmännchen feldgraue Figuren umherirren. Ich entdecke schwarze und rote Linien, Kreuze, die so aussehen, als ständen sie auf Gräbern. Und die Kreise nicht zu vergessen, sie markieren die Kessel. “In den Kesseln faulte das Wasser”, sang mein Vater, als er marschierte. Ganz unten rechts finde ich Stalingrad, ein unerhört ferner Ort, fast könnte man denken, er gehöre nicht zu Europa. Die Stadt Leningrad links oben hat auch ihren Namen verloren. Nur Moskau ist geblieben. Ich entdecke Nadelstiche im alten Papier. Da steckten die Siegesfähnchen mit dem Hakenkreuz. Um Stalingrad bilden viele Nadelstiche einen Kreis, das war der Kessel … Wanderer, kommst du nach Sparta …
Aus den Briefen des Walter Pusch fällt ein verblichenes Foto. Es zeigt drei vermummte Männer in den damals üblichen Uniformen, dahinter eine Schneelandschaft wie in meinem Garten. Ein schwarzweißes Bild, aber doch mehr Weiß. Schwarz sind nur die Männer und das Ungetüm von Kanone im Hintergrund. Auf die Rückseite hat Walter Pusch geschrieben:
Drei Kameraden mit Kanone im Wald bei Orscha: Rosen, Godewind und ich.
Die Reihenfolge hat er nicht angegeben. Wie soll ich herausfinden, wer von ihnen mein Vater ist? Etwa der Kleine in der Mitte? Niemand hat mir gesagt, ob mein Vater groß oder klein war, ob er schwarzes Haar trug oder blondes. Und seine Augen, waren sie blau oder braun?“

Arno Surminski (Jäglack, 20 augustus 1934)
Cover

 

De Engelse dichter Edgar Albert Guest werd geboren op 20 augustus 1881 in Birmingham, Engeland. Zie ook alle tags voor Edgar Guest op dit blog.

He’s Taken Out His Papers

He’s taken out his papers, an’ he’s just like you an’ me.
He’s sworn to love the Stars and Stripes an’ die for it, says he.
An’ he’s done with dukes an’ princes, an’ he’s done with kings an’ queens,
An’ he’s pledged himself to freedom, for he knows what freedom means.

He’s bought himself a bit of ground, an’, Lord, he’s proud an’ glad!
For in the land he came from that is what he never had.
Now his kids can beat his writin’, an’ they’re readin’ books, says he,
That the children in his country never get a chance to see.

He’s taken out his papers, an’ he’s prouder than a king:
‘It means a lot to me,’ says he, ‘just like the breath o’ spring,
For a new life lies before us; we’ve got hope an’ faith an’ cheer;
We can face the future bravely, an’ our kids don’t need to fear.’

He’s taken out his papers, an’ his step is light to-day,
For a load is off his shoulders an’ he treads an easier way;
An’ he’ll tell you, if you ask him, so that you can understand,
Just what freedom means to people who have known some other land.

 

The Common Joys

THESE joys are free to all who live
The rich and poor, the great and low:
The charms which kindness has to give,
The smiles which friendship may bestow,
The honor of a well-spent life,
The glory of a purpose true,
High courage in the stress of strife,
And peace when every task is through.

Nor class nor caste nor race nor creed,
Nor greater might can take away
The splendor of an honest deed.
Who nobly serves from day to day
Shall walk the road of life with pride,
With friends who recognize his worth,
For never are these joys denied
Unto the humblest man on earth.

Not all may rise to world-wide fame,
Not all may gather fortune’s gold,
Not all life’s luxuries may claim;
In differing ways success is told.
But all may know the peace of mind
Which comes from service brave and true;
The poorest man can still be kind,
And nobly live till life is through.

These joys abound for one and all:
The pride of fearing no man’s scorn,
Of standing firm, where others fall,
Of bearing well what must be borne.
He that shall do an honest deed
Shall win an honest deed’s rewards;
For these, no matter race or creed,
Life unto every man affords.

Edgar Guest (20 augustus 1881 – 5 augustus 1959)


De Noorse dichter en schrijver Tarjei Vesaas werd geboren in in Vinje, Telemark op 20 augustus 1897. Zie ook alle tags voor Tarjei Vesaas op dit blog.

A Freed Channel

A freed channel
opened out in the frozen heart.
The ice melted at a warm word
and the water lay still and black
with new breath.

Overhead the wires sang
in a daring tension
between unlike minds,
a wide arc
in the pale blue.

All sorts of cold fish
darted to and fro
and stared.
But the still black water waited
impatiently,
and the first boat also appeared
as if from itself,
its painting peeling from the sides
after the winter,
and the water and the boat spoke quietly
together
about life’s blissful moments.

Vertaald door Anthony Barnett

Tarjei Vesaas (20 augustus 1897 – 15 maart 1970)

 

De Belgische schrijver Charles de Coster werd geboren in München op 20 augustus 1827. Zie ook alle tags voor Charles de Coster op dit blog.

 Uit: De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

“Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het vergif, met eene gouden schaal, zoo groot als eene hazelnoot. Mevrouw de Chauffade bond aan een zijden draadje dat hem op de maag hing, eene schelp, wolfsmuil geheeten, voor de goede spijsvertering; messire van den Steen van Vlaanderen bood hem eene Gentsche worst aan, van vijf ellebogen lang en een halven dik, daarbij wenschte hij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid dat hij, alleen op den reuk van de worst, dorst kreeg naar Gentschen klauwaart, mits al wie het bier eener stad lustte, sprak hij, de brouwers niet haten kon; messire schildknaap Jacob Christoffel van Castilië bad Zijne Hoogheid den Infant groenen jaspis aan zijne doorluchtige voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de Paepe, de nar, die daar was, sprak toen:
– Messire, geef hem liever den horen van Josuah, bij wiens geschal al de steden voor hem zullen beginnen loopen, met kuip, met huizen, met inwoners, mannen, vrouwlieden en kinderen, om alles van plaats te verzetten. Want Zijne Hoogheid moet niet leeren loopen, maar wel de anderen doen loopen.
De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, die heer van Veere, in Zeeland was, schonk aan Z.H. Philips eenen steen die de eigenschap had, naar zij zegde, de mannen verliefd en de vrouwen ontroostbaar te maken.
Maar de infant schreide zonder ophouden.
Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak een wisschen klater met belletjes in de hand van zijn zoon, deed Uilenspiegel op zijne hand dansen en sprak: ‘Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes op uw kaproen, mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld’.
En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.”

Charles de Coster (20 augustus 1827 – 7 mei 1879)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e augustus ook mijn blog van 20 augustus 2017 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Jonathan Coe, Li-Young Lee, Frederik Lucien De Laere, Marion Pauw, Louis Th. Lehmann, Ogden Nash, Frank McCourt, John Dryden, Samuel Richardson, Matt Harvey

De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Zie ook alle tags voor Jonathan Coe op dit blog.

Uit: The House of Sleep

“The
name had been pronounced in a tone of tired incredulity, by a woman who was holding a glass of apple juice in one hand, and a half-smoked cigarette in the other. She had short, jet-black hair, a prominent jaw
and lively dark eyes. Sarah recognized her, vaguely, from previous visits to the Cafe Valladon, but did not know her name. She was later to find out that it was Veronica.

‘That’s just so typical,’ the woman added: then closed her eyes as she puffed on her cigarette. She was smiling, perhaps taking the argument less seriously than the thin, pasty, earnest-looking student sitting opposite her.
‘People who don’t know anything about theatre,’ Veronica continued, ‘always talk about Pinter as if he’s one of the greats.’
‘OK,’ said the student. ‘I agree that he’s overrated. I agree with that. That’s exactly what proves my point.’
‘It proves your point?’
‘The British postwar theatrical tradition,’ said the student, ‘is so … etiolated, that –‘
‘Excuse me?’ said an Australian voice next to him. ‘What was that word?’
‘Etiolated,’ said the student. ‘So etiolated, that there’s only one figure who –‘
‘Etiolated?’ said the Australian.
‘Don’t worry about it,’ said Veronica, her smile broadening. ‘He’s just trying to impress us.’
‘What does it mean?’
‘Look
it up in the dictionary,’ snapped the student. ‘My point is, that there’s only one figure in postwar British theatre with a claim to any kind of stature, and even he is overrated. Massively overrated. Ergo,
the theatre is finished.’

‘Ergo?’ said the Australian.
‘It’s over. It has nothing to offer. It has no part to play in contemporary culture, in this country, or in any other country.’
‘So what — you’re saying that I’m wasting my time?’ Veronica asked. ‘That I’m out of tune with the whole … Zeitgeist?’
‘Absolutely. You should change courses at once: to film studies.’
‘Like you.’
‘Like me.’
‘Well,
that’s interesting,’ said Veronica. ‘I mean, just look at the assumptions you’re making. For one thing, you assume that just because I’m interested in the theatre, I must be studying it. Wrong: I’m doing economics. And then, this whole conviction of yours that you’re in possession of some kind of absolute truth: I … well, I find that a very male quality, is all I can say.’

 

Jonathan Coe (Birmingham, 19 augustus 1961)

 

De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Zie ook alle tags voor Li-Young Lee op dit blog.

 

Visions And Interpretations

Because this graveyard is a hill,
I must climb up to see my dead,
stopping once midway to rest
beside this tree.

It was here, between the anticipation
of exhaustion, and exhaustion,
between vale and peak,
my father came down to me

and we climbed arm in arm to the top.
He cradled the bouquet I’d brought,
and 1, a good son, never mentioned his grave,
erect like a door behind him.

And it was here, one summer day, I sat down
to read an old book. When I looked up
from the noon-lit page, I saw a vision
of a world about to come, and a world about to go.

Truth is, I’ve not seen my father
since he died, and, no, the dead
do not walk arm in arm with me.

If I carry flowers to them, I do so without their help,
the blossoms not always bright, torch-like,
but often heavy as sodden newspaper.

Truth is, I came here with my son one day,
and we rested against this tree,
and I fell asleep, and dreamed

a dream which, upon my boy waking me, I told.
Neither of us understood.
Then we went up.

Even this is not accurate.
Let me begin again:

Between two griefs, a tree.
Between my hands, white chrysanthemums, yellow
chrysanthemums.

The old book I finished reading
I’ve since read again and again.

And what was far grows near,
and what is near grows more dear,

and all of my visions and interpretations
depend on what I see,

and between my eyes is always
the rain, the migrant rain.

 

One Heart

Look at the birds. Even flying
is born

out of nothing. The first sky
is inside you, open

at either end of day.
The work of wings
was always freedom, fastening
one heart to every falling thing.

 

Li-Young Lee (Jakarta, 19 augustus 1957)

 

 
De Vlaamse dichter Frederik Lucien De Laere werd geboren in Brugge op 19 augustus 1971. Zie ook alle tags voor Frederik Lucien De Laere op dit blog.

 

aardverschuiving
van delict naar verdict?

de getijden van de aarde
lezen we in het groenlands ijs
de planeet reist van warm naar koud
in de parabolen zit verscholen
een  eeuwige beweging,
een cyclus als in het woud.

nu het woud brandt
kantelt het klimaat
en wordt het spagaat van deze tijd
is de processierups op de eik
een teken aan de wand
van een nakende precessie?

de strijd om de noordpool:
het is drummen om een deel
van de wegsmeltende kap
de kapsones en capriolen
worden weggemoffeld
als zeehonden
doodgeknuppeld of -geknuffeld

het stormt en de stromen slaan op hol
als de weersmurfmachine
wie heeft aan de hendels geprutst?
het gutst, het vriest, we puffen,
we liggen naakt op een gletsjer
en laten ons fotograferen

wat brengt de toekomst voor tuvalu,
de malediven of de lage landen:
pompen, verzuipen, opvissen
van kolossen door een verre generatie?

zullen we stranden in ons afval
of gaan we cradle-to-cradle
en downcycl’en we
het tot voedsel met het credo
food is waist & waist is food?

zeggen we de CO2-babe vaarwel
en ons geolied libido
en rekenen we op het albedo
(schilderen we alles wit,
te beginnen in lissewege)?

voelen we de doom van venus
en gedragen we ons loom
in de hitte van de dagen
tot de dag des oordeels?

overleven we als noach
op de goddelijke archipel
waar een duif ons hoop brengt
een groene tak
en tsjak
begint alles weer van voren
af aan?

 

Frederik Lucien De Laere (Brugge, 19 augustus 1971)

 

 De Nederlandse schrijfster Marion Pauw werd geboren in Tasmanië op 19 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Marion Pauw op dit blog.

Uit: Hotel Hartzeer

‘Elk schip is onzinkbaar. Totdat het zinkt.’ Dat schreef ik (S) in 2015 op Twitter nadat het uit was met mijn vriend, de vader van mijn kinderen die toen 1 en 4 waren. De boot van mijn relatie bleek een maand eerder tot mijn verrassing lek te zijn en ik was uit alle macht water aan het hozen, maar hij was dan toch gekapseisd. Ik weet nog hoe mijn vriend vroeg op de avond thuiskwam van een etentje, hoe ik nog hoopte dat dit een goed teken was, maar dat ik meteen aan zijn gezicht zag dat het mis was. De twijfel die hij een maand eerder had geuit (of die ik liever gezegd na flink doorvragen uit hem trok) was uitgemond in een besluit. Hij begon te praten. Het was voorbij.
‘Nee, nee, niet doen!’ riep ik geschrokken alsof ik mijn jongste kind naar een vaas zag grijpen. Ik zag geen glas, maar mijn hart in duizend stukken op de vloer belanden. En mijn gezin. Er zou niets geprobeerd worden; geen relatietherapie, geen vakantie om tot elkaar te komen, zelfs geen time-out. Het was gewoon – met onmiddellijke ingang en eenzijdig besloten – klaar tussen ons.
Als je gedumpt wordt, is dat (ook al was het misschien niet eens onverwacht en stond de relatie al tijden op springen) een schok. Je hart breekt en dat kun je bijna horen, maar dat voel je gek genoeg niet als eerste. In het allereerste begin barst de bom in je hoofd, waar de zin ‘Het is voorbij’ maar in blijft doorklinken, honderden keren en zelfs dan geloof je het nog niet. Je hersenen kunnen die informatie niet aan, want het is in tegenspraak met hoe jij zelf denkt en met wat je voelt, wilt en verwacht.
Connie Palmen nam plaats op de bank in onze villa en zij duidde die eerste schok als volgt: ‘Het gaat niet alleen om het idee dat je niet meer bij iemand kunt aankloppen, ik voelde me ook werkelijk half doorgehakt.”

 

Marion Pauw (Tasmanië, 19 augustus 1973)

 

De Nederlandse schrijver, dichter en vertaler Louis Th. Lehmann werd geboren op 19 augustus 1920 in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Louis Th. Lehmann op dit blog.

 

Voor de Spiegel

De ondergaande zon schijnt door mijn tanden,
mijn baard is als een paardekruis gelijnd,
het knoestig smoel dat door mijn wangen schijnt
wil rotten in de klei van niemandslanden.

Begerig krommen zich mijn loopgraafhanden:
ik heb het roofdier lief dat in mij schrijnt,
en haat mijn zwakke geest waarin hij kwijnt,
wil uit mijn lichaam slopen al zijn banden.

Ik word bezeten door de dolle wens,
hem onbevreesd geheel te kunnen wezen,
die lucht en water als domeinen wil,

maar ken van elke ruimtekoorts de grens;
ik zoek de vrouw die niet voor hem zal vrezen,
een zak in ’t zonlicht maakt mijn flanken kil.

 

Signature Tune,

Rijdt u maar aangenaam door Mijn geschriften,
mijn Rets is de getuige van Mijn driften.
Dat zint hem niet, hij zint op wraak en
hij wappert met Mijn haar en regenjas,
dat laatste liefst tussen zijn spaken.
Hij wenst, als blijkt uit zijn langdurig heng’len
zich even vurig met zijn buurfiets te verstreng’len
als ik met haar erop, als ’t mooglijk was.

 

Louis Th. Lehmann (19 augustus 1920 – 23 december 2012)

 

De Amerikaanse dichter Frederic Ogden Nash werd geboren in Rye, New York, op 19 augustus 1902. Zie ook alle tags voor Ogden Nash op dit blog.

 

Reprise

Geniuses of countless nations
Have told their love for generations
Till all their memorable phrases
Are common as goldenrod or daisies.
Their girls have glimmered like the moon,
Or shimmered like a summer moon,
Stood like a lily, fled like a fawn,
Now the sunset, now the dawn,
Here the princess in the tower
There the sweet forbidden flower.
Darling, when I look at you
Every aged phrase is new,
And there are moments when it seems
I’ve married one of Shakespeare’s dreams.

 

Reflection On The Fallibility Of Nemesis

He who is ridden by a conscience
Worries about a lot of nonscience;
He without benefit of scruples
His fun and income soon quadruples.

 

Reflection On A Wicked World

Purity
Is obscurity.

 

Ogden Nash (19 augustus 1902 – 19 mei 1971)

 

De Iers-Amerikaanse schrijver Frank McCourt werd geboren op 19 augustus 1930 in New York. Zie ook mijn blog van 19 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frank McCourt op dit blog.

Uit: Tis

“The
priest sat next to me at the dinner table. He whispered that those two old Protestants were very rich from raising Thoroughbred racehorses in Kentucky and if I had any sense I’d be nice to them, you never know.

I wanted to ask what was the proper way to be nice to rich Protestants who raise racehorses but I couldn’t for fear the priest might think I was a fool. I heard the Protestants say the Irish people were so charming and their children so adorable you hardly noticed how poor they were. I knew that if I ever talked to the rich Protestants I’d have to smile and show my destroyed teeth and that would be the end of it. The minute I made some money in America I’d have to rush to a dentist to have my smile mended. You could see from the magazines and the films how the smile opened doors and brought girls running and if I didn’t have the smile I might as well go back to Limerick and get a job sorting letters in a dark back room at the post office where they wouldn’t care if you hadn’t a tooth in your head.
Before bedtime the steward served tea and biscuits in the lounge. The priest said, I’ll have a double Scotch, forget the tea, Michael, the whiskey helps me sleep. He drank his whiskey and whispered to me again, Did you talk to the rich people from Kentucky?
I didn’t.
Dammit. What’s the matter with you? Don’t you want to get ahead in the world?
I do.

Well, why don’t you talk to the rich people from Kentucky? They might take a fancy to you and give you a job as stable boy or something and you could rise in the ranks instead of going to New York which is one
big occasion of sin, a sink of depravity where a Catholic has to fight day and night to keep the faith. So, why can’t you talk to the nice people from Kentucky and make something of yourself?
Whenever he brought up the rich people from Kentucky he whispered and I didn’t know what to say. If my brother Malachy were here he’d march right up to the rich people and charm them and they’d probably adopt him and leave him their millions along with stables, racehorses, a big house, and maids to clean it. I never talked to rich people in my life except to say, Telegram, ma’am, and then I’d be told go round to the servants’ entrance, this is the front door and don’t you know any better.”

 

Frank McCourt (19 augustus 1930 – 19 juli 2009)

 

De Engelse toneelschrijver, dichter en criticus John Dryden werd geboren op 19 augustus 1631 in Aldwinkle (Northamptonshire). Zie ook alle tags voor John Dryden op dit blog.

 

Ah, How Sweet It Is To Love!

AH, how sweet it is to love!
Ah, how gay is young Desire!
And what pleasing pains we prove
When we first approach Love’s fire!
Pains of love be sweeter far
Than all other pleasures are.

Sighs which are from lovers blown
Do but gently heave the heart:
Ev’n the tears they shed alone
Cure, like trickling balm, their smart:
Lovers, when they lose their breath,
Bleed away in easy death.

Love and Time with reverence use,
Treat them like a parting friend;
Nor the golden gifts refuse
Which in youth sincere they send:
For each year their price is more,
And they less simple than before.

Love, like spring-tides full and high,
Swells in every youthful vein;
But each tide does less supply,
Till they quite shrink in again:
If a flow in age appear,
‘Tis but rain, and runs not clear.

 

Dreams

Dreams are but interludes which Fancy makes;
When monarch Reason sleeps, this mimic wakes:
Compounds a medley of disjointed things,
A mob of cobblers, and a court of kings:
Light fumes are merry, grosser fumes are sad;
Both are the reasonable soul run mad;
And many monstrous forms in sleep we see,
That neither were, nor are, nor e’er can be.
Sometimes forgotten things long cast behind
Rush forward in the brain, and come to mind.
The nurse’s legends are for truths received,
And the man dreams but what the boy believed.
Sometimes we but rehearse a former play,
The night restores our actions done by day;
As hounds in sleep will open for their prey.
In short, the farce of dreams is of a piece,
Chimeras all; and more absurd, or less.

 

John Dryden (19 augustus 1631 – 12 mei 1700) 
Portret door John Riley, z. j.

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Britse dichter en humorist Matt Harvey humorist en performance-dichter werd geboren in Cheshire in 1962. In zijn jeugd trok hij door Groot-Brittannië en verbleef in Cheshire, Schotland en Ierland; hij vestigde zich in Twickenham, Londen op de leeftijd van 15. Als tiener werd hij beïnvloed door de Mersey Poets, waaronder Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten. Hij had een moeilijke jeugd en als twintiger bezocht hij de Self Heal Association, een psychotherapeutisch centrum in Devon. Hij werd later helper in het centrum en is blijven spreken en presteren op conferenties over geestelijke gezondheidszorg. Hij begon zijn carrière als performance kunstenaar in 1992 en gaf live optredens aan het publiek in het zuidwesten van Engeland. Hij heeft sindsdien in het hele land op conferenties, cabarets, hogescholen en literaire festivals opgetreden. Harvey werd benoemd tot Official Wimbledon Championship Poet 2010. De taak bestond erin om elke dag van het kampioenschap een gedicht uit te brengen om de toeschouwers te vermaken. Harvey is gastheer van Wondermentalist – het poëziecabaret van Radio 4 – en auteur van o.a. “The Hole in the Sum van my Parts”, “Where Earwigs Dare” “Mindless Body Spineless Mind” en “The Element in the Room”. Hij is getrouwd, met één vrouw. Ze hebben twee zonen.

 

Where Earwigs Dare

A silver trail across the monitor;
fresh mouse-droppings beneath the swivel-chair;
the view obscured by rogue japonica.
Released into the wild, where earwigs dare –

you first went freelance – and then gently feral.
You worked from home – then wandered out again,
roughed it with spider, ant, shrew, blackbird, squirrel
in your won realm, your micro-Vatican.

No name conveys exactly what it is –
Chalet? Gazebo? You were not misled
by studios, snugs, garden offices,
workshops or outhouses. A shed’s a shed –

and proud of it. You wouldn’t want to hide it.
Wi-Fi-enabled rain-proof wooden box –
a box to sit in while you think outside it.
Self-rattling cage, den, poop-deck, paradox,

hutch with home-rule, cramped cubicle of freedom,
laboratory, thought-palace, badger’s bower,
plot both to sow seeds and to go to seed in,
cobwebbed, Cuprinol-scented, Seat of Power.

 

Slug

low-born land mollusc
high-impact intruder
easy oozer, slime exuder
free-loader, sprout-spoiler
meandering marauder
disrespecter
of my broad-beans’ border
you’ve a one-track mind
in a one-track bodydiligent pillager
soft-horned invisigoth
slow silver scribbler
paradoxically busy sloth
tithe-taker, hole-maker
indiscriminate direct debitor
bold-as-brass brassica editor

you’re a squishetty spoilsport
a glistening drag
the liquorice all-sort
nobody wants to find in the bag

it’s time that you were brought to book
you’re not as tasty as you look
listen chum, you are disposable
look at my thumb, it is opposable

unwelcome invertebrate
this might just hurt a bit
I pluck you and chuck you
into distant dew-drenched greenery
isn’t that mean of me?

slug, when all is said and done
you can hide but you can’t run

 

Matt Harvey (Cheshire, 1962)


‘Hope’ is the thing with feathers – (Emily Dickinson)

Dolce far niente

 

Het vogelconcert door Melchior de Hondecoeter, 1670

 

‘Hope’ is the thing with feathers –

‘Hope’ is the thing with feathers –
That perches in the soul –
And sings the tune without the words –
And never stops – at all –

And sweetest – in the Gale – is heard –
And sore must be the storm –
That could abash the little Bird
That kept so many warm –

I’ve heard it in the chillest land –
And on the strangest Sea –
Yet – never – in Extremity,
It asked a crumb – of me.

 

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)
Amhurst, de geboorteplaats van Emily Dickinson

 

Zie voor de schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 augustus 2018 en ook mijn blog van 18 augustus 2017 en ook mijn blog van 18 augustus 2016 en ook mijn blog van 18 augustus 2013 deel 1 en ook deel 2.