Des Mittags Hitze lastet schwer und drückend auf den reifen Früchten. Doch ohne Gnade strahlt die Sonne, kein Lebewesen regt sich mehr.
Kein Wölkchen ist bis jetzt zu sehen am Himmel, der wie blaue Seide. Erschöpft und wie in tiefem Schlafe die Rosen kaum noch aufrecht stehen.
Die Luft, vor Glut scheint sie zu flimmern, ein leiser Windhauch lässt sie zittern. Und auf des Daches dunklen Ziegeln Millionen Sonnenstrahlen schimmern.
Kein Vogel singt sein frohes Lied, von Blatt zu Blatt kein Falter taumelt, der Nachbarshund, er schlummert fest, auch keine Biene jetzt sich müht.
Der Gärtner selbst, in heit’rem Traum ruht er von seiner Arbeit aus. Doch – plumps – da fällt mit lautem Knall auf ihn ein Apfel jäh vom Baum.
Christa Kluge (1941) Naumburg, gedurende lange tijd de woonplaats van Christa Kluge
De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.
Uit: Sprakeloos
“Het kleine moederland verzilverde het allemaal, dubbel en dik
zelfs, dankzij zijn eeuwenoude troef. Zijn ligging in het klokhuis van
Europa, pal op de kruisende lijnen van Londen naar Berlijn en van Parijs
naar Rotterdam. Veel beter kun je niet liggen in Europa, tenzij wanneer het oorlog wordt. Maar
spijts zijn beginnende burgerluchtvaart — opererend in wit en blauw,
omdat zijn nationale kleuren te veel geleken op die van Duitsland — en
spijts zijn dichte spoorwegnet met robuuste locomotieven van eigen
makelij, spijts ook de doorbaak van een vaderlandse superbolide, de
Minerva, ‘de Rolls-Royce van het Vasteland’, spijts dat alles en veel
meer, deed het Belgisch interbellum buiten de hoofdstad — ‘Bruxelles?
Petit Paris!’ — en, komaan, ook buiten Antwerpen en Luik natuurlijk, en
allez vooruit: ook buiten Gent en Bergen, en uiteraard ja: ook buiten
Charleroi — enfin, samengevat: in de provincie en op de boerenbuiten
deed het Belgisch interbellum nog altijd een beetje terugdenken aan de
belle époque. Maar dan zonder de koetsen en de paardentrams, en in
kleren die gemakkelijker zaten en waaraan, boven de gordel dan toch, al
eens een knop mocht blijven openstaan. Evengoed werd van een
vrouw die rookte op straat nog altijd schande gesproken, evengoed
bleven de overal opduikende danszalen bestemd voor werkvolk en crapuul,
evengoed stonden de priester-leraars aan de ingang van de steeds
populairdere cinema’s de namen te noteren van bezoekende leerlingen, die
de dag daarna zonder pardon veranderden in ex-leerlingen. En evengoed
was het niet vanzelfsprekend dat een stichtelijk opgevoede jongedame uit
het Waasland in haar eentje de wereld begon af te reizen terwijl ze
niet eens missiezuster wilde worden, maar gewoon op cursus ging, ter
Vervolmaking dan nog, tot ver over het Kanaal. Dat kon met
recht en reden curieus worden genoemd, het meiske zelf mocht nog zo bij
de pinken zijn, nog zo koket, nog zo goed van de tongriem gesneden, in
drie talen alstublieft. Maar zelfs dat van die drie talen? Dat had ze
van jongs af aan zelf zo gewild en zo bepleit, bij ieder die daarover
zijn toestemming te geven had, en bij een boel anderen die er helemaal
niets over in de pap te brokken hadden. Als ze maar kon pleiten. ‘Het
liefst van al,’ zou ze heel haar leven benadrukken, meestal achter haar
slagerstoonbank vandaan, en met altijd iets van spijt, ‘het liefst van
al was ik advocaat geworden aan de balie. Maar ik wilde kinderen. Dat
ging voor. De mens moet leren kiezen in zijn leven.’ Ewel,
wie weet? Misschien had ze op een goede dag ook uit zichzelf ervoor
gekozen om zo knap en elegant te worden? En was dat vervolgens ook
geschied? Het zou weinigen verbaasd hebben. ‘Als ons Joséeke
zich iets voorneemt?’ Dat kon je haar elf broers en zussen meer dan
eens te berde horen brengen, niet zelden zuchtend, op nieuwjaarsfeesten
en huwelijkspartijen, vlak voor, of nog lang na, het uitbarsten van
alweer een familiedispuut dat jaren aan kon slepen. Al dient gezegd dat
de Verbeken zich bij markante familiemomenten nooit lieten kennen als
kleinzielig of kleinzerig. Ze verschenen zonder mankeren opnieuw op het
appel, tegen hun goesting of juist in weergevonden harmonie, hoe dan
ook: hier zaten ze weer, herenigd op elkaars lip, in hun gebruikelijke
kakofonie van harde architectenstemmen, knarsende metsersmoppen en
vloekend kaarterslatijn
“Ze
heeft zin om het tegen het portret van Freud te knallen. Knusjes hangt
het tussen vader en grootvader Wouters in, alle drie in donkere tinten
uitgevoerd, en in olieverf. Hij stelt zijn vaste vraag: of ze afgelopen
week iets moois heeft gezien? Als er geen antwoord komt, loopt hij naar
de mahoniehouten kast, kiest de dildo van Muranoglas. Ooit heeft ze hem
toevertrouwd die het lekkerst te vinden, lekkerder zelfs dan de ivoren
uit Japan, die een tijdlang ‘haar’ dildo was. Ze beeldde zich in dat de
dokter een geisha was, zij zijn steenrijke klant. ‘En dat windt je op?’ —
‘Ja, dat windt me op.’ Daarna had hij haar de Murano leren kennen, door
opa Wouters op Capri van een oude homo gekocht. Die had de dildo laten
maken voor zijn vrouw, met wie hij een verstandshuwelijk gesloten had om
zijn familie te paaien. Het echtpaar noemde de dildo `il toro di vetro’
en bewaarde hem in een nis waar ooit een Mariabeeld had gestaan. De
echtgenote was overleden, de weduwnaar zat in geldnood, en dus werd de
toro op de markt gegooid. Langer dan de Japanner moet dokter Wouters hem
opwarmen in zijn vuist en hij moet hem met olie behandelen. Haar moet
hij eerst natter laten worden, maar eenmaal in haar past hij zo perfect
als Assepoesters voetje in het muiltje van glas. Hoe razend ze ook op de
dokter is, haar kutje begint al te kwijlen. Hongerig, gulzig beest. Hij
dempt het licht, zet de muziek iets luider, nodigt haar uit te gaan
liggen. Alles verloopt zoals altijd, maar koeler, professioneler, alsof
ze vreemden voor elkaar zijn geworden. Ze is een nummer, een van de vele
vrouwen die hem voor een efficiënte behandeling 5o euro betalen, en die
hij een getuigschrift overhandigt waarmee ze van het ziekenfonds 33
euro krijgen terugbetaald. Wat een luxe! Wat een land! Zodra de sessie
is afgelopen, stapt ze van de onderzoekstafel. Ze trekt haar laarsjes
aan, legt een briefje van vijftig op zijn bureau, pakt haar jas en tas.
Bij de deur draait ze zich om. Dag’, zegt ze. ‘Dag’, zegt hij over zijn
schouder. Op straat beseft ze dat ze het getuigschrift vergeten is, het
allerlaatste getuigschrift uit zijn dokterscarrière, eentje om in te
lijsten. Met snelle passen loopt ze terug, drukt op de bel bij de ingang
voor patiënten, wacht, drukt opnieuw, wacht tevergeefs. Dan richt ze
haar aandacht op de deur voor de bewoners. Er hangt geen bel, wel een
codeslot. Hij slaat op de vlucht, denkt ze. Hij is bang voor wat er
tussen ons is gegroeid. Het was er meteen, vanaf het allereerste moment.
`Je hoeft je niet uit te kleden’, had hij met zijn diepe, vaderlijke
stem gezegd. ‘Ik kan erbij.’ Alsof hij wist dat ze kousen droeg, en geen
panty. Natuurlijk wist hij dat.”
“Waren
we halve elfen? Interessant, vond Stijn, maar dat klankspel geldt
alleen in onze taal, en is dus onvertaalbaar, want elke taal heeft zijn
eigen metaforen, andere kruisverbanden voor afwijkende gewrichten. Stijn
zou daar later zijn proefschrift over schrijven, Het vertalen van
onvertaalbaarheden. Kobus wees erop dat elf ook het getal was van de
zotten bij de carnavalsviering, de Raad van Elf, maar om ons nou de Elf
Zotten te noemen, daar hadden we net niet genoeg zelfspot voor. Neen, we
kozen voor de Elf Zonen van Kafka, dat klonk mooi en somber en als
puber moest je levensmoeheid uitstralen. Een verveelde blik, sigaret in
de mondhoek, een rebels air van onbemindheid. Kafka was toen al in de
mode, hoewel hij in de lessen nog niet vermeld werd. Hij heerste over de
buitenschoolse tegencultuur. Kafka s verhaal over de elf zonen was niet
erg bekend, dat vonden we een voordeel. We dachten dat alleen wij het
kenden. Het is een heel kort verhaal. De vader is aan het woord en
begint met de zin Ik heb elf zonen, daarna bespreekt hij elke zoon in
een korte, kritische alinea om te eindigen met de laconieke zin dat zijn
de elf zonen. Hij somt ze op, hij geeft ze niet eens een naam, hij
vindt ze niet geweldig. Maar de elf zonen en wij, dat was
problematischer. Dagenlang hebben we bij elke zoon een passende
klasgenoot gezocht. Dat lukte niet goed, hoe we ook schoven met de
mogelijkheden tot we de tekst bijna uit ons hoofd kenden. We goochelden
met genummerde rechthoekjes van gekleurd karton, links de rode voor de
elf zonen van Kafka, rechts de groene voor ons, maar hoe we ook schoven
en wisselden, we kwamen er niet uit. De kartonnetjes, die Alexander uit
het kelderlokaal van Handenarbeid had gepikt, wilden geen
verstandshuwelijk aangaan, zelfs geen afspraakje, hoezeer we onze
vermeende eigenschappen ook vervalsten. Hadden we wel goed gekozen?
Waren we wel de elf zonen van Kafka? Kennelijk niet. Toch bleven we ons
stug zo noemen, misschien wel een paar maanden lang, tot de fictie in
april 58 een stille dood stierf. Daar is nog een foto van, een
klassenfoto. De klassenfoto werd gemaakt toen we net geen zonen van
Kafka meer waren. Die foto is een van de zeldzame documenten die
bewijzen dat onze eindexamenklas ooit echt bestaan heeft, hetgeen met de
jaren minder evident wordt. Verder zijn er ook de palmaressen geweest,
gestencilde, geniete boekjes met de uitslagen die aan het eind van elk
schooljaar ongevraagd werden uitgedeeld. De palmares: letterlijk de
lijst van de uitgedeelde palmen. Palmen van lauwerblad. Daarin kon je
zien wie de eerste van de klas was, wie de tweede, wie de laatste, wie
bleef zitten of een herexamen had; we leken roedels wolven met alfa-,
bèta- en omegadieren.”
Paul Verhuyck (Antwerpen, 27 augustus 1940) In 1996
Minister of our coming doom, preaching On the car radio, how right Your Hell and damnation sound to me As I travel these small, bleak roads Thinking of the mailman’s son The Army sent back in a sealed coffin. His house is around the next turn. A forlorn mutt sits in the yard Waiting for someone to come home. I can see the TV is on in the living room, Canned laughter in the empty house Like the sound of beer cans tied to a hearse.
“There is nothing very appealing about showbusiness memoirs. A linear chronology of successes, failures and blind ventures into new fields is dull enough. And then there is the problem of how to approach descriptions of collaborators and contemporaries: ‘She was adorable to work with, incredibly funny and always intensely cheerful and considerate. To know her was to worship her.’ ‘I was captivated by his talent, how marvellously he shone in everything he did. There was a luminosity, a kind of transcendence.’ ‘She always had time for her fans, no matter how persistent they were.’ ‘What a perfect marriage they had, and what ideal parents they were. A golden couple.’ I could be describing actors, TV show presenters or producers with total accuracy, leaving out only their serial polygamies, chronic domestic abuse, violent orgiastic fetishes and breathtaking assaults on the bottle, the powders and the pills. Is it right of me to be searingly, bruisingly honest about the lives of others? I am quite prepared to be searingly, bruisingly honest about my own, but I just don’t have it in me to reveal to the world that, for example, producer Ariadne Bristowe is an aggressively vile, treacherous bitch who regularly fires innocent assistants just for looking at her the wrong way; or that Mike G. Wilbraham has to give a blow-job to the boom operator while finger-banging the assistant cameraman before he is prepared so much as to think about preparing for a scene. All these things are true, of course, but fortunately Ariadne Bristowe doesn’t exist and neither does Mike G. Wilbraham. OR DO THEY? The actor Rupert Everett in his autobiographical writings manages to be caustic in what you might call a Two Species manner: bitchy and catty. The results are hilarious, but I am far too afraid of how people view me to be able to write like that. Very happy to recommend both his volumes of autobiography/memoir to you, however: Red Carpets and Other Banana Skins and The Vanished Years. Ideal holiday or Christmas reading.”
Stephen Fry (Londen, 24 augustus 1957)
De Nederlands-Zwitserse schrijver, tekstschrijver, componist, zanger en pianist Drs. P (eig. Heinz Hermann Polzer) werd geboren in het Zwitserse Thun op 24 augustus 1919. Zie ook alle tags voor Drs. P op dit blog.
Alweer een nieuw patroon
Alweer een nieuw patroon, en wel de (d)e(e)F En wat me hiertoe dreef, dat is de macht (Ik hoop dat niemand lacht) van ’t nodeloze Geen geestdrift of neurose, maar een gril Daar ik eens kijken wil hoe dat voldoet Wanneer je rijmen moet als hier gedaan: Het binnenrijm sluit aan bij ’t eindrijm dat Je vlak daarboven had, en bovendien – Dat zult u strakjes zien – de hele woorden Waarin die rijmen gloorden aan ’t begin (Dus in de aanhefzin): patroon en (d)e(e)F Welnu, die woorden geef ik nog een beurt Aan ’t slot, en u bespeurt dat ik verdomd Niet weet wanneer dat komt. In elk geval Betwijfel ik of al die fraaie toeren Wel boeien of ontroeren of zoiets Misschien een goede witz? Een sterk verhaal? Je kunt het minimaal eenmaal proberen Hij had er zeven keren om gevraagd Zij vond het te gewaagd en indecent Tenslotte riep hij: ‘Kent je hart dan niet Het zinderende lied van roes en lust?’ Ze werd wat ongerust en zei: ‘Maar Jan Het spijt me erg, ik kan zoiets niet doen Nog niet voor tien miljoen, bij al ’t gedruis In zulk een warenhuis, zo fel verlicht Dat is toch geen gezicht! Dat hoort niet, daar Ja, als het nu nog maar fellatio was…’ Hij pulkte aan zijn das, en ging – mishaagd Ze heeft hem níet gevraagd, terug te keren Zo kunt ook u het leren; volg gewoon Het voorbeeld (wonderschoon) dat ik hier schreef Wij noemen dit de (d)e(e)F, een nieuw patroon.
Katholieke roman Paul Lemmens S.J.
In ’t oude huis heerst droefenis en schrik De bleke vader loopt vertwijfeld rond Eenieder ziet zijn triest omfloerste blik
De zeven zoons, zij houden braaf hun mond En ook de meisjes, negen in totaal Ontzien hun lieve vader in deez’ stond
Want in de stille kamer, hoog en kaal Ligt zij, de moeder van de kinderschaar Nu opgebaard, haar lichaam koud als staal
Ze ligt, met zoete bloempjes in het haar Als slapend op het bed dat werd tot baar
Uit: Herenspraak
De employé, voorop, in grijze pas Vervoerde een container met de as Van iemand die – wat opgedragen was Per wilsbeschikking, want je weet maar nooit –
In Westerveld te water werd gestrooid Bezocht u deze dodenakker ooit? Dan weet u dat het daar behoorlijk glooit De gasten bleven op het pad en zwegen
De man moest naar beneden daarentegen Daar kon hij, door een handgreep te bewegen De bus van onder openen, dus legen Een vuilwit gruis belandde op de plas
Veel eenden kwamen smakkend aangesneld En werden als zo vaak, teleurgesteld
“Er wordt beweerd dat een mens zich niets van voor zijn vierde levensjaar kan herinneren. Maar mijn moeder, inmiddels zesentachtig, vertelt over de ontdekking van de kinderverlamming, die haar leven en aldus ook het mijne heeft bepaald, met telkens meer details. Melanie Krijger, door haar zussen en broers Mee genoemd, was drie, bijna vier toen ze aan Raymond, haar jongere broertje, vroeg: ‘Mag ik je pistool?’ Raymond draaide zich van haar weg, roepend: `Pief! Dood!’ Daarop liet Boelé, haar oudere zus, zich giechelend op de modderige grond vallen. En Raymond, wankelend op zijn koddige beentjes en zijn bolle buikje vooruit, mikte recht op Melanie. Zij reikte met haar linkerhand naar zijn wapen. Haar broertje negeerde dat gebaar. Met zijn twee knuistjes stevig om de bamboestok geklemd schreeuwde hij: `Henzup!’ Haar oudste broer, Han, had het pistool van bamboe en elastiekjes gemaakt. Speciaal voor Raymond, die nota bene nog geen zin kon zeggen. Wel losse woordjes. Ze was jaloers dat zij geen wapen had. Ze kon al tot tien tellen, ook in het Maleis. Wellicht sloeg ze soms een cijfer over als ze het te snel wilde doen. En Han had haar geleerd hoe ze haar eigen letter in de vulkanische aarde moest schrijven. Een moeilijke letter. Als ze hem per ongeluk ondersteboven had getekend, ging ze aan de andere kant staan en was hij weer goed. En zij wist al wat dood was. Want haar hond had ze door elkaar geschud, aan zijn lange zwarte haar getrokken, in zijn oren geschreeuwd, en toch werd hij niet wakker. Han had gezegd: ‘Ga van hem af, Mee. Hij is morsdood, we moeten hem begraven.’ Haar oudste zus, Yola, bemoeide zich er niet mee, evenmin als Boelé, maar zij mocht Han helpen omdat Hon van haar was. Zij noemde hem zo sinds ze had leren praten. Het was geen afkorting, geen verbastering. Ze wist niet beter of dat was de naam van haar eerste hond. Iedereen was zijn vorige vergeten. Han groef een kuil vlak bij de wc van de bediendes. ‘Daar liggen er nog twee,’ had hij gezegd, ‘honden gaan eerder dood dan mensen.’ Raymond was een lopende baby. Hij dacht nog dat je dood was als je in de modder viel en je ogen dichthield. En hij dacht dat dood iets was waaruit je even later op kon staan alsof er niets gebeurd was. Haar broertje was schattig, zoals wanneer hij balanceerde terwijl hij met de aan elkaar gebonden bamboestokken in haar richting wees. Hij porde ermee in haar buik. Ze weet zeker dat ze bij aankomst Tante en Oom met haar goede hand had begroet. Al herinnert ze zich niet hoe ze na de lange treinreis het tuinpad van Tantes erf op liepen. Als het toen niet gelukt was om haar rechterhand omhoog te brengen, hadden ze het immers meteen gemerkt. Wanneer de arm haar in de steek begon te laten, is voor haar een raadsel. Misschien logeerden ze al twee handen bij Tante, misschien pas zes vingers. Wie nog niet naar school gaat, begrijpt niks van tijd. Voor een kind duurt plezier altijd te kort, verveling te lang, en angst lijkt nooit te stoppen. Angst beklijft. Naderhand vertelde niemand haar de details. Mammie zeker niet.
“En om het allemaal af te maken was in de verte heel zachtjes maar duidelijk het piepen en knarsen van een huifkar te horen, getrokken door een lomp boerenpaard. Het was de symbolische huifkar van een vergeten afspraak. Na nog een minuut of tien over straat slenteren als een menselijke wijnvlek in het witte damast van het leven viel het hem eindelijk allemaal te binnen. ‘conjo’ schreeuwde hij zowel in het Spaans als in het Nederlands. Hij keek uit het raam van de taxi naar de voorbij glijdende gevels die op een speelse manier modern en klassiek met elkaar afwisselden. In zijn hoofd woedde een wervelstorm van tijdstippen, adressen, mensen om teleur te stellen en dingen om niet te vergeten. Hij had zich verdwaald gewaand in een stadsdeel uit de jaren tachtig tot er ineens uit het niks een onooglijke taxi van de elektrische variant was opgedoemd, waar hij zich nog net niet op had geworpen. De meter stond vooralsnog op zevenentwintig euro en een slordige vijfendertig centen. Op dit moment was het olijke tweetal, bestaande uit hemzelf en de taxichauffeur met psoriasis, nog steeds onderweg om zijn laptop op te halen bij zijn atelier. De honger vrat hem van binnenuit op en de kater vervloekte hem voor het tot tweemaal toe afslaan van een gebakken ei. In zijn portemonnee woonde helaas nog maar één briefje van vijftig euro, en daarbij had de chauffeur met het huidprobleem eerder nogal nors en negatief gegromd bij de notie dat hij niet direct naar de bestemming van zijn afspraak bliefde te gaan, maar dit via een stopplek op de locatie van zijn creativiteitsbunker wenste te doen. De meter stond inmiddels op een bescheiden zesenveertig euro met een verwaarloosbaar aantal centen achter de komma. Het ritje had zich ontwikkeld tot een expeditie de treurnis in, zo leek het. Niet alleen wilde hij gillend alle haren uit zijn hoofd trekken en zijn ogen eruit krabben vanwege de stress en de vijfenveertig minuten die hij inmiddels te laat was; maar ook maakte het urbane landschap een dusdanig deprimerende indruk op hem dat hij zijn ziel in brand wenste te steken met wasbenzine, zodat het vuur hem van binnenuit zou kunnen verteren. De plaats van afspreken was op een dreef dan wel een kade, waar zowel hij als zijn roodgevlekte mobiele metgezel nog nooit van gehoord had. Van tijd tot tijd draaide de chauffeur zich om en wees naar wat façades die opgetrokken waren in een ‘leuke’ niet-leuke klassieke stijl. Vaak stelde de chauffeur hier ook nog een vraag bij, die hij dan niet goed kon verstaan. Druppels uitgezwete alcohol dansten via zijn voorhoofd, wangen en nek zijn kraag in. Eerder al had hij zijn laptop geopend, de vingers gekruist dat de e-mail met de bevestiging van de desbetreffende afspraak nog openstond.”
Pepijn Lanen (Utrecht, 4 augustus 1982)
De Amerikaanse schrijver John Green werd geboren in Indianapolis, Indiana, op 24 augustus 1977. Zie ook alle tags voor John Green op dit blog.
Uit:The Fault in Our Stars
“Once
we got around the circle, Patrick always asked if anyone wanted to
share. And then began the circle jerk of support: everyone talking about
fighting and battling and winning and shrinking and scanning. To be
fair to Patrick, he let us talk about dying, too. But most of them
weren’t dying. Most would live into adulthood, as Patrick had. (Which
meant there was quite a lot of competitiveness about it, with everybody
wanting to beat not only cancer itself, but also the other people in
the room. Like, I realize that this is irrational, but when they tell
you that you have, say, a 20 percent chance of living five years, the
math kicks in and you figure that’s one in five…so you look around and
think, as any healthy person would: I gotta outlast four of these
bastards.) The
only redeeming facet of Support Group was this kid named Isaac, a
long-faced, skinny guy with straight blond hair swept over one eye. And
his eyes were the problem. He had some fantastically improbable eye
cancer. One eye had been cut out when he was a kid, and now he wore the
kind of thick glasses that made his eyes (both the real one and the
glass one) preternaturally huge, like his whole head was basically just
this fake eye and this real eye staring at you. From what I could gather
on the rare occasions when Isaac shared with the group, a recurrence
had placed his remaining eye in mortal peril. Isaac
and I communicated almost exclusively through sighs. Each time someone
discussed anticancer diets or snorting ground-up shark fin or whatever,
he’d glance over at me and sigh ever so slightly. I’d shake my head
microscopically and exhale in response. ••• So
Support Group blew, and after a few weeks, I grew to be rather
kicking-and-screaming about the whole affair. In fact, on the Wednesday I
made the acquaintance of Augustus Waters, I tried my level best to get
out of Support Group while sitting on the couch with my mom in the third
leg of a twelve-hour marathon of the previous season’s America’s Next
Top Model, which admittedly I had already seen, but still. Me: “I refuse to attend Support Group.” Mom: “One of the symptoms of depression is disinterest in activities.” Me: “Please just let me watch America’s Next Top Model. It’s an activity.” Mom: “Television is a passivity.” Me: “Ugh, Mom, please.”
Vogels in een landschap door Roelant Savery , 1622
Vogelbescherming
Gewoonlijk leid ik een kantoorbestaan Ik zit aan een bureaustoel vastgevroren Ik schrijf, dat is hoofdzakelijk mijn baan Maar ’s zondags klim ik bij het ochtendgloren Maar al te graag uit mijn ivoren toren Mijn vroege vogels dulden geen protest Daar ga ik, wel wat vaag en ongeschoren Voor de vogels kom ik fluitend uit mijn nest
Ivo de Wijs (Tilburg, 13 juli 1945)
Jonge vrouw in een nis met een papegaai en kooi door Gerrit Dou,ca. 1660–65
Parrots In thanks to Monique (“Dance! Dance!”)
Parrots are a funny bunch – They often curse and swear – You really cannot take them out to lunch When your grandmamma is there.
They like to stride atop a cage, Much as a soldier might, Then hang upside down from the top railing – Oh my, what a sight!
They sample many a tasty morsel Proffered with anxious hand, Then shy away from the very next damsel Who flashes a wedding band.
Never try to shut them up, Or tell them “hey!” – that’s rude – They chatter away at you non-stop, Just as a parakeet should.
But do not blame them for their foibles, For they are sourced in us. If only we’d leave them back in the trees – Or, at least, allow them to do as they please – Rather than force them into a cage Against which both beast and bird may rage, They could remain as the good Lord intended And not become one of us, appended.
“Zo
had ik mijn leven gemaakt. Zekerder dan het leven kan zijn. Alles is
een kwestie van kiezen, daar was ik van overtuigd. Of beter: van
beslissingen nemen, die als een stevige paal de grond in kloppen, en
daar aan vasthouden. Als wapen tegen een wankele wereld. Als manier om
te blijven staan, ook als het stormt en waait en woest tekeergaat,
vanbinnen en daarbuiten. En
dan gaat Eva dood. Ze is gesprongen. Zij kon ook goed kiezen. Geen half
werk. Geen truttig gedoe met pillen en gevonden worden, en dan opnieuw.
Zij wilde dood omdat het leven haar niet bracht wat ze droomde. Omdat
ze heel diep kon voelen. Omdat ze niet meer kon. Ik geloof nog altijd:
zij wilde niet per se dood, zij wilde niet dit leven, niet dit hoofd,
niet dit gehavende hart. Dat is echt iets anders. Er viel nog zoveel te
proberen. Ik ben daar eerder verdrietig om dan kwaad, tegenwoordig. Ik
heb gedacht, na haar: het gaat om wendbaar blijven. Om blijven kijken
naar wat is. Om nu en dan een kwartslag draaien en nog eens kijken.
Mogelijkheden durven zien. Had zij dat maar gedaan. Ik had het haar
moeten zeggen, maar toen kon ik dat niet. Het was pas na haar dat ik
langzaamaan ben gaan beseffen: het gaat om voelen. Om openstaan. Om
trouw zijn aan en eerlijk zijn met jezelf. Zij heeft het mij gezegd: dat
ik mijn kop in het zand stak, zoals onze ouders altijd deden. Ik heb
het weggewuifd, zo deed ik dat. Zij had niks om naar te kijken, bij mij
stond het voor mijn neus. Dat was het verschil. Casper
ging niet weg. Wie zo diep in je hart kruipt, die blijft altijd
minstens een beetje. Ik was van hem weggegaan. Op het scherp van de snee
niet vertrokken maar thuisgebleven. Ik koos voor Walter, omdat ik niet
wou kiezen. Omdat ik dacht dat ik alleen zo recht kon blijven staan. Ik
zag de afspraak die ik met mezelf had gemaakt. Ik zag onze jaren samen.
Ik zag onze kinderen. Ik noemde dat liefde, en dat was het ook. Maar was
het de beste liefde voor mij? Was het die weldadige warmte die totaal
kan vervullen? Was het die gedeelde kwetsbaarheid van elkaar graag te
zien tot in de lelijke hoekjes toe? Was het die diepe connectie die
alles in het leven dat cruciale tikje beter maakt? Was het dat prikkelen
van alle zinnen dat je wonderlijk dicht bij elkaar kan brengen? Was het
dat wederzijdse stimuleren en dat elkaar vinden in bijna alles wat
belangrijk is? Was het dat dichtbij willen zijn dat nooit verstikt? Was
het die ongelooflijk grote fun met elkaar? Eigenlijk durfde ik niet naar
Walter te kijken. Naar Walter en mij te kijken. Naar wat onder en
achter de constructie zat. Niet echt. Schrik voor wat doet wankelen,
waarschijnlijk. Schrik om uit de rol te vallen. Om niet te zijn wie
anderen wilden dat ik was, wie ik dacht dat ze wilden dat ik was, wie ik
vond dat ik moest zijn. Maar als je bang bent om iets in vraag te
stellen, hoe kan dat dan het goeie zijn? Eva zei een keer: ‘Het leven is kort, zeggen ze, ik vind het lang, maar da’s een reden om nog meer voluit te gaan.’
Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973) Cover
“Je
zoekt de fles, voelt hoe het hete honfrnlijf van Napoleon tegen je
schuurt, om aandacht fleemt, je hebt nu even geen tijd, hebt eigenlijk
toch best wel tijd, zet de fles neer en liefkoost en streelt die harige
massa, en wast achteraf je handen, de straal van warm water op je huid,
je houdt ervan, of gewoon de handen te laten zakken, voorzichtig te
dopen in het meestal lauwe maar soms toch nog hete afwassop. Die
tintelende sensatie. In een hoekje zit de man op de oude cinemastoel
onder de purperen bloempot met de hangplant waarvan de onderste bladeren
als hij zijn rug recht zijn haren raken. Hij opent een laptop, legt
naast die laptop een smartphone. Haalt een verfrommelde pet uit zijn
jas, legt die daar weer naast. Lijkt even weg te dromen. Probeert zich
een houding aan te meten maar slaagt er niet in. En je ziet dat hij
acteert, ongetwijfeld met talent. Zijn maatpak glimt. Hij heeft de
stropdas losgemaakt en voor zich bij de pet gelegd. Grijze pet, met
ruitpatroon. Er nog naast die fietshelm. Hij stopt een bierviltje onder
een poot om de tafel te stabiliseren. Behalve Pierre, die hem in de
gaten houdt, let geen van de stamgasten meer op hem, aanvaard is hij
niet maar hij ziet eruit alsof hij niemand kwaad doet, en na de regen,
denkt men, verdwijnt hij. Hij vraagt of er hier wifi is, een code voor
de internettoegang, maar dit is niet zo’n hipsterkroeg, hier komen
alleen mensen zonder werk of alleszins zonder laptop. Waarop hij je
ongelovig aanstaart. En je lacht dus opnieuw, en haalt je schouders op,
vervolgens lijkt ook hij te lachen, in een vertrouwelijk gebaar leg je
een hand op zijn arm, omdat je hem gerust wilt stellen dat het oké is.
Dat ook jij hier vreemd bent. Dat we hier allemaal vreemd zijn. Dat het
zo is, in deze stad, dat het zo moet zijn, dat het goed is. En misschien
omdat je hem mag. Je denkt aan hoe je hier passeerde, aan deze hoek.
Maanden geleden, hoe je hier nog niet lang was, werk zocht in deze
nerveuze stad, moeilijke dagen waren het, en dan dat lieve en eenzame
dier liggend aan de deur, hoe je er een band mee opbouwde.”
Jeroen Theunissen (Gent, 22 augustus 1977) Cover
De Amerikaanse schrijfster en journaliste Annie Proulx werd geboren op 22 augustus 1935 in Norwich, Connecticut. Zie ook alle tags voor Annie Proulx op dit blog.
Uit: Brokeback Mountain
.”Right,” said Jack, and they shook hands, hit each other on the shoulder, then there was forty feet of distance between them and nothing to do but drive away in opposite directions. Within a mile Ennis felt like someone was pulling his guts out hand over hand a yard at a time. He stopped at the side of the road and, in the whirling new snow, tried to puke but nothing came up. He felt about as bad as he ever had and it took a long time for the feeling to wear off. In December Ennis married Alma Beers and had her pregnant by mid-January. He picked up a few short-lived ranch jobs, then settled in as a wrangler on the old Elwood Hi-Top place north of Lost Cabin in Washakie County. He was still working there in Sep-tember when Alma Jr., as he called his daughter, was born and their bedroom was full of the smell of old blood and milk and baby shit, and the sounds were of squalling and sucking and Alma’s sleepy groans, reassuring of fecundity and life’s continuance to one who worked with livestock. When the Hi-Top folded they moved to a small apartment in Riverton up over a laundry. Ennis got on the highway crew, tolerating it but working weekends at the Rafter B in exchange for keeping his horses out there. The second girl was born and Alma wanted to stay in town near the clinic because the child had an asthmatic wheeze. “Ennis, please, no more damn lonesome ranches for us,” she said, sitting on his lap, wrapping her thin, freckled arms around him. “Let’s get a place here in town?” “I guess,” said Ennis, slipping his hand up her blouse sleeve and stirring the silky armpit hair, then easing her down, fingers moving up her ribs to the jelly breast, over the round belly and knee and up into the wet gap all the way to the north pole or the equator depending which way you thought you were sailing, working at it until she shuddered and bucked against his hand and he rolled her over, did quickly what she hated. They stayed in the little apartment which he favored because it could be left at any time. “
Annie Proulx (Norwich, 22 augustus 1935) Scène uit de film Brokeback Mountain uit 2005
“De
kinderen in mijn klas moesten altijd lachen als ik weer eens zoiets had
verzonnen. Volgens de juf lachten ze me niet uit, ze lachten me toe,
dus ik trok me er niets van aan, maar het ?jne van mijn zandbak was dat
er niemand was om me toe te lachen, dat ik niet bang hoefde te zijn dat
iemand het op me voorzien zou kunnen hebben, dat ik me ongestoord kon
verbeelden hoe ik samen met het zand en mijn plastic schep en soms zelfs
de balken werd meegesleurd, de lucht in. Eerst schampten we
rakelings langs het dak van de buren. Door het zolderraam keek ik naar
binnen. Spinnenwebben, vleermuizen, een uitgedoofde kaars. Een week
geleden waren ze in een grote verhuiswagen de straat uit gereden. Geen
idee waar ze naartoe waren gegaan. Geen idee wat ze hadden
achtergelaten. Maar we woeien alweer verder. Ik zag nog net een muis
rondscharrelen over de houten planken van de vloer. Toen scheurde ik
mijn blik los en keek om me heen, naar onze esdoorn die woest met zijn
takken zwiepte, naar de berk in de tuin van de buren, naar de meeuwen
die rondcirkelden door het eindeloze luchtruim. Beneden waren de huizen
in stipjes veranderd, de straten in rag?jne lijntjes. We gingen steeds
hoger, door een mist?ard, en nog een, de zon tegemoet, tot we ten slotte
neerstreken in de woestijn, bij een oase. Mijn schep plofte naast me
neer. Onder een palmboom stond een Arabier. Hij knikte me toe. ‘Heel
goed,’ zei hij. ‘Welkom, Jonathan. Hier ligt inderdaad de schat. Graaf
jij hem even op?’ Dromen kon overal, maar het ging toch het beste
in de zandbak, daar wilde ik heen, maar het regende en volgens mijn
moeder kon je niet buitenspelen als het regende. Zelf zag ik het
probleem niet. Ik had laarzen, een regenjas, ik redde me wel. In de
zandbak zouden complete zeeën ontstaan, dat was alleen maar leuk. Als
het uit de hand liep, maakte ik van een van de balken een vlot en dan
peddelde ik met mijn schep naar een onbewoond eiland. Daar was het
altijd zonnig en hoefde je nooit je kamer op te ruimen. Ineens was
mijn moeder aan het krijsen. Ze had een vaatdoek in de hand waarmee ze
woest in het rond zwiepte, als was het een zweep waarmee ze de stoel
tuchtigde, de muur, de deur, alles wat maar bij haar in de buurt kwam,
net zolang tot er een mok omging. ‘Haal een doekje,’ hijgde ze, terwijl
ze als versteend neerkeek op de plas die zich dampend over het tafelblad
verspreidde. ‘Werk nou eens mee. Haal een doekje!’ Toen begon ze de
thee op te dweilen met haar vaatdoek. ‘Alsof we niet al genoeg vuile was
hebben,’ foeterde ze. ‘En dat allemaal omdat jij… omdat jij…’ Zonder
haar zin af te maken verdween ze naar de keuken.”
“Het décor dezer herinnering is vriendelijk, en listig opgesteld: een zomerdag buiten, een groene wei met boterbloemen. En langs de boterwei een sloot vol kroos, een ‘groen tapijt’ zooals het in kinderliedjes gezongen wordt. Het scheen, dit groen tapijt, geen diepte te zijn, en geen gevaar daaronder, heelemaal niet – tot je, voorover, met een voorzichtige hand het kroos van-een schoof. Dan gleed het zonlicht een verzonken wereld binnen, grotten van het wonder gingen weer open waarin het traag bewoog, heel traag. Maar wat er bewoog bleef een geheim van het wonder.. Ik zit aan de rand van het liedjes-tapijt. Er is een hooge, blauwe hemel, er is zon en een rondom groen geluk – en wat of er nu plotseling verschenen is, een kever of een kikker, en wat of ik nu plotseling grijpen wou, welk drogbeeld van het wonder blind en roekeloos grijpen wou, weet ik niet meer, maar ergens is het toen misgegaan, ik grijp in het groen en eensklaps gaat de diepte open en draait de wereld om. Ja, draait de wereld om; dit is het wat ik van het verraad der diepte zonderling fel onthouden heb, het draait om, de zon en de hemel zwaaien over…. en ontzet, druipnat en huilend werd ik na deze ramp van den ondergang uit de sloot getrokken. Hoe verschillend ook beide herinneringen in de verte zijn: ergens in mijn gedachten worden zij één. Ergens bezitten zij elkander – misschien in een soort moraliseerend instinct, dat als een symbolisch ‘weest op uw hoede’ waarschuwt hoe tusschen de verbeelding en de werkelijkheid een groen tapijt ligt; tusschen een kinderliedje en een ondergang; een groene, gevaarlijke diepte die men nooit en nimmer beroeren zal: het onbereikbare in het wonder, de tragiek van den droom. Geen schilder in Holland heeft, wat ik hierboven het geluk der verbeelding noemde – dit zeldzame, grandioze dwalen in een ruimte voorbij de werkelijkheid – zóó groot bezeten en zóó groot verloren als Matthijs Maris. In geen schilder is zóó vol, zoo synthetisch bijna, in zijn leven en zijn werk de verbeelding tot werkelijkheid opgejaagd geworden, maar ook in geen is de grens, de groene diepte van den ondergang die tusschen droom en waken ligt, zóó stil en gevaarlijk opengegaan als in dezen zeer grooten, wellicht grootsten schilder van het Holland der negentiende eeuw. De grootste, en welhaast symbolisch eenzame. In een eenzaamheid die, door de verbeelding ondermijnd, langzaam de levende werkelijkheid verloor, langzaam de grens der zintuigen losliet en geen antwoord meer hoorde, niet meer hooren wilde, tot zij in de giganten-stilte van een omgezwaaide wereld zelve als stilte uitvloeide en verdween.”
Willem Arondéus (22 augustus 1894 – 1 juli 1943) Matthijs Maris, De Oorsprong te Oosterbeek, 1860.
Only name the day, and we’ll fly away In the face of old traditions, To a sheltered spot, by the world forgot, Where we’ll park our inhibitions. Come and gaze in eyes where the lovelight lies As it psychoanalyzes, And when once you glean what your fantasies mean Life will hold no more surprises. When you’ve told your love what you’re thinking of Things will be much more informal; Through a sunlit land we’ll go hand-in-hand, Drifting gently back to normal.
While the pale moon gleams, we will dream sweet dreams, And I’ll win your admiration, For it’s only fair to admit I’m there With a mean interpretation. In the sunrise glow we will whisper low Of the scenes our dreams have painted, And when you’re advised what they symbolized We’ll begin to feel acquainted. So we’ll gaily float in a slumber boat Where subconscious waves dash wildly; In the stars’ soft light, we will say good-night— And “good-night!” will put it mildly.
Our desires shall be from repressions free— As it’s only right to treat them. To your ego’s whims I will sing sweet hymns, And ad libido repeat them. With your hand in mine, idly we’ll recline Amid bowers of neuroses, While the sun seeks rest in the great red west We will sit and match psychoses. So come dwell a while on that distant isle In the brilliant tropic weather; Where a Freud in need is a Freud indeed, We’ll always be Jung together.
Poem In The American Manner
I dunno yer highfalutin’ words, but here’s th’ way it seems When I’m peekin’ out th’ winder o’ my little House o Dreams; I’ve been lookin’ ‘roun’ this big ol’ world, as bizzy as a hive, An’ I want t’ tell ye, neighbor mine, it’s good t’ be alive. I’ve ben settin’ here, a-thinkin’ hard, an’ say, it seems t’ me That this big ol’ world is jest about as good as it kin be, With its starvin’ little babies, an’ its battles, an’ its strikes, An’ its profiteers, an’ hold-up men—th’ dawggone little tykes! An’ its hungry men that fought fer us, that nobody employs. An’ I think, ‘Why, shucks, we’re jest a lot o’ grown-up little boys!’ An’ I settle back, an’ light my pipe, an’ reach fer Mother’s hand, An’ I wouldn’t swap my peace o’ mind fer nothin’ in the land; Fer this world uv ours, that jest was made fer folks like me an’ you Is a purty good ol’ place t’ live—say, neighbor, ain’t it true?
Dorothy Parker (22 augustus 1893 – 7 juni 1967) Cover
„Ich glaube, dass ich für alle spreche, wenn ich euch die folgenden Worte, mit Freudentränen in den Augen, anvertraue: „Während
meiner Kindheit bin ich, wie jeder andere sicherlich auch, der Zeit
begegnet. Geglänzt und gestrahlt hat sie. Sie war so hell, dass man die
Augen kaum offen halten konnte. Man wurde regelrecht geblendet. Und in
was für prächtige Kleider sie gehüllt war. Stoffe so edel, dass selbst
der reichte Mensch der Welt sie nicht hätte bezahlen können. Sie
reichte mir ihre Hand. Diese Berührung weckte in mir das intensivste
Gefühl, das ich bis dahin kannte und noch heute kenne. Es ist das Gefühl
der absoluten und grenzenlosen Freiheit.“ Ich glaube, dass ich für alle spreche, wenn ich euch die folgenden Worte, voller Furcht, ins Ohr flüstre: „
Ich bin kürzlich erst, wie jeder andere sicherlich auch, wiedereinmal
der Zeit begegnet. Ich glaube zumindest, dass die Zeit war. Schrecklich
sah sie aus. Verblasst der Glanz, der mich einst als Kind geblendet hat.
Zerfetzt die edlen Stoffe, die ihren Körper zierten. Das Gesicht,
abgemagert. Nein, nicht abgemagert, es war das Gesicht eines Toten. Vor
mir war ein Schädel, über den jemand eine dünne Haut gespannt hat.
Furchtbar! Ich
musste die Augen schließen, mich wegdrehen, einfach davonrennen. Es gab
keinen anderen Ausweg. Ihr Anblick war nicht zu ertragen.“ Ich
weis, dass ich nicht für alle spreche, wenn euch die folgenden Worte,
vom höchsten Punkt der Welt aus, so dass ein jeder sie hören wird,
schreie: „Lange
ist es her, dass ich beim Anblick der Zeit davongerannt bin.
Schrecklich war ihr Äußeres und doch besaß ich fortwähren den Wunsch,
sie wiederzusehen. Ich hatte vor, mich auf die Suche nach der Zeit zu
begeben. Die Suche sollte nicht von langer Dauer sein, denn plötzlich
stand die Zeit vor mir. Im alten Glanz und in neuen, weit aus
prächtigeren Kleidern. Sie
wusste die Ketten, in die mich der Alltag gelegt hatte, zu sprengen,
meine Neugeburt einzuleiten und das vergangene Sterben zu verhindern. Mir
fiel auf, dass das Gefühl der absoluten und grenzenlosen Freiheit
niemals verschwunden war. Es umgab mich seit meiner Geburt. Ich hatte
lediglich verlernt es zu sehen.“ Ich glaube, dass alle den folgenden Satz verstehen werden, da sie meine Worte schließlich gehört haben müssen: „Nachdem
ich nun die Zeit wiedergefunden habe, ist mir etwas an ihr aufgefallen.
Sie besitzt eine austergewöhnliche Eigenschaft. Sie nutzt sich ab, wenn
man sie nicht nutzt.“
Wolfdietrich Schnurre (22 augustus 1920 – 9 juni 1989)
De Duitse schrijver Gorch Fock (pseudoniem van Johann Wilhelm Kinau) werd geboren op 22 augustus 1880 in Finkenwerder. Zie ook alle tags voor Gorch Fock op dit blog.
Uit:Seefahrt ist not!
„Endlich – ein erlösendes Husten unten im Schiff, ein befreiendes Scharren oben auf dem Chor, ein dreistes Sperlingsgeschrei draußen in den Erlen und Eschen. Da vergingen Gespenster und Gedanken, die Sonnenstrahlen fingen wieder an zu spielen, und Alt-Bodemann bekam seine Sprache zurück. Und als er dann bei seinem Herrgott um den Hausstand anhielt und alle, die dazugehörten, um gottesfürchtige Eheleute, Eltern und Herren, gehorsame Kinder und frommes und getreues Gesinde, da war die große Stille vorüber; die Konfirmanden machten wieder ihre verstohlenen Zeichen, die Mädchen kicherten und stießen einander im geheimen an, Gesine Külper dachte an den ersten Schnellwalzer, Thees Segelmacher stützte die Ellbogen auf die Brüstung und hörte so genau zu, als wenn er noch Pastor werden wollte, und die Fahrensleute rollten die Prüntjer geruhig wieder hinter die Kusen. Klaus Mewes, der junge Seefischer, der in der Nähe der Orgel auf dem Chor saß, war von der Erinnerung an seinen Vater freigekommen, die ihn jäh befallen hatte, und konnte sich wieder seines guten Platzes freuen. Denn er hatte sich so zu Anker gehen lassen, daß er nicht allein recht in der Sonne saß, sondern auch aus dem Fenster sehen konnte. Hinter den Wischen und Gräben sah er den hohen Deich aufragen, und über den Stroh- und Pfannendächern der Häuser gewahrte er die Masten der Fischerfahrzeuge, die auf den Schallen und am Bollwerk lagen, und die Rauchwolken der Dampfer, die im Fahrwasser, hart am holsteinischen Elbufer, auf und ab fuhren: Dinge, die ihm Hirn und Herz mit Mut und Freude füllten. Wenn er dieses Mal gleichwohl nicht sonderlich darauf achtete, so konnte nur sein Junge schuld daran sein, der unter seinen Augen unermüdlich neben der Kirche im Gras auf und ab ging. Er freute sich wie ein Stint, daß er ihn nicht mit hereingenommen hatte, wie es eigentlich seine Absicht gewesen war, als der Junge ihm mit dem Hund nachgekommen war und gesagt hatte, sie wollten das Gesangbuch tragen und ihn bis an die Kirchentür bringen. Denn hätte der Vogel Bunt so lange ruhig gesessen und geschwiegen? Sicherlich nicht – er wäre bald aufgestanden und umhergelaufen und hätte geguckt und gezeigt und gefragt und getan; beim stillen Eingangsgebet in der Fensternische hätte er gesagt, was jener Bauernjunge vom Osterende gesagt hatte, als er seinen Vater in den Hut gucken sah.“
Gorch Fock (22 augustus 1880 – 31 mei 1916) Finkenwerder, haven
De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.
Poëzie
Nu is het dus dat ik niet meer weet hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet niet wat je was: ogen, haar, een hand
om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen, de stadsweg waarover je naar huis toe gaat, mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen van dit leven is gewichtig. dat je hier bestaat
alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig – en al die mooie dingen dan – om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichtvaardig.
Er is te weinig taal in mij om zaken te omschrijven zoals dit gebrek aan angst; dus noem ik maar wat afgebroken wordt, om nog iets goed te maken.
U bent
Toen U wegging brak U mijn hart. Als U terug kon keren zou ik Uw nek breken. Maar U heeft geen nek, alleen een onsterfelijke, denkbeeldige lange hals, als van een fles van dun glas die zich uitstrekt over het water van de zee, glas met daarin de geschiedenis van alles.
Als U terug kon keren zou ik de tafel dekken, het brood breken en de wijn drinken. Ik zou mijzelf aan het kruis slaan van Uw bestaan.
U bent niet meer De Zoon en niet meer De Vader U bent het onbezielde veld en de ruimtetijd. U bent de onbezielde zwaartekracht en het verloop van de lichtstraal bij nacht, U bent de wiskunde zonder zachte geest, U bent r nu en bent er altijd al geweest. U bent de symbolen die men leest.
Maar niet De Zoon en niet De Vader. Niet De Geest.
Toen U wegging brak U mijn hart. Als U terug kon keren zou ik U hardhandig wurgen.
U bent ooit toen ik kind was in mijn huis geweest.
In alle dingen
Nu dan, die verschrikte vogel in je handpalm is maar lijnenspel, want uitje huid vloog niets meer op, zo was mijn verveling: kalm verwachten hoe het middag werd. Hoe je niets besluit,
ook niet dat je slapen wilt, of dichter bij mijn lichaam wilt. En zoals je zei de middag viel; alleen wat helder ogenlicht. Geef mij dit terug, een tijd die zonder angstval in mij lag.
Er komt weer regen over de rivier, koude stedenlucht. Men leeft, beweging is alom en verder gaan de dingen weer als lang geleden.
Je weet, ik ben een beetje angstig voor mijn leven. Ik denk steeds vaker dat de som van alles zinvol is. Misschien om wat wij deden.
Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015) In 1980
De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.
Uit: A Hoarse Half-Human Cheer
“Open up in the name of the law,” Knox said. The tube delivered a laugh. “Oh, the cops again? Always welcome.” The
door buzzed and unlatched and they stepped into a long narrow hall
heavy with stale tobacco smoke. It led to a parlor that had three
loveseats and two big mohair couches. Red velvet wallpaper, a painting
of a nymph pursued by a satyr, and perched in the middle of a coffee
table, a punchboard from the Children’s Crusade. A
friz-haired blonde in an abbreviated purple dress occupied one of the
loveseats with a patron, a plump sixtyish man in a striped business
suit, dangling a gold watch chain, resting an affectionate hand on her
nearer knee. They were sharing a drink out of a lipsticked glass. On a
couch a kid Moon’s age and a middle-aged man in a lumberjack shirt were
sitting. The kid was scrawny with pipe-stem arms and legs and a cap that
said CAPTAIN MARVEL. A young woman, wearing short shorts and a
rabbit-fur vest that hung open over her breasts, stood leaning against a
wall, smoking sullenly. An
imposing matron with prominent jowls, double chins, handsome once, in a
gold evening gown and a necklace with a facsimile of the Star of India,
cruised up to them and greeted the cop like a long lost brother. “Why,
Officer Branigan, where you been keeping yourself? Getting it at home
for a change? Say, I got you a new Latina named Dolores—” Branigan’s
face turned a darker red. With a toss of his head he indicated Knox.
“Listen, Diane,” he said under his breath, “you don’t know me. This is
an official call.” “What
you giving me?” the Madame shrilled. “I don’t need any more official
calls. I already gave to Sergeant Fitzroy for the Police Social Fund.
Who’s your friends?” Moon
stood gazing at the young woman against the wall. She looked sulky,
resentful. His thumb revolved in his secret gesture of tribute, drawing
an imaginary circle around her face. Knox poked him with an elbow. “Don’t get any ideas.” Looking at Aisling, the madam said to Knox, “My God, that’s a beautiful woman you’ve got with you.” “Thanks,” Aisling said. She turned on a winning smile. “Suppose I wanted a job with you. What’s the salary like?
“She supposed that she had meant it to. “Please,” Gerald said quickly. Jody looked uncertain. “I don’t know. Would it go?” “I think we should have a drink,” Gerald said. Marge moved the backpack with the pistols in it to the far edge of the bed and brought Gerald the bottle of Wild Turkey. “I’m afraid there aren’t any glasses.” “That’s all right,” Gerald said. He held the bottle toward the light, examining the texture of the whiskey. “Very fine stuff.” He took three large swallows and passed the bottle to his wife. Jody drank from it grimly. “Do you?” she asked Marge inclining the bottle. Marge took it and drank. For some reason it tasted sweet to her, like sherry. “Are you an addict?” Jody asked. “Certainly,” Marge said. Jody smiled intelligently. “No. Really.” “I don’t know if I am or not.” “Doesn’t that usually mean you are?” Marge shrugged. “How about him,” Gerald asked. “Is he?” “No.” “Aren’t there some funny moral areas there?” Jody asked. “I guess it depends on your sense of humor,” Marge said. Gerald had another drink. “We’re not here to judge,” he said. “There’s such a thing as personal necessity. Maybe it’s beyond moral areas.” Marge found that the liquor made her eyes ache. She closed them against the light, and leaned back on the pil-lows. She had already been told to shut up. “You must be a terrific writer,” she said. Hicks and Eddie Peace huddled against the dark wall of the last bungalow. Eddie hugged his shoulders, his back to the wind. “Ridiculous,” Hicks said. “Ridiculous bullshit.” “I thought you’d be amused for Christ’s sake.” “Amused?” Hicks shivered. “You got a lot of nerve. What happened to the Englishman?” “I got news for you,” Eddie said, “your shit has a bad rap.” “Then there’s a misunderstanding.” “I don’t think so,” Eddie said. Hicks ran a hand over his hair. “Then get those assholes out of here.” Eddie shook his head in impatience. “You don’t understand, Raymond, that’s the misunder-standing. You don’t know how things work here. This guy has just been paid an absurd figure. His wife is an heiresS. I tell you these people have no conception of money.” “You’re the con man,” Hicks said, “not me. I’ve got qual-ity shit to sell — why do I want this insanity?” “Raymond,” Eddie said, “Raymond, try and learn some-thing. I deliver this goof into your hands.” He reached out, took Hicks’ right hand and squeezed it. “He’s a nice fella. He’s very polite.” “I don’t know what you’re talking about.” “Then you’re stupid, Raymond. I tell you your shit is a no-no around here. I’ll give you six thousand for what you can give me. And with a little imagination you can screw Gerald for a lot more. Listen, it would wipe you out what I’ve got working with those two. The guy is scared shit-less — even if he doesn’t know it yet. He’s gotta be dis-creet.” “You’ll give me what?” Hicks said. “What’s that figure again?” He put his hand on Eddie’s shoulder. “You just take it easy,” Eddie said.
“This clear, unemotional intellect, emotional only in the perhaps highest sense, where emotion almost ceases to be recognisable, in the abstract, for ideas, for lines, left him, with all his interests in life, with all his sociability, of a sort, essentially very lonely. Many people were devoted to him, but he had, I think, scarcely a friend, in the fullest sense of the word ; and I doubt if there were more than one or two people for whom he felt any real affection. In spite of constant ill-health, he had an astonishing tranquillity of nerves ; and it was doubtless that rare quality which kept him, after all, alive so long. How far he had deliberately acquired command over his nerves and his emotions, as he deliberately acquired command over his brain and hand, I do not know. But there it certainly was, one of the bewildering characteristics of so contradictory a temperament. One of his poses, as people say, one of those things, that is, in which he was most sincere, was his care in outwardly conforming to the conventions which make for elegance and restraint ; his necessity of dressing well, of showing no sign of the professional artist. ; He had a great contempt for, what seemed to inferior craftsmen, inspiration, for what I have elsewhere called the plenary inspiration of first thoughts; and he hated the outward and visible signs of an inward yeastiness and incoherency. It amused him to denounce everything, certainly, which Baudelaire would have denounced ; and, along with some mere ganiinerie, there was a very serious and adequate theory of art at the back of all his destructive criticisms. It was a profound thing which he said to a friend of mine who asked him whether he ever saw visions : ” No,” he replied, *’ I do not allow myself to see them except on paper.” All his art is in that phrase. And he attained, to the full, one certainly of his many desires, and that one, perhaps, of which he was most keenly or most continuously conscious : contemporary fame, the fame of a popular singer or a professional beauty, the fame of Yvette Guilbert or of Cleo de Mdrode. . And there was logic in his insistence on this point, in his eagerness after immediate and clamorous success. Others might have waited ; he knew that he had not the time to wait._ After all, posthumous fame is not a very cheering prospect to look forward to, on the part of those who have worked without recompense, if the pleasure or the relief of work is not enough in itself. Every artist has his own secret, beyond the obvious one, of why he works.”
Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 – 16 maart 1898) Zelfpotret
„Mama
stahl sich ausgerechnet in der Nacht aus unserem Leben, in der ich mit
meinem Freund Agi durchs Bahnhofs-viertel streifte, eine Nacht wie ein
Traum, der sich lautlos heranschleicht, aufregend und fiebrig, eine
Nacht, die man nie vergisst, weil sie nie endet, die längste, die
dunkelste Nacht meines Lebens. Wenn ich die Augen schließe, sehe ich
als erstes den Schnee. Flocken, die zu Boden schweben, die herum-wirbeln
und miteinander verschmelzen, die aufleuchten und verblassen, die vor
dem grauen Himmel tanzen und vor dem Weiß der Fassaden verschwinden. Der
Platz vor unserem Hochhaus, die Straßen, die Vorgärten, die Büsche und
Bäume, die parkenden Autos, der Müll — alles lag unter einer dicken,
weißen Decke begraben. Auf der Wiese zwi-schen unseren Häusern thronte
ein gigantischer Schnee-mann, dem irgendein Witzbold einen ebenso
gigantischen Ständer verpasst hatte. Am Rande der Gehwege warfen die
Räumfahrzeuge meterhohe Schneegebirge auf. Einen abseits gelegenen Hügel
hatten die Zwillinge aus dem drit-ten Stock festgestampft und
ausgehöhlt — seitdem krochen sie jeden Abend in ihre Höhle, um sich vor
ihrem besoffe-nen Alten zu verstecken. Es war die Nacht vor
Heiligabend. Seit fünf Tagen schon schneite es ohne Unterlass. Die
Zeitungen würden später von einem Jahrhundertwinter schreiben, dabei
waren vom Jahrhundert erst zwei Jahrzehnte vergangen. Ich stand am
Küchenfenster und sah hinunter und überlegte, über die weiße Wiese zu
stapfen, um einmal im Leben der erste zu sein. Wie lange würde es
dauern, bis meine Spur unter neuem Schnee verschwand? Gegen
Winterromantik und weiße Weihnacht und die Schwermut der Verlierer am
Ende eines Jahres bin ich im-mun. Aber in dieser Nacht … Ich sah
hinaus und hoffte, dass irgendetwas geschah. Ein Wunder oder ein
Unglück, ein Anfang oder ein Ende, gleich was, Hauptsache, wir würden
auch morgen noch darüber sprechen oder besser sogar noch im nächsten
Jahr. Die Stille wuchs, eine eisige Kälte breitete sich in mir aus und
mit ihr das dumpfe Gefühl einer Bedrohung, ich hielt die Luft an,
wartete, doch nichts geschah.“
« Quand
l’un des serveurs vient leur glisser à l’oreille qu’ils ont été
choisis, ils cochent une petite case sur un tableau avant de se diriger
vers le bar d’un air parfaitement dégagé et les autres garçons se
gardent poliment de commenter la transaction qui s’ébauche. La direction
relève sans doute le carnet de notes mural avant la fermeture. Une fois
que la réservation a été confirmée, après une présentation qui
s’éternise rarement, le garçon se rhabille prestement en coulisses, et
revient ; il n’y a plus qu’à régler les consommations, la commission au
club due par le client et à sortir au milieu des courbettes, des
marionnettes grimaçantes qui font office de loufiats et lancent d’une
voix suraiguë : Good night sire, see you again. On peut prendre deux
garçons, ou même plusieurs, aucune objection puisque la réponse est
toujours : I want you happy. Contrairement à une assertion généralement
colportée il y a peu de ruines sexuelles occidentales parmi le public,
la clientèle est en majorité locale, d’âge moyen, bien convenable et
sort en bande légèrement arrosée au whisky-Coca. Les quelques naufragés à
peau blanche du Spartacus font plutôt tache dans l’ensemble mais il est
vrai aussi qu’on leur propose les meilleures tables. Evidemment,
j’ai lu ce qu’on a pu écrire sur le commerce des garçons d’ici et vu
quantité de films et de reportages ; malgré ma méfiance à l’égard de la
duplicité des médias je sais ce qu’il y a de vrai dans leurs enquêtes à
sensation ; l’inconscience ou l’âpreté de la plupart des familles, la
misère ambiante, le maquereautage généralisé où crapahutent la pègre et
les ripoux, les montagnes de dollars que cela rapporte quand les gosses
n’en retirent que des miettes, la drogue qui fait des ravages et les
enchaîne, les maladies, les détails sordides de tout ce trafic. Je
m’arrange avec une bonne dose de lâcheté ordinaire, je casse le marché
pour étouffer mes scrupules, je me fais des romans, je mets du sentiment
partout ; je n’arrête pas d’y penser mais cela ne m’empêche pas d’y
retourner. Tous ces rituels de foire aux éphèbes, de marché aux esclaves
m’excitent énormément. La lumière est moche, la musique tape sur les
nerfs, les shows sont sinistres et on pourrait juger qu’un tel
spectacle, abominable d’un point de vue moral, est aussi d’une vulgarité
repoussante. Mais il me plaît au-delà du raisonnable. La profusion de
garçons très attrayants, et immédiatement disponibles, me met dans un
état de désir que je n’ai plus besoin de refréner ou d’occulter.
L’argent et le sexe, je suis au cœur de mon système ; celui qui
fonctionne enfin car je sais qu’on ne me refusera pas. Je peux évaluer,
imaginer, me raconter des histoires en fonction de chaque garçon ; ils
sont là pour ça et moi aussi. Je peux enfin choisir. J’ai ce que je n’ai
jamais eu, j’ai le choix ; la seule chose que l’on attend de moi, sans
me brusquer, sans m’imposer quoi que ce soit, c’est de choisir. Je n’ai
pas d’autre compte à régler que d’aligner mes bahts, et je suis libre,
absolument libre de jouer avec mon désir et de choisir.”
Die
Drahtspange mit dem Gummibelag streift unaufhörlich das Wasser vom
Glas. Zwei solche Spangen sind es, die sich an gegenüberliegenden
Stellen um ihre Endpunkte drehen und mit den äußeren Spitzen Halbkreise
beschreiben. Nur die Flächen innerhalb der Halbkreise werden vom Wasser
befreit, und diese Flächen überschneiden sich. Abwechselnd fahren die
Scheibenwischer durch die Schnittmenge, spritzen das mitgebrachte Wasser
ins Revier des Nachbarn, der es, um eigenes Wasser ergänzt,
zurückwirft. So winken beide nach links und nach rechts und spielen sich
jedes Mal den Regen zu, zerstören jedes Mal den Halbkreis des Partners.
Das Wimmern des Gummis ist im Wageninnern nur abgeschwächt zu hören.
Kupplung, Cas-und Bremspedal tragen den Schmutz von Wanderschuhen. Auf
dem Rücksitz eine Hundedecke. Alle Fenster-scheiben sind hochgekurbelt,
die Knöpfe auf den geschlossenen Türflügeln heruntergedrückt. Der offene
Aschenbecher wartet auf Asche. Der Geschwindigkeitszeiger liegt unter
der Null. Nur die Scheibenwischer streiten weiter, schieben das
Regenwasser hin und her und der Regenschauer wird grob, trommelt aufs
Karosseriedach. Die Außenwelt verschwimmt. Die Wischer verlieren die
Herrschaft über ihre Halbkreise, zerhacken sich trotzdem weiterhin die
Grenzlinien. Die Schritte meines Vaters nähern sich über dem Kies. Seine
Gestalt verdunkelt das Wageninnere, beugt sich über die Fahrertür,
reißt sie auf. Der Regen wird echt. Viel zu viel Wind drängelt sich
durch die offene Fahrertür, das Wasser erreicht den Rücksitz, meine
Beine. Der Motor startet, die Scheinwerfer blenden das fallende Wasser.
Mein Vater erwischt mich im Rückspiegel und die Scheibenwischer turnen
zwei Stufen schneller““ .
Het allerbelangrijkste is de nagel bij ontbreken valt de kunst.
Sekt
Ook Duitse prikkelt is niet zo duur en tenslotte kun je achteraf immers vrijen op zijn Frans
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009) Linz
De Russische dichter Gennadi Ajgi werd geboren op 21 augustus 1934 in het dorpje Sjajmoerzjino in de Tsjoewasjische republiek, aan de Wolga, 400 km ten oosten van Moskou. Zie ook alle tags voor Gennadi Aigi op dit blog.
Dag
en weer die dromen in asfaltglans nu eens van heuvels in gloed dan uitholling in zwart als een vonkende vloedgolf enormgrote kringen in een oeverloze zee kikkerdril
en overdag verandert de asfaltarena in iets dat veel lijkt op toneelstellages uit Shakespeare’s tijden
en achter elke lantaarnpaal schemeren bergen en rivieren – en vuurtorens
en reeds wordt stad tot zee en sneeuwhopen, ijspegels, smeltwaterplassen zijn niet anders dan de kammen van een onzichtbare zee
en die zee is onstuimig door sporen van auto’s – sleetjes – overschoenen en de jaarlijkse vervlechting van al die sporen, van alle tekens wordt tot de deining van een Stad-Zee
Mijn eigen
Ik moet met mijn lippen de grenzeloosheid van haar ogen bereiken en mij dan verbazen over de nauw merkbare klop in de aderen van het onderste ooglid en begrijpen dat dit door hun doorzichtigheid komt en hun onlichamelijkheid zo licht en zo smartelijk zijn die ogen die bijna niet trillen
en ik zal van haar houden met handen en lippen en met mijn zwijgen en droom en de straten van mijn gedichten en met de leugen – voor staten en met de waarheid – voor leven
en met de perrons van alle spoorwegstations waar ik eens voor het laatst zal verwijlen voor een blik op de hete en zwarte ruggen van locomotieven op rangeerterreinen
en haar laat ik over aan in de rij staande mensen, aan toevluchtsoorden in Siberië van kleine vreselijke steden en van haar ga ik weg en voor goed
naar het slachthuis der mensen van de eeuw ook die van mij…
Vertaald door Charles B. Timmer
Gennadi Ajgi (21 augustus 1934 – 21 februari 2006)
In de hondsdagen versterft het wilde gezang. Bij de kom in het gras is de merel komen drinken vier lange teugen voor hij weer vloog – wat leeft, leeft van schrik en beven.
Ik ken iemand; hij ligt in zijn groene graf, het is nog vers. Hij zwijgt daar als de schuwe vogel die hij altijd was.
Ook ik ben nog nooit zo stil geweest. Er is beangstigend weinig te vrezen.
De zomer weelderig, de warme aarde rustplaats waar overal schaduwen lijken te groeien uit stralende zon.
Elementa
Als ieder ogenblik een ongekend begin is van nasleep die pas over eeuwen licht zal werpen op dit nu –
zijn de bekende woorden sterrenschijnsel, amechtig arriverend, veel te laat. Waar kunnen we dan nog over praten?
Alleen de lokstem van het water zwatelt in strikt hedendaagse taal, geen touw aan vast te knopen; zeker niet
op het razende tijdstip van je verschuimen in een onophoudelijk liggen gaande onophoudelijk weer opstekende storm.
Stof
Zo mooi is het om gedichten te schrijven ’s nachts als de dagtaak af is en iedereen die bij de Nederlandsche Bank werkt al slaapt; het is donker, dat spreekt, en ook stil, in mijn hoofd suist het van woorden, woorden, mijn vingers zijn hard van de schrijfmasjien. De versterker kreunt na: laatste zenders geven gruis. Het is nacht, maar de bomen blijven staan. Dat denk ik althans; en ik denk aan alles dat plaatsvindt, tot stuiven de overhand neemt.
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948)
“Tell me a story,” the bearded man sitting on my living-room sofa commands. The situation, I must admit, is anything but pleasant. I’m someone who writes stories, not someone who tells them. And even that isn’t something I do on demand. The last time anyone asked me to tell him a story, it was my son. That was a year ago. I told him something about a fairy and a ferret—I don’t even remember what exactly—and within two minutes he was fast asleep. But here the situation is fundamentally different. Because my son doesn’t have a beard, or a pistol. Because my son asked for the story nicely, and this man is simply trying to rob me of it. I try to explain to the bearded man that if he puts his pistol away it will only work in his favor, in our favor. It’s hard to think up a story with the barrel of a loaded pistol pointed at your head. But the guy insists. “In this country,” he explains, “if you want something, you have to use force.” He just got here from Sweden, and in Sweden it’s completely different. Over there, if you want something, you ask politely, and most of the time you get it. But not in the stifling, sultry Middle East. All it takes is a single week around here to figure out how things work—or rather, how things don’t work. The Palestinians asked for a state, nicely. Did they get one? The hell they did. So they switched to blowing up kids on buses, and people started listening. The settlers wanted a dialogue. Did anyone pick up on it? No way. So they started getting physical, pouring hot oil on the border patrolmen, and suddenly they had an audience. In this country, might makes right, and it doesn’t matter if it’s about politics or economics or a parking space. Brute force is the only language we understand. Sweden, the place the bearded guy made aliya from, is progressive, and is way up there in quite a few areas. Sweden isn’t just ABBA or IKEA or the Nobel Prize. Sweden is a world unto itself, and whatever they have, they got by peaceful means. In Sweden, if he’d gone to the Ace of Base soloist, knocked on her door and asked her to sing for him, she’d invite him in and make him a cup of tea. Then she’d have pulled out her acoustic guitar from under the bed and and play for him. And all this, with a smile. But here? I mean, if he hadn’t been flashing a pistol I’d have thrown him right out. Look, I try to reason. “Look yourself,” the bearded guy grumbles, and cocks his pistol. “It’s either a story or a bullet between the eyes.”
Etgar Keret (Ramat Gan, 20 augustus 1967)
De Amerikaanse schrijver James Rollins (pseudoniem van James Paul Czajkowski) werd geboren in Chicago op 20 augustus 1961. Zie ook alle tags voor James Rollins op dit blog.
Uit: The Doomsday Key:
“Spring, 1086 England The
ravens were the first sign. As the horse-drawn wagon traveled down the
rutted track between rolling fields of barley, a flock of ravens rose up
in a black wash. They hurled themselves into the blue of the morning
and swept high in a panicked rout, but this was more than the usual
startled flight. The ravens wheeled and swooped, tumbled and flapped.
Over the road, they crashed into each other and rained down out of the
skies. Small bodies struck the road, breaking wing and beak. They
twitched in the ruts. Wings fluttered weakly. But most disturbing was
the silence of it all. No caws, no screams. Just the frantic beat of
wing—then the soft impact of feathered bodies on the hard dirt and
broken stone. The wagon’s driver crossed himself and slowed the cart.
His heavy-lidded eyes watched the These
last were closer to the truth than anyone suspected. Martin had read
the wax-sealed letter. He’d observed that lone scribe painstakingly
recording the results of the royal commissioners in the great book, and
at the end, he’d watched the scholar scratch a single word in Latin, in
red ink. Vastare. Wasted. Many
regions were marked with this word, indicating lands that had been laid
waste by war or pillage. But two entries had been inscribed entirely in
crimson ink. One described a desolate island that lay between the coast
of Ireland and the English shore. Martin approached the other place
now, ordered here to investigate at the behest of the king. He had been
sworn to secrecy and given three men to assist him. They trailed behind
the wagon on their own horses. At Martin’s side, the driver twitched the
reins and encouraged the draft horse, a monstrously huge chestnut, to a
faster clop. As they continued forward, the wheels of the wagon drove
over the twitching bodies of the ravens, crushing bones and splattering
blood.”
Als
jongeman zag mijn vader in Soerabaja de ‘vliegende sigaren’ van de
Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag
Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage
in dienst van her zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist
onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten
Austr-lische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren,
hij zag Punjabisoldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en
ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de
Birmaspoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten
was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde
de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost
kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hirte van de Javaanse
Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de
enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine
hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa’•, hij
zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun
eenvoudige huisjes uit rennen en overhoopgeschoten worden, hij leerde
schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling achter
wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als
hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de
hard.nekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op
een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het
bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van
honderd gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station
Wonokrorno en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit
zesenveertig lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij
vond een Indo-vriend* terug die zichzelf voor de kop had geschoten
nadat hij had ontdekt dat zijn meisje niet een Hollandse soldaat het bed
had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap* jongens af met wie hij nog
een appeltje le schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat
tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak. Of ben
je dat laatste vergeten, Pa, omdat je het misschien verzonnen had?”
„An
den Prähmen, den Schwimmstegen vor dem Ufer, konnten je drei Segler
gleichzeitig anlegen, und normalerweise war genügend Stapelfläche für
ihre Fracht vorhanden. Nicht jedoch, wenn Görgen von Kortholt dort die
Befehle gab. Der drahtige Alte fuchtelte mit seinen Listen, rief scharf
nach Gütern, die im Schiffsrumpf hinter allem anderen gelagert waren,
und verlangte im nächsten Moment nach dem, was eben noch vorne gestanden
hatte. Seine Kästen, Ballen und Fässer verteilten sich bald überall auf
dem gesamten Steg, sodass für die Lasten weiterer Schiffe kein
Durchkommen mehr blieb. Dadurch wurden Görgens Güter immer als Erstes
auf die Wagen geladen, was ihm einen erheblichen Zeitvorteil
verschaffte. Liron beschäftigte die Anwesenheit des Kaufmanns aber aus
ganz anderen Gründen. Görgen von Kortholt war als Ratsherr auch
Vorsteher von St. Marien. Er regierte über Kantor, Organist und Glöckner
der bedeutenden Kirche, die alle Laute der Schöpfung in sich zu bergen
schien und in minutenlangem Nachhall zu immer neuen Klängen verwob.
Einmal war Liron dem Kaufmann schon so nahe gekommen, dass er ihn hätte
berühren können. Wenn es nur eine Möglichkeit gäbe, ihn auf sich
aufmerksam zu machen. «Beachtlich, dass der alte Pfeffersack bei diesem
Wetter zum Hafen kommt», sagte er. «Nee, nee», brummte Eggert, «ich
meine nicht den Alten, ich rede vom Junior, vom Sohn.» Lirons Interesse
nahm deutlich ab. Er ruckte sein Fass zurecht und trat vorsichtig auf
die Planke, die zum Steg hinunterführte. Das Holz war glatt, denn seit
dem Morgen nieselte es schon. Wenigstens war die glitschige Schicht
heute nicht gefroren. Er war erst wenige Schritte balanciert, als der
schleppende Tross ins Stocken geriet. Zurück konnte Liron nicht mehr,
und das schwankende Laufbrett war viel zu schmal, um das Fass darauf
abzusetzen. Soweit es ihm in der gebückten Haltung möglich war, hob er
den Kopf und spähte an den anderen Männern vorbei zum Prahm hinüber. Da
stand er, der junge Thiedemann von Kortholt, in aufrechter Haltung, als
ob er einem Maler Modell stehen würde. Seine Rechte ruhte auf dem Degen,
in der Linken hielt er einen Federhut.“
„Im Dezember 1944 brauchten die Königsberger keine Rußlandkarten mehr. Ich hefte die Karte mit Stecknadeln an die Wand über meinem Schreibtisch. Ein Riesenraum öffnet sich, ein Tor springt auf, Schnee weht mir ins Gesicht, Bäume brechen unter der weißen Last, Kälte strömt mir entgegen. Vor mir eine weiße Landschaft, in der wie Strichmännchen feldgraue Figuren umherirren. Ich entdecke schwarze und rote Linien, Kreuze, die so aussehen, als ständen sie auf Gräbern. Und die Kreise nicht zu vergessen, sie markieren die Kessel. “In den Kesseln faulte das Wasser”, sang mein Vater, als er marschierte. Ganz unten rechts finde ich Stalingrad, ein unerhört ferner Ort, fast könnte man denken, er gehöre nicht zu Europa. Die Stadt Leningrad links oben hat auch ihren Namen verloren. Nur Moskau ist geblieben. Ich entdecke Nadelstiche im alten Papier. Da steckten die Siegesfähnchen mit dem Hakenkreuz. Um Stalingrad bilden viele Nadelstiche einen Kreis, das war der Kessel … Wanderer, kommst du nach Sparta … Aus den Briefen des Walter Pusch fällt ein verblichenes Foto. Es zeigt drei vermummte Männer in den damals üblichen Uniformen, dahinter eine Schneelandschaft wie in meinem Garten. Ein schwarzweißes Bild, aber doch mehr Weiß. Schwarz sind nur die Männer und das Ungetüm von Kanone im Hintergrund. Auf die Rückseite hat Walter Pusch geschrieben: Drei Kameraden mit Kanone im Wald bei Orscha: Rosen, Godewind und ich. Die Reihenfolge hat er nicht angegeben. Wie soll ich herausfinden, wer von ihnen mein Vater ist? Etwa der Kleine in der Mitte? Niemand hat mir gesagt, ob mein Vater groß oder klein war, ob er schwarzes Haar trug oder blondes. Und seine Augen, waren sie blau oder braun?“
He’s taken out his papers, an’ he’s just like you an’ me. He’s sworn to love the Stars and Stripes an’ die for it, says he. An’ he’s done with dukes an’ princes, an’ he’s done with kings an’ queens, An’ he’s pledged himself to freedom, for he knows what freedom means.
He’s bought himself a bit of ground, an’, Lord, he’s proud an’ glad! For in the land he came from that is what he never had. Now his kids can beat his writin’, an’ they’re readin’ books, says he, That the children in his country never get a chance to see.
He’s taken out his papers, an’ he’s prouder than a king: ‘It means a lot to me,’ says he, ‘just like the breath o’ spring, For a new life lies before us; we’ve got hope an’ faith an’ cheer; We can face the future bravely, an’ our kids don’t need to fear.’
He’s taken out his papers, an’ his step is light to-day, For a load is off his shoulders an’ he treads an easier way; An’ he’ll tell you, if you ask him, so that you can understand, Just what freedom means to people who have known some other land.
The Common Joys
THESE joys are free to all who live The rich and poor, the great and low: The charms which kindness has to give, The smiles which friendship may bestow, The honor of a well-spent life, The glory of a purpose true, High courage in the stress of strife, And peace when every task is through.
Nor class nor caste nor race nor creed, Nor greater might can take away The splendor of an honest deed. Who nobly serves from day to day Shall walk the road of life with pride, With friends who recognize his worth, For never are these joys denied Unto the humblest man on earth.
Not all may rise to world-wide fame, Not all may gather fortune’s gold, Not all life’s luxuries may claim; In differing ways success is told. But all may know the peace of mind Which comes from service brave and true; The poorest man can still be kind, And nobly live till life is through.
These joys abound for one and all: The pride of fearing no man’s scorn, Of standing firm, where others fall, Of bearing well what must be borne. He that shall do an honest deed Shall win an honest deed’s rewards; For these, no matter race or creed, Life unto every man affords.
A freed channel opened out in the frozen heart. The ice melted at a warm word and the water lay still and black with new breath.
Overhead the wires sang in a daring tension between unlike minds, a wide arc in the pale blue.
All sorts of cold fish darted to and fro and stared. But the still black water waited impatiently, and the first boat also appeared as if from itself, its painting peeling from the sides after the winter, and the water and the boat spoke quietly together about life’s blissful moments.
Uit: De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders
“Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het vergif, met eene gouden schaal, zoo groot als eene hazelnoot. Mevrouw de Chauffade bond aan een zijden draadje dat hem op de maag hing, eene schelp, wolfsmuil geheeten, voor de goede spijsvertering; messire van den Steen van Vlaanderen bood hem eene Gentsche worst aan, van vijf ellebogen lang en een halven dik, daarbij wenschte hij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid dat hij, alleen op den reuk van de worst, dorst kreeg naar Gentschen klauwaart, mits al wie het bier eener stad lustte, sprak hij, de brouwers niet haten kon; messire schildknaap Jacob Christoffel van Castilië bad Zijne Hoogheid den Infant groenen jaspis aan zijne doorluchtige voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de Paepe, de nar, die daar was, sprak toen: – Messire, geef hem liever den horen van Josuah, bij wiens geschal al de steden voor hem zullen beginnen loopen, met kuip, met huizen, met inwoners, mannen, vrouwlieden en kinderen, om alles van plaats te verzetten. Want Zijne Hoogheid moet niet leeren loopen, maar wel de anderen doen loopen. De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, die heer van Veere, in Zeeland was, schonk aan Z.H. Philips eenen steen die de eigenschap had, naar zij zegde, de mannen verliefd en de vrouwen ontroostbaar te maken. Maar de infant schreide zonder ophouden. Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak een wisschen klater met belletjes in de hand van zijn zoon, deed Uilenspiegel op zijne hand dansen en sprak: ‘Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes op uw kaproen, mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld’. En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.”
“The name had been pronounced in a tone of tired incredulity, by a woman who was holding a glass of apple juice in one hand, and a half-smoked cigarette in the other. She had short, jet-black hair, a prominent jaw and lively dark eyes. Sarah recognized her, vaguely, from previous visits to the Cafe Valladon, but did not know her name. She was later to find out that it was Veronica. ‘That’s just so typical,’ the woman added: then closed her eyes as she puffed on her cigarette. She was smiling, perhaps taking the argument less seriously than the thin, pasty, earnest-looking student sitting opposite her. ‘People who don’t know anything about theatre,’ Veronica continued, ‘always talk about Pinter as if he’s one of the greats.’ ‘OK,’ said the student. ‘I agree that he’s overrated. I agree with that. That’s exactly what proves my point.’ ‘It proves your point?’ ‘The British postwar theatrical tradition,’ said the student, ‘is so … etiolated, that –‘ ‘Excuse me?’ said an Australian voice next to him. ‘What was that word?’ ‘Etiolated,’ said the student. ‘So etiolated, that there’s only one figure who –‘ ‘Etiolated?’ said the Australian. ‘Don’t worry about it,’ said Veronica, her smile broadening. ‘He’s just trying to impress us.’ ‘What does it mean?’ ‘Look it up in the dictionary,’ snapped the student. ‘My point is, that there’s only one figure in postwar British theatre with a claim to any kind of stature, and even he is overrated. Massively overrated. Ergo, the theatre is finished.’ ‘Ergo?’ said the Australian. ‘It’s over. It has nothing to offer. It has no part to play in contemporary culture, in this country, or in any other country.’ ‘So what — you’re saying that I’m wasting my time?’ Veronica asked. ‘That I’m out of tune with the whole … Zeitgeist?’ ‘Absolutely. You should change courses at once: to film studies.’ ‘Like you.’ ‘Like me.’ ‘Well, that’s interesting,’ said Veronica. ‘I mean, just look at the assumptions you’re making. For one thing, you assume that just because I’m interested in the theatre, I must be studying it. Wrong: I’m doing economics. And then, this whole conviction of yours that you’re in possession of some kind of absolute truth: I … well, I find that a very male quality, is all I can say.’
Because this graveyard is a hill, I must climb up to see my dead, stopping once midway to rest beside this tree.
It was here, between the anticipation of exhaustion, and exhaustion, between vale and peak, my father came down to me
and we climbed arm in arm to the top. He cradled the bouquet I’d brought, and 1, a good son, never mentioned his grave, erect like a door behind him.
And it was here, one summer day, I sat down to read an old book. When I looked up from the noon-lit page, I saw a vision of a world about to come, and a world about to go.
Truth is, I’ve not seen my father since he died, and, no, the dead do not walk arm in arm with me.
If I carry flowers to them, I do so without their help, the blossoms not always bright, torch-like, but often heavy as sodden newspaper.
Truth is, I came here with my son one day, and we rested against this tree, and I fell asleep, and dreamed
a dream which, upon my boy waking me, I told. Neither of us understood. Then we went up.
Even this is not accurate. Let me begin again:
Between two griefs, a tree. Between my hands, white chrysanthemums, yellow chrysanthemums.
The old book I finished reading I’ve since read again and again.
And what was far grows near, and what is near grows more dear,
and all of my visions and interpretations depend on what I see,
and between my eyes is always the rain, the migrant rain.
One Heart
Look at the birds. Even flying is born
out of nothing. The first sky is inside you, open
at either end of day. The work of wings was always freedom, fastening one heart to every falling thing.
de getijden van de aarde lezen we in het groenlands ijs de planeet reist van warm naar koud in de parabolen zit verscholen een eeuwige beweging, een cyclus als in het woud.
nu het woud brandt kantelt het klimaat en wordt het spagaat van deze tijd is de processierups op de eik een teken aan de wand van een nakende precessie?
de strijd om de noordpool: het is drummen om een deel van de wegsmeltende kap de kapsones en capriolen worden weggemoffeld als zeehonden doodgeknuppeld of -geknuffeld
het stormt en de stromen slaan op hol als de weersmurfmachine wie heeft aan de hendels geprutst? het gutst, het vriest, we puffen, we liggen naakt op een gletsjer en laten ons fotograferen
wat brengt de toekomst voor tuvalu, de malediven of de lage landen: pompen, verzuipen, opvissen van kolossen door een verre generatie?
zullen we stranden in ons afval of gaan we cradle-to-cradle en downcycl’en we het tot voedsel met het credo food is waist & waist is food?
zeggen we de CO2-babe vaarwel en ons geolied libido en rekenen we op het albedo (schilderen we alles wit, te beginnen in lissewege)?
voelen we de doom van venus en gedragen we ons loom in de hitte van de dagen tot de dag des oordeels?
overleven we als noach op de goddelijke archipel waar een duif ons hoop brengt een groene tak en tsjak begint alles weer van voren af aan?
Frederik Lucien De Laere (Brugge, 19 augustus 1971)
‘Elk schip is onzinkbaar. Totdat het zinkt.’ Dat schreef ik (S) in 2015 op Twitter nadat het uit was met mijn vriend, de vader van mijn kinderen die toen 1 en 4 waren. De boot van mijn relatie bleek een maand eerder tot mijn verrassing lek te zijn en ik was uit alle macht water aan het hozen, maar hij was dan toch gekapseisd. Ik weet nog hoe mijn vriend vroeg op de avond thuiskwam van een etentje, hoe ik nog hoopte dat dit een goed teken was, maar dat ik meteen aan zijn gezicht zag dat het mis was. De twijfel die hij een maand eerder had geuit (of die ik liever gezegd na flink doorvragen uit hem trok) was uitgemond in een besluit. Hij begon te praten. Het was voorbij. ‘Nee, nee, niet doen!’ riep ik geschrokken alsof ik mijn jongste kind naar een vaas zag grijpen. Ik zag geen glas, maar mijn hart in duizend stukken op de vloer belanden. En mijn gezin. Er zou niets geprobeerd worden; geen relatietherapie, geen vakantie om tot elkaar te komen, zelfs geen time-out. Het was gewoon – met onmiddellijke ingang en eenzijdig besloten – klaar tussen ons. Als je gedumpt wordt, is dat (ook al was het misschien niet eens onverwacht en stond de relatie al tijden op springen) een schok. Je hart breekt en dat kun je bijna horen, maar dat voel je gek genoeg niet als eerste. In het allereerste begin barst de bom in je hoofd, waar de zin ‘Het is voorbij’ maar in blijft doorklinken, honderden keren en zelfs dan geloof je het nog niet. Je hersenen kunnen die informatie niet aan, want het is in tegenspraak met hoe jij zelf denkt en met wat je voelt, wilt en verwacht. Connie Palmen nam plaats op de bank in onze villa en zij duidde die eerste schok als volgt: ‘Het gaat niet alleen om het idee dat je niet meer bij iemand kunt aankloppen, ik voelde me ook werkelijk half doorgehakt.”
De ondergaande zon schijnt door mijn tanden, mijn baard is als een paardekruis gelijnd, het knoestig smoel dat door mijn wangen schijnt wil rotten in de klei van niemandslanden.
Begerig krommen zich mijn loopgraafhanden: ik heb het roofdier lief dat in mij schrijnt, en haat mijn zwakke geest waarin hij kwijnt, wil uit mijn lichaam slopen al zijn banden.
Ik word bezeten door de dolle wens, hem onbevreesd geheel te kunnen wezen, die lucht en water als domeinen wil,
maar ken van elke ruimtekoorts de grens; ik zoek de vrouw die niet voor hem zal vrezen, een zak in ’t zonlicht maakt mijn flanken kil.
Signature Tune,
Rijdt u maar aangenaam door Mijn geschriften, mijn Rets is de getuige van Mijn driften. Dat zint hem niet, hij zint op wraak en hij wappert met Mijn haar en regenjas, dat laatste liefst tussen zijn spaken. Hij wenst, als blijkt uit zijn langdurig heng’len zich even vurig met zijn buurfiets te verstreng’len als ik met haar erop, als ’t mooglijk was.
Louis Th. Lehmann (19 augustus 1920 – 23 december 2012)
Geniuses of countless nations Have told their love for generations Till all their memorable phrases Are common as goldenrod or daisies. Their girls have glimmered like the moon, Or shimmered like a summer moon, Stood like a lily, fled like a fawn, Now the sunset, now the dawn, Here the princess in the tower There the sweet forbidden flower. Darling, when I look at you Every aged phrase is new, And there are moments when it seems I’ve married one of Shakespeare’s dreams.
Reflection On The Fallibility Of Nemesis
He who is ridden by a conscience Worries about a lot of nonscience; He without benefit of scruples His fun and income soon quadruples.
“The priest sat next to me at the dinner table. He whispered that those two old Protestants were very rich from raising Thoroughbred racehorses in Kentucky and if I had any sense I’d be nice to them, you never know.
I wanted to ask what was the proper way to be nice to rich Protestants who raise racehorses but I couldn’t for fear the priest might think I was a fool. I heard the Protestants say the Irish people were so charming and their children so adorable you hardly noticed how poor they were. I knew that if I ever talked to the rich Protestants I’d have to smile and show my destroyed teeth and that would be the end of it. The minute I made some money in America I’d have to rush to a dentist to have my smile mended. You could see from the magazines and the films how the smile opened doors and brought girls running and if I didn’t have the smile I might as well go back to Limerick and get a job sorting letters in a dark back room at the post office where they wouldn’t care if you hadn’t a tooth in your head. Before bedtime the steward served tea and biscuits in the lounge. The priest said, I’ll have a double Scotch, forget the tea, Michael, the whiskey helps me sleep. He drank his whiskey and whispered to me again, Did you talk to the rich people from Kentucky? I didn’t. Dammit. What’s the matter with you? Don’t you want to get ahead in the world? I do.
Well, why don’t you talk to the rich people from Kentucky? They might take a fancy to you and give you a job as stable boy or something and you could rise in the ranks instead of going to New York which is one big occasion of sin, a sink of depravity where a Catholic has to fight day and night to keep the faith. So, why can’t you talk to the nice people from Kentucky and make something of yourself? Whenever he brought up the rich people from Kentucky he whispered and I didn’t know what to say. If my brother Malachy were here he’d march right up to the rich people and charm them and they’d probably adopt him and leave him their millions along with stables, racehorses, a big house, and maids to clean it. I never talked to rich people in my life except to say, Telegram, ma’am, and then I’d be told go round to the servants’ entrance, this is the front door and don’t you know any better.”
Frank McCourt (19 augustus 1930 – 19 juli 2009)
De Engelse toneelschrijver, dichter en criticus John Dryden werd geboren op 19 augustus 1631 in Aldwinkle (Northamptonshire). Zie ook alle tags voor John Dryden op dit blog.
Ah, How Sweet It Is To Love!
AH, how sweet it is to love! Ah, how gay is young Desire! And what pleasing pains we prove When we first approach Love’s fire! Pains of love be sweeter far Than all other pleasures are.
Sighs which are from lovers blown Do but gently heave the heart: Ev’n the tears they shed alone Cure, like trickling balm, their smart: Lovers, when they lose their breath, Bleed away in easy death.
Love and Time with reverence use, Treat them like a parting friend; Nor the golden gifts refuse Which in youth sincere they send: For each year their price is more, And they less simple than before.
Love, like spring-tides full and high, Swells in every youthful vein; But each tide does less supply, Till they quite shrink in again: If a flow in age appear, ‘Tis but rain, and runs not clear.
Dreams
Dreams are but interludes which Fancy makes; When monarch Reason sleeps, this mimic wakes: Compounds a medley of disjointed things, A mob of cobblers, and a court of kings: Light fumes are merry, grosser fumes are sad; Both are the reasonable soul run mad; And many monstrous forms in sleep we see, That neither were, nor are, nor e’er can be. Sometimes forgotten things long cast behind Rush forward in the brain, and come to mind. The nurse’s legends are for truths received, And the man dreams but what the boy believed. Sometimes we but rehearse a former play, The night restores our actions done by day; As hounds in sleep will open for their prey. In short, the farce of dreams is of a piece, Chimeras all; and more absurd, or less.
John Dryden (19 augustus 1631 – 12 mei 1700) Portret door John Riley, z. j.
Onafhankelijk van geboortedata
De Britse dichter en humorist Matt Harvey humorist en performance-dichter werd geboren in Cheshire in 1962. In zijn jeugd trok hij door Groot-Brittannië en verbleef in Cheshire, Schotland en Ierland; hij vestigde zich in Twickenham, Londen op de leeftijd van 15. Als tiener werd hij beïnvloed door de Mersey Poets, waaronder Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten. Hij had een moeilijke jeugd en als twintiger bezocht hij de Self Heal Association, een psychotherapeutisch centrum in Devon. Hij werd later helper in het centrum en is blijven spreken en presteren op conferenties over geestelijke gezondheidszorg. Hij begon zijn carrière als performance kunstenaar in 1992 en gaf live optredens aan het publiek in het zuidwesten van Engeland. Hij heeft sindsdien in het hele land op conferenties, cabarets, hogescholen en literaire festivals opgetreden. Harvey werd benoemd tot Official Wimbledon Championship Poet 2010. De taak bestond erin om elke dag van het kampioenschap een gedicht uit te brengen om de toeschouwers te vermaken. Harvey is gastheer van Wondermentalist – het poëziecabaret van Radio 4 – en auteur van o.a. “The Hole in the Sum van my Parts”, “Where Earwigs Dare” “Mindless Body Spineless Mind” en “The Element in the Room”. Hij is getrouwd, met één vrouw. Ze hebben twee zonen.
Where Earwigs Dare
A silver trail across the monitor; fresh mouse-droppings beneath the swivel-chair; the view obscured by rogue japonica. Released into the wild, where earwigs dare –
you first went freelance – and then gently feral. You worked from home – then wandered out again, roughed it with spider, ant, shrew, blackbird, squirrel in your won realm, your micro-Vatican.
No name conveys exactly what it is – Chalet? Gazebo? You were not misled by studios, snugs, garden offices, workshops or outhouses. A shed’s a shed –
and proud of it. You wouldn’t want to hide it. Wi-Fi-enabled rain-proof wooden box – a box to sit in while you think outside it. Self-rattling cage, den, poop-deck, paradox,
hutch with home-rule, cramped cubicle of freedom, laboratory, thought-palace, badger’s bower, plot both to sow seeds and to go to seed in, cobwebbed, Cuprinol-scented, Seat of Power.
Slug
low-born land mollusc high-impact intruder easy oozer, slime exuder free-loader, sprout-spoiler meandering marauder disrespecter of my broad-beans’ border you’ve a one-track mind in a one-track bodydiligent pillager soft-horned invisigoth slow silver scribbler paradoxically busy sloth tithe-taker, hole-maker indiscriminate direct debitor bold-as-brass brassica editor
you’re a squishetty spoilsport a glistening drag the liquorice all-sort nobody wants to find in the bag
it’s time that you were brought to book you’re not as tasty as you look listen chum, you are disposable look at my thumb, it is opposable
unwelcome invertebrate this might just hurt a bit I pluck you and chuck you into distant dew-drenched greenery isn’t that mean of me?
slug, when all is said and done you can hide but you can’t run