Khalid Boudou, 75 jaar Günter Wallraff, P. N. van Eyck, Israël Querido, Charles Cros, John Hegley, Tim O’Brien

De Nederlands – Marokkaanse schrijver Khalid Boudou werd geboren in Tamsamane, Marokko op 1 oktober 1974. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Khalid Boudou op dit blog.

Uit: De kleine heerser

“Als heerser van het grote Beierhuis had ik de macht over onder anderen een aan hypochondrie lijdende maatschappelijk werkster, een door haar ex bedreigde gescheiden moeder van twee kinderen, een Roemeense die de beste wegen naar de Nederlandse blijf-van-mijn-lijfhuizen niet wist te vinden, de heer Fretvanger, de aan drank verslaafde algemeen directeur van Stichting Verslavingszorg, een failliete muzikant, een crimineel met berouw, en zelfs een verstoten hond: een mooie Beierse Bergzweethond – hem vond ik in de berm langs de A15, zijn poten waren aan elkaar gebonden en zijn kop lag open, iemand moest hem bruut uit de auto hebben gegooid.
De volgende op wie ik mijn zinnen had gezet was Malinka. Aanvankelijk dacht deze volslanke vrouw met een melancholische Oostblokachtige gelaatsuitdrukking, haar schade voor mij te bedekken door een vlies van gemaakt zelfvertrouwen over haar gezicht heen te trekken. Maar ik ben een vakman, iemand die ziet in welke hoek het magazijn wegrot, ook al blinkt de etalage nog zo sterk. Een vakman die heeft geleerd schade te zien, zoals hij oneffenheden in een strookje ebbenhout heeft leren zien.
Ooit was ik namelijk leerling techneut. Ik denk dat de zucht naar heersen daar moet zijn ontstaan, op technische school De Horsten, waarvan ik in het derde leerjaar werd verwijderd. Niet dat ik er een leraar had bedreigd of beschoten, dat vind ik iets voor mietjes, nee, het was zo dat ik voor het vak metaalbewerking de opdracht kreeg een windhaan te vervaardigen, maar zeg nou eerlijk, een windhaan maak je op een huishoudschool, en ik sneed en smeedde daarom van al mijn trots en het aanwezige schoolijzer een tachtig centimeter lang zwaard, dat ik op de borst hield van klassenvertegenwoordiger Lars van Schotanus, de langste leerling van de klas.Maar ach, wat maakte het uit… een jong heerser moet wel een verwoed rokkenjager zijn, en op een technische school is de koningin, die edel ingelijst op de gang hangt, de enige vrouw, dus was ik genoodzaakt op andere jachtvelden mijn jagersdorst te lessen. Met mijn onafgeronde technische opleiding kwam ik echter niet ver. Ik werd gedwongen jobs aan te nemen waar ik beheerst werd door kinderen die naar een goede carrière waren gelanceerd vanuit een stropdasmilieu. Onder de verschrikkelijke tirannie van die ongelooflijk saaie papkinderen kon ik niet leven, mijn doelen lagen veel en veel hoger; het bedrijfsleven kon mij dat niet schenken, dus brak ik daarmee, en zo had ik dus niets meer. Mij restte niets dan mezelf op het leven van anderen te storten. Hoe minder ik te doen had, en dat werd met de dagen almaar minder, des te meer ontfermde ik me over het leven van anderen. Ik leefde van de problemen van anderen zoals een mestkever leeft van mest, en ik genoot ervan zoals Johan Cruyff geniet van zijn eigen ballen.”

 

 
Khalid Boudou (Tamsamane, 1 oktober 1974)

Lees verder “Khalid Boudou, 75 jaar Günter Wallraff, P. N. van Eyck, Israël Querido, Charles Cros, John Hegley, Tim O’Brien”

Michael Schindhelm, Louis Untermeyer, Inge Merkel, Sergej Aksakov, Michael Bijnens, Titus Meyer, Stephan Reich

De Duitse schrijver, vertaler en dramaturg Michael Schindhelm werd geboren op 1 oktober 1960 in Eisenach. Zie ook alle tags voor Michael Schindhelm op dit blog en ook mijn blog van 1 oktober 2009 en ook mijn blog van 1 oktober 2010.

Uit: Letzter Vorhang

„Die Bahn Richtung Friedrichstraße war losgefahren und so rüttelte nun das für unsere Hauptstadt ungewöhnlich gepflegte Regierungsviertel vorbei.
In gut zweieinhalb Stunden würde die vierhundertdreiundsechzigste Vorstellung von Einer flog über das Kuckucksnest beginnen, einer Produktion, die im Herbst 1989 entstanden war und wie keine andere die revolutionäre Tugend jener Zeit beschworen hatte. Das war übrigens nicht meine Privatmeinung, sondern stand am Vortag – als Tipp zum Wochenende – fast buchstäblich so in der Zeitung.
Das Theater, unser Liebknecht-Theater, war damals das Glashaus gewesen. Ich einer von denen, die drin gesessen hatten. Und jetzt spielten wir dieses Stück im achtundzwanzigsten Jahr. Die Vorstellung war auch diesmal ausverkauft. Und darauf würde der letzte Vorhang folgen.
Vor nicht einmal drei Jahren hatte ich dafür gesorgt, dass sie die Abendspielleitung von Kuckucksnest übernahm. Doch im letzten Herbst hatte ich zugelassen, dass sie diese
Produktion gegen Malapartes Die Haut tauscht hatte, weil dort jemand krank geworden war. Gegen meinen Willen hatte ich das zugelassen. Sie war die weitaus bessere Assistentin gewesen als Leitterfeldt, der seitdem Kuckucksnest betreute. Hätte ich im letzten Herbst meinen Willen durchgesetzt, würde ich sie unweigerlich heute Abend im Theatersehen.
Meine revolutionäre Tugend war mitnichten unerschöpflich. Im besten und im schlimmsten Fall sollte ich noch heute herausfinden, was sie mit ihrem orakelhaften Warte nicht auf mich gemeint hatte. Im besten Fall würde sie spätestens heute Nacht in der Solinger auftauchen und sich still neben mich legen. Wir würden über Oia reden. Über die Intimität im Glashaus. Eine konkrete Zukunft. Sie würde sich an meinen ausgezehrten, liebebedürftigen Körper klammern. Irgendwann würde das Knistern zurückkehren.“

 

 
Michael Schindhelm (Eisenach, 1 oktober 1960)

Lees verder “Michael Schindhelm, Louis Untermeyer, Inge Merkel, Sergej Aksakov, Michael Bijnens, Titus Meyer, Stephan Reich”

Renée van Marissing

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster Renée van Marissing werd geboren in 1979 in Amsterdam. Van Marissing studeerde Dramaschrijven aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Ze schreef (muziek)-theaterteksten voor onder andere De Toneelmakerij en De Nederlandse Opera, en hoorspelen voor de AVRO, VPRO en internettijdschrift hard//hoofd. In 2009 debuteerde ze met haar roman “Het waaien van mijn oma”. Haar tweede roman “Strak blauw”, die in 2012 verscheen werd genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Haar derde roman “Parttime Astronaut” verscheen in 2017.

Uit: Parttime Astronaut

“We liggen stil, de hangmat beweegt niet, mijn zoon beweegt niet, ik vraag me af of hij slaapt. De gedachte dat ik niks weet van het vastknopen van touwen rond bomen en dat als we nu vallen en Lucas gewond raakt, dat mijn schuld zou zijn, gonst door mijn hoofd. Er wordt gezegd dat je als ouder vanzelf gaat relativeren, je kunt simpelweg niet continu angstig zijn om je kind, zoals je wanneer je van Schiphol naar Nieuw Zeeland vliegt, niet eenentwintig uur non stop aan je vliegangst kunt toegeven. Het is ook niet een continue angst, maar soms hebben de vlagen een verlammend effect.
Lucas is boven op me gaan liggen, zijn buik op mijn buik, zijn benen tussen mijn benen, zijn kruin tegen mijn kin. Ik buig mijn hoofd naar voren en kus zijn haar. Mijn armen heb ik om hem heen geslagen. Hij draait zijn hoofd opzij, zijn wang en oor tussen mijn borsten, en begint met zijn vingers de geweven draden van de hangmat te volgen. Ik kijk naar boven, naar de takken en de bladeren.
‘Ik hoor je hart kloppen,’ zegt Lucas.
‘Snel of langzaam?’
‘Weet ik niet.’
Door een opgekomen wind beginnen we zacht heen en weer te schommelen. Ik denk aan vliegeren, mensen die rennen over het strand, de vlieger die ik zelf ooit als kind maakte in een museum, van rijstpapier, bamboestokjes en een wc-rol als klos voor het touw. We lieten hem op tijdens een vakantie in Noord-Frankrijk. Ik wilde mijn vlieger zijn, bij gebrek aan eigen vleugels liet ik een stuk beschilderd papier de lucht verkennen. Hé, vogels, vriendjes, kom dan. Ik wilde dat ze uit mijn hand zouden eten, ik wilde daar staan met een stuk brood in mijn hand, mijn arm omhoog, in de lucht. Vogels, ik heb brood. Kom, met die scherpe snavels, pik het tussen mijn vingers vandaan, maar pas op, zorg dat ze niet gaan bloeden.
Mijn vlieger heeft die dag in Picardië niet overleefd, hij stortte in zee en het rijstpapier scheurde.
‘Weet je nog dat we op de Afsluitdijk stonden?’ vraag ik.
‘Hoe oud was ik toen?’
‘Twee.’
‘Nee, weet ik niet meer.’
‘We stonden op de Afsluitdijk en het waaide vreselijk hard.’
‘Waar is de Afsluitdijk?’
‘Dat is die weg door het water als we naar tante Sophie gaan. Het stormde bijna, en toen hebben we de auto midden op de Afsluitdijk op de parkeerplaats gezet en zijn we uitgestapt en toen hebben we onze jassen opengehouden, jij, ik en papa, en zijn we gaan springen zodat de wind onze jassen zou vangen en we zouden gaan vliegen.’

 
Renée van Marissing (Amsterdam, 1979)

Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Wilfried de Jong, Elie Wiesel, Henk Spaan

De Nederlandse schrijver Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. Zie ook alle tags voor Willem G. van Maanen op dit blog.

Uit: Heb lief en zie niet om

“Een afscheid en voorgoed, zover waren we dan eindelijk gekomen, Sarah en ik, zo diep verdwaald, en toen brak de oorlog uit. Nu ja, eigenlijk was de oorlog al uitgebroken, met het Frans-Engelse antwoord op de Duitse inval in Polen, wij werden er pas het volgend voorjaar in betrokken, in de meinacht van 1940, toen ik aan Sarahs lang gekoesterde wens om mij voor haar minnaar in te wisselen toegaf. Ik kon wel huilen toen ze me omhelsde, maar ik gunde het haar niet, het was niet omdat ze me ging verlaten maar omdat ik vreesde nooit meer te kunnen liefhebben. Onzin, ik had nog mijn eigenliefde, die moeder van de jaloezie, ik stond nota bene in het stuk der stukken, Sarah had me daarin gezien en bewonderd, Othello dus, als Jago nog wel, maar misschien werkt zo’n rol buiten het toneel eerder verduisterend dan verhelderend, in elk geval, toen de oorlog gestalte kreeg, geratel van afweergeschut, gebrom van vliegtuigen, gillen en janken van sirenes, geschreeuw van mensen die de straat waren opgegaan, trok ik Sarah, die zich wilde aankleden, terug in bed om haar te zeggen, toe te bijten, dat ik wel gek zou zijn om haar in dat tumult te laten gaan, dat ik mijn toezegging introk en haar zou tegenhouden als ze haar zin zou doorzetten en mijn overwinnaar in de armen vliegen.
Deze Kasper, een Duitser, een goede helaas, schrijver van enige naam, had een hoge dunk van mij, dat maakte alles gecompliceerder dan nodig was. Had ik hem maar kunnen verdenken van een poging mij met zijn loftuitingen onschadelijk te maken, maar hij prees mij oprecht als de acteur die ik in zijn ogen was. Nog nooit had hij een Puck gezien als de mijne, Shakespeare zou mij hebben omhelsd, een ogenblik leek het erop dat hij het in zijn plaats zou doen, hij boog zich al naar me over, onopzettelijk misschien maar wel nadrukkelijk ons verschil in lengte aangevend, hij met zijn een meter negentig torenhoog boven mijn een meter zestig, de eik die zijn schaduw werpt over het sparretje, dat geen ander verweer heeft dan het uitzetten van zijn stekels. Ik was wel op de hoogte van de verhouding tussen die twee, maar verdrong iedere gedachte eraan, uit zelfbehoud misschien, gebrek aan interesse of aan verbeelding, ja, eigenlijk kon ik het me niet voorstellen, hij zo duits als zij joods, hoe konden ze elkaar buiten de literatuur liefhebben.
Sarah had in literaire en politieke kring naam gemaakt met haar vertalingen van in Hitlers Duitsland verboden schrijvers die in ons land onderdak hadden gevonden bij een daartoe opgerichte afdeling van een Amsterdamse uitgever. In vliegende vaart, alsof de vijand haar op de hielen zat, vertaalde ze Klaus Mann, Egon Kisch, de al dode Ernst Toller, Arnold Zweig, en haar geliefde, die ik om welke reden ook, een menselijke hopelijk, alleen met zijn voornaam aanduid. Ingewijden zullen hem herkennen als de auteur die zich van het pseudoniem Heim bedient, om aan te geven waarschijnlijk dat hij zich overal thuis voelt of, pretentieuzer nog, dat iedereen zich bij hem thuis moet voelen. Er was voor de tortels gelegenheid genoeg elkaar binnen de grenzen te ontmoeten, Kasper verbleef meer dan eens in Amsterdam, als redacteur bij de Duitse afdeling van die genereuze Nederlandse uitgever.

 

 
Willem G. van Maanen (30 september 1920 – 17 augustus 2012)
Cover

Lees verder “Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Wilfried de Jong, Elie Wiesel, Henk Spaan”

Roemi, Zhang Ailing, Edzard Schaper, Hermann Sudermann, Ferdinand von Saar, Jurek Becker

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook alle tags voor Roemi op dit blog.

 

Uit: Juwelen

Liefde fluistert me in het oor:
`Je kunt beter een prooi zijn
dan een jager.
Wees mijn dwaas –
verzaak de hoge staat van de zon
en word een stofje!
Kom, hang rond bij Mijn deur en word dakloos.
Doe niet net of je een kaars bent, wees een mot,
opdat je de smaak van het leven mag proeven
en mag zien dat er gezag schuilt in dienstbaarheid.’

 

Degene die het schuim ziet, verklaart het geheim,
terwijl wie de Zee ziet verbijsterd is.
Degene die het schuim ziet, neemt zich iets voor,
terwijl wie de Zee kent, zijn hart ermee verenigt.
Degene die de schuimvlokken ziet, wikt en weegt,
terwijl wie de Zee ziet, zijn bewuste wil heeft opgegeven.
Degene die de vlokken ziet, is voortdurend in beweging,
terwijl wie de Zee ziet, vrij is van huichelarij.

 

 
Roemi (30 september 1207 – 17 december 1273)
Standbeeld in Buca, Turkije

Lees verder “Roemi, Zhang Ailing, Edzard Schaper, Hermann Sudermann, Ferdinand von Saar, Jurek Becker”

Indian Summer (Leo Vroman), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
Gouden herfst door Sergey Kuritsyn, 2013

 

Indian Summer

Onder ’t eten, op het balkon,
en drinkend met lange teugen
schijn ik eensklaps door een gat
in mijn geheugen te vallen

en laat mijn glas water staan;
het wil niet eens terug in mijn hand,
nu denk ik aan de oceaan
die mij scheidt van mijn vaderland.

Zo bitter vol water, zo grauw
dat de doden en de dolfijnen,
stikkend van diepte en kou,
als in wildernissen verdwijnen.

Soms aal ik daar dromend in voort,
voortslangelende omlaag.
Maar van ’t land, waar ik dromend naar vraag,
werd slechts koude paling gehoord,

want Holland is donker en klein.
Eén lichtroze koningin
kan er maar stijfjes in
als haar slepen niet te lang zijn.

Wie er praat blaast in iemands gelaat;
wie gebaart geeft iemand een slag.
Men schrikt er van iedere lach,
nabijheid verwarrend met haat.

Neen, zelfs tastend om heide en strand,
— en al sluit ik krampachtig de oren
om nog Hollandse stormen te horen
—heb ik toch liever heimwee dan Holland.

Dit vreemde, ijle verpozen
doorwaad ik het lichtst van alle
op dit wijde, dit eindeloze
eiland, door herfst overvallen,
waar de lente des doods is begonnen.
Met bomen, rood verguld,
als grote gebladerde zonnen,
zijn de parken hier opgevuld.
In rode traagwalmende vuren
verbranden de bladeren dood;
traag zijn de namiddag uren
en de zon kookt laag en rood.

Zoete meisjes, die zelve niet weten
hoe innig en zacht ze bederven,
slenteren in blue jeans, zweten,
zien rood van het langzame sterven
van het roestende licht op hun wangen,
en de zonen van Perzen, Hongaren,
lopen met brandende haren
voortgeduwd van verlangen
onder de vallende blaren
die als adem te voorschijn suizen.
Reeds worden de sneeuwwitte huizen,
door de schaduwen van takken geaderd,
zichtbaar. De winter nadert.

Kom, ik sta op, want het wordt wat fris,
al is het nog lang licht,
en ik ga met mijn glas op mijn bord
naar binnen en doe de deur dicht.

 

 
Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)
Gouda, brug over de Gouwe. Leo Vroman werd in Gouda geboren.

 

Zie voor de schrijvers van de 29e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. In de maand september is er in de Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid aan het Mariënburg in Nijmegen een expositie over de Nijmeegse schrijver, dichter, vertaler Pé Hawinkels. Ook wordt er bij café Trianon een literair baken van Hawinkels onthuld. Dit ter gelegenheid van zijn veertigste sterfdag op 16 augustus 1977. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en ook alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

 

Sketches of Spain

I
alfalfa voor mijn wit konijn
spattend gras voor mijn vechtstier
die een windsel om zijn poten draagt
sinaasappels als ogen van te grote witte muizen
lanen van zo groene verf
en het hijgen van de wijn

II
de nacht staat tot barstens toe gespannen
en met mijn gitaar van bloed
prik ik gaten in de donkerblauwe lucht-ballon
die ineenkrimpt tot een snik

III
wanneer is de hitte opgestaan
die nu hangt te hijgen over het land
dat geel is als een buik
de rode doeken van de merelvrouwen
die zich geluidloos onderkruiks bewegen
klapperen tegen mijn tanden
een ezel scheurt onder koren de zon
de zes zonen van de waard

IV
een stier leeft als een trompetstoot in het gras
staat vreselijk in de weiden met een hek
een stier zaait een wolk ontzag in maag en knieën
een stier is spieren kracht en machtsgedonder
een stier sterft lillend in het zand
een vlek ellende darmen bloed
een stier sterft onder trompetstoten en olé

 

 
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)
Portret door Joseph Quaedackers,1990

Lees verder “Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto”

Herinnering aan Hella Haasse

Herinnering aan Hella Haasse

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies zes jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

Paestum

Ik zie de witte paarden van de zee
driftig schuimbekkend landwaarts dringen.
Bergen en dalen rollen voor hen uit,
tuimelend groen, onstuimig violet,
en loodrecht op het strand springen fonteinen:
voorboden van de god en zijn triomf.

De spiegels krimpen langzaam van het zand,
dan sproeit opnieuw de vloed die glooiing blank.
De paarden steigeren aan de horizon.

Ik wacht niet meer. Poseidon zal niet komen.
Hij heeft zijn dode stad voorgoed verlaten,
daar zijn de golven verticaal versteend:
geribde zuilen tussen gras en brem.
IJl waaien heeft de branding overstemd.

Verdwaalde schelpen schud ik leeg. Ik hoor
het suizen in hun ronding aan mijn oor:
de adem van de tijd die ik verloor

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Ankie Peypers

De Nederlandse dichteres Ankie Peypers werd geboren op 29 september 1928 in Amsterdam. Peypers debuteerde in 1946 met de bundel “Zeventien”, een bundel met zeventien gedichten die zij voor haar zeventiende jaar geschreven had. Sindsdien verschenen er vele dichtbundels, vertalingen en enkele romans van haar. In 1991 kwam er een verzamelbundel van haar poëzie uit: “Gedichten 1951-1975”. Peypers raakte in de jaren vijftig en zestig sterk betrokken bij het feminisme. Ze was medeoprichtster van het feministisch-literaire tijdschrift Surplus. In haar gedichten weerklonk het verzet van vrouwen tegen hun achtergestelde positie. Maar haar maatschappelijke betrokkenheid was breder. Vanaf 1976 was ze voorzitter van PEN Centrum Nederland, een organisatie die zich inzette voor bedreigde schrijvers en kunstenaars. Ook was ze jarenlang voorzitter van het Centrum voor Chileense Cultuur. In de jaren zestig trad ze op in radio- en televisieprogramma’s, waaronder het AVRO-programma Hou Je aan Je Woord met vakgenoten Victor van Vriesland, Hella Haasse en Godfried Bomans. In de jaren tachtig was ze vaste medewerker aan de radioprogramma’s van de Humanistische Omroep. In 2000 schreef ze op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een aantal herdenkingsgedichten. Ze droeg ze tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei zelf voor in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in aanwezigheid van koningin Beatrix. Haar laatste optreden in het openbaar was op 10 juni van dit jaar bij het Zeeuwse festival Park en Poëzie in Middelburg. Peypers woonde sinds jaren in Frankrijk, samen met beeldend kunstenares An Dekker.

 

Topografie

Je bent niet in kaart gebracht.
Je zou een mooi lang land zijn.
Gestrekte armen, je voeten samen,
de ronding van je hoofd;
meridianen om je te verdelen.

Ik heb je niet geleerd op school,
geen dwarsdoorsnede op het bord
dunne lagen tijd,
verstenend.

We praten
maar ik ken je grenzen niet
de kanalen die je hebt gegraven niet
nergens cirkels van je steden
geen windroos in een hoek, geen vaan.

Geen kust waar ik aan land kan gaan.

 

Het was september

Het was september achter hoge ramen.
Geraniums waarop het daglicht brak
stuurden de kinderblikken naar de juffrouw
die voor de klas stond en de waarheid sprak.

Zij wees de platen aan en zei de namen
schreef witkrijten tekens op het zwart
tekens voor aap en noot en duiven
die kinderen in schriften overschrijven
– zo was het in hun denken niet, zij buigen
zich verwonderd over het papier en zwijgen –
schrijven het woord dat onaantastbaar wordt.

Het is september achter hoge ramen.
Mijn stem de aanwijsstok van donker hout
die tastend woorden zoekt en twijfelt
en nooit de waarheid spreekt
– er is geen teken en de woorden buigen
verwonderderd over het tekort en zwijgen –
trekt krom, verspintert, breekt.

 

Ben je zestig

ben je zestig? vroeg mijn vader
als ik iets wilde dat niet kon

wilde me binnen zijn perken
en ik was te horig aan hem
aan de gemoedelijke lasso
van zijn ogen en zijn stem
zo lang

doe al vaker wat niet kan
nu ik bijna zestig ben

 
Ankie Peypers (29 september 1928 – 24 oktober 2008)

 

Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Albert Vigoleis Thelen, Robert Thomas, Prosper Mérimée, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach

.De Nederlandse dichter en schrijver Philip Huff werd geboren op 28 september 1984 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Philip Huff op dit blog.

Uit: Niemand in de stad

“Ik ben verhuisd. Heel de dag heb ik met Matt en Elisabeth op mijn oude kamer kartonnen dozen en lichtblauwe Albert Heijn-kratjes ingepakt en die omhoog gesjouwd, drie trappen op. Elisabeth liep rond in haar trainingsbroek, het lichtblonde haar opgestoken, voor het eerst een beetje op haar gemak.
Mijn moeder sopte de kozijnen en lapte de ramen. Later loeide de oude stofzuiger. Van tussen de planken van de houten vloer kwam samengeklit stof, met veel lange, witte en bruine haren erin: souvenirs van de meisjes die de afgelopen jaren bij Bart waren blijven slapen.
‘Het is maar goed dat je geen allergie hebt,’ zei mijn moeder, toen ze de volle stofzuigerzak in de vuilnisbak uitsloeg.
Elisabeth en ik tilden mijn bed en mijn bureau in delen naar boven. We zetten de nieuwe stalamp naast het bureau neer, een geschenk van Elisabeths ouders.
Nu kijk ik naar de schone, helverlichte ruimte en de ingelijste foto van Matt en mijzelf. Ik luister naar de serie van stiltes, opgedeeld door het tikken van de klok.
Mijn vorige kamer, vanwaar ik ook uitzicht op de Prinsengracht had, was de portiersloge, naast de voordeur. Ik heb er het grootste deel van mijn eerste jaar gewoond; een hok niet groter dan de meeste invaliden-wc’s, met chronische geluidsoverlast uit de keuken en van de toeristen buiten. Deze kamer is groter en stiller. Voordat Bart hier zat, was dit Jacobs kamer. De vensterbanken en kasten stonden vol gipsen en wassen modellen van het menselijk gebit. Aan de muren hingen gele plakplaatjes vol tekeningetjes van de menselijke anatomie en medische termen en steekwoorden uit zijn studieboeken. Er stond een ongeordende boekenkast die uitpuilde.
Boven mijn bed hangt nu de ingelijste prent van Joost van den Vondel uit de portiersloge. Met strenge blik, een ganzenveer en papier tussen zijn samengevouwen handen, kijkt Joost me aan. De witte boord van zijn hemd is hooggesloten. In mijn boekenkast staat zijn Gysbreght. Daarnaast een facsimile van De Vondeling, in 1851 hier vlakbij gedrukt bij G. van der Linden op de Egelantiersstraat. Gekregen van Elisabeth. Onderin staan de dikke banden van mijn studie, allemaal over historische onderwerpen, keurig op alfabet. Ik kijk naar de foto van mijn oude voetbalelft al en met een binnensmondse boer komt de daghap bij café De Prins naar boven: mosselen met worteltjes en frites.”

 
Philip Huff (Zwolle, 28 september 1984)

Lees verder “Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Albert Vigoleis Thelen, Robert Thomas, Prosper Mérimée, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach”