Lieke Marsman, Max Dauthendey

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Ik had door het bos kunnen rennen

Een bouwval kunnen maken
en af laten breken

De tijd aan mijn zijde hebben

Hier iets neer kunnen zetten
en daar iets weg kunnen nemen

Zeggen dat er verticale strepen bestaan
naast driedimensionale holtes

Dat er een andere zijde is
en een einde aan mijn tijd

Soms ben ik zo open
dat ik mezelf van de randen afduw

Soms zo laag
dat het voelt alsof ik er wortel schiet

Maar ik heb goed gegeten
en het was lekker

 

De meeste dingen blijven gemakkelijk

De meeste dingen blijven gemakkelijk
hangen. Geen probleem. Maar niet
de boze woorden, het opnieuw
bedoelde. Het is
ook koud als ik het raam sluit. En licht
met de gordijnen dicht. Zo blijf ik vol
in een kamer die leeg is en leger
nu ik alles naar me toetrek.

Ik heb dit nodig, want ik heb alles nodig
Nadat ik het nodig heb gehad, is er voor niemand iets over
Jullie vinden allemaal de hond in de pot
Het spijt me, maar niet genoeg

 

De overkant van de canyon

wat er aan de overkant, wilden we weten
van die duizelende diepte met het heldere water

dat wandelaars koelt, dus daalden we af
langs de gruizelende randen en het vogelgeschater

naar de tengere cactus. jij moedigde me aan
en je hielp me op de bodem om te kiezen voor vervolg

als je een landschap was, dan was je een canyon:
tot grote hoogte uitgesleten

ik verkwistte in jou al mijn vrolijke dagen
en keek ’s nachts vanuit jou naar die brave planeten

je zou je geschiedenis zijn – dat ben je
wat er aan de overkant is, kan niemand weten

 

Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli 1867 in Würzburg. Zie ook alle tags voor Max Dathendey op dit blog.

 

Avond

Zwarte mossen.
Aardegeur in warme vlokken.
Smalle, dunne zilveren bloemen
En het gezang van bleke klokken.

Zwakke vuurtjes doven zachtjes.
Slechts een vleugje warme vloed.
Bloeiend smelten rode zeeën,
Donkere zonnen zuigen bloed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Max Dauthendey (25 juli 1867 – 29 augustus 1918)

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Robert Graves, Katia Mann

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

Cherry-Time

Cherries of the night are riper
Than the cherries pluckt at noon
Gather to your fairy piper
When he pipes his magic tune:
        Merry, merry,
        Take a cherry;
        Mine are sounder,
        Mine are rounder,
        Mine are sweeter
        For the eater
        Under the moon.
And you’ll be fairies soon.

In the cherry pluckt at night,
With the dew of summer swelling,
There’s a juice of pure delight,
Cool, dark, sweet, divinely smelling.
        Merry, merry,
        Take a cherry;
        Mine are sounder,
        Mine are rounder,
        Mine are sweeter
        For the eater
        In the moonlight.
And you’ll be fairies quite.

When I sound the fairy call,
Gather here in silent meeting,
Chin to knee on the orchard wall,
Cooled with dew and cherries eating.
        Merry, merry,
        Take a cherry;
        Mine are sounder,
        Mine are rounder,
        Mine are sweeter.
        For the eater
        When the dews fall.
And you’ll be fairies all.

 

Dew-Drop And Diamond

The difference between you and her
(whom I to you did once prefer)
Is clear enough to settle:
She like a diamond shone, but you
Shine like an early drop of dew
Poised on a red rose petal.

The dew-drop carries in its eye
Mountain and forest, sea and sky,
With every change of weather;
Contrariwise, a diamond splits
The prospect into idle bits
That none can piece together.

 

Een stukje bruidstaart

Waarom zijn er zoveel lieve, getalenteerde meisjes
Getrouwd met onmogelijke mannen?
Eenvoudige zelfopoffering kan worden uitgesloten,
En zendingswerk, negen van de tien keer.

Herhaal ‘onmogelijke mannen’: niet alleen boers,
Slechtgehumeurd of verdorven
(Dramatisch contrast gekozen om de wereld te laten zien
Hoe goed vrouwen zich gedragen, en zich altijd hebben gedragen).

Onmogelijke mannen: lui, analfabeet,
Vol zelfmedelijdend, vies, sluw,
Voor wiens verschijning zelfs in stadsparken
Excuses moeten worden aangeboden aan toevallige voorbijgangers.

Is Gods voorraad aanvaardbare echtgenoten
Zo ver, in feite, geslonken?
Of overwaardeer ik de vrouw altijd
Ten koste van de man?
Doe ik dat?
Het zou zo maar kunnen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.

Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

„Mit elf Jahren war ich zum ersten mal in den >Meistersingern<, und alle dachten: Ach, da wird das Kind ja einschlafen. Dabei war ich betrübt, als es aus war. Ich bin eigentlich ganz mit der Wagnerschen Musik aufgewachsen, mit der Idee, daß sie das Herrlichste sei. München war damals eine Kunststadt; weniger eine literarische Stadt, die Schriftsteller zählten nicht so viel. So wurde mein Mann, wenn er in ein Geschäft ging, immer »Herr Kunstmaler« genannt. Daß ich ein frühes Training im Umgang mit Schriftstellern hatte, kann ich eigentlich nicht sagen. Ich kannte natürlich diverse Schriftsteller schon als Kind. Es hat mir aber keinen großen Eindruck gemacht. Der erste Schriftsteller, den ich gekannt habe, war meine Großmutter Hedwig Dohm, die Frau von Ernst Dohm, der den >Kladderadatsch< gegründet hat. Sie schrieb Romane, die heute wahrscheinlich nicht sehr aktuell wären. Wie früh ich etwas von ihr las, könnte ich überhaupt nicht sagen. Ein Buch von ihr hieß >Der Frauen Natur und Recht<. Sie war eine leidenschaftliche Vorkämpferin für Frauen, die damals wirklich noch gar nicht sehr viele Rechte hatten. (Wie gesagt, es gab nicht einmal Gymnasien für Mädchen.) Unter ihren vielen Romanen hatte sie ein Buch geschrieben, das einen großen Skandal in München erregte. Es hieß >Sibilla Dalmar<. Meine Großmutter liebte ihre älteste und begabteste und schönste Tochter, meine Mutter, heiß, und sie korrespondierten miteinander, ich glaube, mindestens zwei- bis dreimal die Woche. Meine Mutter schrieb ihr lange Berichte aus München nach Berlin, und meine miteinander, ich glaube, mindestens zwei- bis dreimal die Woche. Meine Mutter schrieb ihr lange Berichte aus München nach Berlin, und meine Großmutter bewahrte sie alle auf. In den Roman >Sibilla Dalmar< hat sie dann alles, was in den Briefen über die Münchner Gesellschaft stand, übernommen, und das hat in dieser Gesellschaft ein furchtbares Ärgernis gegeben, wirklich einen richtigen Skandal. Um so mehr, als die Figur, die meiner Mutter entsprach, ein Verhältnis mit einem baltischen Adligen hatte, das es in Wirklichkeit nicht gegeben hatte. Das war für meinen Vater besonders ärgerlich. Meine Großmutter war eine sehr naive, dabei begabte Frau. Sie hatte sich gar nichts dabei gedacht. Sie war später eigentlich eine richtige Märchenfigur. Sie war sehr klein und wurde immer kleiner. Lenbach hat ein sehr schönes Porträt von ihr gemacht, das wir besitzen. Sie hatte einen guten Kopf, und alle Enkel hingen sehr an ihr.“

 

Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Claudia Gabler

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: The Vaster Wilds

“The moon hid itself behind the clouds. The wind spat an icy snow at angles. In the tall black wall of the palisade, through a slit too seeming thin for human passage, the girl climbed into the great and terrible wilderness. Over her face she wore a hood drawn low, and she was slight, both bony and childish small, but the famine had stripped her down yet starker, to root and string and fiber and sinew. Even so starved, and blinded by the dark, she was quick. She scrabbled upright, stumbled with her first step, nearly fell, but caught herself and began to run, going fast over the frozen ruts of the field and all the stalks of dead corn that had come up in the summer already sooty and fruitless and stunted with blight. Swifter, girl, she told herself, and in their fear and anguish, her legs moved yet faster.
These good boots the girl had stolen off the son of a gentleman, a strip-ling half her age but of equal size, who had died of the smallpox the night before, the rash a rust spreading over the starved bones. These leather gloves and the thick cloak the girl had stolen off her own mis-tress. She banished the thought of the woman still weeping upon her knees on the frozen ground in the courtyard inside that hellish place. With each step she drew away, everything there loosened its grip on the girl. Yet there was a strange gleam upon the dark ground of the field ahead, and as she moved, she saw it was the undershirt of the soldier who a fortnight earlier had been caught worming his body slow from the horrors of the fort and toward the different horrors of the forest. He had made it halfway to the trees when in silence a shadow that had lain upon the ground grew denser, grew upward, came clear at last as the fearsomest of the men of this country, the warrior two heads taller than the men of the fort, who made himself yet more terrible by wearing upon his shoulders outstretched a broad dark mantle of turkey feathers. He had lifted with one hand the creeping fearful soldier by his hair and had with a knife cut a long wet red mouth into the man’s throat. Then he dropped him to spill his heart’s blood into the frozen earth and there the dead man lay splayed ignoble. All this time, he had lain unburied, for the soldiers of the settlement had become too weak and too cowardly in their hunger to fetch the body back. She had passed the dead man and his reek had drawn itself out of her nostrils and she was nearly to the woods when site stumbled again, for the thought of these two men gave rise to thoughts of other men who lurked perhaps in the woods, men out there hidden and awaiting her. And now, as she peered before her into the dark of the forest, site saw a man crouching in ambush in ever deeper blacker shadow of each tree, perhaps a man with a knife or an ax or an arrow and cold murder in his eye. She stopped her running for a breath, but she had no choice, she took her courage up again and she ran on. And as she ran each imagined man in passing revealed himself to be mere shadow again.”

 

Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

OVER NEO RAUCH / Perifere genegenheid voor New York

In het moment van de kleine stapjes
is het gevorderde LIEFDE,
zei de schilder.

–––
Wat een gelegenheid!
Wat een kans
wat een kans op een wereldomvattend applaus!

–––
Hij wilde dus, zei de schilder,
voor één keer afzien van de grote poorten,
die zich openen voor deze universums van droom en gelijktijdigheid.

–––
In plaats daarvan zichtspleten,
ooguitsparingen,
fragmenten van gewatteerde, van schimmige werelden.

–––
Als basismotief voor schilderijen,
die kleiner dan normaal hun tests uitvoerden
in de koele kringen van de botanie.

–––
En eigenlijk ruimte nodig hebben
voor de fatale gevolgen,
die erop volgen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Onder de Drachenwand (Vertaald door Wil Hansen)

“Aan de hemel, hoog in de lucht, kon ik enkele wolken voorbij zien drijven, en toen begreep ik dat ik het had overleefd. / Later stelde ik vast dat ik dubbelzag. Alle botten deden me pijn. De volgende dag borstvliesontsteking, gelukkig goed doorstaan. Maar met mijn rechteroog zag ik nog steeds dubbel, en mijn reukvermogen was ik kwijt. Zo had de oorlog me ook ditmaal alleen maar even opzij geslingerd. Het eerste moment had ik het gevoel gehad dat ik werd opgeslokt door het gedreun en door de toch al alles opslokkende steppe en de toch al alles opslokkende rivieren, bij die ruime bocht van de Dnjepr. Onder mijn rechtersleutelbeen liep het bloed in glinsterende stroompjes naar buiten, ik keek ernaar, het hart is een krachtige pomp, en het pompte mijn bloed nu niet meer in mijn lichaam rond, maar dreef het uit mij, boem, boem. In doodsangst rende ik naar de geneeskundig officier, die mijn wond dichtdrukte en me provisorisch verbond. Ik keek toe, verbaasd over het geluk dat ik nog ademde. Een granaatsplinter had mijn rechterwang geraakt, uiterlijk was er weinig van te zien, een andere splinter zat in de rechterdij, pijnlijk, en een derde splinter had onder mijn sleutelbeen een groot bloedvat geraakt, hemd, uniformjasje en broek waren doordrenkt van het bloed. Het onbeschrijflijke gevoel dat je het hebt overleefd, met niets te vergelijken. Als kind de gedachte: als ik groot ben. Nu de gedachte: als ik het overleef. / Wat is er mooier dan in leven te blijven? Het gebeurde in precies dezelfde omgeving als waar we twee jaar geleden in dezelfde tijd hadden gezeten. Ik kon me alles goed herinneren, ik herkende de omgeving meteen weer, de wegen, alles nog steeds hetzelfde. Maar de wegen waren er sindsdien niet beter op geworden. We lagen bij een verwoest dorp, de meeste tijd onder vuur. ’s Nachts was het al zo koud dat het water in de emmer bevroor. Ook op de tenten lagen ijskorsten. / Onze terugtocht was één grote vuurstreep, vreselijk om te zien. En ontnuchterend om erover na te denken. Alle stromijten stonden in brand, alle kolchozen stonden in brand, juist de huizen bleven meestal overeind. De bevolking moest naar achteren geëvacueerd worden, maar dat kon maar gedeeltelijk worden doorgevoerd, voor een groot deel waren de mensen niet weg te krijgen, het kon hun niet schelen of ze werden doodgeschoten, maar weg wilden ze in elk geval niet. En de oorlog woedde voort, voor de een voorwaarts, voor de ander achterwaarts, maar altijd jachtig, hoogst bloederig en onbegrijpelijk.”

 

Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Salomonszegel

In de schaduw van de zelf gezaaide hazelaars
In een achterste hoek van onze tuin,
Rechts van de bloeiende bes
Een onverwacht Salomonszegel
Die Ik je wil laten zien. Maakt het uit
Waarom zulke sierlijke klokken zo worden genoemd
(Zegels van een middeleeuws document?)
Het is mei en Salomon zegt: Sta op,
Mijn liefje, mijn schoonheid, en kom mee,
De winter is voorbij, de regen is voorbij
En weg. Bloemen verschijnen op de aarde.
Een eenzame sleutelbloem heeft
Onder onze beuk de eerste grasmaaibeurt overleefd.
De tijd van het zingen van vogels is gekomen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2020 en eveneens mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Hans van de Waarsenburg, Paul Violi

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Johannes (Hans) Paul Richard Theodorus van de Waarsenburg werd geboren in Helmond op 21 juli 1943. Zie ook alle tags voor Hans van de Waarsenburg op dit blog.

 

AVONDLICHT

(Maastricht)

Hij kijkt met het kind mee naar
Het water en de bogen van de brug.
Voor hem alleen de straten van
De stad, verweerde spiegel in de
Stroom, droom die verjaarde.
Wandelend over pleinen, door
Seizoenen. Herfst in regen gedrenkt
En droeve ogen van kerken. De oude
Stenen bieden troost in deze laatste
Der maanden, wanneer het water oever –
Loos kolkt en wind jaagt.

Over winterse trappen daal
Je naar de rivier, het kind achter
Woorden verscholen. Verborgen in
‘Herinnering aan Zee’, je gezicht en
Schemer op de kademuren. Mijn hand
Schrijft op het water: vertrek is
Wachten op een terug, altijd wordt
Het later. Een laatste blik, de stad
Glimt in de regen. Ik scheep mij in
Het avondlicht. Verdwijn in de
Stroom, herhalend de vraag,
Wanneer kom ik je weer tegen ?

 

Een dag van bordkarton

I

Ach de dag is bordkarton
Het néon gedoofd geraamte
En stof, waarde vriend.
Een rede tot vele levens.

Schuif je schaduw door het raam
En zie hem zitten in het café
Martinho de Arcada, koffie op
Het marmeren tafelblad.

Een slopende nacht voorbij
Kijk mee over de Taag, nu
Verbergt de ochtendnevel nog
De schepen in een droef concert.

Het plein, na de koffie, na
De aguardente: verfomfaaid
Marmer vol armoedig afval, 25 april
Tien jaar later met lege handen.

VI

Sociedade Nacional de Belas-Artes. Verse anjers
Op het revers of in de hand. Loop verdwaald
Tussen de beelden, de tekens. Wat blijft er over?
Daar loopt de man, evenbeeld, met hoed en koffertje,

Stijlvol in zijn zwarte pak. Pessoa, herrezen
Uit de muffe kelder van het verleden. Pessoa,
Het ene oog rood, het andere zwart. Pessoa
Monstert met monocle schilderij na schilderij.

Beelden en bezoekers. Performance binnen performance.
Tenslotte viert men de revolutie. Kookt het water
Voor de koffie nog steeds? Beschaafd applaus.
De revolutie zelf treedt binnen, Pessoa verdwijnt.

Oh, oh de kapiteins! Een aantal ponden dikker,
Maar herkenbaar. Glimlachen, flitsen, fluisteringen.
Ik schud de handen. Rood hoofd. Late middagzon.
Ach, de dag is bordkarton en néon gedoofd geraamte.

 

Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

 

Ter ere van de ledigheid

Voor de tweede keer deze week
heb ik sneeuw zien vallen bij zonsopgang,
de dageraad arriveren op een briesje
(zoals ik denk dat hij altijd doet).
Ik weet niet wat, tijd of weer,
me wakker maakte, me uit een droom toverde
waar enkelen van ons rondzweefden,
grappenmakers van de zwaartekracht,
met het gezicht naar boven in het stille water
en het strandgoed van een langzaam leven.
Ik had één regel die ik had bewaard
en gaf hem prijs als was hij van mij,
een oproep tot ‘donkerdere dagen en lichtere goden!’
Toen had ik alleen mijn moment van ontwaken,
maar dat begon met datzelfde schaduwloze licht,
een gevoel van verandering, van iets dat dichtbij is
en ver weg, dat als eerste komt en als laatste,
met wind en sneeuw waait
door mijn spiegelbeeld in het raam.
En toen verloor ik het.

Dus hier ben ik, met sigaretten en koude koffie,
een onvoltooide ode aan de ledigheid,
spinnenwebben op hoge plaatsen,
een spin die langs de boekenplanken naar beneden dwarrelt,
en een commotie die in rust wordt herinnerd;
zonlicht dat er doorheen stroomt,
en nog een lichte pagina
met een eigenaardige duisternis die eroverheen stroomt
—schaduwen van hittegolven van de radiator,
of mijn gedachten die opgaan in rook.

Het glas, als het beslagen is,
doet me denken aan winkeletalages,
hoe ze omhuld zijn met zeep,
bedekt met geheimhouding
vóór een feestelijke opening
of na een smadelijke sluiting.
Hoe dan ook, niet erg interessant
behalve misschien wanneer de graffiti,
de anonieme berichten verschijnen
er overheen gekrabbeld
door een kind van de lucht,
woorden waar je doorheen kunt kijken
of een duidelijke veeg.

En in de schemering ben ik nog steeds hier,
dezelfde plaats, hetzelfde licht.
Er zit niets anders op dan mee te bewegen met het uitzicht:
sneeuw, wind over zachte ruïnes,
onvoltooide gebouwen die opdoemen
als monumenten voor een verbruikte nieuwsgierigheid.
Ik ben de langste, hier bij de Nee’s,
rustend op sullige steunsels.
Wil je een sigaret? Nee.
Heb je een lucifer? Nee.
Zie je een alternatief voor het solipsisme? Nee.
Hedonisme? Nee. Slordig stoïcisme? Nee.
Wist je dat Maryland
geen natuurlijke maar alleen door de mens gemaakte meren heeft? Nee.

De wezens van nietsdoen
zijn pure speculatie.
Ze volgen het weer,
schaduwen de wind, vullen de lege plekken in.
Sommige zijn groot, onhandig en sluw
en likken graag aan mijn horloge;
anderen, zoals gerundia,
hebben zichzelf al
in een staat van zijn gedronken.
Een ander, met tijd om handen
en het gevoel van hoe ramen
zowel binnen als buiten een plaats zijn,
staat daar en ziet hoe zijn silhouet
verandert in een reflectie
terwijl het licht verschuift
en hij vooruit beweegt of achteruit,
speelt als een god
die in en uit zichzelf stapt,
en hoort de wind als de adem van verandering
wanneer de laatste vlaag wegdwarrelt in het licht.

De laatste vlok wordt groter
terwijl hij neerdaalt en presenteert
wanneer hij landt in een uitbarsting van schittering
de plattegrond van een nieuw gebouw
waar elk nat raam, gevat in parels
een beeld is van plezier en verwachting.
De druppels rijpen, momenten in het licht,
vragen die, beantwoord door een gevoel,
wegglijden zo helder als mijn wezen,
druppel voor druppel langs het glas.
Als de wind zo hard waait
staat hij op het punt eindelijk iets zeggen.
De aarde teruggebracht tot pure magie,
wind en glas, water en licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2022 en ook mijn blog van 21 juli 2020 en eveneens mijn blog van 21 juli 2019 en ook mijn blog van 21 juli 2018 deel 2.

100 jaar Hans Lodeizen, Paul Violi

 

 

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Hans Lodeizen op dit blog.

 

Al die dingen gebeuren en zijn

al die dingen gebeuren en zijn
netjes geordend: de kinderen
spelend aan de vijverrand
het paard ploegend de aarde
en de trein in het landschap.

zelfs het water dat in welbespraakte
onrust deint tussen zijn twee oevers
waar de huizen glimlachen terwijl
een bootje als een wijsheid wegdrijft
is verloren in de werkelijkheid.

zo staan wij vissers naar
ontraadselingen tot de
nacht uit het water
oprijst en met al haar raadselen
de hemel inneemt.

 

en deze wereld waar ik niet van houd

en deze wereld waar ik niet van houd
vanwege de buitenwijken vanwege de
al te lange diners

hoe graag zou ik haar willen inwisselen
voor deze mijn wereld waar ik woon
waar ik lachend tussen spiegels loop

maar ik ben vast met één helft aan de andere
mijn liefde is niet verdeeld
maar mijn handen zijn twee
de ene is goed en lachend
de andere o angstig, voorzichtig

(want hij moet vasthouden, nemen)

deze wereld die ik niet liefheb
vanwege de terugkeer uit Zwitserland
vanwege de reis naar Frankrijk in de lente

deze wereld die ik liever zou kleuren
dan haar bewonen.

 

deze ochtend draagt de wind

deze ochtend draagt de wind
kinderen op haar boezem
en ontrafelt het lange windsel
van haar schoot.
wij liggen in kussens
uit te rusten, luisterend
naar trams die de borst
van het licht verscheuren

over de rust der vogels
wiegende in een tak.
wij willen naar het einde
van de wereld gaan, daar
waar de mast breekt en de schepen
schuin over de zee vallen,
niet denkend aan morgen;
dromend tegen de hemel.

 

Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

 

Want het voelt als 29 of 30 februari

Want we zijn gemaakt om naar dingen te reiken.
Want verbeelding verlengt het leven.
Want ons bereik moet groter zijn dan onze greep.
Want in gevangenschap gedijt de verbeelding.
Want de Boek van de Maand Club selectie
Is eindelijk aangekomen.
Want het is Het leven van Jeffrey Hudson.
Want het is een februariklassieker.
Want hij heeft een wonderbaarlijk leven opgebouwd.
Want hij bloeide op in gevangenschap.
Want hij was een kampioen die de spot dreef met beperkingen.
Want op negenjarige leeftijd, hoewel nauwelijks 18 centimeter lang,
Was hij sierlijk geproportioneerd.
Want hij was een page voor hertog Edward.
Want tijdens een banket sprong hij uit een taart,
Neergezet voor koningin Henrietta Maria.
Want ze adopteerde hem ter plekke.
Want hij werd tot kapitein van de cavalerie benoemd.
Want hij heette Energieke Jeffrey.
Want hij was onvermoeibaar en heldhaftig.
Want schietend vanaf een paard
Doodde hij zijn tegenstander in een duel.
Want hij werd door Duinkerkers gearresteerd en gevangengezet.
Want bij zijn vrijlating
Bleek hij groter te zijn geworden.
Want hij werd gearresteerd en gevangengezet door Turkse piraten.
Want tegen de tijd dat hij werd vrijgelaten, was hij een voet groter geworden.
Want na de Restauratie was hij met pensioen.
Want als beschuldigde samenzweerder in het Pauselijke complot
Werd hij opnieuw gearresteerd en opnieuw vrijgelaten.
Want kort daarna stierf hij,
Op 63-jarige leeftijd, met een lengte van 3 voet 9.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2023 en ook mijn blog van 20 juli 2020 en eveneens mijn blog van 20 juli 2019 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.

Ghayath Almadhoun, Miltos Sachtouris

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

Uit: ik hier jij daar (Samen met Anne Vegter en vertaald door DjuKe Poppinga)

Damascus trok zich terug

Ik heb dit gedicht geschreven voor een vrouw die ik beminde. Daarna zijn we uit elkaar gegaan. Zij heeft nu een andere man en ik heb dit gedicht.
Toen ik Damascus verliet, zat ik vast op mijn plek en trok Damascus zich terug. Dat is precies wat Einstein probeerde te zeggen over de relativiteitstheorie, wat Whitman probeerde te zeggen in Grasbladen en wat ik probeerde te fluisteren in jouw oor toen jij probeerde van mij te houden.
Damascus trok zich terug en ik had mijn hart zorgvuldig in mijn koffer gepakt, mijn hart dat jij zo goed kent, jankte als een wolf in de woestijn van Jordanië, terwijl ik het spoor van een oude honger volgde, omdat ik sinds Damascus me had verlaten, niet genoeg liefde meer had ontvangen. ‘Geduld is mooi en God is een toevlucht,’ staat in de Koran geschreven.
Ik voedde mijn hart dat jij zo goed kent met de heesheid van je stem, opdat het tot rust zou komen, en ik blies er een wolk hasjiesj in om het te kalmeren, terwijl de bedoeïen, die mijn huid had aangetrokken, rondzwierf met de Arabieren van het Noorden. Hoe kan ik in jouw huis wonen, als God heeft beschikt dat ik ‘in elke vallei smacht naar mijn geliefde’? Hoe kan ik, als de mawwaals mij hebben gestolen uit de schoot van mijn moeder en als jouw taille, die duidelijk is als de dood, mij gevangenhoudt tussen mijn vrienden, waarna ik je volg, zoals de vriend van Imroe’ al-Kais zijn vriend volgde, land na land, slaaf na slaaf, terwijl ik van je wegvlucht, zoals ‘de mens vlucht voor zijn broeder, en zijn moeder, en zijn vader, en zijn gezellin en zijn zonen’.
Damascus trok zich terug en ik zat op mijn plaats, mijn koffer vluchtte naar voren, en mijn hart, vervuld met Arabische retoriek, was bezig met mijn vertrek. Mijn hart dat je zo goed kent. Steeds wanneer ik het ’s nachts uit zijn hol haal zodat het de maan kan zien, jankt het je naam, maar ik ben harder dan steen en mijn hart dat je zo goed kent, wordt niet milder.

oorlogsrappen (I)

maar wij waren vrij anderen werkten
ziekenhuisfiguren brandweer krantentypes
als we verongelukten hadden zij werk
het ongeluk moest dan wel groot genoeg zijn

met kerstmis kon school niet verder weg zijn
ons geloof had geen kerst maar kaarsen vonden we okay
in de avond klommen we het dak op van ons huis
iemand noemde vrede een periode

waarin het bij anderen oorlog is.

 

Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

De Griekse dichter Miltos Sachtouris of Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Zie ook alle tags voor Miltos Sachtouris op dit blog.

 

Het station
Ter nagedachtenis aan Guillaume Apollinaire

Het regent voortdurend in mijn slaap
mijn droom vult zich met modder
de plaats is donker
en ik wacht op een trein
de stationschef plukt madeliefjes
die op de rails zijn ontsproten
want het is al lang geleden
dat er een trein op dit station is aangekomen
en plotseling zijn de jaren verstreken
ik zit achter een raam
haar en baard zijn lang geworden
alsof ik erg ziek ben
en net als ik weer in slaap val
komt zij langzaam
met een mes in haar hand
zij komt voorzichtig naar me toe
en steekt het in mijn rechteroog.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2023 en ook mijn blog van 19 juli 2020 en eveneens mijn blog van 19 juli 2019 en mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Elizabeth Jennings

De Engelse dichteres Elizabeth Joan Jennings werd geboren op 18 juli 1926 in Boston, Lincolnshire. Toen ze zes jaar oud was, verhuisde haar familie naar Oxford, waar ze de rest van haar leven bleef. Daar studeerde ze later aan St. Anne’s College. Na haar afstuderen werd ze schrijfster. Jennings’ vroege gedichten werden gepubliceerd in tijdschriften zoals “Oxford Poetry”, “New English Weekly”, “The Spectator”, “Outposts” en “Poetry Review”, maar ze publiceerde haar eerste boek pas in 1953, op 27-jarige leeftijd. Het won datzelfde jaar de Arts Council of Great Britain Award voor beste debuutgedicht. Ze noemde Gerard Manley Hopkins, W. H. Auden, Robert Graves en Edwin Muir als dichters die haar beïnvloedden. Haar tweede boek, “A Way of Looking”, won in 1955 de Somerset Maugham Award en markeerde een keerpunt, omdat het prijzengeld haar in staat stelde bijna drie maanden in Rome door te brengen. De reis bracht een nieuwe dimensie in haar religieuze geloof en voedde haar verbeelding. In 1987 ontving ze de WH Smith Literary Award voor de bundel “Collected Poems 1953–1985”. Jennings worstelde met de praktische aspecten van haar carrière en leven. Ze raakte verarmd en kampte met haar geestelijke gezondheid, en haar persoonlijke problemen ondermijnden haar reputatie als criticus. Toen ze in 1992 door de koningin werd geëerd als Commandeur in de Orde van het Britse Rijk, droeg ze “een gebreide muts, een duffelcoat en canvas schoenen”. De roddelpers bespotte haar als de zwerfster van de sonnetten, een label dat haar bijbleef. De laatste jaren van haar leven bracht ze door in verschillende studentenhuizen. Kort voor haar dood ontving ze een eredoctoraat in de Godgeleerdheid van de Universiteit van Durham. Ze stierf in een verpleeghuis in Bampton, Oxfordshire. Ze is begraven op de Wolvercote Cemetery in Oxford. Jennings, die meer als traditionalist dan als vernieuwer wordt beschouwd, staat bekend om haar poëzie en vormbeheersing. Haar werk wordt gekenmerkt door een eenvoud in metrum en rijm die ze deelt met Philip Larkin, Kingsley Amis en Thom Gunn, allen leden van de groep Engelse dichters die bekendstaat als The Movement. Haar diepgewortelde rooms-katholicisme vormde een groot deel van haar werk. Haar leven en carrière werden in 2018 geëerd door Dana Gioia, die zei: “Ondanks haar mislukkingen in de seculiere wereld, is haar artistieke carrière een gestaag traject van succes geweest. Jennings behoort tot de beste Britse dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ze is ook Engelands beste katholieke dichter sinds Gerard Manley Hopkins.”

 

A Mental Hospital Sitting-Room

Utrillo on the wall. A nun is climbing
Steps in Montmartre. We patients sit below.
It does not seem a time for lucid rhyming;
Too much disturbs. It does not seem a time
When anything could fertilize or grow.

It is as if a scream were opened wide,
A mouth demanding everyone to listen.
Too many people cry, too many hide
And stare into themselves. I am afraid
There are no life-belts here on which to fasten.

The nun is climbing up those steps. The room
Shifts till the dust flies in between our eyes.
The only hope is visitors will come
And talk of other things than our disease …
So much is stagnant and yet nothing dies.

 

Song of Time

Deliver time and let it go
Under wild clouds and passive moon.
Once it was fast, now it is slow.
I lose my hours beneath the sun,
Brisk minutes ebb and flow.

Time is elemental, all
We make in speech and action, yet
Time itself can have a fall
When heart and mind have no regret
And love is how you feel.

Oh let us dance with time and turn
It to a friend, a willing one.
In time we grow, through time we learn
The visitations of the sun
And ardour of the moon.

Time is not clocks but moves within
The discourse of the learned heart,
It is the way our lives begin.
O leaving time behind’s an art
Ahead and now and then.

 

Friendship

Such love I cannot analyse;
It does not rest in lips or eyes,
Neither in kisses nor caress.
Partly I know it’s gentleness

And understanding in one word
Or in brief letters. It’s preserved
By trust and by respect and awe.
These are the words I’m searching for.

Two people, yes, two lasting friends.
The giving comes, the taking ends.
There is no measure for such things.
For this all Nature slows and sings.

 


Elizabeth Jennings (18 juli 1926 – 26 oktober 2001)

Steffen Popp

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog.

 

BUKOLISCHE POSTKARTEN II

Das sich Verwandeln der Orte ins uns
alt wie die Sphinx, und wir sind sie, sind
unser Fernsein in ihnen.

Alles soll groß werden, aufschäumen
aber die Nacht konzentriert sich
auf einen winzigen Gegenstand.

Technik will denken, aber Steine tragen
sich an ihrer Grenze, wie Schlaf.

Ein Sicherung vor dem Herzen
schaltet das Licht aus
in deinem Rücken die Pyramidenlampe
oben die kleinen Sterne.

 

Schneeode, später Schnee

O schwarzer Schlaf, o Axt
o große Trauer, Herz
ich ging hinaus, über das Gras
ich ging hinaus um deine Augen.

Filzstift, Baumpilz, Hydra
ich ging hinaus, ich ging hinaus
über das Gras, um deine Augen.

Achte auf kleines Gewölk
achte auf Tote, ihren besonderen Traum
achte auf Vögel, die Spannung der Haut
das Schlagen, die Stimme, das Lied.

Dieses Gefühl überwintert
in deinem Handschuh, leise schnaufend
wie ein zu großes Tier
unter dem Waldboden.

Einmal im Schnee, gräbst du es aus
und findest Knochen

ich ging hinaus um deine Augen
ich ging hinaus um deine Augen

da sind die Toten, das Weltall
da sind die Vögel, das Lied.

 

Von Zinnen

Sage war alles, Packpferd (mit ihm durch Gebirge)
Futtersack (und Paris April). Hain, Gemüsehain des
geistig Verheerten. Hirschen. Enormes Er (Bottrop
Bingen). … schrieb Ihnen glühende Briefe, Madame.
Glühende Sachbearbeiterin – Schweifstern, Gau.

Semantisch nicht mal träumen. Rodete Strunk (heiße
Tränen). Liebe wollte Antike, Grube war Trumpf
– Gugelhupf, Unterschlupf, Grmpf. Brütendes Rind
das heißt ca. 60 Pelikane mit massiven Kehlsäcken.

Hufe (uralte Sentenz). Zeugen (vermutlich Splitt).
Schneid einem Sittich die Krallen, halt ihn ins Licht.

 

Sneeuwode, late sneeuw

Oh zwarte slaap, oh bijl
Oh groot verdriet, hart
Ik ging naar buiten over het gras
Ik ging naar buiten, omwille van je ogen.

Viltstift, boomschimmel, hydra
Ik ging naar buiten, ik ging naar buiten
over het gras, omwille van je ogen.

Let op kleine wolkjes
let op dode mensen, hun bijzondere droom
let op vogels, de spanning van de huid
het getjilp, de stem, het lied.

Dit gevoel overwintert
in jouw handschoen, zachtjes hijgend
als een te groot dier
onder de bosbodem.

Eenmaal in de sneeuw graaf je het op
en vind botten

Ik ging naar buiten omwille van je ogen
Ik ging naar buiten omwille van je ogen
daar zijn de doden, het universum
daar zijn de vogels, het lied.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 18 juli 2020 en eveneens mijn blog van 18 juli 2019.

Joachim Meyerhoff

De Duitse schrijver, regisseur en acteur  Joachim Philipp Maria Meyerhoff werd geboren op 18 juli 1967 in Homburg, Saarland, waar zijn vader werkte als arts voor kinder- en jeugdpsychiatrie in het universitair psychiatrisch ziekenhuis. In 1971 werd zijn vader medisch directeur van de kinder- en jeugdpsychiatrie in Sleeswijk-Hesterberg. Het gezin woonde in een gebouw op het terrein van de kliniek. Joachim Meyerhoff bracht daar zijn jeugd door met twee oudere broers, Martin en Hermann. In 1985 stierf Martin, zijn middelste broer, bij een auto-ongeluk terwijl Joachim een ​​jaar in de VS was. Hij woonde tot 2019 in Wenen en sindsdien in Berlijn. Na zijn terugkeer uit de VS studeerde Joachim Meyerhoff af van de middelbare school. Van 1989 tot 1992 volgde hij een acteursopleiding aan de Otto Falckenberg School in München. Na optredens in het Staatstheater Kassel, in Bielefeld, Dortmund en op de podia van de stad Keulen, werd hij in 2001 ensemble lid van het Maxim Gorki Theater Berlijn, waar hij ook vaak regisseerde. In 2002 verhuisde hij naar het Deutsches Schauspielhaus in Hamburg, waar hij tot 2005 bleef. Vanaf september 2005 maakte Joachim Meyerhoff deel uit van het Burgtheaterensemble in Wenen. Na het einde van het seizoen 2018/19 verhuisde Meyerhoff naar de Berlijnse Schaubühne. Naast zijn acteerwerk ontwerpt Joachim Meyerhoff zijn eigen programma’s. Zijn project All Dead Fly High zorgde regelmatig voor een volle zaal in het Burgtheater in Wenen. In dit autobiografische programma, verdeeld in zes delen, vertelt Meyerhoff zijn eigen verhaal en dat van zijn familie. Van 2011 tot 2020 werden vijf delen in boekvorm gepubliceerd, waarbij de laatste twee delen tot stand kwamen zonder enige voorafgaande toneelbewerking. In december 2018 kreeg Meyerhoff in Wenen een beroerte met tijdelijke verlamming van de linkerkant van zijn lichaam. In september 2020 verscheen de roman “Hamster im hinteren Stromgebiet”, waarin Meyerhoff ook ingaat op de gevolgen van deze ernstige ziekte op zijn leven en zijn artistieke werk. In het voorjaar van 2023 keerde Meyerhoff terug naar München voor een productie van Tsjechovs vroege werk “De vaderlozen” (Platonov), waar hij, naar eigen zeggen, “gesocialiseerd werd in het theater”.

Uit: Hamster im hinteren Stromgebiet

„Die blonde Bombe halbiert sich
Während ich mit meiner vor wenigen Wochen volljährig gewordenen Tochter an einer Hausarbeit über Bipolarität arbeitete, wurde mir plötzlich übel. Ich stöhnte leise auf, eher nachdenklich als besorgt, und kniff die Augen zusammen. »Alles klar, Papa?« »Mir wird gerade ein bisschen komisch. Geht sicher gleich wieder.« Ich musste den Blick vom Computer abwenden, da sich mein Unwohlsein direkt aus der unangenehmen Lichtintensität des Bildschirmes zu speisen schien. Ich sah auf und innerhalb der nächsten Sekunden zerfiel der Raum um mich herum. In den Wänden der Küche begannen Partikel zu zucken, zappelnde Einzeller aus Licht teilten und vermehrten sich und wuselten herum wie Mikro-organismen unter dem Mikroskop. Die Oberflächen wurden unscharf und sanfte Wellen schwappten durchs Mauerwerk. Zwei großformatige Fotografien meiner Töchter gerieren in Bewegung, ihre Gesichter trieben wie in einem Horrorfilm unter einer milchigen Eisdecke auf und davon. Die Zimmer-decke erschlaffte, hing durch und blähte sich mir entgegen. Ich spürte die Wölbung meiner Augen. Um nicht vom Stuhl zu kippen, legte ich die Handflächen auf die Tischplatte. Mein linkes Bein fing sanft zu kribbeln an, auf dem Schien-bein eine Ameisenstraße, dann stärker und verlor seine für mich eindeutige Position im Raum. Mit einer prickelnden Entladung wich schlagartig alle Kraft aus dem linken Arm. Obwohl ich versuchte, meine Handflächen weiter auf das Holz zu pressen, drehte sich die eine auf den Rücken. Ich betrachtete das mit Schrecken, da es tatsächlich so aussah, als würde meine linke Hand nun sterben, als hätte sie einen Schuss abbekommen und sich wie ein Soldat im Feld einer schweren Verwundung ergeben. Nie wieder würde ich diese Hand bewegen können, war ich mir sicher. Mein Kopf sirrte, schrill und ungut, und in die Gedanken hinein fiel ein gleißendes Licht, wodurch sie wie Luftspiegelungen zerflimmerten. Links verschwand in dieser Welle mein halbes Gesicht. Die Empfindung in Ober- und Unterlippe wurde vertikal geradezu chirurgisch durchtrennt. Rechts mein alter Mund, links kein Mund mehr, dafür ein unter und auf der Haut den Schwung meiner Lippen verwischendes Summen. »Ist wirklich alles klar, Papa?«, fragte meine Tochter und ich antwortete leise: »Mir geht es nicht gut.« Es war mir absurderweise leicht peinlich, mit etwas derart Drastischem unsere Arbeit zu stören. »Ich brauche einen Krankenwagen.« »Was hast du?« »Ich glaube, ich bekomme gerade einen Schlaganfall.“

 


Joachim Meyerhoff (Homburg, 18 juli 1967 )