Albert Kuyle

Nagekomen bericht

De Nederlandse schrijver Albert Kuyle werd geboren in Utrecht op 17 februari 1904. Zie ook alle tags voor Albert Kuyle op dit blog.

Uit: Harten en Brood

“Boven de slooten begint langzaam de dauw te rooken.
Een lage avondwind waait het water weg uit de sloot, en het komt dik liggen over oever en land. Waar het hakhout rond de weien staat kan de dauw niet vender, en kruit tot een hooge, tot een manshooge dam.
Loont het eigenlijk nog de moeite een roman te schrijven? Er zijn er duizenden en duizenden gescheven, en ze zijn overvloedig gelezen. Alle schrijvers hadden een bedoeling, en een geheim verlangen naar het overgroot resultaat. Er is bijna geen enkel stukje grand meer over dat niet beschreven is, geen menschentype of het heeft model gezeten. De hartstochten en de deugden, zij kregen beiden hun d.eel, en het leven bleef triestig spoelen rond de huizen waarin gelezen en geschreven werd.
Bijna zijn de boeken overbodig. Geen geschiedenis van jaren en levens lang hoeft meer te warden saamgedrongen op een handvol papier, nu het leven zelf een nieuw tempo kreeg, en het ongeluk sneller neerschiet en toegrijpt dan het woord, dat slechts van verre volgen kan.
In iedere courant ligt het leven bloot, tot op de moegezeulde spieren en de verwoeste zenuwen toe. Open, leeggehaald, van elkander gebogen. Wat blijft er nog •verborgen? Wat heeft de lezer niet dieper aan den lijve en aan de ziel ondervonden dan de schrijver hem zeggen kan?
Ik zal toch een roman schrijven. Een roman over harten en brood. Over gewone, ongetelde menschenharten, en over gewoon, doelloos en veelvuldig brood. Over harten die verlangen naar rust en ontferming, over brood dat, eens heilig, beduimeld en vertrapt geworden is, tot het gelijk was aan geld en schande.”

 
Albert Kuyle (17 februari 1904 – 4 maart 1958)

Willem Thies

De Nederlandse dichter Willem Thies werd geboren op 17 februari 1973 in Nijmegen. Hij studeerde geschiedenis te Groningen, was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat, en redacteur van en schrijver voor cultureel jongerenmagazine Simpel. Thies publiceerde poëzie in onder meer Passionate,De Tweede Ronde, De Brakke Hond, Nymph, Krakatau, Hollands Maandblad, De Academische Boekengids en The Polranny Times. In 2006 debuteerde hij met de dichtbundel “Toendra”, die is bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel “Na de vlakte” (2008), werd genomineerd voor de J.C. Bloemprijs. In maart 2012 verscheen zijn derde bundel “Twee vogels één kogel”. Zijn vierde bundel “Meer mensen dan reddingsvesten” verscheen in 2015.

Elegie

Hij had hobby’s, eigenaardigheden, fascinaties.
Zo zachtzinnig was hij, fijngevoelig, hij had pianovingers.
Als hij zijn handen balde, waren zijn vuisten klein.

De onbemande auto heeft hem ingehaald.

Het kwam onverwacht, al is het altijd te vroeg.
Niemand gaat te laat. Wij zullen ons aan herinneringen
moeten vergrijpen, zoals je masturbeert bij de gedachte
aan de nachten met die ex.

Opgelucht gelach bij een levendig vertelde anekdote.

We ontbloten onze rouw, vergelijken wie de grootste.

Ik zing een treurig lied, een lied dat geen troost biedt,
maar ik ben de meeste woorden vergeten.
Ik zing het refrein twee keer om dat goed te maken.

‘….Laat nu de lijster zwijgen,
….Laat de linden stokken in hun knoppen.’

 

Stronk

Kauwen pikken de letters uit een krantenpagina,
een flessenhals glanst onder de bank, het omhooggestoken
wiel van een fiets naast het pad als de hand om hulp, een schoen
zonder veter, het molenrad dat zijn schaduw werp op de kant.

Nachtkoele poel, luchtbellen borrelen, vochtig gras,
een tribune zwammen tegen een boomstronk, nee de romp
van een bemoste jongen, alles ruikt naar levensdwang.

 
Willem Thies (Nijmegen, 17 februari 1973)

Elisabeth Eybers, Anil Ramdas, Ingmar Heytze, Iain Banks, Alfred Kolleritsch, Aharon Appelfeld

De Zuidafrikaanse dichteres Elisabeth Eybers werd geboren op 16 februari 1915 in Klerksdorp. Zie ook alle tags voor Elisabeth Eybers op dit blog.

 

Versinsels

Versinsels is eerstens ’n soort van bedryf
om dingen wat onderling klop op te skryf,
die gees te verhef bo die lydsame lyf:

verzinsels wil graag hul uiterste doen
om liggaam en siel met mekaar te versoen,

nie soseer om die werklikheid te onthul
as om sy tekortkoming aan te vul.

Wat van voortgezette verzinsels nou?
Hoe lank kan jy hulle nog blindelings vertrou
om jou dag na dag op die been te hou?

 

Sterwende

Nou knal die walle van die tyd
voor aantog van die ewigheid
 
en styg die gistende gety
die laaste bakenpen verby.
 
Sy neusvleuels swoeg, nog ongewend
aan hierdie strawwe element,
 
sy oordrom dreun van die rumoer
wat fondamente ruk en roer,
 
sy netvlies krimp, deur slierte lig
geklief. Sy vleeslose gesig
 
is blink gebeitel en geskaaf
tot sidderende seismograaf.

 

Verwyt
 
Woorde wil àl wat uit die duister wel
in hul spitsvondige patroon saamknel.
 
Die flikkering van aksiomas dring
soos angs-oë deur die nag wat ons omring.
 
Woorde wil die Verborgenheid laat swig
voor hul misleidende moerasgaslig.
 
‘Hier is die Wondermiddel wat nooit faal!
Hier is die Waarheid, binne perk en paal!’
 
Kwaksalwerkrete en kermismusiek
laat jou terugkrimp, eensaam en twyfelsiek.
 
Maar ná ’n week in die woestyn – wat bly
nog oor van jou onkreukbaarheid, as jy
 
dit opgesom en vereenvoudig het
tot ’n klein, selfgenoegsame sonnet?

 

 
Elisabeth Eybers (16 februari 1915 – 1 december 2007)
In 1979

Lees verder “Elisabeth Eybers, Anil Ramdas, Ingmar Heytze, Iain Banks, Alfred Kolleritsch, Aharon Appelfeld”

L. W. Wiener

De Nederlandse schrijver L. W. (Lodewijk Willem Henri) Wiener werd geboren in Amsterdam op 16 februari 1945. Wiener debuteerde met verhalen in Tirade in 1966 met “Mijne heren”. In 1967 verscheen zijn eerste verhalenbundel, “Seizoenarbeid”, die al direct tot commotie leidde. De houder van een strandpaviljoen in Zandvoort, die zich in een van die verhalen geportretteerd meende te zien op een wijze die niet strookte met zijn zelfbeeld, eiste dat het werk uit de handel werd genomen. In een herdruk werd diens naam gewijzigd in die van de schrijver, “Wiener”. Enige publiciteit leverde dit Wiener wel op, maar weinig extra verkopen. De herdruk belandde in de uitverkoop en een roman, “Zwarte Vrijdag” (1967), die hierop volgde, werd door de kritiek genegeerd, een lot dat gedeeld werd met Wieners verhalenbundels daarna: “Duivels jagen” (1968) en “Man met ervaring” (1972). Intussen bleef Wiener schrijven. Zijn verhalen werden van tijd tot tijd gebundeld; de kwaliteit werd beoordeeld als wisselend. Het werk kreeg, hoewel bewonderaars Wiener bleven volgen, weinig of geen aandacht in de pers. Het duurde ruim dertig jaar voordat hem enige erkenning te beurt viel: zijn tweede roman “Nestor” (2002) werd in 2003 bekroond met de F.Bordewijk-prijs. Dat was aanleiding tot een inhaalslag. In 2003-04 verschenen in twee delen zijn verzamelde verhalen, die in de pers in het algemeen gunstig werden besproken. “De verering van Quirina T.” was genomineerd voor de Libris literatuurprijs 2007. In 2015 werd Wiener 70 en kreeg het liber amicorum LHW70 aangeboden. Enige maanden later werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Uit: Duivels jagen

“Honderdtwintig.
Ik heb wind mee; ik kan op mijn snelheidsmeter zien dat ik de wind in de rug heb. Dat is niet zo bizonder want deze wagens hebben maar twee cylinders en de wind oefent zelfs invloed uit op wagens met een groter vermogen. Het enige verschil met de mijne wat dit aangaat is eigenlijk dat mee- of tegenwind bij mijn auto veel meer bepalend is voor de maximum snelheid dan voor andere wagens. Met tegenwind kom ik nauwelijks op negentig, terwijl wagens die onder ideale omstandigheden zeg honderddertig halen met sterke wind tegen nog even hard kunnen als deze nu.
Het zou geweldig zijn als ze een wagen konden ontwikkelen die met tegenwind sneller kan dan met wind mee. Op zichzelf misschien zinloos, maar in ieder geval een uitdaging aan de logika.
Ik raas de tunnel in. In een tunnel wordt altijd hard gereden. Waarom? Een tunnel benauwt. Men wil er snel weer uit. Dat zou het kunnen zijn. Tunnelvrees.
Ik minder vaart; ik ben vroeg genoeg. Ik denk dat ik nooit vaart geminderd zou hebben als ik er niet aan gedacht had dat men in tunnels altijd jaagt. Daarom wilde ik het niet doen. Ik wilde niet vol gas rijden, omdat ik vol gas reed, omdat iedereen dat doet; tenminste in tunnels, daarom minderde ik vaart, omdat ik niet iedereen ben.
Ik rij onder water, schepen varen boven mijn hoofd.
Als ik aan het andere eind van de tunnel het bord uw lichten zie, realiseer ik me dat ik die vergeten heb aan te doen. Het is de eerste keer tot nu toe dat ik dat heb nagelaten. De eerste keer in drie weken. Ik voel dat het een bizondere dag gaat worden vandaag.
Ik kan de wagen kwijt bij de loods waar de twee motorschoppen staan, de grote en de nog grotere, de metalen bisons.
Boven aan de trap blijf ik staan en kijk over de haven. Er ligt een nieuw schip aan de kade. Een enorme tanker. De zon glinstert op het water. In de verte mondt de vaargeul uit in de grote grijze buik van de zee. Het is niet zo’n goed beeld, maar ik kan aan niets anders denken. Ik heb al vaker gedacht aan de zee als aan een soort moeder, ik weet niet waarom, hoe kan ik altijd weten waarom ik iets denk. Trouwens, de zon heeft ook iets van een moeder. Dat is niet zo vaag. Het zal wel verband houden met de warmte en dat we zonder zon niet kunnen leven; het zal psychologies wel te verklaren zijn.”

 
L. W. Wiener (Amsterdam, 16 februari 1945)

Richard Blanco, Elke Heidenreich, Chrystine Brouillet, Hans Kruppa, Douglas Hofstadter, Wilhelm Jensen

De Amerikaanse dichter Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Since Unfinished

I’ve been writing this since
the summer my grandfather
taught me how to hold a blade
of grass between my thumbs
and make it whistle, since
I first learned to make green
from blue and yellow, turned
paper into snowflakes, believed
a seashell echoed the sea,
and the sea had no end.

I’ve been writing this since
a sparrow flew into my class
and crashed into the window,
laid to rest on a bed of tissue
in a shoebox by the swings, since
the morning I first stood up
on the bathroom sink to watch
my father shave, since our eyes
met in that foggy mirror, since
the splinter my mother pulled
from my thumb, kissed my blood.

I’ve been writing this since
the woman I slept with the night
of my father’s wake, since
my grandmother first called me
a faggot and I said nothing, since
I forgave her and my body
pressed hard against Michael
on the dance floor at Twist, since
the years spent with a martini
and men I knew I couldn’t love.

I’ve been writing this since
the night I pulled off the road
at Big Sur and my eyes caught
the insanity of the stars, since
the months by the kitchen window
watching the snow come down
like fallout from a despair I had
no word for, since I stopped
searching for a name and found
myself tick-tock in a hammock
asking nothing of the sky.

I’ve been writing this since
spring, studying the tiny leaves
on the oaks dithering like moths,
contrast to the eon-old fieldstones
unveiled of snow, but forever
works-in-progress, since tonight
with the battled moon behind
the branches spying on the world—
same as it ever was—perfectly
unfinished, my glasses and pen
at rest again on the night table.

I’ve been writing this since
my eyes started seeing less,
my knees aching more, since
I began picking up twigs, feathers,
and pretty rocks for no reason
collecting on the porch where
I sit to read and watch the sunset
like my grandfather did everyday,
remembering him and how
to make a blade of grass whistle.

 

 
Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

Lees verder “Richard Blanco, Elke Heidenreich, Chrystine Brouillet, Hans Kruppa, Douglas Hofstadter, Wilhelm Jensen”

La balade de Saint Valentin (Othon III de Grandson)

 

Bij Valentijnsdag

 

 
Sint Valentijn ontvangt een rozenkrans van de heilige maagd door David Teniers III

 

La balade de Saint Valentin

Je vous choisis, noble loyal amour,
Je vous choisis, souveraine plaisance,
Je vous choisis, gracieuse doulçour,
Je vous choisis, très douce souffisance,

Je vous choisis de toute ma puissance
Je vous choisis de cœur entier et vrai
Je vous choisis, par telle convenance
Que nulle autre jamais ne choisirai.

Je vous choisis, des belles la meilleure,
Je vous choisis, sans penser décevance,
Je vous choisis des plus belles la fleur,
Je vous choisis sans faire variance,

Je vous choisis, ma droite soustenance,
Je vous choisis, tant com je puis ne sais,
Je vous choisis et si vous affiance
Que nulle autre jamais ne choisirai.

Je vous choisis, confort de ma langueur
Je vous choisis pour avoir allégeance ,
Je vous choisis pour guérir ma douleur,
Je vous choisis pour saner ma grevance,

Je vous choisis sans fin en persévrance
Je vous choisis et choisie vous ai.
Saint Valentin en prends en témoignance
Que nulle autre jamais ne choisirai.

 

 
Othon III de Grandson (1340-1350 – 7 augustus 1397)
Château de Grandson bij het meer van Neuchatel

 

Zie voor de schrijvers van de 14e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag

Piet Paaltjens, Ab Visser, Ischa Meijer, Hanna Bervoets, Robert Shea, Alexander Kluge, Frank Harris

De Nederlandse dichter en predikant Piet Paaltjens werd geboren in Leeuwarden op 14 februari 1835. Zie ook alle tags voor Piet Paaltjes op dit blog.

 

Des zangers min (Fragment)

De morgendamp hangt over ’t veld,
En kleurt den herfstdraad wit.
Voor ’t venster op de Hoogewoerd
Een minnedichter zit.
 
Een dichter, die gewoon is, om,
Na d’afloop van ’t ontbijt,
Een lied te tokklen op de harp,
Zijn liefje toegewijd.
 
Niet, dat hij echt een liefje heeft;
Hij stelt het zich maar voor.
Dat doen de minnedichters meer;
Daar zijn ze dichters voor.
 
Ook nu weer is hij aan den gang;
Ook nu weer zingt de snaar
Zijns instruments een minnelied,
Zoo zoet, zoo wonderbaar:
 
‘Als ik u staar in ’t blauwend oog,
O Mina, Mina mijn!
Dan krimpt mijn jong studentenhart
Ineen van minnepijn!
 
En drinkt mijn oor uw zilvren stem,
O Mina, Mina mijn!
Dan zet zich dat studentenhart
Uiteen van minnepijn!
 
En proeft mijn mond uw liefdekus,
O Mina, Mina mijn!
Dan berst datzelfde jonge hart
Vaneen door minnepijn!’

Nauw sterft de laatste harptoon weg
Dier englenmelodij,
Of raatlend rijdt de diligence
Naar Woerden ’t huis voorbij.
 
De jongling werpt zijn dichtersblik
’t Raam uit en ’t rijtuig in,
En, hemel, hoe toevallig! – juist
In ’t oog van een Friezin;
 
Van een der liefste meisjes uit
Die landstreek, ‘in wier lijn’
Reeds Starter heeft gezongen, dat
‘De schoonste vrouwen zijn.’

 

 
Piet Paaltjens (14 februari 1835 – 19 januari 1894)

Lees verder “Piet Paaltjens, Ab Visser, Ischa Meijer, Hanna Bervoets, Robert Shea, Alexander Kluge, Frank Harris”

Julia de Burgos, Frederick Philip Grove, Vsevolod Garsjin, Edmond About, Johann Martin Usteri, Pierre-Claude de La Chaussée, Leone Battista Alberti

De Puerto Ricaanse dichteres en schrijfster Julia de Burgos (eig. Julia Constanze Burgos García) werd geboren op 14 februari 1914 in Carolina. Zie ook alle tags voor Julia de Burgos op dit blog.

 

Farewell from Welfare Island

It has to come from here,
right this instance,
my cry into the world.

The past is only a shadow emerging from
nowhere.

Life was somewhere forgotten
and sought refuge in depths of tears
and sorrows;
over this vast empire of solitude and darkness.
Where is the voice of freedom,
freedom to laugh,
to move
without the heavy phantom of despair?
Where is the form of beauty
unshaken in its veil, simple and pure?
Where is the warmth of heaven
pouring its dreams of love in broken
spirits?

It has to be from here,
right this instance,
my cry into the world.
My cry that is no more mine,
but hers and his forever,
the comrades of my silence,
the phantoms of my grave.

It has to be from here,
forgotten but unshaken,
among comrades of silence
deep into Welfare Island
my farewell to the world.

 

 
Julia de Burgos (14 februari 1914 – 6 juli 1953)
Cover biografie 

Lees verder “Julia de Burgos, Frederick Philip Grove, Vsevolod Garsjin, Edmond About, Johann Martin Usteri, Pierre-Claude de La Chaussée, Leone Battista Alberti”

M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

 

Sprookje
Voor mijn moeder en mijn dochtertje

Zij luisteren beide naar een oud verhaal,
wondere dingen komen aangevlogen,
zichtbaar in hun verwijde ogen,
als bloemen, drijvend in een schaal.

Er is een zachte spanning in hun wezen,
zij zijn verloren en verzonken in elkaar,
-het witte en het blonde haar –
geloof het maar, geloof het maar,
alles wat zij vertelt is waar
en nooit zal je iets mooiers lezen.

 

Duif

Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan de oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.

De hemel boven ’t park werd licht,
de bomen stonden groen, af

zonderlijk
en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.

Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als de dageraad.

 

Ochtend

Zo kalm als op een vlot van helderheid
en rust, gelegen op mijn rug
dreef ik de ochtend in, het ochtendlicht,
land, lucht en water waren één en zonder dat
er van hun eigenheid maar iets verloren ging.

 

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Portret door Bert Megens, 2013

Lees verder “M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius”

Urs Faes, Faiz Ahmed Faiz, Irene Dische, Karl Klostermann, Katja Lange-Müller

De Zwitserse schrijver Urs Faes werd geboren op 13 februari 1947 in Aarau. Zie ook alle tags voor Urs Faes op dit blog.

Uit: Sommer in Brandenburg

“Was war das für eine Stimme, ein Lachen, nicht laut, aber eindringlich, übermütig verspielt, unbekannt, vor allem das: ein Mädchenlachen, das er nie zuvor gehört hatte, ein Klang, der ihm fremd war, kehlig, rauh.
Er kannte sie doch alle, die hier waren, seit Monaten, die Mädchen und die Jungen, Chawerot und Chawerim. Er lauschte, hielt die Hand gegen die Sonne, die blendete, Gegenlicht, darüber der Himmel, blau, preußischblau, dieser große Himmel, Frühsommer noch und heiß. Schnell sprang er über die Schattensprenkel auf dem Weg, eilte dem Stall zu, wollte das Tor schließen, dann hinunter zum Sportplatz, für ein paar Ballwürfe in den Korb vor dem Abendbrot.
Vom Brunnen drang noch immer das Lachen herüber, ausgedehnt und breit. Was gab es da zu lachen, vor dem Brunnen. Dahinter schimmerte der Schwanenteich; da sirrten die Libellen, an diesem Spätnachmittag als Drohung über dem Schilf, bläulich durchlässig. Hecken säumten das Ufer, darüber das Grün der hohen Eichen, die den Weg verschatteten, der sandig war und trocken, weil Regen schon seit Tagen ausgeblieben war. Krähen flogen über den hohen Zaun, der das Landgut umgab.
Wir haben Gänse und Hühner, Ziegen, sogar zwei Pferde, hatte er Helma geschrieben, sechs Kühe, die für eine ganze Milchwirtschaft reichen, mit Käse und Quark. Helma hatte gespottet in ihrem Brief, von Sommerlager gesprochen und Pfadfinder-Romantik, die nicht reiche für den Pioniergeist, den es brauche im fremden Land. Was wußte schon Helma.
Das Lachen, zu wem gehörte es? Die Stimme, etwas laut für eine Zeit, in der sie gelernt hatten, leise und unauffällig zu sein,keinAufsehenzuerregen,zutun,als wären sie nicht da. Und nun lachte da eine, rief hinüber zum Haus, wo die Mädchen waren. Er hielt im Laufen inne, machte ein paar Schritte auf das Gebäude zu, ein Jagdschlößchen aus vergangener Zeit.“

 

 
Urs Faes (Aarau,13 februari 1947)

Lees verder “Urs Faes, Faiz Ahmed Faiz, Irene Dische, Karl Klostermann, Katja Lange-Müller”