Vanavond hebben alle mannen sterren op hun hoofd gespannen, kruizen op hun rug gedaan en zijn naar het bal-masqué gegaan.
Vanavond hebben alle vrouwen jurken met versierde mouwen. Zij dragen bloemen overal en trippelen naar het carnaval.
Vanavond hebben alle kinders vleugels als verheugde vlinders – en ze fladderen komiek op de maat van de muziek…
C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981) Carnaval in Amsterdam, de geboorteplaats van C. J. Kelk
Carnival Evening door Henri Rousseau, 1886
Carnavalsavond
Ondanks de enorme avondlucht, uitgespreid over het grootste deel van het canvas, de maan niet meer dan een doffe munt, saai en plat,
in een gedevalueerde koers; ondanks dat de bomen zelf zo donker zijn, zich naar boven uitstrekkend als smekelingen, volkomen bladloos; ondanks wat een gezicht zou kunnen zijn, ontdaan van gevoel, gekeerd in hun richting,
stralen de twee kleine figuren onderaan dit schilderij dapper in hun carnavalskleding, alsof de hele donker wordende wereld de lichten dimt voor een party
Vertaald door Frans Roumen
Linda Pastan (New York, 27 mei 1932) Mardi Gras (Fat Tuesday) im New York, de geboorteplaats van Linda Pasta
Uit: Hässelby. Het demonteren is begonnen (Vertaald door Paula Stevens)
“Ik zit in de stoel onder het linkerraam. Ik heb de rode sjaal die mijn vader heeft gebreid om mijn nek en draag één bruine wollen sok. De andere heeft hij niet meer af kunnen maken. Mijn vader is twee maanden geleden overleden. Dat is niets nieuws. Er gaan voortdurend vaders dood. Elke dag stort een groot aantal vaders over de rand van de afgrond. Zo hoort het ook. Ze lopen glimlachend binnen op de dag dat je voor het eerst je ogen opendoet, aaien je over je bol en houden je in hun armen. Ze brengen je een paar jaar lang naar de voetbaltraining, lenen je hamer en zaag zodat je een hut in het bos kunt bouwen en geven je op je kop als je ’s avonds te laat thuiskomt. Later vervagen ze, onmerkbaar. Tot ze doodgaan. Geen enkele vader is blijvend. Maar dat denken ze wel, allemaal. Mijn vader is in september gestorven. En om het maar eerlijk te zeggen, ik geloof bijna dat ik blij toe was. Ik schaamde me er toen voor, maar kon het niet helpen dat ik een soort opluchting voelde toen ik hoorde dat hij gestorven was, en een paar dagen later besloot ik het als iets goeds te beschouwen, een mogelijkheid om alles te veranderen. Mijn leven had te lang op pauze gestaan, het beeld had zich als het ware vastgebrand in het scherm, en ik was niet eens zelf vader geworden. Ik had al mijn tijd gebruikt om zoon te zijn. En die klus klaarde ik als de beste. Mijn vader was negenenzeventig jaar toen het gebeurde. Hij zou zijn bridgevrienden ontmoeten, of bridgekennissen, kun je waarschijnlijk beter zeggen, maar daar kwam hij nooit aan. In plaats daarvan belandde hij op de afdeling Pathologie van het Karolinska Ziekenhuis, in de koelcel in de kelder, in een lade, bedekt met een laken en met een kaartje met zijn naam erop aan de brancard. Mijn vader werd geschept toen hij de straat wilde oversteken, door een vrachtwagen die te hard reed, midden op de Sveavg nota bene, een slappe steenworp van de plek waar Olof Palme twintig jaar eerder was doodgeschoten. Er is iets mis met die straat, dat heb ik altijd al gevonden. En de enige kennis die mijn vader zou ontmoeten was een vroegere buurman uit Göteborg genaamd Bo, die lijkschouwer in dat ziekenhuis bleek te zijn en toevallig die avond dienst had. Dat wil zeggen, ontmoeten is een groot woord. Ze kwamen elkaar in elk geval tegen, mijn vader kwam Bo Ohlsson tegen en hij merkte het niet, merkte niet dat hij werd herkend door een vroegere buurman van wiens bestaan hij niet op de hoogte was geweest, en dat deze man naar ons huis belde, naar onze telefoon, mijn en mijn vaders telefoon. Hij zei: Hallo. Ongeveer zoals je andere Zweden begroet die je op Lanzarote tegenkomt. Hallo. Je vader is dood. Precies zo. Zonder verdere inleiding, opbouw. Het was een slecht verhaal, in het beste geval. Toen noemde hij zijn naam. En toen moest ik naar het ziekenhuis komen om te bevestigen dat ze de goeie vader hadden.”
Gij die uit de voed te voorschijn zult komen waarin wij zijn verdronken. gedenk wanneer je over onze zwakheden spreekt, ook de duistere tijden waaraan gij zijt ontkomen.
Wij waren het toch die door de klassenstrijd gingen, vaker van landen wisselend dan van schoenen, vertwijfeld, omdat er alleen onrecht heerste en geen uitkomst.
Daarbij weten we toch : ook de haat tegen de miserie graaft de rimpels, ook de woede om het onrecht maakt de stemmen heser. Ach, wij die de bodem wilden effenen voor vriendelijkheid konden zelf niet vriendelijk zijn.
Gij echter – als het zo ver gekomen is dat de mens zijn medemens zal helpen – gedenk ons dan met mededogen.
Vertaald door Mark Braet
Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)
“Night is generally my time for walking. In the summer I often leave home early in the morning, and roam about fields and lanes all day, or even escape for days or weeks together; but, saving in the country, I seldom go out until after dark, though, Heaven be thanked, I love its light and feel the cheerfulness it sheds upon the earth, as much as any creature living. I have fallen insensibly into this habit, both because it favours my infirmity and because it affords me greater opportunity of speculating on the characters and occupations of those who fill the streets. The glare and hurry of broad noon are not adapted to idle pursuits like mine; a glimpse of passing faces caught by the light of a street-lamp or a shop window is often better for my purpose than their full revelation in the daylight; and, if I must add the truth, night is kinder in this respect than day, which too often destroys an air-built castle at the moment of its completion, without the least ceremony or remorse. That constant pacing to and fro, that never-ending restlessness, that incessant tread of feet wearing the rough stones smooth and glossy–is it not a wonder how the dwellers in narrows ways can bear to hear it! Think of a sick man in such a place as Saint Martin’s Court, listening to the footsteps, and in the midst of pain and weariness obliged, despite himself (as though it were a task he must perform) to detect the child’s step from the man’s, the slipshod beggar from the booted exquisite, the lounging from the busy, the dull heel of the sauntering outcast from the quick tread of an expectant pleasure-seeker–think of the hum and noise always being present to his sense, and of the stream of life that will not stop, pouring on, on, on, through all his restless dreams, as if he were condemned to lie, dead but conscious, in a noisy churchyard, and had no hope of rest for centuries to come. Then, the crowds for ever passing and repassing on the bridges (on those which are free of toil at last), where many stop on fine evenings looking listlessly down upon the water with some vague idea that by and by it runs between green banks which grow wider and wider until at last it joins the broad vast sea–where some halt to rest from heavy loads and think as they look over the parapet that to smoke and lounge away one’s life, and lie sleeping in the sun upon a hot tarpaulin, in a dull, slow, sluggish barge, must be happiness unalloyed–and where some, and a very different class, pause with heaver loads than they, remembering to have heard or read in old time that drowning was not a hard death, but of all means of suicide the easiest and best.”
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)
De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happel werd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.
HOE STRAK zijn de grenzen verdeeld over de hemel Hoe koppig mijn voorhoofd aan het raam Waarheen de wind vandaag zijn berichten stuurde Met harde handen
Opdrachten mij aan hem te onderwerpen Verzoeken om hem te ontmoeten
’s Nachts van sneeuwdauw nat geworden gezichten Een trekken een uit elkaar Tevoorschijn dromen
Ik doe alsof ik blind ben
Tot aan de ochtend tot het maart is Totdat ik met een schok rechtop schiet, mijn geheel Tot nu toe geleefde leven opstaat
Mij aankijkt
En met bulderend gelach Achteruit afdaalt in de Onherroepelijke de voorbijgegane tijd
„Auf den schwankenden Ästen der Baumreihe an der Grenze zur Lichtung hockten die Rohrweihen. Obwohl die meisten von ihnen noch nie einen richtigen Winter miterlebt haben konnten, musste ihr Instinkt ihnen gesagt haben, dass die Gräser bald von den kleinen Nagern zittern würden, die sich noch vor dem ersten Schnee in den nächsten Stunden Vorräte und einen Platz zum Überwintern suchen würden. Ich hatte meinen Big Boy unter dem Bett vergessen. Ich war überzeugt, an diesem Tag sicher zu sein. Keine Situation, die mehr als ein Messer erfordern würde. Ich musste mich nur von den Flughunden fernhalten. Dennoch nahm ich mir vor, von nun an die Hütte nicht mehr ohne Gewehr zu verlassen. Unter dem Blick der Habichtverwandten trat ich in den kalten Schatten des Waldes. Nach ein paar Metern drehte ich mich um. Hinter mir war die Wiese zu einer grellen Masse zerflossen, in deren Licht nichts mehr zu erkennen war. Nach wenigen Schritten wurde ich fündig. Im Dickicht leuchtete es. Ich bog den Farn zur Seite. Zwischen Moospolstern stand eine etwa fünf Zentimeter hohe Blume, die, soweit ich mich erinnerte, noch in keinem meiner Verzeichnisse auftauchte. Es konnte sich um eine neue Art handeln, vielleicht aber auch bloß um eine Mutation. Die Pflanze, möglicherweise zur Familie der Ericales gehörig, besaß genau fünfzehn offen-glockige gelbe Blütenblätter mit rosafarbenen Staubblättern und einem Griffel, der von einer dunkelvioletten Narbe gekrönt wurde. Behutsam drehte ich einen der robusten Stängel aus dem lockeren Erdreich. Der winzige Samen, der durch meine Lupe am Ende der haarfeinen Wurzel zu erkennen war, hatte den Jahreszeitenwechsel offenbar sofort registriert. Er hatte getrieben. Der süße, schokoladige Duft, den die Blütenblätter verströmten, besaß eine starke Wirkung, die aus der Not geboren war: Wo anderen Blumen Wochen blieben, um bestäubt zu werden, hatten sie wohl nur Tage. Mit Erfolg. Im Gegenlicht, das zwischen den Stämmen in Streifen einfiel, glitzerten Insektenwolken. Jetzt bereute ich es, nicht meinen Kescher mitgenommen zu haben. Aber natürlich wäre ich völlig außerstande gewesen, auf Jagd zu gehen. Diese Zeiten waren vorbei. Ich habe mich oft gefragt, was in den Pflanzen in dem Moment, da ich sie abbreche, vorgehen mag. Ich bin immer zum selben Schluss gelangt. Für sie ist die Welt in zwei Felder geteilt. Lebewesen existieren für sie nicht, keine Tiere, keine Menschen, auch keine anderen Pflanzen, kein Hass, keine Liebe. Nur dies: Licht und Nicht-Licht. Ich war das Nicht-Licht. Allein diese kleine Aktion, die früher nur eine Winzigkeit in meinem Tagesablauf gebildet hätte, hatte mich merklich angestrengt. Trotz der Ibus hatten sich die Schmerzen in meinen Gliedern verstärkt, sie brannten.“
Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)
In stilte rijpen de vruchten. Bladeren vallen in stilte. Stom bedekt de sneeuw ze, Zachtjes bevriest het meer – De dood komt als slaap.
Voortplanting gaat in stilte. Zonlicht schreeuwt niet. Niemand hoort het als de sneeuw verdwijnt. Alle grassen komen uit de aarde – stom. Als bloemen opengaan, dreunt het niet.
Alles wat waar is kan stil zijn. Voor onze oren. Geen mens kan horen wat de uil hoort.
We klampen ons vast aan elke wielklem die op ons pad komt als gelegen, als tenminste iets dat ons gegund blijft
Maar wat blijft er over wat komt tot ons als onverdeeld
We vieren openingen en sluitingen die uit oost en zuid komen aangewaaid We grijpen kansen die zich voordoen als aan de laatste schooier
Wat een tocht leek op Discovery Channel speelt zich af in ieders ondergrond
Voorwaarts, voorwaarts spelt het parool, wat er te redden valt wanneer de storm opsteekt en het schroot wappert als van blikken de blues
Omhelzen we de ruilhandel, de vindingrijkheid van een wakker vuur
Danspartijen (Zedenkomedie)
Blijgezind gehuppel in de bergen zijn we daarom thuis vertrokken zijn we jivend in een kring gaan staan om uitbetaald te worden in belminuten of pruiken van barbiehaar
Wat is er geworden van het telraam waarmee aan stukwerk werd gedaan wat van de foxtrot, bevriende ledematen en matrozen
We zitten onszelf in de weg en knagen op rotjes en limoenen
Scheelzien tot het ochtend wordt verknoopt al in de gloria van waar geen eind aan komt
Open deur (Huisvredebreuk)
Er kwam een vreemde door die rommelde in laden en geld meenam uit een vorige eeuw
Onbruikbaar goed verdwenen uit de koers- tabellen, verworden tot gekleurd papier
Voor de valutablinde viel hier niets to halen Voor wie wel wie zocht
Bezitsverlies is onvermijdelijk ook ongevraagd wordt er gedeeld
Weet je dat perzikbloesems van binnen verdrietig zijn? Zij hebben namelijk ’s nachts gehuild, omdat ze zo verlangden naar de wind en naar de zon, die toch ’s nachts niet schijnt. Weet jij, dat zo jouw ogen ook zijn?
Mijn hoop
Op jouw leeftijd, mijn kind, heeft Ieder mens nog redenen om aan te nemen dat hij zowel vliegen als lopen zou kunnen leren
Zij komt in de kamer, zij weet wie zij is. Een vertoning waarin ik mij vergis. Als zij mij ziet voegt zij ons samen – de lach is voor mij, de mond van haar. Haar stap heeft gelijk, hij draagt graag.
En zie, uit een kamerjas haalt een vrouw de vrouw die ik liefheb. Ik herken haar aan duizend gebaren, tekenen van het begin. Maar wie is het die jaren daarna zomaar haar plek in ons bed terugvindt.
De slapeloze
De slapeloze waakt in kamers vol schimmen. Met muggenpoten raakt hij zijn ogen aan, in zijn liezen keert oud zweet terug. Alleen de slapeloze ziet in de nacht:
waar kinderen tegen vuurtorens vliegen, vreemde gasten het gras lopen te maaien, waar de buren door de muren ademen, waar niemand is waar hij dagelijks bestaat.
De slapeloze verzamelt alle gedachten, hij denkt voor duizend insecten, in zijn benen schuren kiezelstenen. De slapeloze ligt als een gewicht op wacht,
zijn lichaam draait hem mee in de uren. In zijn laken hangt al de lucht van de dag, aan de gordijnen brandt langzaam de maan. Alleen de slapeloze herhaalt ’s nachts zijn naam.
Aan het water
Nu ik nooit van hier zal zijn en dagelijks afkomstiger ben van elders,
nu ik hier dan toch in een bocht aan het water een straat heb gelegd,
een vindplaats heb ingericht voor een kind, een berk en wat rozen,
nu het kind over de latere voetpaden steeds meer afkomstig zal zijn
uit die straat aan het snelle water tussen de oude berk en de rozen,
zal ik nooit meer van hier zijn dan nu.
Bernard Dewulf (30 januari 1960 – 23 december 2021)
je strekt je armen uit reikt naar het apparaat in retro-look gods oog is een analoge frequentieweergave met een blauwe glans onbereikbaar ver boven op het keukenrek jij op de grond oefent wanhopig in tongen taal
„Sieht man diesen Ort zum ersten Mal, das Schloss mit der schönbrunner-gelben Fassade und der abbröckelnden graugelben Rückseite, den Park mit seinen Wiesen und Sportplätzen, seinem bewaldeten Hügel und seiner Grotte, dann ist die Mauer, die ihn umgibt und deren Höhe je nach Steigung der Argentinier- und Favoritenstraße zwischen zwei und vier Metern schwankt, wahrscheinlich das Letzte, was einem auffällt. Warum sollte man auch an die Mauer denken beim Tag der offenen Tür? Die Kinder sehen ja so viel anderes, die Tennis- und Beachvolleyballplätze, das Hallenbad, den Parkettturnsaal, die Multifunktionshalle, die Sala terrena und, wenn sie ihren Blick nach unten auf die eigenen Füße richten, den Steinboden, dessen große Platten über die Jahrhunderte von Tausenden Schlapfen glatt geschliffen wurden. Außerdem zeigt man den Kindern die Fußballplätze, die zwei Fun-courts, den Hartplatz, den Firsty-Platz und vor allem den Großen Platz, der auf allen Fotos abgebildet ist und dem Park, gemeinsam mit der ihn umgebenden Laufbahn, etwas Offizielles. etwas Highschoolhaftes verleiht, auch wenn sie nach dem Tag der offenen Tür nie wieder dort spielen werden, weil der Große Platz Gegenstand eines seit Jahren andauern-den Rechtsstreits ist, dem mit dem Hinweis: Platz gesperrt, Betreten auf eigene Gefahr! Rechnung getragen wird. Von alldem wissen die zukünftigen Marianisten noch nichts. Man er-zählt ihnen vom Fremdsprachenangebot, von Schulreisen, Austauschpro-grammen, sogenannten Unverbindlichen Übungen, in denen die Schüler jeder denkbaren Leidenschaft von Schach Ober Skifahren bis Aquaristik nachgehen können, aber man zeigt ihnen nicht die Stelle beim Konferenzzimmer. an der trotz einer zusätzlichen Schicht Farbe noch immer der Name des ehemaligen Erziehungsleiters durchscheint, begleitet von den Worten: du Kinderficker! Den Firsty-Platz zeigt man ihnen zwar, aber ohne zu erklären, was das ist, ein Firsty, was es bald für jeden von ihnen bedeuten wird, von Älteren als Firsty behandelt zu werden, ein ganzes Jahr lang, und dass sie selbst sich gegen alle Vorsätze in diese nach Alter gegliederte Nahrungskette einfügen und schon ein Jahr später den neuen Firstys gegenüber genauso verhalten werden: Weil sie anderen nicht ersparen wollen, was ihnen nicht erspart geblieben ist.“
voor mijn saturnale vriend Gerben Hellinga aan het begin van de jaren ’80
Grote Bom die in de hemel is en op aarde en in de wateren van de zee, o Bom, voor U knielen wij op deze nieuwe dag van ons leven. Wij danken U, o Bom, dat Gij niet gevallen zijt vannacht, dat Gij ons, zondaars, weer een dag schenkt. Grote Bom, aan Uw goedertierenheid danken wij ons leven en onze veiligheid. Onder Uw alziend oog groeien onze kinderen op, o Grote Bom, Balans van de Angst, Heerser over dood en leven, wij loven U en besteden onze beste krachten aan U. Een derde van ons inkomen offeren wij U. Waarachtig, Gij zijt de God aller volken! Gij smelt de mensheid samen, de volkeren der aarde sidderen voor U. O Grote Bom, gesel Gods, Bestraffer onzer zonden, schenk ons genade en barmhartigheid. Gij zijt het vleesgeworden Woord, de Beeltenis van God, het Licht der Wereld. O Grote Bom die in de hemel is, mogen ook onze kinderen in respekt voor U knielen, opdat Uw toorn niet over ons ontbrande! Gij zijt streng maar rechtvaardig, U is het koninkrijk en de macht en de veiligheid tot in eeuwigheid, Amen
Kupido’s klaaglied
Waar is het woord dat door de doornen boort Waar zijn de krachten die ooit liefde brachten Toon mij de machten die haar verkrachten Mijn liefde zo zwaar beproefd Verpletterd op het slagveld van de lusten Onverdacht toen wij in liefde kusten Teveel bloed heeft Eros al geproefd. Laat hem binnen in de oorden Waar zijn pijlen niet vermoorden om u eeuwig te beminnen, laat hem binnen, om uw hart voor mij te winnen.
Het kunnen waarnemen Eindigt bij het instappen Van de tram Klootzak roept het kind Waarom zijn jullie zo geparfumeerd? Zweet en urinegeur Zijn uit te houden Maar deze met douchegel gedoopten Dit olfactorische mengsel als geur Toverhazelaar met menthol Lilial met kunstmatige muskus Laat het kind kokhalzen Zelfs achter het masker van fatsoen Ervaar ik zo elke dag het ruiken Als overweldiging Door de neuswortel naar de hersenen Een steken en geen bevrijding
De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.
Een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren. oud-strijders staan te beven aan de kant de blikken op zwart-wit – en het gebeurt. gewoon omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons moet alles vroeg of laat een keer gebeuren dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht en struikel voort in volle ongeremdheid zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk. waar alles mag is ieder vogelvrij.
Mijn wit plafond
Mijn wit plafond en ik wij ontwaken weer tezamen. Het bedmetaal en ik wij scheiden minnaars van elkaar. ‘k Heb niemand nodig. Kijk hoe ik de theekop stevig kus. Ik wijdopen dode ramen en je geur is buitenlucht.
Tafelgenoten
Al wie dit hoort: schrikt niet. Peinst niet dat ik echt in ’t radiomachien of in uw woonst verborgen zit – hier klinkt uw eigen onbekende stem van ether. Modern-kekke mens, komt toch aan tafel laat ons een kleine geschiedenis eten.
Hangt eerst uw beleefdheden in de gang. Legt goede smaak op de bestemde plank. Veegt voeten, handen, eigenschappen. Trekt uw beroep uit. Laat u zich gaan. Staat u mij toe de laatste dromen en vaste lastjes van u af te slaan.
Ik moet u, als in vroeger dagen vragen het ras voorzichtig los te pellen. Afkomst verwijderen, kleur ontkennen. Wandelt nu rond, geheel doorschijnend door alle lege kamers van het lijf. Doden gelijk. En o ja: zeg jij tegen mij.
We zijn nu bijna zonder opsmuk. Ontkleed je. Ga nu door tot op de huid. Kijken we samen naar je buik, je rug tien vingers, één navel, het vet in je zij alle botten, wervels en kiezen verzameld alle trilharen aan tafel. Dat ben jij.
En in deze schaamte zijn wij vrij. Ik proost vandaag op onze naaktheid in de hoop dat niemand ooit het werelddeel in je ontdekt je longen bezet, opvult met honger en zijn geloof in je plant als een schoffel.
Zet je schrap tegen mij. Alleen hier in weerloosheid zijn we vrij.
In het begin vecht je nog Later wil je niet Je collega’s in de steek laten Sinds kort zit er iemand aan het bureau In slaap gevallen De rechterhand nog om de muis Geklauwd De noodarts had moeite Om hem los te krijgen In Outlook stonden zeventien Onbeantwoorde e-mails Neem jij dit over Zei de divisiemanager tegen mij
Uit: Antonia (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Antonia was een meisje uit Milaan dat verliefd was op de bergen. Ze werd geboren in de winter, op 23 februari 1912. Ook ik ben in de winter in Milaan geboren en ben vaak langs haar huis gelopen, een statige woning aan de Via Mascheroni, met op de voorgevel het bouwjaar,1914, dus het was nieuw toen de Pozzi’s er introkken. Het is een chique buurt, met veel huizen en villa’s 7 van een beschaafde industriële bourgeoisie die in Milaan nu niet meer bestaat, vlak bij het Parco Sempione waar Antonia, zo stel ik me voor, vaak naartoe ging omdat ze er iets van de bomen, de grasvelden en het water vond die ze in de rest van de stad zo node miste. Ze had geen band met dat huis, waarover ze nooit iets heeft geschreven, en overigens ook niet met de rest van Milaan, met uitzondering van de muziek die in de Scala en op het conservatorium werd uitgevoerd en de denkbeelden die opgeld deden op het Manzoni-lyceum en de Staatsuniversiteit, waar ze de mensen leerde kennen die voor haar het belangrijkst zouden blijken. Ze voelde zich meer thuis op het platteland van Lombardije, in de buurt van Paria. Haar moeder kwam daar vandaan: de Cavagna Sangiuliani’s, graven van Gualdana, hadden uitgestrekte landerijen bezeten langs de oevers van de Ticino, met bossen, velden, boerderijen, jacht- en visgebieden, maar ook een bibliotheek met tachtigduizend boeken, waaronder veel kostbare antiquarische werken. Haar grootvader was een gerespecteerd intellectueel geweest, die zich in het bijzonder had beziggehouden met de geschiedenis van Lombardije. Haar grootmoeder Nena, op-en-top een negentiende-eeuwse gravin, woonde nog steeds in het nabijgelegen Bereguardo, op een groot landgoed waar Antonia haar vaak ging opzoeken. De slootjes, de rijstvelden, de dijken en de mist vormden voor haar een vertrouwd landschap, net als de bochten en de draaikolken in de rivier. Toen ze in 1929 gedichten begon te schrijven, wijdde ze het eerste aan deze plek.
Vertewee
Ik herinner me dat, wanneer ik in het huis van mijn moeder was, midden in de vlakte, ik een raam had dat uitkeek over de velden; ver weg, achter de bosrand ging de Ticino schuil, en nog verder weg zag je een donkere lijn van heuvels. Ik had de zee toen nog maar één keer gezien, maar daaraan dacht ik met bittere weemoed terug als aan een geliefde. Tegen de avond tuurde ik naar de horizon; ik kneep mijn ogen half dicht, liefkoosde met mijn wimpers contouren en kleuren: en de lijn van de heuvels effende zich, trillend, blauw: het deed me denken aan een zee en die was me liever dan de echte. Milaan, 24 april 1929”
Jullie dichters van de Late Tang sturen mij berichten deze morgen. De oostelijke hemel is roodgekleurd. Schakels van vogelzang vormen een zwevende ketting. In een uithoek van de wereld, omringd door de oceaan en de lucht, kan ik terugkijken op zoveel destructieve dagen en nachten, en ook vooruit, ego-demonen voor zover de geest reikt. Hier blijft, voor even, het licht hangen.
Ik werd een paal onder het viaduct. Ik was moe en las: wil je rechtop blijven staan, moet je een ledemaat zijn van de stad.
Voel je de pols van het beton, de neerslag die klaarstaat in maatpak, vanavond op sissende daken zal slaan?
Er is een hitteplan geschreven: wees als de eenden. Nestel je naakt in het gruis, kruip in de buizen of broed op gloeiende tegels je kuikentjes uit. We overleven alleen als we de zalen verlaten, ons in staaldraden sluiten, omkleden met steen.
Kijk, de hagedis met bonzende romp, uit haar bek de damp van de metrostations. Ze legt haar vel af, verdwijnt in de spleet, wij volgen traag haar voorbeeld.
A Queens Krönungsmesse
de rit begint niet in de vettige vacht van onze ma maar met een dienst in een deftige buurt, een glanzend pakket van boudoirs en vieze bedden, in de handen van wie betaalt en zijn mond houdt
voor wie de attractie omzeilt is ons lichaam te winnen, het dunne raam drukken wij als etiket tegen onze borst maar het draagt ons niet als we vallen, wij zijn Mozart aan het hof: we zoeken een bergplaats voor ons talent
wie zingt er mee in de sopraanaria, dit gillende gewelf het geweld dat ons in elke sponning vastzet ons dichtslaat als een deur
wie heeft ons in handen, wie opent de vitrine en bedekt het bloed, wie heft het glinsterende hoofd welk wezen, in godsnaam?
Uit: Ridder Gluck. Een herinnering uit het jaar 1809 (Vertaald door Albert Verwey)
“Het late najaar in Berlijn heeft gewoonlijk nog eenige schoone dagen. De zon treedt vriendelijk uit de wolken te voorschijn, en snel verdampt de nattigheid in de lauwe lucht die door de straten waait. Dan ziet men een lange rij, bont door elkaar – dandy’s, burgers met de vrouw en de lieve kleinen in zondagskleeren, geestelijken, jodinnen, ambtenaren, lichtekooien, professoren, modistes, balletdansers, officieren en anderen – door de Linden naar de Thiergarten trekken. Weldra zijn alle plaatsen bij Klaus en Weber bezet; de cichorei-koffie dampt, de dandy’s steken hun cigarros aan; men spreekt, men twist over oorlog en vrede, over de schoenen van Mad. Bethmann, of zij onlangs grijs of groen waren, over de gesloten handelsstaatGa naar voetnoot1) en het bederf van de pasmunt, tot alles in een aria uit Fanchon vervloeit, waarmee een ontstemde harp, een paar niet gestemde violen, een teringachtige fluit en een kortademige fagot zich en de toehoorders plagen. Dicht bij het hek dat het terrein van Weber scheidt van de straatweg, staan verscheidene kleine ronde tafels en tuinstoelen; hier ademt men vrije lucht, kijkt naar de gaanden en komenden, is op een afstand van het kakaphonisch geweld van dat vermale. dijd orkest. Daar ga ik zitten, me aan het luchte spel van mijn fantasie overlatend, die mij bevriende gestalten toevoert, met wie ik over wetenschap, over kunst, over alles wat de mensch het dierbaarst zijn moet, me onderhoud. Bonter en bonter golft de stroom van de wandelaars langs me; maar niets stoort me, niets kan mijn gefantaseerd gezelschap doen vluchten. Alleen het vervloekte trio van een allerlaaghartigste wals ontrukt me aan mijn droomen. De knarsende bovenstem van de viool en fluit en de brommende grondbas van de fagot alleen hoor ik; zij gaan op en neer, vast bij elkaar blijvend in octaven, die het oor verscheuren, en onwillekeurig, als iemand wie een brandende smart doorwoelt, roep ik uit: ‘Welk een razende muziek! Die afschuwelijke octaven!’ Naast mij murmelt het: ‘Verdoemelijk noodlot! Alweer zoo’n octavenjager!’
E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822) Zelfportret, voor 1822
De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.
In de Village
II
Iedereen in New York zit in een sitcom. Ik zit in een Latijns-Amerikaanse roman, één waarin een viejo met zilverreigerhaar met wat onzichtbaar verdriet trilt, een obscene aandoening, en het in het geheim beschrijft, totdat het in zijn gezicht te zien is, de rimpels tussen haakjes bevestigen zijn fictie tot zijn diepe schaamte. Kijk het is gewoon het oude verhaal van een hart dat maar niet wil stoppen wat de kansen ook zijn, wereldvreemd. Het is slechts één dat niemands hart zal breken, zelfs niet als de grijze kolonel van zijn paard tuimelt in een cavalerie-aanval, in een gevecht dat hem niet to standbeeld maakt. Het is de hel van gewone, onbeantwoorde liefde. Kijk naar deze zilverreigers in een slordige groep, witte vlaggen, die over het gazon sjokken hopeloos achterop; zij zijn de verbleekte spijt van de memoires van een oude man, gedrukte strofen. hun gescharnierde vleugels tonend als wijd open geheimen.