wieder ein Baum, der durchs Fenster wächst und nichts Neues.
nichts Neues mehr als ein einziger Baum vor dem Fenster, dem die Zweige zu Kopf stehen seit Jahren.
seit Jahren nichts als ein einziges Blatt, das es noch zu schreiben gilt vor dem Fall
die Nacht bricht auf
Der andre flieht, sobald ich nach ihm fasse; Und wenn ich ruf, wird er nicht Antwort wissen; Je mehr ich such, je mehr muss ich ihn missen. (Giordano Bruno)
die Nacht bricht auf ich bin nur ein Schwimmer ich schwimme für dich durch Helles Erdachtes
liegend, dem Fährmann näher, als du denkst, bin ich Fleisch oder Herz
ich geh dir nicht nach nicht länger auf Händen kam auch der Tag als du gingst
fast unverschämt
was soll man sagen es regnet zuweilen auch nachts durch Träume und Regen rinnt aus der Traufe
ein Mensch taucht unter Wasser hört man wen sagen taucht unter und auf nicht mehr als würde ein Stein in der Lunge liegen wie im Märchen hört man wen sagen
ik weet wat het betekent om gelukkig te zijn
wij tweeën staan hier dus met zijn drieën en houd onze handen steviger vast. zo veel groen als ons de lente schenkt, verrast ons dan toch, dat hadden we slechts in dromen gedacht. niet in een droom echter spiegelen we ons in de vijver, kijken eendenkuikens na, die sporen trekken in het water. aan de horizon glanzen bergen wit, wij wachten nog een poosje, zwemmen verder, richting oever
„Stumm und starr vor Angst hockt sie in ihrem Drehstuhl, als hätte die Ohrfeige sie betäubt. »Sie ruhig sind und bleiben still!« Ich greife nach dem Packband in meiner Jackentasche, fessle ihre Hände an die Armlehnen und die Fußgelenke an die Stuhlbeine. Mit mehreren Streifen klebe ich ihren rot geschminkten Mund zu. »Nix ich will hören!« So langsam beginne ich, mich zu entspannen. Ich setze mich ihr gegenüber auf den Besucherstuhl, nehme mir ein Blatt Papier von ihrem Schreibtisch, mische etwas Hasch in meinen Tabak und drehe mir eine Zigarette. Ich zünde sie an und atme tief ein. Ganz genüsslich. Das Papier schmeckt verbrannt und im ersten Moment will ich würgen, aber ich zwinge mich dazu, diese besondere Zigarette zu genießen. Ich ziehe daran, als wolle ich sie aussaugen, inhaliere den Rauch bis tief in meine Lungen und freue mich über den leicht brennenden Schmerz in meiner Brust. Ich fühle mich so lebendig wie schon lange nicht mehr. Ich stehe auf, beuge mich zu ihr, gehe ganz dicht an sie heran und puste ihr den Rauch mehrmals mitten ins Gesicht. Da ihr Mund zugeklebt ist, muss sie den Qualm durch die Nase einatmen. Sie versucht den Kopf wegzudrehen und muss so sehr röcheln, dass sich das Klebeband auf und ab wölbt. In einer Behörde zu kiffen, das fühlt sich irrsinnig gut an. »Frau Schulz, wir reden zusammen. Ich wollte immer, und Sie haben keine Zeit oder Wille für mich, wenn ich vor Ihrem Zimmer warten. Jetzt endlich ist so weit! Ob Sie wollen oder nicht, wir reden. Aber Deutsch ist schwer für mich und will ich viele Sachen erzählen. Ich muss Arabisch mit Ihnen reden, so ich kann frei reden. Leider!« Ich will mich nicht länger durch die deutsche Sprache quälen, durch diesen Dschungel aus Fällen und Artikeln, die man sich nie merken kann. Es ist natürlich Quatsch, jetzt mit ihr Arabisch zu sprechen, aber was soll’s. Auch wenn Arabisch ihre Muttersprache wäre, würde sie mich nicht verstehen. Sie stammt aus einer ganz anderen Welt als ich. Ein Erdling spricht gerade mit einem Marsianer. Oder umgekehrt. Das hier ist für mich eher wie die christliche Beichte, die ich mir einmal habe erklären lassen. Dabei sitzt man auch auf einem Stuhl in einem viel zu kleinen Raum. Auf jeden Fall kann ich mir jetzt meine Sorgen von der Seele reden. Also, meine erste Frage: Wie lautet Ihr Vorname?“
So many girls vague in the yielding orchard, None at my pausing but had seemed therefore To grow a little, to have put forth a tentative Frond, touch my arm and, as we went, Trailingly inquire, but smilingly, of the greenhouse — One had heard so much, was it never to be seen? So that it would always have appeared possible To be distinguished under glass Down femed-faint-steaming alleys of lady-slipper, Camellia, browning at the finger-tip, Yet always to find oneself, with a trace of humor, In perhaps the least impressive room. It was hotter here than elsewhere, being shadowed Only by bare panes overhead, And here the seedlings had been set to breeding Their small green tedium of need: Each plant alike, each plaintively devouring One form, meek sprout atremble in the glare Of the ideal condition. So many women Oval under overburdened limbs, And such vague wants, each witlessly becoming Desire, individual blossom Inhaled but to enhance the fiercer fading Of as yet nobody’s beauty— Tell me (I said ) Among these thousands which you are! And I will lead you backwards where the wrench Of rifling fingers snaps the branch, And all loves less than the proud love fastened on Suffer themselves to be rotted clean out of conscience By human neglect, by the naked sun, So none shall tempt, when she is gone.
POEM IN SPRING
Being born of earth, we’ve come to sit On fecund ground and fondle it — A filial diversion this. Then brother-sisterly we kiss
Who cannot tell one branch for buds Nor see, for trees, the April woods Cloudy with green nor, amorous, Think autumn looks askance at us.
ITALIAN LESSON
It will not do Luigi You in this fireless room Tirelessly expounding The sense of so much sound
As if to speak were rathcr Those promenades in Rome Where each cool eye plays moth To flames largely its own
Than the resounding Latin Catacomb or labyrinth Corinthian overgrown With French sphinx or the heated tones
Of all these quenched at nightfall Yet sparkling on a lip At whose mute call I turn To certain other lessons hard to learn.
Er komt een tijd dan heeft de zon al het werk gedaan De appels zijn rood De peren zijn geel en de marktvrouwen roepen pruimen mooie pruimen Er komt een tijd dan wordt de zon moe en steeds kleiner Zo klein als een sinaasappel
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)
Uit: 25.000 Boeken. Enige richtlijnen voor de liefhebber
“Mijnheer! Uw onbescheiden vraag of ik een eigen boekerij bezit, kan ik tot mijn genoegen bevestigend beantwoorden. Ik heb zo vreselijk veel boeken en woon daarbij in zo’n verschrikkelijk klein huisje, dat het vandaag of morgen nog eens uit elkaar zal barsten. Een man van de verzekering, die onlangs vruchteloze pogingen deed mij tegen inbraak te verzekeren, schatte het aantal boeken, dat bij mij gestolen kan worden op ruim 25.000. Hij heeft mij toen niet verzekerd, inziende dat dit voor elke inbreker onbegonnen werk moet zijn. Een klein gedeelte hiervan staat op planken tegen de wanden, van de vloer tot aan het plafond. Ook op de badkamer en zelfs op de W.C. is dit het geval. Vanzelfsprekend bevinden zich daar de minder belangrijke werken, zoals mijn eigen boeken, of die banden, die tegen schadelijke atmospherische invloeden bestand zijn. De rest staat eenvoudig op de grond. Het is opmerkelijk, hoeveel bergruimte een vloer biedt. Ten eerste zijn daar de beduidende oppervlakten onder de bedden, die in de meeste huisgezinnen niet efficiënt besteed worden, doch bij enig nadenken een uitnemende gelegenheid bieden om die werken, die men toch nooit van plan is te lezen, afdoende aan het oog te onttrekken. Ik zal geen namen noemen. Het is de bedoeling van dit stukje niet, om iemand te kwetsen. Maar hoor nu verder. Hebt U er wel eens over nagedacht, hoeveel onnodige vloerruimte een kamer eigenlijk wel bevat? Neem bijvoorbeeld Uw studeervertrek. Als men daar pas huist, meent men waarlijk het gehele oppervlak nodig te hebben om zich daar behaaglijk te gevoelen. Van die kinderachtige opvatting geneest men spoedig. Ras ziet men in, dat slechts de lijn benut wordt, die door de twee punten: Uw bureau-stoel en de deur, bepaald is. Welnu, maak daar een gangetje en vul de rest met boeken. Doe ook zo met de overige kamers. Handel insgelijks met de zolder, de kelder en de gangen. Spoedig zult gij bemerken, dat ge niet alleen al Uw boeken kunt bergen, maar dat Uw bewegingen door het huis ook uiterst sober worden en zich tot strikt noodzakelijke bepalen. Het kan niet uitblijven of onder Uw huisgenoten zullen er zijn, die zich tegen deze opvatting gaan verzetten. Ga niet op hun onnozele bezwaren in. Stel hen eenvoudig voor de vraag: waar wilt ge er dan mee heen? Wacht niet op het antwoord, maar keer U om en laat hen met dit probleem alleen, oog in oog. Dit is geheel voldoende. Van tijd tot tijd echter zal de tegenstand vastere vormen aannemen. Ge zult aan het ontbijt woorden horen als: orde in de rotzooi, het mes er in, en dergelijke. Er zal zelfs een werkster komen. Er zullen twee werksters komen. Verontrust U niet. Dit alles gaat voorbij. Laat hen een week lang worstelen met Uw 25.000 boeken. Er komt een ogenblik, dat zij dit opgeven. De dag breekt aan, dat zij ineen zijgen. Ge hoeft daarbij niets te doen. Uw boeken worstelen voor U.”
De jongen schonk geen speciale aandacht aan de perenboom waar hij zich achter verstopte uitgestrekte takken gedraaid boven zijn hoofd of het legioen van geel-gejaste wespen zoemend in dronken cirkels rond gevallen fermenterend zomerfruit die bruin werden op de grond hij nam ook niet de moeite om na te denken over de ruwe reptielenschors die onder plukjes gras gleed en wortel- zenuwrank werd die de aarde vastgreep als houten bliksemflitsen bevroren in de tijd het feit dat hij de kin van zijn vader had, de humor van zijn grootvader de amandelogen van zijn moeder, het Zwitserse zakmes van zijn broer, illegaal in zijn zak, en de familiehouding, schouders afgezakt als onder een last, was nooit in hem opgekomen de jongen merkte de stofwolk niet op van achter auto vandaan geschopt op weg naar de horizon de bestuurster in gele zomerjurk vastbesloten om te ontsnappen en deze keer nooit meer terug te komen of het fluitje van de loopjongen opgeschrikt door het passeren van de auto een volle maan gesneden uit doorschijnend weefsel nog steeds zichtbaar aan de hemel overdag verdween evenzeer ongezien de flits van gladde gebruinde huid van zwartharig buurmeisje dat naakt zwom was het hele universum geworden
Des daags scheen ’t helle licht uit ’t volop-blauw En flikkerde op het water, en de stenen Van huizen en straten waren wit beschenen En grijs bestrepeld met der takken schauw*,
En in de ganse stad waren door-énen De warmte en schaduw, ’t zonne-licht en kou, En waar de warmte lag in de luwte lauw Woei felle wind om huizen-hoeken henen.
Wit scheen de maan uit donker-blauwe nachten Over de stad, die lag met wijde grachten, Waar noorden-wind kwam over-heen geblazen,
Dat ’t zilver krinkelde over ’t water blauw Tussen de huizen-blokken in donkere schauw En witte muur met glinsterende glazen.
Hein Boeken (2 december 1861 – 19 oktober 1933) Krokussen in Het Vondelpark in Amsterdam, de geboorteplaats van Hein Boeken
Vanaf de schilferige bank staar ik in een te strakke hemel en later in de lange gang tuur ik op uitgesleten steen. Er wordt mij niets geopenbaard over ’t waarom en het waarheen.
Toch lijkt dit hechte oude huis gemaakt voor wie heel zeker weten wat recht en slecht is en wat men beter kan vergeten. Wel aarzelt tussen zaal en kamer soms een vertrek. En ook niet thuis
te brengen is het perspectief van in elkaar geschoven eeuwen. Toch namen wij dit graag voor lief. Ieder voor zich stoffeerde hier zijn hol en hield daar hof, tot het verkeerde.
Kunstig gedraaid zijn de kolommen van het centrale hemelbed. Ik hoor vanaf de zolder komen wat fluitmuziek en licht gestep: een meisjesvoet die zoet de maat, de vastgestelde maat blijft slaan.
Toch weet ik dat ik weg zal gaan.
Achteraf
1 Met moeite weet ik nog dat ik je vreselijk kon haten als ik je knoken hoorde kraken op je te punctuele tocht naar bed, en hoe ik vocht om zelf maar niet in slaap te raken, want wat ik van mezelf niet mocht was alles wat jij niet kon laten:
de stipte plicht, het strikt geloof. Hoewel ik toch mijn hoofd meeboog voordat wij onze speklap aten, want grieven wilde ik je niet. Maar ik kon niet meer met je praten, ik vreemdeling, die van je hield.
2 Toen werd je ziek op gruwelijke wijze. Geliefden sprak je toe op barse toon. Ik was degeen die je weer kalm kon krijgen. Ik werd de vader, jij de zoon. Nog later lag je hulpeloos te hijgen door buizen in je strottehoofd. Je kon me met geen woord bereiken, al wou je wel: je mond bewoog.
Pas later durfde ik beseffen dat je me over sterven sprak, en of ik dat niet kon beletten. Maar toen dan toch de dood aanbrak was je opeens zo indrukwekkend als een Romein, uit steen gehakt.
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008) Cover biografie
Er komt een tijd dan trouwen de vogels Nachtegaal en leeuwerik Winterkoninkje en Mus Roodborstje en Merel Het ene lied vliegt naar het andere De bomen dragen wijde kleding De wind luidt de bloemen De bijen hebben gouden schoentjes De kat de grijze de zwarte de witte zij mag het niet doen Zij mag de bruiloft niet verstoren
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)
De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.
Uit: Dansen in tijden van droogte
“Zondag 24 mei 2020. Mijn vrouw toont me een foto die in de cultuurbijlage van de krant staat afgedrukt. ‘Dit is iets voor jou,’ zegt ze en vertelt me wat ik zie: een levende vogelverschrikker midden in een rijstveld ergens in Afrika. Het beeld intrigeert me, en ik zie niet wat er is afgebeeld — een man die vogels verjaagt — maar de hoofdpersoon van de roman die ik aan het afwerken ben: een regendanser. Ik ben volledig in de ban van Kaminski, een man met de gave de regen op te roepen door op een houten deur te tapdansen. Hij trekt van dorp naar dorp om er op te treden en de droogte te verdrijven. Ik ben bij het laatste hoofdstuk — getiteld ‘Kan ik iets voor je doen?’ — als ik de foto zie. Wanneer ik een week later op een broeierige pinksterzondag mijn voltooide roman opsla en afsluit, daalt de levende vogelverschrikker van de foto als een Afrikaanse geest op mijn schrijftafel neer. ‘Kan ik iets voor je doen?’ vraag ik. ‘Jazeker,’ zegt hij, ‘je kunt de fictie schrappen’, en hij stijgt weer op en verlaat wervelend mijn schrijfkamer door de hor in het rechterraam. Ik volg hem over het park en de oranje en zwarte zadeldaken tot hij iets voorbij het klokkentorentje van de kerk van het Klein Begijnhof uit het zicht verdwijnt. Als ik dan puur uit gewoonte een nieuw document open en achteloos de titel van mijn roman Dansen in tijden van droogte typ, snap ik wat de levende vogelverschrikker me wilde zeggen: ik moet geen geest najagen en geen romanpersonage op de wereld loslaten, ik moet op zoek naar een man van vlees en bloed die hoogstwaarschijnlijk in een rijstveld vogels zit te verjagen. En dat ga ik doen. Ik hang de foto met onderschrift in mijn schrijfkamer op. Het onderschrift luidt ‘Kabonyo, Kenia. Voor een maandloon van zo’n 7o euro speelt Juma Collins (18) de hele dag voor vogelverschrikker in deze rijstvelden. Door de rijstteelt filtert het moerasgebied minder schoon water weg naar het meer dan vroeger.’ Dat meer is het Victoriameer, waar fotograaf Prédéric Noy vorig jaar vele maanden heeft doorgebracht en er begeesterde en poëtische beelden heeft gemaakt van de overlevingsstrijd van het meer en de mensen die eromheen wonen. ‘De mensen hebben het lastig, het meer heeft het lastig. Maar her en der flonkert de hoop,’ aldus de inleiding van het korte artikel bij de tien afgedrukte foto’s, die zo ook – terecht of ten onrechte – een kritische, maar hoopvolle boodschap brengen. Mijn doel houdt zich dus op in Kenia, in de buurt van het Victoriameer, dat, als ik de krant mag geloven, ruim twee keer zo groot is als België. Ik ben mijn vingers, die op het punt staan `Victoriameer’ in de zoekmachine in te tikken, te snel af. Ik wil me voor dit project beperken tot het hoogstnodige: het artikel en mijn kennis, mijn onwetendheid in feite. ‘Misschien kan hij alleen geluiden maken om de vogels weg te jagen,’ werpt mijn vrouw in het midden als ik haar over mijn onderzoek vertel.”
A schilt een appel, terwijl B voor God knielt. C telefoneert naar D, die een hand heeft Op de knie van E, F hoest, G gooit de aarde omhoog Voor het graf van H ik begrijp het niet Maar J haalt een kleiduif naar beneden Terwijl K een knuppel op L’s hoofd laat landen En M neemt mosterd, N rijdt de stad in, O gaat naar bed met P, en Q valt dood neer, R liegt tegen S, maar wordt toevallig gehoord Door T, die U vertelt V niet te ontslaan Omdat hij W moest toevertrouwen Dat X Y en Z bedriegt, Die zich zojuist toevallig herinnert dat A Ergens ver weg een appel schilt.
“The dream is like a dry mouth. The hiss in his earpiece brought Branner round, and he saw the red dot flash on the grid scanner in his hand. He was sheltered from the rain partially, pushed in against the willow at the fifty-metre line. The rain came down heavily. Subdued the dawn light. The distraction was a relief. When he’d heard the doctor’s words, they seemed spoken through water. Had grown every moment since in volume and solidity. Seemed now to knock against the shell of the dream he’s had for weeks. A recurrence he braces for in sleep. The dream now like a premonition. ‘I’ve seen it,’ Branner said into his mic. He watched the red dot shift across the scanner, hesitate, then apparently settle. A slight condensation come to the edges of the screen. There was no way of knowing what the red dot was, but it was in the sector and big enough to trigger the sensors. Deer. Dog. Man. If it was still alive and present when the water load passed, the defence guns of the train would fire automatically. They weren’t taking any chances now. Attacks on the line had increased. Branner had the choice to stay out of the way or neutralise the risk himself. He could take the shot, or, if he could identify it as nothing threatening, call it in to the tower and they could stand the train guns down. ‘Can you get there?’ The sergeant’s voice came through the earpiece, through the snap of rain on Branner’s hood. ‘I can get there,’ Branner replied. It was relatively close. The opposite side of the track. ‘Let the train guns take it,’ said the sergeant. Branner felt the old scar on his jaw catch slightly against the nap inside his hood. ‘No. I’ll go.’ It will be an animal, Branner thought. There’s no need for it to pointlessly die.”
Uit: A Friendly Fighting Force (Diary in The London Review of Books, 2020)
“Most wars today are proxy wars. Russia, Iran, the US and others rely on local forces to achieve military goals like annexing Crimea, or defeating Islamic State. Proxies, in turn, exploit foreign interests for their own purposes, and sometimes deal with competing, even warring, interests at the same time. What they never do, it seems, is call themselves proxies. They see themselves instead as allies, even friends, of their patrons. ‘Since 2004, we have been friendly with the American forces,’ Wahida Mohamed al-Jumailyh, a militia leader in Tikrit told me. ‘They even came to our house, and I have pictures of them with me.’ We were having lunch in Baghdad’s Babylon Rotana Hotel, a luxury tower on the banks of the Tigris. Several of her bodyguards sat at the next table, smoking, surfing the web and drinking lemon soda. None wore a uniform: they were paramilitaries. Wahida showed me a US military app on her phone, and selfies in which she’s standing beside American soldiers. Then she showed me photos of herself with a different patron: the Iraqi militia commander Abu Mahdi al-Muhandis, who was assassinated in January by American drones while travelling in a convoy with his patron, Qasim Soleimani. Swiping further, and with a certain amount of pride, she showed me pictures of herself torturing people and desecrating the bodies of her enemies. In one, she raised a fist in triumph over a naked man lashed to the bonnet of a truck. In another, she held aloft a severed head. Wahida is the daughter of a lorry driver. In 1998, at the age of 16, she married an officer in Saddam Hussein’s Ministry of Defence; after the invasion, he joined the US-backed government. When her husband died in an IED blast in 2007, Wahida began fighting his killers – members of a precursor of Islamic State – in the interests of survival, vengeance and American cash. And so she became a proxy for US forces. Or, as she put it to me, ‘my brothers and I formed a faction, a friendly fighting force.’ When the Americans began to withdraw from Iraq in 2011, Muhandis became a new patron of Wahida’s. Like the Americans, he saw IS and its allies as a threat to Iraq. But he saw the Americans as a threat too: his militia, Kata’ib Hezbollah, often attacked US troops with support from Soleimani and Iran. This didn’t stop Wahida gathering air-strike intelligence for the US military when it returned in force to Iraq in 2014. In the years since, she has been a proxy for both Washington and Tehran. I haven’t been in touch with Wahida since her American patrons killed her Iranian patrons. I suspect her sympathies lie with Muhandis’s militia, since it’s made up of fellow Iraqis. It’s now being integrated into the Iraqi state as part of the Popular Mobilisation Forces, or al-Hash’d al-Shaabi. When Western commentators talk about proxies in Iraq, they’re usually referring to the Hash’d, which they often describe as ‘Iranian-backed militias’. Certainly some of them are.”
I. Although Tía Miriam boasted she discovered at least half a dozen uses for peanut butter— topping for guava shells in syrup, butter substitute for Cuban toast, hair conditioner and relaxer— Mamá never knew what to make of the monthly five-pound jars handed out by the immigration department until my friend, Jeff, mentioned jelly.
II. There was always pork though, for every birthday and wedding, whole ones on Christmas and New Year’s Eve, even on Thanksgiving day—pork, fried, broiled, or crispy skin roasted— as well as cauldrons of black beans, fried plantain chips, and yuca con mojito. These items required a special visit to Antonio’s Mercado on the corner of Eighth Street where men in guayaberas stood in senate blaming Kennedy for everything—“Ese hijo de puta!” the bile of Cuban coffee and cigar residue filling the creases of their wrinkled lips; clinging to one another’s lies of lost wealth, ashamed and empty as hollow trees.
Burning in the Rain
Someday compassion would demand I set myself free of my desire to recreate my father, indulge in my mother’s losses, strangle lovers with words, forcing them to confess for me and take the blame. Today was that day: I tossed them, sheet by sheet on the patio and gathered them into a pyre. I wanted to let them go in a blaze, tiny white dwarfs imploding beside the azaleas and ficus bushes, let them crackle, burst like winged seeds, let them smolder into gossamer embers— a thousand gray butterflies in the wind. Today was that day, but it rained, kept raining. Instead of fire, water—drops knocking on doors, wetting windows into mirrors reflecting me in the oaks. The garden walls and stones swelling into ghostlier shades of themselves, the wind chimes giggling in the storm, a coffee cup left overflowing with rain. Instead of burning, my pages turned into water lilies floating over puddles, then tiny white cliffs as the sun set, finally drying all night under the moon into papier-mâché souvenirs. Today the rain would not let their lives burn.
Papa’s brug
‘s Morgens, weer naar het westen rijdend, weg van de zon die opkomt in de spleet van de achteruitkijkspiegel, terwijl ik klim over platen beton en tot een brug gebogen staal, die een boog vormen met al zijn parabolische y-kwadraat pracht. Ik stijg omhoog om de glinsterende gezichten van gebouwen te ontmoeten boven boomtoppen, ineengevlochten in een lapje groen, vergeet dat de rivier beneden loopt, erop staat om te stromen en de aarde te schuren, korrel voor korrel te verplaatsen.
En een paar hellende seconden elke ochtend ben ik twaalf jaar oud en sta ik met mijn vader bij het raam op de tiende verdieping van zijn ziekenhuiskamer, starend naar dezelfde brug als een mammoetbot dat pijn doen door de zwaartekracht van zijn eigen dichte gewicht. Het glas getemperd door een lauw licht dat de stad deed herleven terwijl ik keek en aflas hoe hij sliep, me afvragend of hij zelfs maar dromen kon in zo’n droomloos wit:
Viel hij? Vloog hij? Wie was hij, wie was ik onder zijn ogen, fladderend als de vogels over de daken en vroege sterren die wegkwijnden, de spitsauto’s die door de lanen reden zoals de kleine bloedcellen door zijn ader, de i.v. naar beneden cirkelend als een sliert heldere drop die zijn onderarm voedde, gekneusde parel en lavendel, kleuren van de ochtendnevel en de pillen op zijn tong.
De hechtingen genazen, terwijl de kamer steriel bleef met de gebruikelijke stilte tussen ons. Gedurende drie dagen serveerde ik hem water of sap in slappe papieren bekers, bladerde door geluidloze soapseries en spelshows, en vulde de menukaarten in met de stempel Zoutlood Dieet. Drie nachten lang heb ik platte en vreemde kussens vastgeklemd rond zijn lichaam als een gevallen S in de vorm van het bed en op zijn plaats gemetseld door lagen stijf katoen.
Toen hij werd aangespoord om te lopen, pakte ik zijn hand, samen stapten we naar het raam en hij sprak –Op een dag zul je weten hoe je zulke bruggen moet bouwen– vandaag steek ik deze stad over, deze brug, die nog steeds de stille afstand tussen ons overspant met de herinnering aan een vader en zoon, hand in hand, heimelijk verliefd.
“Wat Mathilde was voor Jacques Perk en Orlando voor Louis Couperus, dat was Okke voor Willem de Mérode. Door hem werd De Mérode ‘in tweeërlei opzicht tot dichter (): van aardsche en hemelsche dingen’. Dit citaat heb ik overgeschreven uit het colofon van het boek Okke. Er bestaat maar één exemplaar van, handgeschreven. In 1934, tien jaar nadat De Mérode Okke voor het laatst ontmoette, schreef hij vijftien gedichten die op Okke geïnspireerd waren, op perkament en liet de bladen inbinden in een schitterende witleren band met goud opdruk. Okke was een echte katalysator. Hij beïnvloedde en richtte de pedofiele liefde en het dichterschap van De Mérode, zonder zelf ook maar iets van die liefde of van de gedichten te begrijpen. De Mérode was van 1907 tot 1924 onderwijzer aan de gereformeerde lagere school en ook enkele jaren aan de mulo-school in Uithuizermeeden. Bijna niemand kende hem daar overigens als de dichter. Hij was meester Keuning. In 1912 kwam de vijfjarige Okke in de eerste klas. Hij was het enige zoontje van een hereboer in het naburige dorpje Oldenzijl. Elke dag kwam hij de vijf kilometer naar school lopen. Zijn eigenlijke naam was Ekko Ubbens, maar toen hij in de middenklassen kwam, waar meester Keuning les gaf, veranderde Keuning de naam in de letterkeer Okke, een koosnaam. Er ontstond een vriendschap die van Keunings kant heel innig was. Okke was een mooie, goedgebouwde knaap, gevoelig, maar ook een kwajongen, hij hield van muziek en van voetballen. Keuning vond het een ideale combinatie van eigenschappen. Zijn pedagogische eros richtte zich op Okke en, in wat mindere mate, op diens vriendje Jaap Woltjer. Zijn (moederlijke) liefde bleef wat Okke en Jaap betreft volstrekt platonisch. Gedichten van De Mérode in Het Getij kregen in die periode als opdracht mee: ‘voor Okke’, ‘aan Jaap’, ook één keer ‘aan Ekko’. In zijn bundels Het kostbaar bloed en Het heilig licht (beide uit 1922) werden jongensgedichten opgenomen die in manuscript opgedragen waren aan Okke of Jaap. De beide jongens mochten de meester ook komen opzoeken in zijn kamer. Zij ervoeren het wel eens als een verplichting, maar hij vond het heerlijk. Aan Jos. van Wely schreef hij in die tijd: ‘Ja, Jaap is een aardige, lieve jongen. Heel druk en beweeglijk. Ik noem hem vaak “wilde kraai”, want hij komt bij me instormen en verdwijnt ook plotseling weer. Zijn vriendje, die hier ook vaak komt, (Ekko heet hij, maar Jaap en ik zeggen Okke, naar de omkeering van zijn naam. Zoo noemde hij zich zelf voor jaren) is veel bedaarder. Hij is groot, en wat men noemt een mooie jongen.’ (25 febr. 1920) Tegenover P.J. Meertens was Keuning iets opener: ‘Okke (), het ideaal van een jongen voor mij; gevoelig, een scherp verstand, en een prachtkerel van uiterlijk. Maar – “gewoon”. Hij wist natuurlijk hoeveel ik van hem hield hoewel hij dikwijls vroeg: waarom toch, heb ik ’t hem nooit gezegd. Hij vond het verder wel goed en deed zijn best hartelijk te wezen.’ (1 dec. 1927)”
“Thirty years ago, Marseilles lay burning in the sun, one day. A blazing sun upon a fierce August day was no greater rarity in southern France then, than at any other time, before or since. Every thing in Marseilles, and about Marseilles, had stared at the fervid sky, and been stared at in return, until a staring habit had become universal there. Strangers were stared out of countenance by staring white houses, staring white walls, staring white streets, staring tracts of arid road, staring hills from which verdure was burnt away. The only things to be seen not fixedly staring and glaring were the vines drooping under their load of grapes. These did occasionally wink a little, as the hot air barely moved their faint leaves. There was no wind to make a ripple on the foul water within the harbor, or on the beautiful sea without. The line of demarcation between the two colors, black and blue, showed the point which the pure sea would not pass; but it lay as quiet as the abominable pool, with which it never mixed. Boats without awnings were too hot to touch; ships blistered at their moorings; the stones of the quays had not cooled, night or day, for months. Hindoos, Russians, Chinese, Spaniards, Portuguese, Englishmen, Frenchmen, Genoese, Neapolitans, Venetians, Greeks, Turks, descendants from all the builders of Babel, come to trade at Marseilles, sought the shade alike—taking refuge in any hiding-place from a sea too intensely blue to be looked at, and a sky of purple, set with one great flaming jewel of fire. The universal stare made the eyes ache. Towards the distant line of Italian coast, indeed, it was a little relieved by light clouds of mist, slowly rising from the evaporation of the sea; but it softened nowhere else. Far away the staring roads, deep in dust, stared from the hillside, stared from the hollow, stared from the interminable plain. Far away the dusty vines overhanging wayside cottages, and the monotonous wayside avenues of parched trees without shade, drooped beneath the stare of earth and sky. So did the horses with drowsy bells, in long files of carts, creeping slowly towards the interior; so did their recumbent drivers, when they were awake, which rarely happened; so did the exhausted laborers in the fields. Everything that lived or grew, was oppressed by the glare; except the lizard, passing swiftly over rough stone walls, and the cicala, chirping his dry hot chirp, like a rattle. The very dust was scorched brown, and something quivered in the atmosphere as if the air itself were panting.”
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870) Portret door Daniel Maclise, 1839 (National Portrait Gallery, Londen)
De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happel werd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.
L’art pour l’art mijn lieve herfst wie door je heen loopt gooit geen stenen meer in de tuin van de buren in de lucht
De herfst is overal, zelfs in maart In de zomer overwintert hij hier! achter wilgen klimmen de eeuwen met catastrofes
geciseleerde klimop mene tekels en wie rond het landhuis gaan uit Syrië uit Eritrea met rammelende kastanjes in hun handen wie
geen huis meer hebben bidden god die groot is stel de velden aan de winden bloot en niemand is in de herfst alleen L’art pour l’art mijn lieve herfst