Kerstbrief van Melchior (Jan H. de Groot), Nyk de Vries, Jimmy Santiago Baca

 

Bij Driekoningen

 

De aanbidding van de koningen door Peter Paul Rubens, 1628-29

 

Kerstbrief van Melchior

Ik schrijf u Caspar, Balthazar,
vanuit mijn hoofdkwartier.
Ik kan en wil niet weg dit jaar
want oorlog houdt mij hier.
De laatste oorlog weliswaar
tegen het blank verweer
maar laatste loodjes wegen zwaar
en dat weet God de Heer.

Gaat gij getweeën maar op reis.
Ik vecht het hier eerst uit.
Mijn zwarte volk werd smartelijk wijs
en is niet langer buit.
Waar ook de blanke man zijn voet
neerzette, schoot hij neer.
Daar baande hij zijn weg door bloed
en dat weet God de Heer.

Mijn zwarte volk heeft het geduld,
het werd door leed gestaald.
Drie eeuwen blanke heersersschuld
wordt eindelijk betaald.
Een zwarte huid bergt ook een ziel
die bloei wil tot Gods eer.
Maar bloesem sterft onder een hiel
en dat weet God de Heer.

Nu zal ik wel gedoodverfd zijn
als vuige communist,
als een rebel in de woestijn; –
men heeft zich meer vergist.
Ik strijd hier voor een rechte zaak,
niet min en ook niet meer.
Dit is mijn opgedragen taak
en dat weet God de Heer.Nu gaat gij op naar Bethlehem,
nu volgt gij weer de ster.
Het vredeslied der englenstem
hoor ik toch wel van ver.
Maar eerst zal hier een vrijheid staan
aleer ik wederkeer
om samen met u op te gaan
en dat weet God de Heer.

En als gij ’t Kind vindt in het licht
en knielend tot Hem spreekt,
zegt dan waarom het aangezicht

van Melchior ontbreekt.
De Derde wijze kon dit jaar
niet komen ‘van zo veer’.
Dat weet gij Caspar, Balthazar
en dat weet God de Heer.

 

Jan H. de Groot (13 maart 1901 -1 december 1990)
Alkmaar, de geboortestad van Jan H. de Groot

 

De Nederlandse dichter Nyk de Vries werd geboren in Noordbergum op 2 januari 1971. Zie ook alle tags voor Nyk de Vries op dit blog.

 

Verkouden

Door zijn gekuch mag hij niet naar buiten.
Voor oudere mensen kan dat gevaarlijk zijn,
heeft z’n moeder gezegd. Bijna al z’n strips las
hij al twee keer. Drie weken zonder school
is toch wel lang.

Zijn vader zei: Drie weken is nog niks, jonge.
Opa ging in de oorlog ruim drie jaar niet naar
school. Zo lang, lachtte hij, zal dit toch
hopelijk niet duren. Dan zitten we hier in
2023 nog.

Maar z’n vader maakte niet steeds grapjes,
soms keek hij lang op zijn telefoon. Zonet sprak
hij zacht met z’n moeder over geld en ZZP.

Hoelang zal dit allemaal nog duren, wanneer
wordt het weer gewoon? Gister hoorde hij op
het nieuws, te voorspellen valt er niet zoveel.

In bed dacht hij aan opa en aan zichzelf over
tachtig jaar. Hoe zal hij met zijn kleinkinderen
terugkijken op deze vreemde Corona-tijd?

Eerlijk, hij wist het niet, al leek een ding toch wel
zeker: Hij kuchte al een beetje minder vaak.
Zijn keel deed iets minder pijn.

 

KAMER

Er was een kamer in die stad waar ik steeds omheen cirkelde. Het was in de buurt van mijn lief. Ze wist niet dat ik soms die trappen opliep. Aan de wand hingen foto’s van voor de oorlog. Ik sprak er eens over met een oude Friese schrijver. Hij zei: ‘Ik ken die kamer, ik zou er eigenlijk binnen moeten gaan, maar het gaat er niet meer van komen, ben ik bang.’ Hij kreeg gelijk. Hij stierf tijdens de Spelen. De kamer is er nog steeds – de trappen op, linksaf de gang door. Iedereen weet wel zo ongeveer wat erin staat.

 

Nyk de Vries (Noordbergum, 2 januari 1971)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jimmy Santiago Baca werd geboren in Santa Fe, New Mexico, op 2 januari 1952. Zie ook alle tags voor Jimmy Santiago Baca op dit blog.

 

Een dagelijkse vreugde om te leven

Hoe sereen dingen
in mijn leven misschien ook zijn,
hoe goed het ook gaat,

mijn lichaam en ziel
zijn twee kliftoppen
waar een droom van wie ik kan zijn
van afvalt, en ik moet elke dag
weer leren vliegen,
of sterven.

De dood zorgt voort respect
en angst van de levenden.
De dood biedt
geen valse starts. Het is geen
scheidsrechter met een proppenschieter
bij het verrassende
van een honderd meter sprint.

Ik leef niet om terug te krijgen
of te vermeerderen wat mijn vader verloor
of verwierf.

Ik vind mezelf voortdurend terug in de ruïnes
van een nieuw begin,
het touw van mijn leven ontrollend
om steeds dieper af te dalen in onbekende afgronden,
mijn hart in een knoop te leggen
rond een boom of rotsblok,
om veilig te stellen dat ik iets heb dat me houdt,
dat me niet laat vallen.

Mijn hart heeft vele met doornen bezaaide barsten van vlammen,
oplaaiend uit de rode kaarspotten.
Mijn dromen flikkeren en draaien
op het altaar van deze aarde,
licht worstelt met duisternis,
licht straalt in de duisternis,
om mijn dag blauw te verwijden,
en alles wat was is smelt
in de vlam-

Ik kan boomtoppen zien!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jimmy Santiago Baca (Santa Fe, 2 januari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e januari ook mijn blog van 2 januari 2019 en ook mijn blog van 2 januari 2016 deel 2 en ook deel 3.

Mahmoud Darwish, Yuri Andrukhovych, Didier Decoin, Guillermo Arriaga, Vladimir Makanin, Yeghishe Charent, Geert van Beek, Jan H. de Groot, Kemal Tahir

De Palestijnse dichter Mahmoud Darwish werd geboren in Al-Birwa, Palestina, op 13 maart 1941. Zie ook alle tags voor Mahmoud Darwish op dit blog.

 

Identiteitskaart

Schrijf op!
Ik ben een Arabier
En het nummer van mijn identiteitskaart is vijftigduizend
Ik heb acht kinderen
En de negende komt na een zomer
Zul je boos zijn?
Schrijf op!
Ik ben een Arabier
In dienst met collega-arbeiders bij een steengroeve
Ik heb acht kinderen
Ik haal brood voor ze
Kleren en boeken
Van de stenen…
Ik smeek niet om liefdadigheid aan je deuren
Noch kleineer ik mezelf bovenaan de treden van je vertrekken
Dus zul je boos zijn?

Schrijf op!
Ik ben een Arabier
Ik heb een naam zonder titel
Geduldig in een land
Waar mensen woedend zijn
Mijn wortels
Werden diep ingebed voor de geboorte van de tijd
En voor de opening van de tijdsperken
Voor de dennenbomen, en de olijfbomen,
En voordat het gras groeide

Mijn vader.. stamt af van de familie van de ploeg
Niet van een bevoorrechte klasse
En mijn grootvader.. was een boer
Noch van goede komaf, noch van gegoede familie!
Leert me de trots van de zon
Voordat me geleerd wordt hoe te lezen
En mijn huis is als de hut van een wachter
Gemaakt van takken en riet
Ben je tevreden met mijn status?
Ik heb een naam zonder titel!

Schrijf op!
Ik ben een Arabier
Je hebt de boomgaarden van mijn voorouders gestolen
En het land dat ik bebouwde
Samen met mijn kinderen
En je hebt niets voor ons overgelaten  Behalve deze stenen..
Dus zal de staat ze afnemen
Zoals is gezegd?!

Daarom!
Schrijf bovenaan de eerste pagina:
Ik haat geen mensen
Noch maak ik inbreuk
Maar als ik honger krijg
Zal het vlees van de overweldiger mijn eten zijn
Pas op ..
Pas op..
Voor mijn honger
En mijn woede!

 

Vertaald door Noureddine Steenvoorden

 

 
Mahmoud Darwish (13 maart 1941 – 9 augustus 2008)

 

De Oekraïense dichter en schrijver Yuri Andrukhovych werd geboren op 13 maart 1960 in Iwano-Frankiwsk. Zie ook alle tags voor Yuri Andrukhovych op dit blog.

 

Werwolf Sutra (Fragment)

This time it’s about
Privates Muhamedyarov, Fiedotov and Pereverten,
whose names for centuries (not for centuries!)
were written on the blackboards (of being?) along with the numbers
of their Kamaz trucks.

Fiedotov was in the middle, on the right Muhamedyarov,
on Fiedotov’s left side – Pereverten.

As far as the first two are concerned it’s clear: Russian, Tatar.
But that third one? Where’s he going with a name like that?

No one liked Pereverten for his innate cunning
and stupid surname.
They couldn’t not laugh at a name like that.
He didn’t know himself what it meant.

But in German it means
Werwolf! With a black palate!
The terror of all villages and towns around!
Romantic hero of fairy tales and ballads!

Oh indestructible, almost immortal werewolf!
Escape before they round you up!
Before they aim at you from their wooden towers!
Demobilisation inescapable! I know you can do it!
Resurrect! Become yourself, Pereverten!

 


Yuri Andrukhovych (Iwano-Frankiwsk, 13 maart 1960)

 

De Franse schrijver Didier Decoin werd geboren op 13 maart 1945 in Boulogne-Billancourt (Seine). Zie ook alle tags voor Didier Decoin op dit blog.

Uit: Dictionnaire amoureux de la Bible

« Abraham
Avec sa gueule de métèque, de Juif errant, de pâtre grec », Abraham est l’un des héros non seule-ment de la Bible•’ mais de l’aventure humaine. Revendiqué par les juifs, les chrétiens et les musul-mans (dans l’ordre chronologique). Pour David Van Biema, spécialiste des religions au magazine Traie, Abraham est « quelqu’un comme un père qui aurait laissé un testament âprement disputé ». Père (donc) de tous les croyants, Abraham prêcha un Dieu unique, ce qui était furieusement original à l’époque où l’on présume qu’il aurait pu vivre, mais aussi, et ça n’était pas moins novateur dans un monde où régnait l’arbitraire, un Dieu juste qui se gardait bien d’exterminer l’innocent en même temps que le coupable. On le représente génialement barbu et la chevelure neigeuse – voir tout de même, a contrario, l’épous-touflante lithographie de Salvador Dali, L’Épreuve d’Abraham, où le patriarche, sur le point d’égorger Isaac*, est peint noir de poil, plutôt fringant, dégin-gandé, et si maigrichon que les os lui percent sous la peau. C’est vrai, on en oublie qu’il a été jeune. Et sans doute le premier de la longue lignée des ados contestataires. Et que c’est peut-être à son attitude conflictuelle qu’on doit l’émergence du concept révolutionnaire du Dieu unique. Abraham, au temps où il ne s’appelait encore qui Abram, vivait à Ur en Chaldée. C’était aux alen-tours de 1900 avant notre ère, à l’époque du bronze moyen. On sait peu de chose de sa famille, sinon que son père, Terah, était idolâtre et qu’il affichait d’autant plus sa dévotion aux idoles qu’il en faisait commerce. Terah possédait une boutique avec un tour de potier pour façonner ses dieux d’argile, un four pour les cuire, une salle pour les exposer, et sur-tout un fils pour les vendre. Le midrash’ l3ereshit Rabba raconte en effet que Terah, lorsqu’il devait s’absenter, avait pour habitude de confier la garde du magasin à Abram. Et la plu-part du temps, quand Terah réintégrait la boutique, il constatait que son garçon avait fait de bonnes ventes – la clientèle l’appréciant pour son honnêteté, mais aussi pour l’agrément qu’il y avait à discuter avec lui : à défaut de consentir des rabais sur les divinités de terre cuite, Abram ne manquait jamais de gratifier les acheteurs d’une réflexion inattendue qui faisait rire sur l’instant (« Cet Abram, disait-on, quel numéro ! En voilà un qui n’a pas sa langue dans sa poche ! ») mais qui donnait à réfléchir une fois qu’on avait quitté la boutique pour se plonger à nouveau dans le bruit, la chaleur et les remugles des nielles sinuant entre les maisons de briques crues. Un jour, en regagnant sa boutique. Terah la retrouva dévastée. Toutes les idoles il en avait toujours plu-sieurs centaines en stock – gisaient par terre, fracas-sées, décapitées, démembrées. Un seul dieu, le plus imposant de tous ceux qu’il avait fabriqués, avait échappé au massacre. Un bâton serré dans sa main d’argile, il sc tenait droit au milieu du désastre, rigide, indifférent. Tcrah chercha dans la poussière des débris qui jonchaient le sol les traces de bêtes sauvages qui, pourchassées peut-être, auraient pu se retrouver acculées, piégées dans la boutique où, prises de frayeur, elles eussent alors mené une sarabande infer-nale. Aucun animal (voir : Animaux) pourtant n’avait marqué le sol de son empreinte. . . . »

 


Didier Decoin (Boulogne-Billancourt 13 maart 1945)
Hagar en Ismael verbannen door Abraham van Pieter Jozef Verhaghen, 1792

 

De Mexicaanse schrijver, scenarist, filmregisseur en producent Guillermo Arriaga Jordán werd geboren op 13 maart 1958 in Mexico-Stad. Zie ook alle tags voor Guillermo Arriaga op dit blog.

Uit: De ontembare

“Mijn moeder zal de kramp in haar buik niet hebben opgevat als een woeste tweestrijd. Voor haar gevoel leefde de tweeling (ze dacht overigens dat het meisjes waren) in onderlinge harmonie. Dat was niet het geval. Tijdens een van die schermutselingen zette ik mijn broer zodanig klem tegen de baarmoederwand dat hij verstrikt raakte in zijn navelstreng. De val was gezet: bij elke beweging werd
het koord strakker om zijn hals getrokken, waardoor hij steeds minder zuurstof kreeg.
De krachtmeting eindigde vier weken voordat de negen maanden zwangerschap waren volbracht. Zonder het door te hebben was mijn moeder de grafkist van een van haar tweelingjongens geworden. Acht dagen lang droeg ze het lijk in haar binnenste. De doodssappen vermengden zich met het vruchtwater en vergiftigden het bloed dat me van voedsel voorzag.
Mijn broer, die in de foetale veldslag het onderspit had gedolven, nam wraak. Bijna sleurde hij ook mij de dood in. Toen de gynaecoloog mijn moeder ausculteerde omdat ze klaagde over indigestie, hoorde hij maar één hartje kloppen, dat met de seconde zwakker werd. De arts legde de stethoscoop op tafel en keek haar aan.
‘We zullen een keizersnede moeten uitvoeren.’
‘Wanneer, dokter?’
‘Nu meteen.’
In het ziekenhuis werd ze rechtstreeks naar de operatiekamer gebracht. In allerijl werd de sectio caesarea verricht.
Het opgezwollen lichaampje van mijn broer werd uit de baarmoeder gehaald, en daarna ik, naar adem happend als een kikkervisje op het droge.
Ik moest bloedtransfusies hebben. Omdat ik was vergiftigd door mijn broer, vergde het tijd om mijn bloed te zuiveren en de toxines uit de weg te ruimen. Achttien dagen lag ik in het ziekenhuis.
In de zes jaar die Carlos ouder was dan ik had mijn moeder drie miskramen gehad. Twee meisjes en een jongen. Geen van hen was de grens van vijf maanden gepasseerd. In hun verlangen om een kind te verwekken dat die funeste periode van vijf maanden zou overleven en eindelijk weer een zwangerschap tot een goed einde te brengen, hadden mijn ouders de ene na de andere arts geraadpleegd en diverse behandelingen ondergaan.”

 


Guillermo Arriaga (Mexico-Stad. 13 maart 1958)

 

De Armeense dichter Yeghishe Charents werd geboren op 13 maart 1897 in Kars (toen Rusland, nu Turkije). Zie ook alle tags voor Yeghishe Charents op dit blog.

 

Uit: Poem For Everone (Fragment)

Prologue

I – poet of Hayastan –
Fogbound land
Haunted by death –
I now sing
To all!
I sing
Once more
But why must I sing alone?
I, alone, and not they –
Who lived through and overpowered
These rough stormy days.
Under the sun, in the dust.
On foggy days dripping wet.
They strive, combat, and toil
In the grime of the soil.
And like sweat they flow
On the face of the earth –
As the wind hurls them hither and thither
And joins and mingles one with the other.
You may not be aware
That every humble workman
That toils hard all day long –
Carries in his iron lungs
A hundred, a thousand songs.
If you weren’t aware of this
Hearken to my voice then,
Open your ears wide!

 

Vertaald door Ara Baliozian

 


Yeghishe Charents (13 maart 1897 – 29 november 1937)
Monument in Tsaghkadzor

 

De Russische schrijver Vladimir Makanin werd geboren op 13 maart 1937 in Orsk. Zie ook alle tags voor Vladimir Makanin op dit blog.

Uit: Asan (Vertaald door Gerard Cruys)

“Jullie organiseren de colonne zelf. Met zijn allen. Jullie zijn de colonne,» legt Rode Band uit. «Daar zijn jullie btr’s. En daar staan twee lege vrachtwagens van majoor Zjilin. En drie vrachtwagens met vaten benzine. De benzine is ook van majoor Zjilin.»
De nieuwe naam ergert de soldaten meteen. De rekruten raken bij hun aankomst geërgerd over elke naam die respectvol wordt uitgesproken. Ze gillen: «Verdorie, jongens. Shit! We moeten ook nog iemand escorteren.»
Niet escorteren, maar gewoon samen in één colonne. Jullie kunnen met z’n allen inrukken… oprukken… opinrukken…» Rode Band heeft moeite met het werkwoord, het belangrijkste werkwoord van de oorlog.
De hele meute verlaat wanordelijk de rails. Eindelijk… Het plein zit vol kuilen. Met dronken koppen klimmen de soldaten de btr’s in. De vier pantserinfanterievoertuigen bewegen zich kalmpjes aan, naast elkaar de weg op. Dichter naar de vrachtwagens toe.
Ze moeten richting Bamoet, naar militair onderdeel nummer x-x. Vooruit! Er wordt een colonne gemaakt. Vooruit! Hier zijn de vrachtwagens met benzine, wees maar niet bang. We zullen niet verbranden.
Er verschijnt een stille oude Tsjetsjeen. Met het officiële plaatje van kruier op zijn borst. Een grijs hoofd. Zijn gezicht vertoont een permanente tic.
Hij tracht Rode Band bij zijn mouw te pakken. Om hem om te laten draaien: «Sasjik zal ontevreden zijn.»
«Wat mot je?»
«Waarom koppel je soldaten aan zijn colonne? Sasjik zal boos zijn.»
«Hij kan barsten. Hé, ouwe, zie je dat daar? Zie je deze horde?»
Ze zien het allebei. De soldaten zijn amper in de gevechtsvoertuigen geklommen of ze springen eruit, op zoek naar een beter plekje. Ze lachen, omarmen elkaar. Ondanks hun monsterlijke roes stralen de meeste gezichten. Wat een heldere, enthousiaste jonge ogen!
Het ontbreekt Rode Band aan vastbeslotenheid. Maar moet je die soldaat daar zien, die is totaal mesjogge. Zou je hem geen klap voor zijn kop geven? Hij heeft zich op de passerende spoorwegarbeiders gestort, Tsjetsjenen en Russen… onder de olie… onuitgeslapen… De soldaat loopt heen en weer en blèrt: «Pa-aa… Pa-a-a…» Hij vraagt de werklui naar zijn vader. De soldaat denkt dat hij nog steeds op de Wolga is. De sufferd heeft geen kans gekregen om afscheid te nemen. Hij denkt dat zijn huis en zijn familie ergens vlak in de buurt zijn. Hij snapt niet dat hij in Tsjetsjenië is. «Waar is pa-a-a? Pa-a-a!»

 


Vladimir Makanin (Orsk, 13 maart 1937)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Geert van Beek werd op 13 maart 1920 geboren in Gennep. Zie ook alle tags voor Geert van Beek op dit blog.

 

Opa

Opa betekent recht van de struik
kruisbessen slikken naar verzadigde buik.
opa is een goedmoedige bloemhommel
in een zakdoek driftig gonzend
een lasso om zwart pootje
knopen vrijlaten tot de dood.
Opa is met bruingelooide notenvingers
hoe bestaat het een vinkje een beginneling
vangen dat goddank god zij dank
uit behoedzame klem ontsnapt.
Opa is een grote hand onder water
noodlot van de stekelbaars.
een tabaksdoos een meerschuimen
pijp vullen met rustige duim.
opa is een briefje is het koud
daarboven windsnel langs het vliegertouw.
Opa is tafeltje met medicijnen
een klamme hand machteloos medelijden
opa is een laatste zucht
hijgen onbeweeglijk liggen
en verroer je niet, rondom snikken
zakdoeken en de zalvende trooster
spreekt onbegrijpelijke woorden
opa is een schep zand
plof in het graf de rand
stort in als je bloemblaadjes wuift
engelen voeren hem met gejuich
in het hemels paradijs.
Zingen daar lijsters?
en kan hij er dahlia’s strelen?
Gaat het hem niet vervelen
in de eeuwen der eeuwen gods
lof te galmen met zijn zware bas?
Opa is dood is vragen
huilen in bed, een raadsel
met de oplossing aan de andere kant.

 

Geesteskind

In mijn dochtertje vergist men zich
licht, niet zij maar de schijn bedriegt
een grimas van pijn
ziet men aan voor een lach
zonder oog voor de broze
dam om haar binnenmeer
zo innig dat een vis
amper trilt met zijn vinnen
noemt men haar stuurs
twee cirkeltjes blauw
recht uit het luchtruim gesneden
gieten haar ogen vol zon
alsof zij de regen was vergeten
de lokale bui in het binnenland
zij zegt niet wat men hoort
verstopt haar woorden liefst
in dubbele bodems wie goed kiest
is zeker van een surprise
tja wie haar schaduw
de hand wil drukken
tast in het duister

 

 
Geert van Beek (13 maart 1920 – 2 januari 2001)
Portret door Wim van der Voort, 1982

 

De Nederlandse dichter Jan Hendrik de Groot werd op 13 maart 1901 geboren in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Jan H. de Groot op dit blog.

 

Het sterke zomerweer

Nu was het sterke zomerweer
de baas van zomerdagen,
Nu kon de lucht de weelde van
een felle zon verdragen.
Geen kille wind als nauw de zon
den dag had ingekeken.
Geen wolkenpak dat d’eersten glans
versmoorde in z’n deken.
Geen storm, geen hagel, na een dag
van tintellichten zonnelach,
Geen warmte, die bij regenslag
Voor dagen was geweken.

Nu is de zomer rijp gegroeid,
En laat z’n buit verdeelen.
Nu is het zonlicht mild en goed
en kan een stootje velen.
De wind krijgt nu geen goede kans
Het stofgoud op te jagen.
En wolken kunnen heusch niet meer
zoo’n sterken glans verdragen.
Al dreigt een dwaze donderkop
de zon met paarsgezwollen krop.
Dan schaterlacht ze om die op-
gezwollen wolkenkragen.

Ach, dat ik als het sterke weer
van heete zomerdagen
De weelde van een groot geluk
Een groote zon kon dragen.
Maar als één dag de zomerzon
M’n ziel heeft uitgekeken
Dan komt al gauw een wolkenpak
En spant er voor z’n deken.
Dan staat direct de stormwind klaar
En jaagt en vaagt met breed gebaar
De mooiste glansen uit elkaar.
Hij laat mij troostloos staren naar
’t Geluk dat is bezweken.

 

 
Jan H. de Groot (13 maart 1901 -1 december 1990)

 

De Turkse schrijver Kemal Tahir werd geboren op 13 maart 1910 in Istanboel. Zie ook alle tags voor Kemal Tahir op dit blog.

Uit: The Tired Warrior (Vertaald door Elif Erkmen)

“He imagined it as being able to do anything he wanted. But how would this be compatible with the current strict military rules?
Jamil reminded himself that they didn’t have to debate such details, because within just two years, by sending a couple of telegrams they achieved their goal. They brought Freedom to the country.
Jamil was still gazing at the picture on the wall. Nazmi died defending Edirne which was under siege. He didn’t have time to learn that their party was ruling the country now. They were controlling the vast Empire from Danube to Basra; from Sinop to Libya. Nazmi died when he was twenty six. He died hungry, sick and desperate.
In the picture, Nazmi was also smiling sadly as if he heard his son calling him “Unionist Infidel.”
Neriman came upstairs looking very pale. “He was a doctor. His name was Rashid… A governor. He escaped from jail recently.” She approached Jamil and whispered. “Was he the friend you were expecting?”
“No, he wasn’t.”
“Did you know Governor Rashid personally?
“No, I didn’t know him.”
“Then why did you ask me to open the door for him? You asked about whether it was possible to enter the neighbor’s yard”. She was obviously shaken; the fear rising up from her throat to her lips. Her lips started to pucker. The stern look in her eyes was turning into fear. “If he entered our house and was seen by the police, they would have raided the house. What would you have done? Would you have fought with them?”
Jamil leaned forward to look directly in her eyes; Neriman knelt down on the floor in desperation, with her hand on her mouth. “You were ready to fight Jamil; you were going to die as well.”
“What are you talking about?” Jamil smiled weakly. “That’s all nonsense. Nothing like that was going to happen.”He reached out to touch her shoulder and then stopped. He said, “Why are you crying? Why are you getting worked up?”

 

 
Kemal Tahir (13 maart 1910 – 21 april 1973)
Cover Turkse uitgave

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e maart ook mijn blog van 13 maart 2018 en ook mijn blog van 13 maart 2017 en ook mijn blog van 13 maart 2016 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Mahmoud Darwish, Yuri Andrukhovych, Didier Decoin, Vladimir Makanin, Yeghishe Charents, Geert van Beek, Jan H. de Groot, Kemal Tahir, Joseph Beaumont

De Palestijnse dichter Mahmoud Darwish werd geboren in Al-Birwa, Palestina, op 13 maart 1941. Zie ook alle tags voor Mahmoud Darwish op dit blog.

 

Wij gaan naar een land

– Wij gaan naar een land dat niet van ons vlees is. De kastanje groeit niet uit onze botten.

– Zijn stenen zijn geen geit in het lied der bergen; de ogen der kiezels geen lelies van de dalen.

– Wij gaan naar een land dat geen eigen zon over ons heen hangt.

– De vrouwen van legenden klappen voor ons; een zee over ons en voor ons

– Als graan en water van jullie zijn afgesneden, eet dan onze liefde en drinkt onze tranen.

– Zwarte doeken voor de dichters; een rij van marmeren beelden zal onze stemmen doen weerklinken.

– Een schuur om onze geesten te beschermen tegen het stof van de tijd; een roos over ons, een roos voor ons.

– Jullie hebben jullie glorie, wij de onze. Ach een land waarvan wij alleen zien wat niet gezien wordt: ons geheim.

– Wij hebben onze glorie: een troon op voeten afgesneden door stegen die ons voeren naar vele huizen, maar niet de onze.

– De geest moet de geest in zijn geest vinden, of hier sterven…

 

Vertaald door Jan Brugman

 

 Der Rhythmus wählt mich

Der Rhythmus wählt mich und erstrahlt in mir
Ich bin der Geige Klang, nicht ihr Spieler
Ich wohne in der Nachbarschaft der Erinnerung
Das Echo der Dinge spricht in mir
und ich spreche…
Jedes Mal, wenn ich dem Steine lausche, höre ich
das seufzende Gurren einer weißen Taube:
Mein Bruderherz! Ich bin deine kleine Schwester
In ihrem Namen vergieße ich die Tränen der Worte
Jedes Mal, wenn ich auf dem Wolkenweg
den Stamm eines Paternosterbaumes entdecke
höre ich das Herz einer Mutter
in mir schlagen:
Ich bin eine verstoßene Frau
In ihrem Namen verfluche ich die Grillen der Nacht
Jedes Mal, wenn ich einen Spiegel auf einem Mond entdecke
sehe ich die Liebe in Teufelsgestalt
die mich anstiert und spricht:
Ich bin immer noch da
Und du kehrst nicht zurück wie ich dich verlassen habe
Du kehrst nicht zurück und ich kehre nicht zurück
Dann vollendet der Rhythmus seinen Lauf
und erstrahlt in mir…

 

Vertaald door Stephan Milich

 

 
Mahmoud Darwish (13 maart 1941 – 9 augustus 2008)
Portret door Ahmad Kadi, z.j.

Lees verder “Mahmoud Darwish, Yuri Andrukhovych, Didier Decoin, Vladimir Makanin, Yeghishe Charents, Geert van Beek, Jan H. de Groot, Kemal Tahir, Joseph Beaumont”

Jan H. de Groot, Ivo Victoria, Lion Feuchtwanger, Vladimir Majakovski, Clemens Haipl

 

Dolce far niente

 

dolce far niente
The Rainbow door George Inness, 1878

 

Onweer

‘k Lig op mijn buk
in ‘t gras en ruik
het loof van pieperblommen.
Ginds licht het door
het bos en ‘k hoor
een verre donder grommen.

De zon verlaat
de dag en gaat
in rode wolken onder.
In ‘t Zuiden richt
een bliksemschicht
zijn speer en zwelt de donder.

Nu nadert zacht
de zomernacht
met zwaar bevochte schreden.
Er rilt gerucht,
een windezucht
komt uit het bos gegleden.

Er wervelt wind
die drijft en dringt
de volle donderkoppen.
Een vette blik
en hardop tikt
de val der eerste droppen.

Dan aarz’lend sta
ik op en ga
door wind en regenvlagen.
En boven mij
barst het getij
van vreselijke slagen.

 

 
Jan H. de Groot (13 maart 1901 – 1 december 1990)
Stadsgezicht Alkmaar door Jaap Zomer, 2014. Jan H. de Groot werd geboren in Alkmaar

Lees verder “Jan H. de Groot, Ivo Victoria, Lion Feuchtwanger, Vladimir Majakovski, Clemens Haipl”

Jan H. de Groot

De Nederlandse dichter Jan Hendrik de Groot werd op 13 maart 1901 geboren in Alkmaar. Tijdens zijn middelbare schoolperiode bracht zijn leraar Nederlands dr. André Schillings hem in contact met de literatuur. Het was Schillings die de belangstelling voor het dichten bij hem wekte. In 1924 debuteerde Jan H. de Groot in het protestants-christelijke literaire tijdschrift Opwaartsche Wegen met het gedicht ‘De karrekiet’, dat het begin inluidde van een natuurlyrische periode in zijn dichterschap. “Lentezon”, zijn eerste bundel, verscheen in 1927. Van 1920 tot 1937 werkte hij bij de Rijkstelegrafie, van 1937 tot 1948 bij de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In de periode 1926-1938 was hij ook redactiesecretaris van een protestants-christelijk jongerentijdschrift Het Korenland (1924-1938), gewijd aan cultuur en literatuur, waaraan hij vijfenveertig gedichten, een aantal verhalen en tientallen boekbesprekingen bijdroeg. Behalve aan Het Korenland en Opwaartsche Wegen droeg De Groot ook gedichten bij aan De Werkplaats. Uit zijn vooroorlogse poëzie blijkt een duidelijke verwantschap met de Jong-Protestanten, een groep protestantse dichters en schrijvers die streefden naar een synthese tussen literatuur en christendom. Hun voornaamste vertegenwoordiger was Willem de Mérode. De Groots maatschappelijke en politieke betrokkenheid blijkt overigens uit zijn hele oeuvre. Voor de oorlog waarschuwde hij als een van de eerste dichters tegen het gevaar van nazi-Duitsland. In 1948 werd hij redacteur van Het Vrije Volk in Arnhem en vanaf 1950 tot aan zijn pensionering in 1966 was hij perschef van de aku in Arnhem. Van 1950 tot 1962 was hij secretaris en penningmeester van de Nederlandse afdeling van de internationale auteursvereniging pen.

De inwoner

De herfst kwam onweerhoudbaar in mij aan
en wil, naar ik voorvoel inwonend blijven
ik vraag mij af hoe zal ik hem verdrijven
ik heb geen boodschap aan die veteraan.

Hoe kan ik hem het allerbest beschrijven
dat zelfverzekerd in mij ommegaan
zijn kleuren goud en geel zijn al vergaan
er is geen blad waarop hij nog kan drijven.

De winter staat voor ’t raam wit aangedaan
hij is van plan mijn gast uit ’t veld te slaan
mijn adem gaat tot bloemenbeeld verstijven

Ik sta verkleumd mijn handen warm te wrijven
Elk weet hij zal zich aanstonds in gaan lijven
in lente waar mijn hart op wacht zal staan.

 

Mei

Ze liepen lachend door het land,
Een lentedag in Mei.
De blommen glommen in de zon
In frissche groene wei.
En d’ ééne hand zocht d’ andre hand,
En ’t ééne oog, het andre, want
Och, ’t was nu eenmaal Mei.
Toen klonk het ernstig vragend:
‘Heb jij me lief?’
‘Jij mij?’

Ze stoeiden lachend in het land,
Een zonnedag in Mei.
De vogels zongen in de lucht
Hun keeltjes schier voorbij.
En d’ eene mond zocht d’ andre mond,
Ze vlijden zich op groenen grond.
Och ’t was nu eenmaal Mei.
Toen klonk ’t ondeugend plagend:
‘Ik heb je lief.’
‘Jij mij?’

Ze gingen mokkend door het land,
Een Maartschen dag in Mei.
En wind en regen joegen neer,
En sloegen alle blomkes zeer.
Weg was die zonnewei.
Hun voeten stampten op den grond,
De spatten vlogen in het rond.
En geen van twee was blij.
Toen klonk het aarz’lend vragend:
‘Heb jij me lief?’
‘Jij mij?’

 
Jan H. de Groot (13 maart 1901 –1 december 1990)