Die Sonne geht im Osten auf (Christian Morgenstern)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 
Vintage Duitse Paaskaart uit een serie van Arthur Thiele, 1905 – 1915

 

Die Sonne geht im Osten auf

Die Sonne geht im Osten auf,
der Osterhas´ beginnt den Lauf.
Um seinen Korb voll Eier sitzen
drei Häslein, die die Ohren spitzen.

Der Osterhas´ bringt just ein Ei –
da fliegt ein Schmetterling herbei.
Dahinter strahlt das blaue Meer
mit Sandstrand vorne und umher.

Der Osterhas´ ist eben fertig –
das Kurtchen auch schon gegenwärtig!
Nesthäkchen findet – eins , zwei , drei,
ein rot, ein blau, ein lila Ei.

Ein Ei in jedem Blumenkelche!
Seht, seht selbst hier, selbst dort sind welche!
Ermüdet leicht im Morgenschein
schlief Kurtchen auf der Wiese ein.

Die Glocken läuten bim, bam, baum,
und Kurtchen lächelt zart im Traum.
Di di didl dum dei,
wir tanzen mit unsern Hasen

umgefaßt, zwei und zwei,
auf schönen, grünen Rasen.

 

 
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)
Pasen in München, de geboortestad van Christian Morgenstern

 

Zie voor de schrijvers van de 2e april ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

Preis dem Todesüberwinder! (Friedrich Klopstock)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 
The Resurrection, “Rise to Power”, door Benjamin West, 1786

 

Preis dem Todesüberwinder!

Preis dem Todesüberwinder!
Sieh, er starb auf Golgatha!
Preis dem Retter aller Sünder!
Was er uns verhieß, geschah.
Laßt des Dankes Harfe klingen,
bis das Herz vor Freude bebt!
laßt uns, mächtig singen dem,
der starb und ewig lebt.

Überwunden, überwunden
hat der Herr der Herrlichkeit.
Sieh, er schlummerte nur Stunden
in des Grabes Dunkelheit!
Singt dem Herrn, singt Ihm mit Psalmen!
Jesus Christus hat gesiegt!
Streut dem Überwinder Palmen,
die ihr bang und weinend schwiegt!

Ich will gerne hier noch wallen,
Herr, solange Du es willst.
Knieen will ich, niederfallen,
flehn, bis Du Dich mir enthüllst.
Jetzt, da ich an Dich nur glaube,
seh ich dunkel und von fern,
ich, ein Wandrer noch im Staube,
Dich die Herrlichkeit des Herrn.

Die Gemeinschaft Deiner Leiden sei
an mir hier stets zu sehn.
Schenke mir die Kraft beizeiten,
Herr, von Deinem Auferstehn,
dass ich mich schon hier recht willig
in des Fleisches Tötung schick,
bis bei Dir mir einst auch völlig
wird zuteil mein ewges Glück!

 

 
Friedrich Gottlieb Klopstock (2 juli 1723 — 14 maart 1803)
De St.-Johannis-Kirche in Quedlinburg, de geboorteplaats van Friedrich Klopstock

 

Zie voor de schrijvers van de 1e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Litanie van een wachter bij het graf (Willem Jan Otten)

Bij Stille zaterdag

 

 
De graflegging van Christus door Fra Bartolomeo, 1516

 

Litanie van een wachter bij het graf

Kan het bestaan, twee mannen vallend in één slaap ?
Hoe dan ook, het graf dat wij moesten bewaken,
dat was ’s morgens leeg. Terstond vertelde mijn collega
mij zijn droom, die van begin tot eind exact de mijne was,
hetgeen ik hem, doodsbang ineens, verzwegen heb.
Nog steeds begrijp ik niet wat mij sindsdien bezielt.
Des nachts ben ik ontredderd als een motje om
een kaars, ach, roer mij aan en stel mij op mijn plaats,

een man die in zijn graf zijn windselen ontbindt,
zijn steen wegrolt, zijn wonden bloeden nog
maar kleuren aarde niet, de maan is vol en wit
maar schaduw werpt ze niet, de dode buigt zich
over ons en zegt met ongeveer mijn moeders stem:

dit is geen droom maar waken evenmin,
dit is wat wordt zolang je vreest
dat dit bestaat, dit zal bestaan
zodra je vreest dat dit niet kan.

Heb het niet onthouden wat hij zei,
wel weet ik dat in mijn droom mijn maat
tot op het laatst zijn ogen open had
dat hij de mijne zocht, en vond, en sliep,
ach, roer hem aan en stel hem op zijn plaats.

 
Willem Jan Otten (Amsterdam, 4 oktober 1951)
Interieur van de Sint Franciscus Xaverius kerk (De Krijtberg) in Amsterdam, de geboorteplaats van Willem Jan Otten

 

Zie voor de schrijvers van de 31e maart ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

Jezus intrede in Jeruzalem (Nicolaas Beets)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Anthony van Dyck, 1617

 

Jezus intrede in Jeruzalem
Matth. XXI. v. 1-9.

Wat feestelijk hozannagalmen,
Wat luid gewoel in Davids stad,
Gezwier van schaduwende palmen
En kleederspreiding over ’t pad!
Wien groeten de opgetogen scharen?
Wiens statig’ intocht viert haar drom?
Wien spreidt men bloem en groene blaren,
En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na ’t strijden,
Een juichend volk met drift begroet?
Maar hij zou ’t oorlogsros beschrijden,
Nog kleurig van vergoten bloed.
Een lijfwacht zou zijn zij’ bekleeden,
De bloem van ’t overwonnen heir
Zou in zijns kleppers voetspoor treden,
Een keten slepend, Hem ter eer.

Of is ’t een uitgeroepen Koning,
Die ’t rijk aanvaard heeft door zijn recht,
Ten dage, die met praalvertooning
De kroon Hem op den tulband legt?
Maar neen, geen stoet van vorstenmagen,
Die voor zijn schreden zich verdringt;
Geen schepter wordt vooruitgedragen;
Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde,
Is Hij wien ’t ezelveulen draagt;
Een prins, dien Davids dochter baarde,
Maar die geen zetel Davids vraagt,
Daar Hij zijn afkomst hooger rekent,
En hooger troon bestijgen zal;
Wiens naam Gezalfde Gods beteekent,
Wiens staf trekt over ’t wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren,
In Davids zegenrijke stad,
Wier handen hem de meien zwieren,
En kleedren spreiden op zijn pad;
Schoon zij den grooten Meester eeren,
Den Wonderdoener en Profeet,
Wie kent in Hem den Heer der Heeren,
Die Satan op den gorgel treedt?

Die d’ ijselijken strijd beginnen,
De schrikbre worstling aan zal gaan,
Waarin Hij Dood en Hel verwinnen,
En, zegevierder, op zal staan?
En hoe? Door lijden boven maten,
Door sterven, ’t menschdom ten rantsoen, –
Die nu Hem toejuicht op de straten,
Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,
O Heer, in wien ons hart gelooft!
Wij koestren ons in ’t licht der stralen,
Die schittren om uw zeegrijk hoofd.
Wij heffen oog en hand en harte
Tot U, die op de wolken troont;
Gij waart op aarde een man van smarte,
Maar nu met hemelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij groeten;
Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!
Wij vallen needrig aan uw voeten,
Alleen door uw genade sterk.
Bekrachtig ons, gij Heer der Heeren,
Opdat wij, in uw naam gegord,
Verwinnaars, uit het strijdperk keeren,
Waarin ons zonde en dwaasheid stort.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 25e maart ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

‘Unless a grain of wheat falls into the ground and dies…’ (Malcolm Guite)

 

Bij de vijfde zondag van de vasten

 

 
Beeld van Christus als de Goddelijke Zaaier in Steyl

 

‘Unless a grain of wheat falls into the ground and dies…’

Oh let me fall as grain to the good earth
And die away from all dry separation,
Die to my sole self, and find new birth
Within that very death, a dark fruition,
Deep in this crowded underground, to learn
The earthy otherness of every other,
To know that nothing is achieved alone
But only where these other fallen gather.

If I bear fruit and break through to bright air,
Then fall upon me with your freeing flail
To shuck this husk and leave me sheer and clear
As heaven-handled Hopkins, that my fall
May be more fruitful and my autumn still
A golden evening where your barns are full.

 

 
Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)
St. Anne’s Church in Ibadan, Nigeria, de geboorteplaats van Malcolm Guite

 

Zie voor de schrijvers van de 18e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Nicodemus (Muus Jacobse)

Bij de vierde zondag van de vasten

 

 
Nicodemus door Jezus onderricht door Jacob Jordaens, c. 1625

 

Nicodemus

Meester, die ons van God gezondcn zijt
En ook de doden weer ten leven wekt,
Als straks de laatste dood mijn ogen dekt,
Zal ik dan leven in Uw eeuwigheid?

Want eeuwigheid is voor die het niet weet,
Het kind, maar die eens wist wordt oud en dort.
Wie die ten tweeden maal geboren wordt?
Wat bleef mij dan een droom van wat Gij deed? —

Dit is het woord van een die tot U kwam
Des nachts, maar die U niet verstond, en ging,
En U zag kruisigen — en die toen droef

Uw dode lichaam in zijn armen nam
En wikkelde in zijn herinnering
En in de geuren van zijn tuin begroef.

 

 
Muus Jacobse (13 september 1909 – 21 november 1972)
De Sint Janskerk in Hoorn op Terschelling. Muus Jacobse werd geboren in Hoorn.

 

Zie voor de schrijvers van de 11e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

De tempelreiniging (Nicolaas Beets)

Bij de derde zondag van de vasten

 

 
Jezus verdrijft de geldwisselaars uit de tempel door El Greco, circa 1570

 

De tempelreiniging
Joh. II. v. 13-17.

Ontsteekt ook soms de liefde in toren?
O! Wat ook Ware liefde doet,
En wat gij uit haar mond moogt hooren,
Zij meent het goed.

Zie Jezus tempelwaarts getogen;
Een eedle gramschap geeft hem spoed,
En heilige ijver aan zijn oogen
Een dubblen gloed.

Hij houdt, met forsche hand geheven
Een geesel van gestrengeld touw,
En komt den Tempel binnenstreven,
Zijn plicht getrouw.

Hij immers komt het kwaad bestrijden,
Waar ’t aan zijn oogen zich vertoont;
En zouden wie Gods huis ontwijden
Dan zijn verschoond.

Zie, in den heilgen Voorhof brengen
De wislaars hun onheilgen stoel,
Wijl rund en schaap hun stemmen mengen
Aan ’t drok gewoel.

Zie, in den Voorhof wordt vergeten
Dat hier Gods altaar prijken mag,
Men durft zich woekerwinst vermeten,
En vuil bejag.

Maar Jezus voelt zijn toorn ontwaken,
Verteerd door d’ ijver voor Gods Huis,
En doet den boozen handel staken
En ’t woest gedruisch.

O Laat ons ’t Heilge nooit ontwijden,
Door wat der wereld toebehoort,
Maar alles in ons hart bestrijden,
Wat d’eerbied stoort!

Laat, als wij voor Gods oog verschijnen,
Het aardsch belang en ’t aardsch gedruisch
Voor ’t heiligend gevoel verdwijnen:
Hier is Gods Huis.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Het Adema-orgel in de Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 4e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

De verheerlijking op den berg (Nicolaas Beets)

 

Bij de tweede zondag van de vasten

 

 
De gedaanteverandering van Christus door Titiaan, ca. 1560

 

De verheerlijking op den berg
Matth. XVII. v. 1-9.

II.
Treed naderbij, aanschouw den Heer,
Daar Hij op Thabor staat!
Een lichtgloed blinkt om zijn gelaat;
Het is de mensch niet meer,
Die, in ’t gewaad eens Joodschen mans,
Op aarde ronddoolt zonder glans;

Het is des Allerhoogsten Zoon,
Die ’s Vaders zetel deelt,
Om wien het licht des Hemels speelt,
Gods eigen stralenkroon;
Voor wien, van heilge vrees bezield,
De rei der zaalgen nederknielt.

Twee daalden er, op reine vlerk,
Uit bovenaardsche sfeer,
En juichen in zijn heilig werk,
En brengen hulde en eer
Aan Hem, die kwam tot heil en troost
Van arm, gevallen menschenkroost.

Door hen was óók een zware strijd
Op deze onze aard volbracht.
Zoo donker was de gruwelnacht,
De poort des kwaads zoo wijd,
Alsof heel ’t menschdom God vergat,
En dood noch straf te vreezen had.

Toen riep Hij Mozes tot zijn tolk.
Door hem heeft Hij zijn Wet;
Op Horebs bergtop ingezet.
Voor ’t uitverkoren volk;
Opdat het, door zijn God geleid,
Zou wandlen in gehoorzaamheid.

Maar ach! dat volk, verblind en stout,
Doolt af van ’s Heeren pad,
Verzaakt wie hen gezegend had,
En knielt voor steen en hout,
En tergt, tot ieder kwaad gereed,
Den Heil’gen, dien hun hart vergeet.

Daar zendt de Heer Elias af,
Zijn strengen boetprofeet,
Met goddelijk gezag bekleed,
Wie Baäl dient ten straf;
Dat hij nog eens van Hem getuig’,
En waan en hoogmoed nederbuig’!

Wel was de strijd dier mannen zwaar,
Gestreden voor Gods eer!
Doch ’t eind is goed; Hij vergt niet meer;
De tijd der rust is daar!
Maar, schoon hen Abrams schoot ontving,
Nog moeide hun de sterveling.

Ach! wanneer zou aan ’t arme volk
Verlossing zijn bereid
Van zondeschuld en dienstbaarheid,
Als ’t Licht brak door de wolk,
Dat met zijn zegenrijken gloed
Een troost zou zijn voor ’t vroom gemoed?

Het komt. Gods Zoon, ziedaar dat Licht!
Zij dalen juichend neer,
En groeten Jezus, aller Heer,
En brengen hulde en plicht
Aan Hem, den Koning van ’t Heelal,
Die arme zondaars redden zal.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal (koor) in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 25e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

De verzoeking in de woestijn (Nicolaas Beets)

Bij de eerste zondag van de vasten

 

 
De verzoeking van Christus door Ary Scheffer, 1854

 

De verzoeking in de woestijn
Matth. IV. v. 1-11.

I.
De booze.
Hoe? Is des Boozen euvelmoed
Zoo groot, dat niets hem vreezen doet,
Dat hij den Reinen aan durft blikken
En tarten tot zijn worstelperk?
Durft hij, door list en lagen sterk,
Den Heilgen lokken in zijn strikken?

Vernam hij, in de afzichtbre hel,
Van Gods genade ’t grootsch bestel,
Zoo is de tijd zijns wroks gekomen;
Want de aarde, ’t voorwerp van zijn wensch,
Met den door hem gevallen mensch,
Zijn roof, zijn buit wordt hem ontnomen.

Verborgen voor zijns volks gezicht,
Bereidt zich Jezus tot den plicht,
Waarop hij ’t oog des geestes vestte,
En toeft in ’t hart der woestenij.
Reeds veertig dagen vastte hij,
Maar nu, nu hongert hem ten leste.

Daar treedt, geoefend op verraad,
Met vriendlijk oog en heusch gelaat,
De Satan voor des Heilands oogen:
‘Hoe? Lijdt Gods zoon hier hongersnood?
Hij vordre van dees rotsen brood;
Wat zou Zijn almacht niet vermogen?’

Naar ’s Tempels tinnen voert hij hem.
‘Welnu,’ klinkt des Verzoekers stem,
‘Werp, werp u af! Gij moogt het wagen.
Zijt Gij Gods Zoon, voor u geen nood!
Daar de Englen Gods Gods Gunstgenoot,
Op hunne handen zullen dragen.’

Hij voert hem op een hoogen berg,
Dat hij zijn hart met eerzucht terg:
‘Ziehier al ’s werelds vorstendommen!
Indien gij neervalt aan mijn kniên,
Zult gij ze in Uwe handen zien,
Ten top van grootheid opgeklommen.’

De Heilige blijft onverlokt;
Geen list des Satans, die hem schokt
Of in zijn hart den lust kan wekken;
Hij keert de pijlen, die hij spilt,
Op ’t godlijk woord als op een schild,
En dwingt hem schaamrood af te trekken.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 18e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

A glimpse (Walt Whitman)

 

Bij Valentijnsdag

 

 
Dubbelportret door Giorgio da Castelfranco, 1502

 

A glimpse

A glimpse through an interstice caught,
Of a crowd of workmen and drivers in a bar-room around the stove late of a winter night, and I unremark’d seated in a corner,
Of a youth who loves me and whom I love, silently approaching and seating himself near, that he may hold me by the hand,
A long while amid the noises of coming and going, of drinking and oath and smutty jest,
There we two, content, happy in being together, speaking little, perhaps not a word.

 

 
Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)
Valentijnsdag op Times Square, New York, de geboorteplaats van Walt Whitman

 

Zie voor de schrijvers van de 14e februari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.