Hermann Hesse, Denis Johnson

De Zwitserse (Duitstalige) dichter en schrijver Hermann Hesse werd geboren op 2 juli 1877 in Calw. Zie ook alle tags voor Hermann Hesse op dit blog.

Uit: Die Kunst des Müßiggangs

„Je mehr auch die geistige Arbeit sich dem traditions- und geschmacklosen, gewaltsamen Industriebetrieb assimilierte, und je eifriger Wissenschaft und Schule bemüht waren, uns der Freiheit und Persönlichkeit zu berauben und uns von Kindesbeinen an den Zustand eines gezwungenen, atemlosen Angestrengtseins als Ideal einzutrichtern, desto mehr ist neben manchen anderen altmodischen Künsten auch die des Müßigganges in Verfall und außer Kredit und Übung geraten. Nicht als ob wir jemals eine Meisterschaft darin besessen hätten! Das zur Kunst ausgebildete Trägsein ist im Abendlande zu allen Zeiten nur von harmlosen Dilettanten betrieben worden.
Desto wunderlicher ist es, daß in unseren Tagen, wo doch so viele sich mit sehnsüchtigen Blicken gen Osten wenden und sich mühsam genug ein wenig Freude aus Schiras und Bagdad, ein wenig Kultur und Tradition aus Indien und ein wenig Ernst und Vertiefung aus den Heiligtümern Buddhas anzueignen streben, nur selten einer zum Nächstliegenden greift und sich etwas von jenem Zauber zu erobern sucht, den wir beim Lesen orientalischer Geschichtenbücher uns aus brunnengekühlten maurischen Palasthöfen entgegenwehen spüren.

Warum haben eigentlich so viele von uns an diesen Geschichtenbüchern eine seltsame Freude und Befriedigung, an Tausendundeine Nacht, an den türkischen Volkserzählungen und am köstlichen »Papageienbuch«, dem Decamerone der morgenländischen Literatur? Warum ist ein so feiner und originaler jüngerer Dichter wie Paul Ernst in seiner »Prinzessin des Ostens« diesen alten Pfaden so oft gefolgt? Warum hat Oscar Wilde seine überarbeitete Phantasie so gern dorthin geflüchtet? Wenn wir ehrlich sein wollen und von den paar wissenschaftlichen Orientalisten absehen, so müssen wir gestehen, daß die dicken Bände der Tausendundeine Nacht uns inhaltlich noch nicht ein einziges von den Grimmschen Märchen oder eine einzige von den christlichen Sagen des Mittelalters aufwiegen. Und doch lesen wir sie mit Genuß, vergessen sie in Bälde, weil eine Geschichte darin der anderen so geschwisterlich ähnlich ist, und lesen sie dann mit demselben Vergnügen wieder. Wie kommt das? Man schreibt es gern der schönen ausgebildeten Erzählerkunst des Orients zu. Aber da überschätzen wir doch wohl unser eigenes ästhetisches Urteil: denn wenn die seltenen wahren Erzählertalente unserer eigenen Literatur bei uns so verzweifelt wenig geschätzt werden, warum sollten wir dann diesen Fremden nachlaufen? Es ist also auch nicht die Freude an erzählerischer Kunst, wenigstens nicht diese allein. In Wahrheit haben wir für diese ja überhaupt sehr wenig Sinn; wir suchen beim Lesen, neben dem grob Stofflichen, eigentlich nur psychologische und sentimentale Reize auf.“

 

Hermann Hesse (2 juli 1877 – 9 augustus 1962)
Collage in het Hermann Hesse Museum in Montagnola

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Denis Hale Johnson werd geboren op 1 juli 1949 in München. Zie ook alle tags voor Denis Johnson op dit blog.

 

HET VERHAAL

Er eentje onderdompelend
naast een verwarde
oude vrouw in de bovengrondse
donut winkel op het treinstation ,
denk je: Hemelse dame,

ik drink koffie
en jij druppelt SLIJM,
is dat het verhaal? – maar zeg niets,
bang voor elk antwoord. Nieuwsgierige
dagen, deze, doorgebracht

uit angst voor antwoorden, in afschuw
voor deuropeningen, slaap, vriendschappen,
en wat voor servetten! – woordeloos
blanke ondervragingen willen
het hele verhaal, nogmaals,

vanaf het begin;
servetten zoals de uitgestrekte, bloedarme
dageraden die je wakker vinden
bij het raam, terwijl je probeert
je te herinneren hoe het gaat,

en faalt: de rampzalige geliefden
bieden het hoofd aan Marsmannetjes
nu, de prachtige architectuur van de oude
huizen transformeert op dezelfde manier
in de schemering van de herinnering,

en dozen? — Wat
kun je anders doen behalve
moederloos door deze tranen drijven wanneer
de kartonnen doos zich
de legende van de verte herinnert

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Denis Johnson (1 juli 1949 – 24 mei 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e juli ook mijn blog van 2 juli 2019 en ook mijn blog van 2 juli 2017 deel 2.

Remco Ekkers, Denis Johnson

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Ekkers werd geboren op 1 juli 1941 in Bergen. Zie ook alle tags voor Remco Ekkers op dit blog.

 

Berlijn. Een winterreis

6. Centrum

Ze ligt in een ronde kamer, streelt
haar heupen, haar benen open
luikjes vallen even weg
ziet ze de mannen kijken, streelt
haar borsten tot zachte klei

andere deurtjes met foto’s van billen
geslachten en allerlei soorten haar
of geschoren, in het hokje een spiegel
voor de film: de nieuwe leraar
volgt het meisje met de zwarte rok

aan het eind van de gang deuren
met een muntautomaat, kun je
naar binnen, je opent je broek
en leidt je geslacht in een vochtig hol
bewegen tot het zaad komt, bewegen

het gaat door: deuren met foto’s
het gat in de vloer, liggen, bewegen
en als je zo niet bevredigd raakt
geef je je bij de kassa op en kijken anderen
naar jou of naar hem terwijl hij met haar

 

7. Pure fantasy’ (Pinter)

Hoe jij in hem opgaat
hoe hij in jou beweegt

en jij richt je even op
in mijn droom om hem
te bekijken: ik word warm
van zijn lieve gezicht
zijn ogen, zijn domme haar

ik word warm in jouw
schoot – nu ga jij bewegen.

 

8. Oost

Voor je onder de grond gaat
moet je geld wisselen, je wordt
betast door grauwe beambten
die spiegels boven je hoofd houden.

Door nauwe sluizen en gangen
trap af trap op tot je het spoor
bijster raakt en je niet meer
weet met wie je reist.

Uniformen in morsige hokjes
bovengronds niet meer bereikbaar verkeer
stilgezet met muurhoge grendels
een stille wachter op een dood station.

De antenne loopt schuin met de hond
mee aan de overkant van het water
geen sporen in de sneeuw, enkel
witte kruisen met namen van doden.

Oude vervallen musea, ook met gestolen
kunst, geen geld voor echte suppoosten
oude vrouwen zitten in was te wachten
op de tijd, soms een bezoeker voor Cézanne.

De 18e-eeuwse parade bij Potsdam
voor de garnizoenskerk die zo’n beeld
nog weet te staan, met trots en heimwee.
Unter den Linden is het koud.

 

Remco Ekkers (1 juli 19414 juni 2021)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Denis Hale Johnson werd geboren op 1 juli 1949 in München. Zie ook alle tags voor Denis Johnson op dit blog.

 

Het instappen

Een dezer dagen onder de witte
wolken naar de witte
lijnen van de verdomde oversteek
plaats zal ik platgewalst worden,
en zal ik mijn zak met afgeprijsde
medicijnen op straat laten vallen,
en zal er een abrupt materialiserend boeket
van zwervers, gepensioneerden en Mexicaanse
straatbendes zien welke soorten ziekten
allemaal van mij genieten
en wat voor ondergoed en mijn korte
oude spinachtig geaderde damesbeentjes.
Dus meneer de jonge en mooie Neger Bus
Chauffeur Het kan me precies dit schelen: nul, komma nul,
dat je deze dingen ziet,

nu ik mijn boodschappen
naar jouw stoel omhoog smijt,
deze linkervoet op de trede
zet zodat deze jurk omhoog kruipt,
deze metalen paal vastgrijp,
een straal zilver die naar beneden valt
uit de hemel om mij te helpen, dank je,
en schreeuw: “Let even op mijn medicijnen
voor mij, als je wil, schat,
Ik ben 1 meter 20 en het is een grote bus
die je hier hebt en het is heet en ik heb
elke ziekte die ze maken
vandaag de dag, mijn God, Jezus Christus,
ik stort mijn hart bij je uit.”

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Denis Johnson (1 juli 1949 – 24 mei 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e juli ook mijn blog van 1 juli 2020 en eveneens mijn blog van 1 juli 2019 en ook mijn blog van 1 juli 2018 en ook mijn blog van 1 juli 2017 deel 2.

Czeslaw Milosz, Thomas Frahm

De Poolse dichter, schrijver en Nobelprijswinnaar Czesław Miłosz werd geboren in Šeteniai op 30 juni 1911. Zie ook alle tags voor Czeslaw Milosz op dit blog.

Uit: Mijn katholieke opvoeding (Vertaald door Gerard Rasch)

“Het biologielokaal dat voorzien was van moderne microscopen, trok me aan, omdat daar die tak van wetenschap zetelde die voor mij het minst abstract was; zij betrof immers mijn bos- en jagerservaringen. We ontleedden bloedzuigers, bekeken het kloppende hart van een opengesneden kikker, met ingehouden adem draaiden we de micrometerschroef om de microscoop scherp in te stellen op een preparaat van plantaardige of dierlijke weefsels. Zoölogie, plantkunde en vervolgens biologie werden gegeven door een docent medicijnen van de plaatselijke universiteit. Hij was gespecialiseerd in de cytologie, de leer van de cellen. Mager en met een gele huidkleur leek hij een brommerige leverpatiënt, maar hij hield van zijn vak en was in staat dat op ons over te brengen. Hij richtte een club voor natuurliefhebbers op, waar ik als een van de enthousiastelingen eerste viool speelde. Ik beperkte me niet tot de lessen en leerboeken, maar gebruikte ook vakliteratuur. Halverwege de school, in de vierde klas, hield ik mijn eerste lezing: over de natuurkeus van de soorten en Darwin. Toen begon juist mijn crisis, al werd deze vertraagd door het vele extra-werk dat mijn koninkrijk van aquaria, glazen en kooien met vogels of witte muizen mij bezorgde. Aan één ding twijfelde ik niet: dat mijn toekomstige beroep al vaststond en dat ik natuurwetenschapper zou worden. Had iemand mij voorspeld, dat ik later mijn roeping zou verraden, dan had het vooruitzicht mij met afgrijzen vervuld.
Ik moet nu even ingaan op de achtergronden voor de ontwikkeling van onze sympathieën en antipathieën. Van alle schreeuwende, onverzorgde gezichten hielden in de ogen van de leraren zeker slechts een paar een toekomstbelofte van individualiteit in. Op dezelfde wijze bestond de Olympus van opvoeders voor ons uit enige protagonisten en een koor. De mindere goden waren opmerkelijk vanwege hun vreemde kuren. Onze leraar aardrijkskunde bijvoorbeeld, bijgenaamd de Gorilla, personifieerde voor ons om de een of andere reden het verleden en was waarschijnlijk ook leraar geweest, toen het gymnasium nog Russisch was. Een boom van een vent, een zwarte smoel, zwarte snor, met een streepjesbroek en een jacquet. Hij liet zich plompverloren op zijn stoel vallen en geeuwde vreselijk. Dan konden we zijn schijnbaar zwarte verhemelte zien; bij honden betekent dit een boosaardig karakter, hetgeen bij hem in ieder geval bleek te kloppen. Hij stak meteen iedereen aan met zijn verveeldheid en dit ontketende een hels lawaai. Omdat hij te lui was woorden te gebruiken beschreef hij, op iemand wijzend, nonchalant een halve cirkel in de lucht. De aangewezene kwam naar voren en ging in de hoek staan. Aan het eind van de les waren de banken bijna ontvolkt. Deze leraar of de historicus grootvader Kalasjeuski, die een sterk Wit-Russisch accent had, werden echter als tweederangsfiguren beschouwd; dergelijke leraren wisselden elkaar snel af.”

 

Czeslaw Milosz (30 juni 1911 – 14 augustus 2004)

 

De Duitse dichter, schrijver, uitgever en vertaler Thomas Frahm werd geboren op 29 juni 1961 in Homberg. Zie ook alle tags voor Thomas Frahm op dit blog.

 

Wandeling met kinderen

Aan de fijne takken onder het hart
rijpt de zoete peer van verrukking.
De lucht is blauw. Wij besluiten
om hem met notenbomen te beschilderen,
zodat het eekhoorntje
(dat met de zwarte staart)
erin kan springen en kraken
de harde schil van de sterren.

Jullie zachte handjes
liggen warm in die van mij,
als bebroede eieren.
Binnenkort zullen ze uitkomen,
de kuikens van de verrassing,
pluizig en geel,
en naar sterren scharrelen
als naar gevallen noten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Frahm (Homberg, 29 juni 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 30 juni 2020 en eveneens mijn blog van 30 juni 2019 en ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten Asscher, Thomas Frahm

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en uitgever Maarten Asscher werd geboren op 29 juni 1957 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Maarten Asscher op dit blog.

Uit: Een uitgelezen dag

“Ik zou graag zien dat u deze brief als een open sollicitatie wilt opvatten, bij voorkeur naar een positie als hoogleraar aan een der Nederlandse universiteiten, liever nog buitengewoon hoogleraar, vrijgesteld van onderwijs, waarmee tot uitdrukking komt dat mijn benadering van de moderne beschavingsgeschiedenis van de mens allerminst gewoon te noemen is. Ik kan mij dan geheel aan de voortzetting van mijn onderzoeksprogramma wijden.
Een curriculum vitae zal ik u besparen. Mijn precieze levensloop is ook weinig ter zake. Ik ben zelf helaas op een zaterdag geboren, maar dat doet meen ik niet af aan de inhoudelijke merites van mijn wetenschappelijke visie. U moet weten dat mijn vader jarenlang journalist was bij een keurige Rotterdamse krant, en daardoor heeft hij op zondag nooit iets betekenisvols kunnen verrichten, aangezien er op die dag in Nederland geen krant te maken valt. Maar zoals gezegd, mijn persoonlijke achtergrond is niet van belang. Het gaat om mijn ideeën.

Welnu, Hooggeleerde Dames en Heren, op het eerste gezicht lijkt het alsof de zondag altijd een kalme dag is, alsof de mensen hun bijbelse rustdag cultiveren en hun die ook niet ontnomen wordt. Maar naar mijn overtuiging is die zogenaamde zondagsrust bedrieglijk.
Als een dier ogenschijnlijk rustig zit, voert het iets in zijn schild. Stilzittende spinnen, onbeweeglijke krokodillen, turende poezen, roofvogels die op één plek in de lucht hangen, alle gebruiken zij de schijnbare rust, die aan anderen veiligheid suggereert, als camouflage voor en voorbereiding op hun meest energieke en gewelddadige acties. Zo is het ook met de wereld in het groot. De zogenaamde stilte die de Dag des Heren ons biedt, wordt door de Voorzienigheid zelf, of zo u wilt door het Noodlot, gebruikt als dekmantel voor het laten plaatsvinden van de grootste en meest invloedrijke gebeurtenissen. Het zou kunnen, daarin hoop ik mij tijdens mijn Hoogleraarschap nader te verdiepen, dat de lichte ingeslapenheid en onoplettendheid van de wereld de kansen op werkelijk belangrijke gebeurtenissen groter maakt. Het is eveneens mogelijk dat het simpelweg in de orde der dingen ligt dat op de zevende dag, als de Schepper zijn allesoverheersende werk heeft stilgelegd, de inheemse en goddeloze krachten van de natuur zelf aan het werk slaan en hun greep op de loop der dingen hernemen.
Hoe dit ook zij, ter voorbereiding op mijn wetenschappelijke arbeid aan een van de onder uw Academie ressorterende universiteiten, wil ik u graag in het kort mijn interpretatie van de wereldgeschiedenis voorleggen. Ik doe dat in de vorm van een korte samenvatting van een uitvoeriger analyse, zoals ik die in het kader van mijn aanstaande functie hoop uit te werken. Ik begin weer even bij een ander begin.”

 

Maarten Asscher (Alkmaar, 29 juni 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, uitgever en vertaler Thomas Frahm werd geboren op 29 juni 1961 in Homberg. Zie ook alle tags voor Thomas Frahm op dit blog.

 

Jeugd

Het individualisme neemt toe
in een rattentempo. Jij hebt
de ultieme piercing.
Met dat vod dat je net hebt gekocht
jaag je, met de speed van opgeslokte pillen,
van vrijdag tot zondag op het leven.
Tussen acid en aspirine
danst je DNA
in de petrischalen
van de hipste clubs.

ik mis het niet
dat de mens niet goed is –
ik mis de goedheid.
Daarin los ik op,
sneller dan welke pil dan ook.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Frahm (Homberg, 29 juni 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juni ook mijn blog van 29 juni 2020 en eveneens mijn blog van 29 juni 2019 en ook mijn blog van 29 juni 2018 en ook mijn blog an 29 juni 2017 en eveneens mijn blog van 29 juni 2013 deel 2.

Sophie Hannah, Thomas Frahm

De Britse dichteres en schrijfster Sophie Hannah werd geboren in Manchester op 28 juni 1971. Zie ook alle tags voor Sophie Hannah op dit blog.

 

The Good Loser

I have portrayed temptation as amusing.
Now he can either waver or abstain.
His is a superior kind of losing
And mine is an inferior brond of gain.

His sacrifice, his self-imposed restriction
Will get through this controversy intact
For his is a superior kind of fiction
And mine is an inferior brand of fact.

I have displayed my most attractive feature
And he his least, yet still the match seems odd.
For I am a superior kind of creature
And he is an inferior brand of god

And if he cuts me off without warning
His is the book from which I’ll take a leaf
For his is a superior kind of mourning
And ours a most inferior brand of grief.

 

Wells-Next-the-Sea

I came this little seaside town
And went a pub they call The Crown
Where straight away I happened see
A man who seemed quite partial me.
I proved susceptible his charms
And fell right in his open arms.
From time time, every now and then,
I hope meet up with him again.

 

The During Months

Like summer in some countries and like rain
in mine, for nuns like God, for drunks like beer,
like food for chefs, for invalids like pain,
You’ve occupied a large part of the year.

The during months to those before and since
would make a ratio of ten to two,
counting the ones spent trying to convince
myself there was a beating heart in you

when diagrams were all you’d let me see.
Hearts should be made of either blood or stone,
of both, like mine. There’s still December free –
the month in which I’ll save this year, alone.

 

Sophie Hannah (Manchester, 28 juni 1971)

 

De Duitse dichter, schrijver, uitgever en vertaler Thomas Frahm werd geboren op 29 juni 1961 in Homberg. Zie ook alle tags voor Thomas Frahm op dit blog.

 

Handen, vandaag – en morgen

Laten we de geschiedenis
ingaan. Maar waarmee?
Onze handen zijn leeg
na de transformatie van de wereld
in goederen.
……………………Neurotisch
worden onze handen
wanneer ze dit overvolle
magazijn om zich heen betasten.
,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,Zij voelen
zich gedwongen te kiezen.
……………………………………………Maar

ze weten niet wat ze nu moeten doen.
Voor wie? Waar? En waarom?
Zonder sigaret, zonder koffie
lijken ze allebei al veel op
langdurig werklozen.
………………………………….Grijs geworden,
beginnen ze te trillen.

Bekijk ze goed als je ze
uit je zak haalt. Ze worden
kleiner en kleiner. Spoedig
groeien ze van binnenuit
je schedel in, om daar
een verschrikkelijke opstanding te vieren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Frahm (Homberg, 29 juni 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e juni ook mijn blog van 28 juni 2020 en eveneens mijn blog van 28 juni 2019 en ook mijn blog van 28 juni 2018 en ook mijn blog van 28 juni 2014 deel 2.

Lucille Clifton

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

brothers

(being a conversation in eight poems between an aged Lucifer and God, though only Lucifer is heard. The time is long after.)
1
invitation

come coil with me
here in creation’s bed
among the twigs and ribbons
of the past. i have grown old
remembering the garden,
the hum of the great cats
moving into language, the sweet
fume of the man’s rib
as it rose up and began to walk.
it was all glory then,
the winged creatures leaping
like angels, the oceans claiming
their own. let us rest here a time
like two old brothers
who watched it happen and wondered
what it meant.

2
how great Thou art

listen. You are beyond
even Your own understanding.
that rib and rain and clay
in all its pride,
its unsteady dominion,
is not what you believed
You were,
but it is what You are;
in your own image as some
lexicographer supposed.
the face, both he and she,
the odd ambition, the desire
to reach beyond the stars
is You. all You, all You
the loneliness, the perfect
imperfection.

3
as for myself

less snake than angel
less angel than man
how come i to this
serpent’s understanding?
watching creation from
a hood of leaves
i have foreseen the evening
of the world.
as sure as she
the breast of Yourself
separated out and made to bear,
as sure as her returning,
i too am blessed with
the one gift You cherish;
to feel the living move in me
and to be unafraid.

 

broers

2
hoe groot U bent

luister. U gaat zelfs
Uw eigen verstand te boven.
die rib en regen en klei
in al hun trots,
hun onvaste heerschappij,
is niet wat U geloofde dat
U was,
maar het is wat U bent;
naar uw eigen beeld zoals zekere
lexicograaf veronderstelde.
het gezicht, zowel hij als zij,
de vreemde ambitie, het verlangen
om voorbij de sterren te reiken
ben U, allemaal U, allemaal U
de eenzaamheid, de perfecte
onvolmaaktheid.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juni ook mijn blog van 27 juni 2020 en eveneens mijn blog van 27 juni 2019 en ook mijn blog van 27 juni 2016 en eveneens mijn blog van 27 juni 2015 deel 2.

Elisabeth Büchle, Lucille Clifton

De Duitse schrijfster Elisabeth Büchle werd geboren op 26 juni 1969 in Trossingen, Baden-Württemberg. Zie ook alle tags voor Elisabeth Büchle op dit blog.

Uit: Im Schatten der Vergangenheit

„Ein fernes Wetterleuchten kündigte ein Gewitter an. Der Wind schob grauschwarze Wolkentürme über den abendlichen Himmel. Für Roy Woods sah es aus, als saugten sie den letzten hellen Schimmer am Horizont auf. Schweiß lief dem Neunzehnjährigen in Strömen über das Gesicht und den Rücken. Nicht vor Angst oder Aufregung, und schon gar nicht wegen der sommerlichen Hitze, sondern vor unterdrückter Wut. Ja, er hasste sie, diese Niggerbrut! Mehr noch, seit er Matt kennengelernt hatte.
Von vorn kam ein leiser, anfeuernder Ruf. Die Truppe setzte sich gemeinsam in Bewegung. Roy war das erste Mal dabei, ebenso wie der Einundzwanzigjährige an seiner Seite. Der schlaksige Kerl keuchte laut. Offenbar hatte er Angst. Angst vor der eigenen Courage?
Roy hingegen fieberte dem Ereignis entgegen. Die weißen Gewänder und die spitz zulaufenden Kapuzen, die ihre Gesichter verdeckten, wurden vom Fackelschein schemenhaft beleuchtet. Sie waren altmodische Relikte, aber überaus wirkungsvoll. Windböen drückten die Flammen der Fackeln fauchend nach unten, verliehen der Prozession den Anschein, als würde der Todesengel sie mit seinem Atem vorantreiben.
Die Straße lag völlig verlassen vor ihnen. In dem kleinen Nest am Mississippi war um diese Uhrzeit kaum noch jemand unterwegs.
Roy wich einer Eiche und dem an ihren Ästen weit herunterhängenden spanischen Moos aus. Die Grillen im Gras verstummten, als spürten sie die Gefahr.
Ihr Ziel, das Haus eines Schwarzen, der sich zur Wahl des Bürgermeisters hatte aufstellen lassen, lag etwas abseits von den anderen Gebäuden in jener Straße. Die frisch gestrichene weiße Fassade und ein Cadillac Coupe DeVille in der kurzen Auffahrt zeugten von dem neu erlangten Wohlstand der Familie.
Roy beschleunigte seine Schritte. Sein Groll trieb ihn vorwärts. Er überholte die anderen Vermummten und gesellte sich an die Seite ihres Anführers. Heute trug auch Matt nur ein weißes Gewand, obwohl er in der Hierarchie des Klans weit über Roy stand.
Wie abgesprochen verteilten sie sich lautlos um das Haus. Roy schob mit dem Fuß ein im Gras liegendes Kinderrad beiseite. Er hatte als Kind keines besessen; dafür hatte das Geld nicht gereicht. Plötzlich richtete sich sein Hass sogar gegen das Rad. Er holte aus, wollte es am liebsten zertreten, wie man einen Käfer zertritt.“
„Lass das! Sei leise!“, raunte Matt ihm zu. Er klang vielmehr belustigt als böse. „Du bist ganz heiß darauf, nicht?“

 

Elisabeth Büchle (Trossingen, 26 juni 1969)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

broers

(zijnde een gesprek in acht gedichten tussen een bejaarde Lucifer en God, hoewel alleen Lucifer wordt gehoord. De tijd is lang daarna.)

1
uitnodiging

kom rol je samen met mij op
hier in het bed van de schepping
tussen de twijgen en linten
uit het verleden. ik ben oud geworden
herinner me de tuin,
het gezoem van de grote katten
dat verschoof naar taal, de zoete
rook van de rib van de man
toen die opsteeg en hij begon te lopen.
het was allemaal glorie toen,
de gevleugelde wezens die sprongen
als engelen, die de oceanen opeisten
als hun bezit. laten we hier een tijdje uitrusten
als twee oude broers
die het zagen gebeuren en zich afvroegen
wat het betekende.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juni ook mijn blog van 26 juni 2020 en eveneens mijn blog van 26 juni 2019 en ook mijn blog van 26 juni 2018 en ook mijn blog van 26 juni 2017 en eveneens mijn blog van 26 juni 2016 deel 2.

Jakub Małecki

De Poolse schrijver en vertaler Jakub Małecki werd geboren op 25 juni 1982 in Kolo, Polen. Małecki studeerde aan de Economische Universiteit van Poznan. Hij heeft tot nu toe tien romans gepubliceerd, waarvoor hij meerdere prijzen heeft ontvangen. Hij vertaalt ook vanuit het Engels naar het Pools. Daarnaast werd Małecki genomineerd voor diverse literaire prijzen, waaronder de Angelusprijs en de Nike-literatuurprijs 2017. Hij woont als freelance schrijver met zijn vrouw in Warschau. In Polen verschijnt hij regelmatig op tv en radio, en geldt hij als een van de hoogst gewaardeerde schrijvers van de jongere generatie.

Uit: Roest (Vertaald door Karol Lesman)

“De dag waarop alles een einde nam boog hij zich over de spoorrails. Zijn vingers zaten onder het stof. De munten had hij in een rij gelegd, zodat de ene munt een klein beetje over de andere lag. Een klein stukje. Hij legde er nog twee in het midden recht, liep een eindje weg, keerde terug, legde er opnieuw eentje recht. Hij keek omhoog en schermde zijn ogen af. Een trein naderde uit de richting van de Stad. Het was een goederentrein, mooi zo.
‘Kom nou maar,’ zei Budzik ergens achter hem.
Hij trok zich terug en sloeg het stof van zijn handen. Het onkruid reikte tot zijn knieën, het gras golfde traag. Hij keerde terug op het uitgelopen pad en hield zijn handen achter zijn hoofd. Zijn nek was heet van de zon.
‘Misschien springen ze niet te ver weg.’
Budzik knikte. Zwijgend stonden ze te kijken. De oude locomotief trok allemaal dezelfde bruine wagons achter zich aan. Het was benauwd. En warm. Het geraas werd steeds luider.
Budzik zei uiteindelijk dat hij niet van plan was tussen het onkruid te gaan zoeken. De laatste keer had hij er blaren van brandnetels en wat al niet aan overgehouden. Szymek hurkte naast hem en steunde met zijn ar men op zijn knieën. Het enige wat te horen was, was het zoemen van een in het gras zwierende hommel en het gedender van zware wielen.
Ze kwamen hier bijna altijd als hij in Chojny logeerde. Ze namen metalen voorwerpen mee die ze hadden gevonden of gejat. Spijkers, schroeven, munten. Sommige waren later niet meer terug te vinden, ze werden onder het gewicht van de trein ver weg het gras of de struiken in geslingerd. De meeste vonden ze echter wel terug. Szymek had twee scharnieren die aan vlinders deden denken, een stuk of tien aan elkaar gekleefde munten in verschillende gedaantes, geplette schroeven en spijkers, de gelijkmatig afgesneden baan van een hamer, klodders van samengeplakt ijzerdraad en een fantasierijk uit elkaar getrokken zaagblad. Het meest enthousiast was hij nog over een halsketting die hij op de parkeerplaats voor hun woonblok had gevonden en die door de locomotief was omgesmolten tot een kronkelende slang met een oneffen huid. Soms stelde hij zich voor dat hij een meisje had en haar dat bijzondere cadeau schonk en dat zij uit dankbaarheid daarvoor smoorverliefd op hem werd. Hij bewaarde dit alles in een lege boomholte in de boomgaard van zijn oma. Oma wist er niet van, misschien wilde ze het niet weten. Ze had hem vast weleens bij de oude appelboom zien rondhangen, met een arm tot de elleboog in de dikke stam.
Deze keer was het Budzik die geluk had. Onder het gewicht van de locomotief waren zijn spijkers veranderd in een langwerpig dik web. Een deel ervan was onmiddellijk afgebroken, er was een netje, niet groter dan een hand, van over. Budzik hield zijn prooi tegen het zonlicht omhoog en met een glimlach van uit elkaar staande tanden keek hij door de kleine lichtgaatjes. Van de munten was geen spoor, ze waren een heel eind in de richting van het bos gevlogen.”

 

Jakub Małecki (Kolo, 25 juni 1982)

Rob van Essen, Lucille Clifton

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: Miniapolis

“In tram 81 zat zijn moeder. Jonathan had haar niet zien instappen, opeens zat ze daar, aan de overkant van het gangpad, op een van die banken die met hun rug naar het raam stonden, ingeklemd tussen twee andere passagiers.
Ze was al vier jaar dood en zag eruit alsof ze zware jaren achter de rug had. Ze droeg een paarse muts en wierp ontevreden blikken om zich heen, met karikaturaal neergetrokken mondhoeken. Er sprak stuurse haat uit haar blik, de haat van iemand die zich te goed voelt voor haar omgeving maar zich tegelijkertijd tot die omgeving veroordeeld weet. Behalve die paarse muts droeg ze een legerjas, een
spijkerbroek en lompe zwarte schoenen, alsof ze haar in een tweedehandszaak hadden aangekleed. Jonathan probeerde haar blik te vangen, om haar te laten weten dat hij hier zat, dat hij haar zag, maar ze keek dwars door hem heen, zonder enig blijk van herkenning.
De volle tram schokte van halte naar halte. Buiten regende het, er stroomde water langs het raam, in de tram druppelde het hier en daar van jassen. Sommige passagiers moesten blijven staan, maar Jonathan stond zijn stoel niet af, hij kwam net van de brug, hij mocht blijven zitten van zichzelf. Zo nu en dan werd hem het zicht op zijn moeder ontnomen. Je zou denken dat zo’n tram overzichtelijk was, rechttoe rechtaan, maar door de bij elke bocht zwenkende segmenten en de rijen glanzende stangen tussen vloer en plafond waarvan het perspectief bij elke zwenking verschoof was het toch een rommelige toestand.
Opeens was de plek van zijn moeder leeg. De tram stopte, Jonathan zag haar paarse muts nog net verdwijnen, op weg naar de verder weg gelegen deuren – alsof ze niet wilde uitstappen bij de deuren waar hij vlakbij zat. Hij bleef zitten tot de tram weer optrok, pas toen besefte hij
dat ze hem inderdaad niet had herkend, en geen wonder, na al die jaren.
Twee haltes verder moest hij er zelf uit. Hij zette zijn kraag op tegen de regen en keek een paar keer om, alsof hij hoopte haar nog ergens te zien, maar dat kon niet, waarom zou ze nadat ze was uitgestapt door zijn gelopen in de rijrichting van de tram? Nergens een paarse muts te zien. Toen hij een paar straten verder was, hield het op met regenen en brak de zon door. Hij sloeg een paar hoeken om en stak het kleine vierkante plein over. In het lege bekken van de fontein lag natgeregend vuil. Aan de overkant van het plein belde hij aan bij nummer 14. “

 

Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

1994 (1996)

ik liet mijn achtenvijftigste jaar achter me
toen een duim van ijs
zichzelf hard dichtbij mijn hart schopte
je hebt je eigen verhaal
je weet van de angsten de tranen
het litteken van ongeloof
je weet dat de meest trieste leugens die zijn
die we onszelf vertellen
je weet hoe gevaarlijk het is
geboren te worden met borsten
je weet hoe gevaarlijk het is
een donkere huid te dragen
ik liet mijn achtenvijftigste jaar achter me
toen ik wakker werd in de winter
van een koud en sterfelijk lichaam
terwijl dunne ijspegels afhingen van
die ene gekke tepel die huilde
zijn we geen goede kinderen geweest
hebben wij niet de aarde beërfd?
maar je weet hier vast alles van
uit je eigen huiveringwekkende leven

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juni ook mijn blog van 25 juni 2020 en eveneens mijn blog van 25 juni 2019 en ook mijn blog van 25 juni 2018 en ook mijn blog van 25 juni 2017 deel 2.

Fran Ross

De Afro-Amerikaanse schrijfster Fran Ross werd geboren op 25 juni 1935 in Philadelphia als oudste dochter van Gerald Ross, een lasser, en Bernetta Bass Ross, een winkelbediende. Omdat haar schoolse, artistieke en atletische talenten werden onderkend kreeg ze een studiebeurs aan Temple University nadat ze op 15-jarige leeftijd haar diploma behaalde aan de Overbrook High School. Ross studeerde in 1956 af aan de Temple University met een bachelorsdiploma in communicatie, journalistiek en theater. Ze werkte korte tijd bij de Saturday Evening Post. Ross verhuisde in 1960 naar New York, waar ze solliciteerde om te werken voor McGraw-Hill en later Simon & Schuster als proeflezer, en waar ze onder andere aan het eerste boek van Ed Koch werkte. Ross begon haar roman “Oreo” in de hoop op een carrière als schrijfster en het boek werd in 1974 gepubliceerd op het hoogtepunt van de Black Power-beweging van de jaren zestig en zeventig. De titel van Ross komt van een wit en zwart koekje, gebruikt als etnisch scheldwoord in jargon, waarvan de Amerikaanse varianten een kenmerk van de roman zijn, en gebruikt de mythe van Theseus om het verhaal te vertellen van een zwart-joods meisje dat op zoek is naar, en uiteindelijk wraak neemt op haar vader. Ross schreef ook artikelen voor tijdschriften als Essence, Titters en Playboy, en werkte daarna mee aan The Richard Pryor Show. Ze was niet in staat een tweede roman af te ronden, omdat ze met dit werk moeilijk in haar levensonderhoud kon voorzien. Ze werkte in de media en uitgeverijen tot ze stierf aan kanker op 17 september 1985 in New York City. “Oreo” werd in 2000 herontdekt en opnieuw gepubliceerd door Northeastern University Press, met een nieuwe introductie door Harryette Mullen. “Oreo” werd in 2015 opnieuw gepubliceerd door New Directions en in Engeland in 2018 door Picador.

Uit: Oreo

Food
Louise Clark’s southern accent was as thick as hominy grits. No one else in the Philadelphia branch of the family had such an accent. Her mother and father had dropped theirs as soon as they crossed the Pennsylvania state line. Her husband could have been an announcer for WCAU had they been hiring 10’s when he was coming up. While all about her sounded eastern-seaboard neutral, why did she persist in sounding like a mush-mouth? One reason: most of the time her mouth was full of mush or some other comestible rare or common to humankind.
Louise was once challenged to name a food she did not like. She paused to consider. That pause was now in its fifteenth year. During that time, she spoke of other things, lived her life, paid attention to what was going on, to all appearances; but all the while—simmering on a back burner, as it were—she was trying to bring to the boil of consciousness the category of food she had once tasted at Ida Ledbetter’s second child’s husband’s cousin’s wake after Ida Ledbetter’s second child’s husband’s cousin’s mother had collapsed after dishing out the potato salad. She would go to her reward without putting a name to that food, which was not food at all but a frying pan full of Oxydol. Why the Oxydol was in the frying pan in the first place is beyond the scope of this work, but when Louise had walked by the stove, she had hand-hunked a taste. Her judgment was that, whatever it was, someone had been a mite too heavy-handed with the salt. Thus, this was not truly her first antifood opinion but, rather, her first (and only) antiseasoning decision, an important subcategory. She always looked with perfect incomprehension on those finicky eaters who said that so-and-so’s spaghetti sauce was too spicy, her greens too bland, her sweet potatoes too stringy. For Louise, nothing to eat was ever too sour, salty, sweet, or bitter, too well done or too rare, too hot or too cold. Anything that could be subsumed under the general classification “Food” was exempt from criticism and was endued with all the attributes of pleasure. Consequently, anything Louise liked was compared, in one way or another, with food. A free translation of what she said on her wedding night after James went into his act would be: “The blacker the berry, the sweeter the juice.”

Aside on Louise’s speech

From time to time, her dialogue will be rendered in ordinary English, which Louise does not speak. To do full justice to her speech would require a ladder of footnotes and glosses, a tic of apostrophes (aphaeresis, hyphaeresis, apocope), and a Louise-ese/English dictionary of phonetic spellings. A com-promise has been struck. Since Louise can work miracles of compression through syncope, it is only fair that a few such condensations be shared with the reader. However, the substitu-tion of an apostrophe for every dropped g, missing r, and ab-sent t would be tantamount to tic douloureux of movable type.”

 

Fran Ross (25 juni 1935 – 17 september 1985)