De Grote Poëzieprijs voor Liesbeth Lagemaat

De Nederlandse dichteres Liesbeth Lagemaat heeft voor haar dichtbundel “Vissenschild” De Grote Poëzieprijs 2021 ontvangen, de grootste jaarlijkse prijs voor Nederlandse poëzie. Dat werd maandagavond bekendgemaakt in radioprogramma Opium. De Grote Poëzieprijs is sinds drie jaar de opvolger van de VSB Poëzieprijs. Liesbeth Lagemaat werd geboren in Bergen op Zoom in 1962.  Zie ook alle tags voor Liesbeth Lagemaat op dit blog.

 

Venus (niet die van Botticelli)

Plan A; een gat in je gezicht geslagen,
met een voorhamer misschien of desnoods een tennisracket,
je moet begrijpen, het gaat hier om een straf, wij
spreken van rechtvaardigheden. Zinloosheid is

een parelmoeren doosje, een bijouterieënkistje
vol dierbare obsceniteiten, maar niettemin.
Mijn haar vloeit uit, azuur, mijn lijst is afgezet met
knalroze marshmellows, tempera ben ik, op hout.

Uit zeeschuim, werkelijk? Toch schijnt de wenkbrauw
niet meer dan een litteken, de slapen in hun weekdierenbestaan:
één duimafdruk volstaat. Ik, de met spinrag bedekte?
Kleefdraad, een web van ijzertaal, wij beminnen in woorden van glas.

Het gas is zand plus hitte. En jij noemt je Vulcanus?
Een huidschil dekt de ogbal toe, alles verliest zijn vorm.
De haar verdampt, wij werden gebouwd rond een haarvatenstelsel
van angst. Altijd veel te zachte vingers.

 

Snijd alle knopen los

de nacht een onschuldig anachronisme. Jurken
van grijs, de lichte rouw, in mijn bed krioelt het
van overgrootmoeders die haastige woorden nog
happen, de zwanenhalzen in elkaar verstrengeld.

Dit ochtendlicht een mes met benen heft, snijdt
knopen van de rouw. Mijn hoofdkussen mompelt
wat brokken Bach, mechanisch, maatstrepen
van crêpepapier. Waarom lachen ze dan,

de overgrootmoeders, en buigen alsof, bokkendansen
op een deun van pannendeksels en gebarsten fluitjes.
Ze zwaaien en struikelen weg in het rookgordijn
van deze dag. Een voetafdruk bewijst: ‘Ik ben een kloof.’

Scherfjes, ondeelbaar klein, geen mozaïek maar
as op onze lakens. Het duurt uiteindelijk allemaal
niet langer dan een maat of acht, ik vraag me af of
‘gulzig’ te plaatsen is voor ‘mes’.

 

Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962)

Wiel Kusters, Ralf Thenior

De Nederlandse dichter, schrijver en letterkundige Wiel Kusters werd geboren in Spekholzerheide op 1 juni 1947. Zie ook alle tags voor Wiel Kusters op dit blog.

 

Zelfportret in as

‘freilich ist es wieder lyrik geworden’ – webern

Hij staat geheel tevreden
in het gat van de deur
met een hoge noot in zijn keel

de grens lijkt bereikt
de waanzin op zinnige wijze
in vegen as op witte muren
achter hem uitgedrukt

de wolkjes van zijn sigaar
zet hij in namen om, kreeftsomkering
van de allereerste
en laatste

een vaste baan
van ingewijde taal

nietsvermoedend vult hij
een kinderkamer met as en de tijd
van zijn krimpende corona

happend naar lucht
terwijl hij terugloopt,
naar binnen strompelt

 

Zout

Schapevlees, zout en een houweel.
Onthul mij mijn geheimen niet, gebroken tak van goud.
Ik schenk je beker vol en vul je broden. Maar ik ken je niet.
De zon draait zich nog eenmaal om, voor zij haar trap
opgaat. Een knipoog naar wie daalt. Ontken me niet.
Verbannen en vermand, met al mijn accenten. Houwelen.
Ik bleef onschuldig, maar ik was het niet. Verbrande brieven.
Ik ging mijn gangen na.
Geef mij mijn beker en dien op. Schapevlees en zout.
Gesmolten beeld van dit geheel: houwelen in een wond.

 

Trakls koper

Opgedolven bossen, losgeslagen bladeren, bomen aan touwen
omhoog gehesen.
Mijn gang door de struiken: lage takken, kale gewelven.
Najaarsdraden en de haas.

 

Wiel Kusters (Spekholzerheide, 1 juni 1947)

 

De Duitse dichter en schrijver Ralf Thenior werd geboren op 4 juni 1945 in Bad Kudowa. Zie ook alle tags voor Ralf Thenior op dit blog.

 

Volle maan boven Balkonia

De klimopripper uit het Rombergpark is weer als een waanzinnige de klimop aan het hakken. Maar dat stoort niemand op Balkonia. Men zit en drinkt Sangria con mucho alegria. Zojuist waren de wolken zalmrood van zonsondergang, nu is het al donker, schemerblauw met een violette gloed, en de vleermuis vliegt door het vierkant van de lucht in de achtertuin. Godzijdank mogen de buren niet meer barbecueën. Zou hij vandaag weer gaan hakken – De klimopripper? Goed mogelijk. Aan de overkant staat een eenzame vrouw en rookt. De maan is opgekomen. Een baby huilt. Dat is de maan! De baby schreeuwt harder. Dan snikt hij alleen nog maar, wordt het stil. De geur van de zomersering die uit het schuurdak groeit, stijgt op en zweeft door de achtertuin. Iedereen praat gedempt, lacht zachtjes, alleen op de derde verdieping gromt er één: altijd dat geklungel met dat weerwolvengebit!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ralf Thenior (Bad Kudowa, 4 juni 1945)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e juni ook mijn blog van 1 juni 2020 en eveneens mijn blog van 1 juni 2019 en ook mijn blog van 1 juni 2018.

Connie Wanek

De Amerikaanse dichteres Connie Wanek werd geboren op 1 juni 1952 in Madison, Wisconsin, en groeide op in Las Cruces, New Mexico. In 1989 verhuisde ze met haar gezin naar Duluth, Minnesota. Ze verdeelt nu haar tijd tussen Minnesota en New Mexico. Haar werk verscheen in Poetry, The Atlantic Monthly, The Virginia Quarterly Review, Quarterly West, Poetry East, Prairie Schooner, en Missouri Review. Ze heeft vier dichtbundels gepubliceerd, één boek met kort proza, en was co-editor (met Joyce Sutphen en Thom Tammaro) van de uitgebreide historische bloemlezing van vrouwelijke dichters uit Minnesota, genaamd “To Sing Along the Way” (New Rivers Press, 2006). ). Ted Kooser, Poet Laureate of the United States (2004-2006), benoemde haar in 2006 tot Witter Bynner Fellow van de Library of Congress.

 

Monopoly

We used to play, long before we bought real houses.
A roll of the dice could send a girl to jail.
The money was pink, blue, gold, as well as green,
and we could own a whole railroad
or speculate in hotels where others dreaded staying:
the cost was extortionary.

At last one person would own everything,
every teaspoon in the dining car, every spike
driven into the planks by immigrants,
every crooked mayor.
But then, with only the clothes on our backs,
we ran outside, laughing.

 

After Us

I don’t know if we’re in the beginning
or in the final stage.
— Tomas Tranströmer

Rain is falling through the roof.
And all that prospered under the sun,
the books that opened in the morning
and closed at night, and all day
turned their pages to the light;

the sketches of boats and strong forearms
and clever faces, and of fields
and barns, and of a bowl of eggs,
and lying across the piano
the silver stick of a flute; everything

invented and imagined,
everything whispered and sung,
all silenced by cold rain.

The sky is the color of gravestones.
The rain tastes like salt, and rises
in the streets like a ruinous tide.
We spoke of millions, of billions of years.
We talked and talked.

Then a drop of rain fell
into the sound hole of the guitar, another
onto the unmade bed. And after us,
the rain will cease or it will go on falling,
even upon itself.

 

Connie Wanek (Madison, 1 juni 1952)

Mariä Heimsuchung (Luise Hensel), Walt Whitman

 

Bij Maria Visitatie

 

Maria Visitatie door Marx Reichlich. Rechtervleugel van een Maria Altaar uit 1511

 

Mariä Heimsuchung

O Jungfrau, welch ein sel’ger Gruß
Erfüllt Dein Herz mit Freude!
Wie eilt Dein leichtbesohlter Fuß
Hin über blühende Haide!

Es duftet süß der Thymian,
Gestreift von Deinem Saume.
Die Blumen sehn Dich wonnig an;
Wie rauscht’s im Palmenbaume!

Leicht eilst Du über Bergeskamm,
Die Andacht giebt Dir Schwingen.
Die lieben Vögel wonnesam
Die schönsten Lieder singen. –

O nimm mich mit, o Jungfrau rein!
Will Dir Dein Bündlein tragen;
Will fromm auch und andächtig sein,
Kein einzig Wörtlein sagen. –

Da steht im Abendschein das Haus,
Drin walten Fried’ und Segen,
Die greise Freundin schaut heraus
Und eilt Dir froh entgegen.

Ihr Gruß tönt Dir wie Engels Gruß,
Der noch im Herzen klinget.
Demüthig sinkt sie Dir zu Fuß,
Die zärtlich sie umschlinget.

Und hell erschallt Dein Hochgesang,
Das höchste aller Lieder;
Die Himmel lauschen seinem Klang,
Der Erdball hallt ihn wieder.

 

Luise Hensel (30 maart 1798 – 18 december 1878)
De dorpskerk in Linum, de geboorteplaats van Luise Hensel

 

De Amerikaanse dichter Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Whalt Whitman op dit blog.

 

Te denken aan tijd

6
Wat zal zijn zal goed zijn – want wat is is goed,
Belang hechten is goed, en geen belang hechten zal goed zijn
.

De hemel blijft mooi… het genot van man met vrouw zal nooit bevredigd worden… noch het genot van vrouwen met mannen… noch het genot van gedichten;
De vreugdevolle dingetjes in huis, het dagelijks huishouden of dagelijkse zaken – dit zijn geen spoken… de dingen hebben gewicht en vorm en plek;
Het verschil tussen zonde en goedheid is geen spookverschijning;
De aarde is geen echo… de mens en zijn leven en alle dingen van zijn leven zijn goed overdacht.
Je bent niet verspild… je schaart je zeker en veilig rond jezelf,
Jezelf! Jezelf! Jezelf voor altijd en eeuwig!

7
Het is niet om jou te ontbinden dat je geboren bent uit je moeder en vader – het is om je te vereenzelvigen,
Het is niet dat je onbesloten zou moeten zijn, maar dat je vastbesloten zou moeten zijn;

Iets vormeloos’ dat zich lang heeft voorbereid is gekomen en gevormd in jou,
Daarom ben je veilig, wat ook komt of gaat.

De draden die gesponnen zijn komen bij elkaar… de inslag kruist de schering… het patroon is systematisch.

De voorbereidingen zijn allemaal nodig geweest;
Het orkest heeft zijn instrumenten voldoende gestemd… het stokje heeft het signaal gegeven.

De gast die kwam… hij had goede redenen om zo lang te wachten… hij is nu onder dak,
Hij is een van hen die mooi en gelukkig zijn… hij is een van hen voor wie geldt dat het voldoende is naar hen te kijken en bij hen te zijn.

De wet van het verleden kan niet worden ontdoken,
De wet van het heden en de toekomst kan niet worden ontdoken,
De wet van de levende wezens kan niet worden ontdoken… hij is eeuwig,
De wet van voortgang en verandering kan niet worden ontdoken,
De wet van helden en weldoeners kan niet worden ontdoken,
De wet van dronkaards en verklikkers en valse personen kan niet worden ontdoken.

 

Vertaald door Ilja Leonard Pfeijffer

 

Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)
Portret door Xanthus Russell Smith, 1897

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e mei ook mijn blog van 31 mei 2020 en eveneens mijn blog van 31 mei 2019 en ook mijn blog van 31 mei 2017 en ook mijn blog van 31 mei 2015 deel 2.

Oscar van den Boogaard, Elizabeth Alexander

De Nederlandse schrijver Oscar van den Boogaard werd geboren in Harderwijk op 30 mei 1964. Zie ook alle tags voor Oscar van den Boogaard op dit blog.

Uit: Jachthuis

“De zomer van 1979. Voor het eerst sinds mijn kleutertijd ben ik terug in de tropen. Ik sta tussen mijn ouders in Albina onder de palmen op de zandige oever van de rivier die de grens vormt tussen Suriname en Frans-Guyana. In de verte brullen apen vanuit de donkere bosrand. Achter ons is de zon tussen de vrolijke huisjes bijna ondergegaan. Nog een paar tellen en we worden opgeslokt door donkerpaars en zwart. ‘Waar ontspringt de Marowijne?’ vraag ik aan Jim. ‘Ergens in Brazilië,’ antwoordt hij. ‘Dat is toch geen antwoord,’ zegt Elsie met haar zonnebril nog op. Jim zegt niets. ‘En dat voor een militair!’ ‘Ik zal thuis op mijn stafkaarten kijken. ’‘Maxwell heeft een sterke vader nodig,’ zegt ze terwijl ze een sigaret opsteekt. ‘Papa is sterk,’ verdedig ik. ‘Is het sterk om een kind in de steek te laten?’ ‘Hij heeft me niet in de steek gelaten. ’‘Wat deed hij anders toen hij twee jaar geleden de deur van het jachthuis achter zich dichttrok?’ ‘Hij deed wat van hem werd… ’‘Maak jezelf niets wijs,’ snauwt Elsie. ‘Maar nu is het vakantie,’ zegt Jim, de slanke korjaal wenkend. De uitgeholde boom houdt voor ons stil en de zwarte bootsman steekt lijdzaam zijn hand naar Elsie uit om haar als eerste aan boord te laten gaan. Jim en ik volgen. Jim, die vooraan in de boot is gaan zitten, wijst naar de overkant van de brede rivier. ‘Daar in Saint-Laurent fietsen ze op Peugeot-fietsen met alpinopetten op.’ ‘En een stokbrood onder de arm,’ vult Elsie hem aan. ‘En ze dragen Yves Saint Laurent-zonnebrillen,’ voeg ik toe. De bootsman zet zijn motor aan en keert de neus oostwaarts. Hij laat zijn schouders berustend hangen. Hij ruikt naar kokoszeep. De maan schittert door de jagende wolken in het stromende water. De boot gaat wild op en neer en de golfslag is hoog. Af en toe slaat er een guts water binnen. ‘We gaan het dodenrijk binnen,’ zegt Elsie dromerig. Over haar schouder zie ik tussen de plooien van Charons schaamrok zijn opgewonden geslacht. ‘Jullie hebben toch wel honger?’ vraagt Jim, die de kunst verstaat niet te zien wat hij niet wil zien. ‘Ik heb gegeten en gedronken,’ zegt Elsie. Alleen het tweede is waar. Na drie cuba libres in de bar van het hotel zou ze beter iets eten. ‘Ik wel hoor, papa,’ hoor ik mezelf roepen, hoewel ik misselijk ben van al die flesjes Fernandes-limonade die ik sinds mijn aankomst heb gedronken, ik wilde mierzoete herinneringen ophalen: cherry bouquet, golden orange en green punch. We meren aan op de Frans-Guyanese oever voor een laag gebouwtje dat op palen in het water staat. Vanuit de breedkruinige amandelbomen die eromheen staan klinkt het krijsen van ara’s. In de schaars verlichte kantine nemen we plaats aan een tafel bij het raam. In de verte flikkeren onrustig de lichtjes van Albina.  ‘Is het restaurant wel open?’ vraagt Elsie. Vanuit het donker verschijnt een man met borden en glazen. Het lijkt alsof de tafel zichzelf dekt. Zonder op de kaart te kijken, doet Jim de bestelling. ‘Je vader probeert Frans te spreken,’ schertst Elsie. ‘Wees lief,’ draag ik haar op. ‘Ik bén toch lief,’ fluistert ze.”

 

Oscar van den Boogaard (Harderwijk, 30 mei 1964)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Alexander werd geboren op 30 mei 1962 in New York. Zie ook alle tags voor Elizabeth Alexander op dit blog.

 

L.A. BIJ NACHT

We zitten in een ansichtkaart, rijdend
over Hollywood Boulevard:
de auto heeft vinnen, de palmbomen
zijn roze, we dragen cat-eye zonne-
brillen in de L.A-nacht-
gloed, het neongebabbel, wazige
witte lichten van snel rijdende auto’s.
Wij zijn snelheid en licht, vlam
en vingers; de hele nacht
is een handvol minuten,
een snelle auto, sterren.

Later,
zullen we luid de liefde bedrijven
in een kamer die
van geen van ons beiden is, een kamer
bezaaid met onze kleren en onze
bezittingen. We zullen herhalen
waar we het meest van houden, onze tongen
wijs en specifiek. Je zult zeggen
dat ik een glimworm ben, een kobaltster.

In L.A., zijn de palmbomen
ouder dan ze eruit zien
en objecten dichterbij dan ze
lijken, maar geen stadsmythen
kunnen onze twee maangezichten
in het donker verklaren. We zijn zoemende
en luide, snelle handen, een helder
licht, een prachtige
planeet, L.A. bij nacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elizabeth Alexander (New York, 30 mei 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e mei ook mijn blog van 30 mei 2020 en eveneens mijn blog van 30 mei 2019 en ook mijn blog van 30 mei 2017 en ook mijn blog van 30 mei 2015 deel 2.

André Brink, Linda Pastan

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink werd geboren op 29 mei 1935 in Vrede. Zie ook alle tags voor André Brink op dit blog.

Uit: A Fork in the Road

“IF I CLOSE my eyes and silently mouth the word dorp, what I conjure up. even now. sixty or more years later, is an image of wide dusty streets, the pavements overgrown with thorns (which we called, with good reason. duwweltjies, little devils), in a predictable grid around the tall spire of the Dutch Reformed Church, that sat brooding over the surrounding houses like a large and somewhat unwieldy hen with outstretched wings protecting her chickens. Twice on Sundays, and on Wednesday evenings for prayer meetings. the congregation would be summoned by the booming of the church bell, and men. women and children would respond — not so much out of conviction as because an empty place would undoubtedly invite ever-expanding circles of gossip rippling through town and district, possibly for weeks on end. After the Sunday service, having reviewed all the most recent news and scandals and secrets of the town, everybody would hurry back to the gargantuan meals prepared by black women on Aga or Dover stoves in kitchens as hot as the furnace of Nebuchadnezzar: roasted leg of lamb, and frikkadelle or meatballs, a joint of venison in winter, or chicken, perhaps a tomato stew on the side, and potatoes and sweet potatoes. yellow rice with raisins, beans and peas and carrots, stewed prunes and peaches. and quinces, pumpkin with cinnamon and sugar, gem squashes, possibly rhubarb. beetroot with sugar and vinegar, bean salad, followed by blancmange and yellow and green and red jelly, and a banana foam. maybe trifle or a vinegar or brandy pudding or roly-poly, or the custardy dessert our family knew as ‘My mad aunt’s sister’, with or without green fig preserve or quince jelly or the grape syrup called moskop61. all of it washed down with sweet wine. preferably muscadel or jerepigo. Afterwards, as grown-ups snored in a stupor of overindulgence. and giggling. viciously inventive children went about their arcane business while they were supposed to ‘rest’ on their beds or read edifying books, the same women would clear the tables and wash and stack the dishes, before carrying off the scraps to their own kids waiting in the ‘location’ (but only after the most tasty morsels had been scraped off for the chickens. the dogs and cats, and sometimes a pig wallowing in the backyard). Near the church would be two or three streets of shops with wide stoops: a pharmacy, two or three grocers recognisable by large posters advertising Big Ben or C-to-C cigarettes, Lyle’s Golden Syrup. Marmite, Elastoplast. Black Cat peanut butter. shoes, khaki overalls: butcher, baker. a café or two, an undertaker who might also sell books and newspapers and cover his customary suit of solemn black with a soiled white dustcoat to double as hairdresser, a Pegasus garage with handpumps, the bank. and some offices. one or two lawyers. And a hotel — Royal or Masonic or Commercial — with an off-sales where even before the official advent of apartheid separate entrances kept white and black decently segregated.”

 

André Brink (29 mei 1935 – 6 februari 2015)

 

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

Nachtelijk

Als dieren nadenken
over de dood,
zullen de nachtelijke –
de lemuur bijvoorbeeld
of de wasbeer—
hem beschouwen als
een soort licht,
een schittering
in de toekomst,
een plek
waar roofdieren
zich wapenen met Gods
fluorescerend schild?

Zijn ze bang voor
een wildernis van licht
zoals wij bang zijn
voor het donker? ik slaap
met de lampen aan
in de andere kamer,
alsof je voor de gek houdt
wat voor ons ligt, uilvormig
of vooruitziend
als een vleermuis, die wacht
om me te smoren
in zijn nachtelijke vleugels.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e mei ook mijn blog van 29 mei 2020 en eveneens mijn blog van 29 mei 2019 en ook mijn blog van 29 mei 2018 en ook mijn blog van 29 mei 2016 deel 2.

Ad Zuiderent, Linda Pastan

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

 

Elegie

1.
Niet de stilte beschrijven van dodenmuziek
en de voeten in zachte wol – luxe;
er is geen einde aan romantische vioolconcerten
rond de presidentiële baar.

Waarschijnlijk had de componist gelijnd papier en een ganzeveer
er is wel een tekening van te vinden –
liet hij een lied zingen en de piano iets anders
totdat hij gansch verloren in klank zichzelf bewoog:…

‘Ik belijd mijn onmacht om de ganzepen te roeren
mijnheer de president
het vetbultig pathos staat op ons gezicht
en de hand tussen twee lijnen.’

2.
Maar de structuur van 5 tikken geven
bij 16 een tremolo op de trom
de s betekent hier slow (lui van klank)
dat ribbelen weer en zo gaat dat door.

de staafspeelster moet fast/snel
het moet wel sterk worden (doen we straks wel;
dat hokje is een registeromvang
dat boogje betekent: de klank zet zich door)

‘Akwariumvis’
proberen om razendsnel en hard te fluisteren
en nog een keer – zonder mannen.
Willen die zich er niet mee bemoeien!

Wij hebben onze zee, met zon erop.
Wij hebben onze bomen met bladeren.
Dag en nacht gaan wij maar, naar achter en naar voor
tussen onze zee en onze bomen.’

 

Lokaties voor een film

Geïntimideerd door het toevallige:
er lag een bootje in de ringvaart
Verhalen die hoe langer hoe minder verhaal
met storm tegen het haar in

Dus deze mogelijkheden:
een fietser, een bootje (kajuit),
tochtje naar het Nieuwe Meer
waar bv. ontdekt
dat vlakbij Amsterdam je op de fiets
nog een bloedneusgevoel kunt hebben

Drie auto’s onderweg en een stuk afgeschafte
autoweg (Rijkswaterstaats Eigen Weg);
geen tegenliggers, vakantiegangers o.i.d.
maar het eerste herfstweekend, een zaterdag
tegen zessen

Weg wezen

Vanwaar de bloedneus, de auto’s (het detail
van de rotte achterband van de fiets erbij betrekken).
Geheimzinnig doen? Misdaad? Liefde?
En niet te vergeten: hoe schokkend het is
rond die tijd de pasgemaaide gazons te zien
van de ontvolkte volkstuinen,
een lokaas voor
ontroering op zijn minst.

 

Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

 

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

Terugtellen

Hoe ben ik zo oud geworden
vraag ik me af,
met mijn 67ste verjaardag
voor ogen.
Dyslexie lacht:
ik ben eigenlijk 76.

Er zijn plaatsen
waar ze bij 60 beginnen
terug te tellen;
in Japan
beginnen ze opnieuw
vanaf een.

Maar de cijfers
doet er nauwelijks toe.
Het is de fysica
van versnelling die ik erg vind,
de manier waarop de tijd versnelt
alsof die de bestemming

niet heeft doorzien-
maar kijk!
Ik zie mijn moeder
en vader met een cake,
op mij wachten
bij de startlijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e mei ook mijn blog van 28 mei 2019 en ook mijn blog van 28 mei 2017 deel 2 en ook mijn blog van 28 mei 2016.

Linda Pastan

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

ACCIDENTS

There is no infant
this time,
only my own life swaddled
in bandages
and handed back to me
to hold in my two arms
like any new thing,
to hold to my bruised breasts
and promise
to cherish.

The smell of cut
flowers encloses this room,
insistent as anesthetic.
It is spring.
Outside the hospital window
the first leaves have opened
their shiny blades,
and a dozen new accidents
turn over in their sleep.
waiting to happen.

 

ANGELS

Are you tired of angels?
Myra Sklarew

I am tired of angels,
of how their great wings
rustle open the way a curtain opens
on a play I have no wish to see.
I am tired of their milky robes,
their star-infested sashes,
of their perfect fingernails
translucent as shells
from which the souls
of tiny creatures have already fled.

Remember Lucifer, I want to tell them,
his crumpled bat wings
nose-diving from grace.
But they would simply laugh
with the watery sound a harp makes
cascading through bars of music.
Or they would sing to me in
my mother’s lost voice,
extracting all the promises
I made to her but couldn’t keep.

 

THE COMING ON OF NIGHT

When ambition, like a faulty
pilot light, sputters
and goes out and the abstract
spark of hunger with it;

when even those whose fiery
eccentricities seemed
inextinguishable have faded into
darkness or been snuffed out,

we are left with the peace
of evensong, with night
coming on in the midst
of what yesterday

was simply afternoon.
All the clocks are changed now.
It is almost time to feel our way
out of the world.

 

ENGELEN

Ben je engelen beu?
Myra Sklarew

Ik ben engelen beu,
beu hoe hun grote vleugels
openruisen zoals een gordijn opengaat
voor een toneelstuk dat ik niet wil zien.
Ik ben hun melkachtige gewaden beu,
hun met sterren besmeurde gordels,
hun perfecte vingernagels
doorschijnend als schelpen,
van waaruit de zielen
van kleine schepselen al zijn gevlucht.
Denk aan Lucifer, wil ik tegen ze zeggen,
aan zijn verfrommelde vleermuisvleugels
in een duikvlucht uit de genade.
Maar ze zouden gewoon lachen
met het waterige geluid dat een harp maakt,
die neer tuimelt over muzikale ritmes.
Of ze zouden voor me zingen met
de vervlogen stem van mijn moeder,
alle beloften bovenhalen,
die ik haar deed, maar niet kon houden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2020 en eveneens mijn blog van 27 mei 2019 en ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.

Alan Hollinghurst, Maxwell Bodenheim

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: The Stranger’s Child

“She heard a faint familiar sound, the knock of the broken gate against the post at the bottom of the garden; and then an unfamiliar voice, with an edge to it, and then George’s laugh. He must have brought Cecil the other way, through the Priory and the woods. Daphne ran up the narrow half-hidden steps in the rockery and from the top she could just make them out in the spinney below. She couldn’t really hear what they were saying, but she was disconcerted by Cecil’s voice; it seemed so quickly and decisively to take control of their garden and their house and the whole of the coming weekend. It was an excitable voice that seemed to say it didn’t care who heard it, but in its tone there was also something mocking and superior. She looked back at the house, the dark mass of the roof and the chimney-stacks against the sky, the lamp-lit windows under low eaves, and thought about Monday, and the life they would pick up again very readily after Cecil had gone.
Under the trees the dusk was deeper, and their little wood seemed interestingly larger. The boys were dawdling, for all Cecil’s note of impatience. Their pale clothes, the rim of George’s boater, caught the failing light as they moved slowly between the birch-trunks, but their faces were hard to make out. George had stopped and was poking at something with his foot, Cecil, taller, standing close beside him, as if to share his view of it. She went cautiously towards them, and it took her a moment to realize that they were quite unaware of her; she stood still, smiling awkwardly, let out an anxious gasp, and then, mystified and excited, began to explore her position. She knew that Cecil was a guest and too grown-up to play a trick on, though George was surely in her power. But having the power, she couldn’t think what to do with it. Now Cecil had his hand on George’s shoulder, as if consoling him, though he was laughing too, more quietly than before; the curves of their two hats nudged and overlapped. She thought there was something nice in Cecil’s laugh, after all, a little whinny of good fun, even if, as so often, she was not included in the joke. Then Cecil raised his head and saw her and said, ‘Oh, hello!’ as if they’d already met several times and enjoyed it.
George was confused for a second, peered at her as he quickly buttoned his jacket, and said, ‘Cecil missed his train,’ rather sharply.
‘Well, clearly,’ said Daphne, who chose a certain dryness of tone against the constant queasy likelihood of being teased.
‘And then of course I had to see Middlesex,’ said Cecil, coming forward and shaking her hand. ‘We seem to have tramped over much of the county.’
‘He brought you the country way,’ said Daphne. ‘There’s the country way, and the suburban way, which doesn’t create such a fine impression. You just go straight up Stanmore Hill.’

 

Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi. Zie ook alle tags voor Maxwell Bodenheim op dit blog.

 

Oude dag

In mij zit een klein geschilderd pleintje,
Omzoomd door oude winkels, met opzichtige luifels.
En voor de winkels zitten oude mannen met open hemden te roken,
Zonlicht te drinken.
De oude mannen zijn mijn gedachten:
En ik kom elke avond naar ze toe, in een krakende kar,
En laad stilletjes voorraden uit.
We vullen slanke pijpen en praten,
En inhaleren geuren van bleke bloemen in het midden van het pleintje. . . .
Sterke mannen, rinkelende vrouwen en druipende, jengelende kinderen
Kuieren aan ons voorbij, of de winkels in.
Ze groeten de winkeliers en tikken voor mij tegen hun hoed of voorhoofd. . . .
Op een avond zal ik niet terugkeren naar mijn mensen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e mei ook mijn blog van 26 mei 2020 en eveneens mijn blog van 26 mei 2019 en ook  mijn blog van 26 mei 2018.

Egyd Gstättner, Theodore Roethke

De Oostenrijkse schrijver en essayist Egyd Gstättner werd geboren op 25 mei 1962 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Egyd Gstättner op dit blog.

Uit: Mein Leben als Hofnarr

„Auf der Heimfahrt, den Kirchturm von St. Egyd im Blick, habe ich gedacht: Sollte ich entgegen meiner ursprünglichen Absicht, diese geheimen Aufzeichnungen mein Leben, mein Werk, mein Land, meine Stadt betreffend nur für mich zu machen, doch eines fernen Tages eine Veröffentlichung anstreben, dann müsste ich der Publikation folgendes Vorwort voranstellen: Dieser Roman ist ein Roman. Also genau genommen ein Tagebuchroman. Also genau genommen ein Tagebuch. Aber das darf man unter gar keinen Umständen sagen. Schriftwerke über zweihundert Seiten sind Romane, sonst verkaufen sie sich nicht, das ist ein unumstößliches Gesetz. Natürlich sind einige der besten Romane Briefromane oder Tagebuchromane, also Briefsammlungen oder Tagebücher, und ob sie erfunden oder gefunden, das heißt real und echt sind, wenn kümmert das? Wahr müssen sie sein. Ein Beispiel müssen sie geben. Und im Heterogenen spiegelt sich das Authentische. Man darf nicht gleich einen Bauplan erkennen können, wenn es keinen gibt. Jede Ähnlichkeit mit real existierenden Personen ist selbstverständlich! Das genaue Gegenteil von »rein zufällig und unbeabsichtigt«. Niemand schreibt ein Tagebuch, in dem die Ähnlichkeit mit den Menschen seiner Umgebung rein zufällig ist! Von Ähnlichkeit kann gar keine Rede sein: Ich bilde sie genauso ab, wie ich sie sehe, wahrnehme, empfinde! Von Identität kann man nur deswegen nicht sprechen, weil Literatur und Leben zwei verschiedene Medien sind. Natürlich könnte jede einzelne dieser Tagebuchromanfiguren, die ich bei ihrem richtigen Namen nenne, auf ihre Persönlichkeitsrechte pochen und Klage gegen mich einbringen. Sollen sie nur! Alle! Jeder Jurist und jeder Germanist weiß, dass das nur mir nützt! Klagen Sie ohne Weiteres, Betroffene! Die interessantesten Romane spielen im Gericht! Work in Prozess! Zwölf Geschworene? Zwölf Millionen hätte ich gern! Nein, nein, wenn diese Figuren, sofern noch am Leben, halbwegs bei Verstand und bei Trost sind, schweigen sie dieses Buch tot, so wie sie alle meine Bücher tot-geschwiegen haben – in der irrigen Meinung, bloß weil sie es totschweigen, würde es nicht gelesen; in der irrigen Meinung, bloß weil sie es nicht lesen, existiere es nicht. Jedenfalls ist dieser Roman ein Roman. Die Frage ist: Will ich mich auf das Politische konzentrieren oder lieber aufs Private? Als ich das abgelaufene Jahr nachgelesen habe, musste ich zu meiner Verwunderung feststellen, dass ich viel weniger politisch geschrieben habe als selbst vermutet: Die meisten Eckdaten des politischen Lebens habe ich nicht nur nicht kommentiert, sondern nicht einmal erwähnt. Ich kann mich nur an Ekel erinnern. Pornografische Stellen werde ich streichen, umbauen oder abmildern: Erstens sind die privat, zweitens hebe ich mir die für postum auf. Außerdem mache ich mich auf diese Weise gleich interessant. Man sollte schließlich auch noch einen Nachlass hinterlassen, der ein letztes Mal alle schockiert und »ein völlig neues Bild« zeichnet. Mal sehen. So werde ich also starten. So oder so ähnlich.“

 

Egyd Gstättner (Klagenfurt, 25 mei 1962)

 

De Amerikaanse dichter Theodore Huebner Roethke werd geboren in Saginaw, Michigan op 25 mei 1908. Zie ook alle tags voor Theodore Roethke op dit blog.

 

De bezwering

I
De grijze schapen kwamen. Ik vluchtte,
Mijn lichaam half in brand.
(Vader van bloemen, wie durft
Het ding te zien dat hij is?)

Of puur bestaan ontwaakte,
Stoof het stof op en sprak;
Een vorm riep uit een wolk,
Riep krachtig tot mijn bloed.

(En toch was ik niet daar,
Maar ging door lange gangen,
Mijn eigen, mijn geheime lippen
Wauwelend in urinoirs.)

II
In een donker woud zag ik –
Zag ik mijn menige zelven
Aanrennen uit de bladeren,
Platte, achteloze leventjes
Die onder stenen schoten,
Of braken, maar niet wilden gaan.
Ik draaide om mijn as,
En nog en nog een maal,
Een kille Godskwade man
Kronkelend tot de laatste
Vormen van zijn heimelijk leven
Lagen naast de zooi van de dood.

Ik werd mezelf, alleen.

Ik ontkwam die helse plek
Trager mijn adem halend,
Koud, in mijn eigen dode zout.

 

Vertaald door Ria Loohuizen

 

Theodore Roethke (25 mei 1908 – 1 augustus 1963)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e mei ook mijn blog van 25 mei 2020 en eveneens mijn blog van 25 mei 2019 en ook mijn blog van 25 mei 2017 en ook mijn blog van 25 mei 2015 deel 2.