Joël Dicker, Silke Scheuermann, Frans Roumen

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: De zaak Alaska Sanders (Vertaald door Angela Knotter)

“De jaren 2006 tot en met 2010 staan ondanks de successen en de roem in mijn geheugen gegrift als moeilijke jaren. Ze vormden ongetwijfeld de achtbaan van mijn bestaan.
Voordat ik u het verhaal ga vertellen van Alaska Sanders die op 3 april 1999 in Mount Pleasant, in New Hampshire, dood werd aangetroffen, en voordat ik uitleg hoe ik in de zomer van 2010 bij het onderzoek naar dit elf jaar oude misdrijf betrokken raakte, moet ik dan ook kort ingaan op mijn persoonlijke situatie op dat moment en met name op het verloop van mijn prille schrijverscarrière.
Die had in 2006 een bliksemstart gekend met een eerste roman waarvan miljoenen exemplaren waren verkocht. Ik was amper zesentwintig toen ik toetrad tot het selecte clubje van rijke en beroemde schrijvers en naar de top van de Amerikaanse bestsellerlijsten werd gelanceerd.
Maar ik zou al snel tot de ontdekking komen dat de roem zo zijn weerslag had: mensen die me van het begin af aan volgen, weten hoezeer het enorme succes van mijn eerste roman me uit balans zou brengen. Ik was zo verpletterd door de bekendheid dat ik niet meer tot schrijven in staat was. De schrijver was leeg, de inspiratie op, de bladzijden bleven blanco. De teloorgang.
Toen kwam de zaak Harry Quebert, waarvan u ongetwijfeld hebt gehoord. Op 12 juni 2008 werd het lichaam van Nola Kellergan, een meisje dat in 1975 op vijftienjarige leeftijd was verdwenen, opgegraven in de tuin van Harry Quebert, een levende legende uit de Amerikaanse literatuur. Die zaak trok ik me erg aan: Harry Quebert was mijn docent aan de universiteit maar vooral ook mijn beste vriend destijds. Ik kon niet geloven dat hij schuldig was. In een eenzame kruistocht trok ik door New Hampshire om mijn eigen onderzoek te doen. Hoewel het me uiteindelijk lukte zijn onschuld te bewijzen, zou onze vriendschap de geheimen die ik daarbij over hem ontdekte niet overleven.
Het onderzoek leverde me stof voor een boek, De waarheid over de zaak Harry Quebert, dat in het najaar van 2009 verscheen en zoveel succes had dat ik daarmee mijn naam als schrijver van nationaal belang vestigde. Dat boek was het bewijs waarop mijn lezers en de critici sinds mijn eerste roman hadden gewacht om me definitief in de schrijversstand te kunnen verheffen. Ik was niet langer een eendagsvlieg, een vallende ster die door de nacht was opgeslokt, een uitgebrand lopend vuurtje; ik was nu een door het publiek erkende schrijver die alle recht had zich onder zijn gelijken te scharen. Dat voelde als een enorme opluchting. Alsof ik mezelf had teruggevonden na drie jaar ronddolen in de woestijn van het succes.”

 

Joël Dicker (Genève, 16 juni 1985)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

De lamp

Ik doe de deur open op een kier:
nog steeds de gang met de ouderwetse
lamp. Vroeger spookte het hier. Als ik vandaag
de trap op ga, weet ik nooit wat me in de kamer
te wachten staat. Zal de kamer zijn leeggeruimd,
koud en kaal? Is het een berging geworden voor
een verzameling Madonna’s? Hoe oud is hij eigenlijk
ondertussen, de kamer van mijn jeugd? Het is
de kam
er van mijn leven is geworden, is
zo vaak veranderd. Maar elke keer herkennen we elkaar weer.

Fosforescerend stof in het donker. De ruggen van de boeken
verzamelen stof. Woorden nauwelijks leesbaar, de snede verguld, de letters
ook. Dat was lang voordat ik begon te lezen, we lagen
in het water als narcissen. Het meer was van het huis net ver genoeg
weg om elkaar onopgemerkt te omarmen. Daarna
vluchtte ik de kamer in. De deur ging dicht. Ik wilde de ruggen
van de woordenboeken strelen, maar men had ze
haastig weggebracht. Waarheen? Ik stond daar alleen
met de muren. En dacht aan jou, alleen met de stenen.
Sterren tussen ons, zo’n helder licht
als de gang niet eens kan aanduiden. Ik
moest de kamer al weer uit
om jou te zoeken Ik ga. Steeds weer. Hij blijft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

De dood der geliefden (als Baudelaire)

Ons wachten bedden vol van lichte geuren.
Er liggen divans, diep als graven, klaar.
De lucht is mooier boven hoven, waar
zich vreemde bloemen in ontluiken kleuren.

We zullen lang ons laatste uur betreuren.
Als fakkels branden onze harten zwaar.
Ze schijnen, dubbel in het spiegelpaar
van onze geest, naar eigen vlam te speuren.

Een avond valt tot rose-blauwe mystiek.
We vloeien samen in een licht, uniek
als grote tranen die van afscheid beven.

En later zal men ons een engel sturen
die, trouw en vrolijk, voor ons nieuw laat leven,
beroete spiegels en gedoofde vuren.

 

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
Tristan en Isolde (De Dood) door Rogelio de Egusquiza, 1910  

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2019 en ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Silke Scheuermann, Olivier Guez

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Lepra

een sprookjesachtige schok was in het begin
de simpele injectie van een landschap
in een lichaam, zodat het voller lijkt, tegelijkertijd levenlozer,
het botox-effect, de verspreiding ervan: overal dode feeëngezichten
goed en slecht zijn niet langer gelijk verdeeld,
omdat de kunstmatige spieren van de
taal zijn weggekwijnd
goedkoop spul dat het gezicht van een vrouw modelleert
en haar lichaam dat we ooit in
stormogen, rotsmond, riviertranen opsplitsten
in sneeuwgeslachten, zoute lippen.
kerkerbrein, vingers van ijs
konden opdelen in zijn
bliksemzenuwen, aardtongen,
wolkenborsten en elk orgaan
had zijn vaste plaats, precies zoals hartzeer
er geen heeft gehad

stel dat ons drie wensen waren vergund om binnen te dringen
in de fictieve structuur van schoonheid, wat als we
de rotsmond gesloten wensten, dat
de mond waarover
men graag zegt dat hij eruitziet als een snee
er niet meer was, slechts een glad stukje huid, dat
naar het mes zoekt, een relatief
kleine setting,
die de wind laat verstommen, die de ellende kan absorberen, en
deze doelgerichte wens zou ons dan kunnen laten
opwegen tegen het gewicht van alle gemeenplaatsen van gisteren, wij
zouden meer dan vederlicht zijn, weet je

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

De Franse schrijver,  essayist en journalist Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: De verdwijning van Josef Mengele (Vertaald door Geertrui Marks, Saskia Taggenbrock en Martine Woudt)

“De North King doorklieft het modderige water van de rivier. De passagiers zijn aan dek gekomen, ze turen al sinds het ochtendgloren naar de horizon, en nu de hijskranen van de scheepswerven en de rode lijn van de havenpakhuizen door de mist breken, heffen Duitsers een strijdlied aan, Italianen slaan een kruis, Joden bidden en ondanks de motregen omhelzen echtparen elkaar: na een overtocht van drie weken arriveert het passagiersschip in Buenos Aires. Helmut Gregor staat in zijn eentje aan de reling te piekeren. Hij hoopte dat een hoge ome van de geheime politie hem zou komen afhalen en hem de pesterijen van de douane zou besparen. In Genua, waar hij aan boord is gegaan, heeft Gregor Kurt dringend verzocht hem die gunst te bewijzen, hij deed zich voor als wetenschapper, een uitmuntend geneticus, en bood hem geld aan (Gregor heeft veel geld), maar de mensensmokkelaar glimlachte en deed ontwijkend: dat soort voorrechten is voorbehouden aan de echte kopstukken, aan de hoogwaardigheidsbekleders van het oude bewind, zelden aan een SS-kapitein. Maar hij zal evengoed een kabeltelegram naar Buenos Aires sturen, Gregor kan op hem rekenen. Kurt heeft de marken aangenomen, maar de hooggeplaatste is niet gekomen. Dus staat Gregor met de andere emigranten te wachten in de gigantische hal van de Argentijnse douane. Hij houdt zijn twee koffers stevig vast, een kleine en een grote, en kijkt minachtend naar het verbannen Europa om hem heen, naar de lange rijen anonieme reizigers, goed of slordig gekleed, die hij tijdens de overtocht heeft gemeden. Gregor keek liever naar de oceaan en de sterren, of las Duitse poëzie in zijn hut; hij heeft de afgelopen vier jaar van zijn leven de revue laten passeren, vanaf het moment dat hij Polen in januari 1945 overhaast verliet en in de Wehrmacht opging om aan de klauwen van het Rode Leger te ontkomen: de paar weken internering in een Amerikaans gevangenkamp, zijn vrijlating omdat hij valse papieren heeft op naam van Fritz Ullmann, zijn onderduikperiode op een boerenbedrijf in Beieren, niet ver van Günzburg, zijn geboortestad, waar hij drie jaar lang onder de naam Fritz Hollmann hooigras heeft gemaaid en aardappels heeft gesorteerd, vervolgens zijn vlucht met Pasen, twee maanden geleden, de tocht door de Dolomieten over dichtbegroeide smokkelpaden, de aankomst in Italië, in Zuid-Tirol, waar hij Helmut Gregor is geworden, en toen eindelijk in Genua, waar die oplichter Kurt hem heeft geholpen met zijn aanvragen bij de Italiaanse autoriteiten en de Argentijnse immigratiedienst.”

 

Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni  1974

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2021 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

In Memoriam Cormac McCarthy

In Memoriam Cormac McCarthy

De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy is afgelopen dinsdag, 13 juni, op 89-jarige leeftijd overleden. Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Zie ook alle tags voor Cormac McCarthy op dit blog.

Uit: No Country for Old Men

“The deputy’s right carotid artery burst and a jet of blood shot across the room and hit the wall and ran down it. The deputy’s legs slowed and then stopped. He lay jerking. Then he stopped moving altogether. Chigurh lay breathing quietly, holding him. When he got up he took the keys from the deputy’s belt and released himself and put the deputy’s revolver in the waistband of his trousers and went into the bathroom.
He ran cold water over his wrists until they stopped bleeding and he tore strips from a hand towel with his teeth and wrapped his wrists and went back into the office. He sat on the desk and fastened the toweling with tape from a dispenser, studying the dead man gaping up from the floor. When he was done he got the deputy’s wallet out of his pocket and took the money and put it in the pocket of his shirt and dropped the wallet to the floor. Then he picked up his air tank and the stun gun and walked out the door and got into the deputy’s car and started the engine and backed around and pulled out and headed up the road.
On the interstate he picked out a late model Ford sedan with a single driver and turned on the lights and hit the siren briefly. The car pulled onto the shoulder. Chigurh pulled in behind him and shut off the engine and slung the tank across his shoulder and stepped out. The man was watching him in the rearview mirror as he walked up.
What’s the problem, officer? he said.
Sir would you mind stepping out of the vehicle?
The man opened the door and stepped out. What’s this about? he said.
Would you step away from the vehicle please.
The man stepped away from the vehicle. Chigurh could see the doubt come into his eyes at this bloodstained figure before him but it came too late. He placed his hand on the man’s head like a faith healer. The pneumatic hiss and click of the plunger sounded like a door closing. The man slid soundlessly to the ground, a round hole in his forehead from which the blood bubbled and ran down into his eyes carrying with it his slowly uncoupling world visible to see. Chigurh wiped his hand with his handkerchief. I just didn’t want you to get blood on the car, he said.”

 

Cormac McCarthy (20 juli 1933 – 13 juni 2023)

Vivian Gornick

De radicaal feministische Amerikaanse schrijfster en journaliste Vivian Gornick werd geboren op 14 juni 1935 in New York.  Gornick groeide op in The Bronx, als dochter van Oekraïense immigranten. Haar jeugd speelde zich af in een flatgebouw met uitsluitend andere Joodse Amerikaanse gezinnen. Vivians vader werkte in een textielfabriek, die eigendom was van haar ooms. Haar moeder bestierde het huishouden. Beiden waren sympathisanten van de Communistische Partij van de Verenigde Staten. In haar boek “The Romance of American Communism” (1977) beschreef zij, hoe de atmosfeer thuis was: Toen ze 13 jaar oud was overleed haar vader. Haar moeder stortte in, bracht dagen door op de sofa in de woonkamer en weigerde, jarenlang, om op te staan. Gornick behaalde in 1957 haar Bachelor of Arts in Engelse literatuur aan het City College of New York en drie jaar later een Master of arts aan de New York-universiteit. Na haar universitaire studie werkte ze van 1969 tot 1977 als verslaggever bij The Village Voice en publiceerde over de strijd aan het feministisch front. In 1969 schreef Gornick een essay in dit weekblad getiteld The Next Great Moment in History is Theirs, over de Tweede feministische golf. Op haar vijfendertigste keek ze terug op twee huwelijken, die allebei eindigden in een echtscheiding. Haar conclusie was dat ze alle ruimte nodig had om te kunnen schrijven. De liefde stond op het tweede plan.  Haar boek “Approaching Eye Level” (1969) gaat over haar eerste kennismaking met het feminisme in de jaren zeventig en hoe zij door ontmoetingen met voorvechtsters als Kate Millett en Shulamith Firestone leerde om zichzelf als vrouw te waarderen. In 1971 reisde Gornick naar Egypte, waar Anwar Sadat de macht had overgenomen. Zij bracht zes maanden door in Caïro. Ze praat weinig, maar houdt haar oren en ogen gespitst op deze vreemde cultuur. Haar indrukken legde ze vast in haar boek “In Search of Ali Mahmoud”, dat in 1974 op de longlist voor de National Book Award terecht kwam. In 1976 publiceerde Gornick een essay, “The Price of Paying Your Own Way” (De prijs die je betaalt voor je onafhankelijkheid) over vrouwen en geld. In de jaren tachtig heeft Gornick zes boeken uitgebracht, maar haar voornaamste bronnen van inspiratie raken opgedroogd. De tweede feministische golf is tot stilstand gekomen. Haar sympathie voor het communisme raakt bij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie bekoeld. In 1987 verscheen “Fierce Attachments”, in het Nederlands vertaald als “Verstrengeld”. Gornick maakte er echt naam mee en voor de eerste keer had zij geen financiële zorgen meer.  In 2001 schreef Gornick “The Situation and the Story”, over de kunst van het schrijven van non-fictie verhalen. Tot op heden is het een standaardwerk dat gebruikt wordt in cursussen Creatief Schrijven. “The Odd Woman and the City” (2015) gaat zowel over haar solitaire bestaan als de onverwachte hartelijkheid die ze tijdens haar wandelingen door de straten van New York tegenkomt. “Unfinished Business: Notes of a Chronic Re-Reader” dateert uit 2020. Gornick verdiept zich opnieuw in het werk van schrijvers, die ze in haar jonge jaren graag las, zoals D.H. Lawrence , Colette en Saul Bellow.

Uit: Verstrengeld (Vertaald door Caroline Meijer)

“Ik ben acht. Mijn moeder en ik verlaten onze woning op de eerste verdieping. Onze buurvrouw, mevrouw Drucker, staat in haar deuropening te roken. Mijn moeder draait onze voordeur op slot en vraagt: ‘Wat sta jij hier te staan?’ Mevrouw Drucker wenkt met haar hoofd naar achteren. ‘Hij wil met me naar bed. Ik heb gezegd dat-ie moet douchen voor-ie me mag aanraken.’ Ik weet dat ze met ‘hij’ haar man bedoelt. Met “hij”wordt altijd de man bedoeld. ‘Hoezo? Is-ie vies?’ vraagt mijn moeder. ‘1k vind hem vies,’ antwoordt ze. ‘Drucker, je bent een hoer,’ zegt mijn moeder. Mevrouw Drucker haalt haar schouders op. ‘Ik ga niet met de metro,’ zegt ze. In de Bronx zei je dat je ‘met de metro ging’ als je werk had.
Tussen mijn zesde en eenentwintigste woonde ik in die huurkazerne. Er waren twintig woningen, vier op elke etage, en als ik eraan terugdenk zie ik een gebouw vol vrouwen voor me. Ik herinner me bijna geen mannen. Het stikte ervan natuurlijk — mannen, vaders, broers — man ik herinner me alleen de vrouwen. En in mijn herinnering zijn ze allemaal al even ongelikt als mevrouw Drucker, of fel als mijn moeder. Ze praatten nooit alsof ze beseften wie ze waren of op wat voor akkoordje ze het met het leven hadden gegooid, man handelden vaak wel zo. Slim, wispelturig, ongeletterd waren ze en ze gedroegen zich als de hoofdrolspeelsters in een melodrama. Er gingen jaren voorbij in ogenschijnlijke rust en dan ineens had je de poppen aan het dansen: twee of drie levens werden beschadigd (misschien zelfs kapotgemaakt) en vervolgens kwam het tumult weer tot bedaren. En dan begon Ales van voren of aan: stuurs zwijgen, erotische apathie, de gebruikelijke dagelijkse ontkenning. En ik — het meisje dat in hun midden opgroeide, naar hun evenbeeld werd gevormd — ik nam de vrouwen in me op zoals je chloroform inademt op zoals je chloroform inademt op een doek tegen je neus. Het heeft me dertig jaar gekost om in te zien hoeveel ik van ze begreep.

*****
Mijn moeder en ik wandelen over straat. Ik vraag haar of ze zich de vrouwen uit ons gebouw in de Bronx nog herinnert. ‘Natuurlijk,’ antwoordt ze. Dan suggereer ik dat het de seksuele driften waren die hen zo gek maakten. ‘Absoluut,’ zegt ze zonder haar pas te vertragen. ‘Herinner je je Drucker nog? Die beweerde altijd dat ze zich het raam uit zou gooien als ze niet kon roken wanneer ze gemeenschap had met haar man.”

 

Vivian Gornick (New York,  14 juni 1935)

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: Wij zijn van diamant

“Het had al twee weken niet geregend toen ze zijn lichaam vonden. Het laatste wat William zich herinnerde was hoe hij hem had vastgehouden, intensief en beknellend, zoals ze zo vaak hadden gevochten. Aan de meeste gevechten had hij geen littekens overgehouden, ondanks het feit dat zijn broer zich in elk gevecht stortte als een doodsverachting. Zo kon hij hem nog omschrijven: als een vechter. Maar hij zei: liefdevolle broer.’
Ach, lieverd, meen je dat?’ vroeg Rena. Een Mexicaanse of Puerto Ricaanse, gokte William. Ze liet een prachtige glimlach zien en deed haar rieten hoed, die bij haar uniform als park ranger hoorde, af. Zweetdruppeltjes parelden op haar gezicht. Ze depte haar voorhoofd met de rug van haar hand, en zette haar hoed weer op.
‘Pas je op, baby! It’s still slippery!’
William zag dat haar robuuste wandelschoenen onder de modder zaten. Ze had een hoge stem, en vertelde dat ze eraan gewend was om met kinderen en jonge mensen om te gaan. Rena was ongetwijfeld een van de vele werkende moeders in de stad en had thuis een paar kinderen die ze ook ‘baby’ noemde. Kinderen die Rosita en Juan heetten, fantaseerde William.
‘Was hij je oudere broer?’ vroeg Rena, die behoedzaam afdaalde tussen de keien.
‘Twee jaar ouder,’ zei William. ‘Drieëntwintig.’
‘Watch out, honey!’
William greep zich vast aan de dunne stam van een conifeer langs het glibberige pad. Het was tropisch warm geworden, maar daarvoor had het weken onafgebroken geregend, het onverharde pad was een glijbaan geworden. Rena trok achteloos een dennennaald uit haar hand, glimlachte en liep verder.
‘En je had nog nooit van Snoqualmie Falls gehoord?’ vroeg ze hijgend en met een licht cynische ondertoon, die niet aan hem voorbijging. William schudde zijn hoofd en dacht terug aan de ontmoeting met de agent en de park ranger in de slecht verlichte lobby van zijn hotel. Door de diepe rimpels in hun gezichten en de groene uniformen leken ze op acteurs uit een film uit de jaren negentig.
‘Snokalmie?’ had William gevraagd toen ze hem uitlegden dat zijn broer was gevonden in het park. Het woord klonk indiaans. Was het indiaans? Het indiaanse bloed zat hier in de grond, had hij in het vliegtuig gelezen. De geesten waarden hier al zo’n vierduizend jaar lang rond, lang voordat de westerse pioniers verschenen. Zijn broer had er ook al over gesproken en had net zo verbaasd opgekeken toen William had gezegd dat hij nog niet naar het park was geweest.
Hij had zijn haar achter zijn oren gestreken en beet op zijn onderlip.
‘Je komt als een toerist naar Seattle, maar je weet niet wat Snoqualmie Falls is?’ had de park ranger gevraagd, die zich had voorgesteld als ‘gewoon Ray’.
‘Ik weet wie Bill Gates is, die komt hier toch vandaan?’

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Medusa’s kapper

Spraakzaam als een faun valt hij pas
stil in het bijzijn van zijn liefste klant

krabt zuchtend op haar achterhoofd
bedreigt teder met de schaar alle

zwarte slangen en zachtjes sprekend
steekt hij woesch

zijn vingers in de koude schubben
snijdt de uiteinden af haalt ringdikke

plakjes vlees weg Soms legt hij
de schaar weg modelleert en zit vast
Er wordt gezegd zo bedrijft hij ook de liefde: met zijn handen vrij

Hij is nieuw en briljant een kapper voor de vervloekten
Boeddha van de Kammen Held van de Shampoos

Maar als de klant verdwijnt, verandert hij zichzelf
terug in de kromme knipper
eindstation van alle legendes

Dan gooit hij roddels naar het haar
en de grond wemelt
Medusa die is
vroeger een betoverende vrouw geweest

lang voor haar metamorfose
de val uit het laatste hoofdstuk

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juni ook mijn blog van 14 juni 2020 en eveneens mijn blog van 14 juni 2019 en ookmijn blog van 14 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Thomas Heerma van Voss, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: Passagiers / achterblijvers

“Het boek is roze en heeft zesenveertig bladzijdes. Dat zijn zesenveertig kinderen. Ik ken ze geen van allen. Of eigenlijk ken ik ze wel. Ik weet wat hun favoriete bezigheden zijn, hun lievelingsgerechten, hun grootste dromen. Ik weet hoe ze eruitzien – ze hebben zelf een pasfoto opgeplakt, boven aan hun eigen pagina. En hun adressen hebben ze ook opgeschreven. Ze wonen allemaal hier in de buurt.
Het boek is van een meisje dat ik nooit meer zal zien. Ze is twee maanden geleden vertrokken. Behalve het boek liet ze niets achter.
Je zou kunnen zeggen dat een verhaal, nee, dit verhaal zo begint: een meisje gaat met haar moeder terug naar haar geboorteland en vergeet haar vriendenboek. Je zou ook kunnen zeggen dat een begin zelden eenduidig te achterhalen valt. Dat verhalen al weken, maanden voor aanvang vorm krijgen, zonder dat iemand het doorheeft. En dat dit verhaal niet begon met het vriendenboek, maar met geschreeuw.
Ik was net verhuisd naar een kamer aan de rand van de stad. De eerste weken daar waren aangenaam. Overzichtelijk. Ik vermaakte me met een paar toegankelijke televisieseries en de verhalen waaraan ik werkte vorderden goed. Er werd niets van me verwacht. De huur was laag, ik had een beetje spaargeld, de studie zou ik niet meer oppakken, en behalve mijn ouders wist niemand waar ik uithing.
Maar toen begon het geluid op de etage boven me. Nieuwe bewoners. Allebei Aziatisch, zag ik toen ze de binnenplaats overstaken, ik stond half verdekt achter mijn raam. Een kleine vrouw van in de dertig, een meisje van hooguit acht. Moeder en dochter? Het was onduidelijk waarom ze hier waren beland, waar ze vandaan kwamen, wat ze zochten. Wellicht vroeg de dochter het zich ook af en schreeuwde ze daarom zo.
De eerste paar dagen zei ik nog tegen mezelf: tja, ze is hier net, ze moet wennen, ze mag een beetje lawaai maken. Maar gaandeweg werd ze alleen maar luidruchtiger. En steeds vaker hoorde ik haar. Ze roffelde de trap af, stampte op de vloer, en haar piepstemmetje kwam meer en meer door de muren heen, zo hoog dat ik me nauwelijks kon concentreren.
‘Ik heb er eerlijk gezegd geen last van,’ zei mijn buurman toen ik hem ernaar vroeg, in mijn zoektocht naar een bondgenoot.
Wij tweeën leefden aan weerszijden van het centrale trappenhuis, boven ons lag een woonruimte die zich over onze beide kamers uitstrekte, dat had de huisbaas me althans verteld – ik heb die verdieping nooit te zien gekregen.”

 

Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

De voorheen meest voorkomende vogel ter wereld

Laatste van een soort te zijn
wat een vreemde opdracht
Waar je toch ooit andere voorstellingen van
engte en wijdte had Heel verschillend
van de Senior Suite in de dierentuin van Cincinnati
Martha laatste trekduif ter wereld
wat een dilemma dat jullie zo goed smaakten
Een enkele delicatessengroothandel
verkocht in 1855 achttienduizend
van jullie aan hongerige New Yorkers
Als jullie in jullie volière
het echte vliegen missen
denk aan jullie zwermen
duizenden meters breed
of aan de broedkolonies
vijftig bij zes kilometer Hoe jullie
als de eerste Europese
emigranten naar Amerika kwamen
de lucht verduisterden Hoe jullie ze uren
in het duister lieten staan met hun verbluffende berekeningen
Denk aan de tijd voor
de moordmethoden en het spoorwegnet
Een paar wilde dieren
hebben jullie bedreigd

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Christoph Meckel

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

Uit: Licht

„… und wäre jetzt gern bei Dir. Sehr gern würde ich etwas Rk Dich tun, Dir eine Zeitung mit guten Nachrichten kaufen, Frühstücksbutter aus Deinem Mundwinkel küssen, vielleicht Deine Kniekehlen streicheln, irgendwas. Ich bin fast umgefallen, als Du mich angerufen hast, Deine Stimme so nah und so schrecklich weit weg. Dir zuliebe kann ich alles tun, arbeiten, früh aufstehn, vernünftig sein. Ich bin ganz benommen, wenn Du mich anrufst. Alles ist gut, solange es mit uns stimmt, gleichgültig ob ein Glück dabei herauskommt. Ich brauche kein Glück, ich kann auch ohne Illusion mit Dir lachen. Hast Du mein blaues Feuerzeug bei Dir? Vermißt Du mich? Bist Du wieder in Deiner Wohnung gewesen? Und ob wir zusammen nach San Francisco fahren (gibt es dort Straßencares wie in Paris)? Ich möchte so gern mit Dir nach San Francisco fahren, chinesische Zeitungen lesen, die Seehunde bellen hören und mich mit Dir auf der Himmelfahrtsbahn fotografieren lassen. Denkst Du noch an das Haus in Bercy-les-Landes und an die vielen Schuhe im Flur? Die Fahrräder im Anbau, der Autofriedhof neben dem Schloß, die Sommernachtsfrösche im Wasserbassin und die vielen, nach Staub und Jod riechenden Brennesseln dort? Und die Nacht, als wir aufwachten, weil es zu regnen anfing, und Du ranntest barfuß die dunkle Treppe hinunter und hinaus in den Regen, weil wir vergessen hatten, das Autodach zuzumachen. Aber es war schon zu spät, der Vordersitz triefnaß, die Zeitungen und Landkarten aufgeweicht. Und wie Du naß zu mir in das Bett zurückgekommen bist! Und als wir zum erstenmal nach Tagen wieder Zeitung lasen im Caf6 an der Küstenstraße, im heißen hitzigen Wind mit dem vielen Staub, aber wir blieben vorm Caf6 sitzen und lasen Zeitung, jeder die Hälfte, und die Seiten flatterten über die Hände und ließen sich nicht mehr richtig zusammenlegen. Dann flog die halbe Zeitung weg und Du ranntest hinter den Seiten her über die Straße, ein Lieferwagen stoppte im letzten Moment, und Du ranntest ziemlich weit auf den Strand hinaus und kamst mit zerknüllter Zeitung ins Caf6 zurück und warst fast beleidigt, weil ich lachte. Ich denke daran und nichts fehlt mir. Ich möchte immer an solche Sachen denken, und ich möchte mich immer auf etwas freuen. Ich muß diese Freude empfinden können, wenn ich nicht nur ein Mensch sein soll, der mehr oder weniger einseitig funktioniert. Funktionieren, schon das Wort ist schrecklich. Ich funktioniere nicht. Ich will nichts geschenkt bekommen und ich will nichts auslassen, aber ich will, daß es das jederzeit für mich gibt: Freude, mit oder ohne Grund, mit Dir und allein — vielleicht nur einen Moment lang wie im Februar, als wir von der Party bei Mona nach Hause kamen und Hunger hatten die ich für die Amseln in Deiner Straße gekauft hatte — erinnerst Du Dich?“

 

Stationstrap

Wie keer op keer sterrenbeelden wil rangschikken
en uit elkaar trekken. Ik verwacht
een snuit met hoektand, een betaalde kus
een vuist op de keel,
mijn vuist op de keel van de ander
vies van het leven, niet langer onschuldig
oog in oog, hij, ik of allebei.

Toen wij achter elkaar aan naar beneden
naar de biertafels liepen, in schamel licht –
mijn sigarettenpeuk op de trap
hij raapte hem op en stak hem tussen zijn tanden
spottend, nonchalant, de ander, rotzak, engel
moordenaar mens, mijn verschrikkelijke kans –

Leven, leven, uit elkaar getrokken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juni ook mijn blog van 12 juni 2020 en eveneens mijn blog van 12 juni 2019 en ook mijn blog van 12 juni 2016 deel 2.

Corpus Christi (Liam Ó Muirthile), Sophie van der Stap, Christoph Meckel

 

Bij Sacramentsdag

 

La Procession de la Fête-Dieu door Auguste-Xavier Leprince, 1820

 

Corpus Christi

Surely this procession
filed out of another zone,
Crist’s body borne aloft.

I imagine the parade at home
ascending a narrow Mediterranean street,
the sun massaging it at piazza corners.

Christ, an anonymous tourist,
had his passport stamped indifferently
by custom’s men dressed for the job.

But this sorry cortege, staggering
out of kilter, threatened by rain,
makes an altar of every house.

Were they all in vain: those sweltering days,
melting on sticky car seats,
the priest droning from a tannoy gob?

Is this all we’re left: a welter
of simmering emotion stirred up
with a pinch of belief.

We woke to our bodies long ago,
shut the door
on that stale, gutted spirituality.

But behold the bared body
of Christ, awkwardly borne,
unsettling us once more.

 

Liam Ó Muirthile (15 november 1950 – 18 mei 2018)
Cork, de geboorteplaats van Liam Ó Muirthile, met de Holy Trinity Church

 

De Nederlandse schrijfster Sophie van der Stap werd geboren in Amsterdam op 11 juni 1983. Zie ook alle tags voor Sophie van der Stap op dit blog.

Uit: En wat als dit liefde is

“Ik ben 63, afhankelijk en ik houd niet van mensen. Een ongelukkige uitkomst van omstandigheden, maar ik probeer het als een onoverkomelijkheid te beschouwen, en niet als een gevolg van de dingen die ik, als ik erover zou mijmeren achteraf anders had kunnen doen. Dat geldt trouwens voor alle dingen die me ontstemmen; het enige wat graven in mijn verleden me oplevert is pijn in m’n hart, hoofd en nek (van al dat omkijken). Niets wat de strijd van het gevecht waard is. Omdat ik mijn tijd niet hoef te besteden aan het zien groeien van mijn kapitaal (Monsieur), het achternarennen van vintage mantel. pakjes (mevrouw De Bourbon), het wachten op een ander leven (Sé-verine) of het verschijnen in televisieprogramma’s (Tara) — ziezo, nu weet je een beetje in wat voor buurt ik woon — heb ik mij toegelegd op een studie naar de Waarheid achter de dingen terwijl ik deze bijzondere banaliteiten observeer. En dat is wat ik doe: observeren, registreren, analyseren. Met dezelfde behendigheid waarmee mevrouw De Bourbon zondags op de markt nietsvermoedende echtgenoten wegrooft, vergaar ik de missende stukjes uit de meest mysterieuze puzzel waar de mens zich over kan buigen: de mens zelf. Iedere ochtend steek ik mijn voeten in Tod’s-achtig schoeisel. Mijn paar is van suède en donkerblauw van kleur, met een neus die niet rond maar ook niet puntig is. Zo zou ik mezelf ook prima kunnen beschrijven. Mijn lijf heeft ronde vormen, maar mijn karakter is scherp, puntig. lk heb dezelfde schoenen in ecru, voor de zomerdagen. Daar is niks toevalligs aan; mijn uiterlijk is volledig uitgebalanceerd met het doel mezelf zo goed mogelijk aan het zicht van de medebewoners te onttrekken. Een onopvallend uiterlijk is onmisbaar in mijn bezigheid de Waarheid te bemachtigen. Zo heb ik mezelf aangeleerd geruisloos door de straat te bewegen; ik stap niet, ik glijd. Verder wijk ik niet af van mijn vaste route. Variatie of een misstap is catastrofaal. Te allen tijde vermijd ik de verrassing. En dat werkt. De mensen zien me niet.”

 

Sophie van der Stap (Amsterdam, 11 juni 1983)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Ontwerp van een mens van de toekomst

Iemand loopt met de mobiele telefoon
rond in Monza,
praat met zijn monsters,
bendes van de IJzeren Gordels, aan toekomstige moordenaars
onbekend, lege smoel –
how are you. I’m fine.
Wie hem zoekt
lokaliseert bloedbeeld, frequentie, functie
van zenuw en bot.
Niemand weet iets over hem. Onvindbaar
waar leegte de ruimte overnam
en zich voortzet in voortijd, eindtijd, natijd.
Hij loopt door de dag, de nacht
zonder gemist te worden, gewenst te zijn,
business and more.
Zonder gevoelens de vrije loop te laten
en binnen te laten. Zonder. Zonder.
En is geen stof voor zichzelf
en zijn soort.
Geen geheim nummer, geen code.
Volgt geen spoor, laat niets achter
human society, niet zijn huis.
Komt terug in niemands plaats.
Geen reden voor doodslag, gelach, genade.
Niet terug te vinden in chronologie
en verschijningen van anderen.
Hem eigent geen God en geen hel zich toe.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juni ook mijn blog van 11 juni 2021 en ook mijn blog van 11 juni 2020 en eveneens mijn blog van 11 juni 2019 en ook mijn blog van 11 juni 2017 deel 2.

Jan Brokken, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook alle tags voor Jan Brokken op dit blog.

Uit: Schrijven (De dingen die je beschrijft moet je wel ervaren hebben, maar je moet ze opnieuw liegen. Over Simon Carmiggelt)

“Simon Carmiggelt (65) loopt ’s morgens door de stad, drinkt koffie in een café, kijkt, luistert, en maakt aantekeningen, ’s Middags, van half één tot kwart voor vier, schrijft hij. In negen van de tien gevallen lukt het hem binnen die drie uur een verhaal te maken. Gaat het een keer niet, dan spreekt hij zijn voorraad aan, die uit zes verhalen bestaat.
De eerste versie schrijft hij met de balpen, de tweede versie typt hij. Soms maakt hij nog een derde versie. Hij laat me zijn schrift zien. Het aantal doorhalingen is soms gering, soms bijna chaotisch. ‘Dat ligt aan het soort verhaal. Het ene is razend moeilijk; het andere schrijf je zó, achter elkaar op.’
Zijn bureau staat voor het raam van de slaapkamer, op de tweede etage van zijn flat aan het Weteringplantsoen in Amsterdam. Naast de schrijftafel ligt de laatste loodpagina die op de zetterij van Het Parool gemaakt is. Het is nu het blad van z’n schrijfmachinetafel. Van achter zijn bureau heeft hij een panoramisch zicht op het Rijksmuseum, de Stadhouderskade, het Eerste Weteringplantsoen en de Weteringschans. Het is een druk punt, maar het geluid van auto’s en trams stoort hem niet.
Hij maakt geen getergde indruk, schrijven vindt hij een prettig beroep. ‘Ik heb me in dit vak nog nooit een dag verveeld.’
Vroeger werkte hij ’s nachts. Zijn schrijfsysteem verandert om de zoveel jaar. Toen de kinderen nog thuis waren, werd het pas om negen uur rustig in zijn toenmalige, kleine flat. Hij sliep een uur en zette zich om een uur of tien aan het werk. ’s Nachts schreef hij anders, hij was meer in voor pathetische dingen. Hij wijdt dat aan de invloed van de maan. De volgende dag las hij zijn verhaal met een nuchter oog over. Vaak moest hij zinnen schrappen, ‘omdat ze vals, of te zwaar waren’.
Hij schreef vroeger ook vaak in cafés, in grote, rommelige cafés. Of in de trein, als hij terugkwam van een lezing. Hij kon overal schrijven, hoewel de kwaliteit er wel eens onder leed. Tegenwoordig schrijft hij meestal thuis, daar kan hij meer aandacht aan zijn werk geven.
‘Met het schrijven ben ik continu bezig. Regelmatig zoek ik in boek-antiquariaten naar oude biografieën en memoires, want daar kan ik vaak een paar regels voor een verhaal uit putten. Ik lees selectief, boeken over Hollywood, over acteurs, regisseurs, schrijvers. De dagboeken van de man die spraaklessen aan Hitler gaf, dat vond ik fascinerende lectuur, daar kan ik over schrijven.
Als ik met mensen praat of als ik naar de televisie kijk, ontstaan veel ideeën. Mijn kleinkinderen zijn dol op quiz-programma’s, en daar kijk ik dan ook naar. Al snel valt mijn oog op een kandidaat met een intrigerend gezicht, en in gedachten probeer ik die man te beschrijven. Na een tijdje weet ik een volzin, en die noteer ik.”

 

Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

De sprookjes, de wonderen zijn oud…

-God heeft waarlijk de mens
heel weinig sprookjes gegeven –
……………………………………..( (Mihaly Babits)

De sprookjes, de wonderen zijn oud
En ontdaan van ingewanden als slachtvee.
Nieuwe zijn niet verschenen. De god is weg,
aan hem behoort het wonder, niets te zijn
in de ruimtes buiten.
De klok is een vat voor geluid en toon
En komt het dichtst bij een wonder, en is geen wonder.
De kaars houdt licht en vuur vast,
komt het dichtst bij het wonder, en is geen wonder.
De vogel is van alles het tegenovergestelde
en komt het dichtst bij het sprookje, en is geen sprookje.

’s Ochtends schreeuwde de sperwer in de sproeinevel buiten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn blog van 10 juni 2021 en ook mijn blog van 10 juni 2020 en eveneens blog van 10 juni 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten Doorman, Marie Howe

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

Daarom langzaam en met bijna droge lippen

Vanwaar dat remmen steeds in deze regels,
die gespannen hang naar vertraging? Waarom
zo’n langzaam openklappende paraplu
van woorden vol nu, balein
voor balein behoedzaam opschuivend,
plassen ontwijkend met dit bolwerk omhoog?

Omdat de tijd stroomt en verdampt,
om dat er even buiten te houden, omdat
dichten alleen
het beginnen
van kussen is, daarom langzaam en
met bijna droge lippen.

Nog is er het gelag
van de voorbije avond,
woorden als houden van
liggen opengebarsten: de ochtend
strooit zijn zout
in een droom die niet verdwijnt.

In de middag worden de muren
met een echo behangen
die alles wat te hard gezegd is
herhaalt en herhaalt.

De dag zet ons betaald
met klinkende munt, gepast
en niet op een afstand.
Fluister tegen me als je kunt.

 

Zaragoza/Calle del Desengaño

Deze straat, te breed voor zijn lengte
te lang voor een slop, dit voorgeborchte
van de morgen huisvest niemand
dan twee honden.
Nu ik voor mijzelf vermomd
deze steeg binnenstommel
huilt de grote hond om zijn Dulcinea
gromt de kleine een holle blaf
naar het letsel van de te bleke
maan. De doffe huid
van vergrendelde deuren en kozijnen
dichtgemetseld: dat loopt
van de weeromstuit maar dood
en stompt af voor de ochtend – niemand
komt hier bedrogen uit.

 

Parijs/Villa Riberolle (impasse)

De helling ligt geklonken
met stenen te groot voor de voet,
deze straat moet stampij maken
om te stijgen, om aan de muur
van Père Lachaise te raken.
Iedereen doet hier wat hij moet,
de huizen en loodsen aan weerszij
zijn een verstelde mantel van nijverheid.
Onder golfplaten daken sist een spuit,
een snijbrander scheurt in blauwe gloed
door metaalgeklop. Hier gebeurt.
Boven de muur aan het eind
zetten kleine bekruiste gebouwen
de straat een hoed op.

 

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren in 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

 

Schiet op

We stoppen bij de stomerij en de kruidenier
en het tankstation en de groentemarkt en
Schiet op schat, zeg ik schiet op
terwijl ze twee of drie treden achter me aan rent
haar blauwe jas opengeritst en haar afgezakte sokken.

Waarheen wil ik dat ze opschiet? Naar haar graf?
Dat van mij? Waar ze op een dag zou kunnen staan, geheel volwassen?
Vandaag, als alle boodschappen eindelijk gedaan zijn, zeg ik tegen haar:
Schat, het spijt me dat ik steeds maar zeg Schiet op—
loop jij maar voor me uit. Dan ben jij de moeder.

En schiet op, zegt ze, over haar schouder naar me
omkijkend, lachend. Schiet nu op lieverd, zegt ze,
schiet op, schiet op, en neemt de huissleutels uit mijn handen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marie Howe (Rochester, 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn blog van 9 juni 2020 en eveneens mijn blog van 9 juni 2019 en ook mijn blog van 9 juni 2018 deel 2.