Eduardo Mendoza, Katharina Hacker, Jasper Fforde, Oswald de Andrade

De Spaanse schrijver Eduardo Mendoza werd geboren in Barcelona op 11 januari 1943. Zie ook mijn blog van 11 januari 2007.

Uit: Eine leichte Komödie (Vertaald door Peter Schwaar)

In jenem Sommer wurde es bei den Frauen Mode, Spitzen zu klöppeln. Abgesehen von dieser Neuheit war es ein Sommer wie jeder andere; die Tage waren lang und heiß, die Nächte feucht, der Himmel immr strahlend, wolkenlos, tiefblau und seidenglänzend; ab und zu gab es auch, wie jeden Sommer, kurze, aber sehr heftige Gewitter. Der Winter hingegen war besonders eisig und dunkel gewesen, ein Winter,d en die Barcelonesen tapfer hatten ertragen müssen, rund um das wärmende Tischchen mit dem unablässig rauchenden Kohlenbecken sitzend und einander die unbedeutenden Einzelheiten ihres bedächtigen Lebens erzählend, denn das waren noch ruhige Zeiten mit wenig Unterhaltung, und die Tage und Stunden verstrichen langsam, im Rhythmus der sanften Monotonie langer Arbeitstage oder der endlosen Verrichtungen im Haushalt“.

 

 

Mendoza

Eduardo Mendoza (Barcelona, 11 januari 1943)

 

De Duitse  schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 11 januari 2007.

Uit: Der Bademeister

 

“Ich bin der Bademeister, ich habe nie viel gesprochen. Das Schwimmbad ist geschlossen. Seit Wochen steht das Gebäude leer.
Einsturzgefahr! Vor der Schwimmhalle steht ein Schild. Einsturzgefahr! Betreten der Schwimmhalle verboten!
Ein Placken Putz ist aus der Wand gebrochen.
Der Hausmeister hat nicht lange gezögert. Rasch war die Bauaufsicht verständigt, um die Statik der Schwimmhalle und des Schwimmbeckens zu untersuchen. Die Zuständigen haben gleich gesehen, dass der Verfall unaufhaltbar ist, das Becken sich gesenkt hat.
Ich habe nie viel gesprochen, aber in allem, was das Schwimmbad angeht, kenne ich mich besser aus als jeder andere. Ich habe mein ganzes Leben hier verbracht.”

 

 

Hacker_K

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

De Britse schrijver en cameraman Jasper Fforde werd geboren op 11 januari 1961 in Londen. Naast zijn werk bij de film (bijvoorbeeld de James Bondfilm GoldenEye) schreef hij jarenlang romans als The Eyre Affair (2001), Lost in a Good Book (2002), The Well of Lost Plots (2003), Something Rotten (2004) en First Among Sequels (2007). De boeken van Fforde zijn bekend om hun literaire toespelingen, woordgrapjes, het niet voorspelbare plot en ook wegens het feit dat ze moeilijk in een genre in te delen zijn. Men omschrijft ze wel eens als detective-humor-science-fiction-fantasy.

 

Uit: Something Rotten

 

“What do you think, old girl?” asked Bradshaw, whose pith helmet and safari suit were ideally suited to the hot Nebraskan summer. He was shorter than I by almost a head but led age-wise by four decades; his sun-dried skin and snowy white mustache were a legacy of his many years in colonial African fiction: He had been the lead character in the twenty-three “Commander Bradshaw” novels, last published in 1932 and last read in 1963. Many characters in fiction define themselves by their popularity, but not Commander Bradshaw. Having spent an adventurous and entirely fictional life defending British East Africa against a host of unlikely foes and killing almost every animal it was possible to kill, he now enjoyed his retirement and was much in demand at Jurisfiction, where his fearlessness under fire and knowledge of the BookWorld made him one of the agency’s greatest assets.

He was pointing at a weathered board that told us the small township not more than half a mile ahead hailed by the optimistic name of Providence and had a population of 2,387.

I shielded my eyes against the sun and looked around. A carpet of sage stretched all the way to the mountains, less than five miles distant. The vegetation had a repetitive pattern that belied its fictional roots. The chaotic nature of the real world that gave us soft, undulating hills and random patterns of forest and hedges was replaced within fiction by a landscape that relied on ordered repetitions of the author’s initial description. In the make-believe world where I had made my home, a forest has only eight different trees, a beach five different pebbles, a sky twelve different clouds. A hedgerow repeats itself every eight feet, a mountain range every sixth peak. It hadn’t bothered me that much to begin with, but after two years living inside fiction, I had begun to yearn for a world where every tree and rock and hill and cloud has its own unique shape and identity. And the sunsets. I missed them most of all. Even the best-described ones couldn’t hold a candle to a real one. I yearned to witness once again the delicate hues of the sky as the sun dipped below the horizon. From red to orange, to pink, to blue, to navy, to black.”

 

fforde-0529

Jasper Fforde (Londen, 11 januari 1961)

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 11 januari 2007.

De Braziliaanse schrijver Oswald de Andrade werd geboren op 11 januari 1890 in São Paulo.

Annette von Droste-Hülshoff, Mies Bouhuys, Yasmina Khadra

De Duitse dichteres en schrijfster Annette von Droste-Hülshoff werd op 10 januari 1797 op het slot Hülshoff in Westfalen geboren. Zie ook mijn blog van 10 januari 2007 en mijn blog van 31 december 2007.

Uit: Die Judenbuche

“Ein Menschenschlag, unruhiger und unternehmender als alle seine Nachbarn, ließ in dem kleinen Staate, von dem wir reden, manches weit greller hervortreten als anderswo unter gleichen Umständen. Holz- und Jagdfrevel waren an der Tagesordnung, und bei den häufig vorfallenden Schlägereien hatte sich jeder selbst seines zerschlagenen Kopfes zu trösten. Da jedoch große und ergiebige Waldungen den Hauptreichtum des Landes ausmachten, ward allerdings scharf über die Forsten gewacht, aber weniger auf gesetzlichem Wege als in stets erneuten Versuchen, Gewalt und List mit gleichen Waffen zu überbieten.

Das Dorf B. galt für die hochmütigste, schlauste und kühnste Gemeinde des ganzen Fürstentums. Seine Lage inmitten tiefer und stolzer Waldeinsamkeit mochte schon früh den angeborenen Starrsinn der Gemüter nähren; die Nähe eines Flusses, der in die See mündete und bedeckte Fahrzeuge trug, groß genug, um Schiffbauholz bequem und sicher außer Land zu führen, trug sehr dazu bei, die natürliche Kühnheit der Holzfrevler zu ermutigen, und der Umstand, daß alles umher von Förstern wimmelte, konnte hier nur aufregend wirken, da bei den häufig vorkommenden Scharmützeln der Vorteil meist auf seiten der Bauern blieb. Dreißig, vierzig Wagen zogen zugleich aus in den schönen Mondnächten mit ungefähr doppelt soviel Mannschaft jedes Alters, vom halbwüchsigen Knaben bis zum siebzigjährigen Ortsvorsteher, der als erfahrener Leitbock den Zug mit gleich stolzem Bewußtsein anführte, als er seinen Sitz in der Gerichtsstube einnahm. Die Zurückgebliebenen horchten sorglos dem allmählichen Verhallen des Knarrens und Stoßens der Räder in den Hohlwegen und schliefen sacht weiter. Ein gelegentlicher Schuß, ein schwacher Schrei ließen wohl einmal eine junge Frau oder Braut auffahren; kein anderer achtete darauf. Beim ersten Morgengrau kehrte der Zug ebenso schweigend heim, die Gesichter glühend wie Erz, hier und dort einer mit verbundenem Kopf, was weiter nicht in Betracht kam, und nach ein paar Stunden war die Umgegend voll von dem Mißgeschick eines oder mehrerer Forstbeamten, die aus dem Walde getragen wurden, zerschlagen, mit Schnupftabak geblendet und für einige Zeit unfähig, ihrem Berufe nachzukommen.”

droste-geldschein

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mies Bouhuys werd geboren op 10 januari 1927 in Weesp. Zij was gehuwd met de dichter en schrijver Ed Hoornik. Bouhuys werd opgeleid tot onderwijzeres, maar zij stond nooit voor de klas. In 1958 trad ze in dienst van de AVRO als regisseuse en schrijfster van kinderprogramma’s op tv. Enkele jaren was zij bestuurslid van de Vereniging voor Letterkundigen. Zij debuteerde in 1948 bij D.A. Daamen’s Uitgeversmaatschappij met de gedichtenbundel Ariadne op Naxos waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs Prijs ontving. Hoewel ze ook daarna nog poëzie publiceerde, Blijven kijken (1971), werd ze vooral bekend door de vele boeken en versjes voor kinderen. In 1966 werd Kinderverhalen (door het CPNB bekroond als Kinderboek van het jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel. In 1982 publiceerde zij Anne Frank is niet van gisteren. In 2002 verscheen een bloemlezing uit haar kinderboekenwerk ter gelegenheid van haar 75e verjaardag, getiteld Voetje van de vloer, vijftig verhalen en versjes van toen en nu.

Winter

’s Winters gaan de meisjes

schaatsen op de baan.

In truien en in rokjes,

met warme wollen sokjes

en dikke wanten aan.

 

Wat denk je doen de jongens?

Ze zwieren op een rij

en schieten alle meisjes

kris kras, kris kras voorbij.

 

De mannen en de vrouwen?

Die rijden aan een stok,

ze zwaaien met hun armen

– dat is om je te warmen –

de sterkste aan de kop.

 

Maar voor de hele oudjes

is ’t ijs een beetje bar,

die dragen bonten mutsjes

en zitten in een ar.

Ze schudden met hun hoofdjes

over die dolle troep

en drinken in een tentje

een kopje hete soep.

 

Bouhuys

Mies Bouhuys (Weesp, 10 januari 1927)

 

De Algerijnse schrijver Yasmina Khadra (pseudoniem van Mohammed Moulessehoul) werd geboren op 10 januari 1955 in Kenadsa. Toen hij 10 jaar was werd hij door zijn vader naar een militaire school gestuurd. Om voor zich zelf daar een vrije ruimte te scheppen begon hij met schrijven. Toen hij officier geworden was startte hij met de publicatie van literair verantwoorde en geengageerde detectiveromans. Zij verschenen eerst onder zijn eigen naam, maar toen de censuur scherper werd koos hij de twee voornamen van zijn vrouw als pseudoniem. In 2000 ging hij in ballingschap naar Frankrijk. Internationaal bekend werd hij met zijn Algiers-trilogie: Morituri, Double blanc en L’automne des chimères. Voor L’attentat (The Attack), over een islamitische terroriste,  kreeg hij in 2006 verschillende literaire prijzen.

Uit: The Attack (2005)

After the operation, Ezra Benhaim, our hospital director, comes to see me in my office. He’s an alert, lively gentleman, despite his sixty-odd years and his increasing corpulence. Around the hospital, he’s known as “the Sergeant,” because he’s an outrageous despot with a sense of humor that always seems to show up a little late. But when the going gets tough, he’s the first to roll up his sleeves and the last to leave the shop.

Before I became a naturalized Israeli citizen, back when I was a young surgeon moving heaven and earth to get licensed, he was there. Even though he was still just a modest chief of service at the time, he used the little influence his position afforded him to keep my detractors at bay. In those days, it was hard for a son of Bedouins to join the brotherhood of the highly educated elite without provoking a sort of reflexive disgust. The other medical school graduates in my class were wealthy young Jews who wore gold chain bracelets and parked their convertibles in the hospital lot. They looked down their noses at me and perceived each of my successes as a threat to their social standing. And so, whenever one of them pushed me too far, Ezra wouldn’t even want to know who started first; he took my side as a matter of course.

He pushes the door open without knocking, comes in, and looks at me with his head tilted to one side and the hint of a smile on his lips. This is his way of communicating his satisfaction. Then, after I pivot my armchair to face him, he takes off his glasses, wipes them on the front of his lab coat, and says, “It looks like you had to go all the way to the next world to bring your patient back.”

“Let’s not exaggerate.”

He puts his glasses back on his nose, flares his unattractive nostrils, nods his head; then, after a brief meditation, his face regains its austerity. “Are you coming to the club this evening?”

“Not possible. My wife’s due home tonight.”

“What about our return match?”

“Which one? You haven’t won a single game against me.”

“You’re not fair, Amin. You always take advantage of my bad days and score lots of points. But today, when I feel great, you back out.”

 

yasmina-khadra

Yasmina Khadra (Kenadsa, 10 januari 1955)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Eekhout werd geboren op 10 januari 1900 in Sluis. Zie ook mijn blog van 10 januari 2007.

Honderd jaar Simone de Beauvoir , Bas Heijne, Benjamin Lebert, Karel Čapek

De Franse schrijfster Simone de Beauvoir werd geboren op 9 januari 1908 in Parijs. Zie ook alle tags voor Simone de Beauvoir op dit blog.


Uit: Une mort très douce

“Le jeudi 24 octobre 1963, à quatre heures de l’après-midi, je me trouvais à Rome, dans ma chambre de l’hôtel Minerva; je devais rentrer chez moi le lendemain par avion et je rangeais des papiers quand le téléphone a sonné. Bost m’appelait de Paris : “Votre mère a eu un accident”, me dit-il. J’ai pensé : une auto l’a renversée. Elle se hissait péniblement de la chaussée sur le trottoir, appuyée sur sa canne, et une auto l’avait renversée. “Elle est tombée dans sa salle de bains; elle s’est cassé le col du fémur”, me dit Bost. Il habitait dans le même immeuble qu’elle. La veille, vers dix heures du soir, montant l’escalier avec Olga, il avaient remarqué trois personnes qui les précédaient : une dame et deux agents. “C’est au deuxième étage et demi”, disait la dame. Etait-il arrivé quelque chose à Mme de Beauvoir? Oui. Une chute. Pendant deux heures elle avait rampé sur le plancher avant d’atteindre le téléphone; elle avait demandé à une amie, Mme Tardieu de faire enfoncer la porte. Bost et Olga avaient accompagné le groupe jusqu’à l’appartement. Ils avaient trouvé maman couchée par terre dans sa robe de chambre rouge en velours côtelé. La doctoresse Lacroix, qui loge dans la maison, avait diagnostiqué une rupture du col du fémur; transportée au services des urgences de l’hôpital Boucicaut, maman avait passé la nuit dans une salle commune…

 

…”Mais je l’emmène à la clinique C. me dit Bost. C’est là qu’opère un des meilleurs chirurgiens des os, le professeur B. Elle a protesté, elle avait peur que ça ne vous coûte trop cher. Mais j’ai fini par la convaincre.”

Pauvre maman ! J’avais déjeuné avec elle à mon retour de Moscou, cinq semaines plus tôt; comme d’habitude elle avait mauvaise mine. Il y avait eu un temps, pas bien lointain, où elle se flattait de ne pas paraître son âge; maintenant on ne pouvait plus s’y tromper : c’était une femme de soixante-dix sept ans, très usée. L’arthrose des hanches, qui s’était déclarée après la guerre, avait empiré d’année en année, malgré les cures à Aix-les-Bains et les massages : elle mettait une heure à faire le tour d’un pâté de maisons. Elle souffrait, elle dormait mal, en dépit des six cachets d’aspirine qu’elle avalait chaque jour. Depuis deux ou trois ans, depuis l’hiver dernier surtout, je lui voyais toujours ces cernes violets, ce nez pincé, ces joues creuses. Rien de grave, disait son médecin, le docteur D. : des troubles du foie, de la paresse intestinale; il prescrivait quelques drogues, de la confiture de tamarine contre la constipation. Je ne m’étonnai pas, ce jour-là, qu’elle se sentît “patraque”; ce qui me peina, c’est qu’elle eût passé un mauvais été. Elle aurait pu villégiaturer fans un hôtel ou dans un couvent qui acceptait des pensionnaires…”

 

 

BeauvoirSimoneDe

Simone de Beauvoir (9 januari 1908 – 14 april 1986)

 

De Nederlandse publicist, schrijver en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Heijne studeerde Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1984 debuteerde hij met de roman Laatste woorden. Hij schreef tussen 1984 en 1992 reisverhalen voor het tijdschrift De Tijd. Een deel van deze verhalen werd later gebundeld in Vreemde reis. Zijn tweede roman, Suez, verscheen in 1992. Heijne is sinds 1991 als essayist verbonden aan NRC Handelsblad, voor welke krant hij sinds 2001 ook om de week een column verzorgt. Zijn essaybundel De wijde wereld werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Hij heeft werk vertaald van Evelyn Waugh, E.M. Forster en Joseph Conrad. In 2003 heeft hij het toneelstuk Van Gogh geschreven dat werd gespeeld door ZT Hollandia.

Uit: Staat Nederland weer in brand?

“In Mimesis, de klassieke studie van Erich Auerbach over hoe de werkelijkheid in de westerse literatuur door de eeuwen heen is verbeeld, wordt een stukje van een zekere Ammianus geciteerd, die een volksopstand beschrijft. Ammianus leefde in de vierde eeuw na Christus, in de nadagen van het Romeinse Rijk, en Auerbach laat zien hoe zijn opzwe
pende taal zich heeft losgemaakt van de werkelijkheid; het is een en al hyperbool en verbale uitzinnigheid in zijn reportage. Ammianus beschrijft de opstand van de massa in zuiver zintuiglijke taal, zonder enige analyse of distantie. Tacitus was al beklemmend, zegt Auerbach, maar ‘hier bij Ammianus is het echter tot een magische en zintuiglijke ontmenselijking gekomen’.

Magisch en somber zintuiglijk, star beeldend en gebarend, noemt Auerbach de stijl van de oude Romein. Die kwalificaties gaan op voor de taal die nu in Nederland gemeengoed is geworden. De grootste Nederlander aller tijden, de puinhopen van acht jaar paars, de vijfde colonne van de geitenneukers, afgeslacht!, ik lust ze rauw, Nederland staat in brand! Het is taal die moet opzwepen, die voor de emotie moet zorgen. Geen wonder dat in zo’n klimaat de hysterische jihadtaal van islamitische extremisten Marokkaans-Nederlandse tieners aanspreekt. Voeg daar nog de eindeloze uitzinnigheid van door verbale doodsdrift bevangen rappers als Tupac aan toe en je begint te begrijpen waarom het in Nederland steeds weer uit de hand loopt. Iedereen doet eraan mee, de actualiteitenkermis van de televisie, de krantenjournalistiek, de politieke celebrities van het nieuwe Nederland, de rabiate loonies op internet. Alleen Ali B. houdt de boel nog een beetje bij elkaar.

In het voortsukkelende debat over de vrijheid van meningsuiting dat na de moord op Van Gogh is ontstaan, draait het vooral om hoever je zou mogen gaan – mag je iemand keer op keer tot op het bot beledigen? De vraag waarom je eigenlijk iemand tot op het bot zou willen beledigen, wordt nauwelijks gesteld. Stel hem wel en je krijgt ongetwijfeld een antwoord vol grote gebaren: het woord moet vrij zijn, niet vogelvrij, enzovoort. Maar dat alles verhult alleen maar wat er in werkelijkheid aan de hand is, dat wat Nederland op dit moment in het buitenland niet zozeer lachwekkend maakt, als wel onrustbarend: dat het woord in Nederland volledig tot emotie geworden is. Oproepen tot matiging heeft dan ook geen zin, want de betekenis van al die snoeiharde taal schuilt nu juist in de woedende heftigheid ervan. Zet de televisie aan en je belandt in een orgie van verbaal geweld. Daarachter: een angstwekkende leegte.”

 

Bas_Heijne

Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

 

 

De Duitse schrijver Benjamin Lebert werd geboren op 9 januari 1982 in Freiburg im Breisgau. Zijn vader stond aan de wieg van de jeugbijlage van de Süddeutschen Zeitung, waar de jonge Benjamin ook enkele bijdragen voor schreef. Door de lector van een bekende Duitse uitgeverij werd de jongen aangemoedigd om een roman te schrijven. Deze roman, Crazy, verscheen al toen Lebert zestien jaar was. Hij beschrijft erin typische adolescentenproplemen, maar ook zijn handicap. De schrijver is aan een kant verlamd. Na het verschijnen van het boek gaf hij aan de New York University een cursus Creative Writing. Intussen verschenen er nog twee romans: Der Vogel ist ein Rabe (2003) und Kannst du (juni 2006). Tegenwoordig woont Lebert in Hamburg.

Uit: Kannst du

“Immer wenn ich traurig bin, versuche ich an Fotoalben zu denken. Immer, wenn ich daran zweifle, ob es gut ist, daß ich existiere, blättere ich in meinem Geiste all die Fotoalben durch, Fotoalben verschiedenster Menschen aus verschiedensten Ländern, in denen zufällig und ohne daß diese Menschen Notiz davon nehmen würden, ein Foto klebt, auf dem ich zu sehen bin.

Fünf japanische Männer vor einem Brunnen in München. Im Hintergrund, am Brunnenrand sitzend: eine dicke, ältere Frau in einer blauen Bluse, die gerade ein Eis schleckt. Zu ihren Füßen, sehnsuchtsvoll zu ihr herauf blickend: ein kleiner Jack-Russel-Terrier. Rechts neben ihr, zwar nicht in ihre Richtung, nicht in Richtung des Eises, doch mindestens genauso sehnsuchtsvoll dreinblickend wie der Hund: ich.

Zwei Schülerinnen an einem winterlichen Tag, an Deck einer Fähre. Um sie herum Leute in dicken Jacken oder Mänteln. Die meisten haben Mützen auf dem Kopf, ihre Hände stecken in Handschuhen. Und alle haben verkniffene Gesichter, weil ihnen der Wind so um die Ohren pfeift. Einer dieser Leute, ein dünner junger Kerl mit blauen Augen und Walkman-Stöpseln im Ohr: ich.

Ein älteres Ehepaar an einem herrlichen Sommertag an der französischen Atlantikküste. Sie hat einen weißen Strohhut auf dem Kopf, er ein Basecap. Beide tragen Strandkleidung und Sonnenbrillen. Er hat seinen Arm um sie gelegt. Über ihnen azurblauer Himmel, hinter ihnen heranrollende Wellen. Seitlich barfuß ins Bild rennend, mit einem Bodysurfbrett unterm Arm, einem von der Sonne verbrannten Oberkörper und einer engen roten Badehose: ich.“

 

Lebert
Benjamin Lebert (Freiburg im Breisgau, 9 januari 1982)

 

 

Zie voor ondertsaande schrijver ook mijn blog van 9 januari 2007.

De Tsjechische schrijver Karel Čapek werd geboren op 9 januari 1890 in Malé Svatoňovice, Bohemen, in de toenmalige dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije.

 

Waldtraut Lewin, Roland Moed, Juan Marsé, Béla Zsolt

De Duitse schrijfster Waldtraut Lewin werd geboren op 8 januari 1937 in Wernigerode. Zie ook mijn blog van 8 januari 2007.

Uit: Drei Zeichen sind ein Wort

Unerträglich heiß ist es heute Abend im Theater am Gendarmenmarkt. Letzte Vorstellung vor der Sommerpause. Vor vollem Haus, wie immer. Man gibt „Wilhelm Tell“ von Schiller.

Gerade hat es das erste Mal zum Ende der Pause geklingelt. Aber die Besucher begeben sich nur zögernd wieder zu ihren Plätzen. Draußen auf der Freitreppe, wo man in die laue Nacht hinaustreten konnte, und auf dem Platz davor, dem weiträumigen Gendarmenmarkt, ging doch wenigstens ein Lüftchen. Und auch jetzt noch unternimmt der eine oder der andere einen Abstecher zum Büfett im Foyer, um vor Beginn des letzten Aktes schnell ein Gläschen Kühles hinunterzustürzen.

Leonie Lasker kann so etwas nicht bezahlen. Das Geld reicht immer nur für den billigsten Platz, und darum muss sie sich jetzt auch sofort einen Weg bahnen durch die plaudernden Gruppen, die da noch auf den Gängen herumstehen. Sie muss nämlich nach ganz oben, wo sie einen Stehplatz hat. Einen guten Stehplatz. Und wenn sie die ganzen Treppen hoch ist bis zum Rang, klingelt es bestimmt schon zum letzten Mal.

Unten ist das Treppenhaus mit Marmor verkleidet und die Stufen sind mit rotem Teppich belegt. Je höher man kommt, desto schlichter wird es hier im Haus. Nur gestrichene Wände und nackte Stufen. Aber das ist für Leonie nicht wichtig. Hauptsache, sie ist drin in der Vorstellung und kann alles auf der Bühne ganz genau verfolgen. Von schlechten Plätzen kann sie ein Lied singen. Stehplätze, Sitze an der Seite, wo man nur unter den unmöglichsten Verrenkungen gerade mal einen Teil der Bühne sieht; manchmal gelingt es ihr auch, sich an den Schließerinnen vorbei zu schleichen und nach einem unbesetzten Sitz in einer Loge oder im Parkett Ausschau zu halten (immer in Gefahr, entdeckt und hinausbefördert zu werden).”

 

Lewin

Waldtraut Lewin (Wernigerode, 8 januari 1937)

 

 

De Duitse schrijver, schilder en beeldhouwer Roland Moed werd geboren op 8 januari 1961 in  Frankfurt am Main. Hij studeerde van 1981 tot 1987 in Darmstadt beeldende kunsten en aansluitend germanistiek en psychologie aan de Johann Wolfgang Goethe-Universität Frankfurt. Zijn eerste werk ontstond onder de invloed van de „Nieuwe Wilden“. Vanaf 1992 begon hij prikkeldraad in zijn werk te integreren. Hij schreef zijn „Materialästhetik des Stacheldraht”, begon lezingen te houden en exposeerde in Frankfurt am Main, Keulen, Berlijn, Basel en in Frankrijk, waar hij in 1994 ging wonen. In 2001 gaf Moed in Basel het interdisciplinaire kunst- en literatuurtijdschrift Enterview uit. Hier ook verscheen zijn dichtbundel Die Geste. In 2004 verhuisde hij naar Berlijn.

 

 

MoedSpaziergaenger

Der Spaziergänger

 

Uit: Zur Materialästhetik des Stacheldrahtes

 

Der Stacheldraht markiert den Raum, durchschneidet die Luft und gibt das dahinter liegende frei, anstatt, wie eine Marmor – oder Bronzeskulptur, die Luft zu verdrängen und das dahinter liegende zu verbergen. Bei aller Durchlässigkeit ist der Stacheldraht von hoher Festigkeit. Dadurch entsteht bei einer Stacheldraht Plastik der Eindruck sie wäre in die Luft gezeichnet.
Diese Leichtigkeit, dem Boden entrückt, ist die Kehrseite der Aggressivität die das Material auf viele ausstrahlt. Ausgelöst durch die Stachel, an denen man sich offensichtlich verletzen kann.
Man kann sagen, dass der Stacheldraht in seinem Wesen ein „ ehrliches „ Material ist.
Seine Gefährlichkeit und Verletzungsgefahr sind offensichtlich. Stacheldraht verbirgt nicht.
Im Gegensatz zu seinem Nachfolger auf den Weiden: dem Elektrozaun, dessen dünne Drähte fast unsichtbar bleiben und eine leichte Berührung einen Stromschlag auslöst.
Dennoch bleibt der Stacheldraht ambivalent. Aufgeladen durch immer wieder kehrende Erinnerungen. Photos, Filme, Artikel, beleben das Symbol in unregelmäßigen Intervallen. Erinnerungen, die fest in der Vergangenheit verhaftet sind.  Erschwerend kommt hinzu, dass sich diese Kunstwerke einer Berührung entziehen. Sie entziehen sich dem Berührungsdrang, zu dem Skulpturen von Henry Moore, mit ihrer glatten Oberfläche förmlich einladen.
Mit einer Berührung wird die Verbindung körperlich hergestellt. Eine erlebbare, nachvollziehbare Verbindung. Die Berührung des Stacheldrahtes erfolgt mit Vorsicht – mit dem Bewusstsein, ein Kunstwerk zu berühren. Der wesentliche Kontakt mit einem Stacheldrahtobjekt beschränkt sich auf das Visuelle. Mit der Einschränkung, dass sich die Skulpturen mit dem leisesten Lufthauch in Bewegung setzen und sich die Umrisslinien ständig verändern und das Auge bemüht ist, die Gestalt als solche zu fixieren.
Hilfreich hierfür sind die Stachel, die dem Auge als
Haltepunkte dienen und die zudem der Skulptur Volumen verleihen, die Dreidimensionalität verstärken.“

 

RMoed-web

Roland Moed (Frankfurt am Main, 8 januari 1961)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 januari 2007.

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona.

De Hongaarse schrijver Béla Zsolt werd op 8 januari 1895 geboren in Komárom in het noorden van Hongarije.

Frans Kellendonk, Nicholson Baker, Roland Topor, Helen Darville

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook mijn blog van 25 februari 2007.

Uit: Oprecht veinzen

“Het machtsspel tussen de schilder en zijn model heeft iets van een psychoanalyse (bedacht ik me achteraf en veel te laat). De schilder heeft zich kwetsbaar gemaakt door het model te benaderen en zo blijk te geven van zijn belangstelling. Daarvan weet het model zich dus verzekerd en kan het misbruik maken. Maar de schilder kan het model vernederen met zijn esthetiserende blik, een blik waarin het al zo’n beetje het schilderij is dat hij maken wil. Dan trekt het model zich terug uit zijn geobjectiveerde lichaam, langzaam gaat het uit zijn bol en mediteert zich naar stralende hoogten. We spraken met elkaar als vanaf twee wolken, hij vanaf zijn esthetische wolk, ik vanaf mijn mystieke wolk, we lieten onze gedachten en zinnen half afgemaakt, om ze pas tien minuten later, wanneer onze wolkjes weer langs elkaar zeilden, te voltooien. Er was een intens bewustzijn van licht, dat over de muren van het atelier kroop en zoetjesaan verdween – tijd om op te houden.

Vorige week belde de kunstenaar me op: het werk was af, of ik eens langs wilde komen. Hij bleek twintig portretten van me geschilderd te hebben en, horribile dictu, er was er niet één bij waarin ik niet mijn eigen gezicht herkende. Dat herkennen was geen lezen, de portretten hadden niets symbolisch. Hij had mijn fysionomie binnenstebuiten gekeerd en mijn duistere, discrete eigen gezicht aan het licht gebracht. Ik vroeg hem wat hij met zijn werk ging doen. “Verkopen,” zei hij.”

 

Kellendonk

Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)

 

De Amerikaanse schrijver Nicholson Baker werd geboren op 7 januari 1957 in Rochester.Zie ook mijn blog van 7 januari 2007.

Uit: A box of matches

Good morning, it’s January and it’s 4:17 a.m., and I’m going to sit here in the dark. I’m in the living room in my blue bathrobe, with an armchair pulled up to the fireplace. There isn’t much in the way of open flame at the moment because the underlayer of balled-up newspaper and paper-towel tubes has burned down and the wood hasn’t fully caught yet. So what I’m looking at is an orangey ember-cavern that resembles a monster’s sloppy mouth, filled with half-chewed, glowing bits of fire-meat. When it’s very dark like this you lose your sense of scale. Sometimes I think I’m steering a space-plane into a gigantic fissure in a dark and remote planet. The planet’s crust is beginning to break up, allowing an underground sea of lava to ooze out. Continents are tipping and foundering like melting icebergs, and I must fly in on my highly maneuverable rocket and save the colonists who are trapped there.

Last night my sleep was threatened by a toe-hole in my sock. I had known of the hole when I put the sock on in the morning—it was a white tube sock—but a hole seldom bothers me during the daytime. I can and do wear socks all day that have a monstrous rear-tear through which the entire heel projects like a dinner roll. But at night the edges of the hole come alive. I was reading my book of Robe
rt Service poems last night around nine-thirty, when the hole’s edge began tickling and pestering the skin of the two toes that projected through. I tried to retract the toes and use them to catch some of the edge of the sock’s fabric, pulling it over the opening like a too-small blanket that has slid off the bed, but that didn’t work—it seldom does. I knew that later on, after midnight, I would wake up and feel the coolness of the sheet on those two exposed toes, which would trouble me, even though that same coolness wouldn’t trouble me if the entire foot was exposed. I would become wakeful as a result of the toe-hole, and I didn’t want that, because I was starting a new regime of getting up at four in the morning.”

 

 

baker184

Nicholson Baker (Rochester, 7 januari 1957)

 

 

De Franse schrijver, illustrator, filmmaker en schilder Roland Topor werd geboren op 7 januari 1938 in Parijs. Zie ook mijn blog van 7 januari 2007.

 

ToporAritmetica

Roland Topor: Aritmetica

 

Uit: Die Wahrheit über Max Lampin

»Max Lampin ist eigentlich klein, verglichen mit meinem Haß. Gut, er ist ein Scheißkerl, aber kein außergewöhnlicher. Es würde auch nichts ändern, wenn er ein kleiner Heiliger wäre. Warum also beschäftige ich mich so verbissen mit ihm? Ich will es Ihnen sagen. Wenn man wie ich alt, arm, krank, erniedrigt und beleidigt ist, hat man nicht mehr den Hochmut und die Lust, sich seine Feinde auszusuchen. Der erste beste genügt. Er ist gut gegen Gallensteine. Das ist die Hauptsache. Wenn er seine Dienste getan hat, sucht man sich den Nächsten. Wichtig ist nur, daß man nicht an seiner Wut krepiert.«

 

Topor2

Roland Topor (7 januari 1938 – 14 november 1997)

 

De Australische schrijfster en journaliste Helen Darville werd geboren op 7 januari 1971 en groeide op in Brisbane als dochter van Britse immigranten. In 1993 kreeg zij voor haar roman The Hand that Signed the Paper de Australian/Vogel Literary Award. Zij had het boek geschreven terwijl zij Engelse literatuur studeerde aan de universiteit van Queensland. Het boek verscheen onder het pseudoniem Helen Demidenko, de suggestie wekkend dat Darville het levensverhaal van haar eigen voorouders beschreef. Toen dat niet waar bleek te zijn leverde haar dat nogal wat kritiek en commentaar op. Nadat zij enkele jaren gewerkt had als lerares in het voortgezet onderwijs gaf zij het schrijven op en ging zij rechten studeren in Oxford. Darville levert nu regelmatig bijdragen aan de libertarische groeps-blog catallaxy files. Momenteel werkt zij ook aan een tweede boek.

 

Uit: The Hand that Signed the Paper

 

“As I drive down the Pacific Highway, the French are busy dropping bombs into the waters in which my nieces swim, the Americans and Iraqis are engaged in a bizarre competition to see who can destroy the world many times over most, and my uncle will soon be on trial for war crimes and crimes against humanity. I wonder casually, as I turn off the main road to fill up with petrol, if Eichmann had a daughter and is she felt the same way as I do now. It is an idle question, but I toy with it as the light and darkness at sunset plays over the glittering Ampol sign. This is one petrol station where they still serve you while you sit in your car. A pimply boy walks towards me across the asphalt and asks ‘how much?’ and I say ’twenty dollars’. I sit in the cockpit of my car, and look at my watch. The boy takes my keys. The key ring has a cheap plastic figurine of ‘Expo Oz’ attached. I’ve had it for four years, and Expo Oz’s platypus bill has very little paint left on it.

Right now, I am missing my Set Theory and Logic lecture, and will soon miss my Modern Political Ideologies lecture. I left home earlier this morning, giving Cathe a week’s rent and telling her that I was ‘going to drive down the coast to see about my uncle’. Cathe — and a few other of my close friends — know that I am related to the Kovalenko who has recently been charged with war crimes. That in itself is no guarantee of a trial, but the fear is real. I have confirmed to Cathe that the charges are true, and that the family is in the process of engaging a lawyer “

 

demidenko_darville

Helen Darville (Brisbane, 7 januari 1971)

Kahlil Gibran, Anja Meulenbelt, Carl Sandburg, E. L. Doctorow , Willem Wilmink, Drie Koningen

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007.

Uit: The Prophet 

 Then said Almitra Speak to us of Love.
And he raised his head and looked upon the people,and there fell a stillness upon them
And with a great voice he said:
 

When Love beckons to you, follow him,
Though his ways are hard and steep
And when his wings enfold you yield to him,
Though the sword hidden among his pinions may wound you.
And when he speaks to you believe in him,
Though his voice may shatter your dreams as the North wind lays waste the garden.
For even as love crowns you so shall he crucify you.
Even as he is for your growth so he is for your pruning
Even as he ascends to your height and caresses your tenderest branches that quiver in the sun,
So shall he descend to your roots and shake them in their clinging to the earth.
Like sheaves of corn he gathers you unto himself.
He threshes you to make you naked
He sifts you to free you from your husks.
He grinds you to whiteness.
He kneads you until you are pliant;
And then he assigns to you his sacred fire, that you may become sacred bread for God’s sacred feast.
And these things shall love do unto you that you know the secrets of your heart,
And in that knowledge become a fragment of Life’s Heart.
But if in your fear you would seek only love’s peace and love’s pleasure,
Then it is better for you that you cover your nakedness and pass out of Love’s threshing floor,
Into the seasonless world where you shall laugh, but not all of your laughter, and weep, but not all of your tears.

For Love gives naught but itself and takes naught but from itself.
Love possesses not nor would it be possessed;
For Love is sufficient unto Love.

gibran.jpg
Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

 

De Nederlandse schrijfster, publiciste, feministe en politica Anja Meulenbelt werd geboren in Utrecht op 6 januari 1945. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007.

Uit: Opgesloten in de Gazastrook

“Op 6 mei vertrok ik naar Gaza, alvast vooruit op de ploeg die een paar dagen later zou komen. Ik had al gehoord dat er moeilijkheden waren bij Erez, de controlepost waar je de Gazastrook binnenkomt, en dat sommige mensen wel zes uur hadden moeten wachten voordat ze door werden gelaten. De aanleiding wisten we ook: dat er twee internationale vredesactivisten waren gedood in de Gazastrook, waaronder Rachel Corrie die door een bulldozer was platgewalst. We wisten dus dat het IDF, het Israëlische leger, er alles aan zou doen om vredesactivisten bij de grens tegen te houden. Daarnaast was er een zelfmoordaanslag in Israël gepleegd door twee mannen met een Brits paspoort, die voor de aanslag in Gaza waren geweest. We konden dus verwachten dat de toegangsprocedure voor Gaza zou worden verscherpt.

Ik hoefde maar één uur te wachten. Naast me stonden mensen al vele uren, en ook aan de andere kant van de glazen deur, waar de mensen voor de balie stonden die er uit moesten werd gezucht en gehangen. De absolute winnaar was iemand die er twaalf uur over had gedaan. Het werd ook meteen duidelijk dat het hier ging om een zwaar ontmoedigingsbeleid om te proberen Gaza in en uit te komen, want de dienstdoende jonge soldaat had mijn paspoort in vijftien minuten afgehandeld, bestempeld, me in de computer gecheckt, nog eens naar zijn superieur gebeld met mijn gegevens, en liet mijn paspoort vervolgens rustig drie kwartier liggen. Om het me vervolgens plotseling te geven, met het groene papiertje dat me de toegang tot Gaza verschafte. Het was een ervaring zoals de Palestijnen vaak meemaken, je bent geheel afhankelijk van de willekeur van de dienstdoende mensen, die toevallig een slechte bui kunnen hebben of jou niet aardig vinden.”

 

meulenbelt.gif
Anja Meulenbelt (Utrecht, 6 januari 1945)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 januari 2007.

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. 

De Amerikaanse schrijver Edgar Laurence Doctorow werd geboren op 6 januari 1931 in New York.

 

En dan nog even dit: Bij het feest van Driekoningen

 

bijlert
De aanbidding van de drie koningen door Jan van Bijlert, 1630 – 1640

 

Drie arme koningen

Drie koningen moesten naar Bethlehem rijden,
hun karretje ging langs berg en dal.
Een ster in de nacht zou hen steeds begeleiden
tot aan dat kindje daarginds in de stal.
Ze gingen op reis, blijmoedig van hart,
twee waren er wit en een was er zwart.

Ze hadden voor ’t kindje cadeaus meegenomen:
een had speculaas in de vorm van een pop,
de tweede was op de gedachte gekomen
van zeven kilo Engelse drop.
En de zwarte koning uit verre land
had heerljke rijst met kousenband.

Elke dag moesten die koningen eten,
want anders gingen die koningen dood.
Dus lieten ze bij alle woningen weten:
wij hebben behoefte aan melk en aan brood.
’t Ging allemaal prima, tot in de woestijn,
waar bijzonder weinig woningen zijn.

Toen hebben ze stil bij elkander gezeten:
wat moesten ze doen? De pop en de drop
en de rijst met kousenband op gaan eten?
Jawel hoor, ze aten het allemaal op.
Kotsmisselijk zijn ze toen verder gegaan
tot waar de ster bleef stille staan.

‘Maria! Wij hadden elk een cadeautje,
maar we aten het allemaal op …’
En het Christuskind zat daar in zijn blootje
en vond het een prachtige mop.
Dat Christuskindje, zo klein en teer,
dat lachte toen voor de eerste keer.

Sindsdien zijn de moeders taarten gaan bakken
en in elke taart zit een boon.
Heeft er dan iemand zo’n boontje te pakken,
dan krijgt-ie een koningskroon.
En zo werd Filips koning van Spanje
en zo komen wij aan ons huis van Oranje.

 

wilmink.jpg
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)

Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Ngũgĩ wa Thiong’o, Yevgeni Popov

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007.

Uit: The Mysterious Flame of Queen Loana (Vertaald door Geoffrey Brock)

“1. The Cruelest Month

“And what’s your name?”

“Wait, it’s on the tip of my tongue.”

That is how it all began.

I felt as if I had awoke from a long sleep, and yet I was still suspended in a milky gray. Or else I was not awake, but dreaming. It was a strange dream, void of images, crowded with sounds. As if I could not see, but could hear voices that were telling me what I should have been seeing. And they were telling me that I could not see anything yet, only a haziness along the canals where the landscape dissolved. Bruges, I said to myself, I was in Bruges. Had I ever been to Bruges the Dead? Where fog hovers between the towers like incense dreaming? A gray city, sad as a tombstone with chrysanthemums, where mist hangs over the fa¦ades like tapestries…

My soul was wiping the streetcar windows so it could drown in the moving fog of the headlamps. Fog, my uncontaminated sister…A thick, opaque fog, which enveloped the noises and called up shapeless phantoms…Finally I came to a vast chasm and could see a colossal figure, wrapped in a shroud, its face the immaculate whiteness of snow. My name is Arthur Gordon Pym.

I was chewing fog. Phantoms were passing, brushing me, melting. Distant bulbs glimmered like will-o’-the-wisps in a graveyard…

Someone is walking by my side, noiselessly, as if in bare feet, walking without heels, without shoes, without sandals. A patch of fog grazes my cheek, a band of drunks is shouting down there, down by the ferry. The ferry? It is not me talking, it is the voices.

The fog comes on little cat feet…There was a fog that seemed to have taken the world away.”

 

Eco

Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

 

De Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt werd geboren op 5 januari 1921 in Konolfingen. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007.

Uit: Pilatus

“Der Gott war nicht von großem Wuchs, und seine Gestalt war die eines unscheinbaren Menschen. Die Hände waren nach vorne gebunden und blau aufgetrieben. Die Kleider lagen ihm zerfetzt und schmutzig am Leib, so dass an vielen Stellen die Haut zu sehen war, über die rote Striemen liefen.
Er sah, daß diese Gestalt des Gottes die grausamste war, die den Menschen täuschen konnte, und daß es dem Gott nur in einem unvorstellbaren Hass hatte einfallen könne, in dieser niedrigen Maske zu erscheinen.”

 

durrenmatt_big

Friedrich Dürrenmatt (5 januari 1921 – 14 december 1990)

 

 

De Keniase schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o werd geboren op 5 januari 1938 in Kamiriithu, Limuru, Kenia. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007.

Uit: Wizard of the Crow

“There were many theories about the strange illness of the second Ruler of the Free Republic of Aburiria, but the most frequent on people’s lips were five.

The illness, so claimed the first, was born of anger that once welled up inside him; and he was so conscious of the danger it posed to his well-being that he tried all he could to rid himself of it by belching after every meal, sometimes counting from one to ten, and other times chanting ka ke ki ko ku aloud. Why these particular syllables, nobody could tell. Still, they conceded that the Ruler had a point. Just as offensive gases of the constipated need to be expelled, thus easing the burden on the tummy, anger in a person also needs a way out to ease the burden on the heart. This Ruler’s anger, however, would not go away, and it continued simmering inside till it consumed his heart. This is believed to be the source of the Aburirian saying that ire is more corrosive than fire, for it once eroded the soul of a Ruler.

But when did this anger take root? When snakes first appeared on the national scene? When water in the bowels of the earth turned bitter? Or when he visited America and failed to land an interview with Global Network News on its famous program Meet the Global Mighty? It is said that when he was told that he could not be granted even a minute on the air, he could hardly believe his ears or even understand what they were talking about, knowing that in his country he was always on TV; his every moment–eating, shitting, sneezing, or blowing his nose–captured on camera. Even his yawns were news because, whether triggered by boredom, fatigue, hunger, or thirst, they were often followed by some national drama: his enemies were lashed in the public square with a sjambok, whole villages were blown to bits or people were pierced to death by a bows-and-arrows squad, their carcasses left in the open as food for hyenas and vultures.”

Ngugi

Ngũgĩ wa Thiong’o (Kamiriithu, 5 januari 1938)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 5 januari 2007.

De Russische schrijver Yevgeni Anatoljewitsj Popov werd geboren op 5 januari 1946 in Krasnojarsk, Sibirië.

Gao Xingjian, Rajvinder Singh, Svend Fleuron, Jacob Grimm

De Chinese schrijver Gao Xingjian werd geboren op 4 januari 1940 in Ganzhou, in de provincie Jiangxi. Zie ook alle tags voor Gao Xingjian op dit blog.

Uit: Soul Mountain

The old bus is a city reject. After shaking in it for twelve hours on the potholed highway since early morning, you arrive in this mountain county town in the South.

In the bus station, which is littered with ice-block wrappers and sugar cane scraps, you stand with your backpack and a bag and look around for a while. People are getting off the bus or walking past, men humping sacks and women carrying babies. A crowd of youths, unhampered by sacks or baskets, have their hands free. They take sunflower seeds out of their pockets, toss them one at a time into their mouths and spit out the shells. With a loud crack the kernels are expertly eaten. To be leisurely and carefree is endemic to the place.

They are locals and life has made them like this, they have been here for many generations and you wouldn’t need to go looking anywhere else for them. The earliest to leave the place travelled by river in black canopy boats and overland in hired carts, or by foot if they didn’t have the money. Of course at that time there were no buses and no bus stations. Nowadays, as long as they are still able to travel, they flock back home, even from the other side of the Pacific, arriving in cars or big air-conditioned coaches. The rich, the famous and the nothing in particular all hurry back because they are getting old. After all, who doesn’t love the home of their ancestors? They don’t intend to stay so they walk around looking relaxed, talking and laughing loudly, and effusing fondness and affection for the place.”

 

gao

Gao Xingjian (Ganzhou, 4 januari 1940)

 

De Indische schrijver Rajvinder Singh werd geboren op 4 januari 1956 in Kapurthala. Zie ook mijn blog van 4 januari 2007.

 

Anders sein

Anders sein
nicht nur anders
erscheinen

ein Begriff werden
nicht nur Synonym
oder Antonym sein

der Begriff spricht nur
indem er ent-spricht

so bin ich immer
und werde nicht
ein Fremdwort

unverzichtbar für die Sätze
Augenblick für Augenblick
die Zeit zu übersetzen.

 

Contre Descartes

Contre Descartes
Angetrieben von der Last
des Denkens, Fühlens
hinterlasse ich die Saat

abgleitend vom Hinterkopf
zum Boden meiner Sprache
ihre Fußstapfen, meine Gedichte

in der Bewegung stets
neigen sich nach vorn
auf dem Torso meiner Worte

ich fühle: also bin ich
auch verdammt
zu leiden

 

Singh

Rajvinder Singh (Kapurthala, 4 januari 1956)

 

De Deense schrijver Svend Fleuron werd geboren op 4 januari 1874 op het landgoed Katrinedal. Na zijn schooltijd koos hij voor een officiersloopbaan. In 1921 nam hij afscheid van de militaire dienst en leefde hij als schrijver op zijn landgoed. In Denemarken en Duitsland gaf hij verschillende lezingen. Zonder de dieren de vermenselijken schreef hij moderne dierenromans.

Uit: Strix, Die Geschichte eines Uhus (Vertaald door Mathilde Mann)

Winterleben im entlegenen Walde

 

Dahin sind die hellen Tage des Sommers mit goldener Sonne über reifendem Korn! Die Wälder sind verwelkt, das Laub ist abgefallen — alle die bunten Farben des Herbstes liegen bleich und zermürbt um die Wurzeln der Bäume. Nur das Moos schimmert, und die Beeren an der Eberesche sind hellwach!

Klare, kühle Morgen mit dünnem Eise und Nachtreif sind dunklem, regnerischem Tagesgrauen gewichen. Der Novembernebel hat schwer und drückend über einsamer Heide und steifen Wäldern gelegen und die Säfte des Lebens zur Ruhe gebracht. Jetzt hat sich der Winter gemeldet, jetzt ist der Frost gekommen!

Überall liegt Schnee.

In dem fernen Walde ist die Schlucht zwischen den hohen, steilen Hügeln, wo Strix jetzt wohnt, ein Wirrwarr von Faulbaum und Erle, von Birke und Geißblatt — und unter den ineinander gefilzten Zweigen fließen — schwarz und kalt — die grundquellreichen Wasser des öden Waldsees. Hier ist das Märchenland, von dem der Mensch fabelt!

Es schäumt da drinnen. Aus dem blanken, sturmblauen Osthimmel tritt der weiße Wintermond hervor, rund und klar. Im Westen glüht es. Der Horizont brennt mit hagebuttenrotem, goldgelb flammendem Schein …

70 Strix ist noch nicht aus ihrem Tagschlummer auf dem Grunde ihres hohlen Baumes erwacht. Aber Taa, der Marder — ihr alter Erbfeind und schlimmster Nebenbuhler, der sich wie sie aus dem Hochwald hat zurückziehen müssen — ist schon auf Jagd aus.

Ihnen beiden ist es eine Zeitlang kümmerlich ergangen! In den dunklen Dezembernächten, während strömender, eiskalter Regen mit Sturmesgewalt über den Wald herabgeschleudert wurde und ihn durchnäßte und schwer zugänglich machte, hat sich alles Lebende unter Dach gehalten. Da haben sich die fleisch- und pflanzenfressenden Tiere in Kriegszustand befunden — und Strix und der Marder haben bittern Hunger gelitten.

 

 

sfleuron

Svend Fleuron (4 januari 1874 – 5 april 1966)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 4 januari 2007.

De Duitse jurist, taal- en letterkundige Jacob Ludwig Karl Grimm werd geboren in Hanau op 4 januari 1785.

 

 

Jacob Balde, Cicero, J.R.R. Tolkien

De Duitse dichter en schrijver Johann Jacob Balde S.J. werd geboren op 3 januari 1604 in Ensisheim in de Elzas. Zijn in het Neolatijn geschreven werken maaken van hem de „Duitse Horatius“, een titel die de dichter Sigmund von Birken hem verleende. In 1620 begon Balde aan de jezuïetenschool in Ensisheim een studie filosofie. Toen de Dertigjarige Oorlog in 1621 het bisdom Straatsburg bereikte vluchtte Balde naar Ingolstadt, waar hij filosofie en rechten studeerde. Van 1635 tot 1636 was hij professor voor rhetorica aan de gymnasia van München en Innsbruck, nadat hij in 1624 tot de orde van de Jezuïeten was toegetreden. In 1654 werd hij aan het hof van Pfalzgraf Philipp Wilhelm als biechtvader en predikant aangesteld in Neuburg an der Donau, waar hij in 1668 stierf.

 

Das Schachspiel

Warum schlagen wir noch Bücher und Blätter auf?
Alle Lehre Sokrats über die Nichtigkeit
Unsres Erdegedrängs lehret im Spiel uns hier
Ein mit Puppen besetztes Brett.

 

Siehst du, Freund, wie das Glück Würden und Ämter teilt?
Wie’s die Plätze bestimmt? Wie sie im Wechsel sind?
Freund, so spielen auch wir selber ein Spiel des Glücks,
Ungleich, aber im Ausgang gleich.

 

Mächtig steht ein Heer gegen das andere auf;
Hier Trojaner und hier tapferer Griechen Reih’n,
Stark mit Türmen verwacht. Mutige Ritter stehn
Bei den Türmen. Es schweigt das Heer.

 

Wartend schweiget das Feld: denn die Gebieter sind
Noch im Kampfe mit sich, sinnen Entwürfe. Furcht
Und die Ehre gebeut. Jetzo beginnt die Schlacht.
Arme Bauern, in euren Reih’n.

 

Schau, sie fallen dahin. Siehe, mit ihrem Blut
Wird der Lorbeer erkauft. Ihre Gefilde mäht,
Ihre Hütte beraubt jeder der Streitenden:
Sie nur haben die Schuld verübt.

 

Doch wer springet hervor? Listiger Springer, du ?
Aus der Mitte des Heers, über die Köpfe der
Kämpfer? Willst du zurück, Parther! Es hüte sïch
Vor dir Schwarzem das ganze Feld.

 

Und doch wünschet sich auch keiner den Tod von dir,
Narr und Läufer! Du hast eine beträchtliche
Zunft in unserer Welt; Narren und Läufern stehn
Häuser offen und Hof und Zelt.

 

Sieh, die Königin regt als Amazone sich,
Geht, wie ihr es beliebt; Damen ist viel erlaubt.
Vor ihr weichet hinweg Ritter und Elephant,
Bauer, Porus und Hannibal.

 

Alles weichet der Macht weiblicher Krieger, die
Viel begehren und viel wagen; sie kennen nicht
Das Zuviele. Die jetzt ihren Gemahl beschützt
Ist’s, die jetzo den Herrn verrät.

 

Schach dem Könige! Tritt, höchster Gebieter, selbst
Von dem Platze der Ruh! Traue die Majestät
Nicht Beamten allein, nicht der Gemahlin an!
Aber leider, es ist zu spät.

 

Schach dem Könige, Schach! – Siehe, geendet sind
Unsre Züge; du siehst Ritter und Bauer jetzt,
König, Springer und Narr hier in der Büchse Grab
Durch- und übereinander ruhn.

 

Also gehet die Welt: Liktor und Konsul geht
In die Büchse, der Held und der Besiegte.
Du vollführe dein Amt; spiele des Lebens Spiel,
Das ein Höherer durch dich spielt.

                                                                              

 

Vertaald door Johann Gottfried Herder

 

Jakob_Balde

Jacob Balde (3 januari 1604 – 9 augustus 1668)

 

De Romeinse schrijver, redenaar, politicus, advocaat en filosoof Marcus Tullius Cicero werd geboren in Arpinum op 3 januari 106 v. Chr. Zie ook mijn blog van 3 januari 2007.

Uit: De Amicitia

Wanneer ik zeer vaak nadenk over de vriendschap, schijnt het me gewoonlijk toe dat vooral dat moet overwogen worden of omwille van zwakheid en onvermogen vriendschap een streefdoel is om door het geven en nemen van verdiensten, datgene te ontvangen waartoe men zelf minder in staat is en dat men op zijn beurt geeft, dan wel of er niet een andere reden, ouder en mooier, bestaat meer eigen aan de natuur [van vriendschap] zelf. Genegenheid immers, waarnaar vriendschap genoemd is, is essentieel om welwillendheid samen te brengen. Want voordelen worden weliswaar vaak door hen, die onder het voorwendsel van vriendschap vereerd en hooggeacht worden, zolang het nodig is. In vriendschap is niets vals, niets geveinsd, want wat er ook is, het is echt en op vrijwillige basis.
Daarom lijkt vriendschap mij eerder ontstaan uit de natuur dan wel uit een tekort, meer uit een verlangen om zich geestelijk te binden met een zekere behoefte om te beminnen dan wel uit de gedachte hoeveel voordeel die relatie zal hebben. Van welke aard die band is, kan men zelfs bij bepaalde dieren opmerken, die vanuit zichzelf hun jongen zo beminnen, zolang het nodig is, en door hen zo bemind worden, zodat de affectie bij hen gemakkelijk te zien zou zijn. Dit gevoel is veel vanzelfsprekender bij de mensen, ten eerste uit deze bezorgdheid, die er tussen kinderen en ouders is, die niet gebroken kan worden tenzij door een afschuwelijke misdaad, vervolgens wanneer een gelijkaardig gevoel van genegenheid ontstaat, als we iemand ontmoet hebben, met wie we overeenkomen in levenswijze en karakter, omdat we in deze een licht van eerlijkheid en deugd schijnen te bemerken.”

cicero_

Cicero (3 januari 106 v. Chr. –  7 december 43 v. Chr.)

 

De Engelse schrijver J.R.R. Tolkien werd geboren op 3 januari 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 3 januari 2007.

Uit: The Hobbit

“In a hole in the ground there lived a hobbit. Not a nasty, dirty, wet hole, filled with the ends of worms and an oozy smell, nor yet a dry, bare, sandy hole with nothing in it to sit down on or to eat: it was a hobbit-hole, and that means comfort.

It had a perfectly round door like a porthole, painted green, with a shiny yellow brass knob in the exact middle. The door opened on to a tube-shaped hall like a tunnel: a very comfortable tunnel without smoke, with panelled walls, and floors tiled and carpeted, provided with polished chairs, and lots and lots of pegs for hats and coats—the hobbit was fond of visitors. The tunnel wound on and on, going fairly but not quite straight into the side of the hill—The Hill, as all the people for many miles round called it—and many little round doors opened out of it, first on one side and then on another. No going upstairs for the hobbit: bedrooms, bathrooms, cellars, pantries (lots of these), wardrobes (he had whole rooms devoted to clothes), kitchens, dining-rooms, all were on the same floor, and indeed on the same passage. The best rooms were all on the left-hand side (going in), for these were the only ones to have windows, deep-set round windows looking over his garden, and meadows beyond, sloping down to the river.

jrr-tolkien

J.R.R. Tolkien (3 januari 1892 – 2 september 1973)

Christopher Durang, Anton van Duinkerken, Isidoor Teirlinck, André Aciman, Gerhard Amanshauser

De Amerikaanse toneelschrijver Christopher Durang werd geboren op 2 januari 1949 in Montclair, New Jersey. Zie ook alle tags voor Christopher Durang op dit blog.

 

Uit: Laughing Wild

 

WOMAN. And then the next night I dreamt that I killed Sally Jessy Raphael.

 

MAN. [from offstage] And now the Sally Jessy Raphael show! [The stage transforms itself into a talk show setting. In the New York production, a section of the supermarket aisle turned around revealing a blue carpet and a blue “interview” chair; behind it was just more of the supermarket cans, but all color-coordinated blue — blue cans of soda, blue boxes of laundry detergent, etc. Thus the setting rather than being a literal talk show became a kind of crackpot “dream” talk show, mixing up the supermarket and the TV show. The Woman discovers a microphone and red-framed glasses, which she puts on]

 

WOMAN. Hello. Sally Jessy Raphael can’t be here today because I killed her. My aggression finally got the better of me, but what can you expect living in New York? These are her red-framed glasses, however. Do you like me in them? Now when my eyes are bloodshot from weeping or from allergies, you won’t be able to tell whether it’s my eyes that are red or my glasses!

 

This isn’t my first time before the cameras you know. The late Andy Warhol discovered me, and he said I should be as famous as Edie Sedgwick. That isn’t very famous, of course, but those of you who follow the East Village scene and take drugs know who I mean. Ahahahahahahahahahahaa.

 

I hope you don’t mind if I do that, but I’m hoping to make that my signature on the air rather than these fuckin’ glasses. Ahahahaha.

 

Let’s see. Sally Jessy Raphael used to say “troops” a lot. I’ll try that. Hey, troops! How are you? Do you like my glasses? That way when my eyes are red, you can’t tell if I’ve been crying or someone’s punched me! Ahahahaha. Did I tell you about my father in the baked potato? I ate him. Now, troops, I don’t mean sexually, I mean I ate him cannibalistically. Ahahahaha. Just kidding about that, troops, but know that my pain is sincere.”

 

Durang

Christopher Durang (Montclair, 2 januari 1949)

 

De Nederlandse dichter, essayist, redenaar en literair-historicus Anton van Duinkerken werd op 2 januari 1903 geboren in Bergen op Zoom. Zie ook alle tags voor Anton van Duinkerken op dit blog.

 

De Wuivende

 

Mijn vrouw is de wuivende, die met haar zakdoek

in ’t licht langs het korenveld gaat.

Zij zendt mij een uiterste teken van liefde

nu zij mij, gedwongen, verlaat.

 

Wie weet voor hoelang zij vertrekt? Ik blijf eenzaam

doch jubel slaat op in mijn bloed.

Ik voel mij niet langer gevangen; rondom mij

is alom haar wuivende groet.

 

Mijn God in de hemel, die ’t ziet, en die weet

hoe ik nooit voor mijzelven iets vroeg

-Al wat Gij mij gaaft heb ik dankbaar aanvaard

en Gij gaaft mij geluk genoeg! –

 

Verhoor voor vandaag en de rest van mijn leven

één enkele bede van mij:

Dat altijd mijn vrouw als uw teken van liefde

voor mij deze wuivende zij.

 

Haar simpel bewegen der hand bij haar afscheid

zond mij het geheim tegemoet,

Waarom Gij uw engel zijn boodschap liet zeggen

beginnende met ‘Wees Gegroet’!

 

Want al wat beweegt, hier op aarde, in de zee

langs uw heemlen vol heerlijkheid

Is niets dan een wuivende groet aan de ziel

om te zeggen hoe goed Gij zijt.

 

Wie God wil begrijpen die heeft niet genoeg

aan ons vorsende mensenverstand.

Hij zie naar het dansen van sterren en golven

en ’t wuiven der dierbaarste hand.

 

Al wat ik geloof en belijd vat ik samen

in deze mijn opperste wet:

Mijn ziel zij een wuivende groet aan mijn God

want ik heb geen volmaakter gebed.

 

Mijn ziel zij een riet aan de stroom der genade

en een wuivende golfslag die spoelt,

Langs de zoelheid der kust, en een graanveld in de zon,

dat de tocht van de zomerwind voelt.

 

Mijn ziel zij gelijk aan de ziel van de vrouw

die mij toezond uw godlijke groet

Want zij is de wuivende, die Gij mij gaaft

en ik dank U, het leven is goed.

 

VanDuinkerken

Anton van Duinkerken (2 januari 1903 – 27 juli 1968)
Portret door Theo Swagemakers.

 

De Vlaamse schrijver Isidoor Teirlinck werd geboren in Zegelsem op 2 januari 1851. Isidoor Teirlinck werd onder meer bekend door zijn boeken over folklore. Hij was gehuwd met Oda van Nieuwenhove en vader van Herman Teirlinck. Teirlinck ging naar school in Lier. Hij werd onderwijzer en gaf les in Serskamp, Drogenbos, Sint-Joost-ten-Node en vanaf 1875 was hij leraar in de wis- en natuurkunde te Brussel. Hij schreef veel samen met zijn zwager Reimond Stijns onder de naam Teirlinck-Stijns.

 

Uit: Arm Vlaanderen

 

Was het geen echt lief dorpje – Voorde?

Zeer schilderachtig lag het in een klein dal, tusschen twee zacht klimmende heuvelen, die in den zomer met weelderige akkers en malsch geboomte bedekt waren. Boven den zuiderheuvel, welke de heele streek beheerschte, stond, slechts omringd door drie thuyaboomen, een reusachtig kruisbeeld, dat aan zonneschijn en regen, aan vorst en wind blootgesteld was. Voorbij het kristushout slingerde een landweg nederwaarts, liep nevens eenen overouden, prachtigen eik en verder langs het Meierboschje, leidde vóor eene groote boerenhoeve en bereikte de dorpsplaats langs de brug over de Keibeek bij den molen, waar het water in zilveren stralen op het log draaiende rad viel.

Het dorpje was niet groot. ’t Kon ongeveer duizend inwoners tellen. De woningen besloegen, in eene enkele rij, gansch de noorderzijde der dorpsbaan; er rechtover, tusschen geboomte en struikgewas, klaterde lustig het beekje. De straat volgde getrouw door het groene dal, van het oosten naar het westen, den kleinen watervliet in al zijne grillige wendingen. Een wegel beklom den noorderheuvel, waarboven de houten molen zijne bruinroode zeilen, gewoonlijk traag, in den wind omdraaide. Op de dorpsbaan, niet ver van de brug, stond de kerk; er rond zag men het doodenplein, beplant met eene menigte zwarte, houten kruisen; er nevens, links, lag de oude smis, waar van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de hamer op het aanbeeld klingelde.

 

Nu was het herfst.

De zon daalde lager aan de westerkim en wierp eenen valen, treurigen glans over het stille landschap. Overal schudd’en de boomen hunne gele bladeren af en het avondwindje, dat zich zachtjes verhief, ritselde geheimzinnig door loover en twijgen. Hier en daar stapten de paarden langzaam, met gebogen kop – hun slavenleven schier bewust – vóor den ploeg en trokken lange, rechte voren door de naakte velden.”

 

Isidoor

Isidoor Teirlinck (2 januari 1851 – 27 juni 1934)

 

De Amerikaanse schrijver, essayist en literatuurwetenschapper André Aciman werd geboren op 2 januari 1951 in Alexandrië in Egypte. Hij publiceert zijn werk in toonaangevende bladen en tijdschriften als The New York Review of Books, The New York Times, The Paris Review. Aciman doceert vergelijkende literatuurwetenschap aan de universiteit van Harvard. In Out of Egypt beschreef hij zijn jeugd als seculiere jood in het Egypte van de jaren vijftig en zestig. Hij had de Turkse nationaliteit, omdat zijn vader oorspronkelijk uit Istanbul kwam. Thuis spreken ze Frans, Italiaans, Grieks, Arabisch en Ladino. In 1965 trok de familie naar Rome, in 1969 naar New York. Daar studeerde Aciman in 1973 af aan het Lehman College. Aciman publiceerde o.a. ook nog de essaybundel False Papers (2001) en de roman Call Me By Your Name (2007), die door de New York Times gekozen werd tot Notable Book of the Year.

 

Uit: Call Me By Your Name

 

“Today, the pain, the stoking, the thrill of someone new, the promise of so much bliss hovering a fingertip away, the fumbling around people I might misread and don’t want to lose and must second-guess at every turn, the desperate cunning I bring to everyone I want and crave to be wanted by, the screens I put up as though between me and the world there were not just one but layers of rice-paper sliding doors, the urge to scramble and unscramble what was never really coded in the first place—all these started the summer Oliver came into our house. They are embossed on every song that was a hit that summer, in every novel I read during and after his stay, on anything from the smell of rosemary on hot days to the frantic rattle of the cicadas in the afternoon—smells and sounds I’d grown up with and known every year of my life until then but that had suddenly turned on me and acquired an inflection forever colored by the events of that summer.

Or perhaps it started after his first week, when I was thrilled to see he still remembered who I was, that he didn’t ignore me, and that, therefore, I could allow myself the luxury of passing him on my way to the garden and not having to pretend I was unaware of him. We jogged early on the first morning—all the way up to B. and back. Early the next morning we swam. Then, the day after, we jogged again. I liked racing by the milk delivery van when it was far from done with its rounds, or by the grocer and the baker as they were just getting ready for business, liked to run along the shore and the promenade when there wasn’t a soul about yet and our house seemed a distant mirage. I liked it when our feet were aligned, left with left, and struck the ground at the same time, leaving footprints on the shore that I wished to return to and, in secret, place my foot where his had left its mark.
This alternation of running and swimming was simply his “routine” in graduate school. Did he run on the Sabbath? I joked. He always exercised, even when he was sick; he’d exercise in bed if he had to. Even when he’d slept with someone new the night before, he said, he’d still head out for a jog early in the morning. The only time he didn’t exercise was when they operated on him. When I asked him what for, the answer I had promised never to incite in him came at me like the thwack of a jack-in-the-box wearing a baleful smirk. “Later.”
Perhaps he was out of breath and didn’t want to talk too much or just wanted to concentrate on his swimming or his running. Or perhaps it was his way of spurring me to do the same—totally harmless.
But there was something at once chilling and off-putting in the sudden distance that crept between us in the most unexpected moments. It was almost as though he were doing it on purpose; feeding me slack, and more slack, and then yanking away any semblance of fellowship.
The steely gaze always returned. One day, while I was practicing my guitar at what had become “my table” in the back garden by the pool and he was lying nearby on the grass, I recognized the gaze right away. He had been staring at me while I was focusing on the fingerboard, and when I suddenly raised my face to see if he liked what I was playing, there it was: cutting, cruel, like a glistening blade instantly retracted the moment its victim caught sight of it. He gave me a bland smile, as though to say, No point hiding it now.
Stay away from him.
He must have noticed I was shaken and in an effort to make it up to me began asking me questions about the guitar. I was too much on my guard to answer him with candor. Meanwhile, hearing me scramble for answers made him suspect that perhaps more was amiss than I was showing. “Don’t bother explaining. Just play it again.” But I thought you hated it. Hated it? Whatever gave you that idea? We argued back and forth. “Just play it, will you?” “The same one?” “The same one.”

 

aciman

André Aciman (Alexandrië,  2 januari 1951)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 2 januari 2007

 

De Oostenrijkse schrijver Gerhard Amanshauser werd geboren op 2 januari 1928 in Salzburg.