Ik zag de overburen op een ochtend
hun koffers zeelucht pakken.
Mijn karavaan speelkameraadjes was de staart
van hun vlieger die wuivend uit het autoraampje
onder een balkon bleef steken
voor hij de hoek om boog.
Ze togen naar de Zandkastelen Stad onder de rook van Amsterdam, zeiden de achterblijvers, zonder de rook van Amsterdam, zeiden ze want naar zeewind frisse lucht ging hun vlucht van meeuwen die vaders kapitein maakt.
Niet de mijne. Halverwege sloeg de zon zijn schaduw in het aquarium van onze etage waar ik tegen het glas gedrukt steeds bleker hun verdwijning na bleef staren tot ze de hoek om waren van mijn geheugen.
Op de kust, zei mijn moeder later, zijn ook zij uiteengeslagen. Wel bleven ze er wonen, nog een tijdje, in lichte bunkers met open ramen.
Ze is verschrompeld tot bezoekuur
Ze is verschrompeld tot bezoekuur;
op de tijden dat het haar geliefden schikt
schrikken haar vissenogen even wakker
uit hun dommelslaap en lacht zij haar gebit
van kunststof venusbloot, als dit
niet op het kastje ligt te grijnzen.
Ze hoort gewillig steeds dezelfde vragen, Of het goed gaat, zo’n relatief begrip maar haar begrip is even onbeduidend, dus ze knikt; praten gaat niet meer en alles wat ze zegt wordt toch voor zoete koek geslikt. Dus kraait ze
Dat het aldoor heeft geregend. Dat de bloemen zijn verdord, maar nee daar staat alweer een nieuwe bos te glanzen in de vaas. De tijd verglijdt zo traag en haar kinderen zijn nee maar nog steeds in leven. Want ze kunnen als ze willen weg en blijven. Toch nog even.
Moeder en kinderen aan het strand door Jozef Israëls, eind 19e eeuw
Moeder
Zo lang zij rustig leeft
kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg noch geld,
ze doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar, misschien,
gaan wij nog bij haar eten
en lachen als zij zegt:
Het is de laatste keer.
Maar één kort spoedbericht
maakt ons tot zonen,
wat ons gewichtig werd
valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw
en werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg
haar kleine huis betreên.
Ze heeft op ons gewacht.
Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was,
het arm gezicht waarin veel eenzaamheid
berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst
in reeds vervreemdend licht.
Dat wij voorgoed alleen zijn thans,
dat alle bronnen vervloeien in de tijd,
bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed
zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid,
dit wordt ons taaist verdriet
Karel Jonckheere (9 april 1906 – 13 december 1993)
Oostende (Karel Jonckheere werd geboren in Oostende
Hoe ver, hoe ver ik dit alles vind,
het werd een spel, een lief gezeg
van andere mensen, zó is het weg
en vreemd van dat, wat nu begint,
nu dat mijn leven zal gezonken zijn tot een ernst, die ’t al beschreit en tot één grote innigheid van heenbeklagen gaan geslonken,
en nauwelijks een flauwe lach gebleven is van medelijden om wat nog even van ons beiden opleeft in mijn gedenken, ach
hoe liefelijk, zoals wij gerust van ons geluk waren en verkozen ons te behoren, argelozen in wie er nimmer werd bewust,
dat wij vrezen moesten, dat, wat gegeven, in deemoed wilde zijn aangenomen een zorg voor hem, die der dagen komen goed weet; en zie, wat is gebleven?
weet ik nog, dat een hemel stil van licht en mildheid in mij hing? ik luister naar mijn herinnering; een stem wegwankelt, die sterven wil.
Herfstbladen op en af
De vensters langs en straf
over de ruit; gekneusd, gedeukt,
geplet, geplakt, gekreukt
en vaal en grauw van kleur,
een eenzang en een zeur.
O het omslachtig wezen
deze sleur,
mijn ziel verzinkt in ongenezen
verveling
En dan in eens staat overeind
de koestering, de vreugde:
blij, treurig, om het even,
dat ik dit mag beleven,
dat ik dit rijk gebeur
bespeur,
dat deze ogen
zo in de verte zien mogen,
gezonken ik
dit ogenblik
weer in zweven
opgeheven,
als dit blad, dit verbleekte
en natgeweekte.
Zoek heil…
Zoek heil en heul in uw gedichten; doe als ik
en denk om roem en eer geen ogenblik,
maar vind in verzen vrede en zielsgeluk.
Veracht de wereld en zijn vals behagen in afbreuk doen, wat groot is te verlagen en al het kleine en slinkse hoog te dragen.
“It can start in all sorts of strange places: in a pram, up a climbing frame, over a desk, in hospital, under water, up a mountain, at a baby party, on a roof. It positively eschews low lights and seductive music and doesn’t expect roses on Saint Valentine’s Day. It’s not so much the love that dare not speak its name but the love that no-one bothers to mention.
This is friendship, that long-lasting love affair between two consenting adults that has no ring, no anniversaries and usually outlives every other tie. Despite its importance, no magazines are sold on its name, few books, no operas, few plays and the one television programme which might give it a boost, actually called Friends, reminds me of Oscar Wilde’s cheerful adage: A true friend stabs you in the front.
When I started writing A Woman’s Life, I didn’t plan it to be about friendship. I knew it was about three women, American, English and Irishwoman who were all born in 1940 and whose lives would become intertwined. They might have hated each other. They might have crossed continents to avoid each other. But it didn’t turn out that way. They had too much to offer each other and couldn’t resist the pull of friendship. To my surprise, that was what the book became about, a kind of holding theme against the love affairs, wars, marriages and deaths.“
De hooge vloed des zomers is vergleden; Nog gister wiegden we in zijn diepen schoot, Nu proeven wij, bij ’t ’s morgens buiten treden, Iets in de lucht van zaligheid en dood.
Dit is de teerste maand van ’t jaar: October, Die, van in damp gebroken licht verzaad, Geheiligd, onaantastbaar-kuisch en sober, Langs een gewijde en stille wereld gaat.
Een nieuwe weelde lokt: het zijn de stralen, Van warmte en wellust algeheel ontdaan, Die door een sfeer van ijle nevels dalen, Als najaarsdraden in een vochte laan.
En, nauw-omstrengeld, zwerven door die prachten Twee zielen, waarvan de een voor de’ ander zwicht, Broeder en zuster van mijn herfstgedachten: De dunne schaduw en het dunne licht.
De schaduw heeft allengs het fulpen donker Van ’t zomerlijke lommer afgeleid. En aan het milde licht bleef glans noch flonker, Alleen een wonderlijke helderheid.
De luister van deze aarde is niet te dooven. Mijn liefde wemelt in een zonnestraal Rondom de laatste rozen dezer hoven Als spel van luiten aan een koningsmaal.
En mijn verlangens trekken met de scharen Van vogels krijtend langs de blauwe lucht, Die dichtbij ’t stralend hart des hemels varen, Terwijl mijn loomte aan de aarde kleeft en zucht.
Ik denk aan U, droom van dit korte leven, En van zijn barren gloed het rustloos vuur, Het bloed mijns harten wilde ik U geven — Zie, ’t werd een roode wingerd langs den muur
0 latere geliefden langs deez’ paden — Wanneer mijn stof al wervelt op den wind, Herdenkt mij: toen mijn voeten hen betraden, Heb ik dit landschap ook zóózeer bemind.
Herdenkt, herdenkt mij dan, maar niet verweven Met de gedachte aan die de harten bluscht, Maar als gij naar de grenzen reikt van ’t leven, In najaarsnachten, warm van liefde en lust.
Aanvaarding
Toen ik jong was, bestond ik in vormen Van het leven dat komen zou: Een vervoerend de wereld doorstormen, Een lied en een eindlijke vrouw.
Het is bij dromen gebleven; Ik heb, wat een ander ontsteelt Aan het immer weerbarstige leven, Slechts als mogelijkheden verbeeld.
Want ik wist door een keuze verloren Ieder ander verlokkend bestaan. Ik heb dan ook niets verkoren, Maar het leven is voortgegaan.
En het eind, dat ik wilde ontvluchten, Is de aanvang gelijk, die het had: Onder Hollandse regenluchten, In een kleine Hollandse stad.
Ingelijfd bij de bedaarden Wordt het hart, dat geen tegenstand bood. Men begint met het leven te aanvaarden En eindlijk aanvaardt men de dood.
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966) Met collega dichter Adriaan Roland Holst (rechts)
De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.
Jazz Fan Looks Back
I crisscrossed with Monk Wailed with Bud Counted every star with Stitt Sang “Don’t Blame Me” with Sarah Wore a flower like Billie Screamed in the range of Dinah & scatted “How High the Moon” with Ella Fitzgerald as she blew roof off the Shrine Auditorium Jazz at the Philharmonic
I cut my hair into a permanent tam Made my feet rebellious metronomes Embedded record needles in paint on paper Talked bopology talk Laughed in high-pitched saxophone phrases Became keeper of every Bird riff every Lester lick as Hawk melodicized my ear of infatuated tongues & Blakey drummed militant messages in soul of my applauding teeth & Ray hit bass notes to the last love seat in my bones I moved in triple time with Max Grooved high with Diz Perdidoed with Pettiford Flew home with Hamp Shuffled in Dexter’s Deck Squatty-rooed with Peterson Dreamed a “52nd Street Theme” with Fats & scatted “Lady Be Good” with Ella Fitzgerald as she blew roof off the Shrine Auditorium Jazz at the Philharmonic
« Ç’a été la boune ânnée du pauvre monde. Vous compornez, avec un hiver de doux temps, un été de coques et pis un automne d’aléctions, tout ça la même ânnée, quoi c’est que vous voulez que je demandions de plusse nous autres ? Pornez une boune grousse hiver frette où c’est qu’une parsoune a grandement besoin de se chauffer. Eh ben, si j4avons du frette, j’avons de la glace ; et si j’avons de la glace sus la baie, je pouvons travorser en petite traîne dans l’anse y ragorner nos écopeaux et nos hâriottes pour nous chauffer. C’te ânnée, c’était un hiver doux, pas de glace, ben pas de frette ; pas d’écopeaux, ben pas besoin de chauffer le poêle à blanc et pis de nous assire dessus. C’est ben arrangé comme ça, et j’ai pour mon dire qu’y a un Bon Djeu exprès pour le pauvre monde… […]
Pour les citoyens à part entchére, je manquons de rien, ça faut le dire. Moi je me lève de bon matin et je fais des crêpes pour que j’en ayons toute la jornée. Arrivé le souère, ils avont été réchauffées deux fois, ça fait que je les mangons avec de la mélasse pour outer le goût. Pis le samedi pis le dimanche, c’est des fayots. […]
Ça fait que là, moi pis Gapi je pouvons aller nous coucher. Un vrai matelas avec des ressorts que le prêtre nous a douné. Même que les ressorts nous rentront dans l’échine si je pornons pas garde. »
De mist vriest aan: het bos is wit. Vier harige uitheemse ossen, huiverend, hun kop gebogen, staren naar de harde mossen. Ik schrik ervan hoezeer zij lijken op een mens die al zijn dromen plots is kwijtgeraakt en weet er niks voor in de plaats te krijgen. Goed, nieuwe winter aan de kust, de gloed van waanzin in mijn ogen dempt je kou die door mijn leden trekt, dus ik maak me niet meer druk om wat oprukt tussen de bomen, de tanden blinkend in de gesperde bek.
Onder de lichtboom (Fragment)
Zoals golven, zonder duidelijk begin, misschien als rimpeling veroorzaakt door een vis, zich naargelang de wind, onstuimig of gedwee, verheffen uit de zee – hun uitwaaierend schuim al zien ontbloeien tot bewolking –, en een moment in evenwicht van gravitatie en cohesie wachten op het breekpunt waarvoor zij zich gesteld zien door de wereld der verschijnselen,
zo raakt ook de mens – geboren uit het weids gebaar van een korrel zand – op de toppen van zijn bloei, zijn wil, zijn werk, zijn visie, er plots van doordrongen dat hij ten hemel dacht te reiken in een almaar magistraler expanderend vergezicht, maar in feite slechts zijn idolen achterna stuift op de rimpelloze stranden terwijl nieuwe kelen fluisteren van het tegenlicht dat al in de ogen van de volgelingen openbreekt, verwonderd hoe virtuoos en hoe viriel dat gaat,
en staat men op een dag – het regent zonder twijfel, onzekerheid beweegt de lucht – onder een boom in juni, telt als voor het eerst de vingers van zijn hand, leest in de nerven van een blad de vele namen van de liefdes die men dacht verdrongen, en huivert, voelt opnieuw de oude kou van afscheid nemen, het nieuwe schrijnen in de wond die ons doet wankelen, en die boom in juni, sacraler dan een kathedraal, breder dan een boulevard, staat daar maar – al meer dan honderd jaar.
„It’s the first day of spring 2001, and Maxine Tarnow, though some still have her in their system as Loeffler, is walking her boys to school. Maybe they’re past the age where they need an escort, maybe Maxine doesn’t want to let go just yet. It’s only a couple blocks, it’s on her way to work, she enjoys it, so?
This morning, all up and down the streets, what looks like every Callery Pear tree on the Upper West Side has popped overnight into identical white clouds of pear blossoms. As Maxine watches, sunlight finds its way past rooflines and water tanks to the end of the block and into one particular tree, which all at once is filled with light.
“Mom?” Ziggy in the usual hurry. “Yo.”
“Guys, check it out, that tree?”
Otis takes a minute to look. “Awesome, Mom.”
“Doesn’t suck,” Zig agrees. The boys keep going, Maxine enjoys the tree half a minute more before catching up. At the corner by long-implanted reflex she drifts into a pick so as to stay between them and any driver whose idea of sport is to come around the corner and run you over.
Sunlight reflected from apartment windows has begun to show up in blurry patterns on the fronts of the buildings across the street. Two-part buses, new on the routes, creep the crosstown blocks like giant insects. Steel shutters are being rolled up, early trucks are double-parking, guys are out with hoses cleaning off their piece of sidewalk. Unhoused people sleep in doorways, scavengers with huge plastic sacks full of empty beer and soda cans head for the markets to cash them in, work crews wait in front of buildings for the super to show up. Runners are bouncing up and down at the curb waiting for the lights to change. Cops are in coffee shops dealing with bagel deficiencies. Kids, parents, and nannies wheeled and afoot are heading in all different directions for schools in the neighborhood. Half the kids seem to be on new Razor scooters, so to the list of things to keep alert for, add ambush by rolling aluminum.”