Alex Boogers, Lieve Joris, Allard Schröder, John van Ierland, Peter O. Chotjewitz, Harriet Beecher Stowe, Hermann Kant, Jerzy Kosiński, Thomas Graftdijk

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: Alleen met de goden

“Het gevaarte stuwde allerlei rommel voort, beelden die in mijn hoofd kropen en die bezit van me wilden nemen. Het hield me uit mijn slaap en als ik eenmaal sliep zorgde het voor nachtmerries. Wanneer ik wakker schrok kreeg ik de beelden niet meer uit mijn hoofd. Het leek een ziekte. Ik lag bezweet in bed, met hartkloppingen, en met drukte en lawaai in mijn hoofd. Ik wist niet wat ik ermee aanmoest tot ik begon op te schrijven wat ik zag. Dat hielp. De beelden waren niet langer angstaanjagend. Ze vertelden verhalen die ik niet begreep. De volgende dag verborg ik mijn schrift onder mijn matras, uit schaamte. Ik leerde van papa Leeuw dat je voor niks bang moest zijn, maar ik durfde de schriften ook hem niet te laten zien. Mijn vader had geweldige vuisten waarmee hij soms wild om zich heen zwaaide en dan kon je beter niks tegen hem zeggen. Ik werd steeds rustelozer en begon meer schriften onder mijn matras te verzamelen. Mijn favoriete woorden waren ‘fuck you’, want dat hoorde ik vaak in de Amerikaanse films waar mijn moeder naar keek als ze in haar fauteuil zat te roken. Ze zei zelf nooit ‘fuck you’, want mijn moeder was een Hollandse vrouw. Ze zei vaak ‘krijg de tyfus’, en mijn vader zei dat mijn moeder de beste vertaalster was die hij kende.
‘Wat achtervolgt ons, papa Leeuw?’
Ik zat voor de zoveelste keer rechtop in bed en keek naar het speelgoed in mijn kamer, naar het plastic beeld van Reintje de Vos, naar de stiften en tekenspullen op mijn tafeltje, naar de opgezette Vlaamse gaai aan mijn muur, en naar de poppetjes van Star Wars. Ik hield van C-3PO en Chewbacca. Mijn vader leek op Chewbacca. Hij was ook groot en harig. Niet zo harig als Chewbacca, maar wel net zo sterk, en hij had een harde, dikke buik.
‘Wat achtervolgt ons?’ vroeg hij verbaasd. Hij ging op de rand van mijn bed zitten. Ik knikte en voelde hoe ik zweette onder mijn armen. Ik had in mijn slaap als een bezetene gerend, op de vlucht voor een groot, onheilspellend gevaarte, dat als een woest beest achter me aan galoppeerde. Ik piepte als een bibberend vogeltje dat uit zijn nest gevallen was. Daarna werd ik wakker en schreeuwde om mijn moeder, maar die kwam nooit.”

 

 
Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

Lees verder “Alex Boogers, Lieve Joris, Allard Schröder, John van Ierland, Peter O. Chotjewitz, Harriet Beecher Stowe, Hermann Kant, Jerzy Kosiński, Thomas Graftdijk”

Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens, Dorothy L. Sayers, Franz Alfred Muth

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

 

Sonnet II

If that apparent part of life’s delight
Our tingled flesh-sense circumscribes were seen
By aught save reflex and co-carnal sight,
Joy, flesh and life might prove but a gross screen.
Haply Truth’s body is no eyable being,
Appearance even as appearance lies,
Haply our close, dark, vague, warm sense of seeing
Is the choked vision of blindfolded eyes.
Wherefrom what comes to thought’s sense of life? Nought.
All is either the irrational world we see
Or some aught-else whose being-unknown doth rot
Its use for our thought’s use. Whence taketh me
A qualm-like ache of life, a body-deep
Soul-hate of what we seek and what we weep.

 

Sonnet III

When I do think my meanest line shall be
More in Time’s use than my creating whole,
That future eyes more clearly shall feel me
In this inked page than in my direct soul;
When I conjecture put to make me seeing
Good readers of me in some aftertime,
Thankful to some idea of my being
That doth not even my with gone true soul rime;
An anger at the essence of the world,
That makes this thus, or thinkable this wise,
Takes my soul by the throat and makes it hurled
In nightly horrors of despaired surmise,
And I become the mere sense of a rage
That lacks the very words whose waste might ‘suage.

 

Sonnet IV

I could not think of thee as piecèd rot,
Yet such thou wert, for thou hadst been long dead;
Yet thou liv’dst entire in my seeing thought
And what thou wert in me had never fled.
Nay, I had fixed the moments of thy beauty-
Thy ebbing smile, thy kiss’s readiness,
And memory had taught my heart the duty
To know thee ever at that deathlessness.
But when I came where thou wert laid, and saw
The natural flowers ignoring thee sans blame,
And the encroaching grass, with casual flaw,
Framing the stone to age where was thy name,
I knew not how to feel, nor what to be
Towards thy fate’s material secrecy.

 

 
Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)
Fernando Pessoa door João Beja

Lees verder “Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens, Dorothy L. Sayers, Franz Alfred Muth”

Virginie Despentes

De Franse schrijfster en filmmaakster Virginie Despentes werd geboren in Nancy, Meurthe-et-Moselle, op 13 juni 1969. Na haar jeugd in de Elzas verhuisde zij naar Lyon, waar ze onder andere werkte als huisbediende, prostituee in massagesalons en peepshows, verkoopster, freelance rockjournaliste en recensente van pornofilms. “Baise-moi”, haar eerste roman over twee meiden en hun moordende tocht door Frankrijk was een succès de scandale. Het boek werd in 2000 door Despentes verfilmd met in de hoofdrollen Coralie Trinh Thi, Raphaela Anderson en Karen Lancaume. Zowel de roman als de film zorgden voor veel ophef vanwege het geweld, de expliciete seks en rauwe taal van de vrouwelijke protagonisten. Despentes verhuisde naar Parijs, waar in 2001 “Les Jolies choses” eveneens werd verfilmd, met in de hoofdrollen Marion Cotillard en Stomy Bugsy. De film werd datzelfde jaar bekroond met de prix Michel d’Ornano op het Festival van Deauville.In 2006 verscheen haar essay “King Kong théorie” over haar ervaringen in de Franse seksindustrie. In 2009 regisseerde ze de documentaire Mutantes (Feminist Porn Punk). “Bye Bye Blondie” werd in 2011 verfilmd, met Béatrice Dalle en Emmanuelle Béart in de hoofdrollen. Despentes won in 1998 de Prix de Flore en in 1999 de Prix Saint-Valentin voor « Les Jolies Choses »; in 2010 werd de roman « Apocalypse Bébé » bekroond met de Prix Renaudot.

Uit: Les jolies choses

« Catégorie pétasse, celle-ci éliminait du monde. Moulée dans du jean blanc et chemisier serré, acceptant de boire un coup avec lui. Comment et quoi elle voulait obtenir de lui, avec ses gros nibards, son ventre plat et ses hanches arrondies. Elle avait un cul fascinant, qu’elle savait dans quel futal mettre. Ils s’en étaietn jeté un au comptoir; Elle rigolait facile, semblait contente d’être là. … Elle avait des dents blanches, impeccables. Elle jouait beaucoup avec ses cheveux, une façon d’ê”tre ravissante… Elle sentait bon, il pouvait sentir son odeur en étant assis en face d’elle. Elle croisait sagement ses mains sur la table, et ses ongles étai’etn roses. C’était impossible pour Nicolas de discenrer si elle était toute kitsch pour faire genre c’est mon genre, ou bien si elle trouvait ça classe, premier degré. plus tard, à plusieurs reprises, il lui demanderait : “Mais pourquoi tu te sapes pouffe à ce point ?” Levant les yeux au ciel elle répondrait : “Ecoute coco, tu peux me sortir toutes les salades du monde, ce que je sais c’est que les hommes adorent ça. Que ça soye aburde c’est pas le propos, ce qui compte c’est qu eça marche à chaque fois.
(…)

A force, il connaît ses petites manigances de fille pas bienveillante. Qu’elle couche avec lui ou pas, l’homme reste son pire ennemi. Les premières fois qu’elle coince un mec, elle est gentille comme une nounou, entre deux pipes, vraiment sympa. Jusqu’au jour où elle disparait, elle fait ce coup-là presque chaque fois, l’histoire qu’ils sentent comme ils y tiennent. Quand elle y retourne, c’est du sérieux, et les lascars se mettent à payer. Jusqu’au jour où ça ne suffit plus à Claudine, les cadeaux, les attentions, les preuves d’amour. Alors c’est la phase finale : elle s’arrange pour qu’ils apprennent non seulement qu’elle se fait tirer ailleurs, mais surtout combien elle aime ça. Elle laisse échapper, feignant un désarroi sincère “si tu savais come il me fait jouir”. Nicolas remarque : “Je suis content qu’on couche pas ensemble. Claudine répond : – Aucun mérite, je suis pas ton genre. Son genre à lui, c’est mettre un point d’honneur à pas baiser les filles qui se trouvent belles. Juste pour les faire chier, celles qui croient avoir un don de séduction imparable. Il a compris ça fait longtremps qu’il est beau gosse qu’il plait beaucoup, sans pour autant bien saisir à quoi ça tient. Rien qu’il apprécie davantage que chauffer une pétasse impeccable, jusqu’à la sentir bien brûlante. Et ne pas la toucher. En revanche il a un faible pour les physiques ingrats, ça l’émeut come une injustice, il aime bien s’occuper de leur cas, leur dénicher ce qu’elle ont de bon. Au moins il est sûr qu’il n’est pas le énième à les faire miauler à coups de rein.”

 
Virginie Despentes (Nancy, 13 juni 1969)

Christoph Meckel, Wolfgang Herrndorf, Anne Frank, Renan Demirkan, Djuna Barnes, Sandro Penna, Johanna Spyri H. C. Artmann, Günter Nehm

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Im Vergleich

Und der krumme Hund mit dem Pfennig im Sack
ist ein guter Anblick, verglichen
mit dem krummen Hund ohne Sack und Pfennig.
Der Neger, sein Messer küssend im Dunkeln
ist ein guter Anblick, verglichen
mit dem, der seinen Namen wegwirft und einschläft.
Lustig macht uns der Frierende Franz
verglichen mit dem, der frierend
Zuflucht sucht in seinem Leichnam; es macht uns
lustig was lebt und den Tag im Auge behält.

Der Baum, der Stein, der Regen
braucht nicht verglichen zu werden, erhaben
über jeden Vergleich.
Aber wir können verglichen werden
der Reihe nach, einer am andern,
der Hunger des einen und das Erbrochene des ändern
das Rasierzeug des einen mit der Kehle des ändern
nackt, nackter, entblößt bis auf den Herzschlag
können wir endlos verglichen werden
zu jeder Stunde, auf jedem Abtritt
die Schlaflosigkeit des einen
mit der Geliebten des ändern
der Kältegrad des einen
und die Schmerzmeisterschaft des andern.

Gentleman, die Vergleiche ruinieren uns, sichtbar
sichtbarer mit der Zeit, am sichtbarsten ohne Anlaß
das Stipendium des einen und der Wortschatz des andern
fern, ferner, am entferntesten einer vom andern;
einer immer hat kältere Füße
und schwärzeres Mehl in den Knochen, einer wird immer
gefischt aus dem Wasser, das grundloser ist
als das grundlose Wasser vom letzten Mal.

Steh auf, schlag den Kopf an die Wand im Vergleich
mit dem schärfsten Schmerz
mit dem härtesten Knochen!
Geh hin, zieh dich aus im Vergleich
mit der schmutzigsten Haut, mit der löchrigsten Decke!
Die Superlative halten sich schadlos
verzehren uns, persönlich und unpersönlich
während wir uns ausruhn von Hart
und Härter und Steinhart
und wir übertreffen sie, lebend und nichts sonst
und drehn uns zur Wand im Vergleich
zu früher und später
und sterben, verglichen mit niemand
tot, tot im Vergleich zu Luft und Asche.

Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Lees verder “Christoph Meckel, Wolfgang Herrndorf, Anne Frank, Renan Demirkan, Djuna Barnes, Sandro Penna, Johanna Spyri H. C. Artmann, Günter Nehm”

William Styron, Sophie van der Stap, N. P. van Wyk Louw, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Ben Jonson, Yasunari Kawabata

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook alle tags voor William Styron op dit blog.

Uit: Darkness Visible

“I felt a kind of numbness, an enervation, but more particularly an odd fragility—as if my body had actually become frail, hypersensitive and somehow disjointed and clumsy, lacking normal coordination. And soon I was in the throes of a pervasive hypochondria. Nothing felt quite right with my corporeal self there were twitches and pains, sometimes intermittent, often seemingly constant, that seemed to presage all sorts of dire infirmities. (Given these signs, one can understand how, as far back as the seventeenth century-in the notes of contemporary physicians, and in the perceptions of John Dryden and others—a connection is made between melancholia and hypochondria; the words are often interchangeable, and so were used until the nineteenth century by writers as various as Sir Walter Scott and the Brontes, who also linked melancholy to a preoccupation with bodily ills.) It is easy to see how this condition is part of the psyche’s apparatus of defense: unwilling to accept its own gathering deterioration, the mind announces to its indwelling consciousness that it is the body with its perhaps correctable defects—not the precious and irreplaceable mind—that is going haywire. In my case, the overall effect was immensely disturbing, augmenting the anxiety that was by now never quite absent from my waking hours and fueling still another strange behavior pattern—a fidgety recklessness that kept me on the move, somewhat to the perplexity of my family and friends.
…By now I had moved back to my house in Connecticut. It was October, and one of the unforgettable features of this stage of my disorder was the way in which my own farmhouse, my beloved home for thirty years, took on for me at that point when my spirits regularly sank to their nadir an almost palpable quality of ominousness. The fading evening light—akin to that famous “slant of light” of Emily Dickinson’s, which spoke to her of death, of chill extinction—had none of its familiar autumnal loveliness, but ensnared me in a suffocating gloom. I wondered how this friendly place, teeming with such memories of (again in her words) “Lads and Girls,” of “laughter and ability and Sighing,/ And frocks and Curls,” could almost perceptibly seem so hostile and forbidding. Physically, I was not alone. As always Rose was present and listened with unflagging patience to my complaints. But I felt an immense and aching solitude. I could no longer concentrate during those afternoon hours, which for years had been my working time, and the act of writing itself, becoming more and more difficult and exhausting, stalled, then finally ceased.”

 

 
William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

Lees verder “William Styron, Sophie van der Stap, N. P. van Wyk Louw, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Ben Jonson, Yasunari Kawabata”

Athol Fugard, Nnimmo Bassey, Jules Vallès, George Wither, Barnabe Googe

De Zuidafrikaanse schrijver Harold Athol Lannigan Fugard werd geboren op 11 juni 1932 in Middelburg, Kaapprovincie. Zie ook alle tags voor Athol Fugard op dit blog.

Uit: Hello And Goodbye

„HESTER. Ja, that’s right.
JOHNNIE. YOU will?
HESTER [ignoring his question]. You were always daring me. You used to find it—the thing you were too scared to do, and dare me, and watch while I did it and got into trouble. That’s what you want, hey? You and him. `Hester’s in trouble again, Pa!’
JOHNNIE. You won’t?
HESTER. No. [She goes back to the papers.]
JOHNNIE [to himself]. Too much to hope for.
HESTER. You won’t get rid of me that easily.
JOHNNIE. But I tried. Whatever happens nobody can say I didn’t try. Be brave.
HESTER [readingfrom one of the papers]. ‘Johannes Albertus Smit.’ That’s you.
JOHNNIE. Yes, in full. What’s it say?
HESTER [scanning the letter]. ‘Your application. . . The Kroonstad Railway School. From the Principal. Saying they accept your application to be a learner-stoker. And a second-class voucher to get there. November, 1958.
JOHNNIE. Too late now.
HESTER. But you said you tore up your application.
JOHNNIE. That’s right.
HESTER. Because you didn’t want to go.
JOHNNIE. So?
HESTER. So here he says he got your application.
JOHNNIE. These things happen. [Pause. Hester thinks about this.]
HESTER. No. No, they don’t. He wouldn’t tell you to come if you didn’t have asked him if you could come.
JOHNNIE. Where does that get us?
HESTER. You did post that application.
JOHNNIE. I see.
HESTER. But you told me you didn’t.”

 

 
Athol Fugard (Middelburg (ZA), 11 juni 1932)
Scene uit een opvoering in Kaapstad, 2014

Lees verder “Athol Fugard, Nnimmo Bassey, Jules Vallès, George Wither, Barnabe Googe”

Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Langs lijnen van geleidelijkheid.

“Het pension van de marchesa Belloni was gelegen in een van de gezondste, zoo niet dichterlijkste wijken van Rome: de helft van het huis was een gedeelte van een villino der oude Ludovisi-tuinen; de oude mooie tuinen, betreurd door een ieder, die ze gekend had, vóór de nieuwe kazernewijken verrezen waren, waar eerst het Romeinsche villa-park zich had uitgestrekt. Het pension stond in de Via Lombardia; het oude villino-gedeelte had voor de locataires van de marchesa zekere antieke bekoring gehouden, en het nieuw aangebouwde perceel bood aan: ruime kamers, moderne waterleiding en electrisch licht. Het pension had een zekere reputatie van goed en goedkoop en aangenaam gelegen te zijn; enkele minuten wandelens van den Pincio af, hoog gelegen, behoefde men er niet voor malaria te vreezen, en de prijs, dien men er voor een langer verblijf betaalde, en die acht lire nauw-lijks te boven ging was buitengewoon voor Rome, bekend als duurder dan iedere andere Italiaansche stad. Zoo was het pension dan ook meestal vol: de reizigers kwamen reeds in October – die het vroegst in den season kwamen, betaalden het minst; en behalve enkele haastige toeristen, bleven zij meest allen tot Paschen, om na de groote kerkfeesten naar Napels af te zakken.
Het pension was door Engelsche reiskennissen zeer aanbevolen aan Cornélie De Retz van Loo, die alleen in Italië reisde, en uit Florence geschreven had aan de marchesa Belloni. Het was de eerste keer, dat zij in Italië reisde; het was de eerste keer, dat zij uitstapte aan het groote holle station bij de Thermen van Diocletianus, en op het plein, in de gouden zonnelucht van Rome, terwijl de groote fontein van de Acqua Marcia ruischte, en de koetsiers klapperden met de zweepen en met de tong – om haar aandacht te trekken – kreeg zij hare ‘lieve Italiaansche sensatie’, zooals zij dacht, en was blij in Rome te zijn.
Zij zag een oud moeilijk loopend mannetje op haar toe komen, met het instinct van een oud-gedienden portier, die zijn reizigers dadelijk herkent, en zij zag op zijn pet: Hôtel Belloni, en wenkte hem, en glimlachte. Hij begroette haar als een oude kennis, met familiariteit en eerbied tegelijk, als was hij blij haar te zien – vroeg of zij prettig gereisd had, of zij niet moê was, geleidde haar naar de victoria, schikte haar plaid, haar valies, vroeg het biljet van hare koffers, en zeide, dat zij maar gaan moest: in tien minuten volgde hij met de bagage. Zij kreeg een gevoel van gezelligheid, van verzorgd te worden door het oude hinkende mannetje, en knikte hem vriendelijk toe, terwijl de koetsier wegreed. Zij gevoelde zich licht en luchtig, met even den weemoed van iets onbekends, dat haar gebeuren ging: en zij zag links en rechts, als om nu te zien de straten van Rome: zij zag alleen maar huizen en huizen, kazernehuizen; toen een groot wit paleis: het nieuwe Palazzo Piombino – waar zij wist, dat de Juno Ludovisi was – en toen hield hij stil, en een knoopenjongetje kwam naar haar toe.”

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Hier met zijn hond Brinio

Lees verder “Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow”

Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović, Tijl Nuyts

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Zie ook alle tags voor Ion Creanga op dit blog.

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu en R.C. Johnston)

“One day what should come into the priest’s head but to inspect our prayerbooks. Seeing them all bloodstained, he clutched his head in horror. As soon as he found out how they had got into this shocking state, he summoned each one of us in turn to Dapple-Grey’s back and began to belabour us with St. Nicholas, bishop in partibus, as retribution for the pains the martyred flies and the holy bumble-bees had suffered at our hands.
Not long after this, one day in the month of May, close upon the Whitsun Moşi1 festival, the Evil One prompted Master Vasile, the blockhead, for I have no better word for him, to appoint a fellow called Nică, Costache’s son, to test my knowledge. Nică, who was older than me and whose scholarship was a trifle more than non-existent, had quarrelled with me on account of little Smaranda, whom, one day, with every sign of regret, I had been forced to shove away because she would interfere with my catching flies. So Nică began to examine me, and just went on examining and examining and didn’t he just score mistakes wholesale on a piece of shingle: one, two, three, and so on up to twenty-nine! “My word, this is past a joke,” I said to myself. “He has not yet finished examining me, and think of all the mistakes to come!” All of a sudden, everything went black in front of me and I began to tremble with anger. “Well, well, I am in a hole! What’s to be done about it?” I kept asking myself. Slyly I glanced at the door of salvation and kicked my heels impatiently, waiting for some loiterer outside to come in, for there was a school rule that two people should not walk out at the same time. My heart was fit to burst within me seeing that no one would come in and give me a chance of escaping mounting Dapple-Grey and receiving the blessing of St. Nicholas, that dispenser of black and blue.“

 

 
Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)
Het geboortehuis van Ion Creanga, nu museum

Lees verder “Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović, Tijl Nuyts”

D. Hooijer

De Nederlands schrijfster D. Hooijer (pseudoniem van Catharina Antonetta (Kitty) Ruys-Krijgers Janzen) werd geboren in Hilversum op 10 juni 1939. D. Hooijer debuteerde in 2001 met de verhalenbundel “Kruik en Kling”. In 2004 verscheen haar tweede bundel “Zuidwester meningen”. De openingszinnen van het titelverhaal lijken programmatisch voor haar unieke stijl: ‘Mensen die aan zee wonen hebben een bollere mening dan mensen in het binnenland. Dat komt door de zuidwester. Je moet ook harder praten in die wind en misschien korter.’ Meer nog dan in haar debuut richtte Hooijer haar blik op de rafelranden van menselijk gedrag, op dat wat in alle onbeholpenheid aandoenlijk is. Haar stijl was pontificaal, laconiek, humoristisch en volstrekt persoonlijk. In 2008 werd Hooijer de Libris Literatuur Prijs toegekend voor haar derde bundel “Sleur is een roofdier”. De jury loofde de winnares aldus: “De auteur heeft alle registers van het vertellen opengetrokken. Dat leverde negen ongewone, fascinerende verhalen op, waarin niets vaststaat, afgerond of eenduidig is. In die verhalen heeft zij een delicaat evenwicht weten te vinden tussen vertelling en vertelwijze, tussen inhoud en vorm. Hooijer slaagt erin te verrassen, te ontroeren en te doen lachen”. In 2009 verscheen Hooijers eerste roman “Catwalk”, waarover zij met een verwijzing naar een recensie in NRC Handelsblad over haar prijswinnende boek laconiek vaststelde ‘Dat moest van Janet Luis’. Het bleek een on-Nederlandse ‘sitcom’ over gestorven echtgenoten, een stikwarme zomer in Nederland, modeshows, erfenissen, richtmicrofoons en seks op leeftijd. Haar tweede roman “De wanden van Oeverhorst” beschrijft het leven in ‘een krap draaiende privé-inrichting met een wachtlijst’ voor tijdelijk gestoorden. D. Hooijer staat ook bekend als illustrator van boeken. Voorheen schreef zij voornamelijk gedichten onder het pseudoniem “Milly Wiers” die werden gepubliceerd bij de kleine uitgeverij De Beuk en in De Revisor, maar die vonden weinig gehoor.

Uit: De zomer

“Op het Huis werden de tekenlessen ‘vrije expressie’ genoemd. Maar van zomaar expressie werden mijn leerlingen baldadig dus gaf ik ze algauw een straffe tekenles. Ik vroeg ze om hun ogen te gebruiken. Soms zong de hele klas met dichte ogen, ‘ik zie wat ik zie’, terwijl ze tastende gebaren maakten als van een blinde. Kleurenleer gaf ik ook omdat ze schrokken van geel over blauw of zwart over wit. Het waren heerlijke uren, iedereen schilderde mooi, iedereen hield van zijn eigen werk het allermeest en aan het eind van de les wilden ze pas weg als ik zei dat het papier nu moest drogen. We hingen de natte vellen in de tocht, in de wind eigenlijk want in die warme zomer stonden de ramen tegen elkaar open.
Het is niet mijn bedoeling om aan te tonen dat patiënten geniaal zijn of normaler dan hun arts, het gaat me om mevrouw Blakers die ons probeerde te belazeren, mij en de anderen, en die daarin geslaagd is.
Ik was labiel in die tijd en mijn eigen tekeningen waren een raadsel voor me maar ik maakte ze nu eenmaal: handen die op steunzolen voortliepen of omhooggestoken voeten met ringen en sigaretten tussen de tenen. Voeten en handen waren afzonderlijk te koop maar de mensen zochten altijd een voet en een hand bij elkaar op huidskleur of nagellak. Zo hadden ze nog net een beetje een persoon, zo werden ze naast elkaar in de kamer opgehangen.
Labiel dus, mijn leerlingen zagen het ook. Ze zeiden het niet hardop maar zodra er een ploeg studenten onze gang opkwam om te kijken hoe in deze goed bekendstaande inrichting therapie werd gegeven, riepen ze: ‘Jongens, allemaal zitten, u ook juffrouw Antoinette.’ En dan holden we naar onze tafeltjes en gingen zitten met de armen over elkaar. De studenten kwamen binnen, de leerlingen zaten te lachen en riepen dat het bezoek moest aanwijzen wíe hier de lessen gaf. En altijd werd mevrouw Blakers aangewezen. Ze was goed gekleed zonder aanstellerij. Haar manier van zitten gaf de doorslag, de armen voor zich op tafel en de handen losjes ineen. Lichaamstaal was nieuw in die tijd. De studenten zeiden dat ze aan mijn schouders zagen dat ik de juf niet was. Altijd wezen ze mevrouw Blakers aan. Een echte lerares maar géén tekenlerares. Wij tekenleraressen droegen vale truien met daaronder zichtbaar bij de wijde hals, zeker twee T-shirts in bestorven kleuren. Ons haar was dof van het terugkammen, maar de wimpers glommen olieachtig van de mascara. Zo worden we tegenwoordig niet aangenomen.
Mevrouw Blakers maakte van die eenvoudige, fleurige tekeningen. Maar toen er op een vergadering besloten werd dat ze naar huis kon, zei ik dat haar werk verontrustend was. Ik begon uit te leggen dat iets ook té fris kon zijn. We worden opgelicht, geen enkel hoofd is zo leeg en vrolijk tegelijk.”

 

 
D. Hooijer (10 juni 1939 – 25 september 2013)

Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

Het landschap denkt ons

Alles ligt klaar voor de wandelaar
De beek langs de weg, het seinhuis
het te smalle trottoir als gedachten
die je ontmoet en dan de jouwe
noemt, ook zonder kaart liggen ze daar
en wie de deur uitgaat ziet ze haast
voor ze ons omhelzen en wij denken
dat wij het doen terwijl de bomen minzaam
zwaaien. En wij doen het soms
maar meestal denkt het landschap ons
en daar ga je

 

Hoekwachters

Ze wachten op minstens 2 trams tegelijk
de hakkenlichters
die tussen twee wallen
hun zwaargeestige momenten staan te kauwen,
op minstens 2 trams die in vereiste richting
met de bel mee gaan.
Ze wachten als doodgetrapte ballonnen
deze pikstekige vrouwspersonen
en de mannen aan toonder,
even onbedaarlijk als schaamteloos staan ze daar
in de beklemming van hun natte jas
weg te raken. In portieken gedrukt
tegen de regen vraagt hun ongeduld
toch verhuld om uitstel van bestemming:
met lege tas willen de hoekwachters liever
de tram niet in.
Wat doe ik ik hun plastic zak?
– een föhn die kastanjegeur blaast
een brilmontuur van konijnebout
een schubje zeemeermin
en een nieuw papiertje voor maart (de weekends
uitgezonderd), een spijker een mes en een touwtje
een vies vloekblaadje een stukje
zuidelijk halfrond en een eigen houtje
voor het bijten. Een 45-
strippenkaart voor lijn 1 t/m 100.

 

 
Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

Lees verder “Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt”