Sinterklaas – Kapoentje (Simon Franke), Hanif Kureishi, Christina Rossetti


Bij Sinterklaas


Illustratie uit Sinterklaas – Kapoentje door Freddie Langeler, 1928


Uit: Sinterklaas – Kapoentje

Het was in de stad een gedraaf van belang,
een hollen, een haasten, een jachten.
Men had in de winkels geen helpers genoeg
en moest er soms urenlang wachten.
De knecht van Sint-Niklaas ging overal rond,
naar winkels in stad en land
en kocht wat hij zag voor Sint-Nicolaas op,
om straks te geven met gulle hand.
Hij glom van de pret, en zo zwart als hij was,
hij had toch een kleur van het jachten.
Hij riep in het Moors, “voor het feest van mijn heer!”
en de ogen van Pieterman lachten.
Hij telde de blinkende goudstukken uit
en liet ze op tafel rinkelen.
Hij sloeg op zijn buidel, een buidel zo groot
en liet daar de tientjes in klinken.
En toen in de stad niets te kopen meer was,
geen bouwdoos, geen poppen, geen boeken,
toen ging hij terug naar ’t hotel van de Sint
om ’t eerste de stal te bezoeken.
Hij poetste de schimmel en roste hem glad
en wreef met een doek zijn benen,
gaf hem een extra schep haver uit ’t vat
en ook nog twee grote penen.
Toen bracht hij de Sint, die moe was, naar bed…
En overal werden de schoentjes gezet….


Simon Franke (18 maart 1880 – 24 september 1957)
De stoomboot legt aan in Volendam. Middelie, de geboorteplaats van Simon Franke behoort tegenwoordig to de gemeente Edam-Volendam.


De Britse schrijver en regisseur Hanif Kureishi werd geboren op 5 december 1954 in Bromley, Kent. Zie ook alle tags voor Hanif Kureishi op dit blog.

Uit: Intimacy

“It is the saddest night, for I am leaving and not coming back. Tomorrow morning, when the woman I have lived with for six years has gone to work on her bicycle, and our children have been taken to the park with their ball, I will pack some things into a suitcase, slip out of my house hoping that no one will see me, and take the tube to Victor’s place. There, for an unspecified period, I will sleep on the floor in the tiny room he has kindly offered me, next to the kitchen. Each morning I will heave the thin single mattress back to the airing cupboard. I will stuff the musty duvet into a box. I will replace the cushions on the sofa.
I will not be returning to this life. I cannot. Perhaps I should leave a note to convey this information. “Dear Susan, I am not coming back …” Perhaps it would be better to ring tomorrow afternoon. Or I could visit at the weekend. The details I haven’t decided. Almost certainly I will not tell her my intentions this evening or tonight. I will put it off. Why? Because words are actions and they make things happen. Once they are out you cannot put them back. Something irrevocable will have been done, and I am fearful and uncertain. As a matter of fact, I am trembling, and have been all afternoon, all day.
This, then, could be our last evening as an innocent, complete, ideal family; my last night with a woman I have known for ten years, a woman I know almost everything about, and want no more of. Soon we will be like strangers. No, we can never be that. Hurting someone is an act of reluctant intimacy. We will be dangerous acquaintances with a history. That first time she put her hand on my arm — I wish I had turned away. Why didn’t I? The waste; the waste of time and feeling. She has said something similar about me. But do we mean it? I am in at least three minds about all questions.
I perch on the edge of the bath and watch my sons, aged five and three, one at each end. Their toys, plastic animals and bottles float on the surface, and they chatter to themselves and one another, neither fighting nor whingeing, for a change. They are ebullient and fierce, and people say what happy and affectionate children they are. This morning, before I set out for the day, knowing I had to settle a few things in my mind, the elder boy, insisting on another kiss before I closed the door, said, “Daddy, I love everyone.”

Tomorrow I will do something that will damage and scar them.
The younger boy has been wearing chinos, a grey shirt, blue braces and a policeman’s helmet. As I toss the clothes in the washing basket, I am disturbed by a sound outside. I hold my breath.
She is pushing her bicycle into the hall. She is removing the shopping bags from the basket.
Over the months, and particularly the last few days, wherever I am — working, talking, waiting for the bus — I have contemplated this rupture from all angles. Several times I have missed my tube stop, or have found myself in a familiar place that I haven’t recognized. I don’t always know where I am, which can be a pleasurably demanding experience. But these days I tend to feel I am squinting at things upside down.”


Hanif Kureishi (Bromley, 5 december 1954)


De Engelse dichteres en schrijfster Christina Georgina Rossetti werd geboren in Londen op 5 december 1830. Zie ook alle tags voor Christina Rossetti op dit blog.



Wanneer ik dood ben, liefste,
zing dan geen droevig lied;
en plant geen rozen bij mijn hoofd,
en geen vergeetmeniet:
door druppels dauw en regen
is het gras groen en zacht;
en als je wilt, vergeet je me,
of denkt aan me, en lacht.

Ik voel dan niet de regen,
Ik ken dan niet de tijd;
Ik hoor dan niet de nachtegaal
die zingt alsof hij lijdt:
ik droom dan in het schemer
waar ik geen zonlicht weet;
misschien zal ‘k aan je denken,
misschien dat ‘k je vergeet.


Vertaald door H. F. H. Reuvers


Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)


Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.