Dennis Gaens, Arthur Sze

De Nederlandse dichter Dennis Gaens werd geboren in Susteren op 30 november 1982. Zie ook alle tags voor Dennis Gaens op dit blog.

 

Je moet niet slapen op de Waalbrug

Daar zitten we. De bogen van de brug staan als bolle
golven boven het water. Die brug is een belofte. We
moeten gaan.

Dave vindt dat ik op het verhaal vooruitloop.
In mijn hoofd ben ik er al.

Ik zeg: ‘Luister, meisjes krijgen mooie benen,
jongens grote voeten. Sommige dingen moet je laten gaan,
andere moet je achterna.’

Wij zitten daar en zijn afwezig; liggen liever dan
we lopen. We vergeten dat we uit net genoeg water
bestaan om een vloedgolf te vormen, vergeten dat
we verder kunnen komen.

Dave zegt: ‘Een brug is een brug.’

Het wordt tijd dat hij wakker wordt,
We moeten nodig het water over.

 

DAT DING HEET NIET VOOR NIKS DE EINDER

De enige jongen die ooit dichtbij kwam,
vertelde Lotte dat ze onregelmatig ademt
als ze slaapt.

Ik vroeg haar of ze hem weleens mist.
Ze zei dat dit niet meer was dan punten
die ten opzichte van elkaar zijn verschoven:

‘Alles wat dichtbij ligt lijkt sneller te gaan.
Het wordt trager naarmate je verder gaat,
totdat het langzaam aan de horizon raakt
waar alles stilstaat.’

Ze zei dat hij, met hoe ver hij was gegaan,
inmiddels zo goed als dood moest zijn.

 

ALS JE MAAR VAAK GENOEG SCHIET, RAAK JE WEL IETS

Op de meeste foto’s van ons vijven verdwijnt er een arm net langs de lens,
met achter ons een of ander evenement: niemand schiet platen op normale
dagen. We doen iets met onze haren, dragen onze beste kleren en staan in
poses die we van bandfoto’s hebben afgekeken: twee kijken vooruit, een naar
rechts, weer twee naar beneden. We schoten alles analoog, raakten zelden
wat we zochten.

Ik bewaar de mislukte afdrukken: waarop we vage vlekken zijn, waarop alles
over- of onderbelicht is, waarop niks vastligt. Het zijn foto’s waarvan we
slechts kunnen vermoeden wat het precies was dat we onderbraken om ze te
maken.

Ontwikkelen vergt een donkere kamer en de juiste chemicaliën.

 

Dennis Gaens (Susteren, 30 november 1982)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze  op dit blog.

 

TER ERE VAN JOU

Ter ere van jou presenteert een man een zeebaars
met groen zeewierdraad vastgebonden op een zwartgelakt bord.

‘Oh’ gaat het door de zaal:
je weet niet goed wat er te gebeuren staat.

Je kunt door een telescoop turen naar de volle
stralende maan tegen de diepzwarte ruimte,

van de Bay of Dew naar de Sea of Nectar kijken,
maar nee, dit fraaie benoemen is een uitvlucht.

Wat zijn van jagers die op een zondagmiddag
met lege handen huiswaarts rijden de gedachten?

Hun begrip van eer zou kunnen samenvallen
met jouw begrip van wreedheid? De schuine

lichtbaan van de dalende zon is een mes
dat wil en daad scheidt in oneindig dunne

en lucide laagjes. Je kijkt naar het zeebaarsoog
helder en stralend. De kieuwen lijken te bewegen

o zo lichtjes. De zeebaars ruikt
naar dromen, maar dit is geen droom. ‘Oh,

wat een heerlijkheid’ gaat het door de zaal,
en de staart van de zeebaars plots flapt. Hij

bloedt en flapt, bloedt en flapt terwijl
de gastheer het ene na het andere laagje glanzende sashimi snijdt.

 

Vertaald door K. Michel

 

Arthur Sze (New York,1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e november ook mijn blog van 30 november 2018 en eveneens mijn blog van 30 november 2016 en ook mijn blog van 30 november 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Mario Petrucci, George Szirtes

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

MISS PATIENCE MUFFET

Afternoons in his study I squat
at the mahogany cabinet. Papa and his
rows of plump bodies. One a bruised
grape – another a spotted sultana engorged
in brandy. Some are a meeting of legs
and little else. Bristled tarantulas
light as bird-bone. Diamond-backs.
The Widow’s orange hourglass.
Once, I caught him. Late with a woman –
eight limbs akimbo. Two upturned faces.
Our days spiral out from morning’s
brown-paper packets: India, Indonesia,
Australia, Tasmania. I run scissors
round the edges – plop the drowsy knots
into glass. Then the muff of chloroform.
Formaldehyde. Sulfide of hydrogen. Which
asphyxiant? They kill so differently.
How he’ll wince if legs claw, snap – bit
his lip to a leech of milk when one slipped
up my skirt. I giggled. Kept it alive a week.

But he’s going. Doctor says he’s to stick
to pap. The same as them – those
sots of hair that toboggan the bathtub
then tickle for air between my palms.
Each day his lips are laid with more
purple eggs. Tonight the jaws dribble
and botch at what I bring him. Whey,
soft balls of curd. But he can’t
eat – says the pain, the pain is
sucking him out. Patience, he whispers.
I take the largest wad of cotton,
step up to the bottle. Twist
the stopper from its slender brown
neck. In the water of his eyes

my hair is a clot of spiders.

 

THE ROOM

(Chernobyl, 1986)
This hospital has a room

for weeping. It has no crèche.
No canteen. No washroom queue.

Only this queue for weeping.
No lost property booth. No

complaints department. Or
reception. No office of second

opinion. Of second chances. Its sons
and daughters die with surprise

in their faces. But mothers
must not cry before them. There is

a room for weeping. How hard
the staff are trying. Sometimes

they use the rooms themselves. They
must hose it out each evening.

The State is watching. They made
this room for weeping. No remission –

no quick fixes. A father wonders
if his boy is sleeping. A mother

rakes her soul for healing. Neighbours
in the corridor – one is screaming

It moved from your child to mine.
More come. Until the linoleum

blurs with tears and the walls
are heaving. Until the place can’t

catch its breath – sour breath
of pine. And at its heart

this room.

 

Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

De Britse dichter en schrijver George Szirtes werd geboren op 29 november 1948 in Boedapest. Zie ook alle tags voor George Szirtes op dit blog.

 

AANKOMST

Tenslotte kwamen we aan bij de stad der stilte,
enorm, met hoge muren, haar woeste stoplichten
versprongen in paniek, straten waren bedekt
met dikke dekens. Het was een plek zonder deuren, een reeks
bewegende monden.
Hun ogen spraken uiteraard boekdelen,
dikke naslagwerken. Er was weinig licht om te lezen.
Hun witte handschoenen fladderden voor hen
met grotesk dansende vingers.

Er stond geschreven dat dit alles zo moest zijn.
Hun denk-misdaden, hand-misdaden, hart-misdaden
stonden in lange lijsten genoteerd.
Agenten trokken gezichten of wezen naar plakkaten.
De magistraten sliepen in het park.
NIET STOREN, zeiden de borden.
GEEN LASTIGE VRAGEN STELLEN.

De rest ging door met voeden en opvoeden.
Ze plantten tongen op de begraafplaats,
weelderige struiken van stilte.

 

Vertaald door Rob Schouten

 

George Szirtes (Boedapest, 29 november 1948)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn blog van 29 november 2018 en eveneens mijn blog van 29 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Erwin Mortier, Alexander Blok

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

 

Dichterliebe

Wij zijn toch eedgezworenen, wij
hachelijke druïden van het ongevormde?

Staan wij niet met één been in elk denkbaar
voorgeborchte, in de beate zaligheid

van wat ontbreekt?

Wij hebben toch trouw beloofd – de volheid
der lettergrepen steeds weer te bevolken

met de meest oorspronkelijke stilte?

Wij weten toch goed genoeg dat in de tekens
slechts een spoor rest

van het primordiale tumult?

Hoort ons dan niet de eeuwige ruis toe,
die Ene echo nimmer te laten sterven

in de stomme tucht der woorden?

Zijn wij dan niet langer de poortwachters naast
de definitie, de verwaande zwijgers?

Wij schrijven toch diep in de nacht, in de baar-
moederhals, in het uur der spoken, en wij schrijven

toch ook in de middag het blakend skelet,
in de botte al te zonverlichte zondvloed?

Komt ons dan niet de drift tot verstomming toe?
Zijn wij van spreken niet het schrale sacrament

(beschonken profeten, kalkoenen gods,
van de Boeddha de wankelmoedige paladijnen)?

Geldt onze trouw niet langer het monsterverbond
het stilzwijgend akkoord

tussen het dolle gewoel der dingen
en de sluimer waar de tong in wil verdrinken

als bij wijze van spreken, zeer zeker bij wijze
van spreken, de forel in de fonkelende stroom?

Ach, sliep in de wereld alles maar even glashelder
als katten en jonge meisjes.

 

Te deum laudamus

Majesteit telt zijn dochters in de krant.
Ondertussen schikt zijn gade boeketten
(zij is romantisch,

houdt dus van rozen, en in de sixties
borsthaar in wijd open hemden, toen droeg zij
kettinkjes om haar enkels).

De oude strijders zijn dood, de nieuwe
nog lang niet verhakkeld. IJzig hangt
de vrede in de kransen.

Nergens lopen in onderdanen
nog foetussen mank. Rolstoelen
scheren op veilingen hoge

toppen bij verzamelaars.
Alleen de episcopaten grijnzen

blijvend beaat het Aanschijn
Gods, de Wijsheid, Maria en meringue.

 

Al die puinen op onze aarde

Tenochtitlan, Aleppo, Carthago, Nagasaki en de vergeten Incasteden,
Nineve, de piramiden van Koesj en het Ur der Chaldeeën,

waar onverlaten ooit hun vingers
in leem hebben geduwd en het schrift ontdekten.

Babel, waar de legoblokjes van al onze talen uit een hemeldoos vielen
op de speelgoedvloer van onze beschaving.

We schreven eerst om magazijnen op voorraad te houden,
zegt de traditie.
En toen kwam Gilgamesj, en al het andere.

Schrijven als doelbewust misbruik van rekenmethoden,
lang geleden, in natte klei, ergens in Sumer.

Dat bevalt me wel.

 

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

De Russische schrijver en dichter Alexander Blok werd geboren op 28 november 1880 in St. Petersburg. Zie ook alle tags voor Alexander Blok op dit blog.

 

Nacht, straat, lantaarn, drogisterij

Nacht, straat, lantaarn, drogisterij,
een wereld voos en afgestompt.
Een kwart eeuw gaat misschien voorbij –
dit alles blijft. Geen mens ontkomt.

Je sterft – en weer hetzelfde wacht,
met alle dingen als ze waren:
nacht, ijzig water in de gracht,
drogisterij, straat, en lantaren.

 

Vertaald door Jean Pierre Rawie

 

Alexander Blok (28 november 1880 – 7 augustus 1921)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e november ook mijn blog van 28 november 2020 en eveneens mijn blog van 28 november 2018 en eveneens mijn blog van 28 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

In Memoriam Hans Magnus Enzensberger

 

In Memoriam Hans Magnus Enzensberger

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger is vorige week donderdag, 24 november, op 93-jarige leeftijd overleden. Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Der Unverwundbare

In der Wissenschaft der Unterlassung
hat er es weit gebracht.
Blutrünstig die Verbrechen,
die er nicht beging,
endlos die Heerschar der Fehler,
die er vermieden hat.
Passende bemerkungen,
ungeschwängerte Mädchen
säumen seinen Weg.
Seine Geruchlosigkeit
ist atemberaubend,
sein Leumund
macht jede chemische Reinigung brotlos,
er ist weiß, er niest nicht,
er segnet uns, ist gesegnet.
andere Lebenszeichen
von seiner Seite
sind nicht zu befürchten.
Warzenlos verschwindet er
in seinem eigenen Foto.

 

Die Scheisse

Immerzu höre ich von ihr reden
als wäre sie an allem schuld.
Seht nur, wie sanft und bescheiden
sie unter uns Platz nimmt!
Warum besudeln wir denn
ihren guten Namen
und leihen ihn
dem Präsidenten der USA,
den Bullen, dem Krieg
und dem Kapitalismus?
Wie vergänglich sie ist,
und das, was wir nach ihr nennen,
wie dauerhaft!
Sie, die Nachgiebige
führen wir auf der Zunge
und meinen die Ausbeuter.
Sie, die wir ausgedrückt haben,
soll nun auch noch ausdrücken
unsere Wut?
Hat sie uns nicht erleichtert?
Von weicher Beschaffenheit
und eigentümlich gewaltlos
ist sie von allen Werken des Menschen
vermutlich das friedlichste.
Was hat sie uns nur getan?

 

De instrumenten

Oogschaartje, mergepen, amniohaak –
je hoort het niet graag.
Zelfs de chirurgen passen ervoor op
om ons de steekbeitel te laten zien,
dat zou te hard zijn, de curettagelepel,
dat zou niet beleefd zijn, de hersenspatel
en de leverhaak. Alleen als het pijn doet
in de spoedeisende hulp vertrouwen we ons
met gesloten ogen toe aan de penisklem,
aan de bloedschepper. Dan ja!
Gezegend, zeggen ze, nu ineens,
zijn jullie, vulvaspreider en botrasp,
onze enige hoop
vlak voor de ziekenzalving.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022)

Im Advent (Karl Rudolf Hagenbach), Nicole Brossard

 

Bij de eerste zondag van de Advent

 

Christkindlmarkt auf dem Oberen Stadtplatz von Deggendorf door Peter Jaru, 2012

 

Im Advent

Horch! was klirrt an Thür und Fenstern,
Horch! was rieselt durch den Wind?
Seid nur ruhig, vor Gespenstern
Fürchtet sich kein frommes Kind;
Nur der Englein Flügelrauschen
Hört es wachend und im Traum,
Nur dem Christkind gilt sein Lauschen
Mit dem schönen Weihnachtsbaum.

Christkind naht aus stillen Tritten
Morgens, Abends, für und für,
Horchet auf der Kinder Bitten
Draußen vor der Stubenthür;
Was es ihnen möge bringen
Schönes, Gutes allerlei,
Doch es fragt vor allen Dingen,
Wer da gut und artig sei?

Ferne merkt es die Gedanken,
Leise hört es jedes Wort,
Da wo Linnen ist und Zanken,
Schleicht es bang und traurig fort;
Aber wo mit holden Scherzen
Kinder froh beisammen sind,
Ach, da freut sich deß von Herzen
Das verborg’ne Weihnachtskind;

Freuet sich dem Fest entgegen,
Wie die Kinder alle thun,
Kann auch dieser Freude wegen
Nimmer rasten, nimmer ruhn,
Fliegt in heiligem Entzücken
Himmelaus und Himmelan,
Bis es alle Welt beglücken,
Alle Kinder segnen kann.

Wollen denn des Kindleins warten,
Warten, hoffen, früh und spät,
Bis das Wünschen aller Arten
Reichlich in Erfüllung geht,
Bis du wirklich uns erscheinest,
Christkind! in dem Strahlenkranz,
Jung und Alt im Chor vereinest
Um des Baumes Lichterglanz!

 

Karl Rudolf Hagenbach (4 maart 1801 – 7 juni 1874)
Kerstmarkt op de Münsterplatz in Basel, de geboorteplaats van Karl Rudolf Hagenbach

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

Steden na de ramp

als de stilte overstroomt
het licht voor en na de ramp
steden met de wind in hun haren
omdat je graag rechtop staat om
onder de bruggen het water van de snelle stroom en de levendige bron
te zien rollen door de tijd als in je borstkast
dan zie je ze van ver terugkomen
Paul Celan en Virginia Woolf
die haastig voortisnellen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e november ook mijn blog van 27 november 2021 en ook mijn blog van 27 november 2018 en eveneens mijn blog van 27 november 2017.

Luisa Valenzuela, Nicole Brossard

De Argentijnse schrijfster Luisa Valenzuela werd geboren op 26 november 1938 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Valenzuela op dit blog.

Uit: The Journey (Vertaald door Pablo Baler and Matt Losada)

She spent days trying to get in touch with Bolek by phone. She had no idea how she gave her master class at the Anthropological Association with such galloping anguish. On automatic pilot, of course. Friday at noon she opted for a decisive step. She called the Tel Aviv company and rented a car in order to pick him up at Creedmoor, that grand psychiatric institution. She arrived in one hour; that is, a bit before one, caught Bolek outside his sancta santorum , or better said, his lunatic lunaticorum, and I’ll have him give me some explanations that cannot be given over the phone. He leaves me insulting messages; he is about to get into a plane without even telling me and to top it all off he doesn’t return my calls. It’s too much. No one plays with me. Going by car would cost almost the same reasonable price as going to Kennedy, she had calculated, and she was not wrong. Now she is at home hurrying to get ready. She intends to send the car away at the door of Creedmoor as one who burns her own bridges. She can’t find the map with the directions, in desperation overturns a pile of papers on the kitchen counter, as an answer to her desperation the blessed map appears and she can finally set sail. She tells the driver Take the Triborough to LaGuardia airport and follow Grand Central Parkway to Union Turnpike, exit 22. The second exit, not the first one, eh? since it’s chaotic around here and if you get distracted for a second you get lost forever. Parallel lines do intersect, that is true, and the most dramatic part of it is that once they intersect they start irremissibly moving away from each other, and suddenly you take a street right next to another one and a bit further on you find yourself miles away from your destination. The driver is an unflappable guy. He’s only interested in exact directions. Maybe he thinks his passenger is going to the mental hospital to check herself in by her own will and he’d rather take no chances. His silence protects him, like the thick bullet-proof Plexiglas taxi drivers have on the back of their seats, with a tiny slot for the cash. It’s true that if she had to check herself in—none of us is exempted from having a breakdown—she would fight with her last speck of reason to not be committed by someone else. She would sign her own sentence; she knows the mechanics of it because one time she attended the drama of some old, poor parents who could not free their own daughter from a certain psychiatric institution for the simple reason that they had signed her in themselves. All this is very complex and it’s not to the point, except to define the strange laws governing the confinement of the insane, the pseudo-insane and the mentally disturbed in this part of the planet.”

 

Luisa Valenzuela (Buenos Aires, 26 november 1938)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden met hun oesters

zout op de wangen, daar hou ik van
deze smaak van intieme materie die voedt
gedachten, viooltjes, wijn, blote schouders van zomeravonden
in Sète, Sitges en in de hele Memramcook-vallei
het hoofd boven de stilte
Ik kan mezelf onderdompelen in de oester en het heldere zeezout

grijs, roze of zonder vuur
steden schoongeveegd door het ochtendgloren
overgevlogen als mijnenvelden
met antwoorden ver weg begraven
die lijken op fantoompijn omgeven door
blauwe bloemblaadjes van een middag
steden in het heden zonder afscheid te nemen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e november ook mijn blog van 26 november 2018 en eveneens mijn blog van 26 november 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten ’t Hart, Christian Filips

De Nederlandse schrijver Maarten ’t Hart werd geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten ’t Hart op dit blog.

Uit: Verlovingstijd

“Uitvaart
Op een zonnige, windstille septemberdag stoven wij naar een groeve in Groningen. Jarenlang had mijn moeder daar met mijn stiefvader in Baflo gewoond. Zij was daar, ‘zo dicht onder de poolcirkel’, zoals zij zei, langzaam weggekwijnd. Uiteindelijk had zij mijn stiefvader, vlak voor hij begon te dementeren, zo ver gekregen dat hij erin toestemde om te verhuizen naar de landouwen onder Schipluiden, waar mijn moeder en hij geboren en getogen waren. Als voorwaarde stelde hij wel dat hij in Baflo begraven wilde worden. Vandaar dat wij ons drie dagen na zijn overlijden van Zuid-Holland naar Noord-Groningen begaven.
Dat wij die tocht per touringcar zouden maken, was bij wijze van spreken reeds van voor de grondlegging der wereld door God voorbeschikt. In onze clan worden steevast bij kraamvisites, doopplechtigheden, confirmaties, huwelijken en begrafenissen touringcars ingehuurd. Het kan ook moeilijk anders, daar zowel mijn vader als mijn moeder, prettig overzichtelijk, voorzien is van negen broers en drie zussen. Met wederhelften en nakroost erbij vul je dan algauw een dubbeldekker.
Eerder al waren we, vanwege de huwelijksvoltrekking van mijn moeder en stiefvader, met een touringcar diagonaal door Nederland gekruist. Daags na de begrafenis van mijn vader had mijn moeder mij bezworen dat ze nimmer meer zou huwen. Niettemin had ze mij, nota bene aan de telefoon, een dozijn jaar na de dood van mijn vader totaal overrompeld met de volstrekt onverwachte mededeling: ‘Ik ga weer trouwen.’
‘Met wie?’ had ik gevraagd.
‘Met Siem.’
‘Hoe kom je aan Siem?’
‘In de krant zag ik een overlijdensadvertentie van zijn vrouw. Ik heb hem opgebeld om hem te condoleren. Zo is ’t gekomen.’
Ze had niet toegelicht hoe uit haar condoleance zo miraculeus snel liefde opgebloeid was, maar uiteraard werden we gesommeerd naar de bruiloft in Baflo te komen. Toen mijn broer hoorde dat ons gehavende gezin dankzij dat condoleancehuwelijk met zes stiefzussen zou worden uitgebreid, had hij een week amper geslapen.
‘Niet te geloven, zomaar zes zusjes erbij! Het moet toch gek gaan wil daar niet een sexy stoot bij zijn waar je van omrolt.’
Na onze diagonale dubbeldekkerstocht zaten wij al in het krappe gemeentehuisje van Baflo toen die zes zusjes binnen marcheerden. Zes schonkige, vadsige, wijdbeense wijkverpleegsters. Stuk voor stuk zo hartelijk dat het mij niet deerde dat ze eruitzagen als Deense doggen. Desondanks was mijn broer diep ontgoocheld. Tijdens de trouwdienst-aan-huis weigerde hij om mee te zingen. Toen de dominee, aan het begin van die trouwdienst, bij wijze van alternatief voor het kerkorgel, een taperecorder in de vensterbank had geinstalleerd en daaruit geen ander geluid tevoorschijn wist te toveren dan hevige bandruis, zei mijn broer: ‘Hoor nou toch, lied 33.”

 

Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)
Portret door Jopie Roosenburg-Goudriaan, 1995

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Hete fusie met Aurora

Overschot, overschot, puur overschot.
Sperma van giraffen. rasechte honden.
artisjokharten. liefde, ongevraagd
Zoveel dat ons omringt. Ik droomde gewoon
leeg en wit over de mest, de mest van schapen.
Temidden van de kudde, de heiligste wolkencommune
verscheen ook jij aan mij, wilde met je naar bed,
maar in de vacht van mijn benen, was je al snel niet meer te zien
verdwenen uit angst voor mijn paal, je extravagante
daverend geblaat, dat maaide voor ons neer
al die prachtige Aurora-kosmologie!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen, 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e november ook mijn blog van 25 november 2021 en ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

Hans Sahar, Paul Celan

De Nederlandse schrijver van Marokkaanse afkomst Hans Sahar (pseudoniem van Farid Boukakar) werd geboren in Al Hoceima, Marokko, op 24 november 1974. Zie ook alle tags voor Hans Sahar op dit blog.

Uit: De gebroeders Boetkaboet

“Maar je zegt niks en probeert te denken: hij doet het voor je bestwil, zoals pa altijd zegt. Maar eerlijk… nee. Je weet wel dat alleen de Arabische Koran goed is, omdat er dan geen verkeerde uitleg kan worden gegeven; en dat zal allemaal wel, maar waar kun je nou in godsnaam eerlijk zijn in dit rotleven!
Fadil keek naar buiten, naar de afgebladderde blinde muur van de buren. Hij sliep in dit kamertje met zijn broer, Redouan; de etagewoning was maar klein, niet veel groter dan de cel waarin hij een half jaar vastgezeten had omdat hij samen met zijn vriend Najib een supermarkt overvallen had. De eigenaar werkte niet echt mee, wat hij heeft moeten bekopen met een fikse hoofdwond, waardoor hij een week in het ziekenhuis moest liggen en aan geheugenverlies leed; hij kon zich niks meer herinneren van het laatste half jaar. Hij kon de daders niet aanwijzen, maar Najibs vingerafdrukken op de onderkant van de kassa leverden meer bewijs dan honderd ooggetuigen. Dat was dat. Maar nu was hij eindelijk vrijgekomen. Nou ja… vrij?
Hij zat niet graag bij zijn vader in de huiskamer, want het was altijd hetzelfde gezeur. Dat je moet gaan bidden, dat je een baan moet zoeken, dat je achter een uitkering aan moet, dat je de keuken en de douchecel schoon moet houden, dat de antenneschotel bijna van het balkon valt.Omdat Driss, zijn vader, zelf niet kon lezen en schrijven, moest Fadil hem vaak met van alles helpen. Vooral toen hij een eigen zaak begon. In een oud winkelpand om de hoek had hij nu een stomerij, die al aar dig liep, maar de jongens mochten dáár niet komen helpen, alleen thuis, met de papieren en formulieren: de administratie. Het was zijn trots dat hij helemaal alleen een zaak kon runnen. Anders zouden de mensen kunnen denken dat zijn zoons de zaak hadden opgebouwd en niet hijzelf, en dat zou hij niet laten gebeuren. Hij had meer dan twintig jaar tomaten geplukt in het Westland. Na al die miljoenen tomaten kon hij geen tomaat meer zien.
‘s Avonds zat hij op de bank naar de Marokkaanse zenders te kijken en ondertussen krabde hij op zijn kop, waarbij hij steeds weer die paar plukken haar van de zijkant over zijn kale hoofd streek. Voor boeren en luidruchtig keel schrapen schaamde hij zich ook niet.
Boven de bank hing een groot, kleurig wandkleed met een afbeelding van de Kaäba in Mekka erop, en aan de andere muur hing de lioemia, de gebedskalender, die Driss nauwkeurig bijhield. Op de tv en in de vensterbank stonden grote, glimmende, goudkleurige vazen met de prachtigste plastic bloemen, in felle kleuren.
Ze aten altijd tajine, want alle drie konden ze dat goed klaarmaken. Soms bracht Fadil iets mee van de Chinees, maar dat moest Driss niet omdat Chinezen volgens hem honden eten, en je bent wat je eet.”

 

Hans Sahar (Al Hoceima, 24 november 1974)

 

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.  Hier volgt de vertaling van een vroeg gedicht uit 1947.

 

En met het boek uit Taroessa

            Все поэты жиды
            Marina Tsvetajeva

Over
het sterrenbeeld hond, de
lichtster erin en de dwerg-
lamp die meeweeft
aan aardwaarts gespiegelde wegen,

over
pelgrimsstaven, ook daar, over zuidelijks, vreemd
en nachtvezelnabij
als onbegraven woorden,
struinend
in het banbereik van aangetroffen
doelen en stèles en wiegen.

Over
wat is waargezegd, voorspeld en over wat langs je heen,
over wat
ten hemel gesproken is,
dat daar klaarligt, net als een
van de eigen hartstenen die men uitspoog
samen met hun on-
verwoestbare uurwerk, ver weg
het onland, het ontij in. Over dat soort
tikken en tikken midden in
de grindblokken met
de op hyenaspoor achterwaarts,
opwaarts te volgen
vaderen-

rij van Hen-
met-die-naam-en-zijn-
rondkloof.

Over
een boom, één enkele.
Ja, ook over hem. En over het woud om hem heen. Over het woud
Onbetreden, over de
gedachte waaraan hij ontsproot, als klank
en halfklank en ablaut en eindklank, skytisch
bijeengerijmd
op het slapenritme
van de verslagenen,
met
geademde steppe-
halmen gegrift in het hart
van de uurcesuur – in het rijk,
in het uitgestrektste
van de rijken, in
het grote binnenrijm
voorbij de
zwijgvolken-zone, in jou,
taalwaag, woordwaag, thuis-
waag exil.

Over deze boom, dit woud.

Over de bruggen-
quader vanwaar
hij voorover het leven
in smakte, vlug al
van wonden – van de
Pont Mirabeau.
Waar de Oka niet meestroomt. Et quels
amours! (Cyrillisch, vrienden, ook dat
reed ik de Seine over,
reed ik over de Rijn.)

Over een brief, over hem.
Over die een-brief, over de oost-brief. Over de harde,
karige woordhoop, over het
onbewapende oog dat hij
naar Orions drie
gordelsterren – Jakobs-
staf, jij,
weer eens kom je me tegen! –
richt op de
hemelkaart die voor hem
opengeslagen werd.

Over de tafel waar dat gebeurde.

Over een woord, uit die hoop,
waaraan hij, de tafel,
een roeibank werd, door de Oka-stroom
en de wateren.

Over het nevenwoord dat
een roeiknecht naknerpt, in het nazomeroor
van zijn hard-
horige dol:

 

Vertaald door Ton Naaijkens

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn blog van 24 november 2020 en ook mijn blog van 24 november 2018 deel 1 en ook deel 2.

Paul Celan

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

 

ZUVERSICHT

Es wird noch ein Aug sein,
ein fremdes, neben
dem unsern: stumm
unter steinernem Lid.

Kommt, bohrt euren Stollen!

Es wird eine Wimper sein,
einwärts gekehrt im Gestein,
von Ungeweintem verstählt,
die feinste der Spindeln.

Vor euch tut sie das Werk,
als gäb es, weil Stein ist, noch Brüder.

 

IN MUNDHÖHE

In Mundhöhe, fühlbar:
Finstergewächs.

(Brauchst es, Licht, nicht zu suchen, bleibst
das Schneegarn, hältst
deine Beute.

Beides gilt:
Berührt und Unberührt.
Beides spricht mit der Schuld von der Liebe,
beides will dasein und sterben.)

Blattnarben, Knospen, Gewimper,
Äugendes, tagfremd.
Schelfe, wahr und offen.

Lippe wußte. Lippe weiß.
Lippe schweigt es zu Ende.

 

EINE HAND

Der Tisch, aus Stundenholz, mit
dem Reisgericht und dem Wein.
Es wird
geschwiegen, gegessen, getrunken.

Eine Hand, die ich küßte,
leuchtet den Mündern

 

Waar ijs is

Waar ijs is, is koelte voor twee.
Voor twee: dus liet ik je komen.
Een waas als van vuur hing er om je –
Je kwam van de roos vandaan.

Ik vroeg je: Hoe heette je daar?
Je noemde hem mij, je naam daar:
een schijn als van as lag er op –
Van de roos vandaan kwam je.

Waar ijs is, is koelte voor twee:
ik gaf je de dubbele naam .
Jij sloeg je oog op daaronder –
Een glans lag over de bijt.
Nu sluit ik, zo sprak ik, het mijne – :
Neem dit woord – mijn oog zegt ’t tegen het jouwe!
Neem het, spreek het mij na,
spreek het mij na, spreek het langzaam ,
spreek het langzaam, stel het wat uit,
en je oog – hou het open zo lang nog!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e november ook mijn blog van 23 november 2018 en eveneens mijn blog van 23 november 2014 deel 2.

Gayl Jones

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Gayl Jones werd geboren op 23 november 1949 in Lexington, Kentucky. Ze kwam uit een creatieve achtergrond; haar grootmoeder Amanda Wilson schreef religieuze drama’s en haar moeder Lucile schreef fictie. Tegen de tijd dat ze zeven jaar oud was, was ze al begonnen met het schrijven van haar eigen fictie. Op de middelbare school werd Jones door haar leraren beschreven als briljant, maar pijnlijk verlegen. Jones studeerde Engels aan  Connecticut College, waar ze verschillende prijzen ontving voor haar poëzie en in 1971 een bachelorsdiploma behaalde. Daarna volgde een masterdiploma in creatief schrijven aan de Brown University, terwijl ze studeerde bij William Meredith en Michael Harper en waar haar eerste toneelstuk, “Chile Woman”, werd opgevoerd. In 1973 behaalde zij haar masterdiploma en vervolgde ze haar studie aan Brown, waar ze uiteindelijk een Ph.D. in creatief schrijven behaalde in 1975. Jones publiceerde datzelfde jaar haar eerste roman, “Corregidora”, en een jaar later werd ze assistent-professor aan de Universiteit van Michigan. Tot Jones’ latere werken behoren “Eva’s Man” (1976), “White Rat” (1977), “Song for Anninho” (1981), “The Hermit-Woman” (1983), “Xarque and other Poems” (1985), “Liberating Voices: Oral Tradition of African American Literature” (1991 ), “The Healing” (1998) en “Mosquito” (1999). “The Healing” was finalist voor de National Book Award in 1998.

Uit: Eva’s Man

“The police came and found arsenic in the glass. but I was gone by then. The landlady in the hotel found him. Shc went in bringing him the Sunday’s paper, and wanting the bill paid. They say she screamed and screamed and woke up the whole house. It’s got a bad name now, especially that room. They tell me a lot of people like to go and look at it. and see where the crime happened. They even wrote an article about it in one of these police magazines. That’s the way they do, though. I never did see the article. It bothered me at first when I found out they’d used his picture in there, one showing what I did. It didn’t bother me so much having mine in there. Elvira said they had my picture in there and my hair was all uncombed and they had me looking like a wild woman. Elvis’s the woman in the same cell with me down at the psychiatric prison. They let her go out more than they do me because they say she’s got more control than I have. It ain’t nothing I’ve done since I’ve been in here. It’s what I did be-fore I came, the nature of my crime that makes them keep me in here. The way they look at me. They don’t let me out with the other women. When Elvira goes out, she reads the papers and comes back and tells me what’s in them. She wanted to bring me that article but they wouldn’t let her bring it to Inc. I wanted to see it at first, but then when she sneaked it in with her down in her underwear, I wouldn’t look at it. I made her tear it up and flush it down the toilet.
“You know, they thought you was going to give that hotel a bad name,” she said. “I mean, a bad name where wouldn’t nobody wont to come and stay in it. But now it turns out that they’s some queer people in this world.” “What do you mean?” I was frowning. “I mean, they’s people that go there just so they can sleep in the same place where it happened, bring their whores up there and all. Sleep in the same bed where you killed him at. Some peoples think that’s what you was. A whore.” I kept frowning. “It ain’t me saying it.” I lay on my cot and stared up at the ceiling. There were also people saying I did it because I found out about his wife. That’s what they tried to say at the trial because that was the easiest answer they could get. I’ve seen his wife, though. I didn’t want to see her because I didn’t know how I was going to feel. She came in to see me only one time during the trial. She was a skinny, run-down-looking woman in a black hat. For some reason, I had expected her to be a big, handsome-looking woman.
She didn’t say anything. She just stood there outside the cell and stared at me, and I stared back. The only thing I kept wondering is how did he treat her. Because it looked like he made her worse than he made me. I mean, if she was as bad-off on the inside as she looked on the outside. She must’ve stood there for close to fifteen minutes, and then left. She didn’t have anything at all in her eyes—not hate not nothing. Or whatever she did have, I couldn’t see it. When she left, I wondered what she saw in mine. Even now people come in here and ask me how it happened. They want me to tell it over and over again. I don’t mean just the psychiatrists, but people from newspapers and things.”

 

Gayl Jones (Lexington, 23 november 1949}