Stefan Brijs, Norbert Hummelt

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk. Zie ook alle tags voor Stefan Brijs op dit blog.

Uit: De engelenmaker

“Hun hoofd…’ zei hij langzaam, ‘hun hoofd is gespleten: En met zijn gestrekte rechterhand trok hij in een snelle beweging een verticale streep van zijn voorhoofd, recht over zijn neus, tot aan de onderzijde van zijn kin.
`Tsjak!’ zei hij daarbij.
Geschrokken deden Gunther en Seppe een pas naar achteren, terwijl Robert en Julius naar het smalle hoofd van lange Meekers bleven kijken, als zou ook dat elk ogenblik in tweeën scheuren. ‘Ik zweer het je. Je kon zo tot achter in hun keel kijken. En ook, echt waar, ook kon je hun blote hersenen zien liggen:
`Hun-wá?’ vroeg Gunther.
`Hun-her-se-nen!’ herhaalde lange Meekers en hij tikte met zijn wijsvinger op het voorhoofd van de dove jongen.
`Bwèèèk!’ riep die uit.
`Hoe zagen ze eruit?’ vroeg Robert.
`Als een walnoot. Maar dan veel groter. En slijmeriger.”
“Jeetje”, zei Julius, die een rilling over zijn rug voelde lopen.
`Als het raampje open was geweest; ging lange Meekers stoer verder en hij stak zijn arm naar voren, `had ik ze zo met mijn hand kunnen grijpen.’
De andere jongens volgden met open mond de beweging van zijn hand, die tot een klauw werd gevormd. Maar meteen daarop wees hij met diezelfde hand naar voren en stuurde zo alle blikken naar de taxi, zowat dertig meter verderop, waarvan Victor Hoppe het achterste portier opende. De dokter verdween half in de auto en kwam een paar tellen later opnieuw te voorschijn met een grote, donkerblauwe reiswieg, waaruit nog altijd een ontzettend gehuil opsteeg. Aan de twee hengsels droeg hij de wieg over het tuinpad de woning binnen, op de voet gevolgd door de taxichauffeur, die twee grote koffers meezeulde. Na een minuut of drie, waarin het op en rond het dorpsplein gonsde van de stemmen, kwam de chauffeur naar buiten, trok de voordeur achter zich dicht en haastte zich naar zijn auto om zichtbaar opgelucht weg te rijden.
In café Terminus voerde Jacques Meekers die middag het hoogste woord en gaf uitvoerig een beschrijving van wat zijn zoon had gezien, daarbij geen overdrijving schuwend. Vooral de oudere inwoners waren een en al oor en wisten te vertellen dat ook Victor Hoppe zelf een afwijking in zijn gezicht had.
`Een hazenlip, verklaarde Otto Lelieux. `Zoals zijn vader, herinnerde Ernst Liebknecht zich. “Hij lijkt trouwens als twee druppels water op hem.”

 


Stefan Brijs (Genk, 29 december 1969)

 

De Duitse dichter en schrijver Norbert Hummelt werd geboren op 30 december 1962 in Neuss. Zie ook alle tags voor Norbert Hummlt top dit blog en ook mijn blog van 24 juni 2009.

 

uitgang

niet alleen in dromen is ´t me vaak gebeurd dat
ik de uitgang door de juiste deur niet
vond in treinen stapte in de foute richting
een station dat me nog maar vaag bekend was
dat was schrikken maar de stolp zat om me heen en
ik kon me niet verroeren van die ene plek
daar ik juist een passage in een boek las begon
ik het kolken in mijn bloed te voelen ik
dwaalde in het bos en voelde warm licht
en liet me willoos naar een helling sleuren
beelden kwamen bij me op maar kwetsten niet
meer zoals gewoonlijk want onder de dode kruinen
bloeide wildernis met varens en met vingerhoed
en ik stapte weer door de straatravijnen
onoverzichtelijk ver in mijn bloed langs
vensterloze kamerrijen liep ik en
rende een poos verloren in het rond tot iets onder
mijn jas trilde ik greep ernaar met mijn
rechterhand en stond stil en ademde zwaar aan de
rand van het perron boog ik me voorover en zag de rails

 

Vertaald door Peter Holvoet-Hanssen en Jessica Manthey

 


Norbert Hummelt (Neuss, 30 december 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e december ook mijn blog van 29 december 2018.

Burkhard Spinnen, 80 jaar Antoine Bodar, Alexander Gumz

De Duitse schrijver Burkhard Spinnen werd geboren op 28 december 1956 in Mönchengladbach. Zie ook alle tags voor Burkhard Spinnen op dit blog.

Uit: Hauptgewinn: Die Erzählungen (Dicker Mann im Meer)

„Kläsner trug eine schwarz-weiße Badehose mit geometrischem Muster. Ihr breites Gummiband umspannte seinen Bauch an der Stelle, da er am umfangreichsten war und unterhalb derer er sich beinahe über die Scham wölbte.
Kläsner stand bis zu den Knien im Meer. Das Wasser war angenehm, er spürte, wie es die Wärme zurückstrahlte. Er schwitzte, aber von unten kühlte ihn das Wasser. Er tastete mit dem Fuß, dann machte er ein paar Schritte weg vom Ufer; schön war es, wenn die Füße in den weichen Meeresboden sanken. Bald reichte das Wasser bis zu den Säumen der Badehose. Kam eine Welle, so schwappte sie über den Nabel. Kläsner sah sich um. Wie weit der Strand schon entfernt war, sicher eine optische  Täuschung. Seine Frau rieb gerade ihre Arme mit Sonnenöl ein und sprach mit den Zimmernachbarn aus dem Hotel, einem Paar aus Bielefeld. Oder aus Braunschweig, Kläsner hatte es vergessen. Man traf sich morgens auf dem Flur; beim Mittagstisch spätestens sah man sich wieder, aber meistens lag man schon den Vormittag zusammen am Strand. Die Bielefelder spielten leidenschaftlich Canasta, und immer bestanden sie darauf, eine Mannschaft zu sein.
Kläsner sah wieder zum Horizont, dort ging das dunkle Blau des Meeres in ein silbriges Flimmern über, darüber war der weißliche Himmel. Manchmal fuhren große Schiffe von links nach rechts. Es ist eine Schifffahrtsstraße, hatte Kläsner gedacht. Schifffahrtsstraßen sind geschwungene Linien auf den Seekarten. Auf ihnen herrscht viel Betrieb, ein paar tausend Meter abseits könnte einer tagelang im Wasser treiben. Niemand würde ihn sichten.
Kläsner ging ein paar Schritte weiter. Hier konnte er noch bequem stehen. Er kreuzte die Arme über der Brust, damit seine Hände trocken blieben. Das war wichtig, denn wenn er sich mit Meerwasser den Schweiß von der Stirn wischte, würde er Ausschlag bekommen.
Die Wellen waren jetzt eher zu spüren. Die größeren hoben Kläsner ein wenig an und setzten ihn dann sachte auf den Meeresboden. Als er sich noch einmal umdrehte, winkte seine Frau. Die Bielefelder riefen etwas herüber. Als ob er das noch verstehen könnte! Er winkte zurück. Dann kehrte er dem Strand wieder den Rücken zu. Das ist der letzte Tag, dachte er. Ein schöner Urlaub ist das gewesen. Gegens Hotel nichts einzuwenden. Freundliches Personal, gutes Essen, die Zimmer klein, aber ruhig. Und natürlich der schöne Strand. Es war kein Fehler gewesen, hierhin zu fahren.
Für Kläsner war es der erste Urlaub ohne die Kinder. Im letzten Jahr war der Jüngste noch mitgefahren, das Nesthäkchen, eigentlich ein Stubenhocker, aber ein aufgeweckter Junge, das sagten alle. Ihm zuliebe war Kläsner in Museen gegangen, obwohl das viele Stehen ihm nicht behagte und die Luft dort schlecht war. Er hatte sich Bilder und Steine erklären lassen. Schön war es, wenn der Kleine erzählte, was er sich zusammengelesen hatte. Jetzt war er in England, mit einer Gruppe. Man musste sich keine Sorgen machen.“

 


Burkhard Spinnen (Mönchengladbach, 28 december 1956)

 

De Nederlandse rooms-katholiek priester, kunsthistoricus, schrijver en columnist Antoine Bodar viert vandaag zijn 80e verjaardag. Antoine Bodar werd geboren in ‘s-Hertogenbosch op 28 december 1944. Zie ook alle tags voor Antoine Bodar op dit blog.

Uit: In een oud huis in Toscane

“Terwijl ik dit dagboek schrijf, zit ik in mijn cel in een oud huis nabij Borgo San Lorenzo in Italië dat ik deel met Jessica en Johannes, studenten met wie ik tijdens de Leidse excursie naar Florence nu een jaar geleden bevriend ben geraakt.
Het huis telt twee verdiepingen. Beneden een woonvertrek met grote haard en een nagebouwde ruimte met uitzicht over de vallei, naar boven een rechte trap zoals in menig Toscaans buitenhuis van de vijftiende eeuw, boven het slaapverblijf en voor mij een kleine kamer. Want hoewel we gezamenlijk telkens terugkeren naar het nabij gelegen Florence en de geboorte van onze vriendschap aan de hand van beelden van de stad in herinnering terugroepen, wil ik ook werken. Maar werk ik niet, dan praten we van de ochtend tot de avond. In de auto, op weg naar Arezzo of Urbino, aan de maaltijd thuis of buiten.
Jessica en Johannes zijn in de aanvang van levensbloei overeenkomstig dit jaargetijde. – Zal Jessica weldra trouwen met haar vriend die nu in Engeland studeert? Zal Johannes weldra het ouderlijk huis verlaten en stage lopen in New York? Ik evenwel bevind mij in de volheid van leven en sta evengoed ook op een keerpunt. Ik maak mij op terug te keren in de boeken en de studie, al beoog ik uit die studieboeken boeken te laten voortkomen. Kent het leven niet opnieuw en opnieuw terugkeer naar het niets van de naaktheid om dichter te naderen tot hetgeen bestemming blijkt? Gedrieën delen wij dus in onderscheid verlangen naar toekomst. Toekomst die droefheid geeft om hetgeen nu is. Vreugde om nu. Met de kinderen weet ik mij zonder onderscheid kind, maar voor de kinderen gevoel ik mij tevens vader en moeder, hoewel de beiden mij meer beschermen dan ik de beiden.
Gisteravond heeft kosteres Rita het aan Stephanus toegewijde kerkje ontsloten en de klok geluid. Met haar en twee andere vrouwen uit de omgeving hebben we eucharistie gevierd. Ingetogen. Verlegen van mijn kant. Jessica doet de eerste lezing en blijft ontvankelijk voor het mysterie van de Heilige Mis. Haar heb ik zelf in het afgelopen jaar gedoopt. Zo is gestalte gegeven aan haar gekoesterde verlangen. Johannes buigt tijdens de viering het hoofd zo ver naar voren dat zijn deelname onkenbaar is. In strenge tongval van protestant christendom grootgebracht, hanteert hij de Bijbel sneller dan ik, maar deelt niet het geheim van de eucharistie zoals Jessica.”

 


Antoine Bodar (‘s-Hertogenbosch, 28 december 1944)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Alexander Gumz werd geboren op 19 december 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Alexander Gunz op dit blog.

 

safe words

als revolutie, you know. dat ding, dat we zouden kunnen bedoelen.
lectuur: een puppy met helm,
achter in het voorjaar.

doorgaan, opruimen: lariksen uit de weide,
uitgaven in de avondkiosk. wordt zo denken knuffelig, klinkt
het zoals het aan het einde van een grote vakantie zou moeten klinken?

na weken, slecht gevoed, verward en gelukkig,
hielden we bij het water scheppen elkaars hand vast,
ongehoorzaam genoeg voor wegen naar het noorden,
waar onze gedachten groen, bijna inktzwart werden.

we hadden haast om vooruit te komen, klonterige lichamen,
in levensverzekeringen gehuld.
een benzinestation glinsterde geruïneerd in de avond .

zou er een vrachtwagenchauffeur door de draaideur komen,
een herinnering bestellen,
we zouden thuis zijn, of in een perfecte kopie ervan.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Alexander Gumz (Berlijn, 19 december 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e december ook mijn blog van 28 december 2023 en ook mijn blog van 28 december 2018 en ook mijn blog van 28 december 2015 en eveneens mijn blog van 28 december 2014 deel 2.

Mariella Mehr, Alexander Gumz

De Zwitserse dichteres en schrijfster Mariella Mehr werd geboren op 27 december 1947 in Zürich. Zie ook alle tags voor Mariella Mehr op dit blog.

Uit: Daskind – Brandzauber – Angeklagt

„Dass kein Silberpfahl wachse ins kindliche Herz und keiner eindringe in jene Bereiche, die kein Grün kennen, nur kindlichen Schlaf.
Dass endlich Vergeltung einbräche in diese Dunkelwelt, denkt Daskind, um alle Schuld zu sühnen, die des Kindes und die der andern. Daskind will wissen, dass es schuldig ist, ein Silberleben lang. Weshalb sonst stürbe der andere, der Silberleib am dunklen Holz, seinen Silbertod immerzu.
Dass Fritz, der Kater, sich nicht auf die Brust des Kindes legen darf, wenn es schläft und zu Tode erschrickt, wenn die Brust keinen Atem mehr hat und Fritz, der Hauskater, wie eine frevelnde Hand, eine schwere, auf der Brust des Kindes ruht.
Daskind jetzt auf dem roten Sofa im Wohnzimmer, tagsüber Nähstube, Café, Klatschraum. Daskind, Kindfüralle. Winterkind. Winterbalg.
Winterkind spricht nicht. Tobt auch nicht und schreit nicht. Sitzt still auf dem roten Sofa. Starrt auf den grauen Haarknoten der Pflegemutter Frieda Kenel, geborene Rüegg. Die singt, singt Fernimsüddasschönespanien.Singt mit brüchiger Stimme das Lied von den Trauben, der Sonne und einer einsamen Liebe, die keine Erfüllung findet. Singt, den Rücken dem Kind zugekehrt, singt und denkt an den Stoff in ihren Händen, der ein Kleid für die Freudenstau werden soll. Fernimsüddasschönespanien. Denkt nicht an Daskind, hat Daskind vergessen wie alle Nachmittage zuvor, wenn Daskind auf dem Sofa saß und rot der samtene Überzug und Daskind ein Warten.
Warten. Auf was denn? Vielleicht einmal anders. Ohne Angst.
Einmal zuschlagen.
Bescheiden, verstohlen, vorsichtig. Zum Beispiel die Freudenstau.
Daskind vor der Freudenstau. Hört den Wind in den Tannen pfeifen. Ein hoher, schriller Ruf. Muss das Hören anhalten, Daskind. Muss schreien, Daskind, mit weit offenem Mund im wild wiegenden Kopf. Hin und her, auch das Schreien wild wiegend, hinauf zum orgelnden Locken in den Tannen.
Der weiße Speichel in den Mundwinkeln der Kundin Freudenstau. Die auf dem Berg wohnt.Auf dem Tannsberg. Teilt den Berg mit zwei roten Hunden. Höllenhunden. Auch sie träumen vom Zuschlagen.
Daskind ist in seiner blauen Windjacke, eine ungenaue Adresse. Immerhin, eine Adresse.
Und mit seinen nackten Füßen. Immerhin.”

 


Mariella Mehr (Zürich, 27 december 1947)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Alexander Gumz werd geboren op 19 december 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Alexander Gunz op dit blog.

 

voortdurende strategieverandering

is geen oplossing, zeg je. je bevlekte handen
houden een theekopje vast in het gejuich van de regens.
achter onze rug toeteren staatsobligaties.

voor het nooit eindigende snerpen van deze zekerheid
proberen we iets anders. laten het meteen weer
varen. doet net zo pijn. wij lachen.

hoe zelden we antwoord geven aan elkaar. de gebouwen
drukken op onze zenuwen. Ik zeg: begrijp je
wat ik bedoel? de dans van de chauffeurs

onder onze blikken gaat verder.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Alexander Gumz (Berlijn, 19 december 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e december ook mijn blog van 27 december 2018 en ook mijn blog van 27 december 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

This Section Is A Christmas Tree (Vachel Lindsay), Joseph Brodsky

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers Prettige Kerstdagen!

 

 
Interieur met kerstboom door Stanislav Joukovski, 1918

 

This Section Is A Christmas Tree 

This section is a Christmas tree:
Loaded with pretty toys for you.
Behold the blocks, the Noah’s arks,
The popguns painted red and blue.
No solemn pine-cone forest-fruit,
But silver horns and candy sacks
And many little tinsel hearts
And cherubs pink, and jumping-jacks.
For every child a gift, I hope.
The doll upon the topmost bough
Is mine. But all the rest are yours.
And I will light the candles now.

 


Vachel Lindsay (10 november 1879 – 5 december 1931)
Kerstmis in Springfield, Illinois, de geboorteplaats van Vachel Lindsay

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

 

25 XII 1993

Recept voor een wonder. Roer engelenhaar
wat gisteren en wat vandaag door elkaar
een mespuntje morgen erbij, aangemengd
met snippertjes ruimte en vers firmament.

Het wonder zal zeker geschieden op aard’
omdat ieder wonder adressen bewaart
en stuifsneeuw trotserend en snijdende wind
zelfs in de woestijn een bewoner weervindt.

En mocht je je woning verlaten, doe dan
ten afscheid de ster van vier kaars voor ons aan
opdat ze, terwijl je verdwijnt uit het zicht
’t heelal tot in lengte van dagen verlicht.

 

Vertaald door Peter Zeeman

 


Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)
Kerstmis in St. Petersburg, de geboorteplaats van Joseph Brodsky

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e december ook mijn blog van 26 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

 

In Weihnachtszeiten (Hermann Hesse), Rainer Maria Rilke

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers Prettige Kerstdagen!

 


De aanbidding der herders door Pier Maria Bagnadore, ca. 1600

 

 

In Weihnachtszeiten

In Weihnachtszeiten reis’ ich gern
Und bin dem Kinderjubel fern
Und geh’ in Wald und Schnee allein.
Und manchmal, doch nicht jedes Jahr,
Trifft meine gute Stunde ein,
Daß ich von allem, was da war,
Auf einen Augenblick gesunde
Und irgendwo im Wald für eine Stunde
Der Kindheit Duft erfühle tief im Sinn
Und wieder Knabe bin…

 


Hermann Hesse (2 juli 1877 – 9 augustus 1962)
Calw, de geboorteplaats van Hermann Hesse in de Kersttijd

 

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Kerstmis

De winterstormen doordringen
de wereld met woedende macht.
Op besneeuwde vleugels daalt neer
de naar dennen geurende nacht…

Daar zweeft bij het licht van de kaarsen
zo rustig, zodat je het nauwelijks herkent,
door arme dolende harten
het geloof – zoals voorheen was gekend.

Tranen glinsteren in je ogen,
je ontvlucht de vreugde – en weent,
je denkt met verlangen aan je kindertijd,
ach, was het maar weer zoals voorheen!

Je weent!… De klokken luiden,
hij zinkt in feestelijke pracht
op besneeuwde vleugels daalt hij neer
de naar sparren geurende nacht.

 

Vertaald door Germain Droogenbroodt

 


Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Rainer Maria Rilke in Moskou. Portret door Leonid Pasternak, 1928

 

Zie voor de schrijvers van de 25e december ook mijn blog van 25 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Esther Jansma

De Nederlandse dichteres, prozaschrijfster en archeologe Esther Jansma werd op 24 december 1958 geboren te Amsterdam. De eerste jaren van haar leven groeide ze op met haar tweelingzus en nog twee jongere zusjes in een kunstenaarsgezin; haar beide ouders waren beeldhouwer. Toen zij zes jaar was, scheidden haar ouders; kort daarna kwam haar vader om door een ongeval. Na het vwo studeerde Jansma van 1978 tot 1985 aan de Universiteit van Amsterdam, eerst filosofie tot na haar kandidaatsexamen en later archeologie. Vanaf 1984 verschenen gedichten van Jansma in de literaire tijdschriften Maatstaf, De Tweede Ronde en Bzzlletin. In 1988 debuteerde zij als dichteres met Stem onder mijn bed. Met deze bundel en haar volgende, Bloem, steen, werd zij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 1990. In 1993 nam Jansma het initiatief tot oprichting van het Nederlands Centrum voor Dendrochronologie, waarvan zij wetenschappelijk hoofd is. In 1996 promoveerde zij cum laude op een proefschrift getiteld RemembeRINGs, waarvoor zij de W.A. van Esprijs voor Archeologie verwierf. In 2007 werd zij benoemd tot bijzonder hoogleraar Dendrochronologie en paleo-ecologie van het Kwartair aan de Universiteit Utrecht. Haar eerste prozawerk, “Picknick op de wenteltrap”, werd genomineerd voor de Debutantenprijs 1998. Haar dichtbundel “Hier is de tijd” werd in 1999 genomineerd voor de Gouden Uil en bekroond met de VSB Poëzieprijs. In hetzelfde jaar ontving Jansma voor haar hele werk de Halewijn-prijs van de stad Roermond. Voor “Dakruiters” werd haar in 2001 de Hugues C. Pernathprijs toegekend. “Alles is nieuw” werd in 2006 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en in datzelfde jaar bekroond met de Jan Campertprijs.

 

Zoontje

Hij sluit de ogen en de wereld
opent zich. Hij valt
terwijl geen ding op diepte duidt

begeven wanden het, verzakt
de vloer, stormt lucht naar binnen.
Stort hij er in, maatloos.

Elk slaapliedje is een proloog,
een hoge stem die gaten
in zijn hoofd zingt. Slaap

bolt de rokken van het huis.
Het nest zwalkt als een schip.
Hij beeft, hij hangt aan aarde

die zijn handen, grijpmachientjes,
vogelklauwtjes, kneden
uit de takken van de lakens.

 

Raam in de lucht

Vandaag kreeg ik je brief.
Ik heb hem niet geopend.
Ik heb hem op mijn bed gelegd.

Stilte, achter mijn raam
in de lucht een vliegtuigje, hier
in de kamer steeds meer

schaduw – ik wil deze dag terug,
mijzelf bewaren: meisje met brief.
Daarom open ik je brief niet.

 

Te lezen bij sneeuw

Een paar hoeken om en je staat in de stilte
op een bodem, tussen oude muren, lagen metselwerk
in zomaar een winter. Uit de tijd gestapt.

Het vriest. Kinderen – theemutsjes op lompe beentjes –
rapen takken en sneeuw van de grond net zoals zij
eeuwen geleden deden tussen de stenen

het gemetselde lapwerk in het zwijgen van het hof
waar als je goed luistert ijle stemmen misschien
de flarden van iets mateloos naar het heden zingen.

Dat is nu, vandaag. Het schemert al. De kinderen
spelen zoals ze spelen, omringd door tijd
waar jij niet bent. Jij kijkt naar hun herinneringen.

 

 
Esther Jansma (Amsterdam, 24 december 1958)

Kerkgezang voor het feest van Jezus Geboorte (Anthony Staring), Ingo Baumgartner

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 


De aanbidding der herders door Anton Raphael Mengs, ca. 1770

 

 

Kerkgezang voor het feest van Jezus Geboorte

I
Jezus kwam als Mens Op aarde:
Mensdom, ’t is uw schoonste Feest!

Gij Geringen, ken uw waarde:
Armoede is zijn deel geweest!

Kindren, juich met ons tezaam:
Die u lief had, droeg ook uwe naam!

II
Judea slaapt; der Wijzen oog alleen
Ontwaart de ster, die aan de kim verscheen.
Door Bethlehem weergalmt een hemels lied;
Judea slaapt, en hoort de zangen niet.

’t Is zegepraal – ’t is wereldse oppermacht
Wat Israël van zijn Messias wacht!
Hij komt; maar, ach, het ijdel zelfbedrog
Vindt Jezus Kribbe, en zoekt de Heiland nog!

’t Voorspelde aan Abraham zien WIJ vervuld!
Geen waan, die ONS niet twijflings nacht omhult!
Een Christenschaar knielt naast de Herders neer:
Maria’s Zoon is Gods Zoon, onze Heer!

III
Ja, Christnen, zinge ook UWE stem
De Lofzang, boven Bethlehem
De wolken uitgedrongen!
Al straalt Gods licht het zwerk niet door,
Gelijk het straalde, om ’t heilig koor,
Toen duizend Englen zongen;
Hij schenkt toch Bethlems Lied gehoor!
Zing! Prijs, met dankbre tongen.

 


Anthony Staring (24 januari 1767 – 18 augustus 1840)
De pastorietuin en de Protestantse kerk in Gendringen, de geboorteplaats van Anthony Staring in de Kersttijd 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ingo Baumgartner werd op 24 december 1944 in Oberndorf an der Salzach geboren. Zie ook alle tags voor Ingo Baumgärtener op dit blog.

 

Santcta nox

De dennen, de sparren, de wijde velden,
ze dragen geen last, maar omhullende pracht.
Zij bevallen als blikvangers en melden
sfeervol aan christenen de heilige nacht.

’t Geloof verkondigt men in gezangen,
een ja of een nee kent het scheppingsidee.
Maar elk mens ter wereld voelt een verlangen
naar vreugde en licht in des zijns Odyssee.

Men viert een feest met verschillende namen
de komst van de beloofde verlossing ter eer.
Nood blij de gasten, kom vrolijk tezamen,
uit de wolken dalen al harpklanken neer.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


>Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)
De Stille Nacht kapel in Oberndorf, de geboorteplaats van Ingo Baumgartner.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e december ook mijn blog van 24 december 2021 en ook mijn blog van 24 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Sacha Bronwasser

De Nederlandse schrijfster, journaliste en kunsthistorica Sacha Bronwasser werd geboren in Rijswijk op 24 december 1968. Bronwasser groeide op in Groningen, ging naar de middelbare school in Valkenswaard en studeerde tussen 1987 en 1989 aan Academie Sint Joost in Breda. In 1989 studeerde ze een jaar aan de Sorbonne in Parijs. Tussen 1990 en 1996 studeerde Bronwasser kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Bronwasser werkte bijna twintig jaar als journaliste voor de Volkskrant, waar ze vooral schreef over beeldende kunst. Daarnaast was Bronwasser verbonden aan het Sandberg Instituut in Amsterdam en schreef ze bijdragen voor diverse tentoonstellingscatalogi van Nederlandse musea, zoals Museum Het Valkhof in Nijmegen, Museum In ’t Houten Huis in De Rijp en het Stedelijk Museum Schiedam. Ze werkte als curator en presentator. In 2019 debuteerde ze als romanschrijfster met “Niets is gelogen”. Haar tweede roman, “Luister”, werd een publiekssucces en stond op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2024.

Uit: Niets is gelogen

“Het is niet moeilijk thuis te zijn in een vreemde stad. Alles is nieuw en alles is goed. Lelijke straten in een nieuwe stad zijn niet zo lelijk, en mooie trouwens ook niet zo mooi. Niets wordt ontsierd of gekleurd door herinneringen. Je wilt koffiedrinken en je gaat zomaar ergens binnen, de eerste tent aan de mond van het station. Er zijn geen aannames, geen mitsen en maren, je stoort je niet aan de mensen, want je herkent ze niet. De dingen doen zich voor zonder bagage.
Als ik voor werk op pad was in een stad die ik nooit eerder had bezocht, bedacht ik soms dat ik iets nodig had: kousen of handschoenen of een pincet. Dan schoof ik het doel van
die dag een kwartier voor me uit en zocht naar een winkelstraat met een warenhuis. Daar ging ik dan naar binnen en ik kocht het artikel zonder me af te vragen of ik hier nu in de plaatselijke variant van de Zeeman of de Bijenkorf stond. Als je in een vreemde stad bent maakt dat niet uit.
Zo kwam ik eens aan in Hamburg en zag ik, op weg om mijn koffer even af te geven, dat het online geboekte hotel aan de verkeerde kant van het station lag; maar de luxe van
het niet meer hoeven kiezen was groter dan het onbehagen. De ingang van het hotel lag ingeklemd tussen een failliete seksshop en een videotheek met verbleekte Indiase affiches op de ruit; de Turkse eigenaar was zachtaardig, de kamer gigantisch, de deur kon op slot, er hing een brandblusser naast het bed en die nacht sliep ik als een steen diep in een rivier.
Het aankomen in een nieuwe plaats is een instantmeditatie die maar heel kort duurt, totdat je de straten en de patronen en de geuren en misschien zelfs wel de gezichten begint te herkennen. Als je aankomt ben je er nu en hier en nergens anders. Je loopt het warenhuis uit met je gekochte pincet en je weet dat het veranderd is. Dat er een begin gemaakt is met iets wat lijkt op een inwoner. Het moment daarvoor zo lang mogelijk oprekken, dat zocht ik.”

 


Sacha Bronwasser (Rijswijk, 24 december 1968)

Robert Bly

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Bly werd geboren op 23 december 1926 in Madison, Minnesota. Zie ook alle tags voor Robert Bly op dit blog.

 

Driving toward the Lac Qui Parle River

I
I am driving; it is dusk; Minnesota.
The stubble field catches the last growth of sun.
The soybeans are breathing on all sides.
Old men are sitting before their houses on car seats
In the small towns. I am happy,
The moon rising above the turkey sheds.

II
The small world of the car
Plunges through the deep fields of the night,
On the road from Willmar to Milan.
This solitude covered with iron
Moves through the fields of night
Penetrated by the noise of crickets.

III
Nearly to Milan, suddenly a small bridge,
And water kneeling in the moonlight.
In small towns the houses are built right on the ground;
The lamplight falls on all fours on the grass.
When I reach the river, the full moon covers it.
A few people are talking, low, in a boat.

 

A BOY ON THE FARM

I was one of the saved.
The chickens were, too.
Morning came; only
The hired girl was ready.

The rest of us dozed,
And got up, and fed chickens.
The guinea hens rose
From unimaginable places.

We couldn’t understand
How strange they were.
They slept in trees
And had better nights.

 

LATE AT NIGHT DURING A VISIT OF FRIENDS

I
We spent all day tithing and talking.
At last, late at night, I sit at my desk alone,
And rise and walk out in the summery night.
A dark thing hopped near me in the grass.

II
The trees were breathing, the windmill slowly pumped.
Over head the rain clouds that rained on Ortonville
Covered half the stars.
The air was still cool from their rain.

III
It is very late.
I am the only one awake.
Men and women I love are sleeping nearby.

IV
The human ace shines as it speaks of things
Near itself, thoughts full of dreams.
The human face shines like a dark sky
As it speaks of those things that oppress the living.

 

De kunstenaar op zijn vijftigste

De kraai nestelt hoog in de den.
Vogels hippen met korte kreten
over de besneeuwde takken. Sneeuwplakken vallen.
Muizen rennen met hangende staarten door de verse sneeuw.

Jaar na jaar werkt de kunstenaar,
vroeg en laat, de ouden bestuderend.
Wat wint hij erbij? Tenslotte droomt hij
op een nacht van hertengeweien achtergelaten in de sneeuw.

 

Vertaald door J. Bernlef

 


Robert Bly (23 december 1926 – 21 november 2021)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e december ook mijn blog van 23 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

La visitation (Marie Noël), Kenneth Rexroth

 

Bij de vierde zondag van de Advent

 


La Visitation de la Vierge (Le Magnificat) door Jean Jouvenet, 1716

 

La visitation

La vieille Elisabeth sur sa porte fleurie
File, écoutant des yeux les pas lointains du soir…
Voici par le sentier sa cousine Marie,
Celle de Nazareth, qui monte pour la voir.

Voici venir Marie avec sa grand’ nouvelle
Ce qui l’autre semaine en elle est arrivé..
Elisabeth la voit et court au-devant d’elle
Laissant rouler au vent son fil inachevé.

Dieu sait ce quelles ont toutes les deux ensemble
De pressant à ce dire ! Et pourtant l’entretien
leur manque tout à coup, la joie en elle tremble
Leurs mots se sont perdus, elles ne disent rien.
Chacune va cherchant en elle une assurance

Avant de confier à l’autre sans délai
Sous son voile une nouvelle
Tout haut, cette espérance au-dessus d’espérance
est ce bien vrai ? … Mon Dieu, si ce n’était pas vrai

Mais soudain le miracle a bougé dans leur âme
Dans leur corps ! Le silence autour a chancelé
Elle, la jeune fille, elle, la vieille femme,
Tressaillent : leurs petits en eux se sont parlés.

C’est impossible, ô Dieu ! c’est une rêverie…
Impossible ! Et pourtant plus vrai que tout, plus vrai
Que le soleil qu’on voit. Et le cœur de Marie
En a chanté comme un buisson au mois de mai.

Elle part, elle monte, elle a pris sa volée
Elle monte et sans route arrive au pied de Dieu.
Elle chante, à jamais hors de terre en allée,
Elle chante, perdue au plus haut du ciel bleu.

Et ne sachant plus rien, réalité, chimère,
Mensonge, vérité, raison ou déraison,
Sauf que son Dieu peut tout et qu’elle sera mère…
Mais voici Zacharie au seuil de la maison.

 


Marie Noël (16 februari 1883 – 23 december 1967)
Auxerre, de geboorteplaats van Marie Noël met de kathedraal Saint-Étienne

 

De Amerikaanse dichter Kenneth Rexroth werd geboren in South Bend (Indiana) op 22 december 1905. Zie ook alle tags voor Kenneth Rexroth op dit blog.

 

De stad van de maan

Boeddha nam wat herfstbladeren
in zijn hand en vroeg
aan Amanda of dit alle
rode bladeren waren die er waren.
Amanda antwoordde dat het
herfst was en dat er overal bladeren
op hen neervielen,
meer dan ooit geteld
kunnen worden. Dus zei
Boeddha: “Ik heb je
een handvol waarheden gegeven. Naast
deze zijn er nog vele
duizenden andere waarheden, meer
dan ooit geteld kunnen worden.”

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Kenneth Rexroth (22 december 1905 – 6 juni 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e december ook mijn blog van 22 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.