Libris Literatuurprijs 2013 voor Tommy Wieringa

De Nederlandse schrijver Tommy Wieringa heeft de Libris Literatuur Prijs 2013 gewonnen voor zijn roman “Dit zijn de namen”. De winnaar werd maandagavond in het Amstel Hotel in Amsterdam bekendgemaakt door Clairy Polak, voorzitter van de jury. Zie ook alle tags voor Tommy Wieringa op dit blog.

 

Uit: Dit zijn de namen

 

“Allemaal waren ze  alleen op weg gegaan, toeval had ze bij elkaar gebracht, niemand was verantwoordelijk voor een ander. Zo lang je kon lopen, behoorde je tot de groep, zolang je kon lopen, maakte je haar sterker. Als de groep voor haar afzonderlijke leden moest gaan zorgen, verzwakte ze. Altruïsme betekende haar einde. Strikt eigenbelang vergrootte de kans op overlevering.

(…)

 

Hij weet dat ze vooruitgeschoven posten zijn van hun familie, hun dorp, hun gemeenschap. In hun voetspoor reist een onzichtbaar gezelschap van vaders, moeders, broers, zusters, ooms en tantes en neven en nichten mee. Op hen is alle hoop gevestigd. Zij zijn het pioniersgewas – alles kun je ze aandoen, honger, dorst, hitte en kou, ze zullen alles overleven.’

(…)

De kandelaar wees hem zijn plaats in het verleden. Hij herinnerde hem aan het kind dat hij was, dat door de slaapkamer van zijn ouders sloop en de voorwerpen in het hoekkastje in zich opnam, en vertelde hem dat hij geboren was uit een joodse vrouw, die haar afkomst verborgen had gehouden- zoals ze ook de menora onder de voile had weggemoffeld. Hij twijfelde niet meer- hij zou een jood zijn- nee, hij was er een. Dat was zijn plaats in de wereld, deel van een volk, van een gemeenschap. Een op één na uitgestorven gemeenschap. Dat hij ergens bij hoorde, dat was de ontroering.

(…)

De rabbijn had gezegd dat  elke Jood, waar en wanneer hij ook ter wereld was, zichzelf moest beschouwen als een vluchteling uit Egypte, een zwerver in de woestijn, zo belangrijk waren de vlucht en de veertig zwerfjaren voor het volk van Israël. Elke voetstap van een Jood herinnerde aan de uittocht en voerde hem terug tot de geboorte van een volk in de woestijn.”

 

 

Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967)

Gouden Boekenuil 2013 voor Oek de Jong

De Nederlandse schrijver Oek de Jong heeft de Gouden Boekenuil 2013 gewonnen. Hij krijgt de belangrijkste literaire prijs van Vlaanderen voor zijn boek Pier en oceaan. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Oek de Jong op dit blog.

Uit: Pier en oceaan

“Aan het eind van de middag liep Abel met zijn polsstok het weiland in, gevolgd door zijn broertje.
Het was of er iets in de lucht hing vanaf de dag dat de verhuizing was aangekondigd. Abel had zichzelf van een stok voorzien en met een oud aardappelmes tekens in de bast gesneden, geïnspireerd door een oudere jongen in de buurt die zo’n stok bezat. Zijn moeder had het griezelig gevonden zoals hij tekens kerfde in de bast van die stok en hem er van boven tot onder mee bedekte. Hij nam zijn stok mee naar bed en betastte in het donker de tekens. De stok leek hem te beschermen. Maar op deze laatste dag had hij ervan afgezien om het ding bij zich te hebben.
Abel liep het weiland in. Hij droeg zijn polsstok niet op zijn schouder, maar sleepte hem achter zich aan door het gras, zodat hij vanaf de weg niet te zien zou zijn. Naast hem liep Otto, die een hompje klei kneedde. Hij zou er een paard van maken. Al dagen was hij bezig om paarden van klei te maken.
Ze liepen, waadden soms haast, door het gras, dat tot hun heupen reikte, rood en geel van zuring en boterbloem. De zon daalde, maar brandde nog steeds op hun gezicht. Hoog boven hen hing een leeuwerik in de lucht. Hij zong onophoudelijk, een hartstochtelijk en stralend gekweel, nu eens dichtbij, dan weer wat verderaf. Abel hoorde de wind, het gras dat langs zijn laarzen en de polsstok ritste en de vogel hoog in de lucht. Een vage angst greep hem aan. Hij keek om naar de huizen, maar hij kon al niet meer terug.

Ze liepen naar de sloot die er ‘altijd was geweest’. In zijn kleine universum was dit een van de meest geheimzinnige plekken. Bijna alle sloten liepen recht door het land, maar deze kronkelde. Hij was niet door mensen gegraven. Een van de oudere jongens had gezegd dat hij er ‘altijd was geweest’. Het was een oude geul uit de tijd dat de zee door een netwerk van geulen nog diep doordrong in het land. Het was de kronkeling die dit water voor de jongen op een onzegbare manier geheimzinnig maakte. Het weiland liep er wat omhoog – ook dat was anders. En het water was breder en dieper. Toen Abel ervoor stilstond en een windvlaag over het water zag strijken, werd hij nog banger. Het was of hij hier niet hoorde.”

Oek de Jong (Breda, oktober 1952)

 

In Memoriam José Luis Sampedro

In Memoriam José Luis Sampedro

De Spaanse schrijver José Luis Sampedro is maandagochtend, 8 april, op 96-jarige leeftijd in zijn woning in Madrid overleden. Dat heeft zijn echtgenote na zijn crematie dinsdag laten weten. Sampedro kreeg bekendheid met zijn roman La sonrisa etrusca, die als De Etruskische glimlach in het Nederlands is vertaald. Zie ook alle tags voor José Luis Sampredo op dit blog.

Uit: De Etruskische glimlach (Vertaald door Eugenie Schoolderman)

“Verscholen spotjes zetten de figuren vol in het licht; door het spel van licht en schaduw is het bijna alsof ze tot leven komen. De roerloze oude man in het halfdonker daarentegen lijkt in de ogen van de suppoost wel een beeld.
‘Als betoverd,’ denkt hij onwillekeurig en om zichzelf gerust te stellen praat hij zich in dat er niets aan de hand is.
‘Die oude man is gewoon moe en omdat hij toch entree heeft betaald, wil hij ook wel even zitten. Zo zijn mensen van het platteland nou eenmaal.’ Omdat er niets gebeurt, loopt de zaalwachter na een poosje weer verder.
Nu hij weg is, lijkt de lucht rond om de drie gedaanten in de crypte, de oude man en het echtpaar, zich nog meer te verdichten. De tijd verstrijkt.
Ineens wordt de betovering verbroken door een jongeman, die zegt:
‘Eindelijk, vader! Kom, we gaan. Het spijt me dat ik u zo heb laten wachten, maar de directeur…’
De oude Roncone kijkt naar hem. ‘Arme kerel,’ denkt hij, ‘altijd maar gehaast en zich verontschuldigend… En dat moet dan mijn zoon zijn?’
‘Wacht even. Wat is dat?’
‘Dat daar? Het heet De echtgenoten. Een Etruskische sarcofaag.’
‘Een sarcofaag? Een kist voor doden?’
‘Ja… Maar nu moeten we gaan.’
‘Zijn ze echt in dat ding begraven? Het lijkt wel een divan.’
‘Een triclinium. De Etrusken aten liggend, net als in Rome. En ze werden ook niet echt begraven. De sarcofagen werden in een gesloten crypte gezet, die vanbinnen werd beschilderd als een huis.’
‘Precies, ja. Maar Andrea kan het u vast beter uitleggen. Ik ben geen archeoloog.’
‘Je vrouw? Goed, ik zal het haar vragen.’
Verbaasd kijkt zijn zoon hem aan. ‘Is hij er zo in geïnteresseerd?’ Hij kijkt opnieuw op zijn horloge.
‘Milaan is nog een heel eind, vader… Toe.’
Langzaam komt de oude Roncone overeind van de bank, met zijn ogen nog steeds strak op het paar gericht.
‘Ze werden begraven terwijl ze aten!’ mompelt hij verwonderd en met tegenzin gaat hij met zijn zoon mee.”

 

José Luis Sampredo (1 februari 1917 – 8 april 2013)

In Memoriam Rascha Peper

In Memoriam Rascha Peper

De Nederlandse schrijfster Rascha Peper is afgelopen zaterdag op 64-jarige leeftijd in haar huis in Amsterdam overleden. Rascha Peper (pseudoniem van Jenneke Strijland) werd geboren op 1 januari 1949 in Driebergen. Zie ook alle tags voor Rascha Peper op dit blog.

Uit: Zwartwaterkoorts

‘Het frappeert me dat u daarvoor de telefoon kiest, meneer Gorredijk, en niet het daarvoor geëigende middel, zoals we hadden afgesproken.’ Aan de andere kant werd gelachen.
‘Een brief bedoelt u?’
‘Precies.’
‘O, ik zal u heus wel een brief sturen, hoor. Maar een emailadres heeft u ook niet en ik wilde u snel iets laten weten, dus ik denk: ik pak maar even de telefoon.’
Stutijn zweeg. Hij staarde naar de schildpad, die net zijn waterbak verlaten had om een eindje over de kranten te kuieren, terwijl Scheffer, die ook de kamer binnengekomen was, op zijn schild sprong voor een ritje. De kraai was gek met de schildpad. Hij scherpte zijn snavel langs de randen van het schild en greep bij wijze van grap weleens een poot beet. De schildpad tolereerde hem.
‘Omdat ik u een aantrekkelijk voorstel wil doen,’ ging Gorredijk verder.
Juist vanwege de aantrekkelijke voorstellen had hij een half jaar geleden per aangetekende brief laten weten Gorredijk niet meer persoonlijk te woord te willen staan. Zolang hij op tijd de huur betaalde, kon niemand hem verplichten zich in levenden lijve of telefonisch aan contact te onderwerpen. Over de klachten van de buurt en de verbouwing van de zolderverdieping was hij sindsdien schriftelijk geïnformeerd. Hij las de brieven, maar reageerde er nooit op. Tot nu toe was die tactiek afdoende gebleken.
‘Daar ben ik niet in geïnteresseerd.’
‘Dat moet u niet meteen zeggen. Het kon wel eens in uw belang zijn.’
Hij keek toe hoe de kraai zich liet vervoeren, totdat de schildpad onder de laag afhangende citroengeraniums verdween en hij eraf geveegd werd.”

Rascha Peper (1 januari 1949 – 16 maart 2013)

Zonnelied van Franciscus (Bij de keuze van paus Franciscus I)

Bij de keuze van paus Franciscus I

 

carravaggio
Sint Franciscus in extase, Caravaggio, 1596

 

Zonnelied van Franciscus

Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
en geen mens is waardig uw naam te noemen.

Wees geprezen, mijn Heer met al Uw schepselen,
vooral door mijnheer broeder zon,
die de dag is en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en straalt met grote pracht;
van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde,
door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water,
die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur,
door wie Gij voor ons de nacht verlicht;
en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde,
die ons voedt en leidt,
en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten.

Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefde
vergiffenis schenken, en ziekte en verdrukking dragen.

Gelukkig wie dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster de lichamelijke dood,
die geen levend mens kan ontvluchten.

Wee hen die in doodzonde sterven;
gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt,
want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.

Prijs en zegen mijn Heer,
en dank en dien Hem in grote nederigheid.

 

Paus Franciscus I (Buenos Aires, 17 december 1936)

 

Am Aschermittwoch (Annette von Droste-Hülshoff), Karol Wojtyla

Bij Aswoensdag

 

bourel
Aswoensdag door Franz Everhard Bourel, 1839

 

Am Aschermittwoch

Auf meiner Stirn dies Kreuz
Von Asche grau:
O schnöder Lebensreiz,
Wie bist du schlau
Uns zu betrügen!
Mit Farben hell und bunt,
Mit Weiß und Rot
Deckst du des Moders Grund;
Dann kömmt der Tod
Und straft dich Lügen.

Und wer es nicht bedacht
Und wohl gewußt,
Sein Leben hingelacht
In eitler Lust,
Der muß dann weinen;
Er achtet nicht was lieb;
Und was ihm wert,
Das flieht ihn wie ein Dieb,
Fällt ab zu Erd’
Und zu Gebeinen.

Was schmückt sich denn so hold
In bunter Seid’?
Was tritt einher in Gold
Und Perlgeschmeid’?
O Herr! ich hasche
Nach Allem, was nicht gut,
Nach Wahn und Traum,
Und hänge Erd’ und Blut
Und Meeresschaum
Um bunte Asche.

Was wird so heiß geliebt?
Was legt in Band,
Ob’s gleich nur Schmerzen gibt,
Sinn und Verstand?
O Herr, verzeihe!
Die Seele minnt man nicht,
Die edle Braut,
Und wagt um ein Gesicht,
Aus Staub gebaut,
Die ew’ge Reue!

Stellt ein Geripp’ sich dar
Vor meinem Blick,
So sträubt sich mir das Haar;
Ich fahr’ zurück
Vor dem, was ich einst bleibe,
Und werd’ es selber noch,
Und weiß es schon,
Und trag’ es selber doch
Zu bitterm Hohn
Im eignen Leibe!

Fühl’ ich des Pulses Schlag
In meiner Hand,
Worüber sinn ich nach?
O leerer Tand:
Ob ich gesunde!
Und denke nicht betört,
Daß für und für
Ein jeder Pulsschlag zehrt
Am Leben mir,
Schlägt Todeswunde!

Du schnöder Körper, der
Mich oft verführt,
Mit Welt und Sünde schwer
Mein Herz gerührt,
Noch hast du Leben!
Bald liegst du starr wie Eis,
Der Würmer Spott,
Den Elementen preis;
O möge Gott
Die Seele heben!

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Meersburg: Fürstenhäusle met Droste-Museum

Lees verder “Am Aschermittwoch (Annette von Droste-Hülshoff), Karol Wojtyla”

De BNG Bank Literatuurprijs 2012 voor Christiaan Weijts

De Nederlandse schrijver Christiaan Weijts heeft de BNG Literatuurprijs 2012 gewonnen. Hij ontving de prijs donderdag 7 februari voor zijn roman “Euforie.” Weijts kreeg een cheque van 15.000 euro en een beeldje. De BNG Literatuurprijs is bedoeld voor schrijvers die jonger dan 40 zijn en meer dan twee prozawerken hebben uitgebracht, maar nog niet zijn doorgebroken. Zie ook alle tags voor Christiaan Weijts op dit blog.

Uit: Euforie

“Welja, parkeer dat ding maar gewoon voor m’n neus. Vlak voor hem is een motorrijder opgedoken, die abrupt remt en de weg blokkeert. Waar die gek ineens vandaan komt, weet hij niet. Het is voor het eerst dat Johannes Vermeer een bestelbus bestuurt. In het stadsverkeer voelt hij zich een log vrachtschip tussen de plezierbootjes.
Hij mept z’n vuist in het midden van het stuur maar er komt geen geluid. Alleen uit de staart van voertuigen achter hem klinkt getoeter. Het is onzinnig druk op de Loosduinsekade, ter­wijl het bijna zomervakantie is. Horen al die lui niet rond te dobberen in appartementzwembaden in Spanje of Turkije?
De kerel is overduidelijk niet van plan om door te rijden. Sterker nog, hij zet z’n knipperlichten aan, stapt af en klapt het vizier van z’n helm op als hij, met zo’n typische tred vol wrok en verongelijktheid, op Vermeer z’n raampje afkomt. En nog praatjes hebben ook, die pleerol. Zijn leren handschoen begint tegen het glas te bonken. Als antwoord zet Vermeer z’n zonne­bril af om een lading bijtend zuur te lanceren.
Dan pas stuit hij op het logo ter hoogte van de man z’n borst­kas. Meteen lichten ook de andere attributen op die hem identi­ficeren: de portofoon, de pistoolhouder, de wapenstok, de hand­boeien, de ongeduldig-autoritaire blik in z’n ogen. Hij blijft op de ruit kloppen en roept iets wat Vermeer niet verstaat. Ja ja, godsamme, ik rij voor het eerst met dit bakbeest, weet ik hoe die tyfusramen opengaan. Tegen zijn zin in gedraagt hij zich pa­niekerig, dat wil zeggen: hij begint lukraak wat dashboardknop­jes uit te proberen, met als voornaamste resultaat dat de airco stilvalt en het speakervolume steigert.”

Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)

Turing Gedichtenwedstrijd 2013 gewonnen door Onno Kosters

De Nederlandse dichter Onno Kosters heeft de vierde editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd gewonnen. Het winnende gedicht heet Doe-Het-Zelf en werd gekozen uit een shortlist van 100 gedichten. Kosters ontvangt 10.000 euro. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Doe-het-zelf

Na zichzelf, met een witte lijn,
te hebben omkrijt, herrijst hij
van de plaats delict, hijst zich
stap voor stap in nieuwe voeten,
past zijn kuiten, dijen (als gegoten),
omgordt zich met een schaambeen
en een buik van genereuze omvang.

Stof daalt neer: zijn navel schudt hij uit;
zijn middenrif, zijn twaalfde rib
schragen hart en longen die hij inslikt
uit het niets, zo zonder mond nog,
zonder tong, alsof hij licht schiep
dat kortelings voorafging aan de zon.

Ontboezemt dan zijn borstkas, slaat
losjes zijn armen om zich heen, lijnt
zijn nek uit, stelt atlas en draaier aard-
en nagelvast. Staat als een huis.

Als kroon op het werk welt meesterlijk
het ravissante hoofd. Hoofd vol hersens,

hoofd aan barrels, waaruit hij ontstond.

 

Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)


Anne Vegter nieuwe Dichter des Vaderlands

De Nederlandse dichteres Anne Vegter is vandaag voor de komende vier jaar benoemd tot de nieuwe Dichter des Vaderlands. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

Wisselende posities

Zijn de coördinaten waarop jij je bevindt veranderlijk,
reis dan minder grillig. Zo krijg ik geen vlaggetje in de kaart.

Ik wilde je route volgen, je strategie:
< nieuw is het allemaal niet > je komt terug om te gaan.

Je schrijft aan alles te merken dat je in het hoge noorden bent.
Ondanks geringe hoogte liggen gletsjerdelen langs de weg.

Uitglijden zou rampzalig zijn, schrijf je, kranten kopten
je vermissing. Ik schrijf zeur niet, vlucht voor je vertrek.

Die jou niet noemen slapen zoet, morgen willen ze best
een tekening over je maken < niet langer lastigvallen met de eigen,

weinig kan al gezin zijn >. Tragische humor kan wonderen:
je verzoek per sms om een opbeurend woordje. Ik raad je angst

verschijnsel na verloren samenhangen. Helpe iets dierbaars
dat de weg smelt: een sneeuwkonijn. Nog beter: weten. Liefst:

goedzicht.

 

De nieuwe man

Er zijn mannen met het levensgevoel ‘douchecabine’. Het woord
spreekt ze direct aan. In een gesprekje achteraf blijkt vaak waarom.

Er zijn mannen die graag met hun tandenborstel gefotografeerd worden,
niet voor een advertentie. Ze staan in het leven als krachten op wanden.

Er zijn er die niet kunnen kiezen, moe van hun mogelijkheden
stellen ze zich bij douchecabine geen paradijs voor maar een stukadoor

die gaten dicht, een schilder die schimmels verjaagt, een aannemer:
vormen van een man waaraan ze hadden kunnen denken.

Omdat lichaamsverzorging het taboe ontsteeg zijn er al mannen die zeggen:
“Toen ik vanochtend wakker werd schudde ik mijn poriën los.”

“Ik voelde me eigenlijk een beetje leeg, had geen gedachten van gewicht
uit-in-adem maar ik genoot van mijn gebrek.”

Ook dat kan een begin zijn. Een aantal liep deze week de stad in
op zoek naar een nog ongebruikt cv. ‘Iemand enig idee van wie?’

‘Mag dat zomaar?’

‘Mooie vraag.’

‘Rare mooie vraag.’



Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

VSB Poëzieprijs 2013 voor Ester Naomi Perquin

De VSB Poëzieprijs 2013 is toegekend aan de Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin. Perquin krijgt de jaarlijkseprijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel voor haar bundel “Celinspecties”. Aan de prijs is een geldbedrag van 25.000 euro verbonden en een glaskunstwerk van kunstenares Maria Roosen. Perquin ontving de prijs op 30 januari tijdens een feestelijke avond uit handen van juryvoorzitter Saskia J. Stuiveling. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

Over de minnaar

Je zou kunnen blijven,
bijvoorbeeld morgen is een
hele goede dag om te blijven,
de zon schijnt en misschien

kunnen we regen spelen.
En koffie onder de dekens,
een zachtgekookt ei of een
bord met zalm en muziek

of niets; alleen honger naar,
verlangen naar, en vraag.
Maar ook kun je weggaan,
bijvoorbeeld vandaag.

 

Grote broer

Geen vader of moeder om ons uit de bomen te halen
voor eten of slaap, de klimrijkste zomer in jaren.

Ik wilde geen staart, scheurde jurken aan flarden,
raakt met haren in takken verward – jij haalde
een schaar en ik werd een soldaat maar
het zwaard was zo zwaar en het schild
kreeg ik niet van de grond.

Je schreeuwde me hoger – ik klom dus en klom.
Warmte trok in de bomen, tot diep in de nacht
lag jij als een dier op de onderste tak.

Er konden geen leeuwen of moordenaars komen.
Ik hield, voor een meisje, uitstekend de wacht.

Ester Naomi Perquin (Utrecht, op 16 januari 1980)