In Memoriam Ramses Shaffy

In Memoriam Ramses Shaffy

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag op 76-jarige leeftijd overleden.

 

De Nederlandse chansonnier en acteur Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Hij groeide op in Cannes bij zijn moeder. Toen deze tuberculose kreeg, kwam Shaffy via een tante in Utrecht en een kindertehuis, in een Leids pleeggezin terecht.  Hij maakte de middelbare school niet af en werd in 1952 aangenomen op de Amsterdamse toneelschool. Vervolgens debuteerde hij in 1955 bij de Nederlandse Comedie. In 1960 reisde hij met zijn partner Joop Admiraal naar Rome in de hoop daar werk te vinden als filmacteur maar onverrichter zake keerden ze weer terug. Er is hier ook een boek over verschenen: “Brieven uit Rome”. In 1964 richtte Shaffy de theatergroep Shaffy Chantant op. Hij werkte langdurig samen met zangeres Liesbeth List en pianist Louis van Dijk. Bekendste song van de groep werd de Shaffy Cantate. Met Liesbeth List zette hij in 1968 onder andere het lied Pastorale op de plaat, een lied dat grote bekendheid zou verwerven.

Shaffy trad vanaf begin jaren tachtig ook weer op als acteur, zowel in films als op de planken (Toneelgroep Amsterdam). Hij oogstte in 1993 succes met zijn vertolking van Don Quichotte in de musical De Man Van La Mancha van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen.

In 2002 maakte Pieter Fleury een documentaire over hem: (‘Ramses: Où est mon prince’), die op het Nederlands Filmfestival in Utrecht een Gouden kalf won. In 2003 schreef Bas Steman een belevingsbiografie over Shaffy, getiteld ‘Naakt in de orkaan’.

Shaffy ontving op 31 mei 2006 de eerste Edison Oeuvre Prijs voor Kleinkunst evenals Normaal en Rita Reys. Op 5 mei 2009 werd bekend dat Shaffy aan slokdarmkanker leed. Op 1 december 2009 is hij hieraan overleden

 

Uit: Zonder bagage

 

Het is een verbazingwekkend lot, waar men mij mee stoorde
Een verbazingwekkend lot, van wat eens bij mij behoorde
Geen parasieten
Geen gevlij
Geen gestroop meer
Geen gevrij
Geen gelik meer
’t Is voorbij, niets meer te halen
De wereld heeft mij failliet verklaard
Het is een geschenk van God en niet van de maatschappij
Het is een geschenk van God en dit is wat hij zei:
Je moet weer werken
Je moet weer zingen
Je moet weer lachen
Je moet weer spelen
Je moet weer geven
En beleven
Je moet weer stralen
De weg is vrij
De weg is open
De weg is mateloos van mij
Zonder bagage
Kan ik weer lopen
Want ik ben nu vogelvrij
De wereld heeft mij failliet verklaard
Ik ben ontstegen aan het groot krakeel
Ik ben ontslagen aan het maffe oordeel
Ik heb niets meer te verliezen
Ik heb alleen
Te winnen
Te beminnen
Te beginnen
Ik ben niet meer
Te achterhalen

 

RamsesShaffy

Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)

AKO Literatuurprijs 2009 voor Erwin Mortier

De Vlaamse schrijver Erwin Mortier heeft de AKO Literatuurprijs 2009 gewonnen met zijn roman Godenslaap. Dat maakte de organisatie dinsdagavond bekend. Mortier ontvangt een sculptuur van Eugène Peters en een cheque ter waarde van 50.000 euro. Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en mijn blog van 28 november 2007 en ook mijn blog van 28 november 2008.

Uit: Godenslaap

‘Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg – hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.’

(…)

 

‘Jaloers op de schilders, op hun woordenschat van coloriet. Jaloers omdat ik de taal niet kan fijnstampen in een mortier en naar goeddunken vloeiend of pasteus kan maken door er olie doorheen te mengen, noch een nieuwe kleur kan scheppen door wat poeder van het ene woord aan wat poeder van het andere toe te voegen. Jaloers ook, omdat er geen taal bestaat waarmee je eerst een ondergrond kunt aanbrengen, die door het kleurenweefsel dat je erboven legt heen blijft schemeren. Jaloers omdat ik een taal zou willen die geen betekenis draagt, maar bovenal intensiteit, een betekenis die aan betekenis ontstijgt, en die je hier niet zozeer zou moeten lezen, als wel bezien, met de geletterdheid van het oog, de eruditie van het netvlies’

(…)

 

‘Alleen dieren konden de middag recht in de ogen zien, blind voor zijn smeltgloed, doof voor het doodstille tumult der dingen dat het midden van het etmaal ontketende en dat in mijn oren luider klonk dan het kanongebulder aan de horizon, dat we steeds vaker pas hoorden wanneer het luwde. De middag legde van de wereld de naaktheid bloot, hij liet zijn gat zien, de obscene – het woord blijft me bespoken – grimlach van zijn botte onverschilligheid. Hij tikte in de voegen van de stenen, ritselde op hagedissenpoten over de ranken van klimop tegen de zijgevel van het huis achter mijn rug..’

(…)

 

‘Een deur ging open, van de speelzaal die ik me vaag herinnerde uit vroeger jaren. Het rook er beslapen. De hoge ramen wierpen schuine balken van maanlicht op de vloeren, haalden uit de duisternis het plooienspel van dekens, een mouw, een hand, een hoofd tevoorschijn. Her en der lagen soldaten te slapen, alleen of tegen elkaar aan gekropen. Uit hun schoeisel, dat tegen de speeltafels aan lag waarop hun rugzakken rustten, steeg de lucht op van aarde, zomerse aarde, van tentzeil, geolied staan en gras op naar de zoldering met haar frivole stucwerk, dat sureëel boven de slapende gestalten hing.’

 

mortier

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

Deutscher Buchpreis voor Kathrin Schmidt, Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

In het kader van de Frankfurter Buchmesse is aan de  Duitse schrijfster Kathrin Schmidt de Deutsche Buchpreis 2009 toegekend voor haar roman Du stirbst nicht. Zie ook mijn blog van 12 maart 2009.

Uit: Du stirbst nicht

„Es klappert um sie herum._ Als ihre Schwester heiratete, hatte die Mutter das Silberbesteck in eine Blechschüssel gelegt, auf eine Alufolie. Heißes Salzwasser darüber. Das saubere Besteck wurde nach einiger Zeit aus der Schüssel genommen und abgetrocknet: Es hatte genauso geklappert.
Wer heiratet denn? Sie versucht die Augen zu öffnen. Fehlanzeige. Mehr als Augenöffnen versucht sie nicht. Ist genügsam. Sie kann aber sehr deutlich die Stimme ihrer Mutter hören. Ah, also doch das Besteck! Was sagt ihre Mutter?
Die rechte Hand ist aber viel kälter als die linke, sagt sie, und der rechte Fuß genauso.
Warum hat die Mutter eine kalte rechte Hand?, fragt sie sich. Muss lächeln, als sie sich vorstellt, sie überprüfe die Temperatur ihrer Füße.
Sie lacht!, sagt ihre Mutter.
Sie verzieht nur das Gesicht.
Hat das ihr Vater gesagt? Aber ja, das war unzweifelhaft die Stimme ihres Vaters! Jetzt möchte sie doch die Augen öffnen. Was hat sie in der Küche ihrer Eltern zu suchen, wo mit Besteck geklappert und die Hand- und Fußtemperatur untersucht wird und sie ihre Augen nicht öffnen kann?
O, where do you come from? From London?
Das hat sie zu ihrer Tochter gesagt. Hat sie? Ein Auge kann sie öffnen. Sie tut es. Vierzehn ist das Mädchen und heute auf eine Sprachreise nach England gefahren. Warum ist sie schon wieder da? Sie heult. Aus irgendeinem Grund heult sie. Deshalb hat sie ja auch englisch sprechen wollen, um sie aufzumuntern. Es scheint nichts zu nützen, dass sie fröhlich ist. Das Mädchen hat Kummer. Aber welchen?
Wen könnte sie fragen? Der Blick wandert. Da! Neben der Tochter steht ihr Mann. My husband, sagt sie. Darüber wird aber doch hoffentlich gelacht werden …
Nichts.
Wenigstens lächelt der Mann. Je länger sie ihn anschaut, umso seltsamer findet sie sein Lächeln. Angepflockt hängt es zwischen den Wangenknochen wie eine Salzgurke.
Salt cucumber, sagt sie. Gibt es das überhaupt auf Englisch?
… geboren am 3. 12. 1972, wohnt in Hückelhoven …
Halt! Das ist sie aber nicht! Warum kann sie das nicht so laut ausrufen, wie sie möchte? Verdammt, das muss doch gehen!
Nun regen Sie sich aber mal schön ab, wir kommen ja gleich zu Ihnen!
Wer hat das gesagt? Der junge Mann da? Sie kann, glaubt sie, beide Augen gleichzeitig öffnen. Es geht ein bisschen schwer, irgendetwas scheint auf den Lidern zu liegen. Der junge Mann lächelt, aber das beruhigt sie kaum.
Das ist sie doch nicht! Sie ist vierzehn Jahre älter und wohnt doch nicht in Hückelhoven!
I don’t … I don’t …
Warum kommt sie nicht weiter mit dem Satz? Jetzt sagt der junge Mann den anderen Männern in blauen Kitteln, dass es beinahe so klinge, als ob sie englisch zu sprechen versuche, seit sie hin und wieder wach werde. Die Männer lachen. Sie sucht nach einer Frau. Hinter den Männern steht eine, aber die scheint mit irgendetwas beschäftigt zu sein.
Einer der Männer beugt sich über sie.
Können Sie mich hören?
Sie wird dem doch nicht sagen, ob sie ihn hören kann. Soll er ruhig weiter so brüllen.
Augen zu.

 

kathrin_schmidt
Kathrin Schmidt (Gotha, 12 maart 1958)

 

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: Weg van loze dromen 

 

„Een dodelijk sombere proloog

Het was in de herfst van een buitengewoon zomers jaar dat Lucien een Amsterdams allemanscafé binnen stapte en een dodelijk sombere monoloog afstak, eerst tegen een mooi meisje dat niet wilde luisteren, toen tegen een jongen met krullend haar en droevige ogen die alleen in ruil voor veel drank bereid bleek hem tot het uitzichtloze einde aan te horen. Het was de herfst die volgde op de herfst waarin de Berlijnse muur viel. De tussenliggende zomer was zo heet geweest dat de damp nog van de daken sloeg, alsof Nederland zojuist uit de oven was gehaald. Het was een monoloog die eerder Luciens beste vriend Jos Oldemonnikhof fataal was geworden en die nog veel en veel eerder romantische jongelingen uit Weltschmerz tot zelfmoord bracht. De monoloog had ook het leven van Sanne ingrijpend beïnvloed. Op een krakende stoel aan een tafeltje met een truttig rood-wit geblokt kleedje bracht Lucien plompverloren de beste van alle mogelijke werelden van de grote Duitse filosoof Leibniz ter sprake. Om het moeilijke gespreksonderwerp toch nog een beetje in overeenstemming te brengen met de volkse entourage, sprak hij de beroemde naam Amsterdams uit. Lààpnis. Dat was een voorbarige tegemoetkoming aan het vermeende intellectuele peil van zijn gesprekspartner want voor een werkende jongere bleek deze redelijk ontwikkeld te zijn. Hij had uit vrije wil boeken gelezen, wat lang niet alle studenten van zichzelf konden zeggen. Lucien putte er moed uit. `Als het alwetende onbewuste, God voor mijn part, zich een betere wereld had kunnen voorstellen, dan was die wereld er wel geweest,’ zei hij tegen de argeloze krullekop. Daar viel geen speld tussen te krijgen. Het probleem was dat de best mogelijke wereld heel goed een puinhoop kon zijn vol verdriet en ellende. En als de best mogelijke wereld meer ongeluk dan geluk voortbracht, kon zij beter niet bestaan.“

 

 

Franke
Herman Franke (Groningen, 13 oktober 1946)

 

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook alle tags voor Colin Channer op dit blog.

 

Uit: Satisfy My Soul

 

„Up ahead a herd of cattle toddle down a path. They moo and jostle as they splash into the ocher river, triggering the flowers on a tree festooned with Spanish moss to burst into a spray of screeching birds.

In theory this is stunning. But in Jamaica, an island that produces elemental drama daily, no one stops to look. Not the women spreading clothes on white boulders. Not the naked children swinging out on leafy vines. Not the men in trunks and soccer shorts who wade upstream, waist deep, empty bamboo rafts in tow, hunched against the current, delivering the vessels to the starting point for tips.

Fifteen feet away from us the captain of our raft is punting with a slender pole. The braided muscles in his back are coiling. His navy polo shirt is snug. Water tongues the grooves between the knuckled stems that form the hull. In essence we are sailing on a fence.

People are watching me. Waiting. A bead of perspiration stretches from my beard and bursts against my shirt.

Then as the captain steers around a bar of silt I find a question.

“Okay, Chadwick, on the night before you’re set to go to the gallows you get a set of choices. A last book. A last song. A last meal with any writer living or dead. And the chance to sleep with anyone in the whole wide world—a living anyone, of course.”

The producer on the raft beside us smiles and makes a fist. This is how she told me that she wants the show to be—arch and energetic.

I am a guest on Trapped in Transit, a travel show on A&E.

Each week on TIT, as all the members of the crew appear to call it, an odd couple chosen from the worlds of politics and entertainment take a journey: Howard Stern and Yasir Arafat canoeing in Mongolia. Martha Stewart and Biz Markie on a llama in Peru.

Chadwick is a congressman. If his reparations bill is passed, every black American will receive a million dollars in exchange for relocation to Liberia.

I’m a playwright and director whose grandfather moved to Harlem from West Africa in the twenties. Chadwick is fifty. I am thirty-eight. Chadwick is married. I will never be. He is a Republican. I like to call myself a negro. He is bald. My locks are wrapped around my head to form a turban.

His freckled cheeks are settling into jowls. His nose is sharp and owlish. He does not have an upper lip. His forehead lasts forever.

“I think I’d have a rack of lamb,” he answers. “And it is always hard for me to sleep without my wife. My favorite book has always been Heart of Darkness. Conrad is amazing. You should read him. I would dine with Rudy Kipling. As a boy in Oklahoma I felt connected to his stories . . . all the Indians. I know that our natives aren’t the same as Kipling’s Hindus, but I could still relate. As far as music is concerned I think I’d listen to Aretha Franklin. And you—you asked the question. What would you do?”

 

 

colinchanner
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Zie ook alle tags voor Migjeni op dit blog.

 

 

Autumn on parade

 

Autumn in nature and autumn in our faces.

The sultry breeze enfeebles, the glowering sun

Oppresses the ailing spirit in our breasts,

Shrivels the life trembling among the twigs of a poplar.

The yellow colours twirl in the final dance,

(A frantic desire of leaves dying one by one).

Our joys, passions, our ultimate desires

Fall and are trampled in the autumn mud.

 

An oak tree, reflected in the tears of heaven,

Tosses and bleeds in gigantic passion.

“To live! I want to live!” – it fights for breath,

Piercing the storm with cries of grief.

 

The horizon, drowned in fog, joins in

The lamentation. In prayer dejected fruit trees

Fold imploring branches – but in vain, they know.

Tomorrow they will die… Is there nowhere hope?

 

The eye is saddened. Saddened, too, the heart

At the hour of death, when silent fall the veins

And from the grave to the highest heavens soar

Despairing cries of long-unheeded pain.

 

Autumn in nature and autumn in our faces.

Moan, desires, offspring of poverty,

Groan in lamentation, bewail the corpses,

That adorn this autumn among the withered branches.

 

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

 

 

Migjeni
Migjeni
(13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontemps werd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Zie ook alle tags voor Arna Wendell Bontemps op dit blog.

 

 

Reconnaissance

 

After the cloud embankments,

the lamentation of wind

and the starry descent into time,

we came to the flashing waters and shaded our eyes

from the glare.

 

Alone with the shore and the harbor,

the stems of the cocoanut trees,

the fronds of silence and hushed music,

we cried for the new revelation

and waited for miracles to rise.

 

Where elements touch and merge,

where shadows swoon like outcasts on the sand

and the tried moment waits, its courage gone–

there were we

 

in latitudes where storms are born.

 

 

 

Length of Moon

 

Then the golden hour

Will tick its last

And the flame will go down in the flower.

A briefer length of moon

Will mark the sea-line and the yellow dune.

Then we may think of this, yet

There will be something forgotten

And something we should forget.

It will be like all things we know: .

A stone will fail; a rose is sure to go.

It will be quiet then and we may stay Long at the picket gate

But there will be less to say.

 

 

 

bontemps
Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)

 

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Conrad Richter op dit blog.

 

Uit: The Trees

 

And still Worth wouldn’t stop. Not till he had worked out his mind. He had to make a last splurge. This would be a mortal handy thing for a house, something you had to pay tax on if you had one down in Pennsylvania. He steadied the logs with wedges, marked them with a straight edge and chopped out a hole, dressing it smooth with axe and knife. Over the hole he plastered a few cross sticks and fast to the sticks the marriage paper the Conestoga dominie had given them. Worth had always plagued Jary for lugging such a useless thing around with her. But now that he greased it with bear’s oil, he reckoned it might be of some account. It let the sun through like glass. Oh, then it was a sight to see in that dark cabin, a window light blazing up like it was a fire and making all the cubbyholes and corners plain as outside till you could see the marks the barkworms left on the logs.”

 

richter
Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)

 

Nobelpijs Literatuur voor Herta Müller

De Nobelpijs Literatuur gaat dit jaar naar de Duitse schrijfster Herta Müller.

 

De Duitse schrijfster Herta Müller werd geboren op 17 augustus 1953 in Nitzkydorf, Roemenië.  Zij studeerde germanistiek en Roemeense literatuur aan de universiteit van het westen in Timişoara. Vanaf 1976 werkte zij als vertaalster in een machinefabriek, maar toen ze in 1979 niet wilde samenwerken met de Securitate werd zij ontslagen. Zij werkte tijdelijk als docente en privélerares. In 1982 kon haar eerste roman slechts in een gecensureerde versie verschijnen. In 1987 emigreerde zij met haar man naar de BRD. Ze kreeg in de volgende jaren verschillende leeropdrachten als writer in residence. Zie ook mijn blog van 17 augustus 2009 en mijn blog van 17 augustus 2008.

 

Arbeitstag (uit: Niederungen)

 

„Morgens um halb sechs. Der Wecker läutet. Ich stehe auf, ziehe mein Kleid aus, lege es aufs Kissen, ziehe meinen Pyjama an, gehe in die Küche, steige in die Badewanne, nehme das Handtuch, wasche damit mein Gesicht, nehme den Kamm, trockne mich damit ab, nehme die Zahnbürste, kämme mich damit, nehme den Badeschwamm, putze mir damit die Zähne. Dann gehe ich ins Badezimmer, esse eine Scheibe Tee und trinke eine Tasse Brot.
Ich lege meine Armbanduhr und die Ringe ab. Ich ziehe meine Schuhe aus.
Ich gehe ins Stiegenhaus, dann öffne ich die Wohnungstür.
Ich fahre mit dem Lift vom fünften Stock in den ersten Stock.
Dann steige ich neun Treppen hoch und bin auf der Straße.
Im Lebensmittelladen kaufe ich mir eine Zeitung, dann gehe ich bis zur Haltestelle und kaufe mir Kipfel, und, am Zeitungskiosk angelangt, steige ich in die Straßenbahn.
Drei Haltestellen vor dem Einsteigen steige ich aus.
Ich erwidere den Gruß des Pförtners, dann grüßt der Pförtner und meint, es ist wieder mal Montag, und wieder mal eine Woche zu Ende.
Ich trete ins Büro, sage auf Wiedersehen, hänge meine Jacke an den Schreibtisch, setze mich an den Kleiderständer und beginne zu arbeiten. Ich arbeite acht Stunden.“

 

HertaMueller

Herta Müller (Nitzkydorf, 17 augustus 1953)

In Memoriam Frank McCourt

In Memoriam Frank McCourt

De Iers-Amerikaanse schrijver Frank McCourt is zondag op 78-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats New York. Hij stierf aan huidkanker. McCourt is vooral bekend geworden door zijn eerste boek, de bestseller Angela’s Ashes (1996) dat in Nederland verschenen is onder de titel De as van mijn moeder. Frank McCourt werd geboren op 19 augustus 1930 in New York. Zie ook mijn blog van 19 augustus 2006 en ook mijn blog van 19 augustus 2007 en ook mijn blog van19 augustus 2008.

Uit: Angela’s Ashes

“We ran to the church. My mother panted along behind with Michael in her arms. We arrived at the church just in time to see the last of the boys leaving the altar rail where the priest stood with the chalice and the host, glaring at me. Then he placed on my tongue the wafer, the body and blood of Jesus. At last, at last.

It’s on my tongue. I draw it back.
It stuck.
I had God glued to the roof of my mouth. I could hear the master’s voice, Don’t let that host touch your teeth for if you bite God in two you’ll roast in hell for eternity. I tried to get God down with my tongue but the priest hissed at me, Stop that clucking and get back to your seat. God was good. He melted and I swallowed Him and now, at last, I was a member of the True Church, an official sinner.

When the Mass ended there they were at the door of the church, my mother with Michael in her arms, my grandmother. They each hugged me to their bosoms. They each told me it was the happiest day of my life. They each cried all over my head and after my grandmother’s contribution that morning my head was a swamp.”

McCourt
Frank McCourt (19 augustus 1930 – 19 juli 2009)

 

In Memoriam Simon Vinkenoog

In Memoriam Simon Vinkenoog

 

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vinkenoog is in de nacht van zaterdag op zondag op 80-jarige leeftijd overleden aan een hersenbloeding. Vinkenoog zou op 18 juli 81 jaar zijn geworden. Geboren werd hij op 18 juli 1928 in Amsterdam. Hij kampte al langer met zijn gezondheid. Op 19 juni werd zijn rechteronderbeen geamputeerd, als gevolg van een vaatziekte. Vinkenoog was vastbesloten met behulp van een kunstbeen weer te gaan lopen en was ook van plan weer op te gaan treden. Zie ook mijn blog van 18 juli 2007 en eveneens mijn blog van 18 juli 2008. Een uitgebreider herdenkingsartikel staat in de Volkskrant.

 

Machteloosheid

een brandende schemer hangt al jaren
over deze voorstad van de dood
de vonkende straten zijn verlaten
de schaduwloze huizen lege gaten
maar in de ramen spiegelt kinderleven

vermoeden: het ongerijpt verlangen
waaraan als natte vlaggen
bloeiende vogellijken hangen—
dit wordt het weten

ik heb gezichsloos deze buurt doorkruist
en heb met zoekmoede ogen
die de mijne niet waren
stervende drempels overschreden

—ik ben verloren en hervonden
verward geraakt
en verbannen geworden—

nu volgt een uitgebluste nacht
op deze schemer op de regen
en op de tijdloze dagen
die van mijn dwalen de
verlamde getuigen waren
want dit is het eeuwige nodeloze
wanhopige groeiende verdergaan

 

Vinkkenoog

Simon Vinkenoog (18 juli 1928 – 12 juli 2009)

In Memoriam Michael Jackson

 In Memoriam Michael Jackson

 

Do You Remember The Time
When We Fell In Love
Do You Remember The Time
When We First Met
Do You Remember The Time
When We Fell In Love
Do You Remember The Time

Do You Remember The Time
When We Fell In Love
Do You Remember The Time
When We First Met
Do You Remember The Time
When We Fell In Love
Do You Remember The Time

 

Michael Jackson (29 augustus 1958 – 25 juni 2009)

 

In augustsus 2008 verscheen in kranten (The Guardian, The Telegraph) en (online) tijdschriften het bericht dat Michael Jackson de studio in was gedoken om poëzie van de Schotse dichter Robert Burns op muziek te zetten. Of dat serieus was of de zoveelste publiciteitsstunt laten we nu maar even in het midden. Ae fareweel, alas, forever!

 

Ae Fond Kiss

Ae fond kiss, and then we sever;
Ae fareweel, and then forever!
Deep in heart-wrung tears I’ll pledge thee,
Warring sighs and groans I’ll wage thee.
Who shall say that Fortune grieves him,
While the star of hope she leaves him?
Me, nae cheerfu’ twinkle lights me;
Dark despair around benights me.

I’ll ne’er blame my partial fancy,
Naething could resist my Nancy;
But to see her was to love her;
Love but her, and love forever.
Had we never lov’d sae kindly,
Had we never lov’d sae blindly,
Never met–or never parted–
We had ne’er been broken-hearted.

Fare thee weel, thou first and fairest!
Fare thee weel, thou best and dearest!
Thine be ilka joy and treasure,
Peace, enjoyment, love, and pleasure!
Ae fond kiss, and then we sever;
Ae fareweel, alas, forever!
Deep in heart-wrung tears I’ll pledge thee,
Warring sighs and groans I’ll wage thee!

Robert Burns

Libris Literatuurprijs 2009 voor Dimitri Verhulst

Libris Literatuurprijs voor Dimitri Verhulst

De Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst heeft maandagavond de Libris Literatuurprijs gekregen voor zijn roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol.  Uit handen van juryvoorzitter Ivo Opstelten ontving hij in het Amsterdamse Amstel Hotel een cheque van 50.000 euro. die aan de prijs is verbonden. Het is na Hugo Claus de eerste keer dat een Vlaming bekroond wordt met deze prestigieuze literatuurprijs. Verhulst haalde twee jaar geleden al de longlist van de Libris Literatuurprijs met zijn boeken De helaasheid der dingen en Mevrouw Verona daalt de heuvel af. Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006 en ook mijn blog van 16 oktober 2007 en eveneens mijn blog van 2 oktober 2008.

 

Uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol

 „Alle begin is moeilijk. Kijk maar. ’t Kruipt uit het water zonder om te zien. ’t Zou nog een laatste blik kunnen werpen op de oceanen, heimwee voelen uit eerbied, maar dat doet ’t niet. ’t Heeft er namelijk genoeg van te moeten kruipen over de zandbodems der wateren, genoeg van de eikelwormen en de pijlwormen en de chordadieren en de manteldieren en de koplozen waarmee ’t zoveel eeuwen de zeeën heeft gedeeld. ’t Zegt saluut tegen de kwastvinnigen, de mosselen en de schollen, vaarwel tegen de knorhanen, de alen en de brasems, ’t wil van geen samenleven meer weten met de zalmen en de karpers. ’t Doet de groeten aan de rietvoorn en ’t wenst ook de baarzen nog het beste, maar ’t kan niet meer weerstaan aan de veelbelovendheid van z’n bestaan en verlaat het sop. Wel toe, ’t schijt nog een laatste keer hevig in de zee, zijn symbolisch geladen manier om een beslissing te onderstrepen, legt zich te druipen en te drogen waar de parelgierst vlot kiemt en trekt dan de rimboe in om er zich te vormen tot een bekijkelijk monster met dikke knokkels, talgklieren, een hele eind darmen en een speklaag. En haar, wreed veel haar van onder tot boven waarin de vlooien en de teken simpel overleven door hun gastheer jeuk te bezorgen, zodat die moet krabben tot zijn vel aan vodden hangt en zij kunnen zuipen van zijn bloed. Hoe laat is het?

Vroeg, het is nog vroeg. Vroeger is welhaast onmogelijk.
De dag is jong en wel en niets staat vast. En wanneer het weer dan eindelijk wat zachter wordt, verlaat ’t op zijn gemak de vochtige donkerte van het tropische regenwoud en sluipt ’t over de vlakten, in en uit de bomen van de savannen.”

 

verhuslt

Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

 

Gouden Uil 2009 voor Robert Vuijsje

 

Gouden Uil 2009 voor Robert Vuijsje

 

 

De Gouden Uil 2009 is toegekend aan de roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje. Het boek is zijn debuut en gaat over een jonge Joodse Amsterdammer die eruit ziet als een Marokkaan en op zoek gaat naar een zwarte vrouw. Volgens de jury van de Belgische literatuurprijs is het boek „brandend actueel, verfrissend, hartverwarmend en zeer geestig.”

De Nederlandse schrijver en journalist Robert Vuijsje werd in 1970 in Amsterdam geboren. Na het Barlaeus Gymnasium-A in Amsterdam en de UvA te hebben doorlopen, waar hij zijn propedeuse Sociologie behaalde en vervolgens overstapte naar de bovenbouwstudie Amerikanistiek bracht hij een jaar door op de Amerikaanse University of Memphis. Vanaf 1997 wijdde hij zich geheel aan de journalistiek middels verhalen voor o.a. Nieuwe Revu.

 

Uit Alleen maar nette mensen

 

“Dag schoonheid,’ zei ik. ‘Ik ben David. Wie ben jij?’
‘Wie ik?’ vroeg ze. ‘Hier, kijk op m’n tanden.’
Dit was het echte leven. De ene echte mens die aan de andere echte mens liet zien wat er op haar gouden tanden stond geschreven. Op de rechtervoortand stond in kleine letters row en op de linkertand anda.
‘Ro-wan-da?’ vroeg ik.
‘Zo heet ik,’ zei ze. ‘Rowanda.’
Ik vroeg waarom ze die gouden tanden had genomen.
‘Status?’ Ze deed haar mond open, zodat ik goed kon kijken. ‘Dat ze zien dat ik elite ben?’
Ik vroeg of Rowanda goed kon koken.
Dat kon ze niet. Ze woonde bij haar moeder. Die kookte altijd. Rowanda wilde wel graag leren.
Haar wenkbrauwen waren weggeschoren. Er zaten alleen twee getatoeëerde zwarte streepjes. ‘Die heb ik laten zetten,’ zei ze.
Ik vroeg waarom.
‘Ik weet niet.’ Rowanda haalde haar schouders op.
‘Mijn moeder heeft het ook.’

 

 

 

 

Vuijsje
Robert Vuijsje (Amsterdam, 1970)

 

 

In Memoriam J. G. Ballard

In Memoriam J. G. Ballard

 

De Britse schrijver J. G. Ballard is gisteren overleden. Ballard werd geboren op 15 november 1930 in Shanghai, China, waar zijn vader een in-en exportbedrijf had. Hij brak in 1984 door met het boek Empire of the Sun. Het boek is grotendeels gebaseerd op de ervaringen van de jonge Ballard in een Japans interneringskamp waar hij, gescheiden van zijn ouders, bescherming kreeg van twee Amerikaanse avonturiers. Ballard begon zijn schrijversloopbaan met het publiceren van S.F. Geen fantasy, maar meer op de werkelijkheid preluderende, pessimistische, toekomstvisies. “Crash”, een macabere fantasie over auto-ongelukken die sex-thrills genereren werd beschouwd als een grensoverschrijdende cultroman en is verfilmd door David Cronenberg. Later zou zijn werk minder SF- elementen bevatten, maar werden zijn boeken wél cynischer. Zoals Cocaine Nights, dé roman over geld, roem en decadentie in de filmwereld.

 

Uit: Crash

 

VAUGHAN died yesterday in his last car-crash. During our friendship he had rehearsed his death in many crashes, but this was his only true accident. Driven on a collision course towards the limousine of the film actress, his car jumped the rails of the London Airport flyover and plunged through the roof of a bus filled with airline passengers. The crushed bodies of package tourists, like a haemorrhage of the sun, still lay across the vinyl seats when I pushed my way through the police engineers an hour later. Holding the arm of her chauffeur, the film actress Elizabeth Taylor, with whom Vaughan had dreamed of dying for so many months, stood alone under the revolving ambulance lights. As I knelt over Vaughan’s body she placed a gloved hand to her throat.

Could she see, in Vaughan’s posture, the formula of the death which he had devised for her? During the last weeks of his life Vaughan thought of nothing else but her death, a coronation of wounds he had staged with the devotion of an Earl Marshal. The walls of his apartment near the film studios at Shepperton were covered with the photographs he had taken through his zoom lens each morning as she left her hotel in London, from the pedestrian bridges above the westbound motorways, and from the roof of the multi-storey car-park at the studios.”

 

Ballard

J.G. Ballard ( 15 november 1930 – 19 april 2009)