Hans Werkman, Stacie Cassarino

De Nederlandse dichter, schrijver en literair criticus  Johannes (Hans) Werkman werd geboren in Uithuizermeeden op 12 februari 1939. Zie ook alle tags voor Hans Werkman op dit blog.

Uit: Willem de Mérode, Okke en Odo

“Wat Mathilde was voor Jacques Perk en Orlando voor Louis Couperus, dat was Okke voor Willem de Mérode. Door hem werd De Mérode ‘in tweeërlei opzicht tot dichter (): van aardsche en hemelsche dingen’. Dit citaat heb ik overgeschreven uit het colofon van het boek Okke. Er bestaat maar één exemplaar van, handgeschreven. In 1934, tien jaar nadat De Mérode Okke voor het laatst ontmoette, schreef hij vijftien gedichten die op Okke geïnspireerd waren, op perkament en liet de bladen inbinden in een schitterende witleren band met goud opdruk. Okke was een echte katalysator. Hij beïnvloedde en richtte de pedofiele liefde en het dichterschap van De Mérode, zonder zelf ook maar iets van die liefde of van de gedichten te begrijpen.
De Mérode was van 1907 tot 1924 onderwijzer aan de gereformeerde lagere school en ook enkele jaren aan de mulo-school in Uithuizermeeden. Bijna niemand kende hem daar overigens als de dichter. Hij was meester Keuning. In 1912 kwam de vijfjarige Okke in de eerste klas. Hij was het enige zoontje van een hereboer in het naburige dorpje Oldenzijl. Elke dag kwam hij de vijf kilometer naar school lopen. Zijn eigenlijke naam was Ekko Ubbens, maar toen hij in de middenklassen kwam, waar meester Keuning les gaf, veranderde Keuning de naam in de letterkeer Okke, een koosnaam. Er ontstond een vriendschap die van Keunings kant heel innig was. Okke was een mooie, goedgebouwde knaap, gevoelig, maar ook een kwajongen, hij hield van muziek en van voetballen. Keuning vond het een ideale combinatie van eigenschappen. Zijn pedagogische eros richtte zich op Okke en, in wat mindere mate, op diens vriendje Jaap Woltjer. Zijn (moederlijke) liefde bleef wat Okke en Jaap betreft volstrekt platonisch.

Gedichten van De Mérode in Het Getij kregen in die periode als opdracht mee: ‘voor Okke’, ‘aan Jaap’, ook één keer ‘aan Ekko’. In zijn bundels Het kostbaar bloed en Het heilig licht (beide uit 1922) werden jongensgedichten opgenomen die in manuscript opgedragen waren aan Okke of Jaap.
De beide jongens mochten de meester ook komen opzoeken in zijn kamer. Zij ervoeren het wel eens als een verplichting, maar hij vond het heerlijk. Aan Jos. van Wely schreef hij in die tijd: ‘Ja, Jaap is een aardige, lieve jongen. Heel druk en beweeglijk. Ik noem hem vaak “wilde kraai”, want hij komt bij me instormen en verdwijnt ook plotseling weer. Zijn vriendje, die hier ook vaak komt, (Ekko heet hij, maar Jaap en ik zeggen Okke, naar de omkeering van zijn naam. Zoo noemde hij zich zelf voor jaren) is veel bedaarder. Hij is groot, en wat men noemt een mooie jongen.’ (25 febr. 1920) Tegenover P.J. Meertens was Keuning iets opener: ‘Okke (), het ideaal van een jongen voor mij; gevoelig, een scherp verstand, en een prachtkerel van uiterlijk. Maar – “gewoon”. Hij wist natuurlijk hoeveel ik van hem hield hoewel hij dikwijls vroeg: waarom toch, heb ik ’t hem nooit gezegd. Hij vond het verder wel goed en deed zijn best hartelijk te wezen.’ (1 dec. 1927)”

 

Hans Werkman (Uithuizermeeden, 12 februari 1939)

 

De Amerkiaanse dichteres en schrijfster Stacie Cassarino werd geboren op 15 februari 1975 in Hartford, Connecticut. Zie ook alle tags voor Stacie Cassarino op dit blog.

 

Noordwesten

Ik geef toe, ik ben bang voor isolement,

en voor hoe het land hier afbreekt
in stukjes,

en voor de vrouw die voor altijd zegt
terwijl haar tong langs mijn huid beweegt
alsof ze het meent.

Als ik haar geloof, zal ik lijden.
Als ik haar niet geloof, zal ik lijden.

Wie heeft er nooit niet nodig willen zijn?

’t Is een jaar geleden dat ik de bergen heb gezien
of bewijs had dat liefde genoeg zou kunnen zijn.
De geest houdt van hoop.

Stom hart, kom uit de notenboom.
Alle afstand is uiteindelijk een leugen.

In Alaska was het hart een King van veertien pond.
In Seattle hield ze een hengel in de lucht.
Ze wachtte.

Ik zal deze versie van mij onthouden.
Ik zal frambozen, visschubben, de toekomst onthouden,
de brief die zegt: liefde kan zijwaarts.

Lieve god, het is jaren geleden dat ik heb gebeden.
Ik begrijp dat de vogels heilig zijn.
Ik begrijp dat het lichaam ons naar liefde leidt, of

dat dit één manier is om de wereld te kennen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Stacie Cassarino (Hartford, 15 februari 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e februari ook mijn twee blogs van 12 februari 2022 en ook mijn blog van 12 februari 2019 en ook mijn blog van 12 februari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Maryse Condé, Else Lasker-Schüler

De Franse schrijfster Maryse Condé werd op 11 februari 1937 in Pointe-à-Pitre op Guadeloupe geboren. Zie ook alle tags voor Maryse Condé op dit blog.

Uit: Het evangelie van de nieuwe wereld (Vertaald door Saskia Taggenbrock en Martine Woudt)

“Het is een gebied dat aan alle kanten door water wordt omgeven, een eiland, zoals men doorgaans zegt, niet zo groot als Australië, maar ook niet klein. Het is voor het grootste deel vlak, maar er zijn ook heuvels met dichte wouden en twee vulkanen, één die luistert naar de naam ‘Top van de Grote Stoomketel’, die actief was tot 1820, toen hij de fraaie stad die op zijn flanken lag verwoestte, en daarna volledig in de slaapstand ging. Omdat het er ‘altijd zomer’ is, barst het er van de toeris-
ten, die hun dodelijke apparaten op alles wat mooi is richten. Sommigen noemen het liefdevol ‘Mijn land’, maar het is geen land, het is een overzees gebied, een overzees departement zelfs!
In de nacht waarin hij geboren werd, bevochten Zabulon en Zapata elkaar midden in de hemel en schoten ze bij elke beweging lichtstralen af. Het was een weinig alledaags schouwspel. Iemand die regelmatig naar het hemelgewelf kijkt, ziet vaak de Kleine Beer, de Grote Beer, Cassiopeia, de Avondster en Orion, maar het is uniek om twee van dit soort uit de grote diepten opgedoemde constellaties te zien. Het betekende dat degene die die nacht geboren werd een buitengewone lotsbestemming zou hebben. Maar op dat ogenblik leek niemand dat te vermoeden.
Het pasgeboren kind hield zijn piepkleine vuistjes ter hoog- te van zijn mond en lag opgerold tussen de hoeven van de ezel die hem verwarmde. Maya, die zojuist was bevallen in deze stal waar het echtpaar Ballandra zijn zakken mest, jerrycans met onkruidverdelger en landbouwwerktuigen opborg, waste zich zo goed en zo kwaad als het ging met het water uit een kalebas die ze had meegebracht – die tegenwoordigheid van geest had ze nog gehad. Haar bolle wangen waren nat van de tranen.
Ze had niet gedacht dat ze zich zo afschuwelijk zou voelen wanneer ze haar kind zou achterlaten. Ze wist niet dat de pijn haar buik met zijn vlijmscherpe tanden zou verscheuren. Toch was er geen andere oplossing. Ze was erin geslaagd haar toestand voor haar ouders verborgen te houden, vooral voor haar moeder, die maar bleef fantaseren over de stralende toekomst die haar dochter wenkte. Maya kon niet thuiskomen met een bastaardkind in haar armen.
Toen ze geen bloed meer zag, was ze verbluft blijven kijken. Een kind! Daar hadden haar zo vurige, poëtische nachten dus in geresulteerd, in dat slijmerige hoopje dat op haar poepte en pieste.
Uiteindelijk had ze geschreven naar haar minnaar, Corazón, een Spaans woord dat ‘hart’ betekent en dat slecht paste bij die reus uit één stuk. Omdat de derde brief nog steeds onbeantwoord was gebleven, was ze naar het kantoor gegaan dat de cruises regelde van de Empress of the Sea, waarop ze hem had leren kennen tijdens de inaugurele cruise van deze boot langs de eilanden. Toen ze zich bij het kantoor had gemeld om informatie te vragen, was het Afrikaans ogende blondje op naald-
hakken haar harteloos in de rede gevallen: ‘We geven geen privé-informatie over onze passagiers.’
Maya had nog een keer geschreven. Weer zonder antwoord.”

 

Maryse Condé (Pointe-à-Pitre, 11 februari 1937)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Else Lasker-Schüler werd geboren in Elberfeld op 11 februari 1869. Zie ook alle tags voor Else Lasker-Schüler op dit blog.

 

Afscheid

Maar jij kwam nooit met de avond –
Ik zat in mijn sterrenmantel.

Als er aan mijn huis geklopt werd
Was het mijn eigen hart.

Dat hangt nu aan elke deurpost,
Ook aan die van jou;

Tussen varens uitdovende vuurroos
In het bruin van de guirlande.

Voor jou verfde ik de hemel braamrood
Met mijn hartebloed.

Maar jij kwam nooit met de avond –
… Ik wachtte met schoenen van goud.

 

Vertaald door Menno Wigman

 

Else Lasker-Schüler (11 februari 1869 – 22 januari 1945)
Portret door Stanislaus Stückgold, ca. 1910

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e februari ook mijn blog van 11 februari 2021 en ook mijn blog van 11 februari 2019 en eveneens mijn blog van 11 februari 2018 deel 2.

125 jaar Bertolt Brecht

 

125 jaar Bertolt Brecht

 

De Duitse dichter en schrijver Bertolt Brecht werd op 10 februari 1898 in de Zuid-Duitse stad Augsburg geboren. Zie ook alle tags voor Bertolt Brecht op dit blog. Dat is vandaag precies 125 jaar geleden.

 

Lied der Galgenvögel

Dass euer schlechtes Brot uns nicht tut drunken
Spüln wir’s hinab mit eurem schlechten Wein-
Dass wir uns ja nicht schon zu früh verschlucken.
Auch werden einst wir schrecklich durstig sein.

Wir lassen euch für eure schlechten Weine
Neidlos und edel euer Abendmahl…
Wir haben Sünden. – Sorgen han wir keine.
Ihr aber habt dafür eure Moral.

Wir stopfen uns den Wanst mit guten Sachen
Das kost’ euch Zähren viel und vielen Schweiß.
Wir haben oft das Maul zu voll zum Lachen
Ihr habt es oft zu voll vom Kyrieleis.

Und hängen wir einst zwischen Himmel und Boden
Wie Obst und Glocken, Storch und Jesus Christ
Dann, bitte, faltet die geleerten Pfoten
Zu einem Vater Eurer, der nicht ist.

Wir haun’ zusammen wonnig eure Frauen
Und ihr bezahlt uns heimlich eure Schmach…
Sie werden mit Wonne zusammengehauen
Und laufen uns noch in die Kerker nach.

Den jungen Weibern mit den hohen Busen
Sind wir viel leichter als der Herr Gemahl
Sie liebt den Kerl, der ihr vom Bett weg Blusen
Die ihr Gemahl bezahlt, beim Abschied stahl.

Sie heben ihre Augen bis zum Himmel
Und ihre Röcke bis zum Hinterteil.
Und ist er frech, so macht der Dümmste Lümmel
Bloß mit dem Adamsapfel sie schon geil.

Dein Rahm der Milch schmeckt schließlich nicht ganz übel
Besonders wenn du selbst ihn für uns kaufst
Wir tauchen dir das Schöpflein in den Kübel
Dass du in der entrahmten Milch versaufst…

Konnt in den Himmel uns der Sprung nicht glücken
War eure Welt uns schließlich einerlei.
Kannst du herauf schauen, Bruder mit dem krummen Rücken?
Wir sind frei, Bruder, wir sind frei!

 

Bertolt Brecht monument voor het Berliner Ensemble (Theater am Schiffbauerdamm)

 

Terzinen over de liefde

Kijk ginds die kraanvogels in grote bogen!
De wolken die hun mee werden gegeven
Trokken al mee met hen van toen ze vlogen
Van het ene leven naar een ander leven.
Op eendere hoogte en met eender ijlen
Leek het of beiden maar bijkomstig bleven.
Laat van die twee geen langer hier verwijlen,
Laat kraanvogels en wolken zo verdelen
De mooie hemel waar zij kort in vliegen.
En laat geen een iets anders zien dan het wiegen
Van de ander in de wind die beide voelen
Die nu al vliegend bij elkander liggen.
Dat zo de wind hen naar het niets ontvoere,
Als zij maar niet vergaan en bij elkander blijven,
Zolang kan geen van beide iets beroeren,
Zolang kan men hen overal verdrijven
Waar regens dreigen of waar schoten knallen.
Zo, onder zon en maan, welhaast verwante schijven,
Vliegen zij weg, elkaar zo welgevallig.
Waarheen dan?
Nergens heen.
Van wie vandaan?
Van allen.
Jullie vragen hoelang die twee al bij elkaar zijn?

Sinds kort.
Wanneer zij uit elkaar gaan?
Gauw.
Zo komt geliefden liefde voor als trouw.

 

Vertaald door Koen Stassijns & Geert van Istendael

 

Liefdesgewoonten

Het is niet zo dat het genot zomaar beklijft.
Vaak dient geconsumeerde kus zich nogmaals aan.
Het nog een keer te doen, al hebben we ’t net gedaan
Dat is wat ons zo naar elkander drijft.

Die kleine beving van je kont, zo lang
Verwacht al! O, jouw sluwe vlees!
Hoe aangenaam, wanneer je hees
Opnieuw te kennen geeft je geile drang!

Hoe jij je knieën buigt! Hoe jij mij weet te geven!
Jouw beven dan, waardoor mijn vlees herkent
Dat je in al je lust nog niet bevredigd bent!
Dat lome draaien! het achteloze naar mij tasten
Terwijl je al glimlacht!
Ach, steeds als je het doet:
Was ’t niet al vaak gedaan, was ’t niet zo goed!

 

Vertaald door Gerda Meijerink

 

Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)
Portret door Shubnum Gill, z.j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e februari ook mijn blog van 10 februari 2022 en ook mijn blog van 10 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Kees Verheul, Elizabeth Bishop

De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.

Uit: Tafelgesprek over Heine

“Het is begonnen met een opmerking aan het midden van de tafel. Het gesprek ging daar over Harry, de litterator die de afgelopen winter uit Berlijn naar München is gekomen op zoek naar een goede staatsbetrekking, liefst aan de universiteit, en die al snel de huisvriend is geworden van Tutschew en de dames Bothmer. Er zijn maar weinigen onder Tutschews gelijken die Harry mogen. Wat aanving als een vaag en onberedeneerd dedain bij sommigen die de dertigjarige burgermanszoon bij de Russische secretaris thuis ontmoetten, groeide weldra uit tot een universele antipathie toen bekend werd dat de nieuwkomeling, een en al strijkages tegenover lieden die hem van nut konden zijn, achter hun rug om hen smaalde. Velen in Beieren gniffelen om Harry’s doorvertelde bonmots over hun ‘bierdrinkend Athene’, over hun ‘ingeslapen rijk van baronnen, papen en pederasten’. Er zijn hier adellijke jongelui genoeg die meevoelen met de populariteit van zijn verzen in Noord-Duitsland. Maar dat-ie een indringer is, ongeschikt voor München, een onaangenaam mensch, ónsalonfähig, ónproffesorabel – dit heeft ’t wereldje rondom Koning Ludwig binnen twee maanden beslist.
Tutschew en Leonore hebben die middag al een tijdje door wie het onderwerp is van de conversatie verderop. De steelse blikken naar hun kant, die ze tegenwoordig zo dikwijls moeten zien, Harry’s achternaam, met een grimas van iets onsmakelijks op de tong uitgesproken, de gedempte lachjes… Nelly heeft naar Theo gezucht en beiden hebben tevreden gemerkt dat Tildy, turend naar haar onaangeroerde forel, uit de realiteit is weggedroomd.

De nuntius, waarschijnlijk gangmaker van het gesprek, is op hun afstand niet te verstaan. Het knappe gezicht van comte d’Argenteau uit de Zuidelijke Nederlanden, na een carrière van huzaar plotseling prelaat geworden maar nog immer gekleed als een man van de wereld, buigt naar links en naar rechts, een hand aan de lippen. Zijn ringen fonkelen in de zon evenals het crucifix bovenop zijn halsdoek. Zijn tafeldame, een Hongaarse van wier afkomst niemand het fijne weet, heeft zich, na een gefluisterd woord tot haar buurman, omgewend en met stemverheffing gevraagd:
“Mademoiselle Bothmer, vertelt u ons asjeblieft eens wat u toch zo bekoort aan uw israëlitische vrindje. En toe” – dit met een knipoog en op flemerige toon – “vertelt u ons ook: hebt u al wat van ‘m gehoord uit Italië?”
De stilte aan tafel duurt lang genoeg zodat elk kan meegenieten van de steek, verborgen onder de vraag. Theodor en Leonore staren naar beneden. Blijkbaar denkt heel hun kennissenkring inmiddels wat Clotildes tante veertien dagen geleden meteen heeft uitgeroepen na Tutschews relaas over de gezamenlijke diligencetocht tot Verona, waar het Münchense trio Harry voor onbestemde tijd en – vreemd genoeg – zonder één woord zijnerzijds over een bepaalde verbintenis, heeft uitgewuifd op zijn tour naar de Middellandse Zee: “Herrgott, eine Dichterseele! Je zult zien, hij laat ‘r zitten.”

 

Kees Verheul (Hengelo, 9 februari 1940)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

De kunst bij uitstek

Verliezen is een kunst die je kunt leren;
veel dingen lijken voorbestemd teloor te gaan,
en hun verlies zal niemand ernstig kunnen deren.

Blijf dagelijks verliezen. Aanvaard dat ze niet wederkeren:
verloren sleutels, uren die in rook zijn opgegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Verlies gewoon maar verder, en ten slotte eerder:
plaatsen, namen, waar wou je heen, waar kwam je aan?
Geen van die dingen kan ons werkelijk deren.

En toen was ma’s horloge weg. Kijk, mijn hoogvereerde
laatste, of een-na-laatste, huis (van drie) is heengegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Twee steden, zeer beminde, raakte ik kwijt. En, meer nog,
m’n rijken, twee rivieren, een continent heb ik al afgestaan.
Ik mis ze, maar het kan me nauwelijks deren.

—Zelfs als ik jou verliezen moest (je plagerige stem, een teer en
lief gebaar), blijf ik dit zeggen. Neem van mij aan:
Verliezen is heus een kunst die je kunt leren,
al lijkt het (schrijf maar op!) of het ons gruwelijk kan deren.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2022 en ook mijn blog van 9 februari 2019 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook alle drie blogs van 9 februari 2014.

Rachel Cusk, Elizabeth Bishop, Robin Block

De Canadese schrijfster Rachel Cusk werd geboren op 8 februari 1967 in Saskatoon. Zie ook alle tags voor Rachel Cusk op dit blog.

Uit: Coventry: Essays

“Every so often, for offences actual or hypothetical, my mother and father stop speaking to me. There’s a funny phrase for this phenomenon in England: it’s called being sent to Coventry. I don’t know what the origins of the expression are, though I suppose I could easily find out. Coventry suffered badly in the war: it once had a beautiful cathedral that in 1940 was bombed into non-existence. Now it’s an ordinary town in the Midlands, and if it hasn’t made sense of its losses, it has at least survived them.
Sometimes it takes me a while to notice that my parents have sent me to Coventry. It’s not unlike when a central-heating boiler breaks down: there’s no explosion, no dramatic sight or sound, merely a growing feeling of discomfort that comes from the gradual drop in temperature, and that one might be surprisingly slow – depending on one’s instinct for habituation – to attribute to an actual cause. Like coldness the silence advances, making itself known not by presence but by absence, by disturbances of expectation so small that they are registered only half-consciously and instead mount up, so that one only becomes truly aware of it once its progress is complete. It takes patience to send someone to Coventry: it’s not a game for those who require instant satisfaction. If you don’t live with your victim or see them every day, it might be a while before they even notice they’ve been sent there. All the same, there’s no mistaking this for anything less deliberate than punishment. It is the attempt to recover power through withdrawal, rather as the powerless child indignantly imagines his own death as a punishment to others. Then they’ll be sorry! It’s a gamble, with oneself as the stakes. My mother and father seem to believe they are inflicting a terrible loss on me by disappearing from my life. They appear to be wielding power, but I’ve come to understand that their silence is the opposite of power. It is in fact failure, their failure to control the story, their failure to control me. It is a failure so profound that all they have left to throw at it is the value of their own selves, like desperate people taking the last of their possessions to the pawn shop.
But perhaps it isn’t like that at all. I remember girls being sent to Coventry at school, a cold and calculated process of exclusion in which the whole cohort would participate. It was a test of an individual’s capacity for survival, of her psychological strength: if other people pretend you’re not there, how long can you go on believing you exist? This was elemental bullying, the deliberate removal of the relational basis of human reality. The group would watch their victim with interest, as she wandered wordless and unacknowledged through the days. By sending someone to Coventry you are in a sense positing the idea of their annihilation, asking how the world would look without them in it. Perversely, over time, your victim might cultivate exaggerated notions of their own importance, for this troubling fact of their existence seems to have an unusual significance.”

 

Rachel Cusk (Saskatoon, 8 februari 1967)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

Enorm slecht schilderij

Hij herinnerde zich de zeestraat van Belle Isle
of de een of andere haven aan Labradors noordkust,
voordat hij onderwijzer werd maakte
een oudoom een groot schilderij.

Mijlenver aan beide zijden zich verwijderend
in een gegolfde, stilstaande hemelboog
verrijzen bleekblauwe steil uitstekende rotsen
honderden meters hoog,

hun voet aangevreten door poortjes,
de ingangen tot grotten naar binnen
vallend langs de waterlijn van een baai
door fraaie golven gemaskeerd.

Op het midden van die vredige vloer
rust een vloot van zwarte scheepjes,
vierkant gebrast, met opgerolde zeilen, zonder te bewegen,
hun sparren net afgebrande luciferhoutjes.

En hoog boven hen, over de half doorschijnende
rijen oprijzende rotsen heen nog,
zijn fijntjes gekrabbeld honderden zwarte vogels
in rijen n-tjes gehangen, in slagzij gevangen.

Je kunt ze horen krassen, krassen,
het enige geluid dat telt op het
zo nu en dan weerklinkende zuchten na
wanneer een groot waterdier ademhaalt.

In het rozige licht
rolt de kleine rode zon, rolt,
rond en rond en rond op dezelfde hoogte
in eeuwige ondergang, veelomvattend, vertroostend,

terwijl de schepen daar diep over denken.
Klaarblijkelijk was dit hun destinatie.
Het valt moeilijk te zeggen wat hen daar gebracht heeft,
commercie of contemplatie.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

De Nederlandse dichter, songwriter en musicus Robin Block werd geboren op 8 februari 1980 in Heemskerk. Zie ook alle tags voor Robin Block op dit blog.

Uit: In Between & Di Antara (Samen met Angelina Enny)

 

Samudra

A stamp across a name
that I could not spell
but I recognise the sound
and the hand that tucked me in.

The quaver of the gong
lasts longer than the sigh of pale masters.
The century stretches out its curved back
and straightens.
Once again the spirit of my forefathers
rolls over my tongue.
I find myself dozing off in a rattan chair
as I chew on rambutan, tobacco, on the taste
of their prayers.
I nod to echo their silence,
point at the ocean and listen:
sss-aaa-muuu-drrraaa.

Do you see how the sun carries along—in stripes—
and paints a face in the bamboo grids?
Do you see how brightly it colours around
mothers’ cheekbones?
There is a map in my skin,
like a burn mark, for future wanderings.

 

Robin Block (Heemskerk, 8 februari 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e februari ook mijn blog van 8 februari 2019 en ook mijn blog van 8 februari 2015.

Charles Dickens, Lioba Happel

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook alle tags voor Charles Dickens op dit blog.

Uit: Little Dorrit

“Thirty years ago, Marseilles lay burning in the sun, one day.
A blazing sun upon a fierce August day was no greater rarity in southern France then, than at any other time, before or since. Every thing in Marseilles, and about Marseilles, had stared at the fervid sky, and been stared at in return, until a staring habit had become universal there. Strangers were stared out of countenance by staring white houses, staring white walls, staring white streets, staring tracts of arid road, staring hills from which verdure was burnt away. The only things to be seen not fixedly staring and glaring were the vines drooping under their load of grapes. These did occasionally wink a little, as the hot air barely moved their faint leaves.
There was no wind to make a ripple on the foul water within the harbor, or on the beautiful sea without. The line of demarcation between the two colors, black and blue, showed the point which the pure sea would not pass; but it lay as quiet as the abominable pool, with which it never mixed. Boats without awnings were too hot to touch; ships blistered at their moorings; the stones of the quays had not cooled, night or day, for months. Hindoos, Russians, Chinese, Spaniards, Portuguese, Englishmen, Frenchmen, Genoese, Neapolitans, Venetians, Greeks, Turks, descendants from all the builders of Babel, come to trade at Marseilles, sought the shade alike—taking refuge in any hiding-place from a sea too intensely blue to be looked at, and a sky of purple, set with one great flaming jewel of fire.
The universal stare made the eyes ache. Towards the distant line of Italian coast, indeed, it was a little relieved by light clouds of mist, slowly rising from the evaporation of the sea; but it softened nowhere else. Far away the staring roads, deep in dust, stared from the hillside, stared from the hollow, stared from the interminable plain. Far away the dusty vines overhanging wayside cottages, and the monotonous wayside avenues of parched trees without shade, drooped beneath the stare of earth and sky. So did the horses with drowsy bells, in long files of carts, creeping slowly towards the interior; so did their recumbent drivers, when they were awake, which rarely happened; so did the exhausted laborers in the fields. Everything that lived or grew, was oppressed by the glare; except the lizard, passing swiftly over rough stone walls, and the cicala, chirping his dry hot chirp, like a rattle. The very dust was scorched brown, and something quivered in the atmosphere as if the air itself were panting.”

 

Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)
Portret door Daniel Maclise, 1839 (National Portrait Gallery, Londen)

 

De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happel werd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.

 

L’art pour l’art mijn lieve herfst
wie door je heen loopt
gooit geen stenen meer
in de tuin van de buren in de lucht

De herfst is overal, zelfs in maart
In de zomer overwintert hij
hier! achter wilgen klimmen de
eeuwen met catastrofes

geciseleerde klimop mene tekels en
wie rond het landhuis gaan
uit Syrië uit Eritrea
met rammelende kastanjes in hun handen wie

geen huis meer hebben bidden god
die groot is stel de velden aan de winden
bloot en niemand is in de herfst alleen
L’art pour l’art mijn lieve herfst

wie door je heen loopt gooit geen steen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lioba Happel (Aschaffenburg, 7 februari 1957

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e februari ook mijn blog van 7 februari 2019 en eveneens mijn blog van 7 februari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Annelies Verbeke, Heinz Kahlau

De Vlaamse schrijfster Annelies Verbeke werd geboren op 6 februari 1976 in Dendermonde. Zie ook alle tags voor Annelies Verbeke op dit blog.

Uit: Treinen en Kamers (Deserteren)

“Wie wordt daar opgegraven uit een modderige kuil? Wie was zo gek zich daarin te verschansen uit onbegrijpelijk of op zijn minst overdreven ongenoegen? Van wie is die oorlogstronie, wie behoren die benen in slijkbroek toe? Wie opent daar de plakkerige wimpers om geërgerd met de ogen te kunnen rollen? Wie draait daar liggend een joint en steekt die zuchtend op?
Hemeltjelief!
Het is de auteur!
Eigenlijk was het te verwachten. Het ging al een tijdje niet zo heel, heel goed met haar.
Maar wie zijn die twee gravers? Geen familie, toch niet in strikte zin. Al vertonen hun gezichten een sterke gelijkenis met het eigenaardige hoofd van de auteur, hun lichamen hebben niets met het hare gemeen. De ene is een ronde vrouw met een schort, en de andere een militair uit een ver verleden, of uit een sprookje – hij draagt een hoofddeksel met een struisvogelveer. De veer zit hem in de weg, bij herhaling veegt hij het versiersel uit zijn gezichtsveld.
“Kind toch!” De stem van de vrouw heeft klaarblijkelijk te lang te veel geroepen. “Dat is toch geen doen!”
“Een schande”; zegt de militair, die het woord nogmaals herhaalt. als wilde hij er nog meer afkeuring in leggen. Dat lukt: ”Schande:
“Allez!” De vrouw trapt de losse aarde aan de rand van de put plat met de zool van haar orthopedische sandaal. een nutteloze handeling waarmee ze haar ongeduld wil overbrengen. Daarna hurkt ze weer neer. “Kom eruit, zoetje!”
“Fuck off” zegt de auteur. Zo’n afgezaagde Amerikaanse vloek, dat is dan haar antwoord. Zie je wel! Dit is niet haar tijd. Al wat ze aanraakt. verandert in stront. Ze probeert zich zo ongemerkt mogelijk weer in te graven. wrijft een handvol aarde langzaam over de plek waar haar hart zit, discreet maar daarom niet minder melodramatisch.
“Aanstellerij!” De militair inhaleert diep, ademt bevelend uit. “Schrijven” zeg ik! De plicht roept. Belofte maakt schuld.”

“Ik heb jullie niets beloofd”, protesteert de auteur. “Ik ken jullie niet eens.”
“Ik hen Moeke Verbeke”; zegt de vrouw.
Moeke Verbeke. Verdomme. Die naam heeft de auteur jaren geleden zelf verzonnen, toen de kinderen van haar partner een naam voor haar zochten. Waarna ze in paniek duidelijk moest maken dat Ni een grapje was, en de kinderen er pas mee ophielden nadat ze een dag lang elke zin met “Moeke Verbeke” waren begonnen.
“En dit is Maarschalk Cianfranco Verbeke”, zegt Moeke Verbeke.”

 

Annelies Verbeke (Dendermonde, 6 februari 1976)

 

De Duitse dichter en schrijver Heinz Kahlau werd op 6 februari 1931 geboren in het dorpje Drewitz. Zie ook alle tags voor Heinz Kahlau op dit blog.

 

Fietsen

Liefhebben is als fietsen.
Je ziet er goed bij uit
als het geen moeite kost.
Velen wekken de indruk
alsof het heel gemakkelijk is.
Vanaf een bepaalde leeftijd
kun je het gewoon –
anders grijnzen de anderen
en spotten.

Maar de angst
om op je gezicht te vallen,
er slecht uit te zien en onhandig,
uitgelachen en afgewezen te worden,
je te schamen
en er treurig bij te staan.

Liefhebben is veel moeilijker dan fietsen.
Fietsen kun je alleen,
liefhebben nooit.
Dan ben je altijd tandem.
Maar geleerd moet het toch worden
net als fietsen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Heinz Kahlau (6 februari 1931 – 6 april 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e februari ook mijn blog van 6 februari 2019 en ook mijn blog van 6 februari 2011 deel 2.

Geert Buelens, Heinz Kahlau

De Vlaamse dichter, essayist en columnist Geert Buelens werd geboren in Duffel op 5 februari 1971. Zie ook alle tags voor Geert Buelens op dit blog.

 

Vrij lopend vuur (bij Ornette Coleman & Fela Kuti)
– voor David –

Schoonheid is een raar ding
het is een klipding en een
ringding is het als gegoten
en als een klaploper in galop
is het als een moegetergde zwaan
Kopieerdrift, nieuwigheidsverlangen
de elegantie van een passerstel
de wensvorm genaamd berging – alles weg
Hier opent zich een kraan
een raar ding
schoonheid die zich schuilhoudt
op een straf paar plaatsen
oorgesuis, voelgekramp
ooglidvernauwingsgareel
en nooit eens een normaal woord
een klassiekgevormde zin
een adempauze die aan insijpeling doet

Wat hebben wij te maken met uw leven
wat hebben wij te maken
vol te storten
met ons gemoed
Het is een vorm die komt
als een roep
Het is wat komt
als een groep
serieuze eenzaten
die almaar gaat en gaat
Toewijdingsverbond
Trouwzweerdersmacht
Zeg het me, spreek als een tang
zoek met de kracht
van een lintworm
op elk continent
vrij als de loop die vuurt

 

uur twee

wat rest van deze oplossing
een straal zonder debiet
dat is geen probleem
het is een feit zoals de Negebwoestijn
of Nixon
ook een goeie maar minder persistent
in de geometrie van het moment
verschijnen we als ankers uit de ruimte
geen drift, geen verloop
wat waait is onze voorspraak
het gehengel naar een klatergouden nis
waarin het blinken is tot een van beiden
smelt
ook dat is een oplossing

 

uur drie

waarop je stil blijft
liggen terwijl de golf passeert
zo raak je onder
maar waaronder
niemand ziet er de grap van in
of heeft het voldoende geprobeerd
is dat een verwijt of een belofte
het zijn bij elkaar geveegde brokken
wandelstokken die je begeleiden
naar het ijs en zo terug
naar het strand
de golf die nu passeert is massief
je laat geen indruk na

 

Geert Buelens (Duffel, 5 februari 1971)

 

De Duitse dichter en schrijver Heinz Kahlau werd op 6 februari 1931 geboren in het dorpje Drewitz. Zie ook alle tags voor Heinz Kahlau op dit blog.

 

Dubbele regenboog

Je bestuurde onze razende machine.
Plotseling voor ons een regenboog.
Een regenboog, riep je
een dubbele regenboog!
Ik heb al zo lang geen regenboog gezien
en nu een dubbele!
Zou hij werkelijk rond zijn?
Ik kan me niet omdraaien!
Ik draaide me om en zei:
Ik kan de andere kant zien
maar daar is het gewoon maar een.
Kun je zien
Of hij langs de hele hemel staat?
vroeg je opgewonden.
Langs de hele hemel, werkelijk rond,
dat zou echt mooi zijn!
Nee, dat kan ik ook niet zien
was mijn antwoord –
maar hij is beslist rond.
Beslist!
zei je nog
en toen niets meer.
Waarom zijn we niet gestopt?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Heinz Kahlau (6 februari 1931 – 6 april 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e februari ook mijn blog van 5 februari 2021 en ook mijn blog van 5 februari 2019.

Ben Lerner, Stewart O’Nan

De Amerikaanse dichter, schrijver, essayist en criticus Benjamin S. (Ben) Lerner werd geboren op 4 februari 1979 in Topeka, Kansas. Zie ook alle tags voor Ben Lerner op dit blog.

 

The sky narrates snow…

The sky narrates snow. I narrate my name in the snow.
Snow piled in paragraphs. Darkling snow. Geno-snow
and pheno-snow. I staple snow to the ground.

In medieval angelology, there are nine orders of snow.
A vindication of snow in the form of snow.
A jealous snow. An omni-snow. Snow immolation.

Do you remember that winter it snowed?
There were bodies everywhere. Obese, carrot-nosed.
A snow of translucent hexagonal signifiers. Meta-snow.

Sand replaced with snow. Snowpaper. A window of snow
opened onto the snow. Snow replaced with sand.
 A sandman. Obese, carrot-nosed. Tiny swastikas

of snow. Vallejo’s unpublished snow.
Real snow on the stage. Fake blood on the snow.

 

The sky is a big responsibility…

The sky is a big responsibility. And I am the lone intern. This explains
my drinking. This explains my luminous portage, my baboon heart
that breaks nightly like the news. Who

am I kidding? I am Diego Rodríguez Velázquez. I am a dry
and eviscerated analysis of the Russian Revolution.
I am line seven. And my memory, like a melon,
contains many dark seeds. Already, this poem has achieved

the status of lore amongst you little people of New England. Nevertheless,
I, Dr. Samuel Johnson, experience moments of such profound alienation
that I have surrendered my pistols to the care of my sister,
                                                                   Elisabeth Förster-Nietzsche]

Forgive me. For I have taken things too far. And now your carpet is ruined.
Forgive me. For I am not who you think I am, I am Charlie Chaplin

playing a waiter embarrassed by his occupation. And when the rich woman
                                                                                            I love]  
enters this bistro, I must pretend that I’m only pretending to play a waiter
                                                                                            for her]
                     amusement.

 

What am I…

What am I the antecedent of?
When I shave I feel like a Russian.
When I drink I’m the last Jew in Kansas.
I sit in my hammock and whittle my rebus,
I feel disease spread through me like a theory.
I take a sip from Death’s black daiquiri.

Darling, my favorite natural abstraction is a tree
so every time you see one from the highway
remember the ablative case in which I keep
your tilde. (A scythe of moon divides
the cloud. The story regains its upward sweep.)
O slender spadix projecting from a narrow spathe,

you are thinner than spaghetti but not as thin as vermicelli.
You are the first and last indigenous Nintendo

 

De duisternis verzamelt…

De duisternis verzamelt onze lege flessen, leegt onze asbakken,
Bedoelde je ‘dit kan altijd zo doorgaan’ op een goede manier?
Boven in de geurige spanten wankelen motten rond fijner stuifmeel.
Doe gerust de lichten

aan of uit. Naar de orde van grootte, een glyphe,
draagbaar, smal – Verdomme. Ik ben het kwijt. Behalve zijn schaduw. Geworpen
op de lange termijn. Terwijl de duisternis aan ons zit.
Daarvoor vroeg je, of ik de gegevens zou ingaan als een kamer, nou ja,

Ofwel is de zon begonnen met de verbranding
Van zijn manuscripten of ik ben een sukkel, een sukkel
met mijn elf halfedelstenen ringen. Echte sneeuw
op het podium. Nepbloed in de sneeuw. Zou dit altijd kunnen

doorgaan op een goede manier? Een brein liet kant achter door tijd of bliksem.
De kip is een beetje droog en/of je hebt mijn leven verpest.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ben Lerner (Topeka, 4 februari 1979)

 

De Amerikaanse schrijver Stewart O’Nan werd geboren op 4 februari 1961 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Stewart O’Nan op dit blog.

Uit: Ocean State

“When I was in eighth grade my sister helped kill another girl. She was in love, my mother said, like it was an excuse. She didn’t know what she was doing. I had never been in love then, not really, so I didn’t know what my mother meant, but I do now.
This was in Ashaway, Rhode Island, outside Westerly, down along the shore. That fall we lived in a house by the river, across the road from the mill where my grandmother had met my grandfather. The Line & Twine was closed, posted with rusty NO TRESPASSING signs, but just above the dam someone had snipped a hole in the fence with bolt cutters so you could sneak in the back. We used to roller-skate up and down the aisles between the dusty looms, Angel weaving, teaching me how to do crossovers and go backwards. She could do spins like an iceskater, her hands making shapes in the air. I wanted to do spins and be graceful like her, but I was chubby and a klutz and when I stood beside her in church I was invisible. My mother said I shouldn’t worry, that in time I’d find my special talent. “I was a late bloomer,” she said, as if that was supposed to be comforting. What if I didn’t have a special talent? I wanted to ask. What if a hopeless nerd was all I’d ever be?
My mother’s talent was finding new boyfriends and new places for us to live. She worked as a nurse’s aide at the Elms, an old folks’ home in Westerly where my great-aunt Mildred lived, and didn’t make any money. Fridays she’d come home and change, brushing her hair out, making up her face, using too much perfume. She’d been a cheerleader and could dance. She dieted, or tried to. Facing the narrow mirror on her closet, she complained that nothing fit her anymore. I used to look like you, she told Angel, like a threat, and it was true, in her old pictures they could have been twins. If she’d wanted to, she said, she could have married a doctor, but they were all assholes. Your father was sweet.
We knew our father was sweet. What we didn’t understand was when he’d become an asshole, or why. My grandmother had never liked him because his family was Portuguese. He’d tricked my mother into turning Catholic and then abandoned her. Never trust a Port-a-gees, she said, like it was a joke. I had his dark hair and eyes, so what did that make me?”

 

Stewart O’Nan (Pittsburgh, 4 februari 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e februari ook mijn blog van 4 februari 2019 en eveneens mijn blog van 4 februari 2018 deel 1 en ook deel 2.

Georg Trakl, Ferdinand Schmatz

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

Der Spaziergang

1

Musik summt im Gehölz am Nachmittag.
Im Korn sich ernste Vogelscheuchen drehn.
Holunderbüsche sacht am Weg verwehn;
Ein Haus zerflimmert wunderlich und vag.

In Goldnem schwebt ein Duft von Thymian,
Auf einem Stein steht eine heitere Zahl.
Auf einer Wiese spielen Kinder Ball,
Dann hebt ein Baum vor dir zu kreisen an.

Du träumst: Die Schwester kämmt ihr blondes Haar,
Auch schreibt ein ferner Freund dir einen Brief.
Ein Schober fliegt durchs Grau vergilbt und schief
Und manchmal schwebst du leicht und wunderbar.

2

Die Zeit verrinnt. O süßer Helios!
O Bild im Krötentümpel süß und klar;
Im Sand versinkt ein Eden wunderbar.
Goldammern wiegt ein Busch in seinem Schoß.

Ein Bruder stirbt dir in verwunschnem Land
Und stählern schaun dich seine Augen an.
In Goldnem dort ein Duft von Thymian.
Ein Knabe legt am Weiler einen Brand.

Die Liebenden in Faltern neu erglühn
Und schaukeln heiter hin um Stein und Zahl.
Aufflattern Krähen um ein ekles Mahl
Und deine Stirne tost durchs sanfte Grün.

Im Dornenstrauch verendet weich ein Wild.
Nachgleitet dir ein heller Kindertag,
Der graue Wind, der flatterhaft und vag
Verfallne Düfte durch die Dämmerung spült.

3

Ein altes Wiegenlied macht dich sehr bang.
Am Wegrand fromm ein Weib ihr Kindlein stillt.
Traumwandelnd hörst Du wie ihr Bronnen quillt.
Aus Apfelzweigen fällt ein Weiheklang.

Und Brot und Wein sind süß von harten Mühn.
Nach Früchten tastet silbern deine Hand.
Die tote Rahel geht durchs Ackerland.
Mit friedlicher Geberde winkt das Grün.

Gesegnet auch blüht armer Mägde Schoß,
Die träumend dort am alten Brunnen stehn.
Einsame froh auf stillen Pfaden gehn
Mit Gottes Kreaturen sündelos.

 

Zang van een gevangen merel

Donkere adem in de groene takken.
Blauwe bloemen zweven rond het gezicht
Van de eenzame, zijn gouden tred
Sterft weg onder de olijfboom.
Fladdert de nacht op met dronken vleugels.
Zo stilletjes bloedt ootmoed,
Dauw, die langzaam druipt van de bloeiende doorn.
Van stralende armen de barmhartigheid
Omarmt een brekend hart.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Borstbeeld door Hans Pacher bij het Trakl-Haus in Salzburg

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Zie ook alle tags voor Ferdinand Schmatz op dit blog.

 

proloog bij een toneelstuk voor architecten

wat zich hier inzingt:
woord voor woord –
om te tonen: beeld voor beeld –
als stukwerk werkstuk wordend
neemt het zich in het Nu Niets voor –
dan poort te zijn naar ´t huis
van  spreken, teken – wilden, zachten ook,
zoals in iedereen die durft,
in kijkt en benoemt wat in het woord de plek bouwt,
in beelden niet altijd wat het in zijn schild voert toont – als zin
kerft het van binnen meer dan buiten steen en teer –
de huid is niet de grens van wat hier binnen ruimte is, voorbeeld: de leegte, en ze
vult meteen, verenigt fijn en grof, fluist´rend geheim,
vloeide over, maar houdt vol in, ontnuchtert nooit –
want wat het zo noch anders zeggen kan
zal zich dan juist laten zien als plan, maar zonder plan
in ´t stuk, dat zoekt zijn heil
(en lof) vooral in het gebruik.

 

Vertaald door Tonnus Oosterhoff

 

Ferdinand Schmatz (Korneuburg, 3 februai 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e februari ook mijn blog van 3 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.