Annette von Droste-Hülshoff, Jan Eekhout

Annette von Droste-Hülshoff werd op 10 januari 1797 op het slot Hülshoff in Westfalen geboren als tweede van vier kinderen uit een adellijke, conservatief-katholieke familie. Ze kreeg een degelijke opvoeding, doordat ze samen met haar broer privélessen volgde. Professor Anton Matthias Sprickmann liet haar vanaf 1812 met de poëzie kennismaken. Als burgerlijk meisje leidde ze een noodgedwongen teruggetrokken bestaan, alhoewel ze zich nooit heftig tegen de toen heersende moraal verzette: politiek gezien stond ze zeker aan de zijde van het conservatisme. Vanaf 1815 kampte ze met zware gezondheidsproblemen en depressies, die misschien met haar schildklier te maken hadden. In 1825 maakte ze tijdens een reis langs de Rijn kennis met Schlegel. Toen haar vader in 1826 stierf, verhuisde ze met haar moeder naar Rüschhaus nabij Münster, waar ze gedichten begon te schrijven, waaronder het eerste deel van de cyclus Das geistliche Jahr, dat in 1838 verscheen. Haar zwager had het slot Meersburg aan het Bodenmeer gekocht, en daar verbleef Droste-Hülshoff vanaf 1841; ze maakte er kennis met Levin Schücking, de zoon van schrijfster Katharine Busch, die ze al sinds 1813 kende. Ze vatte een onbeantwoorde liefde voor de 17 jaar jongere schrijver op en schreef in 1842 haar Judenbuche. Ze schreef eveneens epische vertellingen in versvorm. Nadat Schücking in 1843 met Luise von Gall trouwde, trok ze zich helemaal in haar verdriet terug. Droste-Hülshoff overleed in 1848 aan een hartinfarct. Het werk van Droste-Hülshoff staat hoog aangeschreven, en zij geldt voor vele literatuurcritici als de grootste Duitse dichteres uit de Romantiek. Door haar goede afkomst was ze aan een heleboel maatschappelijke beperkingen onderworpen, temeer daar ze ongetrouwd is gebleven en verondersteld werd een afgezonderd bestaan te leiden. Qua stijl behoort ze het sterkst tot de Biedermeier: ze schrijft burgerlijk en helder, en vervalt nooit in romantische opwellingen. Droste-Hülshoffs poëzie blijft steeds beheerst, ook wanneer ze haar positie als vrouw bejammert in het gedicht Am Turme. Ze beschrijft dikwijls landschappen en huiselijke situaties, en doet dit steeds met precisie: uit haar werk blijkt een strak geordende visie op de wereld. Desalniettemin sluipt doorgaans een soort huivering in haar verzen, een geheimzinnige, spookachtige sfeer die haar vertellingen kenmerkt. Als streng religieuze vrouw spreekt uit haar werk een sterke bezinningsdrang. Haar beroemdste werk, Die Judenbuche („De joodse beuk“), is een mysterieus misdaadverhaal waarin een beukenboom een centrale rol speelt: de natuur is als het ware behekst, en een moord door het destijds gevluchte hoofdpersonage Friedrich Mergel op een jood zal door middel van de beuk, 28 jaar na dato, gewroken worden, wanneer Friedrich terug opduikt onder de naam Johannes Niemand. Droste-Hülshoff ligt op het kerkhof van Meersburg begraven.

Am Turme

Ich steh’ auf hohem Balkone am Turm,
Umstrichen vom schreienden Stare,
Und lass’ gleich einer Mänade den Sturm
Mir wühlen im flatternden Haare;
O wilder Geselle, o toller Fant,
Ich möchte dich kräftig umschlingen,
Und, Sehne an Sehne, zwei Schritte vom Rand
Auf Tod und Leben dann ringen!

Und drunten seh’ ich am Strand, so frisch
Wie spielende Doggen, die Wellen
Sich tummeln rings mit Geklaff und Gezisch
Und glänzende Flocken schnellen.
O, springen möcht’ ich hinein alsbald,
Recht in die tobende Meute,
Und jagen durch den korallenen Wald
Das Walroß, die lustige Beute!

Und drüben seh’ ich ein Wimpel wehn
So keck wie ein Standarte,
Seh’ auf und nieder den Kiel sich drehn
Von meiner luftigen Warte;
O, sitzen möcht’ ich im kämpfenden Schiff,
Das Steuerruder ergreifen
Und zischend über das brandende Riff
Wie eine Seemöve streifen.

Wär’ ich ein Jäger auf freier Flur,
Ein Stück nur von einem Soldaten,
Wär’ ich ein Mann doch mindestens nur,
So würde der Himmel mir raten;
Nun muß ich sitzen so fein und klar,
Gleich einem artigen Kinde,
Und darf nur heimlich lösen mein Haar
Und lassen es flattern im Winde!

 

Der Säntis – Winter

Aus Schneegestäub’ und Nebelqualm
Bricht endlich doch ein klarer Tag;
Da fliegen alle Fenster auf,
Ein jeder späht, was er vermag.

Ob jene Blöcke Häuser sind?
Ein Weiher jener ebne Raum?
Fürwahr, in dieser Uniform
Den Glockenturm erkennt man kaum.

Und alles Leben liegt zerdrückt,
Wie unterm Leichentuch erstickt.
Doch schau! an Horizontes Rand
Begegnet mir lebend’ges Land!

Du starrer Wächter, laß ihn los,
Den Föhn aus deiner Kerker Schoß!
Wo schwärzlich jene Riffe spalten,
Da muß er Quarantäne halten,
Der Fremdling aus der Lombardei:
O Säntis, gib den Tauwind frei!

 

droste1

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

 

Jan Eekhout werd geboren op 10 januari 1900 in Sluis. Eekhout behoorde als protestants-christelijk schrijver met zijn vroege poëzie tot de kring van Opwaartsche Wegen, maar hij werkte ook mee aan De Vrije Bladen. Eekhout debuteerde met de bundel Louteringen (1927). In de jaren dertig voert hij de redactie van Werk, een podium voor veel jong-protestantse literatoren. Hij publiceert poëzie en enkele romans, waaronder Warden, een koning (1937). In die tijd drijft hij steeds meer in de richting van het nationaalsocialisme.

Zijn dichtbundels Magie der Aarde (1938) en Solaas (1940) worden door dr. J. van Ham, het latere hoofd van de Afdeling Boekwezen van het nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, de hemel in geprezen in het tijdschrift De Schouw.

In 1939 wordt hij lid van de NSB, maar geeft pas na mei 1940 blijk van zijn nationaal-socialistische overtuiging. Hij schrijft in die jaren vooral ‘volks’ proza, waarin een zwakke afschaduwing van Blut und Boden-theorieën een rol speelt. Daarbij richt hij zich als Zeeuwsvlaming vooral op de Vlaamse gebieden, getuige de roman Leven en daden van Pastoor Poncke van Damme in Vlaanderen (1941) en zijn bewerking van De waarachtige historie van Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen (1940). Na de oorlog veroordeelt het tribunaal in Leeuwarden hem tot een gevangenisstraf van twee jaar. Daarnaast mocht hij tien jaar niets publiceren. Hij tracht zich te rehabiliteren in het autobiografische en apologetisch getinte Vlucht naar de vijand (1954), waarvoor Anton van Duinkerken een inleiding schreef en waarmee hij de jarenlange stilte rond zijn persoon verbrak. Eekhout schrijft daarna een groot aantal romans, ook voor de jeugd, zoals De duivelstoren (1962) en Het dorp bij de hemel (1967).

Sonnet van de ontleding mijns wezens

 

Met in de borst een zwaavlen hart dat rust –

Loos ’t vleesch wegvreet en de gebeenderen dort,

Met een ziel die aldoor verdwaasder wordt,

Een ziel bezeten van steeds woester lust,

 

Met een geest lam en blind en onbewust

Op deze listige wereld neergestort -:

Wat wonder dan wanneer een vuur mij kort

Nabijkomt dat het, mij verzwelgend, bluscht.

 

De Schoonheid diende ik boven de Natuur,

Haar zal ik dienen tot de Dood mij rooft,

Al maakt haar knecht zij steeds èn groot èn zwak.

 

Wie spreekt mij schuldig dan als op dit uur

Het vuur mijn vuur aangrijpt en in zich dooft -.

Schuld draagt alleen Die ’t vuur in mij ontstak.

 

Eekhout

Jan Eekhout (10 januari 1900 – 6 maart 1978)

 

Karel Čapek, Simone de Beauvoir

De Tsjechische schrijver Karel Čapek werd geboren op 9 januari 1890 in Malé Svatoňovice, Bohemen, in de toenmalige dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije (tegenwoordig Tsjechië). Hij wordt gezien als een van de belangrijkste Tsjechische schrijvers. Hij schreef enkele werken samen met zijn broer Josef. Zijn bekendste werken kunnen als sciencefiction geclassificeerd worden, geheel in de lijn van Britse auteurs als Aldous Huxley en George Orwell. Hij staat bekend als de uitvinder van het woord ‘robot’. Het woord duikt voor het eerst op in zijn werk R.U.R. (Rossum’s Universele Robots) (1920). In een ingezonden brief in Lidové Noviny (een Tsjechisch dagblad, waarvan hij enige tijd redacteur was) in 1933 vertelt Karel Čapek dat het woord door zijn broer Josef is verzonnen (zie externe links). Verder schreef hij Krakatit (1924) over de ontdekking van een explosief van ongekende vernietigingskracht (de atoombom?). Daarnaast schreef hij ook talloze krantenartikelen, theaterstukken, kinderboeken, detectives, reisverslagen en zelfs een boek over tuinieren. Čapek maakte gebruik van talloze schrijfstijlen en genres, vaak ook binnen een werk. Veel van zijn werk is geschreven met een spitsvondig gevoel voor humor. In 1932 werd een bundeling van zijn reisverslagen uit Nederland uitgegeven onder de naam Obrázky z Holandska (in het Nederlands uitgegeven onder de titel Over Holland). Beroemd is ook zijn Dášeňka (1932, in het Nederland als Tuuntje verschenen) over zijn eigenwijze jonge hondje, geïllustreerd met eigen foto’s. De broers Čapek vormden de spil van het intellectuele leven in het Tsjechoslowakije tussen de twee wereldoorlogen. Ze verenigden linkse avantgarde-kunstenaars met conservatievere intellectuelen. Karel genoot ook de warme sympathie van de charismatische president van de Eerste Tsjechoslowaakse Republiek (1918-1938), Tomáš Masaryk (1850-1937). Masaryk vroeg hem zijn levensverhaal op te tekenen in Hovory s Masarykem (1928, Gesprekken met Masaryk). In de jaren 1930 ageerde Čapek in zijn werk steeds meer tegen het opkomende nazisme, fascisme en communisme. In deze periode schreef hij een aantal toneelstukken en romans met een sterk politieke lading. Válka s mlokem (1936, Oorlog met de salamanders), waarin de krijgszuchtige salamanders symbool staan voor de Duitse nationaal-socialisten, is daarvan het beste voorbeeld. Toen met het Akkoord van München in september 1938 duidelijk werd dat de West-Europese landen Tsjechoslowakije niet zouden bijstaan tegen de nationaal-socialistische dreiging, stortte zijn wereld in. Kort daarna stierf hij als een gebroken man aan een longontsteking.

 

Uit: The War With The Newts (1936)

 

“…the director of the Zoo, Sir Charles Wiggam, was walking
through some of the houses to make sure that everything was in
order. When he went through the section with the newts there was
a great splashing in one of the tanks, and somebody remarked in a
croaking voice, “Good evening, sir.”

“Good evening,” replied the director, taken aback. “Who’s
that?”

“Excuse me, sir,” said the croaking voice. “Isn’t it Mr. Greggs?”

“Who’s that?” repeated the director.

“Andy. Andrew Scheuchzer.”

Sir Charles drew nearer the tank. There was only a newt sitting erect and motionless there. “Who said something here?” 

“Andy, sir,” said the newt. “Who are you?” 

“Wiggam,” blurted out Sir Charles in amazement. 

“I’m very pleased to make your acquaintance,” said Andrias [the newt] politely. “How do you do?” 

“Damn it all,” bawled Sir Charles. “Greggs! Hey, Greggs!” [Greggs is the cage-keeper.] 

Mr. Greggs rushed tot he door, breathless and apprehensive. “I beg your pardon, sir?” 

“Greggs, what does this mean?” burst out Sir Charles. 

“Is there something wrong, sir?” stammered Mr. Greggs uncertainly. 

“This animal here is talking!” 

“Excuse me, sir,” said Mr. Greggs, abashed. “You ought not to do that, Andy. haven’t I told you a thousand times that you
ought not to annoy people with your talking? I beg your pardon, sir; it won’t happen again.”

“Is it you that has taught this newt to talk?” 

“But he began it, sir,” expostulated Greggs in self-defence. 

“I hope that it won’t happen again, Greggs,” said Sir Charles sternly. “I shall keep my eye on you.”

Some time later Sir Charles was sitting beside Professor Petrov and discussing the so-called animal intelligence, conditioned
reflexes, and how popular ideas overrate the reasoning powers of animals. Professor Petrov expressed his doubts about the
Elberfeld horses which, it was said, could not only count, but also raise a number to a higher power and find the square root of
a number; “for not even a normal, intelligent man can extract the square root of a number, can he?” said the great scientist.”

 

 

Capek

Karel Čapek (9 januari 1890 – 25 december 1938)

 

De Franse schrijfster Simone de Beauvoir werd geboren op 9 januari 1908 in Parijs als oudste dochter van een deftig, maar niet al te bemiddeld gezin. Al vanaf haar tweede krijgt ze godsdienstonderwijs van haar moeder en op latere leeftijd volgt ze haar onderwijs aan de kloosterschool. Maar de Beauvoir maakte haar eigen keuzes en geloofde niet in God. Zij koos voor haar waarheid, voor haar zijn de zonden van de mens niet te beboeten, je bent verantwoordelijk voor je eigen daden. Aan de Parijse universiteit de Sorbonne studeerde ze literatuurwetenschappen, wiskunde en filosofie. Na haar studies werd ze toegelaten op de docentenopleiding, waarvoor ze bij de École normale supérieure moest zijn. Daar leerde de Beauvoir een intellectuele jongeman genaamd Jean-Paul Sartre kennen, hij zou haar gezel voor het leven worden. In haar relatie met Sartre wilde Simone koste wat kost haar zelfstandigheid bewaren. Zo wees ze zelfs een huwelijksaanzoek van zijn kant af en nam een onderwijsaanstelling in de provincie aan, ver van Sartre en Parijs. Tot aan Sartres dood in 1980 zou hun relatie gebaseerd blijven op onderlinge afspraken zodat geen van beiden hun persoonlijke vrijheid op hoefde te geven. In zowel het werk van Sartre als in het werk van de Beauvoir zal altijd de invloed van de ander merkbaar aanwezig zijn.

 

Uit: The Second Sex (1949)

 

“An entire system has been built up in this perspective, which I do not intend to criticise as a whole, merely examining its contribution to the study of woman. It is not an easy matter to discuss psychoanalysis per se. Like all religions – Christianity and Marxism, for example – it displays an embarrassing flexibility on a basis of rigid concepts. Words are sometimes used in their most literal sense, the term phallus, for example, designating quite exactly that fleshy projection which marks the male; again, they are indefinitely expanded and take on symbolic meaning, the phallus now expressing the virile character and situation in toto. If you attack the letter of his doctrine, the psychoanalyst protests that you misunderstand its spirit; if you applaud its spirit, he at once wishes to confine you to the letter. The doctrine is of no importance, says one, psychoanalysis is a method; but the success of the method strengthens the doctrinaire in his faith. After all, where is one to find the true lineaments of psychoanalysis if not among the psychoanalysts? But there are heretics among these, just as there are among Christians and Marxists; and more than one psychoanalyst has declared that ‘the worst enemies of psychoanalysis are the psychoanalysts’. In spite of a scholastic precision that often becomes pedantic, many obscurities remain to be dissipated. As Sartre and Merleau-Ponty have observed, the proposition ‘Sexuality is coextensive with existence’ can be understood in two very different ways; it can mean that every experience of the existent has a sexual significance, or that every sexual phenomenon has an existential import. It is possible to reconcile these statements, but too often one merely slips from one to the other. Furthermore, as soon as the ‘sexual’ is distinguished from the ‘genital’, the idea of sexuality becomes none too clear. According to Dalbiez, ‘the sexual with Freud is the intrinsic aptitude for releasing the genital’. But nothing is more obscure than the idea of ‘aptitude’ – that is, of possibility – for only realisation gives indubitable proof of what is possible. Not being a philosopher, Freud has refused to justify his system philosophically; and his disciples maintain that on this account he is exempt from all metaphysical attack. There are metaphysical assumptions behind all his dicta, however, and to use his language is to adopt a philosophy. It is just such confusions that call for criticism, while making criticism difficult.”

 

 

Beauvoir

Simone de Beauvoir (9 januari 1908 – 14 april 1986)

Juan Marsé, Béla Zsolt, Waldtraut Lewin

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Ondanks een indrukwekkende staat van dienst – zijn eerste roman ‘Encerrados con un solo juguete’ (‘Opgesloten met een stuk speelgoed’) dateert uit 1960 en daarop volgde nog een tiental titels – is van deze auteur nauwelijks iets in het Nederlands verkrijgbaar. Met de vertaling van ‘De staart van de hagedis’ (2000) kwam daar verandering in. Deze roman kreeg in Spanje alle belangrijke literaire prijzen, en wordt door critici even hoog aangeslagen als Marsé’s klassieker ‘Si te dicen que caí’ (Als ze je zeggen dat ik ben gesneuveld, een regel uit de falangistische hymne ‘Cara al sol’), uit 1973, dat destijds niet mocht verschijnen in Spanje. Marsé’s oeuvre vertoont een hechte eenheid, met steeds terugkerende thema’s die eveneens in ‘De staart van de hagedis’ aan bod komen. Ook deze roman speelt zich af in de Barcelonese volkswijk Guinardó, waar Marsé zelf opgroeide, en zijn de hoofdpersonages verliezers van de Burgeroorlog. Marsé ontving o.a. de Premio Nacional de Literatura.

Uit: Lieutenant Bravo

« La lumière argentée du projecteur comme un blanc battement d’ailes de papillon traversant les ténèbres du local au milieu des doux flocons de neige qui flottent sur le grand parterre blanc, immaculé et fantomatique.

Et presque désert. Cinq spectateurs distants solitaires avec gants et écharpes de laine engoncés dans de gros pardessus cintrés année 40, deux avec chapeau, trois avec béret jusqu’aux yeux et tous avec de la neige jusqu’aux genoux et sur les épaules. Ils ne bougent pas, recroquevillés et transis de froidd, leurs yeux tristes grands ouverts absorbent spectres et chimères, lumières et ombres d’une autre vie plus intense, plus belle. Autour d’eux se profilent sous la neige les rangées de fauteuils – mais on en voit plus que les dossiers -, l’allée centrale et les allées latérales avec les poêles à bois rouillés, éteints et froids, et en face la scène où pend l’écran fragile au pied duquel la neige tourbillonne et se pelotonne comme un chien des rues qui se couche pour dormir, son épaisseur croît rapidement, déjà elle recouvre les bottes déchirées du jeune vagabond décoiffé hâve debout immobile sac au dos, et qui regarde s’étendre devant lui une mer de boue noire et de neige pure. »

 

marse_juan

Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

 

De Hongaarse schrijver Béla Zsolt werd op 8 januari 1895 geboren in Komárom in het noorden van Hongarije. Hij raakte als soldaat ernstig gewond tijdens de Eerste Wereldoorlog.Na de oorlog ontwikkelde hij zich met tien romans en vier toneelstukken tot een van de toonaangevende schrijvers van zijn land. Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde Zsolt in een werkkamp in de Oekraïne, in het ghetto van Nagyvarad en in het concentratiekamp van Bergen-Belsen. Zsolt overleefde en richtte na de bevrijding de Hongaarse Radicale Partij op waarvoor hij in 1947 verkozen werd in het parlement. Hij was ook medeoprichter van het weekblad Haladas waarin hij terugblikte op de nazitijd. Na de machtsovername door de communisten raakte hij uit de gratie. Hij overleed in 1949.

 

Uit: Nine Suitcases (Vertaald door Ladislaus Lob)

 

“So, here I am, lying on my mattress in the middle of the synagogue at the foot of the Ark of the Covenant. The light that consultant Németi inked hospital-blue the day before yesterday flickers. Outside, foreign aircraft are flying over the town, but this doesn’t bother us. The star, our stigma, excludes us not only from life’s amenities but also from its fears. We aren’t afraid of air raids, or any other kinds of death. The dead are lying here next to me: on the mattresses to my right and left there are diabetics in a coma, angina patients, uraemics, people with galloping TB who haven’t been looked after during the last few weeks, and suicides who are being brought in on stretchers day and night, generally in pairs, mostly couples, including doctors who had poison at hand and knew the exact doses.

Next to the terrible WC there is a laundry turned into a morgue, but by yesterday half a dozen legs, naked and waxen, were hanging out of the half-open door. The gendarmes allow no funerals. ‘They’ll all be taken care of together,’ the gendarmerie colonel says with icy humour, and the bodies continue to pile up. At the top of the pile, as high as the ceiling, are the naked bodies of two children.

That is why nine dead men and women have been left in the synagogue, decomposing in the stifling heat. My neighbour on the next mattress, Uncle Niszel, the old leather merchant, went with great difficulty—at home in normal circumstances, according to his doctor, he would have had the ‘beautiful death’ his heart disease had been promising him for years—falling peacefully off his chair, surrounded by his family. Here, in the synagogue of the wonder-rabbi of Wisznice, which is now the ghetto hospital, weighed down by his ordeals, he kept puffing for a day and a half, with his mouth open, rhythmically, like the small steam engine at the timber yard. The whole
ward was bored with the poor devil, the amateur nurses shook their heads in disapproval, and three impatient patients, who were after his mattress near the Ark of the Covenant and closer to the window, inspected him every quarter of an hour, interrogating the dazed doctor in his white coat as to how much time the old boy had left. Finally he died at about ten o’clock, but wasn’t carried out, because there was no room in the morgue. Even so, the three patients, in their pants and vests, who had hoped to grab his mattress, fell out over the succession, although they eventually contented themselves with sharing out the old man’s possessions—his felt slippers, brown blanket and personal bedpan—and slunk away in the blue darkness, each with his booty.”

 

zsoltbe2

Béla Zsolt (8 januari 1895 – 6 februari 1949)

 

De Duitse schrijfster Waldtraut Lewin werd geboren op 8 januari 1937 in Wernigerode. Van 1951 tot 1961 studeerde zij germanistiek, latijn en theaterwetenschappen aan de Humboldt-universiteit in Berlijn. Vanaf 1961 tot 1973 werkte Lewin als muziekdramaturge en regisseur aan het Landestheater Halle. Daarna was zij dramaturge en operaregisseur aan het Volkstheater in Rostock. In deze tijd vertaalde zij in totaal zestien Italiaanse opera’s van Georg Friedrich Händel. Al in 1971 publiceerde Waldtraut Lewin haar eerste roman: Herr Lucius und sein schwarzer Schwan. Zes jaar later gaf zij haar baan in Rostock op om zich voortaan geheel aan het schrijven te wijden. Sindsdien publiceerde zij novellen, romans, jeugdromans, historische jeugdromans, hoorspelen, draaiboeken en biografieën. (Over Caesar en Händel). Voor haar werk ontving zij o.a. de Lion-Feuchtwanger-Preis en de Nationalpreis der DDR. Van 1986 tot 1990 was zij lid van de Akademie der Künste in Berlijn.

Uit: Ein Kerl, Lompin genannt

„Lompin alias Simplex alias der Herr Magister Daniel Speer hätte nun wohl ein halb Dutzend Schnaken und Schnurren auf Lager ob so kindischer Frage und nicht übel Lust, aufzuspringen und einen Schelmentanz abzulassen, aber der Herr Rat Tössle, gewissenhafter Kanzlist, wohlwollender Musikliebhaber und leidlicher Amateurviolinist, ist nicht der Sultan noch irgendein hoher Herr, der an Possen gefallen finden kann, er würde davon nur noch mehr verschreckt, als er ohnehin schon ist.

So daß sich denn sein Widerpart genötigt sieht, in freundlich wohlgesetzten Worten Rede und Antwort zu stehen, indem er dem gescheiten Kopf des Herrn Rat wohl zu bedenken gebe, daß nimmermehr eine artifizielle und eine realiter existierende Persona ein und dieselbe sein könnte. Sei denn der Göttliche Augustus, wie ihn, zum Exempel, der Vergilius dargestellt habe als verheißenes Kind und Auslöser eines neuen Zeitalters, sei der etwa derselbe wie jener römische Cäsar, der kleinmütig, pedantisch, schwitzend unterm Pantoffel der verehrten Frau Gemahlin Livia, mit Müh und Not gestrebt habe, einen morschen Staat zu restaurieren …

Der Rat Tössle hat den Mund offen; wie’s scheint, hat er dergleichen noch nie gehört über den großen Augustus. Da sei Gott vor, daß ich ihn mit meinem gutgemeinten Exempel noch mehr schrecke als mit den simplen Facta!

“Herr Rat”, sagt Lompin und bleckt seine Zähne zum Lachen, große Zähne, wohlerhalten, in einem großen Maul, “Herr Rat, Sie sehen mich hier sitzen, Aug in Aug mit Ihnen, und wissen wohl”, so sagt Lompin, “daß ich der Magister Musicis Daniel Speer bin, bestallet zur Lehre und Unterweysung in nämlicher Kunst, bin Scripteur und Compositeur dazu und ein wohlgelahrter Kund, beschlagen in Lateinische, Griechische, Türckische, Pohlnische, Hungrische und noch andre Idiomas, indem, wie kann ich da Simplex sein oder gar Lompin”, sagt Lompin. “Simplex oder gar Lompin, das sind reine Kunst‑Figuren, und was Sie, Herr Rat, so konfusioniert, ist nichts, als daß diese gottverlassenen Kerls sich in Gegenden aufhalten, in denen auch ich war, so daß ich, verstehn Sie recht, eine lebendige Anschauung habe nehmen können für all die Lügen‑Possen, die ich ersonnen habe und noch ersinne. Für wen”, sagt Lompin, “halten Sie mich denn, doch wohl nicht für den Simplex oder gar Lompin.”

Lewin

Waldtraut Lewin (Wernigerode, 8 januari 1937)

Nicholson Baker, Roland Topor

De Amerikaanse schrijver Nicholson Baker werd geboren op 7 januari 1957 in Rochester. Hij studeerde daat aan de Eastman School of Music en aan het Haverford College. Tegenwoordig woont hij in Berwick, Maine, met vrouw en twee kinderen. In 1997 ontving hij de James Madison Freedom of Information Award. In zijn roman Vox uit 1992 beschrijft hij de telefoonsex tussen een man en een vrouw. Het boek bestaat uit een enkele lange dialoog. Het verhaal gaat dat het boek een rol speelde tijdens de Lewinsky affaire, omdat Lewinsky het boek aan Bill Clinton geschonken zou hebben. Zijn roman Checkpoint uit 2004 beschrijft een geplande moordaaanslag op de president van de VS, George W. Bush, tijdens de verkiezingsstrijd. Hierin behandelt Baker voor het eerst ook politieke thema’s. Veel belangstelling was er ook voor zijn nonfictie boek Double fold uit 2001, waarin hij ten strijde trekt tegen het vernietigen van het papieren origineel van kranten die op microfilm zijn gezet. Voor dit boek ontving hij National Book Critics Circle Award.

Uit: Checkpoint

May 2004
Adele Hotel and Suites
Washington, D.C.

jay: Testing, testing. Testing. Testing.
ben: Is it working?
jay: I think so. [Click…click, click.] Yes, see the little readout? Where’d you get it?
ben: Circuit City.
jay: Three hundred and ninety minutes. That should definitely do it. I’ll pay you back.
ben: No, it’s fine, honestly.
jay: Well, thanks, man. I just feel I have a lot in my noggin right now.
ben: So I gather. You look good, Jay.
jay: Really? I was working on a fishing boat for a while, dropped some pounds. Are those new glasses?
ben: Yeah, Julie helped me pick them. Did you know Brooks Brothers made glasses frames?
jay: No, I did not. Let me see them.
ben: Sure.
jay: “Made in China.” I always check. Anyway, they suit you. Really, you look less like a bird.
ben: I’m glad to hear it. So tell me what’s up.
jay: Oh, let’s see. Where to begin? Where to begin?
ben: Obviously you have something on your mind.
jay: That’s true.
ben: You could begin with that.
jay: Okay. Uh, I’m going to–okay, I’ll just say it. Um.
ben: What is it?
jay: I’m going to assassinate the president.
ben: What do you mean?
jay: Take his life.
ben: You’re shitting me, right?
jay: No.
ben: Tell me this is one of your little flippancies.
jay: It’s not a flippancy.
ben: Come on, Jay. This isn’t–turn that off.
jay: No, I’d like it on. Before I do it I want to explain, for the record.
ben: Please turn that off right now.
jay: It’s got to stay on.
ben: I think I better go.
jay: Already?
ben: Yes already. You’re talking about the president, am I right? That is what you said. Or did I just hallucinate?
jay: No, that is what I said. But you can’t go.
ben: This isn’t what I thought you were calling me about. I thought maybe your girlfriend had left you.
jay: She did.
ben: Well, okay. That’s more like it.
jay: But I also have this plan that I need to execute. Calm down, will you?
ben: That’s pretty funny.
jay: What?
ben: You’re telling me to calm down when you’ve got this…deed on your mind. It’s a major, major, major crime. It doesn’t get much more major.
jay: I know, and it’s high time, too. I haven’t felt this way about any of the other ones. Not Nixon, not Bonzo, even. For the good of humankind.

Baker

Nicholson Baker (Rochester, 7 januari 1957)

 

Roland Topor werd geboren op 7 januari 1938 in Parijs als zoon van Poolse emigranten. Topor studeerde van 1955 tot 1964 aan de École Nationale des Beaux-Arts in Parijs.Topor was een zeer veelzijdig kunstenaar. Naast schrijver was hij onder meer actief als acteur, regisseur, tekenaar en kostuumontwerper. L’Hiver sous la table schreef hij in 1994. Het stuk werd voor het eerst opgevoerd in 1997. Zijn werk heeft een duidelijke link naar het surrealisme.

Uit: La cuisine cannibale

Mamam anx roses blanches

Embrassez maman sur les deux joues puis coupez-la en deux : jetez dessus de l’eau bouillante ;
ôtez la tête qui sourit avec bonté – elle vous couperait l’appétit -, la colonne vertébrale et tous
les os qui peuvent être ôtés. Préparez les pommes de terre cuites à l’eau que vous couperez en
ronds et que vous mettrez en salade. Mélangez les petits bouts de maman à la salade, et arrosez d’huile d’olive avant de servir. Vous n’oublierez pas de glisser quelques roses blanches sous
le plat : elles protégeront la nappe, et puis maman les aimait tant…

        

Topor

Roland Topor (7 januari 1938 – 14 november 1997)

Khalil Gibran, Carl Sandburg, E. L. Doctorow, Anja Meulenbelt

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran of Kahlil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri in een Maronitisch christelijke familie. Hij schreef in zowel het Engels als Arabisch. Gibran verhuisde naar de stad New York in 1912. Hij combineerde elementen van Oostelijke en Westelijke mysticisme en bereikte algemene bekendheid met aforistische, poëtische werken zoals De Profeet (1923) en Jesus, de Zoon van de Mens (1928). Khalil Gibran heeft met zijn poëtische werken geschiedenis geschreven, met name zijn boek ‘De Profeet’ is sterk aangeslagen bij het publiek en wordt tot op de dag van vandaag door velen gebruikt als persoonlijke bijbel. Tevens is hij in de Arabische wereld bekend als een vrije denker, een van de weinige mannen van zijn tijd die schreef met een liefde voor het kijken over grenzen en verschillen heen. Zijn werk is erg toegankelijk voor zowel hen die zich vastklampen aan een religie als hen die zich thuis voelen in het atheïsme. Naast het schrijven schilderde hij ook veelvuldig, in zijn boeken staan veel van zijn werken.

Uit: The Prophet

Gibran on Friendship

 

“And a youth said, “Speak to us of Friendship.”

Your friend is your needs answered.

He is your field which you sow with love and reap with thanksgiving.

And he is your board and your fireside.

For you come to him with your hunger, and you seek him for peace.

When your friend speaks his mind you fear not the “nay” in your own mind, nor do you withhold the “ay.”

And when he is silent your heart ceases not to listen to his heart;

For without words, in friendship, all thoughts, all desires, all expectations are born and shared, with joy that is unacclaimed.

When you part from your friend, you grieve not;

For that which you love most in him may be clearer in his absence, as the mountain to the climber is clearer from the plain.

And let there be no purpose in friendship save the deepening of the spirit.

For love that seeks aught but the disclosure of its own mystery is not love but a net cast forth: and only the unprofitable is caught.

And let your best be for your friend.

If he must know the ebb of your tide, let him know its flood also.

For what is your friend that you should seek him with hours to kill?

Seek him always with hours to live.

For it is his to fill your need, but not your emptiness.

And in the sweetness of friendship let there be laughter, and sharing of pleasures.

For in the dew of little things the heart finds its morning and is refreshed.”

 

Gibran

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Hij stamt uit een Zweedse immigrantenfamilie. Na enkele jaren waarin hij verschillende beroepen uitoefende nam hij deel aan de Spaans-Amerikaanse oorlog. Vanaf 1902 werkte hij als journalist. In zijn gedichten thematiseert Sandburg de natuur in de traditie van Walt Whitman en voor de bloemlezing Chicago Poems ontving hij de Pulitzer prijs. Niet minder belangrijk is zijn biografie over Abraham Lincoln die dezelfde prijs opleverde. Sandburg was met Chigago en met de zogenaamde Chigago Renaissance verbonden, maar ook met de Amerikaanse volkscultuur.

 

Chigago   

 

     Hog Butcher for th
e World,

     Tool maker, Stacker of Wheat,

     Player with Railroads and the Nation’s Freight Handler;

     Stormy, husky, brawling,

     City of the Big Shoulders:


They tell me you are wicked and I believe them, for I have seen your

painted women under the gas lamps luring the farm boys.

And they tell me you are crooked and I answer: yes, it is true I have seen

the gunman kill and go free to kill again.

And they tell me you are brutal and my reply is: On the faces of women

and children I have seen the marks of wanton hunger.

And having answered so I turn once more to those who sneer at this my

city, and I give them back the sneer and say to them:

Come and show me another city with lifted head singing so proud to be

alive and coarse and strong and cunning.

Flinging magnetic curses amid the toil of piling job on job, here is a tall

bold slugger set vivid against the little soft cities;

Fierce as a dog with tongue lapping for action, cunning as a savage pitted

against the wilderness,

    Bareheaded,

    Shoveling,

     Wrecking,

     Planning,

     Building, breaking, rebuilding,

Under the smoke, dust all over his mouth, laughing with white teeth,

Under the terrible burden of destiny laughing as a young man laughs,

Laughing even as an ignorant fighter laughs who has never lost a battle,

Bragging and laughing that under his wrist is the pulse, and under his

     ribs the heart of the people,

     Laughing!

Laughing the stormy, husky, brawling laughter of Youth, half-naked,

sweating, proud to be Hog Butcher, Tool Maker, Stacker of Wheat,

Player with Railroads and Freight Handler to the Nation.

 

Sandburg

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Laurence Doctorow werd geboren op 6 januari 1931 in New York Hij werd wereldwijd bekend met ‘Ragtime’, een roman waarin de Amerikaanse wereld aan het begin van de twintigste eeuw werd voorgesteld en waarin bekenden zoals Henry Ford, J.P. Morgan, Harry Houdini, Sigmund Freud en Emma Goldman voorkomen. Doctorow schreef meer historische romans. De geschiedkundige juistheid van zijn settings is niet zijn sterkste kant. Hij zegt daarover zelf dat hij maar oppervlakkig research doet voor zijn boeken. Hij wil zich niet laten inp
erken door de werkelijkheid: hij creëert een eigen wereld. Doctorow ontving veel literaire prijzen. Voor ‘Ragtime‘ kreeg hij in 1976 de first National Book Critics Circle Award for fiction en de Arts and Letters Award van de American Academy and National Institute of Arts and Letters. ‘World’s Fair’ ontving de National Book Award (1986) en ‘Billy Bathgate’ won de PEN/Faulkner Award(1990). Doctorow debuteerde in 1960 met ‘Welcome to Hard Times’, een boek dat ook verfilmd werd, evenals ‘Ragtime‘. ‘Ragtime‘ is in 1998 bewerkt tot musical. Hij publiceert met een zekere regelmaat een nieuwe roman en woont en werkt in New York.

Uit: Ragtime (1975)

“In 1902 Father built a house at the crest of the Broadview Avenue hill in New Rochelle, New York. It was a three-story brown shingle with dormers, bay windows and a screened porch. Striped awnings shaded the windows. The family took possession of this stout manse on a sunny day in June and it seemed for some years thereafter that all their days would be warm and fair. The best part of Father’s income was derived from the manufacture of flags and buntings and other accoutrements of patriotism, including fireworks. Patriotism was a reliable sentiment in the early 1900’s. Teddy Roosevelt was President. The population customarily gathered in great numbers either out of doors for parades, public concerts, fish fries, political picnics, social outings, or indoors in meeting halls, vaudeville theatres, operas, ballrooms. There seemed to be no entertainment that did not involve great swarms of people. Trains and steamers and trolleys moved them from one place to another. That was the style, that was the way people lived. Women were stouter then. They visited the fleet carrying white parasols. Everyone wore white in summer. Tennis racquets were hefty and the racquet faces elliptical”.

doctorow

E. L. Doctorow (New York, 6 januari 1931)

 

De Nederlandse schrijfster, feministe en politica Anja Henriëtte Meulenbelt werd geboren in Utrecht op 6 januari 1945. Sinds 10 juni 2003 is zij lid van de Eerste Kamer voor de SP. Meulenbelt volgde de HBS in Amsterdam; daarna, van 1965 tot 1969, eveneens in Amsterdam de Sociale Academie. Vervolgens studeerde Meulenbelt van 1972 tot 1977 andragologie aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1975 tot 1992 was ze docente hulpverlening. Meulenbelt was zeer actief in de vrouwenbeweging en was onder andere betrokken bij de oprichting van de Feministische Uitgeverij Sara. Haar archief over 25 jaar vrouwenbeweging heeft ze ondergebracht bij het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (IIAV). Via de Stichting Admira, die slachtoffers van oorlog en seksueel geweld bijstaat, werkte Meulenbelt regelmatig in Balkanlanden. Ze trainde onder andere vrouwengroepen in voormalig Joegoslavië. Ze is sterk betrokken bij de Palestijnse zaak. Met de Stichting Kifaia ondersteunt zij gehandicapten in de Gazastrook. Meulenbelt publiceerde ruim dertig boeken en vele artikelen voor diverse tijdschriften, van de internationale bestseller De schaamte voorbij (1976) tot Het beroofde land (2000) en De tweede intifada (2001). Haar roman Alba werd vertaald in het Duits, Zweeds, Fins, Grieks en Turks. Ook in de linkse politiek was Meulenbelt geen onbekende vóór haar kamerlidmaatschap; begin jaren ’70 was zij lid van de KEN, een voorloper van de SP. De laatste jaren krijgt Meulenbelt veel kritiek van weblogs als Frontaal Naakt en Lucaswashier die haar kijk op de multiculturele samenleving niet delen. Bezoekers van die, en andere, weblogs beschuldigen haar van een eenzijdige kijk op en verheerlijking van de Moslims en proberen met Meulenbelt op haar weblog de discussie aan te gaan. Omdat Meulenbelt reacties die in haar ogen over de schreef gaan van haar weblog verwijdert, wordt ze beticht van censuur. Meulenbelt is ongehuwd en heeft een zoon.

Over: De schaamte voorbij

“Als ik iemand tegenkom die zegt dat ze mijn boek heeft gelezen is het altijd dit boek. Het boek. Ik had niet voorzien, naïef als ik toen was, dat het meteen, nog voordat er recensies waren verschenen in herdruk zou gaan en zoveel ophef zou veroorzaken. Ik ging meteen ondergronds, en weigerde interviews. En las met verbazing de bewonderende dan wel woedende recensies.
Er zijn veel misverstanden over dat boek, nog steeds. Het wordt een ‘egodocument’ genoemd, ‘bekentenissenroman’, ‘autobiografie’, ‘de bijbel van het feminisme’. Boze Anneke van Baalen van De Bonte Was noemde het boek pornografisch, en mij ‘de pionier van de feministische corruptie’, omdat ik mijn naam er op had staan en er bovendien geld mee verdiende. En het is waar, er kwam seks in voor. Daarna was ik beroemd, wereldberoemd in Nederland. Ik heb achteraf vaak uit moeten leggen dat ik ‘De schaamte voorbij’ niet schreef omdat ik mezelf zo belangrijk vond, maar omdat ik nergens boeken tegenkwam die het leven beschreef van vrouwen zoals ik, levend tussen traditie en moeizame emancipatie, in een woelige tijd, ‘op de top van een golf’. Het had ook over een andere vrouw mogen gaan, in principe, maar ik had nu eenmaal mijn eigen leven tot mijn beschikking. En we waren toen zo opgewonden over die nieuwe ontdekking: dat ons persoonlijke leven er toe deed, dat liefde, seks,en de privé relaties tussen vrouwen en mannen net zulke politiek belangrijke onderwerpen waren als gelijke lonen en de wettige regeling van het recht op abortus. Nu snapt bijna niemand dat meer, met elke dag ontboezemingen op de emotie tv, dat het toen revolutionair was, zeker voor vrouwen, om het over de persoonlijke binnenkant van het bestaan te hebben. ‘Het persoonlijke is politiek’.

 

meulenbelt

Anja Meulenbelt (Utrecht, 6 januari 1945

Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Yevgeni Anatoljewitsj Popov, Ngũgĩ wa Thiong’o

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Eco is hoogleraar in de semiotiek aan de universiteit van Bologna. Hij brak internationaal door met zijn roman Il Nome della Rosa (De naam van de roos, 1980), een spannende detectiveroman die zich in 1327 afspeelt tegen de religieus-filosofische achtergrond van de macht van de Rooms-Katholieke Kerk en verschillende stromingen daarin die vanuit het centrale gezag met kracht en met geweld werden onderdrukt. De plot speelt zich af tegen een zeer gedetailleerde achtergrond, die met grote kennis van zaken wordt geschetst. Een tweede roman, De slinger van Foucault, speelt zich af in het heden, maar gaat vooral over de erfenis van de tempeliers en de rozenkruisers, een laat-middeleeuwse mystieke beweging. Dit boek, hoewel zeer rijk van inhoud, wordt algemeen minder makkelijk leesbaar gevonden. Daarnaast zijn er nog een aantal bundels met essays verschenen en drie romans; Het eiland van de vorige dag (1995), Baudolino (2001) en De mysterieuze vlam van koningin Loana (2005).

In 2001 schreef hij daarnaast samen met de gepensioneerde aartsbisschop van Milaan, Carlo Maria Martini het boek Geloven of niet geloven: een confrontatie. Umberto Eco staat tevens te boek als een autoriteit op het gebied van James Bond. Hij werd in 1998 opgenomen in de exclusieve Orde “Pour le Mérite”.

Uit: Baudolino

“I Baudolino son of Galiaudo Gagliaudo of the Aulari with a head that looks like a lion halleluia gratias to the Allmighty may he forgive me

ego habeo facto the greatest stealing of my life, I mean from the cabbinet of the Bishop Oto I have stollen many pages that may belong to the Immperial Chancellor and I have scraped clean almost all of them excepting where the writing would not come off et now I have much parchmint to write down what I want which is my own story even if I don’t know to write Latin.

if they find out the pages are gone God knows the Hell they will raze et may be theyll think it was some spy of the Roman bishops who hate the Emperer Fredericus

but may be nobody cares in the chancellery they write and write even when theres no need and whoever finds them (these pages) can shove them up his…wont do anything about them

ncipit prologus de duabus civilitatibus historiae AD mcxliii conscript

saepe multumque volvendo mecum de rerum temporalium motu ancipitq

these lines were allready here before and I couldnt scratch them away so I leave them

if they find these pages now Ive writen on them not even a chancelor will understand them because this lingua here is what they talk at la Frescheta but noboddy knows to write it down

but even if its a langwadge noboddy understands they can tell right away its me because everyboddy says we Frescheta people talk a lingua no Kristian ever heard so I have to hide these pages well

Jesù writing is hard work all my fingers ake allready..”

 

eco

Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

 

De Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt werd geboren op 5 januari 1921 in Konolfingen. Dürrenmatt was de zoon van een dominee in het kanton Bern. Hij groeide in het Emmental op en bezocht in de stad Bern het gymnasium. Zijn hele leven lang was hij een fervent grafisch kunstenaar en maakte hij talloze tekeningen, schilderijen en karikaturen. In Zürich ging hij naar de universiteit, alwaar hij uiteenlopende zaken studeerde, waaronder filosofie, fysica, theologie en germanistiek; desondanks behaalde hij geen diploma. Hij werkte als journalist en schreef voor het cabaret. In 1952 verhuisde hij naar Neuchâtel. Zijn vroege proza stond onder invloed van Franz Kafka; reeds snel begon hij echter toneelwerk en luisterspelen te schrijven. In de vroege jaren 1950 schreef hij nog om den brode, en produceerde ook recensies, maar toch had hij zich reeds met zijn eerste toneelstuk, Es steht geschrieben, door controverse laten opmerken. Alle stukken die hierna volgden, waren komedies of satires, met een sterke neiging tot het groteske en absurde, zonder evenwel ooit een zekere verhaallijn te verliezen.

Dürrenmatt werd buitengewoon productief: hij ontwikkelde zijn eigen dramaturgische stijl en schreef aan de lopende band luisterspelen en theaterstukken — Die Ehe des Herrn Mississippi, Ein Engel kommt nach Babylon (beide in München in première gegaan), Romulus der Große — alsmede enkele misdaadromans, waaronder Der Richter und sein Henker, waarvan een filmversie werd gemaakt.

Dürrenmatts grote internationale doorbraak kwam met Der Besuch der alten Dame uit 1956.

Uit: Das Versprechen

„Im März dieses Jahres hatte ich vor der Andreas-Dahinden-Gesellschaft in Chur über die Kunst, Kriminalromane zu schreiben, einen Vortrag zu halten. Ich traf mit dem Zug erst beim Einnachten ein, bei tiefliegenden Wolken und tristem Schneegestöber, dazu war alles vereist. Die Veranstaltung fand im Saale des Kaufmännischen Vereins statt. Publikum war nur spärlich vorhanden, da gleichzeitig in der Aula des Gymnasiums Emil Staiger über den späten Goethe las. Weder ich noch sonst jemand kam in Stimmung, und mehrere Einheimische verließen den Saal, bevor ich den Vortrag beendet hatte. Nach einem kurzen Zusammensein mit einigen Mitgliedern des Vorstandes, mit zwei, drei Gymnasiallehrern, die auch lieber beim späten Goethe gewesen wären, sowie einer wohltätigen Dame, die den Verband der Ostschweizerischen Hausangestellten ehrenhalber betreute, zog ich mich nach quittiertem Honorar und Reisespesen ins Hotel Steinbock nahe beim Bahnhof zurück, wo man mich einlogiert hatte. Doch auch hier Trostlosigkeit. Außer einer deutschen Wirtschaftszeitung und einer alten »Weltwoche« war keine Lektüre aufzutreiben, die Stille des Hotels unmenschlich, an Schlaf nicht zu denken, weil die Angst hochkam, dann nicht mehr zu erwachen. Die Nacht zeitlos, gespenstisch.- Draußen hatte es zu schneien aufgehört, alles war ohne Bewegung, die Straßenlampen schwankten nicht mehr, kein Windstoß,…““

 

 

DUERRENMATT

Friedrich Dürrenmatt (5 januari 1921 – 14 december 1990)

 

De Russische schrijver Yevgeni Anatoljewitsj Popov werd geboren op 5 januari 1946 in Krasnojarsk, Sibirië. Hij hoorde ten tijde van de Sovjet Unie tot de zogenaamde Underground, waarin hij noodgedwongen terechtkwam na zijn medewerking aan de destijds schandaalverwekkende en tegenwoordig legendarische literatuuralmanak Metropol. Na eerste literaire successen werd hij al na slechts 7 maanden en 13 dagen uitgesloten uit het schrijversverbond. Hij moest zijn geld verdienen in het beroep, waarvoor hij opgeleid was, geoloog, maar kon toen wel als schrijver onafhankelijk blijven. In 1980 verscheen een verhalenbundel van Popov bij een bekende uitgeverij van ballingen in de VS. Pas na de perestrojka kon zijn werk weer in Rusland verschijnen. Volgens sommige critici is Popov de beste hedendaagse prozaschrijver, anderen vinden zijn werk te verheven om echt populair te kunnen worden. Hij heeft wel al meer dan 200 verhalen en vier romans op zijn naam staan.

 

Uit: Das Herz des Patrioten

 

„Unterdessen haben meine beiden Helden, D.A. Prigow und speziell ich, Jewgeni Anatoljewitsch, endlich die Petrowkastraße überquert unweit der PETOWKA 38, der berühmtesten Milizstation des Landes, und hier hielt uns endlich die Miliz an.“ – „Erst haben sie uns noch Kugeln hinter her geschickt  – ein paar von uns wurden tödlich getroffen, andere verwundet, an dritten pfiff die Kugel vorbei. Jetzt aber sind wir zuweit voraus, man sieht und hört und nicht mehr. Wir sind hinter der Horizontlinie verschwunden, meine Herren und Genossen. Wir sind überall und nirgends. Wir sind in eine andere Dimension übergewechselt, es gibt uns einfach nicht mehr. Lebt wohl! Ab und zu blitzt unser verwirrtes Niemandsgesicht auf, gewirkt aus der Luft des realen Raums und realistischen Zeit, doch ansonsten – überall Ruhe, überall Ruhe, meine Herren und Genossen. Überall Ruhe, denn es gibt uns nicht, einfach nicht. Gab uns nicht, gibt uns nicht, wird uns nicht geben. Gab uns, gibt uns, wird uns geben. Immer mit der Ruhe!“

 

 

RODESTER

Yevgeni Anatoljewitsj Popov (Krasnojarsk, 5 januari 1946)
(foto Popov niet beschikbaar)

 

De keniase schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o werd geboren op 5 januari 1938 in Kamiriithu, Limuru, Kenia. De strijd voor de Keniase onafhankelijkheid, die in 1963 een feit werd, was het onderwerp van de eerste romans van Ngugi wa Thiong’o. In 1977 werd Ngugi gevangen genomen en verbleef hij een jaar, zonder vorm van proces, in de gevangenis. Over zijn ervaringen daar gaat Detained: A Writers’s Prison Diary (1981). Sinds 1982 woont hij in Londen, uit angst opnieuw gearresteerd te zullen worden. Na Petals of Blood schrijft Ngugi zijn werk ik in het Gikuyu.

 

Uit: Petals of Blood

 

‘Ik heb u al gezegd dat dit maar één keer is voorgekomen. En Abdulla was daar niet bij.’
‘Mijnheer Karega, u bent een leugenaar.’ In plotselinge woede sloeg hij Karega twee keer in het gezicht. Het bloed kwam tussen diens tanden vandaan. Godfrey schreeuwde n
aar de politieagent.
‘Breng hem naar beneden – naar de rode kamer! Geef hem vast wat medicijn, een voorproefje van wat hij van mij zal krijgen. Heb je ooit gehoord van de beroemde zweep met de zeven riemen? Leider van de arbeiders! Ik zal je zelf onder handen nemen, druppel voor druppel bijtend medicijn van een rundleren zweep, totdat je praat, totdat je wenst dat je nooit over een Trans-Afrika Weg gereisd had naar welke fabriek in Ilmorog ook. Weg met hem.’

 

 

Ngugi

Ngũgĩ wa Thiong’o (Kamiriithu, 5 januari 1938)

Gao Xingjian, Rajvinder Singh, Jacob Grimm

De Chinese schrijver Gao Xingjian werd geboren op 4 januari 1940.Hij is een overzees Chinees schrijver van romans, toneelstukken en korte verhalen. Hij is bovendien vertaler, regisseur, en schilder. Gao Xingjian is geboren in Ganzhou, in de provincie Jiangxi in China, maar woont tegenwoordig in Frankrijk, en heeft ook de Franse nationaliteit.In 2000 won Gao de Nobelprijs voor de Literatuur. Verder kreeg hij in 1992 van de Franse regering de Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres. Gao wordt in China als dissident beschouwd en daarom over het algemeen doodgezwegen. Zijn werk is verboden in China. Gaos beroemdste boek is Berg van de Ziel (1990).

Uit: One Man’s Bible

You no longer live in other people’s shadows nor treat other people’s shadows as imaginary enemies. You just walked out of their shadows, stopped making up absurdities and fantasies, and are now in a vast emptiness and tranquillity. You originally came into the world naked and without cares and there is no need to take anything away with you, and if you wanted to you wouldn’t be able to. Your only fear is unknowable death.
You recall that your fear of death began in childhood and that your fear of death was much worse then than it is now. The slightest ailment made you worry that it was an incurable disease and when you fell ill you would think up all sorts of nonsense and be stricken with terror. Your having survived so many illnesses and even disasters is purely a matter of luck. Life in itself is an inexplicable miracle and to be alive is a manifestation of this miracle. Is it not enough that a conscious physical body is able to perceive the pains and joys of life? What else is there to be sought?
Your fear of death arises when you are mentally and physically frail. There is the feeling of not being able to breathe and you are anxious that you will not be able to last until you can take your next breath. It is as if you are falling in an abyss, this sensation of falling was often present in dreams during childhood and you would wake in fright drenched in perspiration. In those days there was nothing wrong and your mother took you for many hospital examinations, nowadays even under the doctor’s instruction to have an examination, you repeatedly procrastinate.
It is absolutely clear to you that life naturally ends and when the end comes the fear vanishes, for this fear is itself a manifestation of life. On losing awareness and consciousness life suddenly ends, allowing no further thought and no further meaning. Your affliction had been your search for meaning. When you began discussing the ultimate meaning of human life with friends of your youth you had hardly lived, it seems that now you have savoured virtually all of the sensations to be experienced in life you simply laugh at the futility of searching for meaning. It is best just to experience this existence and to take care of this existence.”

 

xingjian

Gao Xingjian (Ganzhou, 4 januari 1940

 

De Indische schrijver Rajvinder Singh werd geboren op 4 januari 1956 in Kapurthala. Singh stamt uit een welvarende familie uit het Indische Panjabi taalgebied. Zijn ambitieuze en dominante vader gooide hem het huis uit toen hij 16 jaar was, omdat hij in plaats van medicijnen te studeren liever schrijver wilde worden. Hij had negentien jaar lang geen contact meer met ziijn vader totdat het in 1991 hersteld werd. Sindsdien beschrijft Singh de verhouding tot zijn vader als een ouder wordende vriendschap. Ooit maakte zijn vader hem ouder dan hij was, zodat hij de volksschool kon bezoeken die een voorbereiding was op de studie medicijnen. Om die reden kent Singh twee verjaardagen. Zijn echte geboortejaar is 1956. Zijn vader meldde hem bij de volksschool aan met de geboortedatum 10 oktober 1953. Om die reden verscheen in 2003 een gedichtenbundel met 50 gedichten van Singh, uitgegeven door vrienden en partners door de jaren heen. Singh verhuisde, via allerlei Europese tussenstadia, in 1981 naar Berlijn en leeft sindsdien in Berlijn. Hij is getrouwd met de Indische schilderes Jyotika Sehgal.

 

Bio-auto-grafie

Im zarten Wind
landen
Fusseln
auf meiner Haut
erzählen die Saga
ihrer Reise
von Feld bis Fabrik
und was folgt
eindeutig erkennt sich
in ihnen mein Selbst

 

Schweigen der Wörter

Aus dem Schweigen
entsteht das Wort
durch die Schwingungen
des Schweigens hindurch
höre ich die Wörter
du und ich, wortlos
zwei Sand-Gesichter
verspült am Strand
soll ich dem fehlenden Wort
Schweigen entgegnen?
oder Geschrei?
schweige du, Liebster!
damit ich dich höre

 

singh

Rajvinder Singh (Kapurthala, 4 januari 1956)

 

De Duitse jurist, taal- en letterkundige Jacob Ludwig Karl Grimm werd geboren in Hanau op 4 januari 1785. Hij was hoogleraar in Göttingen en Berlijn, en verrichte baanbrekend werk op het gebied van de lexicografie, de vergelijkende taalkunde en de mythologie. Jacob Grimm werkte vaak samen met zijn jongere broer Wilhelm Grimm. Samen staan ze bekend als de gebroeders Grimm. Grimm studeerde vanaf 1798 rechten te Marburg, waar hij bevriend raakte met Friedrich Carl von Savigny. In 1805 ging hij naar Kassel en verdiepte zich in de oude Duitse literatuur. Hij werd in 1830 hoogleraar aan de universiteit van Göttingen. In 1837 nam Jacob Grimm deel aan het protest van de zogeheten Göttinger Sieben, zeven liberale professoren die een petitie tekenden tegen het toenmalige autoritaire bewind en daarop hun ontslag kregen. Hij kreeg in 1841 een benoeming aan de Humboldt Universiteit in Berlijn, waar hij nadien bleef doceren. In 1848 kreeg hij een ereplaats in het Frankfurter Parlement dat na de revolutie van dat jaar probeerde democratische hervormingen door te voeren. Jacob en Wilhelm Grimm tekenden veel – vooral Duitse – volkssprookjes en sagen op, die ze tussen 1812 en 1815 als schrijvers-navertellers publiceerden onder de titel Kinder- und Hausmärchen.

Uit: Kinder- und Hausmärchen (Der gestiefelte Kater)

Es war einmal ein Müller, der hatte drei Söhne, seine Mühle, einen Esel und einen Kater; die Söhne mußten mahlen, der Esel Getreide holen und Mehl forttragen, die Katze dagegen die Mäuse wegfangen. Als der Müller starb, teilten sich die drei Söhne in die Erbschaft: der älteste bekam die Mühle, der zweite den Esel, der dritte den Kater; weiter blieb nichts für ihn übrig. Da war er traurig und sprach zu sich selbst: »Mir ist es doch recht schlimm ergangen, mein ältester Bruder kann mahlen, mein zweiter auf seinem Esel reiten – was kann ich mit dem Kater anfangen? Ich laß mir ein Paar Pelzhandschuhe aus seinem Fell machen, dann ist’s vorbei.«

»Hör«, fing der Kater an, der alles verstanden hatte, »du brauchst mich nicht zu töten, um ein Paar schlechte Handschuhe aus meinem Pelz zu kriegen; laß mir nur ein Paar Stiefel machen, daß ich ausgehen und mich unter den Leuten sehen lassen kann, dann soll dir bald geholfen sein.« Der Müllersohn verwunderte sich, daß der Kater so sprach, weil aber eben der Schuster vorbeiging, rief er ihn herein und ließ ihm die Stiefel anmessen. Als sie fertig waren, zog sie der Kater an, nahm einen Sack, machte dessen Boden voll Korn, band aber eine Schnur drum, womit man ihn zuziehen konnte, dann warf er ihn über den Rücken und ging auf zwei Beinen, wie ein Mensch, zur Tür hinaus.“

 

GRIMM

Jacob Grimm  (4 januari 1785 – 20 september 1863)

Cicero en J.R.R. Tolkien

De Romeinse schrijver, redenaar, politicus, advocaat en filosoof Marcus Tullius Cicero werd geboren in Arpinum op 3 januari 106 v. Chr. was een Romeins redenaar, politicus, advocaat en filosoof Zijn leven viel samen met de val van de Romeinse Republiek en de gebeurtenissen die daaraan vooraf gingen. Zelf speelde hij bij veel van de politieke gebeurtenissen in deze tijd een grote rol. Cicero’s schrijven schenkt een belangrijk historisch inzicht in deze periode. Cicero werd geboren in een rijke familie van landeigenaren, de Tullii. De politieke posities werden in die tijd vooral bezet door rijke families en hoewel rijk, heeft Cicero’s familie geen grote politieke invloed. Cicero, die al van jongs af aan een politieke ambitie koesterde, groeide op met een afkeer van de rijkere en beroemdere families in Arpinum. Zonder noemenswaardige achtergrond had Cicero weinig opties om een politieke carrière te bewerkstelligen. Een succesvolle militaire carrière was doorgaans een goede manier om door te dringen tot de Romeinse politiek, maar Cicero had een gegronde afkeer van oorlog. Opmerkelijk was wel dat de vermogende familie van zijn echtgenote Terentia, met wie hij rond 80 v. Chr. in het huwelijk trad, hem heeft gesteund bij de uitbouw van zijn politieke carrière.

Uit: In Catilinam

Quo usque tandem abutere, Catilina, patientia nostra? quam diu etiam furor iste tuus nos eludet? quem ad finem sese effrenata iactabit audacia? Nihilne te nocturnum praesidium Palati, nihil urbis vigiliae, nihil timor populi, nihil concursus bonorum omnium, nihil hic munitissimus habendi senatus locus, nihil horum ora voltusque moverunt? Patere tua consilia non sentis, constrictam iam horum omnium scientia teneri coniurationem tuam non vides? Quid proxima, quid superiore nocte egeris, ubi fueris, quos convocaveris, quid consilii ceperis, quem nostrum ignorare arbitraris?  O tempora, o mores! Senatus haec intellegit. Consul videt; hic tamen vivit. Vivit? immo vero etiam in senatum venit, fit publici consilii particeps, notat et designat oculis ad caedem unum quemque nostrum. Nos autem fortes viri satis facere rei publicae videmur, si istius furorem ac tela vitemus. Ad mortem te, Catilina, duci iussu consulis iam pridem oportebat, in te conferri pestem, quam tu in nos [omnes iam diu] machinaris.”

 

Vertaling op LatinPage.com :

Hoelang in ’s hemels naam nog, Catilina, zal je misbruik maken van ons geduld ? Hoelang nog zal die razernij van jou ons ontwijken ? hoever zal die grenzeloze stoutmoedigheid zich groot voordoen ? Hebben de nachtelijke wachtpost op de Palatijn, de patrouilles in de stad, de vrees van het volk, de samenkomst van alle weldenkenden, deze zeer versterkte vergaderplaats van de senaat, de gezichten en de gelaatsuitdrukking van dezen hier je helemaal niet geraakt ? Voel je niet dat je plannen openbaar zijn ? Zie je niet dat je samenzwering volkomen lam wordt gelegd door de kennis van al dezen ?Wat je de laatste nacht, wat je de nacht daarvoor gedaan hebt, waar je geweest ben,t, wie je hebt samengeroepen, welk plan je hebt bedacht, wie van ons, denk je, weet dat niet ?

O tempora ! o mores ! De senaat heeft het door, de consul ziet het ; en nochtans leeft hij nog. Leeft hij ? meer nog, hij komt zelfs in de senaat, hij mag deelgenoot worden aan de beraadslaging over staatszaken, hij voorziet ieder van ons van een teken en duidt ons aan om te vermoorden. Wij echter, dappere mannen, schijnen voldoende voor de staat te doen, indien wij de razernij van die kerel en zijn wapens ontwijken. Je moest reeds lang geleden op bevel van de consul, Catilina, ter dood gebracht zijn, het ongeluk dat je sinds lang tegen ons beraamt, moest al op je eigen hoofd neerkomen.”

Cicero

Cicero (3 januari 106 v. Chr. –  7 december 43 v. Chr.)

 

De Engelse schrijver J.R.R. Tolkien werd geboren op 3 januari 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zijn vader Arthur stierf toen hij nog jong was. Zijn moeder Mabel bekeerde zich tot het katholicisme, ondanks hevige protesten van haar familie. Zij stierf aan diabetes toen hij een tiener was, maar hij voelde voor de rest van zijn leven dat zij een martelaar was voor haar geloof; dit beïnvloedde duidelijk zijn eigen katholieke geloofsbelijdenis. Tevens had Mabel J.R.R. de liefde voor talen en tekenen bijgebracht. In de periode nadat hij wees was geworden, ontmoette hij Edith Bratt (die later model stond voor Luthien) en werd verliefd op haar. Tolkien werd voortaan opgevoed door zijn tante en later door de Katholieke priester Francis Morgan. Hij verbood Tolkien om te trouwen met zijn geliefde Edith. Wel kreeg Tolkien zijn fiat wanneer hij meerderjarig zou worden. Ondanks deze obstakels trouwde hij met haar, zodra hij meerderjarig was en zo herenigde hij zich met zijn eerste en grootste liefde. Met haar kreeg hij vier kinderen. Tolkien had nooit verwacht dat zijn boeken populair zouden worden bij het grote publiek. Hij schiep de wereld van Midden-aarde (Middle-earth) als het verhaal achter de talen die hij ontwierp. Door tussenkomst van een voormalige student, publiceerde hij De Hobbit (The Hobbit) (1937), een boek dat hij voor zijn eigen kinderen had geschreven. Hoewel het boek was bedoeld voor kinderen, werd het ook door volwassenen gelezen. Het was zelfs zo populair dat de uitgever (Allen & Unwin) Tolkien vroeg een vervolg te schrijven.

Dit moedigde hem aan zijn beroemdste werk te schrijven, het epische In de ban van de ring (The Lord of the Rings)

Uit: The Lord of the Rings

“ For weeks carts and caravans were coming from all over Middle-earth to bring provisions for the Grand Old Party, as Bilbo referred to it.
Wagons of food from the Dwarvish mines at Erebor, shiny rocks from the Sea-elves and fancy seductive packages from southern Mirkwood arrived daily, making the neighborhood generally more crowded and cluttering up avenues. Even those who hadn’t said anything bad about Bilbo before were starting to show their annoyance. “Mr. Bilbo Baggins is starting to get a mite annoying,” old Gaffer Gamgee grumbled, standing outside the pub.
“Queer goings-on, and no mistake. Why just yesterday a bunch o’ pesky Wood-elves dragged their cart right acrost my yard and ruined my taters!”
“A bunch of Men from Bree came to my place yesterday and tried to sell me some aluminum siding,” mused Old Noakes of Bywater. “They said it was because they had extra after building that horrible Quonset hut over the Party Tree, and they were trying to unload it. Strange folk hereabouts.”
“Yes, but it’s good for the economy,” sneered Bill Ferny, the local banker. “A lot more money in circulation. Market’s been doing well.
Unionization is down because of all the entry-level service positions that are being created. Widening gap between the haves and have-nots, don’t you think? Good to find work for idle hands.”
“And you don’t know nothin’ about anythin’, Ferny,” Gaffer Gamgee snapped, echoing the popular community sentiment. “Mr. Bilbo Baggins is a right bastard, as I’ve often said, and it’s small wonder if trouble don’t come of him and his imperialist ways. The Revolution’s a’comin’, and it’s the likes o’you who’ll be the first ag’inst the wall, so sayeth the Lord.” And with that he spat a well-aimed beer-nut into Ferny’s glass.”

 

tolkien

J.R.R. Tolkien (3 januari 1892 – 2 september 1973)

Christopher Durang, Anton van Duinkerken, Gerhard Amanshauser

De Amerikaanse toneelschrijver Christopher Durang werd geboren op 2 januari 1949 in Montclair, New Jersey. Hij bezocht katholieke scholen en werd daarna verder opge;eid aan het Harvard College en de Yale School of Drama. Terugkerende thema’s in zijn werk zijn kindermisbruik, rooms-katholieke dogma’s en cultuur en homosexualiteit. Zijn stukken zijn door geheel de VS opgevoerd, ook op Broadway. Werk van hem o.a. Sister Mary Ignatius Explains It All for You, Beyond Therapy, Baby With the Bathwater, The Nature and Purpose of the Universe, Titanic, A History of the American Film, The Marriage of Bette and Boo, Laughing Wild, ‘Dentity Crisis, The Actor’s Nightmare, The Vietnamization of New Jersey, Betty’s Summer Vacation, Mrs. Bob Cratchit’s Wild Christmas Binge, and Miss Witherspoon.

 

 Uit:  The Actor’s Nightmare:

 

Scene: Basically an empty stage, maybe with a few set pieces on it or around it. George Spelvin, a young man, wanders in. He looks baffled and uncertain where he is. Enter Meg, the stage manager. In jeans and sweatshirt, perhaps, pleasant, efficient.

 

GEORGE. Oh, I’m sorry. I don’t know how I got in here.

MEG. Oh, thank goodness you’re here. I’ve been calling you.

GEORGE. Pardon?

MEG. An awful thing has happened. Eddie’s been in a car accident, and you’ll have to go on for him.

GEORGE. Good heavens, how awful. Who’s Eddie?

MEG. Eddie.

(He looks blank.)

MEG. Edwin. You have to go on for him.

GEORGE. On for him.

MEG. Well, he can’t go on. He’s been in a car accident.

GEORGE. Yes, I understood that part. But what do you mean “go on for him”?

MEG. You play the part. now I know you haven’t had a chance to rehearse it exactly, but presumably you know your lines, and you’ve certainly seen it enough.

GEORGE. I don’t understand. Do I know you?

MEG. George, we really don’t have time for this kind of joshing. Half-hour. (Exits)

GEORGE. My name isn’t George, it’s … well, I don’t know what it is, but it isn’t George.

(Enter Sarah Siddons, a glamourous actress, perhaps in a sweeping cape)

SARAH. My God, did you hear about Eddie?

GEORGE. Yes I did.

SARAH. It’s just too, too awful. Now good luck tonight, George darling, we’re all counting on you. Of coursre, you’re a little too young for the part, and you are shorter than Edwin so we’ll cut all the lines about bumping your head on the ceiling. And don’t forget when I cough three times, that’s your cue to unzip the back of the dress and then I’ll slap you. We changed it from last night. (She starts to exit)

GEORGE. Wait, please. What play are we doing exactly?

SARAH. What?

GEORGE. What is the play, please?

SARAH. Coward.

GEORGE. Pardon?

SARAH. Coward. (looks at him as if he’s crazy) Coward. Noel Coward. (suddenly relaxing) George, don’t do that. For a second, I thought you were serious. Break a leg, darling. (exits)

GEORGE. Coward. I wonder if it’s Private Lives. At least I’ve seen that one. I don’t remember rehearsing it exactly. And am I an actor? I thought I was an accountant. And why does everyone call me George?

(Enter Dame Ellen Terry, younger than Sarah, a bit less grand)

ELLEN. Hello, Stanley. I heard about Edwin. Good luck tonight. We’re counting on you.

GEORGE. Wait. What play are we doing?

ELLEN. Very funny, Stanley.

GEORGE. No really. I’ve forgotten.

ELLEN. Checkmate.

GEORGE. Checkmate?

ELLEN. By Samuel Beckett. You know, in the garbage cans. You always play these jokes, Stanley, just don’t do it onstage. Well, good luck tonight. I mean, break a leg. Did you hear? Edwin broke both legs. (Exits)

GEORGE. I’ve never heard of Checkmate.

(Re-enter Meg)

MEG. George, get into costume. We have fifteen minutes. (Exits)

(Enter Henry Irving, age 28-33, also somewhat grand)

HENRY. Good God, I’m late. Hi, Eddie. Oh you’re not Eddie. Who are you?

GEORGE. You’ve never seen me before?

HENRY. Who the devil are you?

GEORGE. I don’t really know. George, I think. Maybe Stanley, but probably George. I think I’m an accountant.

HENRY. Look, no one’s allowed backstage before a performance. So you’ll have to leave, or I’ll be forced to report you to the stage manager.

GEORGE. Oh she knows I’m here already.

HENRY. Oh. Well, if Meg knows you’re here it must be all right I suppose. It’s not my affair. I’m late enough already. (Exits

MEG. (offstage) Ten minutes, everybody. The call is ten minutes.

GEORGE. I better just go home. (Takes off his pants) Oh dear, I didn’t mean to do that.

(Enter Meg

MEG. George, stop that. Go into the dressing room to change. Really, you keep this up and we’ll bring you up on charges.

GEORGE. But where is the dressing room?

MEG. George, you’re not amusing. It’s that way. And give me those. (takes his pants) I’ll go soak them for you.

GEORGE. Please don’t soak them.

MEG. Don’t tell me my job. Now go get changed. The call is five minutes. (Pushes him off to dressing room; crosses back the other way, calling out:) Five minutes, everyone. Five minutes. Places.

 

(A curtain closes on the stage. Darkness. Lights come up on the curtain.)

 

Durang

Christopher Durang (Montclair, 2 januari 1949)

 

De Nederlandse dichter, essayist, redenaar en literair-historicus Anton van Duinkerken (Wilhelmus Johannes Maria Antonius Asselbergs) werd op 2 januari 1903 geboren in Bergen op Zoom  Hij verhuisde, na zich uit een priesteropleiding teruggetrokken te hebben, in 1929 naar Amsterdam, als redacteur van het dagblad De Tijd. Hij werd daar tevens de aanvoerder van de katholieke jongeren die zich verenigd hadden rond het letterkundig tijdschrift De Gemeenschap. Van Duinkerken werd in die tijd ook bekend door zijn pennestrijd met Menno ter Braak over geloof en rede, alsmede door zijn radicale afwijzing van het nationaal-socialisme (‘Ballade van den katholiek’). Evenals Simon Vestdijk en andere vooraanstaande Nederlanders die door de Duitse bezetter wegens hun invloed als gevaarlijk werden beschouwd, was hij in 1942 bijna acht maanden geïnterneerd in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Na de oorlog hervatte hij zijn letterkundige en journalistieke arbeid. Vanaf 1952 tot aan zijn dood was
hij hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

 

Ballade van den katholiek

Aan Ir. A.A. Mussert,
die zich in ‘Volk en Vaderland’
van vrijdag 6 december 1935
veroorloofde te schrijven over
‘den zich katholiek noemenden Van Duinkerken’

Jawel, mijnheer ik noem mij Katholiek.
En twintig eeuwen kunnen ’t woord verklaren
Aan u en aan uw opgewonden kliek,
Die blij mag zijn met twintig volle jaren,
Als onze God u toestaat te bedaren
Van ’t heilgeschreeuw, geleerd bij de barbaren,
En als uw volksbeweging haar muziek
Toonzetten leert op ònze maat der eeuwen.
De roomsen hebben in de politiek
Iets meer gedaan dan onwelluidend schreeuwen.
Daarom, mijnheer, noem ik mij Katholiek!
Gij weet het slecht, maar in een zieke tijd,
Toen Rome rot was van de dictatoren,
Elkaar verdringend met de grage nijd
Van wie elkanders roem niet kunnen horen,
Werd God de Zoon te Bethlehem geboren
Uit ene Maagd wier naam in uw oren
Klank voert van ketterij en godsdienststrijd:
Een Joodse vrouw, die gij diep zoudt verachten
– Joden zijn aan uw soort niet sympathiek –
Maar die het licht is van mijn zwartste nachten,
Daarom, mijnheer, noem ik mij Katholiek!

Prince

Heer Jezus zoet, Prins van de ware Kerk,
Die één is, heilig en apostoliek,
Maakt ons in dienst van zijnen vrede sterk,
Daarom, mijnheer, noem ik mij Katholiek!

 

Uit: Een humoristische pastoorsroman

Een recensie door Anton van Duinkerken van Pastoor Poncke van Jan Eekhout

Hierin komt hij overeen met pastoor Vogels uit “Kinderen van het (ons) volk” en “De schoone Voleinding”, zoodat het ons niet verbaast, voor in dit nieuwe boek van Eekhout een opdracht aan Coolen te lezen. Alleen is de pastoorsfiguur van Coolen dramatischer betrokken in het dorpsleven. Bij Eekhout mist men zulke dramatiek. Zijn pastoor is een type, meer dan een figuur en dus ook meer de held van een reeks aaneengerijgde anecdoten van ’n roman. Hij sterft, als het boek uit moet zijn, eenvoudigweg omdat het lang genoeg geduurd heeft. Doch hij is naar het wezen onsterfelijk. Men zou hem honderdduizend anecdoten op zijn naam kunnen geven en nog zou het getal niet volteekend zijn. Hij is de goedmoedige, voor humor vatbare, origineele dorpspastoor met een gouden hart, die in alle tijdperken der kerkgeschiedenis heeft geleefd, en die, zonder een heilige te worden, van zijn menschelijkheid toch een deugd wist te maken, stralend als de deugd der meest volmaakten.
Dat deze eeuwige dorpspastoor de hulde ontving van een niet-katholiek letterkundige, is zeker iets merkwaardigs. Het teekent verhoudingen, zooals ons land ze in langen tijd niet heeft gekend. Wij meenen, dat dit goede verhoudingen zijn!

DUINKERKEN

Anton van Duinkerken (2 januari 1903 – 27 juli 1968)

 

De Oostenrijkse schrijver Gerhard Amanshauser werd geboren op 2 januari 1928 in Salzburg. Hij studeerde elektrotechniek aan de Technische Hochschule in Graz als ook Duits en Engels in Wenen, Innsbruck en Marburg an der Lahn. Van 1955 tot aan zijn dood leefde hij als schrijver in Salzburg. Hij schreef o.a. verhalen, poezie, „Dialog-Prosa, autobiografische, filosofische, kunstkritische en andere essays, recensies en hoorspelen. Hij is gevormd door de ervaringen van het nationaal-socialisme en de literaire verwerking daarvan zoals veel van zijn tijdgenoten, bijvoorbeeld Ernst Jandl en Elfriede Jelinek. Hij zette zich in voor een grotere bekendheid van Elias Canetti, maar ook voor volgens hem ondergewaardeerde schrijvers als Anton Kuh en Oskar Panizza.

 

Uit: Als Barbar im Prater

 

„Im oberen Stock beim Großvater Stockhammer, der ein absolutes Gehör hatte, herrschten Klassik und Romantik, im unteren Stock beim Vater ertönten die Volksflöten. Ich galt als unmusikalisch und war dispensiert. Doch das krampfhafte Zusammenspiel zweier Blockflöten, die sich stotternd um eine jener als Volksmusik bezeichneten Melodien bemühten, begleitete trübselig meine Kindheit. Dieses ideologisch gepflegte Liedgut hängt mir seitdem zum Hals heraus: eine verstümmelte Kunst, sei sie nun bäurisch oder urban veredelt – in meinen unmusikalischen Ohren ist sie genau so mit Ekel belegt wie die Verse:

Es geht eine helle Flöte
Der Frühling ist über dem Land

Mein Großvater, der als Amateursänger Preise errungen hatte (wovon die Gravieru
ng einer goldenen Taschenuhr Zeugnis ablegte), hatte mit Bruckner musiziert, und dieser soll einmal zu ihm gesagt haben: “Brav, Stockhammer.” Darauf war er besonders stolz, obwohl er die symphonische Musik Bruckners im Prinzip ablehnte. Vor den ideologischen Volksblockflöten hatte er überhaupt keinen Respekt.
Es nimmt nicht wunder, dass bei solchen Diskrepanzen zwischen den Stockwerken eine ständige Spannung herrschte, die nur meine Mutter, als Haustochter, zu überbrücken vermochte. Da sie sowohl Blockflöte als auch Klavier spielte, konnte sie in beiden Stockwerken musizieren. Mein Vater hörte es allerdings nicht gern, wenn sie Seitensprünge zur höheren Musik machte, in der er nicht zu Hause war. So setzte sie schließlich jahrelang aus, und erst als er zum Militär einrückte, begann sie wieder stundenlang auf dem Klavier zu üben.
Den Gang vom oberen Stockwerk in das untere empfang ich als Abstieg; und ich hasste und hasse das Volkstümliche und Alpenländische nicht zuletzt deshalb, weil es einer Verstümmelung meiner Mutter gleichzukommen schien.“

 

AMANSHAUser

Gerhard Amanshauser (2 Januar 1928 – 2 September 2006)

E. M. Forster, J.D. Salinger, Kristijonas Donelaitis, Johannes Kinker

De Engelse romanschrijver en essayist Edward Morgan Forster werd geboren op 1 januari 1879. Zijn beroemdste roman is A Passage To India. Daarna heeft hij lange tijd geen romans meer gepubliceerd, en Maurice, zijn enige roman met een openlijk homoseksuele thematiek, mocht pas posthuum verschijnen. De kritiek heeft daarop wel gepostuleerd dat Forsters creatieve bron na 1924 opdroogde doordat hij niet de moed had zich te uiten over zijn homoseksuele geaardheid. Hij heeft ook zijn hele leven lang teruggetrokken geleefd, in een kamer in de Universiteitsgebouwen van Cambridge. Zijn werk heeft als thematiek veelal de botsing tussen twee culturen, en de onoverbrugbaarheid van de verschillen. A Passage to India is een beschrijving van het leven in India onder Britse heerschappij en toont de vooroordelen die de Britten en Indiërs ten opzichte van elkaar hebben en de conflicten die daarvan het gevolg zijn. In ander werk (A Room with a View; en Howards End, dat wel als zijn beste werk wordt beschouwd) speelt het conflict tussen maatschappelijke klassen een grote rol. Forster zelf, die uit de gegoede burgerij voortkwam, voelde zich vooral aangetrokken tot jongens uit het arbeidersmilieu: precies dit cultuurverschil komt ook in Maurice ten tonele. Zijn seksuele bevrijding beleefde hij trouwens tijdens een verblijf in India. Hij haalde inspiratie voor zijn romans uit de reizen die hij maakte naar Egypte, Duitsland en India.

Uit: A Room with a View

“The Signora had no business to do it,” said Miss Bartlett, “no business at all. She promised us south rooms with a view close together, instead of which here are north rooms, looking into a courtyard, and a long way apart. Oh, Lucy!”

“And a Cockney, besides!” said Lucy, who had been further saddened by the Signora’s unexpected accent. “It might be London.” She looked at the two rows of English people who were sitting at the table; at the row of white bottles of water and red bottles of wine that ran between the English people; at the portraits of the late Queen and the late Poet Laureate that hung behind the English people, heavily framed; at the notice of the English church (Rev. Cuthbert Eager, M.A. Oxon.), that was the only other decoration of the wall. “Charlotte, don’t you feel, too, that we might be in London? I can hardly believe that all kinds of other things are just outside. I suppose it is one’s being so tired.”

“This meat has surely been used for soup,” said Miss Bartlett, laying down her fork.

“I want so to see the Arno. The rooms the Signora promised us in her letter would have looked over the Arno. The Signora had no business to do it at all. Oh, it is a shame!”

“Any nook does for me,” Miss Bartlett continued; “but it does seem hard that you shouldn’t have a view.”

Lucy felt that she had been selfish. “Charlotte, you mustn’t spoil me: of course, you must look over the Arno, too. I meant that. The first vacant room in the front–”

“You must have it,” said Miss Bartlett, part of whose travelling expenses were paid by Lucy’s mother–a piece of generosity to which she made many a tactful allusion.

“No, no. You must have it.”

“I insist on it. Your mother would never forgive me, Lucy.”

“She would never forgive me.”

The ladies’ voices grew animated and–if the sad truth be owned–a little peevish. They were tired, and under the guise of unselfishness they wrangled. Some of their neighbours interchanged glances, and one of them–one of the ill-bred people whom one does meet abroad–leant forward over the table and actually intruded into their argument. He said:

“I have a view, I have a view.”

Miss Bartlett was startled. Generally at a pension people looked them over for a day or two before speaking, and often did not find out that they would “do” till they had gone. She knew that the intruder was ill-bred, even before she glanced at him. He was an old man, of heavy build, with a fair, shaven face and large eyes. There was something childish in those eyes, though it was not the childishness of senility. What exactly it was Miss Bartlett did not stop to consider, for her glance passed on to his clothes. These did not attract her. He was probably trying to become acquainted with them before they got into the swim. So she assumed a dazed expression when he spoke to her, and then said: “A view? Oh, a view! How delightful a view is!”

FORSTER

Edward Morgan Forster (1 januari 1879 – 7 juni 1970)

 

De Amerikaanse schrijver Jerome David Salinger werd in New York geboren op 1 januari 1919. Hij publiceerde zijn werk onder de schrijversnaam J.D. Salinger. The Catcher in the Rye (De vanger in het graan) is ongetwijfeld zijn beroemdste werk. Teleurgesteld in de literaire wereld besloot hij vanaf 1963 om zijn werk niet meer te publiceren. Hij leidt sindsdien een teruggetrokken bestaan in Cornish (New Hampshire). Salinger publiceerde vier boeken: The Catcher in the Rye (1951), Nine Stories (1953), Franny and Zooey (1961), Raise High the Roof Beam, Carpenters and Seymour, an introduction (1963)

 

Uit: The Catcher in the Rye

 

 “IF YOU REALLY want to hear about it, the first thing you’ll probably want to know is where I was born, and what my lousy childhood was like, and how my parents were occupied and all before they had me, a
nd all that David Copperfield kind of crap, but I don’t feel like going into it, if you want to know the truth.

…………..”

 

“…What gets me about D.B., though, he hated the war so much, and yet he got me to read this book A Farewell to Arms last summer. He said it was so terrific. That’s what I can’t understand. It had this guy in it named Lieutenant Henry that was supposed to be a nice guy and all. I don’t see how D.B. could hate the Army and war and all so much and still like a phony like that. I mean, for instance, I don’t see how he could like a phony like that and still like that one by Ring Lardner, or that other one he’s so crazy about, The Great Gatsby. D.B. got sore when I said that, and said I was too young and all to appreciate it, but I don’t think so. I told him I liked Ring Lardner and The Great Gatsby and all. I did, too. I was crazy about The Great Gatsby. Old Gatsby. Old sport. That killed me. Anyway, I’m sort of glad they’ve got the atomic bomb invented. If there’s ever another war, I’m going to sit right the hell on top of it. I’ll volunteer for it, I swear to God I will.”

 

Salinger

J.D. Salinger (New York, 1 januari 1919)

 

Kristijonas Donelaitis was een Pruisisch – Litouwse Lutheraans geestelijke en dichter. Hij werd geboren op 1 januari 1714 in Lasdinehlen bij Gumbinnen in het oostelijk deel van Oost-Pruisen. Hij schreef het eerste Litouwse gedicht, Metai (De seizoenen) en legde zo de grondsteen voor de Litouwse poëzie. Hij stierf op 18 februari 1780.

Uit: The Seasons (Engelse vertaling van Metai door Nadas Rastenis)

Joys of Spring (fragment)

The climbing sun again was wakening the world
And laughing at the wreck of frigid winter’s trade.
The icy season’s grip was thouroughly undone,
And heaps of high-piled snow had dwindled down to naught.
Each day a soft south breeze caressed the barren fields
And coaxed each blade and leaf to rise again and live.
Each hill and dale had cast away the snowy furs;
The bush and heath were glad to heed the springtime’s call.
All things that died away in tearful autumn’s mire,
All things that lay in sleep beneath the winter’s ice,
Or huddled shivering under a stunted bush,
Crept out in joyous throngs to hail the smiling spring.

The rats and skunks came forth from secret holes and nooks
Crows, ravens, magpies, owls sailed on from bough to bough.
Mice, moldwarps and their young, acclaimed the glowing warmth
The countless flies and bugs, mosquitos, gnats and fleas.
In ever growing swarms were rallying each day
And gaping all around to sting the rich and poor.
The queen bee, too, called forth her subjects to the task,
Commanding them to start again upon their work.
Soon endless swarms of them began to buzz and zoom,
Afifing merry tunes and flying far and wide;
Secluded in the nooks, lean spiders spun their threads,
Or, scaling up and down, stretched long entrapping nets.
Even the wolves and bears at the green forest’s edge
Hunted in joyous mood for some unwary game.

donelaitis

Kristijonas Donelaitis (1 januari 1714 – 18 februari 1780)

 

De Nederlandse dichter, filosoof en advocaat Johannes Kinker werd geboren in Nieuwer-Amstel op 1 januari 1764. De ouders van Johannes Kinker kwamen uit Duitsland. Als tienjarige begon Kinker met het schrijven van gedichten en verhalen in het Nederlands en in het Latijn. Hij studeerde medicijnen en rechten in Utrecht en verhuisde daarna naar Den Haag, waar hij werkte als advocaat en als literair journalist. Van 1817 tot aan de Belgische Opstand in 1830 was hij aan de pas opgerichte universiteit van Luik hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde en welsprekendheid. Hij pleitte sterk voor de eenheid van Noord- en Zuid-Nederland. In de filosofie was hij een navolger van Spinoza en Kant. Hij bestreed de denkbeelden van Willem Bilderdijk op zowel filologisch als filosofisch gebied. Het literaire talent van Kinker is vooral terug te vinden in zijn parodieën, onder meer op het werk van Rhijnvis Feith. Bekende gedichten van zijn hand zijn Alleven of de wereldziel (1812 en De jonge Kloë. Filosofische werken: God en Vrijheid (1800), Wilskracht en Deugd (1803), en Gedachten bij het graf van Kant (1805). Zijn Gedichten verschenen in drie delen in 1818-1821. Johannes Kinker is de naamgever van de Kinkerstraat in Amsterdam, en daarmee ook van de omliggende Kinkerbuurt.

Stille bemoeding (fragment)

Na de inlijving van Holland in het Fransche keizerrijk.

Het Vaderland bestaat, wat lot ons zij beschoren!
Nog heft het zijn gelaat, en zonder blos, omhoog.
Zoo lang zijn schoone spraak voor ’t oor niet gaat verloren;
Zoo lang wij nog haar’ klank en volle taalkracht hooren;
Zoo lang blinkt Holland aan der volkren Hemelboog!

En schoon wij ’t aan dien trans met naauwlijks merkbre stralen,
Verknocht aan ’t Starrenbeeld, waar ’s werelds oog op staart,
Gelijk een nietig stip onzeker om zien dwalen; –
’t Zal voor ’t gewapende oog in stillen luister pralen,
Zoo lang ’t inwendig vuur, zijn taal slechts blijft bewaard.

Roemt, Belgen! roemt vrij op de Heldendaân der vaderen;
Maar laat het nimmer zijn ten hoon van ’t nageslacht!
Vaak valt het ligter, de eer te kluistren, onder ’t naderen,
Dan, deinzend, met beleid zijn krachten te vergaderen,
En post te vatten, bij het vallen van den nacht.

Uw rijke taal blijft de ark, die wij vereenigd dragen,
Waarin het nageslacht der vaadren geest aanschouwt!
Al praalt die bondkist thans niet op een’ zegewagen,
Al torschen wij haar voort – laat ons niet suffend klagen,
Maar waken bij dit pand aan onze zorg betrouwd!

Dóór haar stroomt, met een’ vloed van zwellende gedachten,
De stoute geest van ’t volk, dat zich zelv’ vormde, en schiep,
Dat op de puinen van zijn Erf zijn heil blijft wachten;
Van ’t volk, dat eens zijn’ grond met onbezweken krachten,
Natuur ten spijt, met taai geduld ten aanzijn riep.

Kinker

Johannes Kinker (1 januari 1764 – 16 september 1845)