De open balkons lichtten op, eilanden aan de ringweg de lucht lag in het rond, een pont, waarschijnlijk sliep ze
ik vleide mijn hoofd in haar romp trof een stroming, het regime van rivieren onder de bruggen en in de tunnels de instrumenten lichtketenen, die zich bewogen.
Aan de haven was ik alleen met het water, dat daar aan land gaat havenkranen bevestigden het continent aan zijn randen, op de achtergrond zwoegden de zeeën
ik wilde net gaan zitten aan de ongelakte tafel in de woonkamer van mijn appartement in amsterdam-west het is de donderdagmiddag vlak voor de deadline van dit gedicht de kozijnen in de erker druppelen na van de aanhoudende regen de waarde van mijn woning keldert omlaag maar mijn buurman houdt het droog handdoeken vangen de ellende op
tussen de wolken door valt zonlicht op de rossige haartjes van mijn bovenarm thee schommelt in het glas heen en weer mijn pen krast inmiddels driest in het papier
ver weg bijna aan het eind van zijn leven speelt andrés segovia op mijn stereo albeniz ik kan niet horen of hij last heeft van spataderen of er lange grijze haren uit zijn oren groeien of dat hij bij het spelen rare bekken trekt zoals heavy metalgitaristen doen bij een solo
een spotlight gericht op de tong uit hun mond op een uitgeprint A4’tje naast mijn notitieboek lees ik dat ik iets specifieks ga zeggen over een tentoonstelling iets over een onderlaag die onbedekt wordt gelaten soms maar ik schrijf even niet
ik kijk naar een verwelkte witte roos die weken geleden na een optreden in een wijnfles werd gezet door mijn geliefde alle blaadjes zitten er nog aan
bruine randen hebben ze gekregen het is een cliché dat weet ik maar het is zo en met de liefde gaat het goed dus beticht mij niet van goedkope symboliek
dan moet er nog een doorkijkje komen naar een bijbels tafereel in deze tekst waar ik nu toch al zoveel wit mee heb bedekt misschien iets over koning salomo of het gelaat van mozes dat glansde toen hij de berg afkwam
maar dan denkt u dat ik mij vereenzelvig met iemand die god heeft gezien en toch ook weer niet en dat zet u weer op een afstand
terwijl ik wil dat u voelt dat u er bij bent bij mijn milde paniek in de lekkende woonkamer de rossige haartjes op mijn onderarm ver weg vanuit de juiste hoek belicht
een koor zingt
een koor zingt en het erbarmen maakt de lucht om ons heen zo dik als stroop
dan stopt de plaat alle ingewanden vallen uit het lied
waar wij naar kijken alsof onze eerste kribbe een gitaarkoffer was
Een kwal licht op in zee
voor Tonnus Oosterhoff
een kwal licht op in zee roep niet
een stoel staat leeg in de kamer kan niet tegelijk op de stoel en de bank
we gaan naar de brug naar geleidelijk een nieuwe toonsoort
kom je de zon roept ja ik ga mee
‘hello texas’
de bureaustoel roept ook armleuning trekt ze een bedelkleed aan
het licht helpt met een stralend gezicht witgoud bladerhuis naar de ondergang
binnenzon is ook goed het kussen zacht genoeg voor dijend zitvlees
Hars loopt uit de bomen, zoals altijd staan de bossen, groen en van hout voor mijn raam, en overal op aarde waar geen veld is, geen tuin geen huis als het mijne.
Soms een dier, aan de onderkant van het blad een reebruine schietschijf met weinig rake schoten uit het vorige jaar – twee oeroude paarden slepen ontworteld hout, tegen de schemering komen de jagers, men ziet hun gele sportschoenen oplichten.
Always at an edge with oceans, near the night, he slept open as anemones whose tendrils know the slightest touch of quiet and cannot be forced to flower.
Always under oceans in the night, the single muscle within the durable, opening shell feels the brute dark presence of the Devonian night float immensely by.
Closing, they involve whatever the intruding sea has dropped in their astonished flesh.
Ode to Marsyas
I. Music seems reconciled with silence. Palestrina, Tanis, and Machaut: instants of silver on the still dark sea.
II. The idle men and unharvested corn are orange in the autumn afternoon sky, as hard upon the earth the dance excites the dust. Those who are too old for dancing sit outside the circle and scrape the bark of dirt from their wooden feet. Then the singing begins, stretching across the drums as the men, holding their arms in tight along their sides, float above the violence of their feet. The skirts spin their colors from the sun, The blouses dampen and begin to cling With shadows to the shadowed huts.
III. Toscanini once conducted a flawless Ninth, and all the passengers clapped, with shouted hands encores to Elysium.
Nachtwacht
Noem deze nacht catacombe, dit gekozen werk, gebroken sacrament. Babels gave van tongen, poëzie splitst de hemel op.
Dus naar de hel met kunst, morgen ga ik beginnen onverbiddelijk voor Hem alleen. (Kan ik de tong stom als knieën buigen en een altaarrail maken van brute tanden?)
Ooit, met opengebroken mond, blunderend als zijn ogen, tuimelde Saul van zijn beest, herkreeg het licht.
Vertaald door Frans Roumen
William Irwin Thompson (16 juli 1938 – 8 november 2020)
Uit: Bloeddorstige driften (Vertaald door Floor Bosboom)
“Dát was het. Precies wat ze zocht. De Pradaschoenen die ze in de Voguevan vorige maand had gezien. De onopvallende, beslissende toets die het helemaal af zou maken. Met het jurkje dat ze voor ogen had – een klein zwart dingetje dat ze voor een prikje had gekocht in de rue du Dragon – zou het perfect zijn. Echt cool. Glimlach. Jeanne Korowa rekte zich uit achter haar bureau. Ze wist eindelijk wat ze die avond zou dragen. Perfect. Zowel naar de vorm als naar de geest. Ze checkte nogmaals haar mobieltje. Geen berichten. Een steek van angst deed haar maag ineenkrimpen. Scherper, dieper dan de vorige. Waarom belde hij niet? Het was al over vieren. Was het niet al te laat om de afspraak te bevestigen? Ze wuifde haar twijfels weg en belde de Pradawinkel in de avenue Montaigne. Hadden ze de schoenen? Maat 39? Ze zou ze voor zevenen komen ophalen. Kortstondig gevoel van opluchting. Onmiddellijk weggevaagd door een andere zorg. Ze stond al 800euro rood … Met die schoenen zou dat meer dan 1.300 worden. Maar het was 29 mei. Over twee dagen zou ze haar salaris krijgen. 4.000 euro. Geen cent meer, inclusief toeslagen. Ze zou de nieuwe maand dus voor de zoveelste keer ingaan met een derde minder te besteden. Ze was het gewend. Ze speelde het bancaire hinkelspel nu al jaren met een zekere behendigheid. Ze sloot haar ogen. Zag zich al in haar glanzende pumps. Vanavond zou ze een andere vrouw zijn. Onherkenbaar. Sensationeel. Onweerstaanbaar. De rest zou kinderspel zijn. Toenadering. Verzoening. Nieuw begin. Maar waarom belde hij niet? Hij had gisteravond toch zelf contact met haar gezocht? Voor de honderdste keer die dag opende ze haar inbox en las de e-mail.”
„Die Welt vergibt keine Schönheitspreise für makellose, prächtige Bäume, sie behandelt stolze Kiefern nicht anders als ordinäre Laubbäume. Die Welt ist die Summe aller Bäume plus einer Anzahl scharfer Äxte. Die Welt fällt Bäume und pflanzt neue an. Die Welt bringt alle Mauern zu Fall, selbst die, die Erik und Elena gewohnt waren. Erik wusste nicht, was schlimmer für sie war: der Kampf mit ihren Sätzen oder der Fall der Mauer. Helge schrieb über die Zeit, als Elena am schönsten war. Als sie Günter kennenlernte. Er ließ Günter sanft und charmant am Telefon klingen, doch schneidend kalt und unberechenbar im Büro auftreten. Er beschrieb Günter als einen Verführer, der Elena zuerst lockte, dann quälte. Elena schien jeden Tag noch schöner zu werden. Wenn Erik sie umarmte und ihren Körper an seinem spürte, wurde ihm fast schwindlig. In ihrem blassen Gesicht zeigte sich neuerdings eine frische Farbe, ihre Arme drückten ihn fester, ihre Küsse waren inniger. Erik schöpfte keinen Verdacht. Er registrierte den Schwung der sich verändernden Welt und glaubte, Elena werde von der großen Bewegung mitgerissen. Überall ertönte der Schrei nach Freiheit. Es wurden Einheit und Zusammengehörigkeit beschworen. Erik und Elena passten nicht in diese Welt. Erik bekam zum ersten Mal das Gefühl, dass sie älter waren als die Welt. Die Welt schien zu tanzen und sich fröhlich auf die Oberschenkel zu klopfen. Doch obwohl Elena nicht mittanzte, wurde sie vom allgemeinen Taumel ergriffen. Sie bewegte sich entschiedener als früher, hatte ihre Fransentasche gegen eine schwarze Aktenmappe eingetauscht und sich einen Kurzhaarschnitt zugelegt. In dieser Etappe, während Elena bei Günter jobbte, aber noch mit Erik zusammen war, arbeitete er mehr denn je. Elena lebte ihm eine Zielstrebigkeit vor, die ihn berauschte. Sie hatte gewissermaßen eine neue Stufe des Lebens erklommen. Zwar misslang ihr weiterhin das Hörspiel, aber sie erledigte ihre Pflichten mit großem Ernst und einer gesunden Gesichtsfarbe. Elenas frischer Teint war Günters Werk. Günter war der geheime Antrieb, das unsichtbare Kraftwerk, die Lebensenergie, von der Elena und Erik profitierten. Diese Phase, die sich etwa ein halbes Jahr hinzog, erlebte Erik als Durchbruch beim Schreiben. Er entdeckte den Wert der disziplinierten Arbeit. Sein Tun am Küchentisch war bis dahin mehr von Launen und Stimmungen beherrscht gewesen.“
Een soort liefde tussen de blokken met sneeuworen: onwerkelijk, uit de tijd liggen de stenen onder het ijs het bevroren remspoor, de pirouette van de dronkaard – in mijn hart dreunt een finale, ik weet niet van welk stuk door het balkonraam kijkt de geranium, roerloos, een slaperig kind zegt: We hebben Lenin gezien…
en elk licht is een muntstuk geluk/ongeluk de dingen vallen uiteen, in hun stoïcijnse schoonheid
een dromende conductrice met een ijzeren munthouder men ziet de sneeuw en wil zich losrukken
wanneer we in kleine voertuigen reizen door steden blijven ringlijnen de laatste eenheden ademt de uitgebuite ruimte een massief van dode bijen.
Als na kantoortijd het rosarium opleeft van het gefluister in de bosjes, spelen oudere heren verstoppertje. Jongens vragen of u een vuurtje heeft.
Een sigaret tussen de lippen, onzeker en op zwart zaad, in het bleke gezicht van de betaalbare liefde, dat opflikkert in het licht van een gouden aansteker.
Als ze weg zijn, de jongens, de meneren, is het park donker en verlaten; de bladeren van de bomen gaan pierewaaien over de sloot, rond de beelden in de tuin van Boymans.
Toen de dijken braken 3
De jongen wachtte op de dingen die komen zouden. Zijn vader zette de kachel op tafel, zijn moeder bracht huisraad naar boven. Toen begon het wachten.
Het wachten op het water. Het kwam als een groot grijs monster dat zich breed uitrolde over het bouwterrein over het braakland naar het huis waar hij woonde.
Hij hoorde de kelder vollopen, de deuren kraakten het monster steeg hoger en hoger, kwam de trap op. Hij was bang. Zijn vader mat hoe hoog het kwam.
Small talk of a fat woman
De zee spoelt verhalen aan, het land maakt ze: je hebt het zeker wel in de krant gelezen van die man
die heeft zijn vrouw hij kwam altijd dronken thuis en toen is zij weggelopen
ze werkte als kapster en hij wist ze kwam om zeven uur uit haar werk en toen heeft hij haar
hij wou zijn eigen ook maar dat is niet gelukt want hij ligt in het ziekenhuis verlamd.
Waar zijn jullie allemaal… eeuwig die stemmen van de bandrecorder. Gisteren regen, de onderste plaats in de tabel, Regen vandaag, dat zou het nieuws van hier zijn als iemand in Thessaloniki het wil het weten. De dahlia’s dommelen weg achter het hek; lang geleden las ik dat het de dahlia’s van de opstand zijn. Destijds aarzelden wij; de dagen begonnen somber, en wie wilde vertrekken, nam de voorstadstrein naar de voorstad. Bijna alle fouten hebben zich herhaald, ongeacht of er van methoden, kleren, tekstsoorten en trainers gewisseld werd. ’s Avonds een cognac, een gelijkspel misschien, in het nachtprogramma het terugroepen van toen – De dahlia’s hebben tijd tot het vriest en gaan dan de kelder in de knollen. Alles overleeft. De tabaksbladeren hingen op zolder, en wakker liggend hoorden we geritsel, toen de wind door het open dakraam blies.
De Belarussische schrijver, journalist en tv-presentator Sasha Filipenko werd geboren op 12 juli 1984 in Minsk. Na de middelbare school studeerde hij aan de Europese Humanistische Universiteit in Minsk. Nadat de universiteit in 2004 werd gesloten, verhuisde hij naar de Staatsuniversiteit van Sint-Petersburg en studeerde af met een bachelor (2007) en master (2009) in literatuur. Daarna werkte hij onder meer voor de onafhankelijke Russischtalige televisiezenders Dozhd en RTVi. Filipenko’s werken zijn opgevoerd in een aantal theaters, waaronder het toonaangevende avant-gardetheater Gogol Center in Rusland en het klassieke Alexandrinsky Theater. Zijn toneelstuk “De voormalige zoon” werd in Belarus verboden en ging in plaats daarvan in première in Kiev. Zijn roman “De jacht” was een Spiegel-bestseller. Tijdens de protesten in Belarus van 2020-2021 schreef Filipenko een aantal artikelen en sprak hij in interviews, waarin hij het Loekasjenko-regime ernstig bekritiseerde en opriep tot de vrijlating van politieke gevangenen. In 2021 schreef hij een open brief aan de voorzitter van de Internationale IJshockeyfederatie, waarin hij zich uitsprak tegen het organiseren van de Wereldkampioenschappen in Belarus. De brief werd gepubliceerd door verschillende Europese kranten, waaronder de Frankfurter Allgemeine Zeitung. In hetzelfde jaar schreef hij een open brief aan de voorzitter van het Internationale Comité van het Rode Kruis omdat de organisatie na de protesten weigerde Belarussische gevangenissen te inspecteren waar politieke gevangenen werden gemarteld. Zijn boeken, die hij in het Russisch schrijft, zijn in meer dan 15 talen vertaald. Filipenko verzet zich openlijk tegen de president van Belarus, Alexander Loekasjenka, wat betekent dat hij in zijn thuisland strafrechtelijk wordt vervolgd. Hij woont met zijn gezin in ballingschap in Zwitserland.
Uit: Die Jagd (Vertaald door Ruth Altenhofer)
“Am Nachmittag spielen sie im Garten ein Quiz. Als Thema geben die Nachhilfelehrer Russland vor, neunzehntes, zwanzigstes Jahrhundert. Begleitet von Zikaden erklingen Mussorgski, Tschaikowski und Cui. Die höchste Punktezahl erreicht Lisa. Sie hat nur Die Toteninsel mit den Sinfonischen Tänzen verwechselt. »Rachmaninow hätte es durchgehen lassen«, scherzt der Pädagoge, den sie über den Sommer ins Ausland geholt haben. Silber geht an Pawel. Er hat den Bojarenchor und Die Liebe zu den drei Orangen nicht erkannt. Der Älteste und der Jüngste, Alexander und Anatoli, geben ihre Blätter leer ab. Sascha kommt gerade erst vom Training, Tolja kann sich nicht vom Handy losreißen. Gegen acht setzen sie sich zum Abendessen. Aus den Boxen plätschern die Moskauer Nächte. Der Störkoch serviert Meeresfrüchte. Pawel rühmt sich, er sei in Antibes gewesen und habe Monsieur Guillaume drei Flaschen zu je sechstausend abgeschwatzt. Alexander schweigt. Tolja spielt. Mama sagt, man solle nicht feilschen, denn die Franzosen – diese Drehorgelspieler mit ihrem Stock ihr wisst schon, wo – sagen dann womöglich, die Russen seien alle Halsabschneider. Nach dem Essen setzen sie sich vor den Fernseher. Der große Flachbildschirm steht gleich hier draußen. Die Kabel schlingen sich um den Gartenschlauch. Über dem Bildschirm kreist eine Biene. Sie hören dem Vater schweigend zu, aufmerksam wie sonst nie. Papa prognostiziert den unvermeidlichen Zusammenbruch der Konsumgesellschaft, konstatiert die Ineffizienz der Demokratie und besteht auf der Notwendigkeit, die Welt auf Basis orthodoxer Prinzipien zu verändern. Auf eine Frage der Journalistin (einer äußerst hübschen und fatal dummen Interimsgeliebten eines Ministers) verkündet Papa, er fürchte keine Sanktionen, verfüge über keinerlei Immobilien im Ausland, sein einziger Reichtum sei das heilige Russland. Die Kinder lachen. Mamas Miene verdüstert sich. Den nächsten Tag verbringen sie auf dem Meer. Dunkelblaue Wellen, zum Horizont hin verblassend. Mal hier, mal da, als drückten sie Paste aus einer Tube, hinterlassen Jachten lange weiße Bänder. Lisa und Pawel liegen auf dem Deck und beobachten die Flugzeuge im Anflug auf Nizza. Lisa zählt die Jets, Pawel übernimmt die »Habenichtse« – Airbusse und Boeings. »Weißt du, warum sich der Papst jedes Mal bekreuzigt, wenn er aus einem Flugzeug steigt?« »Nein, warum?« »Na, müsstest du mit Alitalia fliegen, würdest du dich auch bekreuzigen!”
1 ik was herfstschilder ik was er precies geschikt voor
de natuur was schitterend alles was opgeruimd
de sneeuw vloog in het rond
achter jouw rug liet ik de eerste klodders op het doek vallen
2 ik was bezig te wortelen in een oude traditie
ik was kladschilder en surveillant ik was al blij met je bloedrode mond
ik schreef: voor jou wil ik schilderen voor jou alleen Manet
voor jou is mijn baard en mijn houten been is voor de Bühne
3 o was ik maar kladschilder gebleven later toen het eventueel nog wel kon
ik hoefde geen minnezanger meer te zijn ik zou lopen door jouw papavervelden jouw mond rood van verf op mijn mond en op het doek
ik zou de eerste dichter zijn geweest de koning, de duif, de poolvos, de herfst
Kees ’t Hart (Den Haag, 12 juli 1944)
De Chileense dichter Pablo Neruda (eig. Ricardo Eliecer Neftalí Reyes Basoalto) werd geboren in Parral op 12 juli 1904. Zie ook alle tags voor Pablo Neruda op dit blog.
Ode aan de citroen
Uit die bloesems, losgeslagen door het licht van de maan, uit die getergde geur van liefde, ondergedompeld in aroma, ontstond het gele van de citroenboom, vanuit hun planetenstelsel daalden de citroenen af naar de aarde.
Sappige handelswaar! De kusten, de markten vulden zich met licht, met goud van het land, en we openden twee helften van een wonder, bevroren zuur dat droop uit de hemisferen van een ster, en de diepste vloeistof van de natuur, onoverdraagbaar, levend, onherleidbaar, ontstond uit de frisheid van de citroen, uit zijn geurige huis, uit zijn geheime, zure symmetrie. In de citroen sneden messen een kleine kathedraal uit, de onzichtbare apsis bracht de gebrandschilderde ramen van zuur aan het licht druppelsgewijs rolden de topazen, de altaren, de frisse architectuur omlaag.
Dus toen jouw hand de hemisfeer vastpakte van de doorgesneden citroen op je bord, goot je een universum van goud, een gele bokaal vol wonderen uit, een van de geurige tepels aan de borst van de aarde, een lichtstraal die vrucht geworden is, het piepkleine vuur van een planeet.
Vertaald door Catharina Blaauwendraad
Pablo Neruda (12 juli 1904 – 23 september 1973) Portret door Renato Guttuso, 1954
De Indiase schrijver Amitav Ghosh werd geboren in Calcutta op 11 juli 1956. Hij studeerde aan de Universiteit van Delhi en de Universiteit van Oxford. In 1986 verschijnt zijn eerste boek: “The Circle of Reason” (vertaald als “Bengaals vuur of de macht van de rede”, 1989 bij Het Wereldvenster). Daarin onderzoekt hij de “verenigbaarheid” van het westers rationalisme en het Indisch traditionalisme – of, als dat laatste te geringschattend klinkt, het culturele substraat van India. Meteen een groots boek rond de thema’s Rede, Hartstocht en Dood dat onmiddellijk een lovende kritiek ontlokte in en buiten Engeland. Twee jaar later is hij opnieuw van de partij met “The Shadow Lines”, een bevestiging van zijn talent maar wellicht niet van hetzelfde niveau als zijn debuut. Zijn literaire carrière sluimert. Een zogenaamd reisverhaal “In An Antique Land” verschijnt in 1992 (bestemming Egypte) graaft in het verleden van dat land (onder meer de Kruistochten) tot de recente actualiteit (Operation Desert Storm). Hij laat in dit boek aan de hand van een bronnenonderzoek naar een Egyptische joodse koopman en zijn slaaf ook zien, hoe vanzelfsprekend aanwezig het oriëntaalse jodendom was binnen de Arabische wereld en rondom de Indische oceaan. Hij vertelt ook het verhaal van de Geniza, de archiefplaats van deze joden van Caïro en hoe door toedoen van een westerse, Britse jood deze oriëntaalse joodse archieven en hun bibliotheek op slinkse wijze zijn ‘overgebracht’ naar westerse bibliotheken, een actie die, in retrospectief, voor Ghosz een voorspel is voor het overbrengen van 80.000 Egyptische joden naar de staat Israël, waar zij onder de dominantie kwamen te staan van westerse, zionistische joden. Met ”The Calcutta Chromosome” neemt hij de literaire draad terug op maar het duurt tot 2000 vooraleer hij de grote doorbraak maakt met “The Glass Palace” (vertaald als “Het kristallen paleis”), een breedvoerig fresco van Myanmar, de dekolonisatie van het verre oosten, de postkoloniale dictaturen en de semi koloniale uitbuiting. “In The Hungry Tide” (2004) keert hij terug naar Bengalen. In 2021 verscheen “The Nutmeg’s Curse: Parables for a Planet in Crisis”. Dit boek gaat over de reis van de nootmuskaat van de inheemse Banda-eilanden naar vele andere delen van de wereld, en de historische invloed van het kolonialisme.
Uit: The Glass Palace
“There was only one person in the food-stall who knew exactly what that sound was that was rolling in across the plain, along the silver curve of the Irrawaddy, to the western wall of Mandalay’s fort. His name was Rajkumar and he was an Indian, a boy of eleven — not an authority to be relied upon. The noise was unfamiliar and unsettling, a distant booming followed by low, stuttering growls. At times it was like the snapping of dry twigs, sudden and unexpected. And then, abruptly, it would change to a deep rumble, shaking the food-stall and rattling its steaming pot of soup. The stall had only two benches, and they were both packed with people, sitting pressed up against each other. It was cold, the start of central Burma’s brief but chilly winter, and the sun had not risen high enough yet to burn off the damp mist that had drifted in at dawn from the river. When the first booms reached the stall there was a silence, followed by a flurry of questions and whispered answers. People looked around in bewilderment: What is it? Ba le? What can it be? And then Rajkumar’s sharp, excited voice cut through the buzz of speculation. “English cannon,” he said in his fluent but heavily accented Burmese. “They’re shooting somewhere up the river. Heading in this direction.” Frowns appeared on some customers’ faces as they noted that it was the serving-boy who had spoken and that he was a kalaa from across the sea — an Indian, with teeth as white as his eyes and skin the color of polished hardwood. He was standing in the center of the stall, holding a pile of chipped ceramic bowls. He was grinning a little sheepishly, as though embarrassed to parade his precocious knowingness. His name meant Prince, but he was anything but princely in appearance, with his oil-splashed vest, his untidily knotted longyi and his bare feet with their thick slippers of callused skin. When people asked how old he was he said fifteen, or sometimes eighteen or nineteen, for it gave him a sense of strength and power to be able to exaggerate so wildly, to pass himself off as grown and strong, in body and judgment, when he was, in fact, not much more than a child. But he could have said he was twenty and people would still have believed him, for he was a big, burly boy, taller and broader in the shoulder than many men. And because he was very dark it was hard to tell that his chin was as smooth as the palms of his hands, innocent of all but the faintest trace of fuzz.”
De Nederlandse schrijfster en coumniste Marjan Berk werd geboren op 11 juli 1932 in Zeist als Marie-Janne van Baaren. Marjan Berk viert vandaag haar 90r verjaardag. Zie ook alle tags voor Marjan Berk op dit blog.
Uit: Op weg naar de toekomst (Verkeerd beeld)
“Eenieder draagt een beeld van zichzelf mee, dat al naar gelang men minder of meer zelfverzekerd is ook treuriger of vrolijker uitvalt. Die zelfbeelden kloppen vaak totaal niet met de werkelijkheid. En wie o wie in de directe omgeving houdt genoeg van je om af en toe eens kritisch te schaven aan dat vlotte type, of de snel-ge-sneden persoon die je denkt te zijn? Of die eens iets aardigs zegt over je onderkin of je rimpels, waar je zelf complexen over koestert. Ik hou veel van mensen die zeggen: ‘Rimpels, wat is nou een gezicht zonder rimpels? Niks an!’ Dan kan ik weer even vooruit met mijn kraaienpoten en craquelé. Dan voel ik geen aandrang tot schoonheidsoperaties en collageeninjecties. Ook heel verfrissend als een kind meedogenloos op je inhakt ‘Wat ben jij toch een ouwe trut! Die meningen van jou zijn aftands, vastgeroest! Dat ben je! Sukkel!’ Sukkel, De laatste op dit gebied. Het drukt precies uit wat ze bedoelen. Het heeft ook iets vriendelijks, iets van ‘arm oudje, maak je niet druk, hoe hard je ook probeert ons bij te benen, lukken doet het je niet meer. Je tempo… weet je wel, jouw tempo, dat is te traag! Je bent niet speedy genoeg meer voor deze snappy tijd!’ Het is héél verfrissend op die toon te worden toegesproken door een jong persoon. Het echoot in je hoofd. Waar hoorde je dit eerder? Verdomd. Zo sprak je zelf. Tegen de ouwe trutten die jou probeerden uit te leggen dat je heel verkeerd bezig was, als een kip zonder kop. Je keek minachtend naar hun gerimpelde koppen, hun onderkinnen, en je dacht: sukkel! Want het verschil met vijfendertig jaar geleden en nu is dat je toen niet zo gauw sukkel zei tegen een ouder persoon. Je keek wel uit. Je dacht het en je ging je gang. Ik zet een plaatje op van de Manhattan Transfer, een zangclubje waar ik dol op ben omdat ze veel ouwe moppen uit de jaren vijftig en zestig, toen ik nog geen sukkel was, op moderne wijze close harmony ten gehore brengen. Ik dans wat en neurie erbij. Mijn zoon van dertien wendt zich walgend af. ‘Moet dat nou? Jij schaamt je nergens voor. De mensen staan voor de ramen naar je te kijken! En dat meezingen? Is dat echt noodzakelijk?’ Ik sta prompt stil en hou mijn mond. Mijn danspassen zijn zeer verouderd, hoewel ik mij héél vlot voel als ik sta te wippen en te springen. Mijn stem was nooit veel, maar ik zong wel graag, zelfs voor mijn brood heb ik jaren gezongen, bij het cabaret. Waarom verpest die snotneus mijn lol? Waarom laat hij mij niet mijn swingende gang gaan? Is het zo erg? Zie ik mijzelf verkeerd? Ben ik niet te harden wanneer ik mij uitleef? Verwijst hij mij naar het stiekem uitleven van mijn zang- en dansdrift? Op zolder? In de kelder? Hij vindt mij raar, een raar mens. En ook nog zijn moeder. Bah! Hij haat mij. Een beetje. Als ik een joggingpak van Kappa voor hem koop haat hij me een stuk minder, dat is een ding dat zeker is. En als ik de bioscoop betaal en nog een zak popcorn toe, heeft-ie ook niet echt de pest aan me. Het blijft schipperen tussen ons.”
“Ze hadden nooit een voet in de Tolly Club gezet. Zoals de meeste mensen in de buurt waren ze honderden malen het houten hek en de bakstenen muren gepasseerd. Tot halverwege de jaren veertig had hun vader vanachter de bakstenen muur naar de paarden op de renbaan gekeken. Vanaf de straat, staand tussen de wedders en andere toeschouwers die geen kaartje konden betalen of om een andere reden niet tot het clubterrein werden toegelaten. Maar na de Tweede Wereldoorlog, rond de tijd dat Subhash en Udayan geboren werden, werd de muur opgehoogd, zodat het publiek er niet meer overheen kon kijken. Bismillah, een buurman, werkte als caddie bij de club. Hij was een moslim die na de Deling van Brits-Indië in Tollygunge was achtergebleven. Voor een paar paise verkocht hij hun golfballen die op de baan waren verloren of achtergelaten. Sommige vertoonden diepe inkepingen, als japen in iemands vel, waaronder een roze rubberachtig binnenwerk zichtbaar was. In het begin sloegen ze de van putjes voorziene balletjes met stokken heen en weer. Later verkocht Bismillah hun ook een putter met een schacht die iets verbogen was doordat een gefrustreerde speler ermee tegen een boom had geslagen. Bismillah deed hun voor hoe ze zich voorover moesten buigen en waar ze hun handen moesten plaatsen. Vanuit een vaag idee van de bedoeling van het spel maakten ze kuiltjes in het zand en probeerden ze daar de balletjes in te mikken. Hoewel ze voor de grotere afstanden eigenlijk een andere club nodig hadden, gebruikten ze daar ook de putter voor. Maar golf was iets anders dan voetbal of cricket. Geen sport die de broers op een bevredigende manier konden improviseren. In de grond van het speelveld tekende Bismillah een kaart van de Tolly Club. Dichter bij het clubhuis, vertelde hij, bevonden zich een zwembad, stallen, een tennisbaan. Restaurants waar thee werd geschonken uit zilveren potten, speciale zalen voor biljart en bridge. Grammofoonmuziek. Barkeepers in witte jasjes die drankjes mixten met namen als pink lady en gin-fizz. Het clubbestuur had onlangs meer muren om het terrein laten zetten om indringers buiten te houden. Maar volgens Bismillah waren er aan de westkant nog steeds stukken omheining van gaas waardoor je binnen kon komen. Ze wachtten tot vlak voor de schemering, wanneer de golfers de baan verlieten om de muskieten voor te zijn en zich naar het clubhuis begaven om cocktails te drinken. Ze hielden hun plan geheim voor de andere jongens in de buurt. Ze liepen naar de moskee op de hoek van hun straat, die met zijn bescheiden rood-witte minaretje vreemd afstak tegen de omringende bebouwing. Ze sloegen de hoofdweg in, voorzien van de putter en twee petroleumblikken.”
[slaap van de geschiedenis. De kaarten ansichtkaarten en prospectussen]
slaap van de geschiedenis. De kaarten ansichtkaarten en prospectussen waren uitverkocht, of het waren vervalsingen, in omloop gebracht met een officieel stempel. Herinneringen? herinneringen aan familiezaken die via de achterdeur openbaar werden; pas later speelden in de zandbak de nationale belangen mee. ………………………………………………Lange tijd werden de rollen niet meer bezet die voor en achter de schermen spreken moesten, iets in gang zetten, dat de leegte met conflictmateriaal, manoeuvres, onderhandelingen, met mensen bezielde, die in alle richtingen bogen wanneer er weer een oorlog voorbij was – ……………………………………………………..Gezichtsloze delegaties, parkeerplaatsen achter de heuvels. In de winter worden de groene vitrines gesloten. Het hangt af van de momenten van alleen zijn, die achter de bocht in de laan op iemand wachten: het is als een plotselinge ontmoeting …………………………………………………….– je weet wel, na het ontwaken houdt alles op, begint alles, het zoeken naar de juiste volgorde, het meedoen en tegen de regels spelen.