Helder water, in zilverachtige tinnen schotels gedeukt als pingpongballen: er zit een vleugje citroensap van het verstrijkende licht in; ze hebben een dun deksel van stof.
Een pot water op een bord loopt over en druppelt. Terwijl de mannen aan de stadsweg werken, uitgravend zijn verkoolde zwartheid,
wacht het water achter een golfplaten keet die is geplaatst naast het trottoir, onder het lange schaduwen werpende lege stadion.
Op die lage plank, ook stukken ruwe zeep, helder als het vet van geslachte kippen – maar, bij nader inzien, resistent, donker gebarsten, zoals oude botten –
één naast elke kom, en elk vod aan zijn stukje prikkeldraad. De stroom auto’s houdt niet op, maar slechts een paar mensen komen hier tussen de schaftkeet
en de bakstenen muur voorbij. Te zien langs een natte bank, het knielende water: deze realiteit waarvan we de geest hebben gedroomd. We lopen door het vuil,
over kranten, slibresten, bespat door sporadisch drilboorlawaai, voorbij negen kommen water – een aardigheidje van de bond. Bomen in lanen en zeilboten en vrouwen.
De supermarkt had hem voorzien van dozen rotte sla Hij laadde ze op een gele pick-up truck Het was een tere blanke man en hij droeg een geruit wollen shirt en gerafelde tuinbroek Ik zat in een grijze Chevrolet Rent-a-Dent “Ik heb acht volwassen ganzen en zesentwintig eenden, ‘zei hij en ik zei “Ik wed dat je een groot management probleem hebt”, en hij zei “Ze zijn helemaal geen probleem. Mijn vrouw voedde er twee in huis op. Als ze bij hun hok komt waggelen de ganzen naar haar toe en knabbelen de sla uit haar hand” “Ik zou er nooit aan denken om ze te doden” zei hij “Ze houden me uit de kroegen.”
Vertaald door Frans Roumen
Ishmael Reed (Chattanooga, Tennessee, 22 februari 1938)
We leven in een stad zonder rivier, er zijn hier alleen grenzen uit wind of regenbuien. Mijn zuster is daar ’s nachts bang voor, maar in ons huis wordt er niet gehuild, misschien zou het haar helpen, misschien zou ze haar verstand verliezen. Het is ijzig in haar stem. Lieten zich afstanden zonder rivier beschrijven, dan zouden tenminste de vermoedens houdbaar zijn: niemand nadert ons huis en onze ouders hebben we lang niet meer gezien. Maar er is geen houvast, deze stad is als een restje sneeuw in maart. Alleen de wind die de regen in zijn vorm drijft, geeft een einde van de stad aan. Ons huis blijft bedekt met ijs en verdwenen.
De Israëlische schrijver Abraham B. Jehoshua werd geboren op 9 december 1936 in Jeruzalem. Van 1954 tot 1957 diende Jehoshua bij de Israëlische parachutistenbrigade en vocht hij in de Sinaï-campagne. Vanaf 1957 studeerde hij literatuur en filosofie aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Zijn eerste literaire pogingen dateren ook uit deze tijd. In 1962 debuteerde hij met succes met een bloemlezing van verschillende verhalen. Gedurende deze tijd trouwde hij met de psychoanalytica Rivka, met wie hij drie kinderen heeft. In 1963 ging Jehoshua naar de Sorbonne in Parijs en verbleef daar tot 1967. Parallel aan zijn academische taken was hij in die tijd secretaris-generaal van de World Union of Jewish Students. In 1972 accepteerde hij een positie aan de Universiteit van Haifa, waar hij vergelijkende literatuurwetenschap en Hebreeuwse literatuur gaf. Slechts onderbroken door een paar studiebezoeken in het buitenland: 1974 Writer in Residence aan St Cross College (Universiteit van Oxford) en gasthoogleraar aan Harvard University (1977), Chicago (1988, 1997, 2000) en Princeton (1982). Jehoshua is een van de meest beroemde en populaire schrijvers in Israël. Zijn werk omvat verhalen, romans, toneelstukken en politieke essays. Jehoshua zelf beschouwt William Faulkner, Samuel Agnon en Franz Kafka als zijn belangrijkste rolmodellen. In zijn literaire werk behandelt Jehoshua herhaaldelijk belangrijke politieke kwesties. De roman “De minnaar” speelt zich af in 1973 in Israël ten tijde van de Yom Kippur-oorlog. De politieke en militaire omstandigheden worden weerspiegeld in het verval van een gezin. De plot wordt gepresenteerd vanuit zes verschillende perspectieven, waaronder die van een Arabier. In zijn roman “Reis naar het einde van het millennium” vermengen de Arabische en Joodse werelden zich in de middeleeuwen in het jaar 1000. In zijn roman “De bevrijdende bruid” zijn de zwakke of falende mannen symbolen van tekorten of zelfs het falen van het zionisme.
Uit:The Liberated Bride(Vertaald door Hillel Halkin)
“HAD HE KNOWN that on this evening, on the hill where the village held its celebrations, an evening suffused by the scent of a fig tree bent over the table like another, venerable guest, he would again be struck-but powerfully-by a sense of failure and missed opportunity, he might have more decisively made his excuses to Samaher, his annoyingly ambitious M.A. student, who, not content with sending him an invitation by mail and then repeating it to his face, had gone and chartered a minibus, after first urging the new department head to make sure the faculty attended her wedding. It wasn’t just for her sake, she said. It would be a gesture to all the university’s Arab students, without whom-the cheek of it!-the department would count for nothing.His wife, Hagit, who knew all too well how weddings had depressed him in recent years, had warned against it. “Why do you need the aggravation?” she had asked. “But they’re Arabs,” he’d answered mildly, with the innocence of a man pursuing an academic interest. “As opposed to what?” she had wanted to know. “Human beings?” “On the contrary…on the contrary…” he had tried defending himself, at a loss to explain how Arabs, although not among the many objects of his envy, could be more human than anyone else.
Yet the snake of envy, his companion of many years, had slithered after him here too, to the little village of Mansura high up in the Galilee, near the Lebanese border. It had lain coiled in the incense of the glowing grilled lamb and writhed to the Oriental music that, despite its sobbing grace notes, secretly aspired to the savage disco beat of a Jewish wedding party-and now, as the student bride presented him not with the seminar paper she was a year late in finishing, but with her groom, it injected its venom.
Many hands had done their best to beautify Samaher, causing him to wonder for a moment whether he was looking at the same woman who had taken nearly all of his courses for the past five years. High heels and a swept-up hairdo had made her taller, and her usually restless eyes, chronically resentful when not anxiously scheming-the eyes of an active member of the Arab Student Committee-were smiling and relaxed. She was also without her glasses, and her eyes were heavily made up with a kohl so unusually tinted that he suspected it of having been smuggled across the border from Lebanon. A bright rouge masked the pimples that wandered as a rule from her cheeks to her throat and back again, and her long wedding gown bestowed a harmony, if only for a single night, on a figure not known for its sartorial coordination. Brimming with pride at having enticed him, the most senior and eminent of her teachers, to honor her and all Araby with his presence, she extended a hand quivering with excitement to his wife.”
De Engelse dichteres Anglo-katholieke mystica en theologe Evelyn Underhill werd geboren op 6 december 1875 in Wolverhampton, Staffordshire. De Anglicaanse Kerk van Engeland en de Episcopaalse Kerk van de Verenigde Staten vereren haar in hun heiligenkalenders op 15 juni. Underhill behield haar eigen naam, ook nadat ze in 1907 met Hubert Stuart-Moore trouwde. Niet in de laatste plaats onder de druk van haar radicaal antikatholieke echtgenoot, bleef Evelyn Underhill haar Anglicaanse denominatie en kerklidmaatschap (Hoge Kerk) voor het leven trouw, ondanks haar groeiende neiging tot het katholicisme. In haar onderzoek naar mystiek betrok zij echter met hetzelfde interesse ook oosters-orthodoxe, protestantse en niet-kerkelijke vormen van mystiek. Daarin behandelde zij – goed gedifferentieerd – de geschiedenis, systematiek en praktijk van mystiek en werkt ze aan een zeer vergelijkbaar corpus van bronnen. Van 1929 tot 1932 was ze theologische redacteur van The Spectator.
The Light Of The World
Now burn, new born to the world, Doubled-naturéd name, The heaven-flung, heart-fleshed, maiden-furled Miracle-in-Mary-of-flame, Mid -numbered He in three of the thunder-throne! Not a dooms-day dazzle in his coming nor dark as he came; Kind, but royally reclaiming his own; A released shower, let flash to the shire, not a lightning of fire hard-hurled.
The Lady Poverty
I met her on the Umbrian hills, Her hair unbound, her feet unshod: As one whom secret glory fills She walked, alone with God.
I met her in the city street: Oh, changed was all her aspect then! With heavy eyes and weary feet She walked alone, with men.
De Bosnisch-Duitse schrijver Saša Stanišić is de winnaar van de van de Deutscher Buchpreis. Hij krijgt de prijs voor zijn roman „Herkunft“. Volgens de jury is “Saša Stanišić is zo’n goede verteller dat hij het vertellen zelfs wantrouwt. Onder elke zin in deze roman ligt de onbereikbare oorsprong, die tegelijkertijd de drijvende kracht achter het vertellen is. Het is alleen beschikbaar als fragment, als fictie en als een spel met de mogelijkheden van de geschiedenis. De auteur veredelt de lezers met zijn grote verbeeldingskracht en bevrijdt hen van de conventies van chronologie, realisme en formele duidelijkheid.” Saša Stanišić werd geboren op 7 maart 1978 in Višegrad, Bosnië en Herzegovina. Zie ook alle tags voor Saša Stanišić op dit blog.
Uit: Herkunft
„Am 7. März 1978 wurde ich in Visegrád an der Drina geboren. In den Tagen vor meiner Geburt hatte es ununterbrochen geregnet. Der März in Visegrád ist der verhassteste Monat, weinerlich und gefährlich. Im Gebirge schmilzt der Schnee, die Flüsse wachsen den Ufern über den Kopf. Auch meine Drina ist nervös. Die halbe Stadt steht unter Wasser. Im März 1978 war es nicht anders. Als bei Mutter die Wehen anfingen, brüllte ein heftiger Sturm über der Stadt. Der Wind bog die Fenster vom Kreißsaal und brachte Ge-fühle durcheinander, und mitten in einer Wehe schlug auch noch der Blitz ein, dass alle dachten, aha, soso, jetzt also kommt der Teufel in die Welt. So unrecht war mir das nicht, ist doch ganz gut, wenn Leute ein bisschen Angst haben vor dir, bevor es überhaupt losgeht. Nur gab all das meiner Mutter nicht unbedingt ein positives Gefühl, den Geburtsverlauf betreffend, und da die Heb-amme mit der gegenwärtigen Situation ebenfalls nicht zufrieden sein konnte, Stichwort Komplikationen, schickte sie nach der diensthabenden Ärztin. Die wollte, so wie ich jetzt, die Geschichte nicht unnötig verlängern. Es reicht vielleicht zu sagen, dass die Komplikationen mithilfe einer Saugglocke vereinfacht wurden. Dreißig Jahre später, im März 2008, musste ich zum Erlangen der deutschen Staatsbürgerschaft unter anderem einen handgeschriebenen Lebenslauf bei der Ausländerbehörde ein-reichen. Riesenstress! Beim ersten Versuch brachte ich nichts zu Papier, außer dass ich am 7. März 1978 geboren worden war. Es kam mir vor, als sei danach nichts mehr gekommen, als sei meine Biografie von der Drina weggespült worden. Die Deutschen mögen Tabellen. Ich legte eine Tabelle an. Trug auch ein paar Daten und Infos ein — Besuch der Grundschule in Visegrád, Studium der Slavistik in Heidelberg —, es kam mir jedoch vor, als hätte das nichts mit mir zu tun. Ich wusste, die Angaben waren korrekt, konnte sie aber unmöglich stehen lassen. Ich vertraute so einem Leben nicht. Ich setzte neu an. Schrieb wieder das Datum meiner Geburt und schilderte den Regen und dass mir Großmutter Kristina meinen Namen gegeben hat, die Mutter meines Vaters. Sie kümmerte sich auch in den ersten Jahren meines Lebens viel um mich, da meine Eltern studiert haben (Mutter) beziehungsweise berufstätig waren (Vater). Sie war bei der Mafia, schrieb ich der Ausländerbehörde, und bei der Mafia hat man viel Zeit für Kinder. Ich lebte bei ihr und Großvater, am Wochenende bei den Eltern. Ich schrieb der Ausländerbehörde: Mein Großvater Pero war mit Herz und Parteibuch Kommunist und nahm mich mit auf Spaziergänge mit den Genossen. Wenn sie über die Politik sprachen, und das taten sie eigentlich immer, schlief ich super ein. Mit vier konnte ich mitreden. Ich radierte das mit der Mafia wieder aus, man weiß ja nie. Ich schrieb stattdessen: Meine Großmutter besaß ein Nudelholz, mit dem sie mir stets Prügel androhte. Es kam nicht dazu, ich habe aber bis heute ein reserviertes Verhältnis zu Nudelhölzern und indirekt auch zu Teigwaren.“
De Oostenrijkse toneelschrijver Peter Handke heeft de Nobelprijs voor Literatuur 2019 gewonnen. Hij kreeg de prijs voor zijn invloedrijke werk, dat met linguïstische vindingrijkheid de periferie en specificiteit van menselijke ervaringen heeft onderzocht. Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook alle tags voor Peter Handke op dit blog.
Uit:Kali: EineVorwintergeschichte
„Der Fahrer hat mittendrin eine Platte oder Kassette eingelegt, wieder wie im Ritual, die von ihr nach dem ersten Ton gestoppt wird. Und er spricht dann weiter: »Vielen Sängern, und mehr noch Sängerinnen, wird eine warme Stimme nachgesagt. Bloß ist das oft die falsche Wärme. Eine angetrimmte Wärme. Eine Wärme mit Botschaft. Ihre Stimme ist anders warm. Längst zähle ich sie nicht mehr, die Stars, die ich gefahren habe, durch mein Land. Sie hier sind die erste, die für mein Land Augen gehabt hat, auf den Seitenstraßen und auf den Zwischenstrecken, da besonders. Ihre Stimme, die kommt aus Ihrem Schauen. Und wie Sie geschaut haben all die Zeit lang. Dabei war das kein warmer Blick. Ihre Art Schauen war finster, und es hat mir Angst gemacht, eine seltsame Angst. Erst mit Ihrer Musik übertrug sich dieses Drohen als Wärme, und blieb doch im Unterton Drohung. Wir sollten laut ihm alle verschwinden von hier, abhauen von hier. Und dabei hat Ihr Drohen, anders seltsam, mir Lust gemacht, aufs Abhauen, aufs Weggehen, und überhaupt auf das Gehen. Und stattdessen fahre ich, und fahre, und fahre.« – Sie: »Und wen werden Sie als nächsten durch Ihr Land fahren?« – Der Fahrer: »Fürs erste niemanden mehr. Es kommt der Winter, und die Sänger bleiben im Süden. Und hier ist alles andere als der Süden.« Sein Reden ist übergegangen in eine Art Singen: »Sie waren unsere Vorwintersängerin. Nach Ihnen bleibt uns nur noch der Heimweg. Verdammter Heimweg. Auch lang nach Mitternacht. Auch auf mein Bootshaus am Fluß. Meine Eltern waren Indianer. Ah, wär ich ein Indianer. Wär ich ein Indianer, ich wüßte wohin, am Morgen wie am Abend, am Tag wie in der Nacht. Nur sind meine Eltern tot. Und die Indianer sind in einem anderen Land. Und alle Indianer sind tot.« Sein Lied ist zuende: »Sie steigen aus wie üblich?« Sie hat genickt, und er hat gehalten: »Und morgen früh zum Flughafen?« Darauf sie: »Schlafen Sie sich aus.« Darauf der Fahrer: »Winterschlaf. Mein Winterschlaf. Unser Winterschlaf bis zum nächsten Konzert. Schön wär’s. Durch die Musik dem Haus entkommen! Den Häusern!« Und unversehens läßt er sie jetzt aussteigen, drängt sie fast aus dem Auto, schlägt hinter ihr die Tür zu und prescht auch schon, mit einem Reifen einen Bordstein schrammend, davon, ins Zentrum? auf der Flucht? auf einer Verfolgungsjagd, ins Leere?“
Op 10 oktober 2019 werd bekendgemaakt dat de Nobelprijs voor Literatuur 2018 werd toegekend aan Olga Tokarczuk. De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk werd geboren in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, op 29 januari 1962. (Het jaar 2018 was het jaar dat de Nobelprijs wegens enkele schandalen niet is uitgereikt). De jury prijst Tokarczuks “narratieve verbeelding die met encyclopedische passie het oversteken van grenzen als levensvorm vertegenwoordigt”. Ook krijgt ze lof voor haar humor en spitsvondigheid die terug te vinden is in haar werk.
Uit: Flights (Vertaald door Jennifer Croft)
“THE WORLD IN YOUR HEAD The first trip I ever took was across the fields, on foot. It took them a long time to notice I was gone, which meant I was able to make it quite some distance. I covered the whole park and even – going down dirt roads, through the corn and the damp meadows teeming with cowslip flowers, sectioned into squares by ditches – reached the river. Though of course the river was ubiquitous in that valley, soaking up under the ground cover and lapping at the fields. Clambering up onto the embankment, I could see an undulating ribbon, a road that kept flowing outside of the frame, outside of the world. If you were lucky, you might catch sight of a boat there, one of those great flat boats gliding over the river in either direction, oblivious to the shores, to the trees, to the people who stand on the embankment, unreliable landmarks, perhaps, not worth remarking, just an audience to the boats’ own motion, so full of grace. I dreamed of working on a boat like that when I grew up – or even better, of becoming one of those boats. It wasn’t a big river, only the Oder, but I, too, was little then. It had its place in the hierarchy of rivers, which I later checked on the maps – a minor one, but present, nonetheless, a kind of country viscountess at the court of the Amazon Queen. But it was more than enough for me. It seemed enormous. It flowed as it liked, essentially unimpeded, prone to flooding, unpredictable. Occasionally along the banks it would catch on some underwater obstacle, and eddies would develop. But the river flowed on, parading, concerned only with its hidden aims beyond the horizon, somewhere far off to the north. Your eyes couldn’t keep focused on the water, which pulled your gaze along up past the horizon, so that you’d lose your balance. To me, of course, the river paid no attention, caring only for itself, those changing, roving waters into which – as I later learned – you can never step twice. Every year it charged a steep price to bear the weight of those boats – because each year someone drowned in the river, whether a child taking a dip on a hot summer’s day or some drunk who somehow wound up on the bridge and, in spite of the railing, still fell into the water. The search for the drowned always took place with great pomp and circumstance, with everyone in the vicinity waiting with bated breath. They’d bring in divers and army boats. According to adults’ accounts we overheard, the recovered bodies were swollen and pale – the water had rinsed all the life out of them, blurring their facial features to such an extent that their loved ones would have a hard time identifying their corpses.”
Uit: Ik ben niet bang (Vertaald door Els van der Pluijm)
‘Oké, je zusje doet niet mee, die is te klein.’ `Ik ben niet te klein!’ had Maria geprotesteerd. ‘Ik wil ook meedoen!’ En toen was ze gevallen. Jammer, ik was derde. Antonio was de eerste. Zoals altijd. Antonio Natale, bijgenaamd de Doodskop. Waarom ze hem de Doodskop noemden, weet ik niet meer. Misschien omdat hij een keer een schedel op zijn arm had, zo’n plaatje dat je bij de sigarenwinkel kunt kopen en met water op je vel kunt afdrukken. De Doodskop was de oudste van de bende. Twaalfjaar. En hij was de baas. Hij vond het leuk om te commanderen en als je niet luisterde werd hij kwaad. Hij was niet echt pienter, maar wel groot, sterk en een durfal. En hij klauterde als een bulldozer tegen die rotheuvel op. De tweede was Salvatore. Salvatore Scardaccione was negen, net als ik. We zaten bij elkaar in de klas. Hij was mijn beste vriend. Salvatore was langer dan ik, een wat eenzelvige jongen. Soms deed hij met ons mee, maar meestal ging hij zijn eigen gang. Hij was slimmer dan de Doodskop en had hem makkelijk kunnen overtroeven, maar hij hoefde niet zo nodig de baas te spelen. Zijn vader, advocaat Emilio Scardaccione, was iets belangrijks in Rome en had een hoop geld in Zwitserland. Dat zei iedereen. Dan kwam ik, Michele. Michele Amitrano. Ik aarzelde nog of ik terug zou gaan of haar achter zou laten toen ik ontdekte dat ik vierde was. Die slome Remo Marzano had me langs de andere kant van de heuvelrug ingehaald. En als ik niet meteen verder klauterde, haalde zelfs Barbara Mura me in. Dat zou een ramp zijn. Ingehaald worden door een meisje. Door die vetzak. Barbara Mura klom op handen en voeten omhoog, als een dolle zeug, helemaal bezweet en onder de aarde. Wat doe je nou, ga je niet naar je zusje? Heb je haar niet gehoord? Ze heeft zich pijn gedaan, ze huilt,’ knorde ze tevreden. Deze ene keer zou zij de straf ontlopen. ‘Ik ga al, ik ga al… En ik haal je heus nog wel in.’ Zo makkelijk zou ze er niet af komen. Ik draaide me om en begon omlaag te rennen, met mijn armen zwaaiend en brullend als een Sioux. Mijn leren sandalen gleden weg over de halmen. Een paar keer kwam ik op mijn achterste terecht. Ik zag haar nergens. ‘Maria! Maria! Waar zit je?’ ‘Michele…’ Kijk! Daar was ze. Klein en ongelukkig. Op een krans van geknakte halmen. Met een hand wreef ze over haar enkel en met de andere hield ze haar bril vast. Haar haar zat op haar voorhoofd geplakt en haar ogen glinsterden. Toen ze me zag trok ze haar mondhoeken omlaag en blies ze zich op als een kalkoen. `Michele…?’
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het elfde van een nog nader te bepalen aantal.
“Arnhem, 8 mei 1996,
Lieve Steef,
Een hele goede morgen ! Kun je al weer een beetje slapen ? Ik wel gelukkig. Dit is de dag van Europacup II. Paris St. Germain – Rapid Wien. Ik ben uit sentimentele overwegingen voor Wien, dat snap je wel. Wat zing je mooi, Stefan ! Wij gaan vandaag weer op herhalingsoefening, Kenan. De VS verwijten Boutros Ghali iets. Dat hij zich aansluit bij de conclusies van een VN rapport.
Karadzic en Mladic zijn nog steeds niet in Den Haag, mijne heren. Dus laat het gooien van eerste stenen maar over aan wie recht van spreken heeft. (Koppen dicht dus )
Nou kunnen alle vaders en moeders van middelbare scholieren zien hoe je door de bank genomen ’s morgens de klassen rustig moet zien te krijgen om überhaupt met de les Duits te kunnen beginnen. Kenan : ” Frans, rustig nou, alleen admiraal Drost is binnen de Nederlandse strijdkrachten voorstander van ingrijpen in Sarajevo.” Waarom staan er op Volkel dan weer 25 F 16’s klaar ? Kenan : “Dat zijn jouw hormonen, Frans.”
Jezus. De Nederlandse generaal van Kappen heeft dat rapport opgesteld!
Belachelijk en onverantwoord ? Dat is Helmut Kohl die tegen Nederlandse journalisten zegt dat zij niets van de grote politiek snappen!
Ondertussen is het 9 mei 1996.
Goede morgen, Stefan. Een beetje vroeg vandaag : 6.11 uur
De technisch vaardige Fransen hebben Rapid Wien herhaaldelijk het vuur na aan de schenen gelegd en met 1 – 0 gewonnen. Paris St. Germain heeft dus de Europa Cup 2 gewonnen oftewel de UEFA -cup. Was soll man dazu sagen, Herr Bundeskanzler?
Alfred Kossman (74) wint de LIBRIS-prijs. Voor Huldigingen. F 100.000,-
Van Veen gaf de minister onvoldoende informatie.
Politieministers weerstaan Kamer. Bolkestein : Ze hoeven na de volgende verkiezingen niet terug te komen. Inderdaad, Frits, doorstroming van zoveel talent is een groot goed. Job : 5;17, Bart.
Frank Verlaat wordt aanvoerder bij Vfb Stuttgart. De trainer verwijt de huidige aanvoerder gebrek aan inspirerende leiding ! Soms denk ik : wat moet ik met zo’n bericht op de kabel?
Van Bolkestein hoeft natuurlijk het hele kabinet niet terug te komen. Wegens gebrek aan inspirerende leiding. Voorhoeve oogt nog altijd als het bangste jongetje van de klas die door vader Kok minzaam in bescherming wordt genomen.
Raphaël gaat vandaag om 11:00:00,00 naar het Arbeid Trainings Projekt in Nijmegen.
Kenan zegt dat wij nog veel meer gas moeten verkopen om alle noodzakelijke gouden handdrukken te kunnen betalen aan falende ambtenaren.
Als ik kwijtschelding van belasting wil draait de gemeente via de kabel Memories van Barbara Streisand. Martijn WAIS : 68 versus Frans 133 ! Leuk, hé, André ? Kenan zegt :”Mensen met zoveel talent kunnen zich geen slordigheden veroorloven ?”
Psychologen met zoveel inzicht kunnen zich ook geen blunders veroorloven.
Wat doen ze vandaag in Zürich met de D-Mark, Kenan?
Frankfurter Rundschau : Zwitserse bank blokkeert seks-lijn met Nederlandse bedrijven.
Het is nu weer zover dat Raphaël met Antillianen omgaat. Dat is dus echt oppassen geblazen. Tot nu toe is het nog voetballen. Er werd van hem een daad verwacht opdat hij de omgang met Antillianen waardig zou zijn.
De Telegraaf : Rabobank sponsort opvang randjongeren.
11 mei 1996, Goede morgen, Stefan,
Hoe heb jij na je lange autoritje van gisteren geslapen? Ik wel goed. Ik ben dan ook niet meer uit geweest. En voor mijn doen heb ik zelfs uitgeslapen vandaag.
Couzy brengt Voorhoeve in moeilijkheden. Nu had Voorhoeve die toch al of zou ze ongetwijfeld weer krijgen binnenkort, dus dat is allemaal niks om voor op te staan.
Maar ik had zin in Cappuccino. (Er was trouwens een mevrouw op de radio die vanuit de Euromast in Rotterdam vijf dagen heeft mogen internetten. Onder het wakend oog van AFCA ongetwijfeld.)
Hoe bewerkstelligen wij een cultuuromslag in diverse Zuid-Amerikaanse landen, Kenen. Ongetwijfeld een werk van een zeer lange adem. Bidden, en van onderop beginnen volgens de Jezuïeten. Weerstand genoeg. (Hier vlakbij is een school zonder racisme. Daar speelt elke dag een bonte verzameling van nationaliteiten met elkaar. Die kinderen zullen later nooit last hebben van vreemdelingenhaat, omdat ze van jongs af aan vertrouwd zijn met allerlei eenden in de bijt. Dat er zoals in elke groep conflicten voorkomen zal wel. Daar dan mee om te gaan leren ze dan ook al vanaf 4 jaar of zo. Mooi gezicht, paters ! Wat niet wil zeggen dat de volwassenen nu maar hun ongebreidelde gang kunnen gaan.
Loving you has made my life so beautiful
Ik zit nog steeds aan jou te schrijven, Steefje, een beetje relaxed nippend aan mijn Cappuccino…
Het blijkt een dag te zijn voor Matheus 21;1-10, Bart.
Negatief zelfbeeld ! 20 in therapie en 20 niet in therapie. 40 tot 50 procent ! Niet meer verwijfd, wel sex-gericht en egoïstisch ! Vooroordelen worden geïnternaliseerd. Creatief. Zorgzaam. Aanknopen van intieme relaties op grond van een negatief zelfbeeld. Dat dat moeilijkheden oplevert spréékt.
Homo en hetero-identiteit worden wat vager en gaan in elkaar overlopen. Dat is allemaal onderzocht door iemand die er ook op promoveert! Maar er zijn toch inderdaad schrikbarende conclusies te trekken uit dat rapport.
Mij heeft het wakker geschud. Natuurlijk lijd ik ook aan diverse, al dan niet onderkende zelfbeelden.
“Daar wordt aan gewerkt”, zegt Kenan.
16 Doden bij een Amerikaans – Britse militaire oefening! Twee helikopters die tegen elkaar botsten! In Camp Lejeune.
En met elektronische verdediging kom je ook niet ver als de stroom uitvalt, Kenan.
Maar goed: Veertig tot vijftig procent van degenen die niet in therapie zijn had dus toch nog last van een negatief zelfbeeld.
“Dat kan ik je allemaal niet bieden”, zei Stefan tegen Mark naar aanleiding van de flat van DM 1.000.000 in Zürich.
10.40 uur. Zo meteen naar de sportdag. Challange voor mijn zelfbeeld. Het wordt vast lachen.”
Toen radio’s nog bakken waren kon je op hun dashboard reizen, kon je naar verlichte steden. Al die steden, mooi op rijtjes, kwamen door de kamer kraken, bazelden met blikken bakkes en bedoelden te bedoelen. En wij hoorden, met de oren bloot getrokken door een knipje, mannenklanken zonder hoofden. Kruissteekhandwerk broeide op de stoelen onder ons.
Buiten, links en rechts een hoek om, bij een standbeeld van drie palen die op dunne doden leken stonden mensen met gezichten. Grote mensen huilden, buiten, en ze mochten niet bewegen, omdat niemand nog mocht zwichten. Ook de tijd mocht niet bewegen. Iedereen op heel de wereld, heel de wereld van het dashboard deed zijn mond dicht, maar de vogels, wisten die veel, floten door.
Benen die verdwenen waren, kon dat van het zwichten komen? Werden die alvast begraven, wachtend op wat verder leefde en er later bij kwam liggen? Doden, daaraan moest je denken, maar ik kende nog geen doden en we hadden zelf geen dieren. Alle mensen droegen namen, in het hoofd gegrifte namen, n ht hfd ggrfte nmn. Iedereen viel bijna om.
Wat ze aan elkaar begingen, zweeg in dingen, alledaagse, soms beschilderd en soms nuttig, rond wat niet meer blijven zou.
Nieuw moet alles, nieuw en nieuw en aan gebouwen in de steden hangen rimpelloze vrouwen, navels als de
ingang van een groeve, hun gezichten, gaaf gewonnen uit een menigte van stipjes, smuilend om wat wij behoeven.
Daar
Hadden er lang naar gezocht, maar wat lag het daar prachtig, precies op zijn plaats. Overal groeisel, verschiet en bedoening. Alles kon rijmen, ook als het niet.
Zaten daar gretig te willen ontvangen aan lange ontsplinterde tafels waarop, nog gesloten, schenkbaar te tillen getink. Kregen te lezen wat eetbaar kon, drinkbaar kon,
alles beschreven. Keken soms over de regels heen, zagen daar groeisel, verschiet en bedoening. Iemand riep: Drinkt u maar, drink maar, ik kom dalijk bij u! – terwijl hij verdween.
Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)
De Nederlandse dichter en schrijver Mark Boog werd geboren op 24 september 1970 in Utrecht. Zie ook alle tags voor Mark Boog op dit blog.
De rotonde (Fragment)
Hij zal misschien een goede prijs bedingen, maar het kan niet anders of hij trekt het kortste eind. Duivels de deal, duivels de gevolgen, duivels het genot.
Hij gaat de weg naar het genot. Het dondert in de verte.
Hij kende hem, de duivel, vanzelfsprekend. Oude kameraad, vermeende vriend, de zachtste van de stemmen in zijn hoofd, de listigste, de eerlijkste. De stem
die hem vertelde dat hij voor het hoogste uitverkoren was, die suste: ‘Tijd genoeg, neem nog een glas.’ En dan ineens, een ochtend na een avond als zovele,
voor de spiegel die zijn toekomst aan hem voorhield: ‘Nu, ga nu, de laatste kans. Het kruispunt, als de nacht valt. Ik zal wachten. Ga. Vergeet je ziel niet mee te nemen.’
Hij ziet de weg. Hij buigt het hoofd. Het onweert in de verte. Wie met zichzelf praat heeft een goed gesprek of (of niet). Een duivel voert slechts monologen, spreekt in slogans en reclameleuzen. Elk geeft voor een ziel een goede prijs.
`Eerlijk duurt het langst! Verkoop bij ons uw ziel!’ En van de concurrent: ‘Altijd de hoogste dagkoers.’ Koop vandaag, betaal pas volgend jaar.”
Mark Boog (Utrecht, 24 september 1970) Cover
De Nederlandse schrijver A.L. Snijders (pseudoniem van Peter Cornelis Müller) werd geboren op 24 september 1937 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor A.L. Snijders op dit blog.
Reis
Als ik mijn grootvader vraag of ik de auto mag lenen, zegt hij: alleen met de chauffeur. Hij is streng en toe-gevend tegelijk, hij weet dat ik een rijbewijs heb, hij weet ook dat ik van Haydn, Beethoven en Mozart houd. Mijn grootvader heeft huizen in Zwitserland en Span-je, waar de chauffeur hem naartoe brengt, hij is veertig jaar in dienst, zwijgzaam en betrouwbaar. Waar heb je de auto voor nodig, vraagt mijn grootvader. Ik wil naar een concert in Barcelona. Het is een grote auto met twee reservewielen achter de voorspatborden. lk zit achterin, het linnen dak kan open van voor naar achter – de geur van Normandië, de dennenappels, de kurk-eik, de geur van brak water, de woestijn. lk vraag de chauffeur (hij heet Jean, hij leest Proust, zijn moeder is in Parijs geboren) of hij langs Breda wil rijden. Daar woont Claire, mijn verloofde, die klavecimbel speelt. Zij komt naast me zitten, we rijden naar Barcelona. We gaan naar het concert van Federico Mompou, een Catalaanse componist van minimale muziek. Hij speelt zijn eigen werk. Op de terugweg vertelt Claire dat El Greco en Vermeer de favoriete schilders van Mompou zijn. Ze heeft een interview met hem gelezen.
A.L. Snijders (Amsterdam, 24 september 1937)
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het tiende van een nog nader te bepalen aantal.
Uit: Vriendschappelijke brieven
“Lieve Bart,
Arnhem, vrijdag 9 juni 1995,
Zoals je gisteren aan het kaartje hebt kunnen zien
woon ik sinds 2 juni aan de Boulevard Heuvelink 130 in Arnhem, een van de
hoofdsteden van Nederland.
Op regenachtige dagen, zoals vandaag houd ik mij
vooral met crisis-interventie bezig, vooral nu ze vandaag Serajevo weer zijn
gaan beschieten en in een moeite door ook maar een aanslag is gepleegd op het
bureau van de Turkse regeringspartij in Ankara.
Ik heb net, tijdens mijn ochtendwandeling door het
Lauwersgrachtpark al de eerste commando wagen van de politie gesignaleerd en
voor het overige is ook veel volk op de been, vooral in Toyota’s…
Zelf imiteer ik ter geruststelling van
ondergetekende regelmatig het geluid van een dichtslaande deur van een
Mercedes-Benz (je weet wel, die van de taxi’s) : Boem, Bumm, Bumm. Dat werkt
evengoed als er een bellen heb ik gemerkt en het is aanzienlijk goedkoper. Hier
vlakbij heeft een zekere Cris van Holten trouwens een park van vijftig plus nog
wat van die dingen en ik zie er zelfs van de gemeente rondrijden met oranje
zwaailichten.
Gisteren had ik trouwens een wel zeer bijzondere
ervaring! Er stond een rijdend kantoor met banken van Argentijns runderleer en
parketvloer in een grote vrachtwagen verpakt vlakbij het HB van politie. Van,
ja hoor : Mercedes-Benz.
Arnhem is op zich voor mij een verademing. Ik zit
hier midden in de stad en kan overal lopend naar toe. Daarbij steevast
beginnend bij de eendjes in de vijver in het Lauwersgrachtpark. Mijn bank, ik
bedoel die voor geldzaken, is daar ook dichtbij en af en toe loop ik er binnen
om te kijken hoe laat het is op Wall Street. Meestal ben ik de koersen 16 uur
voor, wat ook bijdraagt aan het gevoel van persoonlijke veiligheid. Als ze bij
de Rabobank niet goed werken roep ik weer eens : ” Bumm Bumm ” tegen
de computer en dan wordt de Mark weer wat zwakker ten opzichte van de gulden of
zoiets…
Steevast gaat ook de poort achter het HB open en
verschijnt er een oranje-wit-blauwe Volkswagen of een BMW-tweewieler (al naar
gelang wie er telefonisch alarm geslagen heeft ), of er rijdt iemand voorbij in
zo’n kanariegele taxi van Chris van Holten.
De burgemeester hier heet Scholten en die twee
vormen het dagelijks bestuur, al denkt een zekere van Hensbergen dat hij als
loco op educatief gebied ook iets in te brengen heeft. Scholten is alleen al
belangrijk voor militaire zaken, maar heeft, dacht ik ondertussen ook in de
gaten dat hij een wezenlijke bijdrage kan leveren aan mijn gemoedsrust.
Hoe is het trouwens nog met Jurriaan? Gezien ons
innige afscheid na de potten -en flikkerdag besloot ik h6m gisteren ook maar
een verhuisbericht te sturen. Ik weet dat er in mijn achterhoofd en
onderbewuste iets borrelt en dringt om poëtisch naar boven te komen, wat hij
eventueel op muziek zou kunnen zetten.
Alleen door allerlei internationale, nationale en
plaatselijke crises krijg ik telkens nauwelijks de rust om er eens
geconcentreerd voor te gaan zitten. Ik ren de halve dag als een idioot met mijn
Turkse atoom-paraplu te zwaaien naar een stel opgeschoten kwajongens in Adidas
-trainingsjasjes, type Angelo, maar bruiner zal ik maar zeggen.
Af en toe neem ik plaats op een gewone parkbank en
trek mijn geheime wapen. Het mij door de Nijmeegse studentenpastor ter
beschikking gestelde blauwe zakbijbeltje en dan lees ik mijn gevederde vrienden
in en rond de vijver een gedeelte uit een brief van Paulus aan de Korinthiërs
voor, om ze er onder te krijgen. c.q. te houden. De bisschop, waar Ik nu onder
val – kardinaal Simonis – ziet het met genoegen aan.
Op Pinkstermaandag werd ik weliswaar per abuis voor
een Jehova getuige aangezien door twee oudingezetenen van de Blueband die
dachten dat ik ze de hemel in wou praten. Ik heb ze hard achterna geroepen dat
zij om half twaalf in de Martinuskerk moesten zijn. Alleen aan deze twee
bladzijden kun je zien dat de Heilige Geest hier over mij vaardig geworden is.
De preek van Pinkstermaandag, maar ook die van Pinksterzondag sloot – toeval
bestaat niet zegt Jurriaan – daarom wonderlijk goed bij mijn huidige
levensgevoel aan.
Volkshuisvesting is hier ook beter geregeld dan in
Nijmegen. Zou het de vrij liberale koers zijn die deze stad vaart ? ! Cultuur
is in handen van D’66 en dat treft. Kortom, men slaat hier over het algemeen de
Spijker aardig op de kop. De sociale dienst noem je hier alleen al uit
beleefdheid Sociale Zaken en Arbeid en je wordt er met een voorkomendheid behandeld
alsof je op het punt staat je intrek te nemen in het Hiltonhotel…
Woensdag kreeg ik, lieve Bart, mijn
lidmaatschapskaart van het COC. Helaas is er geen gelegenheid om daarmee
vanavond naar Doornroosje af te reizen. De Graafse computers liggen vandaag
plat en mijn contactman / ambtenaar daar in Grave, waar mijn geld nog één keer
vandaan moest -en moet komen klaagde dat hij niets kon zien. Computerverslaving
is honderd maal erger dan drank en maakt ook veel meer kapot dan je lief is.
Modern Times.