Sybren Poletprijs voor Peter Verhelst

 

Sybren Poletprijs voor Peter Verhelst

De Vlaamse dichter, romancier en theaterschrijver Peter Verhelst krijgt dit jaar de Sybren Poletprijs. De Sybren Poletprijs is een prijs voor experimentele literatuur die in januari 2018 in het leven is geroepen door de Sybren Polet Stichting. De prijs is vernoemd naar de experimentele schrijver Sybren Polet. De prijs wordt beschouwd als een oeuvreprijs die elke drie jaar zal worden toegekend aan een schrijver, dichter, essayist of toneelschrijver die in de geest of traditie van Polets werk schrijft. Aan de prijs is een geldbedrag van 35.000 euro verbonden, hiermee is het direct na de P.C. Hooft-prijs, Libris Literatuur Prijs en de ECI Literatuurprijs een van de grootste literaire prijzen van Nederland. Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Zie ook alle tags voor Peter Verhelst op dit blog.

Uit: Voor het vergeten

“De vertrouwde jetlag na het wakker worden. Ik ga in de douchecel onder heet water staan, tot de tijd eindelijk weer synchroon begint te lopen met de ruimte. Stoomsluiers en bleke schaduwen van bad, wastafel, handdoeken en muren.
Voorovergebogen sta ik te druipen. Het witte matje zuigt zich aan mijn natte voetzolen vast als kroepoek aan een tong. Ik ga naar beneden, drink een glas water en neem een appel, zie dat het licht niet brandt in het atelier – mijn vrouw werkt die dag dus buitenshuis.
Ik lees teksten over de aanslagen in Parijs, commentaren, getuigenverslagen, beledigingen, uitspraken van politici, terwijl ik de eerste sigaret van de dag rook. Na een halfuur heb ik uit de teksten enkele vragen kunnen destilleren – ik begin te begrijpen wat de aanslagen zouden kunnen betekenen. De kat ligt opgekruld te ademen naast mijn toetsenbord. Haar rechteroor schiet overeind als de telefoon in de oplader trilt. Ik zie de foto van mijn vader op het scherm, maar nog voor ik iets kan zeggen, hoor ik hem roepen: ‘Ik denk dat ma aan het doodgaan is.’
Je vindt de sleutels niet die voor je neus liggen. Je vindt je jas niet. In de auto bel je naar je vrouw, maar ze neemt niet op. Je kunt alleen maar schreeuwen en op je stuur slaan, omdat iedereen veel te traag rijdt en alle verkeerslichten op rood springen. Je belt nog een keer naar je vrouw. Je probeert niet te roepen om haar niet bang te maken, maar je weet nu al dat je te laat zult komen. Je moet je ademhaling in bedwang zien te krijgen. Je kunt de zwaailichten al van ver zien boven het fluogeel van de ambulance (achterdeuren open/lege binnenkant/ oplaaiende hoop). Als je over de straat naar het huis rent waar je geboren bent, komt je zus net door de openstaande voordeur naar buiten, hoofdschuddend, met de handen voor haar open mond. Toch ren je de treden op, ren je tegen beter weten in de met beige tapijt beklede treden op. Voorbij het geel geaderde, geëmailleerde bloempotje ren je, voorbij de steen waarin een tekst gehakt staat over de tijd, de met beige tapijt beklede treden op. Bijna op handen en voeten, zo snel wil je, rakelings langs de muur met de ossenbloedkleurige zeefdruk vol cyrillische letters.”

 
Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

Luuk Imhann

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Luuk Imhann werd geboren in Monster op 8 oktober 1986. Zie ook alle tags voor Luuk Imhann op dit blog.

LELIE

laat ik groots beginnen
vijfhonderd opzichters bezochten vijfhonderd kerken
om de liefde te vangen
ze kwamen zonder handen terug –

mijn glazen raam
kijkt uit op een spoorbaan
zullen we nieuwe bossen planten
met witte bladeren
zie je ons er lopen
ik heb je lief zoals
ik lelies lief zou hebben

 


Luuk Imhann (Monster, 8 oktober 1986)

Simon Carmiggelt, Rachel Kushner, Thomas Keneally, Dirkje Kuik, Steven Erikson

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Simon Carmiggelt op dit blog.

Uit: Mooi weer vandaag?

“Het aardige van het ambacht schrijven is, dat je het nóóit leert.
Je kunt leren hoe je onovertrefbaar een haring schoonmaakt of een plank afschaaft.
Maar de schrijver die op een middag, behaaglijk handenwrijvend, zijn werkvertrek verlaat en tegen zijn vrouw zegt: ‘Marie, goed nieuws, ik ben zojuist gereed gekomen met de letterkunde, ik kán het nu’ bestaat niet. En als hij (onverhoopt) wél bestaat, steek ik mijn hand niet in het vuur voor zijn proza.
Nee, schrijven leer je nóóit.
Het is een eeuwig proberen of het vandaag misschien lukt – op hoop van zegen. En dat is er nu juist het heerlijke van. Want veronderstel eens, dat je het, op een bepaalde dag, kón, net als haring schoonmaken en planken afschaven. Dat zou gruwelijk zijn. Want dan ging je een woestenij van dorre verveling tegemoet. Het zou uit zijn met die schone en gruwelijke, gruwelijke schone vorm van gevaarlijk leven, die schrijven nu eenmaal is. Je zou een metier perfekt beheersen en het, met je linkerhand, tot je laatste dag geeuwend moeten volhouden.
Ik mag er niet aan denken.
Nee, de schoonheid van schrijven als ambacht is juist de onmogelijkheid om ‘het’ ooit te bereiken, want juist dát garandeert je die onafzienbare stoet van lichte, grijze en zwarte dagen, die alleen kan worden afgesloten door Vader Dood.
Proberen, meer is het niet.
Proberen of het lukt.
En soms, als je dénkt dat het lukt, een soort geluk voelen dat niets anders je geven kan. En vaak – blijkt later – heb je toen volkomen ten ónrechte gedacht dat het lukte. Dan blijft de mooie vuurpijl die je af schoot, en waarbij je zelf maar vast blij en voorbarig ‘Aaaah’ riep, helemaal nergens te zijn aangekomen.
Maar ook dát is erg goed.
Het houdt de wind eronder.
De eeuwig waaiende wind van de bitter-zoete twijfel.”

 

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)


De Amerikaanse schrijfster Rachel Kushner werd geboren op 7 oktober 1968 in Eugene, Oregon. Zie ook alle tags voor Rachel Kushner op dit blog.

Uit: The Mars Room

“The trouble with San Francisco was that I could never have a future in that city, only a past.
The city to me was the Sunset District, fog-banked, treeless, and bleak, with endless unvaried houses built on sand dunes that stretched forty-eight blocks to the beach, houses that were occupied by middle- and lower-middle-class Chinese Americans and working-class Irish Catholics.
Fly Lie, we’d say, ordering lunch in middle school. Fried rice, which came in a paper carton. Tasted delicious but was never enough, especially if you were stoned. We called them gooks. We didn’t know that meant Vietnamese. The Chinese were our gooks. And the Laotians and Cambodians were FOBs, fresh off the boat. This was the 1980s and just think what these people went through, to arrive in the United States. But we didn’t know and didn’t know to care. They couldn’t speak English and they smelled to us of their alien food.
The Sunset was San Francisco, proudly, and yet an alternate one to what you might know: it was not about rainbow flags or Beat poetry or steep crooked streets but fog and Irish bars and liquor stores all the way to the Great Highway, where a sea of broken glass glittered along the endless parking strip of Ocean Beach. It was us girls in the back of someone’s primered Charger or Challenger riding those short, but long, forty-eight blocks to the beach, one boy shotgun with a stolen fire extinguisher, flocking people on street corners, randoms blasted white.
If you were visiting the city, or if you were a resident from the other, more admired parts of the city and you took a trip out to the beach, you might have seen, beyond the sea wall, our bonfires, which made the girls’ hair smell of smoke. If you were there in early January, you would see bigger bonfires, ones built of discarded Christmas trees, so dry and flammable they exploded on the high pyres. After each explosion you might have heard us cheer. When I say us I mean us WPODs. We loved life more than the future. “White Punks on Dope” is just some song; we didn’t even listen to it. The acronym was something else, not a gang but a grouping. An attitude, a way of dressing, living, being.”

 

Rachel Kushner (Eugene, 7 oktober 1968)


De Australische schrijver Thomas Keneally werd geboren op 7 oktober 1935 in Sydney. Zie ook alle tags voor Thomas Keneally op dit blog.

Uit: Schindler’s Ark

“Trying still to find, in the shadow of Himmler, some hint of Oskar’s later enthusiasms, we encounter the Schindlers’ next-door neighbor, a liberal rabbi named Dr. Felix Kantor. Rabbi Kantor was a disciple of Abraham Geiger, the German liberalizer of Judaism who claimed that it was no crime, in fact was praiseworthy, to be a German as well as a Jew. Rabbi Kantor was no rigid village scholar. He dressed in the modern mode and spoke German in the house. He called his place of worship a “temple” and not by that older name, “synagogue.” His temple was attended by Jewish doctors, engineers, and proprietors of textile mills in Zwittau. When they traveled, they told other businessmen, “Our rabbi is Dr. Kantor—he writes articles not only for the Jewish journals in Prague and Brno, but for the dailies as well.”
Rabbi Kantor’s two sons went to the same school as the son of his German neighbor Schindler. Both boys were bright enough eventually, perhaps, to become two of the rare Jewish professors at the German University of Prague. These crew-cut German speaking prodigies raced in knee pants around the summer gardens. Chasing the Schindler children and being chased. And Kantor, watching them flash in and out among the yew hedges, might have thought it was all working as Geiger and Graetz and Lazarus and all those other nineteenth-century German-Jewish liberals had predicted. We lead enlightened lives, we are greeted by German neighbors—Mr. Schindler will even make snide remarks about Czech statesmen in our hearing. We are secular scholars as well as sensible interpreters of the Talmud. We belong both to the twentieth century and to an ancient tribal race. We are neither offensive nor offended against.
Later, in the mid-1930s, the rabbi would revise this happy estimation and make up his mind in the end that his sons could never buy off the National Socialists with a German-language Ph.D.—that there was no outcrop of twentieth-century technology or secular scholarship behind which a Jew could find sanctuary, any more than there could ever be a species of rabbi acceptable to the new German legislators. In 1936 all the Kantors moved to Belgium. The Schindlers never heard of them again.”

 

Thomas Keneally (Sydney, 7 oktober 1935)


De Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik werd geboren in Utrecht op 7 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Dirkje Kuik op dit blog.

 

Kromme Rijnlandschap


Ode aan de Rijnlaan

1
Dat vond ik wel aardig, hel logeren.
de keuken van mijn tante,
de tante van mijn keuken, wit,
een snit die ik niet kende.
Gestreept was het eigen nest.
Men moet mij goed verstaan
ik had geen hekel, in tuin en veld
een relmuis kan zich best
bedruipen, snuift door de neus.
Het was het geweld van pikkerup de naaimachine,
pikkeraan de leren muts, de motorkap. de winterienen,
geven is de goudsblom, gek.
Onvergetelijk de blikken trom, het vaandel,
de krijgstrompet; liefde doet trombone blazen:
twee figuren aan het hek, twee brilleglazen.
Oom Jan, Wieb, hoe was het.

 

Dirkje Kuik (7 oktober 1929 – 18 maart 2008)


De Canadese schrijver, archeoloog, antropoloog Steven Erikson (pseudoniem van Steve Rune Lundin) werd geboren in Toronto op 7 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Steven Erikson op dit blog.

Uit: The Crippled God

“Dust lifted, twisting, in her wake. From her shoulders trailed dozens of ghastly chains: bones bent and folded into irregular links, ancient bones in a thousand shades between white and deep brown. Scores of individuals made up each chain, malformed skulls matted with hair, fused spines, long bones, clacking and clattering. They drifted out behind her like a tyrant’s legacy and left a tangled skein of furrows in the withered earth that stretched for leagues.Her pace did not slow, as steady as the sun’s own crawl to the horizon ahead, as inexorable as the darkness overtaking her. She was indifferent to notions of irony, and the bitter taste of irreverent mockery that could so sting the palate. In this there was only necessity, the hungriest of gods. She had known imprisonment. The memories remained fierce, but such recollections were not those of crypt walls and unlit tombs. Darkness, indeed, but also pressure. Terrible, unbearable pressure.Madness was a demon and it lived in a world of helpless need, a thousand desires unanswered, a world without resolution. Madness, yes, she had known that demon. They had bargained with coins of pain, and those coins came from a vault that never emptied. She’d once known such wealth.And still the darkness pursued.
Walking, a thing of hairless pate, skin the hue of bleached papyrus, elongated limbs that moved with uncanny grace. The landscape surrounding her was empty, flat on all sides but ahead, where a worn-down range of colourless hills ran a wavering claw along the horizon.
She had brought her ancestors with her and they rattled a chaotic chorus. She had not left a single one behind. Every tomb of her line now gaped empty, as hollowed out as the skulls she’d plundered from their sarcophagi. Silence ever spoke of absence. Silence was the enemy of life and she would have none of it. No, they talked in mutters and grating scrapes, her perfect ancestors, and they were the voices of her private song, keeping the demon at bay. She was done with bargains.Long ago, she knew, the worlds – pallid islands in the Abyss – crawled with creatures. Their thoughts were blunt and simple, and beyond those thoughts there was nothing but murk, an abyss of ignorance and fear.”

 

Steven Erikson (Toronto, 7 oktober 1959)

 

Zie voor nog meer schjrijvers van de 7e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Georg Hermann, James Whitcomb Riley, Wilhelm Müller, Sohrab Sepehri, Chigozie Obioma

De Duitse schrijver Georg Hermann (oorspronkelijk Georg Hermann Borchardt) werd op 7 oktober 1871 in Berlijn geboren. Zie ook alle tags voor Georg Hermann op dit blog.

Uit: Einen Sommer lang

“Eginhard Meyer hatte durchaus nicht die Absicht, sich einmal später auf dem Brotbaum der Advokatur anzusiedeln. Auch Öler, Bediener, Werkmeister, Ingenieur der großen preußischen Rechtsmaschine zu werden verschmähte er; trotzdem für ihn väterliche Fürsorge schon frühzeitig gewisse Schritte unternommen hatte, daß ihm die Tore dieses Maschinensaals nicht verschlossen blieben. Nein, Eginhard Meyers Streben ging danach, selbst wieder einmal Lehrer nachwachsender Generationen von Rechtsverständigen zu werden, neuen Wein in die alten Schläuche zu füllen und die Zahl der Bücher über die Rechtswissenschaft um einige zu vermehren.
Wenn Nietzsche recht hat, so er sagt: »Je größer der Mann, desto größer seine Verachtung«, so mußte unser Mann, Eginhard Meyer – das heißt, durch Rückschluß festgestellt – sehr groß sein. Denn er hatte eine maßlose Verachtung für alles, was Leute vor ihm in seinem Gebiete geschaffen hatten; eine Verachtung, die nur noch durch die übertroffen wurde, die er für jene hegte, die heute auf dem gleichen Gebiete sich betätigten. Daß er am Rande dieses keineswegs dornenfreien Weges, den er zu betreten beabsichtigte, die ersten fünfundachtzig Jahre seines Lebens kaum große Reichtümer sammeln würde, war allen Beteiligten und auch ihm klar. Er fand sich aber mit dieser Tatsache in dem harten, entsagungsreichen Stolze des Idealisten ab.
Auch seine Braut, Hannchen Lindenberg – man muß das auseinanderhalten! – ein sehr junges Wesen, die von ihrer Mutter einen großen Wortreichtum von Pflichtbezeichnungen und sittlichen Erwägungen erblich überkommen und zeitgemäß ausgebaut hatte, fand gerade hierin einen Anreiz mehr, sich auf das pastorale Jahrzehnt einer gemeinsam durchkämpften Brautzeit vorzubereiten und zu versteifen. Es war eine Märtyrerkrone, die Hannchen Lindenberg sich mit redereicher Wollust auf die wundervollen kastanienbraunen Flechten ihres großäugigen Hauptes stülpte. Hannchen Lindenberg liebte (vielleicht mehr als ihren Bräutigam) solche Märtyrerkronen. Sie hatte das von je getan. Hannchen Lindenberg brauchte sie und suchte sich, wie spätere Jahre zeigten, stets wieder eine neue, wenn die alte schadhaft und unansehnlich geworden war und die Blicke der Umwelt nicht mehr genügend auf sich zog.
Zum Schluß lag aber nach menschlichem Ermessen der Fall keineswegs so verzweifelt und aussichtslos, wie die beiden – Egi Meyer und Hannchen Lindenberg – in langen Spaziergängen selbstzerfleischend sich ausmalten. Denn da die Eltern des jungen Herrn Meyer für recht wohlhabend gehalten wurden – es auch wohl waren –, so war anzunehmen, daß sie im Verein mit Frau Luise Lindenberg ein Machtwort sprechen würden, um eines schönen Tages den entnervenden Stellungskrieg der Brautzeit in die offene Feldschlacht der Ehe zu überführen.”

Georg Hermann (7 oktober 1871 – 19 november 1943)
Porret door Erich Büttner, 1917

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Zie ook alle tags voor James Whitcomb Riley op dit blog.

 

Plain Sermons

I saw a man–and envied him beside–
Because of this world’s goods he had great store;
But even as I envied him, he died,
And left me envious of him no more.

I saw another man–and envied still–
Because he was content with frugal lot;
But as I envied him, the rich man’s will
Bequeathed him all, and envy I forgot.

Yet still another man I saw, and he
I envied for a calm and tranquil mind
That nothing fretted in the least degree–
Until, alas! I found that he was blind.

What vanity is envy! for I find
I have been rich in dross of thought, and poor
In that I was a fool, and lastly blind
For never having seen myself before!

 

Sister Jones’s Confession

I thought the deacon liked me, yit
I warn’t adzackly shore of it–
Fer, mind ye, time and time agin,
When jiners ‘ud be comin’ in,
I’d seed him shakin’ hands as free
With all the sistern as with me!
But jurin’ last Revival, where
He called on _me_ to lead in prayer,
An’ kneeled there with me, side by side,
A-whisper’n’ ‘he felt sanctified
Jes’ tetchin of my gyarment’s hem,’–
That settled things as fur as them-
Thare other wimmin was concerned!–
And–well!–I know I must a-turned
A dozen colors!–_Flurried_?–_la_!–
No mortal sinner never saw
A gladder widder than the one
A-kneelin’ there and wonderun’
Who’d pray’–So glad, upon my word,
I railly could n’t thank the Lord!

 

James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)



De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau. Zie ook alle tags voor Wilhelm Müller op dit blog.

 

Am Feierabend

Hätt ich tausend
Arme zu rühren!
Könnt ich brausend
Die Räder führen!
Könnt ich wehen
Durch alle Haine!
Könnt ich drehen
Alle Steine!
Daß die schöne Müllerin
Merkte meinen treuen Sinn!

Ach, wie ist mein Arm so schwach!
Was ich hebe, was ich trage,
Was ich schneide, was ich schlage,
Jeder Knappe tut mir′s nach.
Und da sitz ich in der großen Runde,
In der stillen kühlen Feierstunde,
Und der Meister spricht zu allen:
Euer Werk hat mir gefallen;
Und das liebe Mädchen sagt
Allen eine gute Nacht.

 

Des Finken Abschied

Es saß ein Fink auf grünem Zweig,
Der war so frisch und blätterreich,
Und sang wohl dies und jenes;
Durch Lenz und Sommer und Herbst er sang,
Hätt da gesungen sein Lebelang,
Wär nicht der Winter kommen.

Der Winter kam mit Saus und Braus:
»Ihr Müßiggänger, zum Reich heraus,
Ihr Flattrer und Sänger und Horcher!
Herab vom Baum, du grünes Blatt!
Zum Bauen und zum Brennen hat
Der Herr das Holz erschaffen.«

Da geht im Hain das Schütteln los,
Und flugs steht alles blank und bloß,
Bis auf den Zweig des Finken.
Jetzt, naseweises Vöglein, flieh!
Mit solcher Staatsökonomie
Da ist nicht viel zu spaßen.

Und ′s Vöglein flog und sang: »Ade!«
Da warf der Winter Reif und Schnee
Ihm hintendrein, und trafs nicht.
Der Finke lacht′ aus voller Kehl:
»Bewahre Gott jede Christenseel
Vor diesem Landesvater!«

Und als ich ′mal nach Welschland zog,
Manch Vöglein mit dem Wandrer flog,
Da war auch jenes drunter:
Und wär′s gewest eine Nachtigall,
So hätt mein Lied einen bessern Schall,
Ich hab′s ihm nachgesungen.

 

Wilhelm Müller (7 oktober 1794 – 1 oktober 1827)

 

De Iraanse dichter en schilder Sohrab Sepehri werd geboren op 7 oktober 1928 in Kashan. Zie ook alle tags voor Sohrab Sepehri op dit blog.

 

Morning Glory

Past the border of my dream
The shadow of a morning glory
Had darkened all these ruins
What intrepid wind
Transported the morning glory seed to the land of my Nod?

Beyond glass gates of dream
In the bottomless marsh of mirrors
Wherever I had taken a piece of myself
A morning glory had sprouted
Forever pouring into the void of my soul
And in the sound of its blossoming
I was forever dying in myself

The veranda roof caves in
And the morning glory twines about all columns
What intrepid wind
Transports this morning glory seed to the land of my Nod?

The morning glory germinates
Its stem rising out of my transparent sleep
I was in a dream
Flood of wakefulness overflowed.
To the view of my dream ruins I opened eyes:
The morning glory had twined all about my life.
I was flowing in its veins
It rooted in me
It was all of me
What intrepid wind
Transported this morning glory seed to the land of my Nod?

 

Vertaald door Ismail Salami

 

Sohrab Sepehri (7 oktober 1928 – 21 april 1980)


 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nigeriaanse schrijver Chigozie Obioma werd geboren in 1986 in Akure. Zie ook alle tags voor Chigozie Obioma op dit blog.

Uit: The Fishermen

“Glimpses of it mostly came like a locomotive train treading tracks of hope, with black coal in its heart and a loud elephantine toot. Sometimes these glimpses came through dreams or flights of fanciful thoughts that whispered in your head—I will be a pilot, or the president of Nigeria, rich man, own helicopters—for the future was what we made of it. It was a blank canvas on which anything could be imagined. But Father’s move to Yola changed the equation of things: time and seasons and the past began to matter, and we started to yearn and crave for it even more than the present and the future. He began to live in Yola from that morning. The green table telephone, which had been used mainly for receiving calls from Mr Bayo, Father’s childhood friend who lived in Canada, became the only way we reached him. Mother waited restlessly for his calls and marked the days he phoned on the calendar in her room. Whenever Father missed a day in the schedule, and Mother had exhausted her patience waiting, usually long into midnight, she would unfasten the knot at the hem of her wrappa, bring out the crumpled paper on which she’d scribbled his phone number, and dial endlessly until he answered. If we were still awake, we’d throng around her to hear Father’s voice, urging her to pressure him to take us with him to the new city. But Father persistently refused. Yola, he reiterated, was a volatile city with a history of frequent large-scale violence especially against people of our tribe—the Igbo. We continued to push him until the bloody sectarian riots of March 1996 erupted. When finally Father got on the phone, he recounted—with the sound of sporadic shooting audible in the background—how he narrowly escaped death when rioters attacked his district and how an entire family was butchered in their house across the street from his. “Little children killed like fowls!” he’d said, placing a weighty emphasis on the phrase “little children” in such a way that no sane person could have dared mention moving to him again, and that was it. Father made it a tradition to visit every other weekend, in his Peugeot 504 saloon, dusty, exhausted from the fifteen-hour drive. We looked forward to those Saturdays when his car honked at the gate, and we rushed to open it, all of us anxious to see what snack or gift he had brought for us this time. Then, as we slowly became accustomed to seeing him every few weeks or so, things changed. His mammoth frame that commandeered decorum and calm, gradually shrunk into the size of a pea. His established routine of composure, obedience, study, and compulsory siesta—long a pattern of our daily existence—gradually lost its grip.”

 

Chigozie Obioma (Akure, 1986)


A Child’s Prayer (Matilda Betham-Edwards)

 

Bij de 27e zondag door het jaar

 

 
Jezus veroordeelt de schijnheiligheid van de Farizeeërs door Jacob Jordaens, 1660-1670

 

A Child’s Prayer

God make my life a little light,
Within the world to glow,—
A tiny flame that burneth bright,
Wherever I may go.

God make my life a little flower,
That giveth joy to all;—
Content to bloom in native bower
Although its place be small.

God make my life a little song,
That comforteth the sad;
That helpeth others to be strong,
And makes the singer glad.

God make my life a little staff
Whereon the weak may rest,—
That so what health and strength I have
May serve my neighbor best.

God make my life a little hymn
Of tenderness and praise,—
Of faith, that never waxeth dim,
In all His wondrous ways.

 

Matilda Betham-Edwards (4 maart 1836 – 4 januari 1919)
Church of St Mary Magdalene in Westerfield, de geboorteplaats van Matilda Betham-Edwards

 

Zie voor de schrijvers van de 7e oktober ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

Dolce far niente, Theodor Fontane, Victor Vroomkoning, Ulrike Ulrich, Yaşar Kemal, Heinrich Federer, Maria Dąbrowska

 

Dolce far niente

 


Golden Autumn, Sillery door Robert Pilot, 1931

 

Herbst

O du wunderschöner Herbst,
Wie du die Blätter golden färbst,
Deiner reinen Luft so klar und still,
Noch einmal ich mich freuen will.

Ich geh den Wald, den Weiher entlang;
Es schweigt das Leben, es schweigt Gesang,
Ich hemme den Schritt, ich hemme den Lauf
Erinnerungen ziehen herauf.

Erinnerungen sehen mich an,
Haben es wohl auch sonst getan.
Nur eins hält nicht mehr damit Schritt.
Lachende Zukunft geht nicht mehr mit.

Vergangenheit hält mich in ihrem Bann,
Vergangenheit hat mir’s angetan;
Den Blick in den Herbst, den hab ich frei,
Den Blick in den Herbst. Aber der Mai?

 

 
Theodor Fontane (30 december 1819 – 20 september 1898)
Neuruppin, de geboorteplaats van Theodor Fontane

 

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Zie ook alle tags voor Victor Vroomkoning op dit blog.

 

Kijken

Een stip. Een veraf schip schatje
want zeeën leer je gauw.

Tot stip ophoudt met stip te zijn,
leger was geen horizon.
Je haalt er nu de kijker bij.

En inderdaad, je krijgt gelijk
een schip veel groter dan een stip
zal het niet zijn.

Tot die opnieuw verdwijnt.

 

Visioen

Droomverloren ging ik door de nacht.
In de kamer van mijn ouders kwam ik
tot mijzelf. Onder bundels maanlicht
lagen zij er stralend bij.

Zij verjongden tot voorouderlijke
geliefden. Vader naderde de jongeman
die boven hem met moeder trouwde.

Zijn vingers haakten in haar
ongebonden haren. Rond haar mond
spraken plooien van geluk.
Rimpels had zij uit haar hoofd gelegd.

In vroege albums lag zij zo te dromen,
haar ogen half naar vader open
als die foto’s van haar nam.

 

Toedracht

De dolverliefde man
die aan de slootkant
om een meisje draait

is niemand minder dan
mijn vader die vandaag
mijn leven in haar maakt.

Moeder, die wel op haar
klompen aan voelt waar
al dat gedoe op uitloopt,

dobbert dichter naar de sloot.
Haar hoofd kan daar vol
rimpels stromen. Haar spiegel-

beeld gaat door de knieën.
Kijk haar onderlijfje
boven komen drijven.

 

 
Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulrike Ulrich werd geboren in op 6 oktober 1968 in Düsseldorf. Zie ook alle tags voor Ulrike Ulrich op dit blog.

Uit: Draussen um diese Zeit

“In der vorletzten Nacht hat Hanna, die seit zwei Jahren Agnesstrasse Ecke Elsastrasse wohnt, von Schildkröten geträumt, die auf Bäumen sitzen, von einem Schildkrötenhaus hat sie geträumt, da saßen sie auf den Bäumen – und Hanna in ihrem Traum hat gewusst, dass die Schildkröten fliegen können. Und wenn sie jetzt Elsa anschaut, wie sie quer über die Panzer der beiden größten Tiere liegt, die Arme und Beine von sich streckt und sie gleichmäßig in der Luft bewegt, während sich ihr eigener kleiner Panzer langsam, aber sicher in ein Federkleid verwandelt, fragt sich Hanna, ob es nicht tatsächlich fliegende Schildkröten gibt, so wie es doch auch fliegende Fische gibt und fliegende Hunde. Wenn er heute wiederkommt, denkt sie, könnte sie ihm von diesem Traum erzählen, es ist lange her, dass sie jemandem einen Traum erzählt hat, vielleicht wäre es zu persönlich. Wenn er heute wiederkommt, könnte sie ihn auf Elsas Federpanzer aufmerksam machen und behaupten, dass das Tier erst vorhin eine Runde über dem Palmenhaus gedreht und mit einer gekonnten Landung auf dem Wasser aufgesetzt habe. Sie könnte herumspinnen und er würde etwas dazu erfinden, so wie beim letzten Mal, als sie auch plötzlich angefangen hatten, sich absurde Dinge auszumalen, sie hatte mit einem fremden Mann auf dieser Bank gesessen und laut gelacht, und es war ihr nicht peinlich gewesen. Drei Wochen ist das her und sieben, seit sie ihm zum ersten Mal begegnet ist. Jetzt bewegt sich eine der beiden Großen, ganz wenig nur, und Elsa purzelt ins Wasser, aber sie klettert sofort zurück, benutzt den Panzer der niedrigeren Ida als Stufe und schon ist sie zurück an ihrem Platz. Auch darüber haben sie gesprochen, über das Aufeinanderstapeln, er hat gefragt, ob sie wisse, dass diese Schildkrötengruppe im letzten Jahr die Schweizer Meisterschaft im Pyramidenbauen gewonnen habe. Es sind tatsächlich fünfzehn, perfekt für eine fünfstöckige Pyramide. Sie hat ihm dann offenbart, wie sie, als sie mit dem Leichtathletikverein an der Nordsee war, und zuoberst bei einer vierstöckigen Pyramide kniete, wie sie damals, obwohl unten Sand war, einen Moment lang gedacht hatte, sie würde sich den Hals brechen.”

 

 
Ulrike Ulrich (Düsseldorf, 6 oktober 1968)

 

De Turkse schrijver Yaşar Kemal werd geboren op 6 oktober 1923 als Kemal Sadik Gökçeli in Hemite. Zie ook alle tags voor Yaşar Kemal op dit blog.

Uit: Memed mein Falke (Vertaald door Horst Wilfrid Brands)

“Die Hänge des Taurusgebirges steigen von der weiß schäumenden Mittelmeerküste ganz allmählich bis zu den Höhen der Taurusgipfel an. Über dem Mittelmeer kann man immer weiße Wolken sehen, die, aufeinandergetürmt, dahintreiben. Das Küstenland ist so glatt und ebenmäßig, dass man glauben könnte, es sei mit einer Glanzschicht überzogen. Sein Lehmboden lässt einen an Fleisch denken. Auf Stunden ins Landesinnere hinein riecht es hier nach Meer, nach der Schärfe des Salzes. Hinter den flachen Äckern mit ihrem von Furchen durchzogenen Lehm beginnt das Röhricht der Çukurova, bedeckt mit unentwirrbar ineinander verfilztem Gestrüpp, mit Brombeeren, Wildreben und Schilf – eine dunkelgrüne Hölle, ohne Anfang und Ende, dunkler und wilder noch als Urwald.
Ein Stück weiter landeinwärts, zur Rechten Anavarza, zur Linken Osmaniye, auf dem Weg nach Islahije, kommt man in eine weite Sumpflandschaft. Hier brodelt es im Sommer ringsumher, wenn die Sümpfe kochen und der widerwärtige Geruch von verfaultem Schilf, Kraut und Holz, der Fäulnisgestank des Bodens jedermann fernhält. Das klare Wasser, das im Sommer von den Sumpfpflanzen und vom Schilf verborgen wird, glänzt und glitzert im Winter wie ein Spiegel. Jenseits der Sumpfgebiete gelangt man wieder auf bebautes Land, auf fetten, warmen Boden. Ein Land, das vor Fruchtbarkeit glänzt, das für seine Saat vierzig- bis fünfzigfachen Ertrag zurückgibt.
Aber wenn man die sanften, myrtenduftenden Hügel hinter sich zurückgelassen hat, schrickt man jäh vor den Felsen zusammen, die sich plötzlich vor einem auftürmen. Mit den Felsen beginnt das Reich der Kiefern, deren Harz in kristallenen Tropfen an den Stämmen entlang zur Erde sickert. Die Ebenen, die sich hinter den Kiefern erstrecken, haben kargen Boden, der nichts trägt … Von hier aus sind die Taurushöhen mit ihren Schneegipfeln zum Greifen nahe.”

 

 
Yaşar Kemal (6 oktober 1923 – 28 februari 2015)

 

De Zwitserse dichter, schrijver en priester Heinrich Federer werd geboren op 6 oktober 1866 in Brienz. Zie ook alle tags voor Heinrich Federer op dit blog.

Uit: Das letzte Stündlein des Papstes Innocenz des Dritten

»Herre Papst, so meine ich’s: Darf ich eine Familie gründen aus lauter Freiern? Aber nicht aus Freiern um adelige Töchter oder um Bischofsmützen oder um Baronate! Ach nein, aus Freiern um die schöne, reine, selige Frau Armut. Dürfen wir vom Almosen leben? Und daneben wie die Vögel und die Eichhörnchen im Walde hausen, die bequeme liebe Erde zu Stuhl und Tisch und Bett und Studierpult und Futterplatz nehmen? und das Summen und Brummen der Tierlein zur Musik und das Wasser zum Spiel? Und dürfen wir uns so sorgenlos der Natur und ihres Bauherrn freuen? Und weil ganz gewiss so eine Armut allein der wahre Reichtum ist: dürfen wir unser köstliches Freiertum auch andern predigen? etwa den Schwitzenden und den Belasteten? den Verdrossenen und den Geizhälsen und den Schlemmern? Damit alle einfach werden? Denn einfach sein, ist wie das Evangelium sein, ist selig sein. Dürfen wir, Herre Papst, sag, dürfen wir?«
Das sang und drang in des Heiligen Vaters Herz wie mit Vogelstimmen. Es war vor wenigen Jahren. Wie gut weiss er es noch! Und wie sieht er noch immer deutlich jenen blassen, jungen sonnigen Mönch in der staubigen Kutte mit seinen zwitschernden Gesellen vor ihm stehen und so fröhlich betteln, als hätte er den blauen Himmel im Auge und einen Engel auf der Zunge.
»Aber ihr fallet den Menschen zur Last mit euerem Betteln und leidet dann Not und haltet es nicht lange aus!«
»Lasset uns nur machen, Herre Papst, es wird schon gehen. Wenn es den unwissenden Vögeln gelingt, so einem Spatz und Gimpel sogar, warum nicht auch uns schlau-einfältigen Geschöpfen?«
Da liess Innocenz sie gewähren. Und als die Mindern Brüder mit ihrem herrlichen Wald– und Harzgeruch aus dem Marmorsaal des Lateran hinausgesprungen waren und nur noch ein leises blaues Wolkendüftlein von ihnen an der Diele hing und still verschwebte: da fühlte der Heilige Vater zum erstenmal wieder, seit er die weisse Papstseide trug, dass es noch Grösseres gibt als die grelle Glorie seiner Regierung: Einfachheit der Seele, Franzens, des heiligen Habenichts, Einfachheit.
Jetzt aus all der verschachtelten und verwinkelten Krämerwelt hinaus in die Nähe des Todes gerückt, fühlt er wie Heimweh einen Hauch dieser Einfachheit über sich kommen. Sehnsüchtig blickt er über die Bettpfosten am Fussende hinaus und hinüber nach Assisi, wo der Heilige nun schon jahrelang mit den Vögeln und Füchsen und Jüngern lebt und wirkt, der Adam einer neuen Schöpfung.
Wenn doch jetzt dieser arme Franz da wäre und zu ihm ein Wort vom Frieden der Seele reden wollte, jetzt in diesen paar so wichtigen letzten Minuten!”

 

 
Heinrich Federer (6 oktober 1866 – 29 april 1928)
Cover

 

De Poolse schrijfster Maria Dąbrowska werd geboren op 6 oktober 1889 in Russów bij Kalisz. Zie ook alle tags voor Maria Dąbrowska op dit blog.

Uit: Nights and Days (Vertaald door Christine A. Brown)

“They read together Buckle’s History of Civilization in England and Huxley’sThe Physical Basis of Life,discussed Darwin’s theory, played Chopin’s revolutionary etude, his ‘insurrectionist’ prelude and Sonata Pathetique of Beethoven; they sang Mickiewicz’s ballads and such songs as “Rise up, o eagle, from your wounds and shackles,” “Hide away mother, my gowns, pearls, rose wreaths,” “Why is the heart sad,” etc., took long promenades in the moonlight on the river bank and in the park, danced until the small hours, went boating in the country near Kaliniec and, under Daniel’s leadership organized botanic expeditions. In the summer, the same manner of spending the time was transferred to the country estate of the councillor Joachim, who gladly gathered around him both his poor relations and their socially and intellectually distinguished friends.
At that time, Miss Barbara took a strong liking to the diversity of life and to mental entertainment, whose contagious gaiety she took to be the essence of her own nature. She felt then herself to be happy and joyful, especially when the guests included a certain Mr. Józef Toliboski, a young lawyer of small but shapely proportions, the dark-haired owner of a black beard and fair eyes, cold and steely in color but in expression, fiery and caressing. He seemed to be taking a great interest in the younger Miss Ostrzenski. They had never been alone with each other, but in every gathering he was always near her.
One day during a country excursion, the whole company was resting on a hill by the river. Part of the riverbed at that place was overgrown with the blossoming water lilies which Miss Barbara liked very much.
‘What a pity,’ she said, ’that one cannot pick them.’
Józef Toliboski glanced at her and, saying nothing, as if it were not a coquettish prank but an austere proof of his readiness to do anything, proceeded into the river just as he was and, immersing himself up to his shoulders, came back with his arms full of heavy white flowers. Those on the riverbank cracked jokes during the whole time, roaring with laughter, and Miss Barbara cried. After this event she was even more happy when Mr. Józef was among the invited crowd.”

 

 
Maria Dąbrowska (6 oktober 1889 – 19 mei 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Louis Begley, Horst Bingel, Peter Gosse, Lennart van Nieuwenhuijzen, Hendrik Groen

De Amerikaanse schrijver Louis Begley werd geboren als Ludwig Beglejter op 6 oktober 1933 in Stryj (toen Polen, tegenwoordig Oekraïne). Zie ook alle tags voor Louis Begley op dit blog.

Uit: Kill and Be Killed

“Solitude, the charm of Torcello, the island in the Lagoon of Venice on which I had taken refuge after I left New York City, almost daily contemplation in the basilica of the great mosaic of the Last Judgment, and, above all, time had done their work. The wound caused by Kerry’s leaving me closed, but a blush of shame still came over my face when I recalled her parting words: I can’t stand the way you smell when you touch me, you smell of blood. But the wound and the hurt were slowly becoming an attenuated memory, like the recollection of my beautiful mother’s struggle with cancer and her long agony. For all the sorrow, I remained unable to muster any remorse for the way I killed Slobo. Yes, I had watched him bleed, and yes, I had made sure, before I called 911, that he had bled enough for the chances of his being alive and receiving a transfusion when the ambulance brought him from Sag Harbor to the hospital in Southampton to be nil. But the son of a bitch had tortured and killed my beloved uncle Harry, and tortured and killed his beautiful cat, whom I also loved. Was I to hand over that contract killer, wanted by Interpol and who knows how many other police forces, to the Suffolk County D.A. so he could plea-bargain his way to a twelve-, fifteen-year sentence? Never. I’d made no secret of my intention to kill Slobo. A tough, bright, big-time litigator like Kerry, with prosecutorial experience, should have found a way to let me know that if I didn’t play the game according to Hoyle she’d dump me, that self-defense, to which she allowed I was entitled in a confrontation with Slobo, meant only what New York law provided, using no more force than a reasonable man would think was reasonably needed. How was I to understand this new—it had to be new—squeamishness and sanctimony? I smelled of blood!”

 

 
Louis Begley (Stryj, 6 oktober 1933)

 

De Duitse dichter, schrijver, graficus en uitgever Horst Bingel werd geboren in Korbach op 6 oktober 1933. Zie ook alle tags voor Horst Bingel op dit blog.

 

Steine

Unter dem Strom lebst du, sing’ nicht, du hältst, schläfst
du?
Die Tage, dein Tedeum fliegt, vorbei, im Feuer, bleibst
du,
du häkelst noch, du, stets im Garn, siehst ein Gemäuer
jetzt,
setzt Stein auf Stein, schwörst ein den Namen,
Erinnerung.

Unter dem Strom stirbst du, dein Sog, stößt an, du nicht?
Die Tage, in der Waage Licht, gebannt, aufgespießt, im
Staub,
du spinnst dich ein, nur Wasser trägt, du packst dich fest,
im Netz,
klopfst Stein um Stein, kerbst ein den Namen,
Erinnerung.

Unter dem Strom bleibst du, du singst, im Holz, auf Grund?
Die Tage, auf ewig im Flug, nichts steht, geronnen, im
Sand,
du schläfst fest, die Erde wächst, Kamele, im Horizont,
du sitzt im Stein, stets Dünen atmen,
Erinnerung.

 

In dieser Stunde

Heute redet einer,
er sah zu,
wie sie einen Menschen
mordeten.

Er spricht
wie gestern.
Niemand,
der Einhalt gebietet.

In diesem Moment
werden Würfel gezählt.
Niemand
erfährt den Ausgang
des Spiels.

 

 
Horst Bingel (6 oktober 1933 – 14 april 2008)

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Peter Gosse werd geboren in Leipzig op 6 oktober 1938. Zie ook alle tags voor Peter Gosse op dit blog.

 

Wer weiß, wer es war,
sie zog sich am Fels hoch.

Und als der Adler, gegen den nichts zu machen ist,
dann vorbei war für heute,
zog sie sich ganz hin zu Prometheus.

An den Rücken gebunden, hatte sie Bretter mitgebracht
(So wie man Astholz mitnimmt zum Nachbarberg Elbrus
um im Stahlbau Prijut oben Kascha zu kochen.)

Aus diesen Brettern also hämmerte sie, was weiß ich wie,
eine Rampe in die Wand,
und stehend dann und selbstverständlich
sah sie ihm in die Augen und machte sich bloß.

Die Füße nur, hinter Prometheus’ Armschelln gespannt,
wurden gefühllos,
und die Rückenhaut trieb sie voll Splitter.

Die Felswand hinunter, sah sie dann,
würde es schwer sein.
Doch unten braute inzwischen was Warmes.
Und nur ab und an schrie ins Kissen
Der, den sie liebt.

 

Hamlet

Statt Vaters sitzt dei Mörder auf dem Throne.
Das sieht der Prinz; kein pubertäres Flennen.
Er wird in Töters Eis sein Eisen rennen.
Nur mag sein Dänemark die neue Krone!

Was Hamlet wünscht, scheint Dänemark beschieden.
Besetzt’ den Thron ein Teufel. doch ein Gott
besitzt ihn. Was tun? Hier mit dem Schafott
ungut erreichtem, doch erreichtem Frieden?

Ja. Denn vom Mittel ist der Zweck besudelt.
(Zwar ist auch Ursupators Frieden Frieden.)
Der Fortschritt schreitet, und das Spurblut strudelt.

Wir sehen Hamlet wägen. Wägen? Schaudern
(Tat Untat. Untat Tat), ein scharfes Sieden.
Solange Hamlet ganz ist, muß er zaudern.

 

 
Peter Gosse (Leipzig, 6 oktober 1938)
Portret door Sighard Gille, 2015

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Lennart van Nieuwenhuijzen werd in 1991 geboren in Rotterdam. Hij schrijft iedere week poëzie op zondag op de website ThePostOnline. Zie ook alle tags voor Lennart van Nieuwenhuijzen op dit blog.

 

Stem

Ik ben mijn heftig reageren
op jouw stem gaan controleren
want belofte maakte schuld:
ik heb genoeg de tijd genomen
voor onmogelijke dromen
telkens weer als mijn gedachten
met jouw lachen werd gevuld.

 


Lennart van Nieuwenhuijzen (Rotterdam, 1991)

 

De Nederlandse schrijver Hendrik Groen (pseudoniem van Peter de Smet) werd geboren in Amsterdam-Noord in 1930. Zie ook alle tags voor Hendrik Groen op dit blog.

Uit: Pogingen iets van het leven te maken: het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 1/4 jaar

“Donderdag 3 januari
Evert was enthousiast maar wilde niet garanderen dat hij langer zou leven dan ik. Hij had ook een paar bedenkingen. De eerste was dat hij na de voordracht uit mijn dagboek waarschijnlijk uit moest zien naar een andere aanleunwoning. De tweede zorg was de staat van zijn kunstgebit. Dat laatste had te maken met een onzorgvuldige biljartstoot van Vermeteren. Sinds hij staar heeft aan zijn rechteroog moet Vermeteren geholpen worden bij het mikken. Evert, nooit de beroerdste, had achter hem gestaan om aanwijzingen te geven, neus op keuhoogte. ‘Iets naar links en een beetje diep raken en…’ en voor hij klaar was had Vermeteren met de achterkant van zijn keu het gebit van Evert doormidden geramd. Carambole!
Evert loopt erbij of hij aan het wisselen is. Hij is nauwelijks te verstaan omdat hij zo slist. Dat gebit moet gerepareerd worden voor hij kan voorlezen aan mijn baar. Maar, het zal nondedju niet, de kunstgebittenreparateur heeft een burn-out. Twee ton per jaar, een pracht van een assistente, drie keer per jaar naar Hawai en toch overspannen; hoe is het mogelijk. Misschien somber geworden van al die valse oude tanden waar de etensresten soms zo lang tussen zaten dat er maden aangetroffen zijn. Bij wijze van spreken.
De oliebollen die ze beneden in de conversatieruimte serveren, hebben ze dit jaar uit de kringloopwinkel gehaald. Gistermorgen nam ik uit beleefdheid een bol, en daar heb ik twintig minuten over gedaan, met daarbij de aantekening dat ik ook nog een losse veter heb moeten voorwenden om onder tafel het laatste stuk bol in mijn sok te kunnen stoppen.
Vandaar dat er nog schalen vol stonden. Normaal is alles wat hier gratis is binnen een mum van tijd op.”

 

 
Hendrik Groen (Amsterdam-Noord, 1930)
Scene uit de tv-serie met Kees Hulst (Hendrik Groen) en André van Duin (Evert Duiker), 2017

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Václav Havel, Roberto Juarroz, John Taggart, K.L. Poll, Flann O’Brien, Sven Cooremans

 

Dolce far niente

 

 
In het Abramtsevo park door Ilya Ostroukhov, 1885

 

Herbstbild

Dies ist ein Herbsttag, wie ich keinen sah!
Die Luft ist still, als atmete man kaum,
Und dennoch fallen raschelnd, fern und nah,
Die schönsten Früchte ab von jedem Baum.

O stört sie nicht, die Feier der Natur!
Dies ist die Lese, die sie selber hält,
Denn heute löst sich von den Zweigen nur,
Was vor dem milden Strahl der Sonne fällt.

 


Friedrich Hebbel (18 maart 1813 – 13 december 1863)
Het Hebbelhaus (museum) in Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

 

De Tsjechische schrijver en politicus Václav Havel werd op 5 oktober 1936 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Václav Havel op dit blog.

Uit:The Power of the Powerless (Vertaald door Paul Wilson)

“Even this very superficial overview should make it clear that the system in which we live has very little in common with a classical dictatorship. In the first place, our system is not limited in a local, geographical sense; rather it holds sway over a huge power bloc controlled by one of the two superpowers. And although it quite naturally exhibits a number of local and historical variations, the range of these variations is fundamentally circumscribed by a single, unifying framework throughout the power bloc. Not only is the dictatorship everywhere based on the same principles and structured in the same way (that is, in the way evolved by the ruling superpower), but each country has been completely penetrated by a network of manipulatory instruments controlled by the superpower centre and totally subordinated to its interests. In the stalemated world of nuclear parity, of course, that circumstance endows the system with an unprecedented degree of external stability compared with classical dictatorships. Many local crises which, in an isolated state, would lead to a change in the system, can be resolved through direct intervention by the armed forces of the rest of the bloc. In the second place, if a feature of classical dictatorships is their lack of historical roots (frequently they appear to be no more than historical freaks, the fortuitous consequence of fortuitous social processes or of human and mob tendencies), the same cannot be said so facilely about our system. For even though our dictatorship has long since alienated itself completely from the social movements that gave birth to it, the authenticity of these movements (and I am thinking of the proletarian and socialist movements of the nineteenth century) give it undeniable historicity. These origins provided a solid foundation of sorts on which it could build until it became the utterly new social and political reality it is today, which has become so inextricably a part of the structure of the modern world. A feature of those historical origins was the ‘correct understanding’ of social conflicts in the period from which those original movements emerged.”

 

 
Václav Havel (5 oktober 1936 – 18 december 2011)
Cover van de Tsjechische uitgave

 

De Argentijnse dichter, essayist en literatuurwetenschapper Roberto Juarroz werd geboren in Coronel Dorrego op 5 oktober 1925. Zie ook alle tags voor Roberto Juarroz op dit blog.

 

IV, 44

Een enkele keer herlees ik mezelf.
Als ik dat doe,
lijkt mij wie dat schreef
achterop te zijn geraakt,
wie weet om te wachten tot ik terugkeer
of om van ver naar ons te kijken,
of daarna een dwarsweg te zijn ingeslagen
om verder weer bij ons te komen.

Jezelf herlezen is vaag vermoeden
dat het leven dat voorbij ging
elders op ons wacht,
tegendraads als een verloren zoon
die op de drempel staat te wachten
op de onwaarschijnlijke terugkomst van zijn vader.

Achter elk voorheen geschreven woord
doemen, als een stiekem volkje, alle woorden op
die wij niet opschrijven konden.
Daarom vindt wie zichzelf herleest,
veeleer dan de visioenen die wij waren,
de visioenen die vruchteloos aanspraak op ons maakten
maar met zonderlinge aandrang aanwezig bleven
als algen die zich hebben vastgezet
op wat wij halvelings begrijpend hebben vergaard.

Was de tijd niet opgebruikt,
dan loonde het misschien de moeite jezelf te herlezen
alleen al om die aankleefsels

 

Eighth.2

Words too fall to the ground,
like birds suddenly driven crazy
by their own movements,
like objects that suddenly lose their balance,
like men who stumble even when there’s no obstacle,
like dolls estranged by their own rigidity.

Then, the words themselves build a stairway
from the ground,
to climb up to human discourse,
to its stutter
or final sentence.

But some words remain forever fallen.
And sometimes we find such words
in an almost larval mimesis,
as if they knew someone were going to come
gather them up and build a new language,
a language made up entirely of fallen words.

 

Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu

 


Roberto Juarroz (5 oktober 1925 – 31 maart 1995)

 

De Amerikaanse dichter en criticus John Taggart werd geboren op 5 oktober 1942 in Guthrie Center, Iowa. Zie ook alle tags voor John Taggart op dit blog.

 

Precious Lord

2
The first time Mahalia does it as one interconnected phrase
she does it as three in one three words in one phrase
three in one: “take-en-n—my-ah-aah—ha-an-nd”
Mahalia does it in the same year in 1956 the same year as Aretha
same but different the second time it is more aggressive
it’s more aggressive: “take-ake my-ah han-and”
Mahalia was a big fine woman Mahalia was denuded
she sang “Precious Lord” at the funeral of Martin Luther King
Aretha sang “Precious Lord” at the funeral of Mahalia.

Thomas Dorsey met Mahalia met her for the first time in 1928
it was in 1928 that Georgia Tom moaned with Ma Rainey
he moaned with Ma Rainey he moaned and he groaned with Ma Rainey
he met Mahalia and he taught her how to moan
“you teach them how to say their words in a moanful way”
to say their words how to say his words
Mahalia was a big fine woman Mahalia was denuded
Dorsey knew the heavier the voice the better the singer

3
Al Green has a softened voice he has a voice made softened
he was made to sing softened by Willie Mitchell in 1972
softened and softened and softened
Al Green became Rev. Al Green of the Full Gospel Tabernacle in 1980
a tabernacle is a fixed or movable habitation
habitation where you stay together with the lord
Al Green has a softened voice he has a voice made softened
he was made to sing softened on “Let’s Stay Together”
in 1982 he was made to sing softened on “Precious Lord.”

Photograph of Thomas Dorsey photograph of a smooth operator
photograph of Georgia Tom photo of a smooth operator
the photo smoothed out retouched softened
one side of the face completely light one side of the face all dark
one side merges into the light smoothed out softened
one side merges into the dark smoothed out made softened
in the photograph a smooth operator is lighting a cigarette
slender fingers hold a matchbox hold a match
slender fingers hold a softened flame against the softened dark.

 

 
John Taggart (Guthrie Center, 5 oktober 1942)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en journalist K. L. Poll, (volledige naam Kornelis Lubbertus Poll) werd geboren in Dordrecht op 5 oktober 1927. Zie ook alle tags voor K. L. Poll op dit blog.

Uit: Het Meer van de Ondank. Een tijdgedicht

Oktober

4
Ik ben, zei Helmut Schmidt,
een oude man, een groot deel
van het leven ligt achter me.
Als ik terugkijk, en vergelijk,
als ik me afvraag
welke stemming nu overheerst,
is dat geen angst
voor het lot van de wereld.

Carl Friedrich von Weiszäcker:
stemmingen zijn moeilijk ontwarbare gehelen,
het gaat om argumenten.
Voor mij blijft de vraag,
kunnen mensen de sprong maken
naar een cultuur zonder oorlog?
Die cultuur heeft nog niet bestaan.
Vergissingen kunnen wij ons niet veroorloven.
Het verlangen naar hegemonie blijft.
Wij behoren niet tot wat de biologen noemen
de fehlerfreundliche organismen.

Gezien en gehoord,
in Rettenbach, Midden-Europa:
twee wijze Duitse politici.

 


K.L. Poll (5 oktober 1927 – 14 november 1990)
Helmut Schmidt

 

De Ierse schrijver Flann O’Brien werd geboren op 5 oktober 1911 in Strabane, County Tyrone. Zie ook alle tags voor Flann O’Brien op dit blog.

Uit: At Swim-Two-Birds

“My uncle drained away the remainder of his tea and arranged his cup and saucer in the centre of his bacon plate in a token that his meal was at an end. He then blessed himself and sat for a time drawing air into his mouth with a hissing sound in an attempt to extract foodstuff from the crevices of his dentures. Subsequently he pursed his mouth and swallowed something. A boy of your age, he said at last, who gives himself up to the sin of sloth – what in God’s name is going to happen to him when he goes out to face the world? Boys but I often wonder what the world is coming to, I do indeed. Tell me this, do you ever open a book at all? I open several books every day, I answered. You open your granny, said my uncle. 0 I know the game you are at above in your bedroom. I am not as stupid as I look. I’ll warrant you that. He got up from the table and went out to the hall, sending back his voice to annoy me in his absence. Tell me this, did you press my Sunday trousers? I forgot, I said. What? I forgot, I shouted. Well that is very nice, he called, very nice indeed. Oh, trust you to forget. God look down on us and pity us this night and day. Will you forget again today? No, I answered. As he opened the hall-door, he was saying to himself in a low tone: Lord save us! The slam of the door released me from my anger. I finished my collation and retired to my bedroom, standing for a time at the window and observing the street-scene arranged below me that morning. Rain was coming softly from the low sky. I lit my cigarette and then took my letter from my pocket, opened it and read it.
Mail from V. Wright, Wyvern Cottage, Newmarket, Suffolk. V. Wright, the backer’s friend. Dear Friend and member. Thanks for your faith in me, it is very comforting to know that I have clients who are sportsmen who do not lose heart when the luck is ’the wrong way’. Bounty Queen was indeed a great disappointment tho’ many were of opinion that she had dead-heated with the leaders but more of that anon. Considering I have been posting information from the same address since 1926, anybody leaving me now because of bad luck would indeed be a ‘puzzler’. You had the losers why not ‘row in’ and make a packet over the winners that are now our due. So much for the past, now for the future. SENSATIONAL NEWS has reached me that certain interests have planned a gigantic coup involving a certain animal who has been saved for the past month. INFORMATION from the RIGHT QUARTER notifies me that a sum of £5,000 at least will be wagered. The animal in question will be slipped at the right moment with the right man up and there will be a GOLDEN OPPORTUNITY to all who act `pronto’ and give their bookmaker the shock of his life. To all my friends forwarding 6d. and two S.A.E.’s I will present this THREE-STAR CAST-IRON PLUNGER and we will have the win of our lives and all the bad luck forgotten. We will feel ‘bucked’ when this animal flashes past the post at a fancy price.”

 


Flann O’Brien (5 oktober 1911 – 1 april 1966)
Portret door Micheál Ó’Nualláin, 1957

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Vlaamse dichter en psycholoog Sven Cooremans werd geboren in Rumst 1970. Zie ook alle tags voor Sven Cooremans op dit blog.

 

Een mens hult een steen in het zachte

Een mens hult een steen in het zachte
binnen van een brood en wacht op de meeuwen,
de mouwen, de huid en het hart van de haas
gestroopt. Er ligt verf op de vensterbank
waar mijn ellebogen rusten. Op de velden
staat een scary man. Roerloos maakt hij
dag na dag een bootleg van het ruisen
van een zonevreemde pijn. In de kamer
bedekken schetsen de perenhouten vloer,
zwijgt mijn vrouw een tijd en met haar tong
langs haar lippen zwijgt mijn vrouw een tijd
voor ze toegeeft (ik heb dit uit liefde gedaan)
en het bed en haar stilte halfdonker maakt.

 


Sven Cooremans (Rumst, 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e oktober ook mijn blog van 5 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 5 oktober 2014 deel 2.

Jeroen Olyslaegers

De Vlaamse schrijver en columnist Jeroen Olyslaegers werd geboren in Mortsel op 5 oktober 1967. Zie ook alle tags voor Jeroen Olyslaegers op dit blog.

Uit: WIL

“De gelauwerde kunstenaar, de man die zijn volk ooit zangles gaf, en daar in brons vereeuwigd stond, keek dus uit over een waterbassin waar vooral zatlappen in pisten. Dat beeld is verhuisd, het zogenaamd zwemdok is afgebroken en dat grand hotel waar ook nog tijdens de Tweede Wereldoorlog chique Duitse officieren een aperitief dronken met hun lief… daar staat nu een monster in beton hoog te torenen boven niks in het bijzonder. Was het dan vroeger beter, bompa? Ik hoor het u al denken en trouwens, mochten we elkaar nog zien, mocht de familie die ik mee geschapen heb en die nu niets met mij te maken wil hebben dat toelaten, dan ben ik er al even zeker van dat gij me met ‘opa’ zou aanspreken. Het woord ‘bompa’ sterft immers uit. Maar vroeger was het uiteraard niet beter. Het was gewoon even erg. Verbeelding is alles. In den beginnewas er niet het woord en al zeker niet van God. In den beginne was er de verbeelding van het donkere, vergeet dat niet. In het midden van de straat stop ik even. Twee grote zwarte banieren hangen aan een gebouw dat niet meer bestaat. Op elk ervan staan twee runen als bliksemschichten. Ik sta voor het hoofdkwartier van de ss Vlaanderen. Die uniformen, daar werden wij als flik zot van. Een kameraad kreeg de wind van voren omdat hij niet salueerde voor een snoeshaan in zwart. Het was zelfs geen Duitser, ook al had hij duidelijk liever het levenslicht gezien in pakweg BimBamBeieren. Patsers. Zoveel verschillende uniformen… een mens geraakte er gewoonweg niet uit. Wanneer salueren en wanneer niet? Ik zweer u dat ik vaak op mijn tanden moest bijten. Sommige van die aanstellers hadden nul respect, voor zulk volk had ik daar evengoed in mijn pure kunnen staan. Aan het einde van de straat sla ik rechts af. Het moet ongeveer vier uur ’s nachts zijn. Nog steeds absolute stilte, nog steeds sneeuw die valt en geen kat te bespeuren. Soit, op een drugsverslaafde na die mij om een euro vraagt. Kus mijn gat, zeg ik. Zeg ouwe, wauwelt hij. Ik kijk diep in zijn roodomrande ogen en zeg dat ik nu al zijn ziel aan het vreten ben als een hellehond vol lintworm en dat hij moet maken dat hij weg komt vooraleer hij helemaal van mij is. Zulke gasten legt uw stamvader tussen zijn boterham, weet ge dat? Ge gelooft me niet? Dat komt nog, wie weet: helaas zelfs. Tour de horizon. Rechts van mij, aan het uiteinde van de Keyserlei, staat de spoorkathedraal die Middenstatie heet, maar die niemand nog zo noemt. Aan mijn linkerkant, op de hoek van de Keyserlei en de Frankrijklei, zit café Atlantic, met daarboven Hotel Weber, het hoofdkwartier van de Feldkommandatur.”

 

 
Jeroen Olyslaegers (Mortsel, 5 oktober 1967)

Coen Peppelenbos, Willem Jan Otten, Oek de Jong, Cynthia Mc Leod, Matthieu Gosztola, Koos Schuur, Roy Alton Blount Jr., Mary Elizabeth Braddon, André Salmon

De Nederlandse dichter en schrijver Coen Peppelenbos werd geboren in Raalte op 4 oktober 1964. Zie ook alle tags voor Coen Peppelenbos op dit blog.

Uit: Victorie

“Ik had de dood van mijn broer nodig om zelf iemand te worden. `Schrijf het op,’ zei de een. ‘Houd een dagboek bij,’ zei een ander. Nu ik een paar weken vakantie heb, voel ik pas de rust om de afgelopen maanden te beschrijven. Ik ben fotograaf: ik denk in beelden, niet in letters. Maar de beelden hadden me de laatste tijd niets opgeleverd. Het is half twaalf. De tantes zijn allang naar bed. Het ritme hier is anders dan het ritme van de stad. Ik mis het geluid van de tram, de auto’s die dag en nacht langs mijn huis rijden. Hier hoor je bijna niets. Geritsel, het ruisen van de bladeren, ganzen die plotseling alarm slaan en weer stilvallen. Tegen vieren begint de eerste haan te kraaien. Ze zouden die beesten een horloge moeten geven. Gelukkig slaap ik tegenwoordig weer net zo vast als vroeger. Ik merk dat ik zomaar wat schrijf om te voorkomen dat ik met het echte verhaal start. Waar zal ik beginnen? Laat ik maar eerst vertellen dat ik hier in Salland zit.
Salland is vergeten land. Dorpjes en gehuchten met kerkjes in het midden. Van dorpskern tot dorpskern slingeren weggetjes die je uitnodigen je auto om een boom te vouwen. Het landschap wordt doorkruist door twee grote provinciale wegen. De weg van Deventer naar Hoogeveen en de weg van Zwolle naar Enschede vormen letterlijk een kruis. Het kruispunt ligt in Raalte, katholieke enclave in gereformeerd en Nederlands-hervormd gebied. Een paar kilometer buiten Raalte ligt Heino, een dorp van niks. De enige attractie was de provinciale weg die dwars door het dorp liep en soms voor een spectaculair ongeluk zorgde. Sinds de aanleg van de nieuwe weg aan de noordkant van het dorp zijn ook die onverwachte hoogtepunten in het jaar voorbij. Wie op de provinciale wegen rijdt, kent het karakter van de bewoners van deze streek niet. Dan moet je dieper het land in, over de klinkerwegen gaan. Populieren en eiken en soms een mooie lindenhaag onttrekken de boerderijen aan het zicht. Kleine boerderijen vind je er: wat veeteelt en wat akkerbouw. Gemengd bedrijf heette dat bij aardrijkskunde, en dat klonk alsof je alles dubbel had, terwijl in werkelijkheid de schraalheid van het ene deel van het bedrijf het andere aanvulde. Alles is kleinschalig. Klein zijn de geesten van de inwoners die zich door het klokgelui nog elke week naar de kerk laten roepen om daar hun wekelijkse portie schuld en boete te ontvangen. Voor slechts weinigen is het meer dan een ritueel. Tussen de IJssel en de Holterberg staat de wereld op de rem. En in Heino was de vooruitgang nog minder zichtbaar dan elders in het Sallandse land. Wie in deze streek naar kunst zoekt, moet lang zoeken. Aquarellen met bloemstillevens gemaakt door verveelde vrouwen van makelaars zijn de meest wufte uitbarstingen van artistieke geestdrift. Liever ziet men hier iets ambachtelijks. Mandenvlechters en klompenmakers trekken van jaarmarkt naar braderie en kunnen op veel bewondering rekenen.”

 

 
Coen Peppelenbos (Raalte, 4 oktober 1964)
Portret door Harriët Geertjes, 2006

 

De Nederlandse schrijver en dichter Willem Jan Otten werd geboren in Amsterdam op 4 oktober 1951. Zie ook alle tags voor Willem Jan Otten op dit blog.

 

Het wak van Eden

Van kindsbeen heb ik kennis van een wak.
Denk ik het in dan denk ik mij in
de voorbedachte winterdag waarop ik,
spijbelend, in de late ochtendschemering,
een onbeschaatste, mensverlaten wijde
Ankeveense Plas beging waarin mij wachtte
steeds hetzelfde en mij toegedachte wak.
Denk ik het in dan denk ik mij in
dit wak totdat het zingen gaat van zonk,
het zingt zich naar mijn oor een wak
en wordt niet waar ik nog naar snak, maar
wat ik hoor, een stem, een klank, een klacht.

 

Tegen de weemoed

Een karavaan voddenmannen
trekt al dagen klagend
langs het raam. Jaargetij
van stafrijm. De krant
die uit de schemering
de gang inglijdt is klam.
Commentaren vragen aandacht
voor de dodo, en je weet:
het is oktober. Valt een spin
het afwaswater in. Najaar,
vuurtje in de nevel, slaapje
van de luiheid, de wereld
wordt weer één, zelfs de spreeuwen
boven het station zijn onverdeeld,
waaiers, grandioos vertoon
van tucht, vereende turnsters
die zich voegen naar de beeltenis
van hun bejaarde leider: Weemoed,

vijand van de poëzie, de ogen
van de dichters zien alleen
hun eigen wimpers, druppels,
tranen mist, melancholie.

 

Sloot

Geen bel ontsnapt
zijn keurslijf; het wak
geslagen door een steen
groeit dicht: hij ligt
te hopen op een bui
die hem zijn huid
afstroopt.

 

 
Willem Jan Otten (Amsterdam, 4 oktober 1951)

 

De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zie ook alle tags voor Oek de Jong op dit blog.

Uit: Mevrouw Len

“Op een zomeravond liep ik naar beneden om een luchtje te scheppen. Op de eerste verdieping werd een deur op een kier geopend en verscheen het gezicht van mijn onderbuurvrouw. Ik had gehoord dat ze een Poolse was. Ze moet iets aan me hebben opgemerkt die avond – een ongehaastheid misschien – want ze wenkte en vroeg me binnen te komen. Met tegenzin deed ik dat. Achter haar rug zag ik een paar schuwe katten naar de keuken vluchten. In de slaapkamer, waarvan de deur openstond, lagen nog eens vijf, zes katten op bed. In de voorkamer was het behang tot een meter boven de plint door kattenagels stuk – gekrabd. Ik hoef niet te zeggen dat het naar katten stonk, dat wil zeggen: naar kattebakken. Met een mengeling van afkeer en nieuwsgierigheid nam ik het allemaal in me op. Van exact hetzelfde appartement als het mijne had ze een hol gemaakt. Een hol vol katten, met tapijtjes, gordijnen en groen behang, stapels kranten in de gang, met kleren vol gepropte plastic vuilniszakken in de slaapkamer, en overal uit tijdschriften geknipte foto’s van halfnaakte meisjes en mooie mannen aan de muur. In de voor kamer, achter de halfgesloten gordijnen, stond het schuifraam op een kier en kwamen geluiden van de straat naar binnen. Ik hoorde de merel zingen die ik zo-even in mijn eigen huis ook had horen zingen. Maar ondertussen was ik in een ander universum beland.
Dicht bij me, te dichtbij, stond de Poolse: een korte en plompe vrouw van begin zestig, die vriendelijke en lokkende geluidjes maakte. Ze had hoge jukbeenderen en kleine, zich tot spleetjes vernauwende ogen, diep in het vlees verzonken, bijna als de ogen van Eskimo’s. Dik zwart haar, dat nog maar nauwelijks grijs werd. Ze had iets kinderlijks. Uit haar brabbeltaal wist ik met moeite een paar verstaanbare woorden te filteren.”

 

 
Oek de Jong (Breda, 4 oktober 1952)

 

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri McLeod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier. Zie ook alle tags voor Cynthia McLeod op dit blog.

Uit: Hoe duur was de suiker?

“Toen Elza een poosje later beneden de eetzaal binnenstapte, vond ze daar alleen haar vader aan de ontbijttafel zitten. ‘Morgen Papa’. ‘Morgen, meiske lief, zijn jullie klaar, we vertrekken stipt als het getij opkomt hoor, dat is over drie kwartier’. De oude slavin Ashana kwam binnen met een bord, waarop vers gebakken vlees, eieren en brood. Ze zette alles voor Elza neer en zei met goedkeurend knikje ‘Ai misi Elza, yu moi baya’
Zachte voetstappen en binnen kwam nu vanaf de achtergalerij, Rebecca. De 21-jarige Rebecca was de 2e dochter van tante Rachaël. Ze was doof, op 9-jarige leeftijd had ze tyfeuze koortsen gehad, die had ze overleefd, maar vanaf toen hoorde ze praktisch niets meer. Praten kon ze nog wel, maar zeer monotoon, en ze sprak heel weinig. Rebecca leefde helemaal haar eigen leven; stil, teruggetrokken, meest in haar kamer, waar ze las, schilderde, tekende, en poppen maakte. Prachtige poppen, iedereen die ze zag, zei dat ze er wel een handeltje in zou kunnen beginnen. Een enkele keer maakte Rebecca wel eens een pop in opdracht en nam daar dan ook wel geld voor, maar vaak gaf ze ze toch cadeau aan kennissen en de meeste poppen waren gewoon uitgestald in haar kamer. Niemand bemoeide zich veel met Rebecca, haar moeder zag ze nauwelijks en ook tegen haar zusje Sarith en stiefzusje Elza zei ze nooit meer dan ’t hoognodige. De enige personen met wie ze wel sprak, waren haar stiefvader oom Levi en haar slavin Caro. Toen de weduwe Rachaël Aäharon 10 jaar geleden verhuisde naar plantage Hébron had ze een aantal slaven meegebracht n.l. Kwasiba en haar 2 dochters Caro en Mini-mini, die waren toen 8 en 5 jaar oud, en verder haar eigen lijfslavin Leida en haar man Isidoor, en hun kleinzoon van 1 jaar, omdat diens moeder, Leida en Isidoors dochter, enkele maanden tevoren overleden was.
Caro was de slavin van Rebecca; ze volgde haar meesteres overal en hielp met penselen uitwassen, verf mengen, kleertjes van poppen naaien e.d. De 15-jarige Mini-mini was Kwasiba’s trots. Duidelijk een kleurlinge. Kwasiba had nooit gezegd wie Mini-mini’s vader was, maar men vermoedde dat die of Rachaëls overleden echtgenoot Jacob Aäharon of diens zoon Ishaak geweest moest zijn. In ieder geval was Mini-mini bruin van kleur, met zacht krullend haar, een smal gezicht en grote donkere ogen. Mini-mini was Sariths slavin en wie die twee bij elkaar zag kon niet aan de indruk ontkomen dat er een treffende gelijkenis was in gezichtsvorm en figuur.”

 

 
Cynthia McLeod (Paramaribo, 4 oktober 1936)
Cover

 

De Franse dichter en schrijver Matthieu Gosztola werd geboren op 4 oktober 1981 in Le Mans (Sarthe). Zie ook alle tags voor Matthieu Gosztola op dit blog.

Uit: Klimt

Je pense à toi. Viens. Dans un effleurement perpétuel, nous nous regarderons. « Tes yeux viendront graver ta grâce en moi ». Mes yeux. habitués aux splendeurs que ton âme, dans l’éloquente élocu-tion de sa vérité, a jetées à ma vue, à mon oreille, à ma vie, mes yeux pourront « souffrir l’étinceler de tes rayons » : mes yeux embrasse-ront avec leurs regards cette « lumière qui n’a point de nuit qui « est toujours lumière », qui « est de telle sorte qu’aucune personne, si intelligente qu’elle soit, ne pourra de sa vie se la représenter ». Mais pourquoi se la représenter ? Il suffit de la caresser doucement, cette lumière, d’effleurer l’ovale oraculaire de ton visage.

Viens. Nous « élaborerons nos pas / unis ». Viens. « Le réel tient à toi ». Tu es la « figure vocative ». Viens. Puisqu’il n’est rien de plus doux à notre pensée que l’idée de nous voir, aurons-nous l’adresse de nous en défendre, même maladroitement ? Viens. Puisqu’il ne sera rien de plus doux à notre pensée que l’idée de nous revoir, aurons-nous l’adresse de nous en défendre, même maladroitement? Viens. Reviens.

 


Matthieu Gosztola (Le Mans, 4 oktober 1981)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Jacobus Gerardus (Koos) Schuur werd geboren in Veendam op 4 oktober1915. Zie ook alle tags voor Koos Schuur op dit blog.

 

Besluiteloos sprookje

Diep in het bos achter de blonde bergen
met mijlenver geen dorpen in het rond
staat aan een vijver ’t huis der zeven dwergen,
waar eens een heks als appelvrouw vermomd

haar koopwaar aanbood, rood en rijp en glanzend,
waar kleine vogels en waar herten zijn,
de ree met ronde ogen, plechtig dansend,
de schildpad en het langorig konijn.

De dwergen zitten hopeloos verlegen
al jaren moe rondom de kleine kist,
waarvan het glas, verweerd door zon en regen,
zorgvuldig eens per week wordt afgewist.

En al die tijd is er geen prins gekomen
over de zeven bergen naar het woud.
De dwergen zitten lusteloos te dromen
en plukken aan hun baard en worden oud.
*
God, laat dit meisjeshart niet doelloos branden
tot smart van vogels, herten en konijn;
zijn er geen prinsen dadelijk voorhanden,
laat het dan een kantoorbediende zijn.

 

 
Koos Schuur (4 oktober 1915 – 1 december 1995)

 

De Amerikaanse schrijver, journalist, musicus en acteur Roy Alton Blount Jr. werd geboren op 4 oktober 1941 in Indianapolis, Indiana. Zie ook alle tags voor Roy Alton Blount Jr. op dit blog.

Uit: Save Room for Pie

“I grew up on food, among people who were devoted to the joy of getting plenty of it. Some years ago, I visited Mel Blount, the great Pittsburgh Steeler cornerback, on his family farm in Vidalia, Georgia, and wrote this:
“Keep ’em fed,” Mel’s father used to say about his offspring. “Keep ’em fed and they’ll work.” They’re still working—for instance, tossing a crop of fifty- or sixty-pound watermelons along a family bucket-brigade line (“And you can’t stop”) to load them into a truck. And every time I walked into Mel’s mother’s house, she, Alice Blount—at 9:00 a.m., 11:30 a.m., 4:30 p.m., or 9:30 p.m.—she was putting fried chicken, stewed chicken, butter beans, soupy white lima beans, grits, gravy, corn bread, rice, mashed potatoes, thick-sliced bacon, collard greens, biscuits, ham, black-eyed peas, sweet iced tea, and hot sauce onto the table and saying, “Y’all about let it get cold.” When I start eating food like that, it takes me back to when I was fourteen, could eat steadily for hours with impunity, and figured I’d be a sports immortal myself. Inside every thin Southern person is a fat person signaling to get out. Mine has partially emerged, as has Mel’s brother Bobby’s. One night Bobby leaned back from the table, slapped his stomach proprietarily with both hands, and said, “Roy, this is all the savings I got.” Mel has had the football glory, but Bobby (who some say was the best athlete in the family) may well have had more food, and he seems pleased with his end of the deal.
If Google can arrange something like that in perpetuity, farm to table, I’m in. Doesn’t have to be soul food, as long as it’s good. In a lifetime of eating, I have savored Madhur Jaffrey’s home cooking, Donald Link’s prizewinning hot tamales (I was a judge), and an eight-course banquet in the Palace of Versailles. And see “What We Ate in Japan.”
As to healthful eating, I take a positive approach. When I hear that something I like is good for me or anyway better than something else (for instance, that Velveeta has more protein and fewer bad fats than many real cheeses, because it is largely whey), I say, “Hey! Let’s see if we have some in the fridge.” (To mix with RO*TEL. I wouldn’t eat Velveeta without mixing it with something containing an asterisk.) When I hear that something I like is not so good (for instance, that Velveeta is rich in sodium), I say, “Let us not rush to judgment.”

 

 
Roy Alton Blount Jr. (Indianapolis, 4 oktober 1941)
Cover

 

De Engelse schrijfster Mary Elizabeth Braddon werd geboren in Londen op 4 oktober 1837. Zie ook alle tags voor Mary Elizabeth Braddon op dit blog.

Uit: Lady Audley’s Secret

“Of course, in such a house there were secret chambers: the little daughter of the present owner, Sir Michael Audley, had fallen by accident upon the discovery of one. A board had rattled under her feet in the great nursery where she played, and on attention being drawn to it, it was found to be loose, and so removed, revealing a ladder leading to a hiding-place between the floor of the nursery and the ceiling of the room below — a hiding-place so small that he who hid there must have crouched on his hands and knees or lain at full length, and yet large enough to contain a quaint old carved oak chest half filled with priests’ vestments which had been hidden away, no doubt, in those cruel days when the life of a man was in danger if he was discovered to have harboured a Roman Catholic priest, or to have had mass said in his house.
The broad outer moat was dry and grass-grown, and the laden trees of the orchard hung over it with gnarled straggling branches that drew fantastical patterns upon the green slope. Within this moat there was, as I have said, the fish-pond — a sheet of water that extended the whole length of the garden, and bordering which there was an avenue called the lime-tree walk; an avenue so shaded from the sun and sky, so screened from observation by the thick shelter of the over-arching trees, that it seemed a chosen place for secret meetings or for stolen interviews; a place in which a conspiracy might have been planned or a lover’s vow registered with equal safety; and yet it was scarcely twenty paces from the house.
At the end of this dark arcade there was the shrubbery, where, half buried among the tangled branches and the neglected weeds, stood the rusty wheel of that old well of which I have spoken. It had been of good service in its time, no doubt; and busy nuns have perhaps drawn the cool water with their own fair hands; but it had fallen with disuse now, and scarcely any one at Audley Court knew whether the spring had dried up or not. But sheltered as was the solitude of this lime-tree walk, I doubt very much if it was ever put to any romantic uses. Often in the cool of the evening Sir Michael Audley would stroll up and down smoking his cigar, with his dog at his heels, and his pretty young wife dawdling by his side; but in about ten minutes the baronet and his companion would grow tired of the rustling limes and the still water, hidden under the spreading leaves of the water-lilies, and the long green vista with the broken well at the end, and would stroll back to the white drawing-room, where my lady played dreamy melodies by Beethoven and Mendelssohn till her husband fell asleep in his easy-chair.”

 

 
Mary Elizabeth Braddon (4 oktober 1837 – 4 februari 1915)
Cover DVD tv-film uit 2000

 

De Franse dichter en criticus André Salmon werd geboren op 4 oktober 1881 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Salmon op dit blog.

Fraternité

Nous rentrions très tard, mêlant
Des vers purs à des chants obscènes
Et l’on s’asseyait sur un banc
Pour regarder rêver la Seine.

Sur l’eau rien ne vivait encore ;
Ainsi qu’une ouvrière lasse
Pressant sur son flanc ses fils morts
La Seine dormait dans sa crasse.

Nos cœurs d’ivrognes s’emplissaient
D’une bienfaisante latrie
Si le soleil levant dorait
Les marronniers des Tuileries.

Pour mieux évoquer d’anciens soirs,
Le plâtre et le vin des tavernes
Égayaient nos vieux habits noirs
Et nos plastrons d’hommes modernes.

Alors ayant honte, vraiment
De nous connaître aussi lyriques
Nous offrions un coup de blanc
Au balayeur mélancolique.

Vaine ruse ! et l’on découvrait
Dans le balayeur un poète,
Si bien que les verres tremblaient
Sur le comptoir, autel de fête !

Et pour que ce soir sans égal
Fut perpétué, un pandore
En dressait le procès-verbal
Parsemé d’attendus sonores.

 

 
André Salmon (4 oktober 1881 – 12 maart 1969)
Portret door Josette Bournet, ca.1947

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e oktober ook mijn blog van 4 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 4 oktober 2015 deel 2.