Peter Terrin, Gore Vidal, Kira Wuck, Stijn Streuvels, Leïla Slimani, Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Bernard Cooper, Niña Weijers

De Vlaamse schrijver Peter Terrin werd geboren in Tielt op 3 oktober 1968. Zie ook alle tags voor Peter Terrin op dit blog.

Uit: Yucca

“Aan de balie van de gevangenis kreeg hij een witte plastic draagtas met daarin al zijn bezittingen.
De cipier achter het glas wees naar een deur aan de zijkant. Ze draaide de sleutel om, stopte hem de tas toe en deed de deur meteen weer op slot. De vrouw paste ternauwernood in haar blauwe overhemd, de knoop van haar stropdas was verborgen onder haar slappe hals.
Viktor was hier elf jaar geweest, hij had nooit het gebouw verlaten, maar de vrouw liet niets blijken. Hij kon net zo goed een bezoeker zijn die een uurtje geleden zijn tas had afgegeven. Ze was beducht voor iets, een onnoembaar gevaar. Men had haar op het hart gedrukt onder alle omstandigheden zakelijk te blijven. Die houding paste haar slecht, zoals haar lichaam niet in het uniform paste. Kleine gouden ringetjes staken in haar kersrode oorlellen die schuin op haar bolle wangen lagen. De ringen hadden geslepen kantjes, wat haar tegelijk meisjesachtig en ouderwets maakte, een juweel dat ze bij haar vormsel van een grootmoeder had gekregen. Ze deed alsof hij niet meer voor de balie stond en naar haar keek. Ze leek hem een vrouw die huilend de liefde bedreef.
De donkere, massieve poort had een deurtje dat door een mannelijke cipier werd opengemaakt. Routine en gewoonte, de fundamenten van het gevangeniswezen, reikten tot deze uiterste grens en hadden sporen van blank hout gevormd. Buiten klonk de wereld anders, hij merkte het meteen. Hij kon het niet benoemen. Had het iets met de bomen aan de overkant te maken, met de brede kruinen? Waren autobussen vroeger stiller? Na enkele minuten voor de grote poort, kijkend naar fietsers en auto’s en voetgangers en gebouwen die hij zich niet kon herinneren, bedacht Viktor dat er een zekere uitbundigheid in de lucht hing. Hij rook het. De wereld was nu vrijer. Maar de wereld was daar niet rustiger van geworden. Misschien lag het aan hem. Het zou tijd vragen om aan alles te wennen, dat sprak vanzelf. Op dat vlak waren zijn vooruitzichten uitstekend. Hij had tijd in overvloed.
Links van de grote poort trok de kleur oranje zijn aandacht. Een vuilnisbak die tegen de muur hing. Voorop stond een symbolische afbeelding van een vuilnisbak, er was geen misverstand mogelijk. Ook dit kon hij zich niet voor de geest brengen, die kleur. Zonder de straat in te kijken werd hij drie vuilnisbakken gewaar, oranje vlekken aan de randen van zijn blikveld. De kleur was zeer doeltreffend, al lag er hier en daar vuil op straat.”

 

 
Peter Terrin (Tielt, 3 oktober 1968)

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook alle tags voor Gore Vidal op dit blog.

Uit: Julian

Libanius to Priscus Antioch, March [AD.] 380
Yesterday morning as I was about to enter the lecture hall, I was stopped by a Christian student who asked me in a voice eager with malice, “Have you heard about the Emperor Theodosius?”
I cleared my throat ready to investigate the nature of this question, but he was too quick for me. “He has been baptized a Christian.”
I was noncommittal. Nowadays, one never knows who is a secret agent. Also, I was not particularly surprised at the news. When Theodosius fell ill last winter and the bishops arrived like vultures to pray over him, I knew that should he recover they would take full credit for having saved him. He survived. Now we have a Christian emperor in the East, to match Gratian, our Christian emperor in the West. It was inevitable.
I turned to go inside but the young man was hardly finished with his pleasant task. “Theodosius has also issued an edict. It was just read in front of the senate house. I heard it. Did you?”
“No. But I always enjoy imperial prose,” I said politely.
“You may not enjoy this. The Emperor has declared heretic all those who do not follow the Nicene Creed.”
“I’m afraid Christian theology is not really my subject. The edict hardly applies to those of us who are still faithful to philosophy.”
“It applies to everyone in the East.” He said this slowly, watching me all the while. “The Emperor has even appointed an Inquisitor to determine one’s faith. The days of toleration are over.”
I was speechless; the sun flared in my eyes; all things grew confused and I wondered if I was about to faint, or even die. But the voices of two colleagues recalled me. I could tell by the way they greeted me that they, too, had heard about the edict and were curious to know my reaction. I gave them no pleasure.
“Of course I expected it,” I said. “The Empress Postuma wrote me only this week to say that . . .” I invented freely. I have not of course heard from the Empress in some months, but I thought that the enemy should be reminded to what extent I enjoy the favor of Gratian and Postuma. It is humiliating to be forced to protect oneself in this way, but these are dangerous times.”

 


Gore Vidal (3 oktober 1925 – 31 juli 2012)

 

De Nederlandse dichteres Kira Wuck werd geboren in Amsterdam op 3 oktober 1978. Zie ook alle tags voor Kira Wuck op dit blog.

 

We nemen ons voor te vertrekken

1
Soms lijkt het alsof ik wind mee heb
de doden mij vooruit helpen
ik staar naar mensen die dichtbij staan
alsof ze na het knipperen
van mijn ogen verdwenen kunnen zijn
ik wil dat er dingen aan mij blijven kleven

2
Is geluk verdwijnen of juist gevonden worden
ik heb geen antwoorden roep ik
zand begint zich te verplaatsen als een oude kameel
nog nooit heeft een mens de zee doen keren

3
Ik heb iets nodig wat me lichter maakt
vanaf boven gezien lijkt alles altijd omhoog te willen
de massa wordt een zwaar ademend dier
we nemen ons voor te vertrekken
maar haken steeds om de beurt af

 

 
Kira Wuck (Amsterdam, 3 oktober 1978)

 

De Frans-Marokkaanse schrijfster en journaliste Leïla Slimani werd geboren op 3 oktober 1981 in Rabat. Zie ook alle tags voor Leila Slimani op dit blog.

Uit: Chanson douce

“Les voisins se sont réunis en bas de l’immeuble. Il y a surtout des femmes. C’est bientôt l’heure d’aller chercher les enfants à l’école. Elles regardent l’ambulance, les yeux gonflés de larmes. Elles pleurent et elles veulent savoir. Elles se mettent sur la pointe des pieds. Essaient de distinguer ce qui se passe derrière le cordon de police, à l’intérieur de l’ambulance qui démarre toutes sirènes hurlantes. Elles se murmurent des informations à l’oreille. Déjà, la rumeur court. Il est arrivé malheur aux enfants.
C’est un bel immeuble de la rue d’Hauteville, dans le dixième arrondissement.
Un immeuble où les voisins s’adressent, sans se connaître, des bonjours chaleureux.
L’appartement des Massé se trouve au cinquième étage.
C’est le plus petit appartement de la résidence. Paul et Myriam ont fait monter une cloison au milieu du salon à la naissance de leur second enfant. Ils dorment dans une pièce exiguë, entre la cuisine et la fenêtre qui donne sur la rue. Myriam aime les meubles chinés et les tapis berbères. Au mur, elle a accroché des estampes japonaises.
Aujourd’hui, elle est rentrée plus tôt. Elle a écourté une réunion et reporté à demain l’étude d’un dossier. Assise sur le strapontin, dans la rame de la ligne 7, elle se disait qu’elle ferait une surprise aux enfants. En arrivant, elle s’est arrêtée à la boulangerie. Elle a acheté une baguette, un dessert pour les petits et un cake à l’orange pour la nounou. C’est son favori.
Elle pensait les emmener au manège. Ils iraient ensemble faire les courses pour le dîner.
Mila réclamerait un jouet, Adam sucerait un quignon de pain dans sa poussette.Adam est mort.
Mila va succomber.
——-

«Pas de sans-papiers, on est d’accord? Pour la femme de ménage ou le peintre, ça ne me dérange pas. Il faut bien que ces gens travaillent, mais pour garder les petits, c’est trop dangereux. Je ne veux pas de quelqu’un qui aurait peur d’appeler la police ou d’aller à l’hôpital en cas de problème. Pour le reste, pas trop vieille, pas voilée et pas fumeuse. L’important, c’est qu’elle soit vive et disponible. Qu’elle bosse pour qu’on puisse bosser.»
Paul a tout préparé. Il a établi une liste de questions et prévu trente minutes par entretien.”

 


Leïla Slimani (Rabat, 3 oktober 1981)

 

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871. Zie ook alle tags voor Stijn Streuvels op dit blog.

Uit: In oorlogstijd (Dagboeken)

“13 oktober 1917

Aan het rijden en rotsen voor ons deur komt er geen eind, – altijd maar troepen en door de regen lijkt het een erbarmelijke aftocht.
Wat er op die wagens al geladen is, gaat alle inbeelding te buiten, – het gelijkt eerder een verhuizing, – een uittocht van foremannen dan op militaire kolonnen. En de peerden vooral zien er ellendig uit. Wat een verschil bij ’t geen we hier in oktober van ’14 zagen voorbijtrekken! En wat is er nu nog over van die prachtige stoet peerden en wagens in splinternieuw tuig van de 4de Armee?.

19 oktober 1917

Peerdenschouw; koeienschouw en… voor ’t eerst: geitenschouw. De boeren en landmensen mogen er een man op houden om de bevelen van de kommandantur uit te voeren. Maar nu komt het ergste: een veertigtal geiten worden opgeëist! De melkkoe van de kleine man. En dat verwekt veel ontroering en vooral stil verdriet. Niet alleen om het verlies van de melk die bij de kleine man het enige voedsel uitmaakt, maar ook omdat de kleine kortwoner zijn geit zo genegen is en waarlijk bemint. Ik zie o.a. een jongetje die daar ook met zijn geitje gekomen is, – een prachtig harte-geitje. Het dier is aangeslagen en moet geleverd worden en de jongen staat daar, houdt het geitje aan het zeel en streelt het met de andere hand over de rug maar terwijl rollen grote tranen uit zijn ogen over zijn wangen op zijn kiel, maar zijn aanzicht blijft strak gespannen en hij doet zienling geweld om zijn verdriet te verkroppen. Zelden heb ik zulk oprecht lijden ontwaard.

23 oktober 1917

Gisteravond, om 9 uur is er op de gemeente een jammerlijk ongeval gebeurd: een man hier uit de buurt is op een boom waar hij takken uit kapte door de soldaten van de Kommandantur, die op patrouille waren, doodgeschoten. Dat wekt de algemene ontsteltenis onder de bevolking en de verbazing te meer dat er geen nachten voorbijgaan zonder er hele bomen langs de steenweg afgezaagd en weggevoerd worden en de daders niet verontrust worden en dat er nu om enige takken een man moet doodgeschoten worden en het leven laten…”

 

 
Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969) 
Streuvels woonkamer in “Het Lijsternest”, zijn woonhuis in Ingooigem

 

De Franse schrijver Henri Alain–Fournier werd geboren op 3 oktober 1886 in Épineuil-le-Fleuriel (Cher). Zie ook alle tags voor Alain-Fournier op dit blog.

Uit: Le Grand Meaulnes

“D’autres invités étaient maintenant épars entre les arbres, attendant. Et trois bateaux de plaisance accostaient, prêts à recevoir les promeneurs. Un à un, sur le passage des dames, qui paraissaient être la châtelaine et sa fille, les jeunes gens saluaient profondément, et les demoiselles s’inclinaient. Etrange matinée! Etrange partie de plaisir! Il faisait froid malgré le soleil d’hiver, et les femmes enroulaient autour de leur cou ces boas de plumes qui étaient alors à la mode . . .
La vieille dame resta sur la rive, et, sans savoir comment, Meaulnes se trouva dans le même yacht que la jeune châtelaine. Il s’accouda sur le pont, tenant d’une main d’une main son chapeau battu par le grand vent, et il put regarder à l’aise le jeune fille, qui s’était assise à l’abri. Elle aussi le regardait. Elle répondait à ses compagnes, souriait, puis posait doucement ses yeux bleus sur lui, en tenant sa lèvre un peu mordue.
Un grand silence régnait sur les berges prochaines. Le bateau filait avec un brui calme de machine et d’eau. On eût pu se croire au coeur de l’été. On allait aborder, semblait-il, dans le beau jardin de quelque maison de campagne. La jeune fille s’y promènerait sous une ombrelle blanche. Jusqu’au soir on entendrait les tourterelles gémir. . . Mais soudain une rafale glacée venait rappeler décembre aux invités de cette étrange fête.
On aborda devant un bois de sapins. Sur le débarcadère, les passages durent attendre un instant, serrés les uns contre les autres, qu’un des bateliers eût ouvert le cadenas de la barrière. . . Avec quel émoi Meaulnes se rappelait dans la suite cette minute où, sur le bord de l’étang, il avait eu très près du sien le visage désormais perdu de la jeune fille! Il avait regardé ce profil si pur, de tous ses yeux, jusqu’à ce qu’ils fussent près de s’emplir de larmes. Et il se rappelait avoir vu, comme un secret délicat qu’elle lui eût confié, un peu de poudre restée sur sa joue . . .
A terre, tout s’arrangea comme dans un rêve. Tandis que les enfants couraient avec des cris de joie, que des groupes se formaient et s’éparpillaient à travers bois, Meaulnes s’avança dans une allée, où, dix pas devant lui, marchait la jeune fille. Il se trouva près d’elle sans avoir eu le temps de réfléchir:
“Vous êtes belle”, dit-il simplement.
Mais elle hâta le pas et, sans répondre, prit une allée transversale. D’autres promeneurs couraient, jouaient à travers les avenues, chacun errant à sa guise, conduit seulement par sa libre fantaisie. Le jeune homme se reprocha vivement ce qu’il appelait sa balourdise, sa grossièreté, sa sottise.”

 

 
Alain-Fournier (3 oktober 1886 – 22 september 1914)
Cover leesboek

 

De Russische dichter Sergej Aleksandrovitsj Jesenin werd geboren op 3 oktober 1878 in het dorpje Konstantinovo, bij Rjazan. Zie ook alle tags voor Sergej Jesenin op dit blog.

 

De ruw bekapte kar ging zingen

De ruw bekapte kar ging zingen,
Struweel, de vlakte vliegt voorbij.
Wéér kruisen ter herinnering en
Kapellen onderweg terzij.

Wéér ga ik ziek aan warme weedom
Als mij de haver toewaait thuis.
En op het nieuws van klokkenklepels
Slaat ongewild de hand een kruis.

O Ruslands velden, diepkarmijn, je
In de rivier gevallen blauw,
Ik min tot vreugde en tot pijn toe
Die merendroefenis van jou.

Onmeetbaar is het koel verdriet van
Je nevelige oeverriet.
Maar níet geloven in je, níet je
Beminnen, nee, dat leer ik niet.

Mijn droom laat ik me nooit ontwringen
En nooit geef ik die ketens prijs,
Wanneer vertrouwde steppen zingen
Uit grashalms psalmboek, voor de wijs.

 

Vertaald door Kees Jiskoot

 

I”m a shepherd, and  my parlours

I”m a shepherd, and my parlours
Are the ruffled pasture sides,
Slopes of verdant hills and furrows,
Balks, with booming cry of snipes.

Yellow foamy clouds are trimming
Pine-tree wood with lace designs,
While I listen, lightly dreaming,
To the whisper of the pines.

Dewy poplars, softly waving,
Shine with verdure on the scene.
I am a shepherd, and my dwelling
Is the gentle field of green.

Cows salute and hail me chatting,
Using their tongue of nods.
Fragrant flowers are inviting,
Kindly, to the river spots.

I forget all grieves and cares,
On a heap of twigs, I dream.
To the sun I say my prayers,
“nd make communion by the stream.

 

Scarlet light of sunset shows up on the lake.

Scarlet light of sunset shows up on the lake.
Grouses are crying in the wood, awake.

Hidden in hollow, cries an oriole.
I don”t feel like crying, brightness in my soul.

You”ll come out to meet me later in the day,
We”ll sit down there under stack of hay.

I will kiss and squeeze you, like an ardent boy!
One can”t blame a man for being drunk with joy.

You will chuck your kerchief as I hold you tight,
I will keep you, tipsy, in the bush all night.

Let the birds keep crying as we neck and bask.
There”s a happy yearning in the purple dusk.

 

Vertaald door Alec Vagapov

 


Sergej Jesenin (3 oktober 1878 – 28 december 1925)
Portret door klimbims

 

De Amerikaanse schrijver Bernard Cooper werd geboren op 3 oktober 1951 in Hollywood, California. Zie ook alle tags voor Bernard Cooper op dit blog.

Uit: Maps to Anywhere

“Today I was going to borrow some books about mankind’s con-cepts of utopia, but the downtown library was destroyed by fire a couple of months ago and now there is only a charred hull, stepped like a ziggurat, cordoned off at a busy intersec-tion, soot seeping from its broken windows, the whole block reeking of smoke. I thought of going to another library, but that would involve negotiating unfamiliar streets, and I’m a man entrenched in routine. I travel the city like a needle coursing through grooves of a record. Work, market, home. Work, mar-ket, home. You visit the same places often enough and each day is like the refrain of Old Black Magic–“Round and round I go, in a spin, loving that spin I’m in …” When I look back at childhood, my breakfast bowl was like the curved congress building in the South American capital of Brasilia, a city whose stark architecture was eventually overrun with clotheslines and curtains and chickens plodding through lobbies. The spotless glass-topped bureau where my mother and father kept cologne and lint brushes and shoehorns was a lot like Le Corbusier’s Radiant City, egalitarian, rational, based upon the symmetry of His and Hers. Except that my parents filed for divorce. Except that Corbu’s schematic plans are nothing now but a blur of monoliths rendered in pencil. Our yard was like a small model of Frank Lloyd Wright’s Broadacre City; the faulty fountain, wooden birdhouse, and sparse vegetable garden were as absurd as Wright’s metropolis where each resident, living in a mile-high apartment complex, would own an individual plot of farmland which they could fly to in a compact helicopter adorned with geometric designs. Anyway, I ended up staying at home today, crossing the car- pet on journeys to the window and desk and back, staring at tract houses which cover the hills like ice plant or ivy, redundant and dense. As a boy, I used to visit a local subdivision every Sunday and wander through the model home. The foyer was filled with piped-in music. I’d swing back a medicine cabinet minor to reveal the pristine enamel, the green tiers of glass. Nubby synthetic curtains, clamped tight against the view, cre-ated a dim monastic light just right for contemplation. One need only pull a cord to, swoosh, be blinded by the wall of a neighbor, shadowless and absolute across a dusty abyss.”

 


Bernard Cooper (Hollywood, 3 oktober 1951)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster Niña Weijers werd geboren in Nijmegen in 1987. Zie ook alle tags voor Niña Weijers op dit blog.

Uit: De consequenties

“Met verbazing had Minnie naar haar moeders relaas geluisterd. Ze kende niemand die zo nuchter was als zij, zo wars van alles wat niet behoorde tot de meest concrete, zichtbare werkelijkheid. Haar moeder was bovendien volstrekt onsentimenteel. Nog nooit had Minnie haar uitbundig zien lachen, of huilen, of schreeuwen van woede; haar emoties werden afgemeten in minimale doseringen die ze nooit overschreed. Het leven van haar moeder, dacht Minnie wel eens, voltrok zich langs de lijnen van een Mondriaanschilderij: horizontaal en verticaal, en absoluut zonder frivoliteiten. Ze was, kortom, wel de laatste van wie je zou verwachten betekenis te hechten aan iets geheimzinnigs als een dróóm.
‘Ik weet niet waarom ik je eigenlijk bel,’ zei haar moeder, die zich hoorbaar herstelde. ‘Nu ik het hardop uitspreek klinkt het ronduit belachelijk, en al helemaal niet realistisch.’
‘Nou ja,’ zei Minnie. In een impuls, misschien om haar moeders ongemak op te heffen, had ze haar voorgesteld die middag samen te lunchen, en nu zaten ze hier. Eigenlijk was het ontroerend, dacht ze, een droom die zomaar door haar moeders pantser van rationaliteit was gebroken.
Het was de eerste dag van februari en zelfs voor de tijd van het jaar was het extreem koud. Tijdens een schaatstocht de dag daarvoor had Minnie een lelijke blauwe plek opgelopen op haar heup, die om de paar uur van kleur veranderde en waar ze dwangmatig op drukte om te voelen of het nog zeer deed – wat het deed.
‘Excuses voor dat geraaskal aan de telefoon,’ zei haar moeder nog voordat ze goed en wel haar jas had uitgetrokken. Ze klonk weer als zichzelf, helder en zakelijk. ‘Ik was pas net wakker, ik dacht niet na.’
Minnie keek naar de routineuze manier waarop ze zich van de jas ontdeed, haar sjaal netjes door de mouw haalde, haar rok gladstreek, ging zitten. Ze was mooi, haar moeder, op een onopvallende maar goed geconserveerde manier. Een professional. Minnie herinnerde zich hoe haar moeder haar vroeger opwachtte wanneer ze uit school kwam, hoe anders ze was dan de andere moeders, die simpelweg in die rol geboren leken te zijn en op een volstrekt natuurlijke manier samenvloeiden met het schoolplein, hun kinderen, de andere moeders. Haar eigen moeder leek iedere keer weer verbaasd daar te staan, alsof ze een blokje om was gelopen en per ongeluk op het schoolplein terecht was gekomen.”
Al dertig jaar werkte haar moeder bij het kwf, waar ze zich onvervangbaar maakte als rechterhand van iedere directeur die de revue passeerde.”

 

 
Niña Weijers (Nijmegen, 1987)
Achterkant cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e oktober ook mijn blog van 3 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 3 oktober 2015 deel 2.

Dimitri Verhulst, Joost Baars, Göran Sonnevi, Graham Greene, Wallace Stevens, Andreas Gryphius, Nes Tergast, Waltraud Anna Mitgutsch, Jan Morris

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook alle tags voor Dimitri Verhulst op dit blog.

Uit: Het leven gezien van beneden

“Tien december is niet de vrolijkste datum denkbaar om in Stockholm een feestje te organiseren, maar daar zal Michail Sjolochov weinig last van hebben gehad toen hij in 1965 deze stad aandeed om er zijn Nobelprijs voor Literatuur op te pikken. Hij wist wat winter was. Hoe het ijs kan kruien staat beschreven in die ene roman waarom hij altijd herinnerd zou blijven, zolang de mensheid tenminste nog iets in boeken wenste te zoeken. En hoewel de wind lelijk huis kan houden op de plaats waar een gulden medaille ongeduldig lag te verlangen naar zijn borst, moet Sjolochovs karakter het ons toestaan te fantaseren dat hij zelfs, eenmaal aangekomen aan de Zweedse scherenkust, ostentatief een jasje heeft uitgedaan om zijn gehardheid als rasechte Kozak te illustreren.
Al zal hij die jas natuurlijk wel hebben aangehouden, enerzijds uit beleefdheid, en anderzijds uit angst dat hij de banketrede, die hij zorgvuldig in z’n binnenzak bewaarde, door deze vestimentaire overmoed kwijt zou raken. Hij, de zogenaamde ‘Leo Tolstoj van het volk’, was voor zijn heenreis in Moskou nog snel even naar de kapper gegaan en had een paar druppels parfum over zijn spoedig uit te beitelen kop gesprenkeld om de prijs in ontvangst te nemen die de echte doch kennelijk minder volkse Tolstoj nooit had mogen krijgen.
Dit was zijn dag. Definitief afgerekend werd er vandaag met zijn sombere jaren als dokwerker, boekhouder, steenkapper, kloefkapper, belastingcontroleur, manusje-van-alles en handlanger-van-niks. Afgerekend, met de konten die hij had gelikt, zich moeizaam een weg naar boven lebberend als journalist. Dat hij met zijn eerste manuscripten had moeten leuren maakte hem in deze stonden alleen maar groter, hij, zoon van een analfabete moeder. En hij voelde met genoegen de woede van al de redacteuren die opeens begrepen dat zij destijds het prille gepruts van een toekomstig Nobelprijswinnaar hadden afgewezen. Het kon niet lang meer duren of zijn tronie zou prijken op een postzegel van vijf kopeken, straatnaambordjes met zijn naam waren al onderweg naar de letterzetter, uiteraard, en alleen het eeuwige leven kon hem nog een staatsbegrafenis ontnemen.
Zuiver toeval was er enkel voor mensen zonder talent. Dat het stadhuis van Stockholm aan het brede water was gelegen had een hogere reden, en die reden heette: Michail Aleksandrovitsj Sjolochov! Rivierenliefhebber in hart en pen, publieke beschermheer van de Wolga en het Baikalmeer.”

 

 
Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

 

De Nederlandse dichter, essayist, bloemlezer en boekhandelaar Joost Baars werd geboren op 2 oktober 1975 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Joost Baars op dit blog.

 

ondanks wat ik van Jou

ondanks wat ik van Jou
aan anderen vertel,

Jij houdt Je bij hen weg
zoals Je Je in elk gesprek

aan alle taalweerslag
onttrekt. het is verteld

dat Je een lichaam hebt gehad
dat woorden sprak

zoals ik spreek als ik
met vrienden ben. hoe moeten

wij ooit samen zijn als ieder glas
met hen ten teken staat

van een vertrek?
hoe vindt in ons – dat lege,

ondoordringbare verbond
in ieder stervend woord

dat wij elkaar toespreken –
afzonderlijk Jouw terugkeer

plaats? is dat de vraag?

er loopt een katje in Je rond.
ze lijkt naar iets te zoeken,

houdt dan stil. ik haal haar aan,
maar als ze opkijkt, oogt ook zij

verloren wat ze daar niet vond.

 

the rustling in the trees is

the rustling in the trees is
not the rustling in the trees.

it is Your voice. the rustling
which is always the same, is not

always the same. it unlocks me,
works its way inside of me, to the

place that is Yours, where You appear
to be absent. that’s where I can hear

Your peaceful livid churning, not
the rustling, but the rustling

that makes the rustling sound,
from a place in me that doesn’t sound,

where the words I speak
don’t exist until You speak,

where You are born in the rustling
of the rustling of the sound-

less rustling and shape me inside.

 

Vertaald door Astrid Alben

 


Joost Baars (Leidschendam, 2 oktober 1975)

 

De Zweedse dichter en vertaler Göran Sonnevi werd geboren in Lund op 2 oktober 1939. Zie ook alle tags voor Göran Sonnevi op dit blog.

 

Still there is clear, sharp light

Still there is clear, sharp light
April-spring’s
light
Still the sky is being stretched, pale, gleaming
The earth dry, granulous
after the snow
Touch its brittle surface
with the fingers of the
imagination
It is cold Being stretched
within me is a new rhythm
that is far beyond all destruction
For a long time
I have been living among gleaming shadows
in a mother of Hades A wing
breaks out
A leaf, an
oar
Everything is already white
Everything is already delight
The heart of the deep sun
The ache within the heart The breathing
in, in
The sun’s oarstrokes
The quivering water
It is still cold
Still nothing has opened
Still nothing has died
Everything wakes up so slowly
So slowly that we are
almost dying
Come with me, out
An oar-blade stratches your forehead
A sparkling writing of stars
And is
the deep voice of humanity
All language dies out
All language dies so slowly
We will die out completely
Also in the ultimate task
We write in the language of the stars
which is not the language of a human

 

Vertaald door John Irons

 

 
Göran Sonnevi (Lund, 2 oktober 1939)

 

De Engelse schrijver Graham Greene werd geboren op 2 oktober 1904 in Berkhamsted, Hertfordshire. Zie ook alle tags voor Graham Greene op dit blog.

Uit: Graham Greene: A Life In Letters

“Sunday, Aug. 30 [1954]
[…[

“They believe that the various gods of war & love etc. start winging their way from Africa when the ceremony starts. They had taken about five hours to cross the Atlantic — & on this occasion it was the God of War. A man started staggering & falling & twisting. People held him up, twisted a scarlet cloth round his middle & put a rum bottle & a panga in his hand. Then he began to whirl around the room, falling & tripping & brandishing the axe; we had to leap up on benches to get out of the way. Sometimes he pressed the blunt end of the panga in someone’s stomach, & that man or woman knelt on the ground before him & kissed it, while he sprayed them with rum out of his mouth. Two of those got possessed too, but were quieted by the priest. I was glad when the man gave a shriek & collapsed, & the God had started back to Africa & the party was over.
I like Truman Capote very much. A most queer figure not only in the technical sense. He is telling my fortune & it gives one the creeps because one half believes — there’s an odd psychic quality about him. The fortune depresses me for obvious reasons even though it might be called a happy one. I’ll put it on record.
Between September 1956 & February 1957 I marry a girl 20 years younger who is either Canadian, American, New Zealand or Australian. I am very much in love & she is 5 months gone with a daughter who proves herself a genius by the time she is 18. I see little of my other children. My whole life changes. We have a house abroad by the sea where we are very happy & about the same time I finish (or start) my best book. When I am in the seventies (I remain sexually active till the end!) we spend the summer in the mountains & the winters in the desert. We are very happy, but before we marry I go (in about 2 years time) through a great crisis with myself. Well, there it is — watch out. I’m oddly depressed by it. I want to be with you till death.”

 

 
Graham Greene (2 oktober 1904 – 3 april 1991)
Het geboortehuis van Graham Greene in Berkhamsted School, Hertfordshire

 

De Amerikaanse dichter en essayist Wallace Stevens werd geboren op 2 oktober 1879 in Reading, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2010 eneveneens alle tags voor Wallace Stevens op dit blog.

 

Sunday Morning

5
She says, “But in contentment I still feel
The need of some imperishable bliss.”
Death is the mother of beauty; hence from her,
Alone, shall come fulfilment to our dreams
And our desires. Although she strews the leaves
Of sure obliteration on our paths,
The path sick sorrow took, the many paths
Where triumph rang its brassy phrase, or love
Whispered a little out of tenderness,
She makes the willow shiver in the sun
For maidens who were wont to sit and gaze
Upon the grass, relinquished to their feet.
She causes boys to pile new plums and pears
On disregarded plate. The maidens taste
And stray impassioned in the littering leaves.

6
Is there no change of death in paradise?
Does ripe fruit never fall? Or do the boughs
Hang always heavy in that perfect sky,
Unchanging, yet so like our perishing earth,
With rivers like our own that seek for seas
They never find, the same receding shores
That never touch with inarticulate pang?
Why set the pear upon those river-banks
Or spice the shores with odors of the plum?
Alas, that they should wear our colors there,
The silken weavings of our afternoons,
And pick the strings of our insipid lutes!
Death is the mother of beauty, mystical,
Within whose burning bosom we devise
Our earthly mothers waiting, sleeplessly.

 

 
Wallace Stevens (2 oktober – 1879 – 2 augustus 1955)
Cover van een studie over leven en werk

 

De Nederlandse dichter en kunstcriticus Nes Tergast (eigenlijk Albert Ernest Bruno Johannes) werd geboren in Salatiga, Java, op 2 oktober 1896. Zie ook alle tags voor Nes Tergast op dit blog.

 

Thuiskomst

Of mij de aarde nog herkennen zal,
Het dorp, het huis, het kleine perk met bloemen?
De oude schimmel van de groenteman
Die ik sinds jaren bij de naam mag noemen,
Zal hij mij nog, als ik hem weer ontmoet,
Begroeten met zijn grote gele tanden?
En zal de merel die naar voedsel zoekt
Dat vroeger werd gestrooid door deze handen,
Maar die mij met dat al nooit heeft vertrouwd,
Niet reeds haar heil hebben gezocht bij andren?
Zullen mijn honden zonder voorbehoud
Weer met mij stoeien en mij niet verbannen
Buiten de sfeer van hun gemeenzaamheid?
En zal mijn spiegel niet zijn zwijgzaamheid
Verbreken en mij openlijk verzaken?

Maar weet, het is dezelfde eenzaamheid
Waarmee, wat grijzer weer, ik aan kom dragen
Als ik voor u de koffer van mijn hart
Ontpak, een koffer vol onzekerheden
Die zijn gewikkeld in dezelfde schemer
Van het verleden, en niet zijn verhard.

 

 
Nes Tergast (2 oktober 1896 – 12 december 1974)
Salatiga (Geen portret beschikbaar)

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Gryphius (gelatiniseerde naam van Andreas Greif) werd geboren op 2 oktober 1616 in Glogau (Silezië). Zie ook alle tags voor Andreas Gryphius op dit blog.

 

Am tage Nicolai. Matth. 25

O König, der du mir dein pfundt vertravvet,
Gieb das ich embsig, vveil du aussen bist,
Mein ampt versorge: sterck zu aller frist.
Dis zarte fleisch dem stets fur arbeit gravvet.
Ja stevvr dem feinde der nur einig schavvet.
VVie er durch faule knecht, durch blinde list,
Durch grimme macht dir deine kirch vervvüst.
Hilff das durch mich dein vvechsel vverd erbavvet:
Damitt ich entlich in der ernsten stunden
In der du Herr die rechnung hegen vvirst,
Bey deiner ankunft vverde trevv erfunden.
Las mich mitt allen die fur dir bestehen
Zu deiner grosser frevvd o lebens furst
Nach so viel müh, undt harter sorg eingehen.

 

 
Andreas Gryphius (2 oktober 1616 – 16 juli 1664)
Sankt Nikolaus door Fritz Tüshaus, 1863,Stadtmuseum Münster

 

De Oostenrijkse schrijfster en literatuurwetenschapster Waltraud Anna Mitgutsch werd geboren in Linz op 2 oktober 1948. Zie ook alle tags voor Waltraud Anna Mitgutsch op dit blog.

Uit: Die Züchtighttps://romenu.blog/tag/waltraud-anna-mitgutsch/ung

“Nach zehn Jahren sagte ich. Gott sei Dank, daß sie so früh gestorben ist, ich hätte mich unter ihrem Blick nie entfalten können. Wenn ich mit meinem Kind in unserem Sommerhaus Ferien verbringe, in dem Haus, in dem ich aufwuchs, siebzehn Jahre lang, bis ich fortging und fünf Jahre nicht wiederkam, sitze ich auf ihrem Platz zwischen Küche und Esstisch. Ich hantiere mit ihrem Geschirr und schlafe in ihrem Bett. Ihre Kleider habe ich hergeschenkt, die Heiligenbilder und den Weihwasserkessel habe ich von der Wand genommen, aber über meinem Bett hängt noch immer die Zeichnung von mir, die ich ihr zu ihren letzten Weihnachten geschenkt habe. Ein junges Mädchen im Profil, das sehsüchtig aus einem Spitzbogenfenster auf eine weite Landschalt hinausschaut. Auf dem Bücherregal steht das Foto das sie als Sterbebild wollte, das in ihren Grabstein eingelassen ist, eine Vierundzwanzigjahrige mit aufrechtem Rücken und aufgetürmtem schweren Haar, Hochmut und Verletzlichkeit in dem zarten Gesicht. Es ist nicht das Gesicht einer jungen Frau. dieses Gesicht hat endgültig Stellung bezogen zum Leben, für dieses Gesicht gibt es keine Überraschungen mehr, ihr habt mich verletzt, ihr werdet wieder tun, ich werde euch keine Angriffsflächen bieten. Es war das erste Jahr ihrer Ehe, das erste Jahr nach dem Krieg, zwei Jahre später war sie meine Mutter. Das ist Bild, das vor mir auftaucht, wenn ich Mutter denke, eine Vierundzwanzigjährige in der Nachkriegsmode mit steifem, unnahbarem Rücken. Später ließ sie sich nicht mehr photographieren. Erst als ich schwanger war, dachte ich wieder an sie. Damals war sie schon viele Jahre tot. Ich schob meinen Bauch durch Supermärkte und verlangte nach Sulz, hausgemachtem Sulz. Ich wachte mit dem Geruch von Surbraten in Nase auf, ich konnte ihren herb-süßen gallertigen Schokoladenpudding zwischen Zunge und Gaumen schmecken.”

 

 
Waltraud Anna Mitgutsch (Linz, 2 oktober 1948)

 

De Britse (reis)schrijfster en historica Jan Morris werd als James Humphrey Morris geboren op 2 oktober 1926 in Clevedon, Somerset. Zie ook alle tags voor Jan Morris op dit blog.

Uit: A Writer’s House in Wales

“In 1981 the titular Prince of Wales, who has almost nothing to do with the country, and
possesses no house in Wales, was married amidst worldwide sycophancy to the future Princess Diana, at Westminster Abbey in London. It was to be a vast display of traditional ostentation, with horses, trumpets, coped ecclesiastics, armed guards, royal standards and all the paraphernalia of consequence, the whole to be transmitted by television throughout the world. I thought it exceedingly vulgar (besides being romantically unconvincing), and with a small band of like-minded patriots decided to celebrate instead an anniversary of our own that fell on the same day.
Exactly 900 years before, the Welsh princes Trahaearn ap Caradog and Rhys ap Tewdwr had fought a battle on a mountain called Mynydd Carn, and that’s what we chose to commemorate — an obscure substitute perhaps for a televised royal wedding at Westminster, but at least an occasion of our own. We stumbled up that very mountain in a persistent drizzle, and while the entire universe gaped at the splendors in the abbey far away, we huddled there in our raincoats congratulating ourselves upon celebrating a private passion rather than a public exhibition.
Actually national ostentation seems to be gradually going out of fashion even in England. Just as the tanks no longer roll through Red Square on May Day, so formality is fading in royal palaces, even in the most traditionally decorous of them all. I was at a Buckingham Palace reception recently, and when I left I could find no queen, prince or duke to thank for the royal hospitality. I told the policeman at the gate that I had been brought up to say “thank you for having me,” but finding nobody inside the house to say it to, would say it to him instead. “Not at all, madam,” he at once replied, “come again.” Yet if the style of the English monarchy is relaxing, the English nation can neuer be unpretentious. It is too far gone for that. Simplicity is the prerogative of smaller States, and in particular of the minority nations, like Wales, which are not States at all—by the nature of things, grandeur is seldom their style. Patriotism, on the other hand, rides high among them. I dislike the word “nationalist,” which seems to imply chauvinism or aggressive traits, but I respect honest patriotism everywhere, and I have come to think of myself as a minority patriot, a cultural patriot perhaps—one who believes that the characteristics of a people, however insignificant, a language, a tradition, an ideal, are worth preserving for their own sakes.”

 

 
Jan Morris (Clevedon, 2 oktober 1926)
Cover

Dolce far niente, Paul Laurence Dunbar, Khalid Boudou, P. N. van Eyck, Michael Bijnens, Titus Meyer, Stephan Reich

Dolce far niente

 


October Morning Deerfield door Willard Leroy Metcalf, 1917

 

October

October is the treasurer of the year,
And all the months pay bounty to her store;
The fields and orchards still their tribute bear,
And fill her brimming coffers more and more.
But she, with youthful lavishness,
Spends all her wealth in gaudy dress,
And decks herself in garments bold
Of scarlet, purple, red, and gold.

She heedeth not how swift the hours fly,
But smiles and sings her happy life along;
She only sees above a shining sky;
She only hears the breezes’ voice in song.
Her garments trail the woodlands through,
And gather pearls of early dew
That sparkle, till the roguish Sun
Creeps up and steals them every one.

But what cares she that jewels should be lost,
When all of Nature’s bounteous wealth is hers?
Though princely fortunes may have been their cost,
Not one regret her calm demeanor stirs.
Whole-hearted, happy, careless, free,
She lives her life out joyously,
Nor cares when Frost stalks o’er her way
And turns her auburn locks to gray.

 


Paul Laurence Dunbar (27 juni 1872 – 9 februari 1906)
Dayton, Ohio, de geboorteplaats van Paul Laurence Dunbar

 

De Nederlands – Marokkaanse schrijver Khalid Boudou werd geboren in Tamsamane, Marokko op 1 oktober 1974. Zie ook alle tags voor Khalid Boudou op dit blog.

Uit: De kleine heerser

“Terug naar Malinka. Malinka had veel problemen. Malinka voedde ik zoals ik al mijn onderdanen had gevoed en ik lokte haar naar mijn huis. Ik zei dingen tegen haar die bij haar vielen zoals een glanssham-pooreclame valt bij iemand met droog en futloos haar.
‘Mijn god, je bent toch geen loverboy?’ vroeg ze met een hand op haar mond.
‘Wat denk je zelf,’ zei ik.
Al snel kreeg ik wat ik verdiende: een koninklijke rondleiding in de krochten van haar ziel.
‘Ik… ik loop bij een gebedsgenezer,’ zei ze en braakte al haar zielenroerselen uit. ‘Morgen ga ik weer. Misschien heb je zin om mee te gaan, Iljas?’
‘Waarom ook niet,’ zei ik. En ik liep mee. Een beetje uit medelijden, maar meer om het stukslaan van de tijd. Ook al had ik toen inmiddels zo’n zeven bewoners, ik had een teveel aan tijd, veel te veel tijd, wat natuurlijk betekende dat ik te weinig onderdanen had, en zeg nou eerlijk, is het niet zo dat slachtoffers je leiden naar andere slachtoffers.
Ik liep dus mee met Malinka, en belandde uiteindelijk in een bedompt kamertje in Utrecht Zuilen. De muren waren er bedekt met bloemetjesbehang vol zwarte vlekken, en er hing een penetrante lucht, die iets weg had van een mix van oude bloemkool en wierook.
Nu heb ik in het algemeen sowieso weinig appreciatie voor gebedsgenezers, maar erger was dat Malinka zich op een zodanige manier overgaf aan deze charlatan, gekleed in een afgrijselijk blauw zijden overhemd dat hem veel te groot was, dat ik een zware concurrentie voelde. Vergeef me, maar mij werd het kwaadaardige idee ingegeven deze genezer, die luisterde naar de naam Mawschinski, te wurgen. Maar, zo bedacht ik na een rondje wandelen in de avondkoelte met een sigaretje, terwijl de twee binnen verder hun consult tot een goed einde probeerden te brengen, het was beter hem te winnen voor mijn huis. De genezer was pafferig, kaal en beschikte over dikke doorgeaderde wallen, die als rotte pruimen onder zijn ogen hingen. Allemaal tekenen kortom, die duidden op een kwakkelende geest. Geen geduchte tegenstander dus. En ook hij was toe aan warmte en liefde.
Ik zag hoe machteloos Malinka voor zijn voeten neerviel en met haar handen wapperde als een nicht die een modeshow bespreekt. Vervolgens begon ze te schreeuwen: ‘Laat mich loos! Laat mich frei!!’ als een Duits sprekend kind in de handen van een Belgische pedofiel.
Mawschinski stopte peperkorrels in haar hand en riep: ‘Snel! Snel! Nu moeten we bidden. Nu moeten we echt bidden!!!’


Khalid Boudou (Tamsamane, 1 oktober 1974)

 

De Nederlandse dichter criticus, essayist en letterkundige Pieter Nicolaas van Eyck werd geboren op 1 oktober 1887 in Breukelen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor P. N. van Eyck op dit blog.

Herfstmiddag

I
Mijn ziel is als een zwijgend woord,
Dat zwaar gaat van bedroefd geheim,
Zij heeft vandaag Uw ziel gehoord
En vond in U haar eeuwig rijm.

Niet dat ge U zelf hebt uitgezegd,
Wij zaten saam, maar spraken niet:
De middag had zich stil gelegd
Rondom ons mijmerend verdriet.

Wij zaten aan ’t verneveld strand
In ’t langzaam ebbend zeegeluid,
Gij zondt maar somtijds naar mijn kant
De boden Uwer oogen uit.

O kind, zij zeiden al genoeg
Van wat Uw peinzen heeft doorwoeld:
Reeds zonder dat mijn mond U vroeg,
Had ik uit hen Uw leed gevoeld.

Maar toen gij, roerloos zittend, zaagt
Naar ’t grijzen van den horizon,
En toen gij zwijgend nederlaagt
Waar U mijn blik niet roeren kon,

Heb ik geluisterd naar den zang
Van stervensdroef geluk-gemis,
Dat aan Uw ziel, voor woorden bang,
Tot God in stilte ontrezen is.

Gij zongt…, de dag bleef aarzel-stil
Nog mèt mij luistren, vóór hij ging,
Toen werd de late herfstlucht kil,
Toen doofde Uw woordeloos gezing.

En langs den bruinen waterzoom
Gingt gij met mij dan onvereend, –
Maar in mij heeft Uw stille droom
Met àl zijn droefheid nageweend.

Ik zal hem, kind, diep in mijn hart
Bewaren als mijn duurste schat, –
Wat bleef mij van mijn eigen smart
Wanneer ik zijn verdriet vergat?

Mijn ziel is als een zwijgend woord,
Dat zwaar gaat van bedroefd geheim, –
Zij heeft vandaag misschien gehoord
Naar ’t roepen van haar eeuwig rijm.

 

Een donker huis

Een donker huis
In donkre tuin:
Gemurmel van water en ijl geruisch
Van kruin tot kruin.

Boven de deur
Eén venster licht:
Stilte van sterren en bloesemgeur, –
De deur blijft dicht.

Of niemand kwam?
O lange wacht
Bij de roerlooze droom van die bleeke vlam!
Rondom de nacht…

Vreemd huis dat geen
Zijn deur ontsluit:
Voor de zwerver, weg in de nacht, alléén
Die helle ruit.

 
P. N. van Eyck (1 oktober 1887 – 10 april 1954)
In 1914

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Vlaamse schrijver Michael Bijnens werd geboren in 1990 in Genk. Zie ook alle tags voor Michael Bijnens op dit blog.

Uit: Cinderella

‘Ik moet nu godverdomme, nu onmiddellijk vuur hebben!’
En als om haar zenuwen te ontwijken liep ik het tuinhuis in om naar een oude aansteker te zoeken. Natuurlijk had ik op voorhand kunnen weten dat in dat tuinhuis geen aanstekers lagen, maar laten we het erop houden dat ik nooit echt thuis was in de praktische wereld. Zeker in panieksituaties als deze. Al was in het bijzijn van mijn moeder zo goed als alles reden tot stress en paniek. Of het nu ging om een aansteker, het eten van diezelfde avond of een paar honderd euro, het minste gebrek, de geringste behoefte die niet direct ingewilligd kon worden, bestendigde de crisis waarin zij leefde. Haar hele bestaan was een noodsituatie. Elke slok lucht die zij terug uit haar lijf wist te persen was een alarmsignaal.
Gelukkig had ik de stress ondertussen leren verdragen.
Zij had de adrenaline nodig om op haar poten te blijven staan. Was zij niet overspannen, dan viel zij flauw of bloedde zij leeg gelijk een inwendig orgaan na een schotwond.
Na enige tijd had ik zelf opnieuw een sigaret nodig. Ik kroop uit het tuinhuis en liep terug naar het kapblok. Zij stond blijkbaar gewoon weer te roken en terwijl ik haar aankeek, bedacht ik hoe dat roken in de grond een soort rituele kracht leek te bezitten. Het deed haar een paar seconden ontsnappen aan de gang der zaken, het onophoudelijke geraas van de loop der dingen die mislopen, het maakte haar voor even los van de lucht die haar omgaf en omsloot.
‘Gevonden?’ vroeg ik.
‘Er zat nog een allumeur in dat pak. Gij hebt dat gewoon niet gezien.’
Ik stak zelf ook een sigaret op.
‘Ik ben blij,’ zei ze. Met de uitgeblazen rook ging het ventiel van haar gemoed eindelijk weer open en volgde verzuchting. Ik haalde adem en voelde mijn spieren langzaam ontspannen en zweeg. Ook door mijn aderen begon voorzichtig verheugenis te stromen. Het was een belangrijke dag. Zo’n dag waarop een deel van uw leven in gang schiet waarvan gij later durft te beweren dat het een nieuw begin was geweest.”

 
Michael Bijnens (Genk, 1990) 

 

De Duitse dichter Titus Meyer werd geboren in 1986 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Titus Meyer op dit blog.

Ernste Sterne

Tagsüber: geraubtes
Hiersein. Hinreise
lediger Glieder.

Abgeriegelte Lagergebiete.
Fernste Fenster.

Nachtsüber berauschten
ernste Sterne,
Ebenbild bleibend,
deine Ideen.

 

Hüte dich vor dem Lieht, das den Raum hohler macht

Ach du, daheim schlummert hold die verrohte Nacht.
Schimmert ihr Dach, haucht der Sollmond heute: Ade.
Da träum ich mehr vom Tod, ich Hiund, rede hell, sacht.
Und mild. Ach! Oh, alles dreht, atmet mich (vonher dich?)

Hautnah dreh` Daliche ich, doch leide verarmt, stumm.
Der Viiithdämon lauert dicht, lacht sehr hoch, dumm.
Oh ich schaudere. Da droht hell vermummt die Nacht:
Hallo, hüte dich vor dem Thaum, der dich sehen macht!


Titus Meyer (Berlijn, 1986)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Stephan Reich werd geboren in 1984 in Kassel.Zie ook alle tags voor Stephan Reich op dit blog.

aokigahara

hängen körper
zwischen den bäumen
wie tageslicht

kaum zu sehen
an den stämmen, ästen, objects
which some may find
disturbing

schlagen die glocken immer
fünfvorzwölf, fleisch auf holz, your life
is a precious gift
from your parents

& im windspiel verwesen
die töne der handys, die blumenbouquets, please
reconsider

reißleinen, taue zu den wegen, zu schlaufen gebundene
traumfänger, mobilés, der widerhall
der spechte, tanzschritte
auf einer bühne aus luft, please,
we still need

to see each others faces


Stephan Reich (Kassel, 1984)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e oktober ook mijn blog van 1 oktober 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Truman Capote, Hendrik Marsman, Willem G. van Maanen, Wilfried de Jong, Elie Wiesel, Henk Spaan

De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook alle tags voor Truman Capote op dit blog.

Uit: Parting Of The Way (The Early Stories of Truman Capote)

“Yes, it does, I’ve got it all figured out. The train fare will cost me five bucks, and I want to get a new suit for about three bucks, then I want to git Ma somethin’ pretty for about a dollar or so; and I figure my food will cost a buck. I want to git lookin’ decent. Ma an’ them don’t know I been bummin’ around the country for the last two years; they think I’m a traveling salesman — that’s what I wrote them; they think I’m just coming home now to stay a while afore I start out on a little trip somewhere.”
“I ought to take that money off you — I’m mighty hungry — I might take that piece of change.”
Tim stood up, defiant. His weak, frail body was a joke compared to the bulging muscles of Jake. Jake looked at him and laughed. He leaned back against a tree and roared.
“Ain’t you a pretty somethin’? I’d jes’ twist that mess of bones you call yourself. Jes’ break every bone in your body, only you been pretty good for me — stealin’ stuff for me an’ the likes of that — so I’ll let you keep your pin money.” He laughed again. Tim looked at him suspiciously and sat back down on a rock.
Jake took two tin plates from a sack, put three strips of the rancid bacon on his plate and one on Tim’s. Tim looked at him.
“Where is my other piece? There were four strips. You’re supposed to get two an’ me two. Where is my other piece?” he demanded.
Jake looked at him. “I thought you said that you didn’t want any of this rancid meat.” Putting his hands on his hips he said the last eight words in a high, sarcastic, feminine voice.
Tim remembered, he had said that, but he was hungry, hungry and cold.
“I don’t care. I want my other piece. I’m hungry. I could eat just about anything. Come on, Jake, gimme my other piece.”
Jake laughed and stuck all the three pieces in his mouth.
Not another word was spoken. Tim went sulkily over in a corner, and, reaching out from where he was sitting, he gathered pine twigs, neatly laying them along the ground. Finally, when this job was finished, he could stand the strained silence no longer.”

 
Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist. Zie ook alle tags voor Hendrik Marsman op dit blog.

Dies irae

Neergedwongen in de lage zeden
van een sombren godvergeten tijd
gaan wij schichtig om tussen de beesten
dien wij langzaam zijn ten prooi bereid.

Zie, ons leven in de zwarte kuilen
onder roet en regen van den nacht,
is nog slechts de echo van hun huilen
dat het uur van zijn voldoening wacht.

Éne horde, schijnbaar in twee kampen,
opgejaagd en weer belust op bloed,
hunkrend naar de pijn van sterke rampen,
en het leven van den geest verbloedt.

O, de woede, machtloos tot de tanden
bloot te staan aan dit grauw vagevuur!
Wanneer zal dit Babel dan verbranden
van de schachten tot het zwart azuur?

Wanneer zal de horizon weer lichten
met dien smallen gloorstreep onzer hoop?
Zij behoeft geen grootse vergezichten
om zich op te richten uit den dood;

laat één ster, een onaanzienlijk teken
flonkren boven de rampzaligheid
en opnieuw geloven wij in streken
voorbij ’t moeras van dezen lagen tijd.

 

De bruid

Ik dacht dat ik geboren was voor verdriet

en nu ben ik opeens een lied
aan ’t worden, fluisterend door het ijle morgenriet.
Nu smelt ik weg en voel mij openstromen
naar alle verten van den horizon,
maar ik weet niet
meer waar mijn loop begon.

De schaduwen van blinkend witte wolken
bespelen mij en overzeilen mij;
en scholen zilvren vissen bevolken
mijne diepte en bliksemend voel ik ze mij
doorschichten en mijne wateren alom doorkruisen
en in mijn lissen vluchten

zij zijn mijn kind’ren en mijn liefste dromen

ik ben nu volgegoten met geluk.
De tranen die ik schreide en de zuchten
zie ik vervluchtigen tot regenbogen
die van mijn ogen springen naar de zon.

Waar zijn de bergen van den horizon?

Ik zie ze niet

 

 
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
Cover van een bundel met Engelse vertalingen uit 2015

 

De Nederlandse schrijver Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. Zie ook alle tags voor Willem G. van Maanen op dit blog.

Uit: Heb lief en zie niet om

“Buiten nam het geweld van de oorlog toe, ik verliet het bed waarin Sarah zich van me had afgewend en liep naar de voorkamer. In een portiek aan de overkant hadden zich twee soldaten van eigen bodem verscholen, het geweer op mijn voordeur gericht. Ze zagen er zo manhaftig uit dat ik niet twijfelde aan de executie van wie mijn huis door die deur zou verlaten. Ik zegende de herroeping van mijn besluit Sarah de verlangde vrijheid te geven. Mijn buurjongen stormde naar buiten, danste voor de soldaten heen en weer om zichzelf en hen te vermaken. Ze volstonden ermee met hun wapen te zwaaien, het maakte niet de vereiste indruk, hij lijfde hen in als deelnemers aan zijn spel. Ik opende het raam op een kier en hoorde hem roepen dat hij niet naar school hoefde omdat het oorlog was en de meester al doodgeschoten. Die kleine domme Sally, voor mijn ogen besloot hij zijn dans en zijn nauwelijks begonnen leven, en op een haar na het mijne. In zijn overmoed greep hij het geweer van een van de soldaten, het schot ging af, de kogel sloeg rakelings langs mijn hoofd door het raam, de andere held, gehoorzamend aan een bevel uit het onbewuste, een voorwaardelijke reflex, leegde een seconde later ook zijn wapen en maakte zijn eerste dode. Ik schreeuwde iets, ijlde de trap af, vloog tussen de met stomheid geslagen menigte naar de plek van het drama, die de daders met achterlating van hun slachtoffer waren ontvlucht. Was hij, stervend, op eigen kracht naar de portiek gekropen of hadden ze hem er nog heen gesleept? Bloed welde uit zijn keel, zijn ogen braken toen ik me over hem heenboog en hem opnam, ik kon geen woord uitbrengen toen ik hem in het buurhuis aan Judith, zijn moeder, overhandigde, en toneel was het niet. Ik wist nooit meer het beeld te zullen kwijtraken van de vrouw die mij aankeek alsof ik de moordenaar was, zwijgend haar kind aannam en haar lippen op zijn bebloede keel drukte, en dat ik nooit meer het geluid zou vergeten van haar kreet toen ze de deur met haar voet had dichtgetrapt en het huis was binnengegaan, een langgerekte, huiveringwekkende klacht die niet uit een menselijke mond kon zijn gekomen, maar rechtstreeks opsteeg uit het dodenrijk.”
Terug in eigen huis merkte ik, voelde ik, dat Sarah was verdwenen. Het bed was leeg, in de openstaande kast miste ik haar koffertje, vluchtkoffertje zoals ze het noemde, op welk noodlot ook voorbereid. Over de inhoud deed ze niet geheimzinnig: haar dierbaarste sieraden, wat kleren en ondergoed, en het manuscript van de vertaling waaraan ze werkte, de nieuwste roman van Hermann Kesten, Die Kinder von Gernika. Ik vond geen afscheidsbrief, ze was in stilte vertrokken, gebruikmakend van de verwarring op straat, of ontsnapt door de achtertuin, een huzarenstukje omdat er geen uitgang was en ze over een schutting met prikkeldraad had moeten klimmen. Nu ja, de liefde geeft vleugels.”

 


Willem G. van Maanen (30 september 1920 – 17 augustus 2012)

 

De Nederlandse theatermaker, tv-presentator, acteur en schrijver Wilfried de Jong werd geboren in Rotterdam op 30 september 1957. Zie ook alle tags voor Wilfried de Jong op dit blog.

Uit: Kop in de wind

“Als ik omkeerde en afdaalde naar mijn hotel, zou ik anderhalf uur later onder de douche staan en zat ik voor het diner nog met een biertje op het terras. Maar goed, ik had mezelf vandaag een doel gesteld: de top bereiken van l’Homme Mort. Ik liep om het huis heen en zocht naar een tappunt voor wa-ter. De azuurblauwe luiken voor de ramen waren dicht Tegen de buitenmuur stonden keurig bijgehouden bakken met bloeiende tijm en lavendeL Nergens een kraan. Ik deed mijn helm af en hing hem aan het stuur. Voor de deur hingen plastic slierten die moesten verhinderen dat er ongedierte naar binnen vloog. Langzaam duwde ik met mijn hoofd de slierten opzij. bonjour?’ Mijn ogen moesten wennen aan het donker. Het rook weeïg. Naar vochtig beddengoed. Ik deed een paar passen naar binnen. Het huis bestond uit één ruimte. In de hoek stond een eenpersoonsbed met een rom-melig laken erop. In het midden van de ruimte zag ik een ronde metalen terrastafel, met twee plastic stoelen. Tegen een muur was een formica keukenblok geplaatst. Met een kraan, gelukkig. Ik ontwaarde steeds meer details. Aan de linkermuur hing een oude schoolkaart van Frankrijk. Met potlood waren er rou-tes op getekend. Naast de kaart hingen eenvoudige schilderijen van bergtoppen, soms bedolven onder een laag sneeuw, soms in de zon. De muur achter het bed was van boven tot onder gevuld met foto’s van wielrenners. Terwijl mijn knieën op het matras steun-den, keek ik wie het waren. De foto’s waren haastig geknipt en gescheurd uit tijdschriften. Ik herkende het logo van Paris Match. Op de frames van de fietsen en de bezwete gezichten zag je de reflectie van de zon. Het blauw van de luchten was het blauw uit mijn jeugd: helder, stralend. De wand was een ode aan beroemde klimmers. Ik herkende de koppen op de meeste foto’s: Bahamontes, Indurain, Bartab, Pingeon, Hinault, Simpson, Coppi, Zoetemelk, Pantani, Arm-strong, Fuente, Heerera.”

 

 
Wilfried de Jong (Rotterdam, 30 september 1957)

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Elie Wiesel werd geboren op 30 september 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië. Zie ook alle tags voor Elie Wiesel op dit blog.

Uit: Night

“That is why everywhere in Russia, in the Ukraine, and in Lithuania, the Einsatzgruppen carried out the Final Solution by turning their machine guns on more than a million Jews, men, women, and children, and throwing them into huge mass graves, dug just moments before by the victims themselves. Special units would then disinter the corpses and burn them. Thus, for the first time in history, Jews were not only killed twice but denied burial in a cemetery.
It is obvious that the war which Hitler and his accomplices waged was a war not only against Jewish men, women, and children, but also against Jewish religion, Jewish culture, Jewish tradition, therefore Jewish memory.
CONVINCED THAT THIS PERIOD in history would be judged one day, I knew that I must bear witness. I also knew that, while I had many things to say, I did not have the words to say them.
Painfully aware of my limitations, I watched helplessly as language became an obstacle. It became clear that it would be necessary to invent a new language. But how was one to rehabilitate and transform words betrayed and perverted by the enemy?
Hunger—thirst—fear—transport—selection—fire—chimney: these words all have intrinsic meaning, but in those times, they meant something else. Writing in my mother tongue — at that point close to extinction — I would pause at every sentence, and start over and over again. I would conjure up other verbs, other images, other silent cries. It still was not right. But what exactly was “it”? “It” was something elusive, darkly shrouded for fear of being usurped, profaned. All the dictionary had to offer seemed meager, pale, lifeless. Was there a way to describe the last journey in sealed cattle cars, the last voyage toward the unknown? Or the discovery of a demented and glacial universe where to be inhuman was human, where disciplined, educated men in uniform came to kill, and innocent children and weary old men came to die? Or the countless separations on a single fiery night, the tearing apart of entire families, entire communities? Or, incredibly, the vanishing of a beautiful, well-behaved little Jewish girl with golden hair and a sad smile, murdered with her mother the very night of their arrival?
How was one to speak of them without trembling and a heart broken for all eternity?”

 

 
Elie Wiesel (30 september 1928 – 2 juli 2016)

 

De Nederlandse (gelegenheids-)dichter, schrijver, (sport)journalist, televisiepresentator en columnist Henk Spaan werd geboren in Heerhugowaard op 30 september 1948. Zie ook alle tags voor Henk Spaan op dit blog.

Uit: Alle dagen voetbal

“Iedereen weet alles van iedereen, het maakt niet uit op welke school ze zitten in het centrum van Amsterdam. Het moet tegelijkertijd geborgenheid bieden en benauwend zijn. Sophie zegt al heel lang dat ze vast en zeker in het buitenland gaat studeren. Dat is altijd een abstractie geweest, maar komt nu met het korter worden van de dagen steeds dichterbij. Behalve met de speeltijd bemoeien Pelle en ik ons drastisch met de tactiek. Het ouderwetse 4-3-3 zetten we om in 4-4-2, met onze beste speelster Maud ‘op tien’. Het werkt. Na rust krijgen we nog maar één goal tegen. Julia mist twee grote kansen. Door het vlaggen verlies ik liters zweet. Het wordt allengs stiller op het sportpark. Alle andere velden zijn al leeg. Boven het dak van het VU-ziekenhuis zakt de zon steeds verder, in tegenstelling tot de ene na de andere traumahelikopter die nijdig zoemend opstijgt, op zoek naar slachtoffers. Wander fluit op tijd af Ik bedank hem expliciet voor zijn komst. Eerder die dag was hij op de begrafenis van Ewouds 27-jarige broer, een manisch-depressieve jongen die zelfmoord heeft gepleegd.

17 september

Ik zie Arsenal in Manchester met 0-1 winnen van United en stuur een felicitatiemailtje naar Arsenal-fanaat Nick Hornby. Hij mailt terug dat telkens wanneer hij zijn vertrouwen in Wenger, Arsenals coach, dreigt te verliezen, deze er snel voor zorgt dat hij zich erg dom voelt. Arsenal speelde goed. Fábregas is met zijn achttien jaar veel beter dan Scholes die over de dertig en fysiek op zijn retour is.
’s Avonds zit ik tijdens een diner naast Henna Draaibaar, de correspondente van de NOS in Suriname. Ik vraag hoe het ervoor staat met het door Clarence Seedorf gebouwde stadion. `Er komt nooit iemand. Het ligt te ver buiten Paramaribo. Ik heb de vader van Clarence daar al twee jaar niet gezien. Kennelijk is de aandacht voor het speeltje alweer verflauwd,’ zegt ze. `Clarence maakte vandaag wel een mooi doelpunt tegen Parma, uit een vrije trap!’ zeg ik.”

 

 
Henk Spaan (Heerhugowaard, 30 september 1948)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Roemi, Zhang Ailing, Edzard Schaper, Hermann Sudermann, Ferdinand von Saar, Jurek Becker

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook alle tags voor Roemi op dit blog.

 

Uit: Masnavi VI

Zoek God in verootmoediging en zelfuitdoving,
want het denken brengt niets dan vormen voort.
En als je nergens troost vindt dan in vorm,
is de vorm die onwillekeurig bij je opkomt de beste.

Stel, het betreft een stad waarheen je je begeeft,
je wordt er in je afhankelijkheid naar toegetrokken
door een vormloos gevoel van verwachting.

Je begeeft je dus eigenlijk naar iets wat geen plaats heeft,
want je ergens op verheugen is iets anders dan tijd en plaats.

Stel, het betreft een vriend naar wie je toe gaat,
je gaat niet naar hem toe om zijn uiterlijke vorm,
maar om van zijn gezelschap te genieten.

Je begeeft je dus,
hoewel je je er niet van bewust bent
dat dit het doel is van je reis,
eigenlijk naar de vormloze wereld.

God wordt dus in werkelijkheid door allen aanbeden,
want bij reizen gaat het altijd om het plezier,
en daarvan is Hij de bron.

 


Roemi (30 september 1207 – 17 december 1273)

 

De Chinese schrijfster en scenariste Zhang Ailing (ook wel Eileen Chang) werd geboren op 30 september 1920 in Shanghai. Zie ook alle tags voor Zhang Ailing op dit blog.

Uit: Lust, Caution

“Though it was still daylight, the hot lamp was shining full-beam over the mahjong table. Diamond rings flashed under its glare as their wearers clacked and reshuffled their tiles. The tablecloth, tied down over the table legs, stretched out into a sleek plain of blinding white. The harsh artificial light silhouetted to full advantage the generous curve of Chia-chih’s bosom, and laid bare the elegant lines of her hexagonal face, its beauty somehow accentuated by the imperfectly narrow forehead, by the careless, framing wisps of hair. Her makeup was understated, except for the glossily rouged arcs of her lips. Her hair she had pinned nonchalantly back from her face, then allowed to hang down to her shoulders. Her sleeveless cheongsam of electric blue moire satin reached to the knees, its shallow, rounded collar standing only half an inch tall, in the Western style. A brooch fixed to the collar matched her diamond-studded sapphire button earrings.The two ladies–tai-tais–immediately to her left and right were both wearing black wool capes, each held fast at the neck by a heavy double gold chain that snaked out from beneath the cloak’s turned-down collar. Isolated from the rest of the world by Japanese occupation, Shanghai had elaborated a few native fashions. Thanks to the extravagantly inflated price of gold in the occupied territories, gold chains as thick as these were now fabulously expensive. But somehow, functionally worn in place of a collar button, they managed to avoid the taint of vulgar ostentation, thereby offering their owners the perfect pretext for parading their wealth on excursions about the city. For these excellent reasons, the cape and gold chain had become the favored uniform of the wives of officials serving in Wang Ching-wei’s puppet government. Or perhaps they were following the lead of Chungking, the Chinese Nationalist regime’s wartime capital, where black cloaks were very much in vogue among the elegant ladies of the political glitterati.Yee Tai-tai was chez elle, so she had dispensed with her own cape; but even without it, her figure still seemed to bell outward from her neck, with all the weight the years had put on her. She’d met Chia-chih two years earlier in Hong Kong, after she and her husband had left Chungking–and the Nationalist government–together with Wang Ching-wei.”

 

 
Zhang Ailing (30 september 1920 – 8 september 1995)
Cover

 

De Duitse schrijver en vertaler Edzard Schaper werd geboren 30 september 1908 in Ostrowo in de provincie Posen. Zie ook alle tags voor Edzard Schaper op dit blog.

Uit: Die Legende vom vierten König

“Als das Jesuskind in Bethlehem geboren werden sollte, erschien der Stern, der seine Geburt anzeigte, nicht nur den weisen Königen im Morgenlande, sondern auch einem König im weiten Rußland. Es war kein großer, mächtiger Herr oder besonders reich oder ausnehmend klug und den Künsten der Magie ergeben. Er war ein kleiner König mit rechtschaffenem Sinn und einem guten, kindlichen Herzen, menschenfreundlich, sehr gutmütig, gesellig und einem Spaß durchaus nicht abgeneigt. Daß einmal ein Stern am Himmel erscheinen und die Herabkunft des Allherrschers über das ganze Erdreich ankündigen würde, und daß der Königssproß, der dann in Rußland herrschte, aufbrechen und dem größeren Herrn als Gefolgsmann huldigen müßte, das wußte unser kleiner König von allen seinen Vätern und Vorvätern her. Die hatten diese Verheißung durch viele Geschlechter bewahrt und jedem ihrer Nachfolger weitergegeben. Er hatte eine Riesenfreude, der kleine König in Rußland, daß der Stern, der das größte Ereignis der Welt ankündigte, gerade zu der Zeit am Himmel erschien, in der er, noch jung an Jahren, am Regieren war, und beschloß, sogleich aufzubrechen. Großes Gefolge wollte er nicht mitnehmen, das lag ihm nicht, und nicht einmal einen von seinen treuesten Knechten, denn es war nichts darüber bekannt, wo der größte Herrscher geboren werden und wie weit seine Reise ihn führen würde. Er wollte sich allein auf die Suche machen. Also ließ er sich sein Lieblingspferd Wanjka satteln – keinen Streithengst oder dergleichen, sondern nur so ein kleines, unverwüstliches russisches Pferdchen: zottig und mit einer Stirnlocke, daß die Augen kaum den Weg erkennen konnten, auf dem sein Herr es lenkte, aber ausdauernd und genügsam, wie man es für eine weite Reise braucht. Aber halt! dachte der kleine König, mit leeren Händen geht man nicht huldigen, zumal es nicht nur einem hohen, sondern dem höchsten Herrn gilt. Er überlegte lange, was er wohl mitnehmen könnte, daß seine Satteltaschen es noch zu fassen vermöchten, was die Güter und den Fleiß seines Landes ins rechte Licht setzen und, vor allem, für den zur Welt gekommenen höchsten Herrn eine geziemende Huldigungsgabe sein würde.”

 

 
Edzard Schaper (30 september 1908 – 29 januari 1984)

 

De Duitse schrijver Hermann Sudermann werd geboren op 30 september 1857 in Matz, Oost-Pruisen. Zie ook alle tags voor Hermann Sudermann op dit blog.

Uit: Frau Sorge

Frau Sorge, die graue, verschleierte Frau,
Herzliebe Eltern, Ihr kennt sie genau,
Sie ist ja heute vor dreißig Jahren
Mit Euch in die Fremde hinausgefahren,
Da der triefende Novembertag
Schweratmend auf nebliger Heide lag
Und der Wind in den Weidenzweigen
Euch pfiff den Hochzeitsreigen. –

Als Ihr nach langen, bangen Stunden
Im Litauerwalde ein Nest gefunden
Und zagend standet an öder Schwelle,
Da war auch Frau Sorge schon wieder zur Stelle
Und breitete segnend die Arme aus
Und segnete Euch und Euer Haus
Und segnete die, so in den Tiefen
Annoch den Schlaf des Nichtseins schliefen.

Es rann die Zeit. – Die morsche Wiege,
Die jetzt im Dunkel unter der Stiege
Sich freut der langverdienten Rast,
Sah viermal einen neuen Gast.
Dann, wenn die Abendglut verblichen,
Kam aus dem Winkel ein Schatten geschlichen
Und wuchs empor und wankte stumm
Erhobenen Arms um die Wiege herum.

Was Euch Frau Sorge da versprach,
Das Leben hat es allgemach
In Seufzen und Weinen, in Not und Plage,
Im Mühsal trüber Werkeltage,
Im Jammer manch’ durchwachter Nacht
Ach! so getreulich wahrgemacht.
Ihr wurdet derweilen alt und grau.

 

 
Hermann Sudermann (30 september 1857 – 21 november 1928)
Cover

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Zie ook alle tags voor ferdinand von Saar op dit blog.

Uit: Der Brauer von Habrovan

“Die Bevölkerung der Ortschaft, woselbst ich so manchen Sommer und Winter zugebracht, wurde eines Tages durch ein außerordentliches Ereignis in die größte Aufregung versetzt. Ein dort ansässiger Schuhmacher hatte sein junges Weib aus – wie es hieß – grundloser Eifersucht ermordet und sich dann, nachdem er eine Zeitlang in den nahen Wäldern umhergeirrt, dem Gerichte gestellt. Wie begreiflich, wurde für das entseelte Opfer allgemein Partei ergriffen. Namentlich die Frauen konnten kein Ende finden, den entmenschten Wüterich zu verdammen, den sie schon jetzt am Galgen baumeln sahen. Sie priesen laut die häuslichen Tugenden, durch die sich die Tote im Leben ausgezeichnet, und schwuren hoch und teuer, daß sie, wenn auch ein wenig gefallsüchtig, doch das treueste Weib gewesen, das jemals auf Erden gewandelt. Aber auch die Männer, die in dieser Hinsicht nur wenig Korpsgeist besitzen, zogen über den Übeltäter los. Sie nannten ihn einen elenden Säufer und hirnverbrannten Narren, seit jeher unwert des schönen Weibes, das er, der ruppige, pechgeschwärzte Kerl, besessen. Und schön war sie, die Schustersfrau, das konnte ich selbst bezeugen. Zwar ihr Gesicht verdiente diese Bezeichnung nicht eigentlich. Denn es war breit, stumpfnasig und überdies stark mit Sommersprossen behaftet. Aber lebhafte schwarze Augen, leicht gekraustes rotbraunes Haar und ein eigentümlich lachender Zug um den frischen Mund verliehen diesem Gesicht um so mehr Reiz, als auch die ganze Gestalt in ihrer biegsamen Schlankheit höchst anziehend war. Zumal in der heißen Jahreszeit, wo sie sich immer möglichst leicht bekleidet sehen ließ. Wenn sie so, außerdem noch hochgeschürzt, blink und blank bis über die Knöchel in dem seichten Wasser des an ihrem Hause vorüberfließenden Baches stand, Geschirr oder Wäsche reinigend, da konnte man nicht umhin, sie wohlgefällig zu betrachten. Sie wußte das auch und vollführte dann, durchaus nicht ohne Absicht, die anmutigsten Bewegungen, so daß mir jetzt die Eifersucht ihres Mannes keineswegs unbegreiflich erschien.
Mein nachbarlicher Freund, Doktor Hulesch, hatte die gerichtliche Obduktion vorzunehmen. Als ich mit ihm später darüber sprach, hob er die ganz besondere Grausamkeit hervor, mit der der Schuster den Mord vollbracht. Denn nach den ersten tödlichen Stößen, die er mit einer Ahle nach dem Herzen seines Weibes geführt, hatte er in unstillbarer Mordgier ringsumher weiter gestochen, und so habe sich fast die ganze Vorderseite der Leiche wie tätowiert ausgenommen.”

 

 
Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)
Cover

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in Łódź, in Polen. Zie ook alle tags voor Jurek Becker op dit blog.

Uit: Jakob der Lügner

“Ich höre schon alle sagen, ein Baum, was ist das schon, ein Stamm, Blätter, Wurzeln, Käferchen In der Rinde und eine manierlich ausgebildete Krone, wenn’s hochkommt, na und? Ich höre sie sagen, hast du nichts Besseres, woran du denken kannst, damit sich deine Blicke verklären wie die einer hungrigen Ziege, der man ein schönes fettes Grasbüschel zeigt? Oder meinst du vielleicht einen besonderen Baum, einen ganz bestimmten, der, was weiß ich, womöglich einer Schlacht seinen Namen gegeben hat, etwa der Schlacht an der Zirbelkiefer, meinst du so einen? Oder ist an ihm jemand Besonderer aufgehängt worden? Alles falsch, nicht mal aufgehängt? Na gut, es ist zwar ziemlich geistlos, aber wenn es dir solchen Spaß macht, spielen wir dieses alberne Spiel noch ein bißchen weiter, ganz wie du willst. Meinst du am Ende das leise Geräusch, das die Leute Rauschen nennen, wenn der Wind deinen Baum gefunden hat, wenn er sozusagen vom Blatt spielt? Oder die Anzahl an Nutzmetern Holz, die in so einem Stamm steckt? Oder du meinst den berühmten Schatten, den er wirft? Denn sobald von Schatten die Rede ist, denkt jeder seltsamerweise an Bäume, obgleich Häuser oder Hochöfen weit größere Schatten abgeben. Meinst du den Schatten? Alles falsch, sage ich dann, ihr könnt aufhören zu raten, ihr kommt doch nicht darauf. Ich meine nichts davon, wenn auch der Heizwert nicht zu verachten ist, ich meine ganz einfach einen Baum. Ich habe dafür meine Gründe. Erstens haben Bäume in meinem Leben eine gewisse Rolle gespielt, die möglicherweise von mir überbewertet wird, doch ich empfinde es so. Mit neun Jahren bin ich von einem Baum gefallen, einem Apfelbaum übrigens, und habe mir die linke Hand gebrochen. Alles ist einigermaßen wieder verheilt, doch gibt es ein paar diffizile Bewegungen, die ich seitdem mit den Fingern meiner linken Hand nicht mehr ausführen kann. Ich erwähne das deshalb, well es als beschlossene Sache gegolten hat, daß ich einmal Geiger werden sollte, aber das ist an und für sich ganz unwichtig. Meine Mutter wollte es zuerst, dann wollte es mein Vater auch, und zum Schluß haben wir es alle drei so gewollt. Also kein Geiger. Ein paar Jahre später, ich war wohl schon siebzehn, habe ich das erstemal in meinem Leben mit einem Mädchen gelegen, unter einem Baum.”

 

 
Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997)
Cover

A Shropshire Lad XLV (A. E. Housman)

 

Bij de 26e zondag door het jaar

 

 
Christus zegent de kinderen door Anthony Van Dyck, 1618-1620

 

A Shropshire Lad

XLV

If it chance your eye offend you,
Pluck it out, lad, and be sound:
‘Twill hurt, but here are salves to friend you,
And many a balsam grows on ground.

And if your hand or foot offend you,
Cut it off, lad, and be whole;
But play the man, stand up and end you,
When your sickness is your soul.

 

 
A. E. Housman (26 maart 1859 – 30 april 1936)
St. John the Baptist Church, Bromsgrove. A. E. Housman werd geboren in Bromsgrove (Fockbury)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e september ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

 

W. S. Merwin

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler William Stanley Merwin werd geboren in New York op 30 september 1927. Merwins vader was een presbyteriaanse predikant. Hij groeide op in Union City (New Jersey) en vanaf 1936 in Scranton (Pennsylvania). Na zijn afstuderen aan de Princeton-universiteit in 1952 maakte hij reizen door Frankrijk, Engeland en Spanje. Op Majorca leerde hij de schrijver Robert Graves kennen, aan wiens zoon hij les gaf. Graves riep het enthousiasme voor de Griekse en Romeinse mythologie in hem wakker. Hij trouwde met de vijftien jaar oudere Dido Milroy en het paar vestigde zich in Londen, waar hij met vertaalwerk de kost verdiende en zijn eerste dichtbundel schreef, die hem in 1952 de ‘Yale Series of Younger Poets Award’ opleverde. Zijn eerste bundels stonden nog sterk onder invloed van Robert Graves en Wallace Stevens, maar in de jaren zestig begon hij te experimenteren met de vorm, wat hij theoretisch onderbouwde met essays als “On Open Form”. Hij verwerkte ook thema’s uit zijn eigen leven, bijvoorbeeld in “The Drunk in the Furnace” (1960). Zijn autobiografie “The Miner’s Pale Children” verscheen in 1970. Voor “The Carrier of Ladders” kreeg hij in 1971 zijn eerste Pulitzerprijs. In deze jaren was de Vietnamoorlog een belangrijk thema in zijn werk. In 1968 keerde Merwin terug naar de VS, terwijl zijn vrouw in Europa achterbleef. Hij werd in 1972 opgenomen in de American Academy of Arts and Letters. In de latere decennia van zijn leven woonde hij op Hawaï. Hij scheidde van Dido Milroy en trouwde in 1983 met Paula Dunaway. De natuur werd nu het overheersende thema in zijn poëzie. In 1993 werd hij ook lid van de American Academy of Arts and Sciences. Na “Folding Cliffs: A Narrative” (1998) verschenen in 2006 verdere memoires onder de titel “Summer Doorways”. In 2009 kreeg hij zijn tweede Pulitzerprijs voor poëzie, voor “The Shadow of Sirius”. Sinds 2017 had hij de eretitel van 17e Poet Laureate van de Verenigde Staten.

My Friends

My friends without shields walk on the target

It is late the windows are breaking

My friends without shoes leave
What they love
Grief moves among them as a fire among
Its bells
My friends without clocks turn
On the dial they turn
They part

My friends with names like gloves set out
Bare handed as they have lived
And nobody knows them
It is they that lay the wreaths at the milestones it is their
Cups that are found at the wells
And are then chained up

My friends without feet sit by the wall
Nodding to the lame orchestra
Brotherhood it says on the decorations
My friend without eyes sits in the rain smiling
With a nest of salt in his hand

My friends without fathers or houses hear
Doors opening in the darkness
Whose halls announce

Behold the smoke has come home

My friends and I have in common
The present a wax bell in a wax belfry
This message telling of
Metals this
Hunger for the sake of hunger this owl in the heart
And these hands one
For asking one for applause

My friends with nothing leave it behind
In a box
My friends without keys go out from the jails it is night
They take the same road they miss
Each other they invent the same banner in the dark
They ask their way only of sentries too proud to breathe

At dawn the stars on their flag will vanish

The water will turn up their footprints and the day will rise
Like a monument to my
Friends the forgotten

 

It Is March

It is March and black dust falls out of the books
Soon I will be gone
The tall spirit who lodged here has
Left already
On the avenues the colorless thread lies under
Old prices

When you look back there is always the past
Even when it has vanished
But when you look forward
With your dirty knuckles and the wingless
Bird on your shoulder
What can you write

The bitterness is still rising in the old mines
The fist is coming out of the egg
The thermometers out of the mouths of the corpses

At a certain height
The tails of the kites for a moment are
Covered with footsteps

Whatever I have to do has not yet begun

 


W. S. Merwin (New York, 30 september 1927)

Pé Hawinkels, Ankie Peypers, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

 

Haydngedichten I
(Menuet uit de 94e Symfonie)

Hier dansen zij; misschien zijn het boeren
of matrones als kastelen. Ze glimlachen wellicht,
maar het is net zo goed mogelijk dat ze huilen,
of elkaar doodgemoedereerd vermoorden.
Wie zal dat uitmaken? Bij Bruegel kun je ze zien,
maar ik wed, dat, als je de pijn van honderd avonden doorstaat,
een rivier leegdrinkt en bergen als watjes in je oren steekt,
je ze dan ook zèlf kunt zien dansen,
alsof jouw leven op het spel staat,
en zonder stem kunt horen zingen… – was de dood maar zo!

 

Grijze mist en schaduwen van dingen

Grijze mist en schaduwen van dingen;
witte vuile druppels hingen
stil in de grauwe vieze lucht.
Over het trottoir, geel en vuil
van afgevallen bladeren,
kwam gewoon een meisje aangestapt
gewoontjes, bleek, haar jas was bruin.

Over de straat met bruine vegen
kwam, met een man erin, aangereden
een heel klein autootje van blik
door de miezerige regen.
Het meisje keek, en eventjes
werd haar bleek gezicht
door een lachje verlicht.
Zij was éen moment een engel
heel vertederd en heel teer.

De vent keek niet.
Toen lachte ze niet meer.
Grijze mist en schaduwen van dingen,
witte vuile droppels vielen
op de grijze vuile stenen neer.

 

schaatsen

we zien aan onze linkerhand
haasjes met wollige achterwerkjes rondwippen
en omdat het winter is het bos bestaan
uit vuilpoezen, bonestaken en bezemstelen
door de kleumende boodschap der twijgen vereend

de zon staat tranend in de nevel een opkomende
neiging tot niezen te dwingen
in represailles op de ijsvlakte te sublimeren

ik schop verongelijkte schoonheidskoninginnen
en eksters in hun paasbeste nozempakjes
het dorre knettergras in, waar vuilnis er voor uitkomt
en gescheurd nylon en sprokkelhout op hun beurt wachten
en in mijn lichaam zo zacht als een bokshandschoen
schaats ik als kwam ik voor de televisie

mijn gezonde vriendjes huldigen mijn sprongen
en ik word onwel als ik aan mogelijke beloningen denk
maar met de jaren wordt mijn honorarium
moeilijker denkbaar

 


Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

De Nederlandse dichteres Ankie Peypers werd geboren op 29 september 1928 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ankie Peypers op dit blog.

 

Verhaal

Ook was er een fontein. En zomerbloemen
verklapten toch elkaar, wie deze nacht
het voorrecht had, haar lieveling te noemen
en wie haar ’s morgens bloemen had gebracht.

Of de fontein verbood, dat zij zo praatten,
zij babbelden en lachten om zijn dreigen
want onderwereld noch verdelging baten
om bonte bloemenmonden te doen zwijgen.

Gepijnigd hoorde het fonteinbeeld aan
dat zij hem caro mio noemde en de lippen bood.
De bloemen zeiden: ‘Zie haar voeten gaan,’
en ‘zagen jullie hoe het kleed strak om haar heupen sloot?’

Toen voer een siddering door de draineringsbuizen.
De bloemen keken op naar de fontein.
Hij slingerde zijn stralen rond in machtig suizen
en had een man, een graaf, een koning kunnen zijn.

‘Sinds zij in mijn schoot hals en borsten waste,’
riep de fontein wijd over marmersteen
en bloemen uit, ‘sinds ik haar naakt verraste,
is zij van mij, la cara mia, en van mij alleen.’

De bloemen zwegen en de stilte beefde.
Toen lachte zacht een stem en in het licht der maan
zag men een schaduw en een beeld dat leefde,
de schone en haar vriend, een huis ingaan. –

Met al zijn kracht nam de fontein zich op en bracht
zichzelf ten hemel en ontdaan van eer en rust
vloog hij als een versteende reuzenvogel door de nacht.

Omstreeks de dageraad wierp hij zichzelf te pletter op de Franse kust.

 

Taal

Ik ken de woorden alleen van horen zeggen.
Zij zijn mij verwant als de neven in Finland
die brede schouders hebben, kalme ogen,
waarin geruisloos bomen groeien, sleden rijden.

Ik denk aan hen in brieven vol rivieren,
wit hout stroomafwaarts, vol van sneeuw en liefde.
Omdat zij eenzaam zijn en onbereikbaar
als woorden.

 

 
Ankie Peypers (29 september 1928 – 24 oktober 2008)

 

De Bulgaarse dichter en schrijver Hristo Smirnenski werd geboren op 29 september 1898 in Kilkis, Macedonië. Zie ook alle tags voor Hristo Smirnenski op dit blog.

Uit: Le conte de l’escalier

“— Qui es-tu ? lui demanda le Diable.
— Je suis un fils du peuple et tous les miséreux sont mes frères. Oh ! Comme ce monde est injuste et combien malheureux sont les hommes !
L’adolescent, le front haut, serrait les poings. Il se tenait devant l’escalier, un escalier très haut, en marbre blanc strié de rose. Son regard se perdait dans le lointain où déferlaient, comme les vagues troubles d’une rivière en crue, les foules grises de la misère.
Soudain elles s’agitèrent, bouillonnèrent, levant une forêt de bras décharnés et noirs. Un tonnerre d’indignation et des cris de fureur firent trembler l’air, puis l’écho s’éteint lentement, solennellement comme de lointains coups de canon.
Les foules grossissaient, avançaient dans des nuages de poussière jaune, des silhouettes isolées s’en détachaient. Un vieillard approchait, courbé en deux, le regard rivé au sol comme s’il cherchait sa jeunesse perdue. Pendue à ses basques, une fillette aux pieds nus regardait l’escalier de ses yeux humbles et doux, comme des bleuets. Elle regardait en souriant.
Ils étaient suivis par des figures sèches, grises, déguenillées qui chantaient en chœur un vieux refrain, comme un chant funèbre. Quelqu’un poussait un sifflement strident, un autre, les mains dans les poches, riait d’une voix forte, éraillée, ses yeux brûlaient d’un regard dément.
— Je suis un fils du peuple et tous les miséreux sont mes frères. Oh ! Comme ce monde est injuste et combien malheureux sont les hommes ! Eh ! vous, là-haut, vous…
Le jeune homme, le front levé, tenait ses poings serrés et menaçants.
— Vous haïssez ceux qui sont là-haut ? lui demanda le Diable, en se penchant d’un air perfide vers le jeune homme.
— Oh ! Je me vengerai de ces ducs et de ces princes. Mes frères ont le visage pâle comme les sables, leurs gémissements sont plus lugubres que le vent glacé de l’hiver ! Ils seront cruellement vengés ! Vois leur souffrance, écoute leur plainte ! Je les vengerai ! Laisse-moi passer !

 

 
Hristo Smirnenski (29 september 1898 – 18 juni 1923)
Kilkis

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Zie ook alle tags voor Eilzabeth Gaskel op dit blog.

Uit: Wives and Daughters

“It was before the passing of the Reform Bill, but a good deal of liberal talk took place occasionally between two or three of the more enlightened freeholders living in Hollingford; and there was a great Tory family in the county who, from time to time, came forward and contested the election with the rival Whig family of Cumnor. One would have thought that the above-mentioned liberal-talking inhabitants would have, at least, admitted the possibility of their voting for the Hely- Harrison, and thus trying to vindicate their independence But no such thing. ‘The earl’ was lord of the manor, and owner of much of the land on which Hollingford was built; he and his household were fed, and doctored, and, to a certain measure, clothed by the good people of the town; their fathers’ grandfathers had always voted for the eldest son of Cumnor Towers, and following in the ancestral track every man-jack in the place gave his vote to the liege lord, totally irrespective of such chimeras as political opinion.
This was no unusual instance of the influence of the great landowners over humbler neighbours in those days before railways, and it was well for a place where the powerful family, who thus overshadowed it, were of so respectable a character as the Cumnors. They expected to be submitted to, and obeyed; the simple worship of the townspeople was accepted by the earl and countess as a right; and they would have stood still in amazement, and with a horrid memory of the French sansculottes who were the bugbears of their youth, had any inhabitant of Hollingford ventured to set his will or opinions in opposition to those of the earl. But, yielded all that obeisance, they did a good deal for the town, and were generally condescending, and often thoughtful and kind in their treatment of their vassals. Lord Cumnor was a forbearing landlord; putting his steward a little on one side sometimes, and taking the reins into his own hands now and then, much to the annoyance of the agent, who was, in fact, too rich and independent to care greatly for preserving a post where his decisions might any day be overturned by my lord’s taking a fancy to go ‘pottering’ (as the agent irreverently expressed it in the sanctuary of his own home), which, being interpreted, meant that occasionally the earl asked his own questions of his own tenants, and used his own eyes and ears in the management of the smaller details of his property. But his tenants liked my lord all the better for this habit of his. Lord Cumnor had certainly a little time for gossip, which he contrived to combine with the failing of personal intervention between the old land-steward and the tenantry.”

 

 
Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)
Cover

 

De Spaanse dichter en filosoof Miguel de Unamuno y Jugo werd geboren op 29 september 1864 in Bilbao. Zie ook Miguel de Unamuno y Jugo op dit blog.

Uit: Nevel (Vertaald door Bart Peperkamp)

“En hij bleef staan bij de deur van een huis waar het knappe jonge meisje, dat hem als een magneet leek te hebben meegetrokken achter haar ogen aan, was binnengegaan. En toen gaf Augusto zich er rekenschap van dat hij achter haar aan was komen lopen. De portierster van het huis keek hem met schalkse oogjes aan en die blik bracht Augusto op het idee van wat hem vervolgens te doen stond. «Deze Cerbera, » zei hij bij zichzelf, «verwacht dat ik haar zal vragen naar de naam en de omstandigheden van deze juVrouw die ik heb lopen volgen, en dat is ongetwijfeld hetgeen me nu te doen staat. Iets anders zou betekenen dat ik mijn achtervolging zonder bekroning zou afsluiten, en dat moet niet,
een mens moet zijn werk afmaken. Ik heb een hekel aan dingen die onvolmaakt zijn!» Hij stak zijn hand in zijn zak en daarin vond hij alleen maar een munt van vijf peseta’s. Hij kon die nou bezwaarlijk gaan wisselen; daarmee zou hij tijd verliezen en zijn kans voorbij laten gaan. ‘Zegt u me eens, beste vrouw,’ vroeg hij de portierster om hulp zonder zijn duim en wijsvinger uit zijn zak te halen, ‘kunt u mij hier in vertrouwen en inter nos zeggen hoe deze juVrouw heet die zojuist is binnengekomen?’
‘Dat is helemaal geen geheim en er steekt ook geen kwaad in, mijnheer.’
‘Daarom juist.’
‘Nou, ze heet doña Eugenia Domingo del Arco.’
‘Domingo? Dat moet dan Dominga zijn…’
‘Nee, mijnheer, Domingo; Domingo is haar eerste achternaam, die van haar vader.’
‘Maar als het om een vrouw gaat, dan moet die achternaam toch veranderen in de vrouwelijke vorm, in Dominga. En als dat niet gebeurt, hoe zit het dan met de concordantie?’

 

 
Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)
Portret door Maurice Fromkes, 1925

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto

De Spaanse dichter en schrijver Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Zie ook alle tags voor Miguel de Cervantes op dit blog.

Uit: Don Quichot van La Mancha (Bewerkt door J.J.A. Goeverneur)

“Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft, in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder werd voorgezet.
Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte, terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte.
De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten visch in niet geringe mate was toegenomen?—De dikke waard wist raad daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening, dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered.
Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend, dat de stokvisch forellen en ’t beschimmelde brood pasteitjes waren, en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna ’t eenige, dat hem kwelde”

 

 
Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)
Ramses Shaffy speelde Don Quichot in de musical De Man van la Mancha, 1993 -1995

 

De Britse schrijver Colin Dexter werd geboren op 29 september 1935 in Stamford, Lincolnshire. Zie ook alle tags voor Colin Dexter op dit blog.

Uit: Death Is Now My Neighbor

“Such stipulations had often amused the present Master. If one judged by the longevity of almost all the Masters appointed during the twentieth century, physical well-being had seldom posed much of a problem; yet mental stability had never been a particularly prominent feature of his immediate predecessor, nor (by all accounts) of his predecessor’s predecessor. And occasionally Sir Clixby wondered what the College would say of himself once he was gone…. With regard to the exclusion of the clergy, he assumed that the Founders (like Edward Gibbon three centuries later) had managed to trace the source of all human wickedness back to the Popes and the Prelates, and had rallied to the cause of anticlericalism…. But it was the possibility of the candidate’s criminality which was the most amusing. Presumably any convictions for murder, rape, sodomy, treason, or similar misdemeanors, were to be discounted if shown to have taken place outside the jurisdiction of His (or Her) Most Glorious Majesty. Very strange. Strangest of all, however, was the absence of any mention in the original Statute of academic pedigree; and, at least theoretically, there could be no bar to a candidate presenting himself with only a Grade E in GCSE Media Studies. Nor was there any stipulation that the successful candidate should be a senior (or, for that matter, a junior) member of the College, and on several occasions “outsiders” had been appointed. Indeed, he himself, Sir Clixby, had been imported into Oxford from “the other place,” and then (chiefly) in recognition of his reputation as a resourceful fund-raiser. On this occasion, however, outsiders seemed out of favor. The College itself could offer at least two candidates, each of whom would be an admirable choice; or so it was thought. In the Senior Common Room the consensus was most decidedly in favor of such “internal” preferment, and the betting had hardened accordingly. By some curious omission no entry had hitherto been granted to either of these ante-post favorites in the pages of Who’s Who. From which one may be forgiven for concluding that the aforesaid work is rather more concerned with the third cousins of secondary aristocrats than with eminent academics.”

 

 
Colin Dexter (Stamford, 29 september 1935)
Cover DVD met John Thaw als Inspector Morse (1997)

 

De Duitse (detective)schrijfster Ingrid Noll werd geboren op 29 september 1935 in Shanghai. Zie ook alle tags voor Ingrid Noll op dit blog.

Uit: Halali

“Beim letzten Arztbesuch fiel mir wieder auf, wie viel sich doch im Vergleich zu früher geändert hat. Noch vor einigen Jahren lasen die meisten Patienten im Wartezimmer die mehr oder weniger zerfransten Lesemappen oder starrten mit düsteren Gedanken taten- und wortlos vor sich hin. Würde man heute von oben auf sie herniedersehen, könnte man denken, sie würden silberne Löffel putzen, stricken oder häkeln, so versonnen neigen sie sich über einen kleinen Gegenstand, den sie mit flinken Fingern bearbeiten. Dieses Ding nannte ich bisher Handy, doch mittlerweile gibt es offenbar noch Smartphones, Tablets und Gott weiß was sonst. Was die Patienten wohl mit ihren Geräten so treiben, während sie warten? Die letzten Details zu ihren Wehwehchen in Erfahrung bringen oder doch lieber spielen? Ich selbst habe mich früher im Wartezimmer immer gern mit von anderen Leuten begonnenen Kreuzworträtseln abgelenkt. Die Lesemappen gibt es zwar heute noch, doch sie werden {8}nur von uns Alten durchgeblättert, und an die Rätsel hat sich meistens keiner herangewagt. Mir fehlt dann das Vergnügen, es besser als meine Vorgänger zu können.
Genau wie ich lebt auch meine Enkelin Laura allein und zu meinem Glück sogar im selben Hochhaus. Für eine zweiundachtzigjährige Witwe wie mich ist diese kleine Wohnung ideal, für Laura als Single wahrscheinlich ebenso. Wenn sie von der Arbeit heimkommt, schaut sie oft noch bei mir herein. Gelegentlich habe ich uns etwas Bodenständiges gekocht, manchmal bringt sie etwas zum Essen mit. Es ist schön, dass sie mir aufmerksam zuhört, wenn ich von meiner Jugendzeit erzähle, denn uns verbindet so mancherlei. So hat meine Enkelin nicht zuletzt ein ähnliches Arbeitsfeld gewählt wie ich.
Meinen ehemaligen Beruf als Sekretärin gibt es zwar immer noch, aber die Vorzimmerdamen heißen jetzt Assistentin des Geschäftsführers, Off‌ice Managerin oder so ähnlich. Als ich nach der Handelsschule mit der Arbeit begann, war ich unverheiratet, also ein Fräulein.”

 


Ingrid Noll (Shanghai, 29 september 1935)

 

De Afghaanse schrijver en historicus Akram Assem werd geboren op 29 september 1965 in Kabul. Zie ook alle tags voor Akram Assem op dit blog.

Uit: Histoire de la guerre d’Afghanistan

“L’ironie de l’Histoire veut que ce soit le 28 avril 1992 que le gouvernement intérimaire des Moujaheddines afghans soit entré dans Kaboul libérée, c’est-à-dire quatorze ans après le lendemain du jour anniversaire du coup d’État communiste du 27 avril 1978. De la même manière, c’est le 27 décembre 1991 que le drapeau rouge fut descendu du haut du Kremlin pour signifier la fin de l’empire expansionniste que constituait l’URSS, date correspondant précisément à l’intervention soviétique en Afghanistan, le 27 décembre 1979… Ainsi la boucle était bouclée et l’Histoire faisait un clin d’oeil aux Afghans pour leur signifier qu’ils n’étaient pas pour rien dans le dénouement de plus de soixante-dix années d’impérialisme russo-soviétique.
L’intervention de l’Armée rouge dans un État qui n’était pas membre du bloc soviétique et qui, de plus, figurait parmi les pays fondateurs du mouvement des non-alignés, voisin de l’URSS et entretenant, en apparence, de très bonnes relations avec elle, déclencha une crise internationale extrêmement grave et refroidit considérablement une atmosphère diplomatique bipolaire qui avait pourtant commencé à se réchauffer. La compétition entre blocs fut relancée et la course aux armements prit un nouvel essor. Les États-Unis, englués dans l’affaire des otages de leur ambassade à Téhéran, saisirent cette trop belle occasion pour isoler l’URSS sur la scène internationale en fustigeant son attitude « impérialiste » en Afghanistan.
Au lendemain de l’intervention militaire de Moscou, bien peu nombreux étaient les observateurs qui donnaient à la Résistance afghane une chance de réussir à vaincre la superpuissance soviétique ; ils ne lui accordaient généralement que quelques jours, voire quelques mois, à vivre. En mai 1980, moins d’un semestre après le « coup de Kaboul », Pierre Gentelle écrivait, de manière un peu trop définitive, à la fin d’un article consacré à la situation afghane : « L’Afghanistan comme point chaud, c’est sans doute presque du passé : tournons les yeux vers le Pakistan’. » À peine quelques pages plus loin, dans la même revue, un spécialiste reconnu des questions stratégiques, Gérard Chaliand, n’était pas, à l’époque en tout cas, plus optimiste : « D’ici à quelques mois, il est fortement probable que l’URSS aura avec brutalité détruit la capacité offensive de la résistance afghane, quitte à quadrupler le nombre des réfugiés et à décupler celui des victimes. Les troupes soviétiques n’entrent pas dans un territoire pour le quitter sans victoire – même en sauvant la face. Sans doute l’URSS vient-elle de faire passer l’Afghanistan dans son glacis pour longtemps.”

 


Akram Assem (Kabul, 29 september 1965)
Kaboel

 

De Italiaanse filosoof, dichter, artiest, en geweldloos activist Lanza del Vasto werd geboren in San Vito dei Normanni op 29 september 1901. Zie ook alle tags voor Lanza del Vasto op dit blog.

 

Nocturne

Jamais n’ai contemplé sans un frisson
De doux étonnement, dans les profondes
Branches que nuit enfle de son haleine,
Les étoiles mêlées parmi les feuilles.

L’humble rosée de leur lumière
Qui tremble et par instants s’évanouit,
Transperce les grands bois noirs par la cime,
Immensités qui paraissent fleurir, —

Fleurs d’arbre non, mais fleurs de l’herbe au vent
Paraissent; — tant ils sont, Seigneur, profonds
Tes abîmes, — pourtant, œil inerme, ces minimes
Étincelles, je les sens, qui sont des mondes.

 

Le cheval blanc et noir

Les jours défunts et leur feuille de ciel
Dans la forêt de l’éternel luisent encor.
J’entends courir dans la forêt de l’éternel
Le cheval blanc et noir des vivants et des morts.

 

 
Lanza del Vasto (29 september 1901 – 5 januari 1981)

Herinnering aan Hella Haasse

Herinnering aan Hella Haasse

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies zeven jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

Uit: Grafschrift en levensteken

“Twee schrijvers die in bijna alle opzichten elkaars tegenvoeters zijn, geven in hun laatste romans, ieder op eigen wijze, een verslag van een totale innerlijke verandering. Bij Cees Nooteboom wordt die uitgedrukt in beelden van sterven en dood (ook in vorig werk van hem, vooral in zijn poëzie, altijd obsederend aanwezig), terwijl de manier waarop A. Koolhaas het thema behandelt veeleer associaties oproept aan een geboorte, of beter gezegd, aan het embryonale stadium dat aan het geboren-worden voorafgaat. In beide romans is sprake van een afscheid-nemen van een onbevredigende staat van zijn, van afrekenen met een vorm van leven die eigenlijk een niet-bestaan is. In De ridder is gestorven1 ligt het accent op het passieve ondergaan van de verandering; de schokken en trillingen waarmee de metamorfose gepaard gaat, worden ervaren als een einde van iets. Van wat? misschien van het onvoltooid, onvolmaakt zijn van de jeugd. Het citaat uit La pornographie van Witold Gombrowicz, dat Nooteboom aan het begin van zijn boek heeft geplaatst, zou iets dergelijks doen vermoeden; deze schrijver heeft zich immers bij uitstek beziggehouden met de onrijpheid als noodzakelijke groei-fase èn als verzet tegen verstarring. In Koolhaas’ roman2 daarentegen activeren die schokken en trillingen (het overdrachtelijk ‘pak slaag’ waar de titel van spreekt) de hoofdpersoon juist tot een begin van innerlijke zelfstandigheid, tot volwassen-worden.
In beide romans is de centrale mannenfiguur in wezen onmachtig tot handelen, tot zelfexpressie, tot werkelijk zijn. Nootebooms overgevoelige intellectueel en litterator, de ‘ridder’ met zijn spleen en kwellende zelfbespiegeling, gaat letterlijk dood aan die onmacht. Koolhaas’ hulpeloze, ongearticuleerde niet-held worstelt zich moeizaam naar ontplooiing, menswording, toe. Men zou geneigd zijn deze laatste, Hein Slotter, een ridder van de droevige figuur te noemen; maar in hem, de door de schrijver nadrukkelijk prozaïsch gehouden ‘kleine’ mens, is de aanleg tot het waarlijk nobele en heldhaftige onmiskenbaar aanwezig, het heeft alleen maar tijd nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Daarom ook gaat voor de lezer het leven van Hein Slotter dóór, nadat de laatste bladzij is omgeslagen: hij heeft een toekomst. Nootebooms André Steenkamp, wiens omzwervingen op Ibiza men haast als een persiflage op een ridderlijke ‘queeste’ zou kunnen beschouwen, is in meer dan één opzicht een displaced person, hij is uit de tijd. En het is juist dit proces van uit de tijd raken, zinloos worden (omdat men nu eenmaal de ongebondenheid, onverantwoordelijkheid, niet voorbij een bepaald punt kan volhouden), dat Nooteboom suggestief als een langzaam sterven verbeeldt.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)