Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Fuminori Nakamura, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Robert Habeck, Pierre Huyskens

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog.

 

De verloren zoon

Het vertrek

De paarden laten draven langs de straat,
Den rauwen praat van ’t ruige volk te hooren,
De zwaarte schatten van het rijpend koren,
En ’t vee betasten naar zijn waarde en staat,

Het spotten met den schommelenden gang
Der vrouwen; en het drentlen van een vrijster
Des avonds volgen, en, zijn zinnen bijster,
Haar tartend woord te honen met gezang,

Het is genoeg geweest, mijn jonge leven
Is weeld’rig als een paard in ’t klaverveld,
Dat dartel aan den vanger durft weerstreven
En in galop den snellen toom ontsnelt.

Nu wijk ik uit om zelf mijn weg te zoeken,
Vader en moeder, ‘k wil u geen verdriet,
’t Geluk verfijnt, de nood zal mij verkloeken;
En ‘k ben een man, als gij mij wederziet.

 

De stad

Hoe heerlijk is het doelloos dwalen
In vreemde stad, met vreemde liên,
En gretig naar zich toe te halen
Alles wat de oogen kostlijks zien.

Als op den hof het vochte ronken
Van ’t vee den slaap kruidt van ’t gezin,
Verlokt hier het begeerlijk pronken
Van aller vreugden aanbegin.

In stille steeg, op drukke pleinen,
Alom een lachen dat verwart,
En rakelings en roekloos schijnen
Oogen langs mijn verlangend hart.

Ik hoef mijn handen niet te strekken,
Ze zijn gestreeld en vastgeklampt,
En als ik stug terug wil trekken,
Hoor ik een stem die om mij kampt.

‘k Beloofde: nood zal mij verkloeken!
Ach, jeugd speelt graag met woorden groot,
Want wie ging voor zoo zoet verzoeken
Niet graag gewillig in den dood?

 

Overpeinzing

Mijn hoofd verdoft een priklend suizen.
Een pijn doorgluipt mij en verspet!
En dan is ’t, of God al de sluizen
Van ’t gloeiend bloed wijd open zet.

Ik waggel angstig langs de straten
En bloos bij ieders blik, en voel
Me opeens van God en mensch verlaten,
En zonder plicht en zonder doel.

En ’s avonds, na onmatig drinken,
Als driest de roes woelt door mij heen,
Gaat langzaam alles mij ontzinken.
O, ik ben overal alleen!

En ‘k weet, mijn ouders, diep gebogen,
Bidden voor mij; een rimpel trekt
Tusschen mijn broeders woedende oogen.
Maar God houdt zijn gelaat bedekt.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

 

De Belgisch schrijver, filmregisseur, filmtheoreticus Eric de Kuyper werd geboren in Brussel, op 2 september 1942. Zie ook alle tags voor Eric de Kuyper op dit blog.

Uit: Naar aanleiding van ‘Teorema’ van Pasolini

“Dit eerste deel van de film verloopt op de summiere manier waarop het hier is beschreven. Er worden geen verklaringen gegeven: waarom komt die student daar? wie is hij? waarom moet hij ineens weer weg? Wel zijn er enkele bindmotieven, die echter ook weer gereduceerd worden tot ‘tekens’. Ieder personage heeft het zijne. De zoon, die later ook schilder zal worden, wordt aan de jongen gekoppeld door reprodukties van Francis Bacon. De dochter neemt foto’s van de jongen en dit vormt een link met de proloog, waar een van haar vriendjes een foto van haar vader onder ogen krijgt; als de jongen weg is, bekijkt ze de foto’s die ze van hem genomen heeft12. De moeder zoekt contact via een sensuele omgang met de kleren van de jongen (evenmin als in andere gevallen kan men hier van ‘fetisjisme’ spreken: daarvoor is het bind-voorwerp te sterk geabstraheerd, heeft het teveel de functie van een dramatische link). Het dienstmeisje realiseert het contact in haar dienstvaardigheid. Zij bezit niets, beschikt alleen over zichzelf, kan alleen dienst bewijzen: haar eerste seksueel contact met de jongen bestaat erin dat zij de as wegveegt die op zijn gulp is gevallen; bij het afscheid helpt zij hem met zijn koffer; later ziet zij zichzelf als de ‘Dienstmaagd des Heren’. De verhouding van de vader is de meest complexe: zijn theoretisch sociaal-humanisme, dat aanvankelijk slechts een literair citaat is à la Tolstoi, wordt in werkelijkheid omgezet wanneer hij zijn fabriek aan zijn arbeiders overdraagt en zelf in de ‘woestijn’ gaat zwerven.
In het tweede deel van de film wordt de rechtlijnigheid van het eerste deel verbrokkeld in een reeks korte sekwensen, die telkens laten zien hoe ieder afzonderlijk na het vertrek van de jongen verder tracht te leven. De meid gaat terug naar haar volks milieu en wordt een volksheilige. De dochter vervalt in een toestand van katatonie: zij wil het ongrijpbaar afwezige vast blijven houden. De zoon zet zich aan het schilderen, tracht het beeld van de afwezige te vatten in kleuren en lijnen. De moeder tracht de afwezige te vervangen in de seksuele ervaringen welke zij gaat verzamelen. De vader weet zijn homoseksualiteit bevestigd, kleedt zich uit, schenkt zijn bezit weg en verdwijnt in de woestijn. Het beeld waarmee de film begon en dat als een leitmotiv telkens terugkeerde, besluit de film ook.”

 

 
Eric de Kuyper (Brussel, 2 september 1942)
Scene uit de film “Teorema” (1968) met Terence Stamp als de bezoeker

 

De Nederlandse dichter en schrijver R.A. Basart werd op 2 september 1946 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor R. A. Basart op dit blog.

 

Samen oud

Mijn vrouw smeert kachelglans op haar kale kop
Terwijl ik dus een pijpjen smook.
‘Ben ik zo mooi?’ vraagt zij. Ik richt me op
En sla haar zachtjes met de kachelpook:

‘Wat heet! Jij ouwe trouwe kalkedot!’
Ze lacht gevleid, aait een der twin-
Tig katten… zo gezellig… tot-
Dat een witte wagen loeiend in

De straat verschijnt. Achter mijn gade
Ren ik gebukt naar het kozijn:
‘Het licht uit! Op de barrikade!’
‘Rood front!’ roept zij, en grijpt haar karabijn.

 

Je oma

We schreven maart maar ’t was
allang april of later: Lieve klein-
zoon dit is voor je zwemdiploma
Cigaretten jenever en wilde

vrouwen kon ik niet kopen
daarom een damspel op de groei
Hier staan de keukenstoelen weer in bloei
Zijn er stenen zoek dan neem je knopen

 

 
R.A. Basart (Amsterdam, 2 september 1946)

 

De Japanse schrijver Fuminori Nakamura werd geboren op 2 september 1977 in Tōkai. Zie ook alle tags voor Fuminori Nakamura op dit blog.

Uit: The Thief (Vertaald door Satoko Izumo en Stephen Coates)

“Little by little I breathed out, conscious of my temperature rising even more. I checked my surroundings, only my eyes moving. My fingers still held the tension of touching a forbidden object, the numbness of entering someone’s personal space. A trickle of sweat ran down my back. I took out my cell phone and pretended to check my email as I walked away.
I went back to the ticket gate and down the gray stairs towards the Marunouchi line. Suddenly one of my eyes blurred, and all the people moving around me seemed to shimmer, their silhouettes distorted. When I reached the platform I spotted a man in a black suit out of the corner of my eye. I located his wallet by the slight bulge in the right back pocket of his trousers. From his appearance and demeanor I judged him to be a successful male companion at a ladies-only club. He was looking quizzically at his phone, his slender fingers moving busily over the keys. I got on the train with him, reading the flow of the crowd, and positioned myself behind him in the muggy carriage. When humans’ nerves detect big and small stimuli at the same time, they ignore the smaller one. On this section of track there are two large curves where the train shakes violently. The office worker behind me was reading an evening paper, folded up small, and the two middle-aged women on my right were gossiping about someone and laughing raucously. The only one who wasn’t simply traveling was me. I turned the back of my hand towards the man and took hold of his wallet with two fingers. The other passengers formed a wall around me on two sides. Two threads at the corner of his pocket were frayed and twisted, forming elegant spirals like snakes. As the train swayed I pushed my chest close to him as though leaning against his back and then pulled the wallet out vertically. The tight pressure inside me leaked into the air, I breathed out and a reassuring warmth flowed through my body. Without moving I checked the atmosphere in the carriage, but nothing seemed out of order. There was no way I would make a mistake in a simple job like this. At the next station I got off and walked away, hunching my shoulders like someone feeling the cold.
I joined the stream of weary people and went through the barrier. Looking at the fifteen or so average men and women gathered at the entrance to the station, I figured there was about two hundred thousand yen among them. I strolled off, lighting a cigarette. Behind a power pole to my left I saw a man check the contents of his wallet in full view and put it in the right pocket of his white down jacket. His cuffs were dark with stains, his sneakers worn and only the fabric of his jeans was good quality.”

 

 
Fuminori Nakamura (Tōkai, 2 september 1977)

 

De Amerikaanse schrijver Chris Kuzneski werd geboren op 2 september 1969 in Indiana, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Chris Kuzneski op dit blog.

Uit: The Prisoner’s Gold

“Metal creaked and groaned, startling Rustichello da Pisa from his restless sleep. Even in the fog of slumber, he knew the horrific sound of a cell door opening. Anytime he heard it, he would snap awake to the pounding in his chest—even after all these years.
His senses on full alert, he strained to hear every rustle and scrape on the other side of the wall. He knew the Genoese guards were returning his neighbor after yet another round of torture. With any luck, they were done for the day and wouldn’t be coming for him next.
He would find out soon enough.
The uniformed guards moved into the adjacent cell and dumped their day’s entertainment on the floor with a wet splat. Then they quickly closed the door behind them and left without a word. Only then did Rustichello let out the breath that he had been holding.
He didn’t move until he heard the guards’ heavy footsteps recede down the dark corridor. He always did his best to avoid their notice, unless they were coming for him. On those occasions there was nothing to do but submit. He was too weak and frail to fight them anymore.
There was no sense in making them mad.
He slowly stood from the loose straw on the floor that served as his bed and brushed away the pieces that were tangled in his hair. Then he slipped a hand into his ragged linen trousers and scratched at the fungal infection on the right side of his groin. Thanks to the humid air in the city of Genoa, everything in the dungeon was damp. The walls, the ceiling, the floor, his clothes. Molds and lichens grew over every surface of his cell. Some patches were so large that they looked like broccoli.
On the bright side, at least he hadn’t started eating them.
Or naming them.
Confident that the guards were gone, he moved over to the wall and peered through the small window into the next cell. It was little more than a missing stone that had been dug out by a previous occupant, but the rectangular gap served a monumental purpose. Rustichello and his neighbor used the empty space to chat, to pass the long hours well into the night. »

 

 
Chris Kuzneski (Indiana, 2 september 1969)

 

De Belgische dichter en schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Zie ook alle tags voor Johan Daisne op dit blog

 

Bedtime-boutade

Wanneer Professor slapen gaat rond den elven,
Is hij gewis en zeer ten rechte moe:
Den heelen dag in Plinius zitten delven,
En dan studenten – deksels – nog aan toe!

Hetzelfde geldt voor Celestijn van ’t hoekje,
Die druppeltjes verkoopen moest en dronk;
Voor doppers die rij-schoven met hun boekje,
En voor des pasters meid die ’t zilver blonk.

En verder voor de wroeters uit gewelven,
Barbieren, beelaars, clowns en Miss Turkij,
En dan ten slotte nog voor Hoogstdezelve,
Die heel den godschen dag moest koning-zijn.

Die allen gaan terecht vermoeid dus slapen,
(Toch niet zóó moe dat ’t hen niet slapen doet),
Bedanken God gelijk rechtschapen schapen,
En droomen (zoo ze droomen) droomen zoet.

Helaas – zooveel valt niet elkeen ten deele!
Er zijn er (‘manekijkers’ noemt men hen)
Waarvan de nacht niet sluit d’ontstoken scheelen,
Maar tranen afperst in een stompe pen.

Zij delven – dwazen – in hun ‘vrije’ uren
Naar een gewijd geheim dat duur zich wreekt,
Ontvangen gratis ’t oordeel van hun buren,
Terwijl hun eigen geest hun hart doorsteekt.

Geven hun geld, laten zich handicappen,
Riskeeren ’t àl, hebben bij vrouwen pech,
Geven hun haar en ziel, tellen geen klappen, –
Kortom: zijn duts èn held. En slapen slecht.

 

 
Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)
Cover

 

De Duitse schrijver en politicus Robert Habeck werd geboren op 2 september 1969 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Robert Habeck op dit blog.

Uit: Der Schrei der Hyänen (Samen met Andrea Paluch)

»Hör auf, Frank, sonst verlieren wir beide.«
Arabella hatte schon einmal ein Kalb, das nicht rauswollte, in der Kuh zersägt, um die Mutter zu retten.
»Miststück.« Frank schlug härter zu, und der Sambjok öffnete den Rücken. Die Kuh brüllte, kam aber nicht auf die Beine. Die Lampe schwankte. Der Schnitt franste durch das Blut aus, die Ränder der Wunde kräuselten sich.
»Nicht, Frank«, versuchte es Arabella erneut. Aber sie wußte, daß es keinen Sinn hatte. Zusammen mit anderen ehemaligen Schutztrupplern fuhr Frank jedes Jahr auf eine der Guanoinseln vor der Lüderitzbucht und erschlug dort Pelzrobben, um sich auszutoben.
»Verdammte Niggerkuh«, schrie er. Arabella sah die Wirbel des Rückgrats durch das offene Fleisch und wandte den Blick in das Gesicht der Kuh. Die großen Augen glotzten feucht. Arabella scheuchte die Fliegen weg, die dick und grün im Tränensekret saßen. Die Kuh bekam wieder Wehen, litt aber zu sehr, um schreien zu können. Frank hieb besinnungslos auf das Tier ein. Sie würde am nächsten Tag zusätzlich zum Gnu nun auch noch eine Kuh verarbeiten müssen.
Vor dem Haus bellte Troja, die Hyänen mußten ganz nah sein. Arabella überlegte, ob sie ein Gewehr holen sollte. Hier konnte sie sowieso nichts mehr tun. Dann wälzte sich die Kuh im Sterben auf die andere Seite und gab das Kälbchen frei. Arabella ließ den Strick los, und Frank hörte auf zu schlagen. Wortlos traten beide hinter das tote Tier, packten jeder einen Huf und zogen gleichzeitig. Das Kalb bewegte sich nur wenige Zentimeter, der Kopf blieb ohne die Unterstützung der Preßwehen im Leib. Arabella zwängte ihren Arm in den Uterus des toten Tieres. »Die Nabelschnur hält es«, sagte sie in das nasse Fell. Sie sah nicht, was Frank machte. Sie hörte ihn nur schwer atmen. Aber sie wußte, daß die Zeit gegen das Kalb lief. Sie packte die glitschige Nabelschnur und bohrte ihren Daumen mit aller Kraft durch das breiige Gewebe, bis der Nabelstrang riß. Als sie ihren Arm aus der Kuh zog, war er voll Blut und Schleim.“

 

 
Robert Habeck (Lübeck, 2 september 1969)

 

De Nederlandse journalist en schrijver Pierre Huyskens werd geboren op 2 september 1931 in Wessem. Zie ook alle tags voor Pierre Huyskens op dit blog.

 

Alternatief Limburgs Volkslied

Wo ’t opgaond eikehout,
Geveldj mit de moterzaêg,
Nooit meer ziene sjone sjeem
Kan spreie euver de waêg;
Wo de herder eine brommer haet
En zien sjaöpkes dreug:
Dao is mien vaderlandj,
Nooit waer ich ’t meug.

Wo ’t water van de Maas
Zjwaor vergiftigd is,
En de ves-sjtandj, ooit zo riek,
Ter dood veroordeild is;
Wo chemie, waat helder waas,
Alles haet verkleurd:
Dao is mien vaderlandj,
Höbt geer ’t good geheurd?

Wo onger de peut van ’t vee
De weije zeen ontgrindj,
En de plek verbaggerd is
Wo ich sjpeelde es kindj;
Wo de koel gein koal meer guf,
De kompel is Marokkaan:
Dao is mien vaderlandj,
Kom d’r mich neet aan!

Wo de zjwalg vertrokke is,
De leeuw’rik neet meer zingkt,
Wo de jaeger gein fazant
Mit nao hoes toe bringt;
Wo nog waal oos kienjer-sjat
Hoog in aanzeen sjteit:
Dao is mien vaderlandj,
Det nooit verlaore geit.

Wo kaploan op trouwe sjteit,
Pesjtoor sjteeds aajer weurd;
Begienkes loupe in mini-kleid,
En nörges wierook geurt;
Wo de swies gein wèrk meer haet,
’t gelouf zien kleur verluus:
Dao is mien vaderlandj,
Det blief ’t nondedjuus!

Wo ’t staedje van plezeer,
Väol pliesse haet,
Wo ’t Vriethof is verpes,
Servaes auch nieks meer zaet;
Wo allein de Carnaval
Egaal gebleve is:
Dao is mien vaderlandj:
Ein belaevenis!

 

 
Pierre Huyskens (2 september 1931 – 19 november 2008)
Limburg: de Maas bij kasteel de Keverberg in Kessel

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Joseph Roth, Manfred Böckl, Johann Georg Jacobi, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit: Die Kapuzinergruft

„Die Gnade des Kaisers erstreckte sich noch auf seinen Sohn, der Bezirkshauptmann wurde, und auf den Enkel, der als Leutnant der Jäger im Herbst 1914 in der Schlacht bei Krasne-Busk gefallen ist. Ich habe ihn niemals gesehn, wie überhaupt keinen von dem geadelten Zweig unseres Geschlechts. Die geadelten Trotts waren fromm-ergebene Diener Franz Josephs geworden. Mein Vater aber war ein Rebell. Er war ein Rebell und ein Patriot, mein Vater — eine Spezies, die es nur im alten Österreich-Ungarn gegeben hat. Er wollte das Reich reformieren und Habsburg retten. Er begriff den Sinn der österreichischen Monarchie zu gut. Er wurde also verdächtig und mußte fliehen. Er ging, n jungen Jahren, nach Amerika. Er war Chemiker von 3eruf. Man brauchte damals Leute seiner Art in den groß-trüg wachsenden Farbenfabriken von New York und 2hilcago. Solange cr arm gewesen war, hatte cr wohl nur rleirnweh nach Korn gefiihlt. Als cr aber endlich reich ;eworden war, begann er, Heimweh nach Österreich zu üblen. Er kehrte zurück. Er siedelte sich in Wien an. Er iatte Geld, und die österreichische Polizei liebte Men-atm, die Geld haben. Mein Vater blieb nicht nur unbe-teiligt. Er begann sogar, eine neue slowenische Partei zu ründen, und er kaufte zwei Zeitungen in Agram. Er gewann einflußreiche Freunde aus der näheren Um-tebuns’ des Erzherzog Thronfolders Franz Ferdinand.
Mein Vater träumte von einem slawischen Königreich unter der Herrschaft der Habsburger. Er träumte von einer Monarchie der Österreicher, Ungarn und Slawen. Und mir, der ich sein Sohn bin, möge es an dieser Stelle gestattet sein, zu sagen, daß ich mir einbilde, mein Vater hätte vielleicht den Gang der Geschichte verändern können, wenn cr länger gelebt hätte. Aber cr starb, etwa anderthalb Jahre vor der Ermordung Franz Ferdinands. Ich bin sein einziger Sohn. In seinem Testament hatte er mich zum Erben seiner Ideen bestimmt Nicht umsonst hatte er mich auf den Namen Franz Ferdinand taufen lassen. Aber ich war damals jung und töricht, um nicht zu sagen: leichtsinnig. Leichtfertig war ich auf jeden Fall. Ich lebte damals, wie man so sagt: in den Tag hinein. Nein! Dies ist falsch: ich lebte in die Nacht hinein; ich schlief in den Tag hinein.“
Eines Morgens aber — es war im April des Jahres 1913 —meldete man mir, dem noch Verschlafenen, erst zwei Stunden vorher Heimgekehrten, den Besuch eines Vet-ters, eines Herrn Trutta. Im Schlafrock und in Pantoffeln ging ich ins Vorzim-mer. Die Fenster waren weit offen. Die morgendlichen Amseln in unserem Garten flöteten fleißig. Die frühe Son-ne durchflutete fröhlich das Zimmer. Unser Dienstmäd-chen, das ich bislang noch niemals so früh am Morgen gesehen hatte, erschien mir in ihrer blauen Schürze fremd —denn ich kannte sie nur als ein junges Wesen, bestehend aus Blond, Schwarz und Weiß, so etwas wie eine Fahne.“

 

 
Joseph Roth (2 september 1894 – 27 mei 1939)
Cover

 

De Duitse schrijver Manfred Böckl werd geboren op 2 september 1948 in Landau an der Isar. Zie ook alle tags voor Manfred Böckl op dit blog.

Uit: Die Leibeigenen

„Gott gesegne es“, murmelte der Mönch, einen schweren Rülpser mühsam unterdrückend, und soff die Bierbitsche auf einen Zug zur Hälfte leer. Dann stellte er den hölzernen Krug mit zittrigen Händen ins Gras, stemmte sich auf den Ellenbogen in eine halb sitzende Stellung hoch, ließ seinen verschwommenen Blick über die johlende Menge auf dem Tanzplatz schweifen, um endlich mit lauter Stimme zu fordern: „Holt mir noch einmal das Brautpaar her. Hab’ den Kopulierten noch einen guten Rat mitzugeben auf ihren Lebensweg.“
Er rülpste nun doch, fuhr unmittelbar darauf den Viertelhübner an: „Na mach, nimm die Beine in die Hand, denn meine Belehrung kann nicht warten, weil sie mir gewissermaßen in diesem Augenblick vom Heiligen Geist selbst eingegeben wurde.“
„Jawohl, ich lauf’ schon“, erwiderte gehorsam der Viertelhübner, während der Mönch erneut die Bierbitsche ergriff, damit ihn der Heilige Geist ja nicht verlassen sollte. Der Bote des frommen Mannes bahnte sich schwankend seinen Weg durch die Tanzenden. Als er bis zur Dorflinde durchgedrungen war, entdeckte er das Brautpaar.
Mariann und Konrad, denen dieser ausgelassene Tag vielleicht für ein ganzes Leben genügen musste, denn sie würden später nichts kennen als harte Arbeit, qualvolle Kindsbetten und die Angst vor dem Natternburger Ritter, drehten sich weltvergessen in einer böhmischen Polka. Konrad, ein magerer, knochiger Bursche mit länglichem, sonnenverbranntem Gesicht und kräftiger Nase, hatte sein frisch angetrautes Weib um die Hüften genommen und gab Mariann so Halt bei dem schnellen Rundtanz. Seine auffallend hellblauen Augen blitzten und schienen nichts anderes zu sehen als das etwas derbe und dennoch liebliche Gesicht seiner Braut, und Mariann spürte diesen Blick und verstand ihn, und ein Widerschein von Konrads Glück leuchtete aus ihren eigenen braunen Augen.
Sie hatte ihre Arme um Konrads Hals geschlungen, obwohl sie sich dabei kräftig strecken musste, aber das wollte sie ja: zu ihm aufsehen können. Und als der Zigeuner nun seiner Fidel einen schmelzenden Triller entlockte, da lachte sie fröhlich auf und zwang Konrad in einen noch schnelleren Wirbel, so dass ihr rabenschwarzes Haar wild unter der Brautkrone flatterte.“

 

 
Manfred Böckl (Landau an der Isar, 2 september 1948)

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Georg Jacobi werd geboren op 2 september 1740 op Gut Pempelfort bij Düsseldorf. Zie ook alle tags voor Johann Georg Jacobi op dit blog.

 

In der Mitternacht

Todesstille deckt das Tal
Bei des Mondes falbem Strahl;
Winde flüstern dumpf und bang
In des Wächters Nachtgesang.

Leiser, dumpfer tönt es hier
In der bangen Seele mir,
Nimmt das Strahl der Hoffnung fort,
Wie den Mond die Wolke dort.

Hüllt, ihr Wolken, hüllt den Schein
Immer tiefer, tiefer ein!
Vor ihm bergen will mein Herz
Seinen tiefen, tiefen Schmerz.

Nennen soll ihr nicht mein Mund;
Keine Träne mach′ ihn kund;
Senken soll man ihn hinab
Einst mit mir in′s kühle Grab.

An des Todes milder Hand
Geht der Weg in′s Vaterland;
Dort ist Liebe sonder Pein;
Selig, selig werd′ ich sein.

 

 
Johann Georg Jacobi (2 september 1740- 4 januari 1814)
Cover

 

De Franse dichter en schrijver Paul Charles Joseph Bourget werd geboren op 2 september 1852 in Amiens. Zie ook alle tags voor Paul Bourget op dit blog.

 

La Révolte

La campagne était fraîche et tout ensoleillée ;
Le souffle du matin passait les blés verts,
Et je marchais dans l’herbe odorante et mouillée
En récitant des vers.

J’étais gai, bien portant, et libre au fond de l’âme ;
J’avais enfin dompté mon douloureux amour,
Et nul amer regret, nul souvenir de femme
Ne troublait ce beau jour.

J’ouvrais à pleins poumons ma poitrine profonde
Aux vents qui se roulaient sur les arbres en fleur,
Et je sentais aussi la jeunesse du monde
Refleurir dans mon cœur.

O toi qui veux, touchant à la terre qui crée,
Reprendre un peu de force avant les durs combats
Et boire un coup de vin à la coupe sacrée,
N’aime pas ! — N’aime pas !

Brise ta chaîne, esclave, et, seul, avec courage,
Sans attendrissements, sans remords et sans fiel,
Viens courir dans les prés comme un cheval sauvage
Sous la beauté du ciel.

 

 
Paul Bourget (2 september 1852 – 25 december 1935) 

 

De Franse dichter, schrijver en politicus Paul Déroulède werd op 2 september 1846 geboren in Parijs. Zie en ook alle tags voor Paul Déroulède op dit blog,

Uit: Chants du soldat

A la Belgique

Salut petit coin de terre,
Si grand de bonté,
Où l’on vous rend si légère
L’hospitalité ;.

Où tout ce que l’on vous donne,
Sourire ou pitié,
N’a jamais l’air d’une aumône,
Mais d’une amitié ;

Où les âmes si sereines
Ont les yeux si doux,
Que les tourments et les haines
S’y reposent tous !

Salut, terre fraternelle,
Où tout m’a tant plu !
Peuple bon, race fidèle,
Belgique, salut !

Va ! La France a la mémoire
De ces jours de deuil,
Où la défaite sans gloire
Brisait notre orgueil ;

Où, fuyant, vaincus, débiles,
Un puissant vainqueur,
Tu nous as ouvert tes villes,
Tes bras et ton cœur.

Puis, douce comme une mère,
Tu nous as bercés ;
Mieux encor, chère infirmière,
Tu nous as pansés.

Tu nous as mis sur nos plaies,
Saignantes encor,
Ce baume, les larmes vraies,
La foi, ce trésor !

 
Paul Déroulède (2 september 1846 – 30 januari 1914)

 

De Italiaanse schrijver Giovanni Verga werd op 2 september 1840 geboren als oudste zoon in een welgestelde liberale Siciliaanse familie in Catania op Sicilië. Zie ook alle tags voor Giovanni Verga op dit blog.

Uit: Cavalleria Rusticana and Other Stories (Vertaald door G. H. McWilliam)

“You wicked slut!” she cried. “You wicked slut of a mother!”
“Shut up!”
“You thief! Thief!”
“Shut up!”
“‘I’ll tell the police sergeant, that’s what I’ll do!”
“Go ahead and tell him!”
She did go ahead, with her children clinging round her neck, totally unafraid, and without shedding a tear. She was like a mad woman, because now she too loved the husband they had forced upon her, all greasy and covered in sweat from the fermenting olives.The sergeant had Nanni called in, and threatened him with prison and the gallows. Nanni stood there sobbing and tearing his hair. He denied nothing, and didn’t even try to make excuses.”I was tempted!” he cried. “I was tempted by the Devil!”
He threw himself at the sergeant’s feet, pleading with him to send him to prison.
“For pity’s sake, sergeant, take me out of this hell on earth! Have me killed, send me to prison, never let me set eyes on her again, ever!”
But when the sergeant spoke to the She-Wolf, she replied, “No! I kept a corner of the kitchen to sleep in, when I gave him my house as a dowry. The house is mine. I don’t intend to leave it.”Shortly after that, Nanni was kicked in the chest by a mule, and was at death’s door. But the parish priest refused to bring him the bread of Christ until the She-Wolf left the house. The She-Wolf went away, and her son-in-law could then prepare to take his leave of the world as a good Christian. He confessed and made communion with such an obvious show of repentance and contrition that all the neighbours and onlookers were in tears at the bed of the dying man. And it would have been better if he had died then and there, before the Devil returned to tempt him and to take him over body and soul as soon as he recovered.
“Leave me alone!” he said to the She-Wolf. “For God’s sake, leave me in peace! I stared death in the face! The poor Maricchia is in despair! The whole village knows all about it! It’s better for both of us if I don’t see you. . . .”

 

 
Giovanni Verga (2 september 1840 – 27 januari 1922)
Catania

 

De Duitse schrijver Richard Voß werd geboren op 2 september 1851 op Gut Neugrape in Pommern. Zie ook alle tags voor Richard Voß op dit blog.

Uit: Der gute Fra Checco

„Er besaß zur Popularität ein Genie, um das ihn ein Monarch von Gottes- und ein Reichstagsabgeordneter durch Volkesgnaden beneiden konnte. Dabei stand er so himmelhoch über allen Parteien, von denen sein schönes Vaterland, das einige Italien, zerrissen wird, daß sein reines Gemüt den liberalsten, also gottlosesten katholischen Christen mit derselben Nächstenliebe umfaßte, wie das gläubigste Mitglied seiner großen Gemeinde. Er heischte demnach sein Scherflein ebensogut von der frommsten Witib, wie von dem fanatisiertesten Antiklerikalen — und von beiden ward ihm gegeben! Von dem einen allerdings häufig unter greulichen Gotteslästerungen; aber gegeben ward ihm, und er, der wahrhaft Gute, steckte die Verwünschungen und wütenden Ausfälle gegen sein Kleid und seinen Gott mit derselben echt christlichen Demut und Bonhomie ein, wie die Soldi.
Jeden frühen Morgen, den Gott schuf, besuchte Fra Checco, nachdem er mit größter Inbrunst der ersten Messe beigewohnt hatte, die große Klosterküche — darin leider gar selten etwas Gutes gebraten oder gebacken ward, holte sich daselbst die von ganz Frascati gekannte dickbauchige, glänzende Blechkapsel, begab sich damit in den »Orto«, den klösterlichen Gemüsegarten, und ließ sich vom Bruder Gärtner sein umfangreiches Gefäß bis zum Rand mit Salat füllen; denn er, Fra Checco, nahm kein christliches Almosen umsonst.
Dieser Salat, den Fra Checco an alle, die ihm gaben, mit vollen Händen austeilte, war so berühmt, so populär, wie er selbst. Es war aber auch ein Salätlein! Auf Gottes weiter, schöner Welt konnte nur Klostersalat so zart, so aromatisch, mit einem Wort, so köstlich sein! Aus neunerlei Kräutern war er gemischt, in einer Zusammenstellung, einer Komposition der verschiedensten Qualitäten, die einem Lucius Lucullus Ehre gemacht hätte.”

 

 
Richard Voß (2 september 1851 – 10 juni 1918)

The Dirty Hand (Mark Strand)

Bij de 22e zondag door het jaar

 

 
Jesus en de Farizeeën door Ernst Zimmermann, ca. 1888

 

The Dirty Hand

My hand is dirty.
I must cut it off.
To wash it is pointless.
The water is putrid.
The soap is bad.
It won’t lather.
The hand is dirty.
It’s been dirty for years.

I used to keep it
out of sight,
in my pants pocket.
No one suspected a thing.
People came up to me,
Wanting to shake hands.
I would refuse
and the hidden hand,
like a dark slug,
would leave its imprint
on my thigh.
And then I realized
it was the same
if I used it or not.
Disgust was the same.

Ah! How many nights
in the depths of the house
I washed that hand,
scrubbed it, polished it,
dreamed it would turn
to diamond or crystal
or even, at last,
into a plain white hand,
the clean hand of a man,
that you could shake,
or kiss, or hold
in one of those moments
when two people confess
without saying a word…
Only to have
the incurable hand,
lethargic and crablike,
open its dirty fingers.

And the dirt was vile.
It was not mud or soot
or the caked filth
of an old scab
or the sweat
of a laborer’s shirt.
It was a sad dirt
made of sickness
and human anguish.
It was not black;
black is pure.
It was dull,
a dull grayish dirt.

It is impossible
to live with this
gross hand that lies
on the table.
Quick! Cut it off!
Chop it to pieces
and throw it
into the ocean.
With time, with hope
and its machinations,
another hand will come,
pure, transparent as glass,
and fasten itself to my arm.

 


Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)
St. Paul’s Roman Catholic Church in Summerside, Prince Edward Island, de geboorteplaats van Mark Strand

 

Zie voor de schrijvers van de 2e septemmber ook mijn twee volgdende blogs van vandaaag.

 

W. F. Hermans, Hubert Lampo, Blaise Cendrars, Edgar Rice Burroughs, Sabine Scho, Peter Adolphsen, Lenrie Peters, J. J. Cremer, Kris Pint

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook alle tags voorW. F. Hermans op dit blog.

Uit: Het behouden huis

“De grote tak bijna de hele kruin lag ineens onder de boom, zonder dat ik gekraak hoorde. Het was overstemd door de knal uit een kortstondig struikgewas van aardklonten, niet ver bij de boom vandaan. Er volgden andere knallen, zonder dat ik de uitwerking zag. Ik keek niet om. Voor mij liep niemand. Ik was de voorste misschien. Er waren weinig bomen en ik moest goed zichtbaar zijn. Toch leek het of er in het wilde weg geschoten werd. Mijn voeten zwikten op de harde aardkluiten bij iedere stap. De helling was lang en steil. Aan de andere kant van de heuvel lagen de Duitsers. Ik hoopte dat zij ons tegemoet zouden komen. Ergens dekking zoeken, ergens stil wegkruipen. Alleen van dorst al kon ik bijna niet verder. Mijn veldfles was leeg. Ik keek om naar de anderen. Niemand was dicht genoeg bij dat ik om water had kunnen vragen. Toen blies de sergeant op zijn fluit. Langs een holle weg kwamen wij bij elkaar en we lieten ons neervallen om te rusten. Ik stak mijn lege veldfles omhoog. Maar iedereen die hem zag, schudde van nee. Bijna niemand lette er trouwens op. De sergeant die het dichtst bij mij lag, had zijn helm over zijn gezicht geschoven tegen de hitte en het licht en, met zijn handen over z’n borst gekruist, leek het of hij sliep. De zon scheen fel, het had in geen dagen geregend. De gele grond was zo droog dat het door de ontploffende granaten opgejaagde stof niet meer bezonk. Ik keek op mijn polshorloge. Het was half twee. Er viel een stilte, iedereen die aan de oorlog deelnam, scheen er zijn gemak van te nemen, alsof de oorlog een groot ziek lichaam was, dat een morfine-injectie gekregen had. Het enige wat er gebeurde een gevecht op grote hoogte tussen drie jagers. Ik keek ernaar, een droog grasje tussen mijn tanden. Zij trokken een patroon van witte lussen op het blauw van de lucht, zoals reclameschrijvers doen. Het zag eruit of zij het deden om ons te amuseren, enkel daarom. Niet proberen te lezen wat zij schrijven, anders word je gek. Coca-Cola. Zij hebben allebei hun handen nodig, dacht ik, maar misschien houden zij een rubberslang in de mond waardoor zij drinken kunnen opzuigen. De kogels uit hun mitrailleurs sloegen dichtbij in de grond. Ook nu kan het raak wezen, dacht ik, en ik zit hier gewoon, ik doe niets. Ik heb dorst. Ook nu kan ik getroffen worden, alsof op zitten de doodstraf staat. Maar iedereen gaat dood, ook al zou er nooit oorlog zijn. Wat maakt oorlog voor verschil? — Zich iemand indenken die geen geheugen heeft, die aan niets kan denken dan aan wat hij ziet, hoort en voelt… voor hem bestaat er geen oorlog. Hij ziet deze heuvel, de lucht, hij voelt de droge vliezen van zijn keel krimpen, hij hoort het knallen van… hij zou een geheugen moeten hebben om te weten waarvan. Hij hoort knallen, hij ziet hier en daar mensen liggen, het is warm, de zon schijnt, drie vliegtuigen oefenen zich in het reclameschrijven. Er is niets aan de hand. Oorlog bestaat niet. Ik dacht aan een Spanjaard die mij ’s ochtends om een lucifer had gevraagd. Hij kende een paar woorden Frans.”

 

 
W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)
Cover

 

De Belgische schrijver Hubert Lampo werd op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook alle tags voor Hubert Lampo op dit blog.

Uit: Een geur van sandelhout

“Onlangs had ik wat te doen op het ministerie. Ik was aanzienlijk vroeger klaar dan ik er op rekende. Het leek mij een goede gelegenheid om even langs het televisiegebouw te rijden. Harry Kümel zit daar al maanden aan zijn film te monteren. Als schrijver van het boek waar alles mee begon, is het nauwelijks aanmatigend zo ik desgevallend zeg: aan onze film. Hij doet het helemaal in zijn eentje, opgesloten in wat nauwelijks meer is dan een monnikencel.
Geruime tijd had ik niets meer van hem gehoord. Het kwam er niet van hem op te bellen. Een nummer draaien en wachten tot men opneemt is geen noemenswaardige moeite. Ik heb echter een hekel aan de telefoon. Van tevoren weet ik dat men mij verkeerd doorverbindt. Het is gebeurd dat ik er zo goed als zeker van was de elektronische apparatuur in de centrale te doen doorslaan. Op ogenblikken van spanning, bedoel ik, wanneer ik mij onbewust voorbereid op een emotioneel geladen of belangrijk gesprek. Maar dat is een andere geschiedenis.
Mijn bedoeling was eens te gaan kijken hoe ver het er mee staat. Het einde van een opnamecampagne komt pijnlijk onverwacht voor de halve buitenstaander die ik ben. Het is nu weldra een jaar geleden. Lucia en ik hadden de nare indruk plots in een vacuüm te vallen. Met een verweesd gevoel hebben we het een paar weken aangekeken. Zonder grondig overleg zijn we daarna hals over kop naar Dorset gevlucht. Ondertussen loop ik stiekum met nieuwe verfilmingsplannen. ‘Niet over mijn lijk,’ zegt Lucia, die wel vaker sterke uitdrukkingen gebruikt. ‘Enfin, je weet nooit,’ voegt ze er verzoenend aan toe. ‘Met Harry en met een serieuze produktiemaatschappij valt het misschien nog te bekijken…’
Harry duldt niet dat anderen een hand aan zijn werk steken. Ook daarom noemt men hem een brekespel. Voor de meesten is het inderdaad moeilijk kersen met hem eten. ‘Dat ligt toch voor de hand?’ zegt Lucia. ‘Een eerlijk man als hij tussen al dat steelgraag rapalje uit de filmwereld… Natuurlijk is hij een brekespel. Maar niet omdat hij zelf zijn films wil monteren of er bij staan als de kleurkopie wordt gemaakt.’ Ze heeft op een paar jaar tijds een ontzaglijke hoeveelheid vakjargon opgestoken.”

 

 
Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)
Cover

 

De Franstalige, Zwitserse dichter en schrijver Blaise Cendrars werd geboren op 1 september 1887 in La Chaux-de-Fonds. Zie ook alle tags voor Blaise Cendrars op dit blog.

 

Newspaper

Christ
Now it’s more than a year I haven’t thought of you
Since I wrote my next to last poem Easter
My life is much changed since
But I’m still the same
I even wanted to be a painter
Here are the pictures I’ve made and which tonight are hanging
on the walls
They open strange views of myself that make me think of You.

Christ
Life
There’s where I’ve rummaged

My paintings pain me
I’m too passionate
Everything’s orangey.

I’ve spent a sad day thinking of my friends
And reading the newspaper

Christ
Life crucified in the wide open newspaper I hold in my
outstretched arms
Wingspans
Rockets
Ebullition
Shouts.
You would say a plane going down.
That’s me.

Passion
Fire
Serial novel
Newspaper
You can try not to want to speak of yourself
Sometimes you have to shout

I’m the other one
Too sensitive

 

Vertaald door Ron Padgett en Jay Bochner

 

 
Blaise Cendrars (1 september 1887 – 21 januari 1961)
Portret door Amedeo Modigliani, 1917

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Rice Burroughs werd geboren in Chicago op 1 september 1875 als de zoon van een zakenman. Zie ook alle tags voor Edgar Rice Burroughs op dit blog,

Uit: Tarzan of the Apes

“On the second day after the wounding of Black Michael, Clayton came on deck just in time to see the limp body of one of the crew being carried below by four of his fellows while the first mate, a heavy belaying pin in his hand, stood glowering at the little party of sullen sailors.
Clayton asked no questions—he did not need to—and the following day, as the great lines of a British battleship grew out of the distant horizon, he half determined to demand that he and Lady Alice be put aboard her, for his fears were steadily increasing that nothing but harm could result from remaining on the lowering, sullen Fuwalda.
Toward noon they were within speaking distance of the British vessel, but when Clayton had nearly decided to ask the captain to put them aboard her, the obvious ridiculousness of such a request became suddenly apparent. What reason could he give the officer commanding her majesty’s ship for desiring to go back in the direction from which he had just come!
What if he told them that two insubordinate seamen had been roughly handled by their officers? They would but laugh in their sleeves and attribute his reason for wishing to leave the ship to but one thing—cowardice.
John Clayton, Lord Greystoke, did not ask to be transferred to the British man-of-war. Late in the afternoon he saw her upper works fade below the far horizon, but not before he learned that which confirmed his greatest fears, and caused him to curse the false pride which had restrained him from seeking safety for his young wife a few short hours before, when safety was within reach—a safety which was now gone forever.
It was mid-afternoon that brought the little old sailor, who had been felled by the captain a few days before, to where Clayton and his wife stood by the ship’s side watching the ever diminishing outlines of the great battleship. The old fellow was polishing brasses, and as he came edging along until close to Clayton he said, in an undertone:
“ ’Ell’s to pay, sir, on this ’ere craft, an’ mark my word for it, sir. ’Ell’s to pay.”
“What do you mean, my good fellow?” asked Clayton.

 

 
Edgar Rice Burroughs (1 september 1875 – 19 maart 1950)
Ron Link als Tarzan in de Nederlandse musical uit 2007

 

De Duitse dichteres en schrijfster Sabine Scho werd geboren op 1 september 1970 in Ochtrup. Zie ook alle tags voor Sabine Scho op dit blog.

 

großer ameisenbär

ein leiser zahnarmer, a-
meisen in seinem
bauch, ich sah den
regenwald brennen
und einen ameisenbären
auch, niemand mit
löschdecke trat auf
der kreislauf in flammen
organtätigkeit setzt aus
wie fühlt sich das an
lichterloh zu verenden
neulich töteten ameisenbären
zwei brasilianische bauern
ob sie ihre vitalsphäre bedrohten
und ihren lebensraum
– ist in jedem fall zu bedauern
mit messerscharfen krallen
kann man sich nicht wehren
gegen brandrodung
bricht so ein tier termiten-
hügel auf und züngelt hitzig
in alle gänge, heißt es
lauf, termite, lauf
ein körperbau in dem
lange klebzungen wohnen
bietet gewisse großzüngigkeit
für gustatorische sensationen
stell’ ich mir vor, wenn man
kerbtiere flambierte
veränderte das bei ameisenbären
die darmtätigkeit
er summte dann kaum hörbar
burning down the house
scheidet dazu schwelende
heuweltjies aus

 

 
Sabine Scho (Ochtrup, 1 september 1970)

 

De Deense schrijver Peter Adolphsen werd geboren op 1 september 1972 in Århus. Zie ook alle tags voor Peter Adolphsen op dit blog.

Het moorddadige verhaal over Ingolf Zilverfluit (Vertaald door Edith Koenders)

Het verhaal over een man met de bijzondere naam Ingolf Zilverfluit was in 1985 de oorzaak van de moord op een leerling-secretaresse uit Brøndbyøster die Karen Skjødt Larsen heette. De laatste persoon die Karen levend had gezien, de vermoedelijke moordenaar, was een jonge dichter die Asger Nygaard heette; op het tijdstip van de moord ingezetene van een vochtige kelderruimte in Vesterbro.
Karen had het verhaal van Ingolf Zilverfluit in één ruk geschreven tijdens een winterse nacht, toen ze door een hypnotiseur in een tv-programma in een toestand van diepe trance was geraakt. Een paar dagen later stuurde ze het in het net geschreven verhaal naar een damesblad, dat het retourneerde met de opmerking dat de novelle boeiend was, maar niet in hun interessesfeer lag, en ze adviseerden haar om het naar een ‘literair tijdschrift’ te sturen.
Zulke tijdschriften kende Karen niet, dus ging ze naar de bibliotheek en kreeg op haar aanvraag een heus boekwerkje aangereikt: Smart en Samenleving, Tijdschrift voor literatuur. Het leek het juiste tijdschrift. Karen stopte het verhaal over Ingolf Zilverfluit in een envelop en gooide die in de brievenbus.
Er verstreken twee maanden zonder dat ze iets hoorde, maar op een avond werd er ineens op de deur geklopt. Het was een jonge man met een zenuwachtige uitstraling en vet haar, die zich voorstelde als Asger Nygaard, redacteur van Smart en Samenleving. Karen nodigde hem ontredderd binnen en vroeg of hij een kopje koffie wilde, maar hij antwoordde kortaf dat hij liever iets met alcohol erin wilde en toevallig had ze nog een halfvolle fles Cubaanse rum. Ze schonk twee kleine glaasjes in, vooral voor de gezelligheid.
Zonder een woord te zeggen en met een nurks gebaar haalde hij het verhaal over Ingolf Zilverfluit uit zijn binnenzak en smeet het op tafel. Daarna leegde hij in één keer zijn glaasje, schonk zonder te vragen nog eens in, dronk ook dat leeg en schonk toen een derde in. Karen bevond zich zo langzamerhand op de grens van paniek.
Pas toen keek hij op en siste: ‘Het verhaal over Ingolf Zilverfluit heb ík verdomme geschreven! Ik! Van begin tot eind! Hoe kom je er in godsnaam aan, vervloekte heks?!’
Wat er daarna is gebeurd, is onbekend.”

 

 
Peter Adolphsen (Århus, 1 september 1972)

 

De Gambiaanse schrijver en chirurg Lenrie Leopold Wilfred Peters werd geboren in Bathurst op 1 september 1932. Zie ook alle tags voor Lenrie Peters op dit blog.

Uit: Katchikali

Things perplex me
irritate and disgust me
Things disaffect me
when they try
to make me crawl.

Things persecute me
Those which try to usurp me
Things that have
no meaning
without me.

Things annoy me
when others worship them
Things that approximate I
to me and are
put in my place.

Things nauseate me,
good, bad, indifferent
Things; like flies
in a calabash
of sour milk.

I prefer people
laughter and comfort
the use and pleasure of science.
But my head aches when all I hear is
THINGS, THINGS, THINGS.

 

 
Lenrie Peters (1 september 1932 – 28 mei 2009)

 

De Nederlandse schrijver Jacob(us) Jan Cremer werd geboren op in Arnhem op 1 september 1827. Zie ook alle tags voor J. J. Cremer op dit blog.

Uit: De vriend van den huize.

‘Heel lief, Suus; speel maar gerust door; ik hoor je best al praat ik. De Reeverie he? Allerliefst!’
‘Nee, de Waanzinnige wals!’
‘Ah juist, de Waanzinnige wals; die andere is, als je zoo gauw met de vingers moet tikkelen; precies! Jawel, ik hoor je heel goed. – Wat ik ook zeggen wilde menheer…. er is weinig bijzonders op die verkooping; de burgemeester schijnt geen liefhebber van mooie boeken te zijn geweest. Eenige Grieksche, Latijnsche, Hebreeuwsche, Fransche en Duitsche werken; maar vuil; weinig werken van smaak. ‘k Had zoo gehoopt dat de werkjes van…. och!? er compleet zouden zijn; dezelfde van wien ik u laatst “De min” heb voorgedragen, toen u allemaal zoo moest lachen. – Suze als ik om moet slaan, roep me dan maar. – Nee, die goeje man heeft weinig met de “letterituur” op gehad. – Och! op een dorp! Behalve hier en nog een paar families, heb ik volstrekt geen liefhebberijen gevonden. – Er was beeldig porcelein mevrouw; lange leizen, zes merken. – O wacht Suze…. Zie zoo!’
De persoon die van de piano, waar hij voor het spelende meisje ’t muziekblad had omgeslagen, naar zijn stoel bij den warmen haard terugkeerde, heette Barend Flitz, en was de eenige zoon van mijnheer Flitz en mejufvrouw Flitz, geboren…. dat weet ik niet.
Wat mijnheer Flitz Senior in vroegere dagen geweest was, ’t zij stukadoor of metselaar, of wat ook; sommigen waren wel zeer nieuwsgierig geweest om daarvan het rechte te weten, doch, nadat de heer Flitz Junior, op Vredelust bij den rijken heer Gliekke vriendschappelijk werd ontvangen, overtuigd als deze was dat de heer Flitz Senior fatsoenlijk rentenierde, en zijn zoon – kandidaatnotaris, eenmaal ook notaris zou worden, hield men het in ’t dorp ook voor vast, dat de kandidaat Flitz, die op ’t kantoor van Van Saffelen ‘in de leer was,’ de zoon van fatsoenlijke lieden moest zijn.
Wij zullen u, waarde lezer, niet langer met de Flitzen bezig houden, maar alleen den jongen kandidaat wat nader beschouwen, om daarna den slappen draad van het gesprek weer op te vatten.
Barend was acht en twintig jaren oud; zijn gelaat, niet onaangenaam van uitdrukking, bezat echter niets ’t welk het een of ander deed verwachten. Wilt ge zijn signalement?”

 

 
J. J. Cremer (1 september 1827 – 5 juni 1880)

 

De Vlaamse dichter Kris Pint werd geboren in Halle op 1 september 1981. Zie ook alle tags voor Kris Pint op dit blog.

 

De Reizigster

Achter de deuren stelt
zich de wet die hem
aan mij bindt, maar
achter het behang

wacht wat blijft als ik
wegga: hij hoort mijn
stilte als een vonnis
aan, langs mijn wang

verglijden zijn handen
als rimpels op stilstaand
water: nooit blijf ik lang

de zinkende stenen
staan als avondkoffers
gepakt in de gang.

 

 
Kris Pint (Halle, 1 september 1981)

Lydia Sigourney

De Amerikaanse dichteres Lydia Sigourney werd geboren als Lydia Howard Huntley in Norwich,Connecticut, op 1 september 1791 als enige dochter van een tuinman. Ze werd algemeen bekend als de “Sweet Singer of Hartford”. De meeste van haar werken werden gepubliceerd onder haar aanspreektitel Mrs. Sigourney. Ze bezocht een privéschool en opende in 1811 samen met haar vriendin Nancy Maria Hyde een school voor jonge dames in Norwich. De school moest sluiten toen Hyde ziek werd en niet meer in staat was les te geven. Na de sluiting van de school in Norwich, leidde ze van 1814 tot 1819 een soortgelijke school in Hartford in het huis van Daniel Wadsworth. In 1815 publiceerde Sigourney haar eerste boek, “Moral Pieces in Prose and Verse”. In 1819 trouwde ze met Charles Sigourney, een rijke weduwnaar met drie kinderen. Ze vestigden zich in Hartford en kregen vijf kinderen, van wie er drie stierven in de kindertijd. Haar man moedigde haar aan om haar tijd te besteden aan schrijven, maar verzocht om haar werk anoniem te publiceren. Ze deed dit tot 1833, toen het gezin financiële problemen had. Onder haar eigen naam kreeg Sigourney snel succes en publiceerde ze tientallen poëzie- en essaybundels. Haar poëzie houdt zich vaak bezig met Native Americans en anti-slavernij in een religieuze context en neemt vaak de vorm aan van een elegie. Sigourney werkte als redacteur voor Godey’s Lady’s Book en publiceerde haar werk in vele tijdschriften. Tijdens een reis door Europa in 1840 ontmoette Sigourney schrijvers waaronder Maria Edgeworth, William Wordsworth en Thomas Carlyle, een ervaring waarover ze schreef in “Pleasant Memories of Pleasant Lands” (1842). Haar memoires “Letters of a Life” (1866) werden postuum gepubliceerd.

 

Death Of An Infant

Death found strange beauty on that cherub brow,
And dash’d it out. There was a tint of rose
On cheek and lip;–he touch’d the veins with ice,
And the rose faded.–Forth from those blue eyes
There spoke a wishful tenderness,–a doubt
Whether to grieve or sleep, which Innocence
Alone can wear. With ruthless haste he bound
The silken fringes of the curtaining lids
For ever. There had been a murmuring sound
With which the babe would claim its mother’s ear,
Charming her even to tears. The spoiler set
His seal of silence. But there beam’d a smile
So fix’d and holy from that marble brow,–
Death gazed and left it there;–he dared not steal
The signet-ring of Heaven.

 

The Indian’s Welcome To The Pilgrim Fathers

Above them spread a stranger sky
Around, the sterile plain,
The rock-bound coast rose frowning nigh,
Beyond,–the wrathful main:
Chill remnants of the wintry snow
Still chok’d the encumber’d soil,
Yet forth these Pilgrim Fathers go,
To mark their future toil.

‘Mid yonder vale their corn must rise
In Summer’s ripening pride,
And there the church-spire woo the skies
Its sister-school beside.
Perchance ‘mid England’s velvet green
Some tender thought repos’d,–
Though nought upon their stoic mien
Such soft regret disclos’d.

When sudden from the forest wide
A red-brow’d chieftain came,
With towering form, and haughty stride,
And eye like kindling flame:
No wrath he breath’d, no conflict sought,
To no dark ambush drew,
But simply to the Old World brought,
The welcome of the New.

That welcome was a blast and ban
Upon thy race unborn.
Was there no seer, thou fated Man!
Thy lavish zeal to warn?
Thou in thy fearless faith didst hail
A weak, invading band,
But who shall heed thy children’s wail,
Swept from their native land?

Thou gav’st the riches of thy streams,
The lordship o’er thy waves,
The region of thine infant dreams,
And of thy fathers’ graves,
But who to yon proud mansions pil’d
With wealth of earth and sea,
Poor outcast from thy forest wild,
Say, who shall welcome thee.

 

 
Lydia Sigourney (1 september 1791 – 10 juni 1865)
Portret door C. A. Gray tussen 1855 en 1865

Annie Ernaux

De Franse schrijfster Annie Ernaux werd geboren in Lillebonne op 1 september 1940. Annie Ernaux bracht haar kindertijd door in Yvetot, Normandië. Ze groeide op in een onbemiddeld milieu, haar ouders waren eerst arbeiders, later kleine middenstanders. Ze studeerde romanistiek aan de Universiteit van Rouen. Vanaf begin jaren 70 werkte ze als docente op middelbare scholen, daarna bij het Centre National d’Enseignement à distance. Vrijwel al het werk van Ernaux is autobiografisch van aard. Haar eerste roman, “Les Armoires vides” (De lege kasten), uit 1974, gaat over haar Normandische kindertijd, haar tweede, “Ce qu’ils disent ou rien” (1977), over haar adolescentie, haar derde, “La femme gelée” (De bevroren vrouw), uit 1981, over haar huwelijk. In 1984 kreeg ze de Prix Renaudot voor La Place (“De plek”), waarin de maatschappelijke stijging van haar vader centraal staat. Ook schreef ze over haar abortus (“L’événement”), over de ziekte van Alzheimer (“Je ne suis pas sortie de ma nuit”) en later de dood (“Une femme”) van haar moeder, en over borstkanker (“L’usage de la photo”). “Les Années”, verschenen in 2008, werd bekroond met de prix Marguerite Duras, de prix François Mauriac en de prix de la langue française.

Uit: La femme gelée

« Un mois, trois mois que nous sommes mariés, nous retournons à la fac, je donne des cours de latin. Le soir descend plus tôt, on travaille ensemble dans la grande salle. Comme nous sommes sérieux et fragiles, l’image attendrissante du jeune couple moderno-intellectuel. Qui pourrait encore m’attendrir si je me laissais faire, si je ne voulais pas chercher comment on s’enlise, doucettement. En y consentant lâchement. D’accord je travaille La Bruyère ou Verlaine dans la même pièce que lui, à deux mètres l’un de l’autre. La cocotte-minute, cadeau de mariage si utile vous verrez, chantonne sur le gaz. Unis, pareils. Sonnerie stridente du compte-minutes, autre cadeau. Finie la ressemblance. L’un des deux se lève, arrête la flamme sous la cocotte, attend que la toupie folle ralentisse, ouvre la cocotte, passe le potage et revient à ses bouquins en se demandant où il en était resté. Moi. Elle avait démarré, la différence. Par la dînette. Le restau universitaire fermait l’été. Midi et soir je suis seule devant les casseroles. Je ne savais pas plus que lui préparer un repas, juste les escalopes panées, la mousse au chocolat, de l’extra, pas du courant. Aucun passé d’aide-culinaire dans les jupes de maman ni l’un ni l’autre. Pourquoi de nous deux suis-je la seule à me plonger dans un livre de cuisine, à éplucher des carottes, laver la vaisselle en récompense du dîner, pendant qu’il bossera son droit constitutionnel. Au nom de quelle supériorité. Je revoyais mon père dans la cuisine. Il se marre, « non mais tu m’imagines avec un tablier peut-être ! Le genre de ton père, pas le mien ! ». Je suis humiliée. Mes parents, l’aberration, le couple bouffon. Non je n’en ai pas vu beaucoup d’hommes peler des patates. Mon modèle à moi n’est pas le bon, il me le fait sentir. Le sien commence à monter à l’horizon, monsieur père laisse son épouse s’occuper de tout dans la maison, lui si disert19, cultivé, en train de balayer, ça serait cocasse, délirant, un point c’est tout. À toi d’apprendre ma vieille.Des moments d’angoisse et de découragement devant le buffet jaune canari du meublé20, des oeufs, des pâtes, des endives, toute la bouffe est là, qu’il faut manipuler, cuire. Fini la nourriture-décor de mon enfance, les boîtes de conserve en quinconce, les bocaux multicolores, la nourriture surprise des petits restaurants chinois bon marché du temps d’avant. Maintenant, c’est la nourriture corvée.”


Annie Ernaux (Lillebonne, 1 september 1940)

Dolce far niente, William Saroyan, Sander Kok, Éric Zemmour, Wolfgang Hilbig

 

Dolce far niente

 


The End of Summer door Marjorie Laird, 1984

 

End of Summer

An agitation of the air,
A perturbation of the light
Admonished me the unloved year
Would turn on its hinge that night.

I stood in the disenchanted field
Amid the stubble and the stones,
Amazed, while a small worm lisped to me
The song of my marrow-bones.

Blue poured into summer blue,
A hawk broke from his cloudless tower,
The roof of the silo blazed, and I knew
That part of my life was over.

Already the iron door of the north
Clangs open: birds, leaves, snows
Order their populations forth,
And a cruel wind blows.

 
Stanley Kunitz (29 juli 1905 – 14 mei 2006)
Worcester, Massachusetts, de geboorteplaats van Stanley Kunitz

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werdgeboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook alle tags voor William Saroyan op dit blog.

Uit: Madness in the Family

“Going mad was a specialty of the family. Until a man had gone mad, it was understood that he was still a boy. If he never did, he was not the equal of those who had. Only a few reached the age of thirty unseized, and, over a period of a cen-tury, only two or three members of the family went the whole distance unseized. More than a few took the trip several times, after which they were considered wise men, or perhaps even holy men, as if they had made the pilgrimage to Jerusalem, as, in a sense, they had. With the women it was another matter, although most of them took the trip too; but with the help of the other women in the family, their journeying was fairly well con-cealed. Women on the trip tended to reject their children, their brothers and sisters, their parents, their parents’ parents, and themselves. Their madness was justified and reasonable, which may have made its concealment a relatively simple mat-ter. The demands on women for diplomatic behavior were so severe and so taken for granted by the men that madness was upon the women practically all of the time. With the men the madness took several traditional forms, including a repudiation of God, or rather of Jesus and Christianity, since nothing but trouble had come of the Father, the Son, the Holy Ghost, and the Church. Another com-mon form of the madness was a total rejection of the human race, based upon ancient and contemporary evidence that the human race was criminal and contemptible. Oddly. however, this rejection stopped at the threshold of the madman himself, who, during the seizure, whether brief or prolonged, consid-ered himself alone to be the only hope of the human race. His wife was a stranger—some crazy man’s daughter. His kids were tricks played on him by shabby genetics. His brothers and sisters were simpletons, his parents sleepwalkers. Yet another form of the madness was a conviction that all was in vain. all was corrupt, all was useless, all was hopeless. In Bitlis my father. Manak, was considered wise and worthy because he had made the trip to madness before he was twelve, which was uncommon. During the year of his rage. he went about his life and work pretty much the same a.5 (NM except that people avoided him, because anybody who looked him full in the face saw that he was on his way. and not receptive to small talk. But once the trip was over, there wasn’t an easier man to have around. Difficult questions were put to him by the oldest men, which he answered immediately, with unmistakable appropriateness. In the most complicated dis-putes, he was called upon to pass judgment, and his decisions were instantly accepted by both sides. When the tribe packed up and came to America, first to New York, and then to California, the family madness con-tinued, but the form changed. Of course, this was to be ex-pected. since America was another kind of place entirely. The whole family hadn’t one member buried here.”

 


William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)

 

De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Zie ook alle tags voor Sander Kok op dit blog.

Uit: Smeltende vrouw

“De relatie tussen hemzelf en zijn vrouw was gelijkwaardiger. Elke zaterdag zag hij vanuit het raam van zijn werkkamer de buurman naast diens blauwe sportwagen staan en hem liefdevol wassen en opwrijven. De auto blonk als een gepoetst sieraad, in het dak scheen de zon. Soms moest hij het schouwspel een keer missen, omdat hij een afspraak had en een enkele keer omdat hij zelf bezig was zijn Neeltje te wassen. Dat deed hij dagelijks op niet-vaststaande tijden, dus het kwam voor dat het toevallig samenviel met het tijdstip waarop Andriessen zijn sportwagen waste. Ieder het zijne, dacht hij dan. Andriessens lijf was breed en lang als van een basketballer. Heel anders dan zijn eigen lijf, dat je gerust ondermaats kon noemen. De man liep elke zaterdag op dezelfde wijze rond zijn auto: peinzend, soms met een vinger de lak bestrijkend, tot hem iets in het oog sprong en hij daarop zijn volle aandacht richtte. De neuroot. Altijd stond dat rood-zwart gestippelde emmertje sop aan de voorkant van de auto en lag de groen-geel gestreepte tuinslang als een krul er voorlangs. Altijd de blauwe overall. Soms, zoals nu, was het koud en droeg de buurman er een fleecetrui onder en wanten aan zijn handen. Het vroor en het warme water dampte van de auto, alsof deze gevuld was met geesten die door het dak ontsnapten. Het was bijna aandoenlijk hoe liefdevol zijn buurman wekelijks met grote en kleine halen zijn auto waste en opwreef en nooit te hard leek te willen drukken; en hoe hij steeds hetzelfde patroon volgde. Eerst waste hij de velgen en de lampen, dan de ruiten en de lak, waarna hij zijn emmertje sop over het dak kieperde en over de licht gebolde motorkap, waarvan Reukens vermoedde dat het Andriessens lievelingsonderdeel was, omdat hij er extra aandacht aan besteedde. Daarna spoelde hij hem langdurig af met water uit de tuinslang en wreef hij hem nog langduriger op met een geel of blauw vezeldoekje, dat soms tijdens de beurt vervanging nodig had omdat het niet meer voldeed. Hij kuste hem niet en talkpoeder liet hij achterwege. Reukens liep naar de badkamer om de emmer te halen. De mens kan andermans geluk zien, maar niet begrijpen, dacht hij.
Voor de klas is geen dag hetzelfde, had een collega beweerd op Reukens’ eerste werkdag. Op het grijze gezicht van de man lag een prikkelbaar soort trots dat geen tegenspraak duldde. Reukens had niets gezegd. De man zijn trots duidde op angst dat zijn geloof aan het wankelen werd gebracht. Angst en trots liggen vlak naast elkaar, wist Reukens. Trots is een defensiemechanisme tegen angst, zoals angst misschien een defensiemechanisme is tegen een overdaad aan trots. Voor de klas staan was vermoeiend. Vijf dagen per week staarde hij in dezelfde dode ogen en bevocht de gedachte dat hij de wereld misschien beter van dienst kon zijn vanachter de glazen toonbank van een ijssalon of snackbar.”

 

 
Sander Kok (Arnhem, 31 augustus 1981)

 

De Franse schrijver en journalist Éric Zemmour werd geboren op 31 augustus 1958 in Montreuil-sous-Bois, vlakbij Parijs. Zie ook alle tags voor Éric Zemmour op dit blog.

Uit: Un quinquennat pour rien

« 17 novembre 2015
Bombarder Molenbeek
La guerre !, dit Hollande. La guerre !, dit Valls. La guerre dit Cazeneuve. Une guerre impitoyable, dit Hollande. Que nous allons gagner, dit Valls. Notre guerre, disent les médias. La guerre pour jouer au chef de guerre. La guerre pour appeler à l’unité nationale. La guerre pour remonter dans les sondages. La guerre. Quelques bombardements de plus ou de moins, dans une Syrie transformée en terrain vague. Une guerre française dans les fourgons de l’année américaine. Une guerre en Syrie qui s’ajoute à celle d’Irak et d’Afghanistan ou de Lybie qui ont aggravé le mal qu’elles étaient censées anni-hiler. Des guerres aux côtés de l’Arabie Saoudite, du Qatar, de la Turquie, qui ont fabriqué, équipé, financé la milice de Daech. Leur milice Comme ils avaient fabriqué, équipé, financé al-Qaida. Avec la bénédiction des services secrets de l’Oncle Sam. Nos alliés, nos amis, nos clients, qui partagent avec l’État islamique la même haine de l’Iran et la même conception rigoriste de l’islam. Daech applique le droit canonique du Moyen Âge, recon-nait l’imam de Bordeaux, Tareq Oubrou, grand ami d’Alain Juppé, et présenté comme l’incarnation d’un islam républicain en dépit de son appartenance à la confrérie des Frères musulmans. Mais l’islam, justement, n’a pas bougé depuis le Moyen Age. Il n’a pas été discuté, amendé, réformé, moder-nisé. Quand Daech cite des sourates du Coran pour légitimer ses actes sanglants, on peut dire que ce n’est pas le vrai islam. Mais c’est une vraie sourate dans le vrai Coran. La France est pour eux la quintessence du mal : à la fois pays des croisés, des blasphémateurs et des idolâtres. Comme au temps béni du califat où l’islam s’étendait de l’Inde à l’Espagne. Quand on prétend mener une guerre, il faut connaître l’ad-versaire pour le vaincre. François Hollande craint même de prononcer son nom I Parle de terroristes pour ne pas dire islamistes. Fustige Daech pour ne pas dire Etat islamique. Le gouvernement socialiste accepte de laisser en liberté sur notre territoire plus de dix mille terroristes potentiels, tous fichés par nos services de police sous la catégorie « S ». Ne pas les expul-ser. Ne pas les enfermer. Respect de l’État de droit. Pas d’amal-game. Le ministre de l’Intérieur Bernard Cazeneuve déclarait en 2014: « Ce n’est pas un délit de prôner le djihad. » Sa collègue de la place Vendôme prône une justice bienveillante évitant la prison qu’elle juge criminogène. Christiane Taubira a été entendue. lune’ Mostefai, l’un des tueurs du Bataclan, avait été condamné à huit reprises mais jamais emprisonné. Au moins, ce n’est pas en prison qu’il s’est radicalisé. Au lieu de bombarder Raqqa, la France devrait bombarder Molenbeek. Raqqa en Syrie, Molenbeek en Belgique, d’où sont venus les commandos du vendredi 13. Mais les frontières entre pays européens ne servent plus à rien depuis les accords de Schengen.”

 

 
Éric Zemmour (Montreuil-sous-Bois, 31 augustus 1958)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Hilbig werd geboren in Meuselwitz op 31 augustus 1941. Zie ook alle tags voor Wolfgang Hilbich op dit blog.

 

Episode

im düstern kesselhaus im licht
rußiger lampen plötzlich auf dem brikettberg
saß ein grüner fasan
ein prächtiger clownsilbern und grün den leuchtend roten reif am hals mit
unverwandtem aug mit dem großen gelben schnabel aufmerksam
zielte er auf mich
so war er herrlicher und schöner
als ein surrealistischer regenschirm auf einer nähmaschine
wie er dort saß genau und furchtlos verirrt
auf seinem schwarzen gipfel

konversation fand nicht statt
ich bewegte mich und er flog davon durch die offene tür
doch von weit her den geruch der sonne den duft
seines farbigen gelächters ließ er hier in der nacht
und ich verwarf alle mühe das leben mythisch zu sehen

und als das kausale grinsen meines kopfes
von energie und frost gefressen in die nacht verschwand
glaubte ich nicht mehr an den untergang
der wahrnehmungen in der finsternis.

 

Episode

in het sombere ketelhuis in het licht
van beroete lampen op de brikettenberg plotseling
zat een groene fazant
een prachtige clown
zilver en groen de lichtend rode ring om zijn hals met
onafgewend oog met de grote gele snavel opmerkzaam
had hij het op mij gemunt
zo was hij heerlijker en schoner
dan een surrealistische paraplu op een naaimachine
zoals hij daar zat nauwkeurig en vreesloos verdwaald
op zijn zwarte bergtop

gesprek vond niet plaats
ik bewoog mij en hij vloog weg door de open deur
maar van verre de reuk van de zon de geur
van zijn kleurrijk gelach liet hij hier in de nacht
en alle moeite het leven mythisch te zien verwierp ik

en toen de causale grijns van mijn hoofd
door energie en vorst weggevreten in de nacht verdween
geloofde ik niet meer aan de ondergang
der waarnemingen in de duisternis.

 

Vertaald door Ad den Besten

 

 
Wolfgang Hilbig (31 augustus 1941 – 2 juni 2007)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2017.
 

Dolce far niente, Jan Wolkers, Charles Reznikoff, François Cheng, Mary Wollstonecraft Shelley

 

Dolce far niente

 

 
Laat augustus licht door Tom Chistopher, z.j.

 

Na de zomer

I
De kreukels van het loof,
Vermoeid gesteente
Met flinterdunne nerven
Dat zijn bladeren ontvouwt
En neer laat dalen
Tot geel geschuifel.
Het lila van de herfst
Op bleke stelen
Zakt rottend weg
In drassigheid.
Het besef: Wij waren
Er even bij –
Een voetstap
Die geen echo achterlaat.

II
De onverschrokkenheid
Van zonlicht op de stammen,
Luchtige helderheid
Tussen de kruinen.
De dode damp stijgt op
Als lispelen.
De eenvoud van de
Directe waarneming.
We sluiten de deur,
En verdwijnen geruisloos.
Wat is sterven toch mooi
Als het grind zijn tol betaalt –
De bevrijdende schreeuw
Blijft onhoorbaar.

 

 
Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)
Prentbriefkaart uit 1903 met het Groene Kerkje in Oegstgeest, de geboorteplaats van Jan Wolkers. In 1954 werd de klimop verwijderd voor een grote restauratie.

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

 

His father carved umbrella handles

His father carved umbrella handles, but when umbrella
handles were made by machinery, there was only one
man for whom his father could work.
The pay was small, though it had once been a good trade.
They lived in the poorest part of the ghetto, near the lots
where people dump ashes.
His father was anxious that his son should stay at school and
get out of the mess he himself was in. “Learning is the
best merchandise,” he would say.
His father died; there was his mother to be taken care of. He
taught in a school in the ghetto.
Some pupils came at nine and stayed until three; others came
after public school and stayed until evening; most of the
pupils came in the evening.
The courses were crammed, lasting a few months, pupils and
teachers anxious to be rid of the matter as soon as
possible.
So he worked day and night, week-days and Sunday.

His mother was dead. It was cold in the street and windy. A
dry snow had fallen and the feet of the walkers were
turning it into brown sand.
He was forty.
Now he was free. To do what? He knew no one whom he
cared to marry. And who would go into his poverty?
If he were to give up this work he knew so well, to what else
could he turn?
He would just keep on. He had lost this world and knew there
was no other.

 

A Group Of Verse

I
All day the pavement has been black
With rain, but in our warm brightly-lit
Room, praise God, I kept saying to myself,
And saying not a word,
Amen, you answered.

II
From my window I could not see the moon,
And yet it was shining:
The yard among the houses—
Snow upon it—
An oblong in the darkness.

III
Among the heaps of brick and plaster lies
A girder, itself among the rubbish.

IV
Rooted among roofs, their smoke among the clouds,
Factory chimneys—our cedars of Lebanon.

V
What are you doing in our street among the automobiles,
Horse?

 

 
Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

De Chinees-Franse dichter, schrijver en vertaler François Cheng werd geboren op 30 augustus 1929 in Nanchang in China. Zie ook alle tags voor François Cheng op dit blog.

 

La vraie gloire est ici

La vraie gloire est ici,
Nous passons à c8té.
Quelques jades croqués,
Et maints lotus mâchés,
Au travers des ténèbres
Un jour nous périrons !

La vraie voie est ici,
Nous passons à c8té.
Mousse ou limon mâché,
Lave ou glace croquée,
Mourant de nostalgie,
Périrons-nous un jour ?

La vraie vie dès ici,
Par ici nous passons.
Nous aurons toujours soif,
Et toujours aurons faim,
Au travers des ténèbres,
Jamais ne périrons.

Ici la gloire ? Oui, c’est ici
Quc, damnés, nous avons appris
À nous sauver par le chant —Aron
Qui nous conduit au vrai royaume.

 

À la source du Long Fleuve

Austères glaciers,
tendre filet d’eau,

Voici que le fleuve retourne à sa source,
Que nous terminons notre grand périple.

Tant de jours à longer le fleuve millénaire,
Toujours à contre-courant, à contretemps,
À sillonner l’aride haut plateau,
Creusé de ravins, menacé de vautours,

À traquer chairs crues et fruits sauvages,
À dormir à marne les herbes virginales,

À traverser le lac aux étoiles, poussant plus loin
Nos corps tatoués de gelures, de brûlures,

Minuscule caravane à bout d’endurance,
En ce point de l’ultime rendez-vous,

Où toute fin est commencement.
Austères glaciers, Tendre filet d’eau…

 

 
François Cheng (Nanchang, 30 augustus 1929)

 

De Engelse schrijfster Mary Wollstonecraft Shelley werd geboren op 30 augustus 1797 in Somers Town, London. Zie ook alle tags voor Mary Wollstonecraft Shelley op dit blog.

Uit: Frankenstein

“Yet do not suppose, because I complain a little or because I can conceive a consolation for my toils which I may never know, that I am wavering in my resolutions. Those are as fixed as fate, and my voyage is only now delayed until the weather shall permit my embarkation. The winter has been dreadfully severe, but the spring promises well, and it is considered as a remarkably early season, so that perhaps I may sail sooner than I expected. I shall do nothing rashly: you know me sufficiently to confide in my prudence and considerateness whenever the safety of others is committed to my care.
I cannot describe to you my sensations on the near prospect of my undertaking. It is impossible to communicate to you a conception of the trembling sensation, half pleasurable and half fearful, with which I am preparing to depart. I am going to unexplored regions, to “the land of mist and snow,” but I shall kill no albatross; therefore do not be alarmed for my safety or if I should come back to you as worn and woeful as the “Ancient Mariner.” You will smile at my allusion, but I will disclose a secret. I have often attributed my attachment to, my passionate enthusiasm for, the dangerous mysteries of ocean to that production of the most imaginative of modern poets. There is something at work in my soul which I do not understand. I am practically industrious–painstaking, a workman to execute with perseverance and labour–but besides this there is a love for the marvellous, a belief in the marvellous, intertwined in all my projects, which hurries me out of the common pathways of men, even to the wild sea and unvisited regions I am about to explore.
But to return to dearer considerations. Shall I meet you again, after having traversed immense seas, and returned by the most southern cape of Africa or America? I dare not expect such success, yet I cannot bear to look on the reverse of the picture. Continue for the present to write to me by every opportunity: I may receive your letters on some occasions when I need them most to support my spirits. I love you very tenderly. Remember me with affection, should you never hear from me again.
Your affectionate brother, Robert Walton »

 

 
Mary Shelley (30 augustus 1797 – 1 februari 1851)
Poster voor de gelijknamige film met Boris Karloff uit 1931

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e augustus ook mijn blog van 30 augustus 2017 en ook mijn blog van 30 augustus 2016.

Dolce far niente, Margreet Spoelstra, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, Oliver Wendell Holmes Sr.

 

Dolce far niente

 


Zomerraam door Stanislav Joukovski, ca. 1930

 

Seizoenen

Ik sprokkel late stukjes
zomer in fragmenten
geel. De lente laat ik heel.
Het schuchter groen – nog nooit
kon ik wat aarzelt breken.

Jouw geur vleugt onvergeten door het gras.
Weet jij de bomen nog? En nog
waarom het was dat ooit
de herfst begon en onze dromen
met de vogels weken?

Nee, spreek niet van de winter –
het wordt nacht – de winter wacht wel
want de tijd beweegt zich
zonder haast nu
van ons af.

Kom, sluit je ogen en vergeet
voor even alle storm, de kou
en laat het donker aan voorbije dagen
en laat de zon aan wat niet meer zal zijn.
Ik open de gordijnen.

Dan, in het strijklicht van de maan,
herken ik je
en heb ik je
nog even
lief.

 

 
Margreet Spoelstra (Vrouwenpolder, 1952)
Vrouwenpolder, de geboorteplaats van Margreet Spoelstra

 

De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zie ook alle tags voor Hugo Brandt Cortius op dit blog.

Uit: Taal

“Als er een goed geschreven boek over ademhalingstechnieken zou verschijnen, lijkt het me waarschijnlijk dat ik vóór het eind bereikt te hebben gestikt ben. Een dergelijk effect heeft Edward Sapir’s Language. In de hoofdstukken die de zinsconstructie behandelen is het zwaar lezen omdat men op iedere zin de theorie gaat toepassen en de zin van de zin de lezer dus ontgaat. Bij andere hoofdstukken kunt u beter uit de buurt van medemensen blijven omdat u verplicht bent hottentotse woordcombinaties uit te spreken.
Ondanks deze moeilijkheden is het klassieke boek van Sapir over de taal uiterst lezenswaardig. Het is geen gewoonte herdrukken te bespreken, maar de verschijning in de Harvest Books-reeks verdient wel een vermelding omdat dit nog steeds het boek is dat iedereen lezen moet die belangstelling voor ‘taal’ heeft. En wie heeft dat niet? Er was een tijd dat de taalwetenschap een typische lekenwetenschap was, een hobby voor de avonduren. De etymologie is er nog niet geheel van bekomen. Zo’n algemene belangstelling heeft zeker zijn goede zijden, al was het maar om Hillenius de gelegenheid te geven een nieuwe theorie te ontwikkelen, maar er zijn ook nadelen in de vorm van allerlei roestige misverstanden. De werkwijze van Sapir is dat hij in elk hoofdstuk begint met de bestrijding van allerlei misvattingen. Na deze zuivering kan hij dan zijn gang gaan. Het negatieve bestanddeel is zeker niet het onbelangrijkste gedeelte: taal heeft geen onomatopeïsche oorsprong, er bestaat geen hierarchie in de talenverzameling, de taal is geen uiting van het nationaal temperament, taal, ras en cultuur zijn begrippen die niet corresponderen. Zijn Duitse jeugd en de kennis van alle oorspronkelijke Indianentalen verhinderen Sapir niet om dit in buitengewoon helder Engels uiteen te zetten.
Het positieve blijft niet achterwege: de definitie van taal, de spraakelementen, de fonetiek, de grammatica, de syntaxis, de verandering van een taal, de wederzijdse beïnvloeding, literatuur en taal, al deze onderwerpen worden door Sapir behandeld op een wijze die nu na dertig jaar nog steeds in grote trekken aanvaardbaar is.
Eén probleem blijft onopgelost: Hoe komen we aan onze taal? We kennen dank zij Sapir een aantal manieren waarop het zeker niet gegaan is, maar hoe het wel ging is nog duister.
Deze vraag is door speculatie niet op te lossen. De toch niet onverstandige Simon Stevin kwam door bespiegelingen tot de conclusie dat er in het paradijs Nederlands werd gesproken. Alleen de empirische methode kan hier baat brengen.”

 

 
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935– 28 februari 2014)

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook alle tags voor Elma van Haren op dit blog.

 

Twee mannen

In krullen vleien zich de herinneringen vast
aan deze man, die anders is, meer doet denken aan.
– Eén kant verdampt al,
een gedaante, lopend door kokende regen.
Nu hij zijn rechterbeen vooruit zet,
vervaagt het been.
Zijn arm wordt bleekgroen,
alsof je door een beslagen ruit kijkt,
waarover druppels lopen.
Een spoor, een staart
van dun water achter zich aan,
het zaad van die man of het haar van die man,
half uit water, half uit vlees,
als een droom over een man.
Hij is gemaakt van schuim, vol blonde haartjes,
die op zijn voeten beginnen, omhoog,
tot aan de grens waar hij zich scheert –
Maar deze man is donker en duidelijk aanwezig.
’s Ochtends heft hij zijn gewichten, hij is naakt en
laat zijn spieren bewegen.
Dan komt de herinnering binnen rollen,
omkrullend door de zon,
verbleekt, blond.

De één heeft iedere band met de mensen verbroken.
Hij is onverstoorbaar in zijn onrust,
een schildpad,
een eiland op weg naar de zee.
De ander haalt de mensen bij zich binnen
met woorden als haken.
In hem staat een kind, dat roept naar de volwassenen.
Het kijkt naar hen op en roept, U, U

 

 
Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954)
Roosendaal

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, arts en hoogleraar Oliver Wendell Holmes Sr. werd geboren in Cambridge op 29 augustus 1809. Zie ook alle tags voor Oliver Wendell Holmes Sr. Op dit blog.

 

Sun And Shadow

As I look from the isle, o’er its billows of green,
To the billows of foam-crested blue,
Yon bark, that afar in the distance is seen,
Half dreaming, my eyes will pursue:
Now dark in the shadow, she scatters the spray
As the chaff in the stroke of the flail;
Now white as the sea-gull, she flies on her way,
The sun gleaming bright on her sail.

Yet her pilot is thinking of dangers to shun,–
Of breakers that whiten and roar;
How little he cares, if in shadow or sun
They see him who gaze from the shore!
He looks to the beacon that looms from the reef,
To the rock that is under his lee,
As he drifts on the blast, like a wind-wafted leaf,
O’er the gulfs of the desolate sea.

Thus drifting afar to the dim-vaulted caves
Where life and its ventures are laid,
The dreamers who gaze while we battle the waves
May see us in sunshine or shade;
Yet true to our course, though the shadows grow dark,
We’ll trim our broad sail as before,
And stand by the rudder that governs the bark,
Nor ask how we look from the shore!

 

 
Oliver Wendell Holmes Sr. (29 augustus 1809 – 7 oktober 1894)

 

Zie voor de schrijvers van de 29e augustus  ook mijn blog van 29 augustus 2016 en ook mijn blog van 29 augustus 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Margreet Spoelstra

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichteres en schrijfster Margreet Spoelstra werd geboren in Vrouwenpolder in 1952. Spoelstra volgde een opleiding aan de Sociale Academie en werd in 1979 maatschappelijk werkster in Eindhoven. In 1985 startte ze met de opleiding theologie in Utrecht, die zij later vervolgde in Amsterdam. Nadat ze een periode werkzaam was als pastor in de oecumenische basisgemeente “Jonge Kerk” in Roermond, werd ze geestelijk verzorger in de gezondheidszorg. Vanaf 1992 is zij als dichteres actief. Het werk van Spoelstra wordt gekarakteriseerd als muzikaal. In 1996 publiceerde zij de bundel “Blauwe regen”, in 2000 gevolgd door “Cirkels en lijnen”. In 2003 verscheen de CD Zomerregen met teksten van onder anderen de dichteressen M. Vasalis, Judith Herzberg en Ida Gerhardt en met een tekst van Spoelstra: “Beth, een huis voor onderweg”. Teksten van Spoelstra zijn ook opgenomen in “Zingenderwijs” (2005), een bundel nieuwe teksten op bestaande religieuze melodieën met bijdragen van onder meer Huub Oosterhuis. In 2015 verscheen de verhalenbundel “Kleuren van Kloostervelden”.

Gras

het was heel vreemd ik wist het ook pas later
de trein was al het wit alweer voorbij
dat kievitwit van weiden en de snater
van ongehoorde eenden en toen hij

weer ademhaalde en mijn kaartje vroeg
was het alsof de nooit geweest vervlogen
herinnering dat lichte niet verdroeg
ik vond mijn kaartje met gesloten ogen

een muur vol graffiti een brug die brult
wat late spruitjes nog en boerenkolen
volkstuinen bol van narcis en violen
een bel, een overweg, een groene molen

maar ergens weet ik gras dat witverscholen
een conducteur en mij van licht vervult

 

Keervers

als rood en weemoedig het daglicht gaat liggen
commissies weer zwijgen den haag zich verbergt

tirannen in bunkers de weldoener spelen
de lente een klaproos op slagvelden legt

als kinderen vragen waar vaders naar toe zijn
als wie er asiel zoekt geen brood krijgt maar steen

dan weet ik van zeeën
van nooit en nog verder
en dat liefde vluchtte
per voertuig verdween

er stroomt nog wat water door stille rivieren
er houdt nog één boompje haar blad even vast

de adem van morgen valt wit op de golven
legt zorgzaam een deken op hemelsblauw gras

 

 
Margreet Spoelstra (Vrouwenpolder, 1952)