Christina Guirlande, Andreas Reimann, Kurt Vonnegut, Noah Gordon, Louis de Bougainville

De Belgische dichteres en schrijfster Christina Guirlande werd als Godelieve De Beule geboren te Moerzeke bij Dendermonde op 11 november 1938. Zie ook alle tags voor Christina Guirlande op dit blog.

 

Oude boom

Er werd een boom geslacht. Hij kende mij
al jaren. De zijne waren uitgeteld in
ringen van zijn zieke stam. Men vond
dat het nu tijd was voor de bijl. Zijn bast
liet los als huid, zijn binnenste vermolmd

en uitgevreten, maar in zijn hoofd
woonden nog vogels als gehaaide krakers,
pronkten nog takken met het groen
van malachiet. De boom verdedigde zich
niet, hij kreunde zacht tussen de slagen door.

Nu warm ik mij behaaglijk aan zijn dood,
gooi brokken van zijn leven in het vuur,
vergeet het uur. Wat weten wij over
het wrang verdriet van bomen.

 

Zekerheid

Je weet het wel, alles gaat over: het nieuwe,
het doodgewone, de oude en verse pijn,

het zwijgen, het praten, het vrezen,
de rede, de roep van het bloed,

de stilstand, het nu en het later,
de groei, net het hoofd boven water,

ontgoocheling, overmoed, schaarste
en overvloed, de valstrik verbittering,

de honger, verzadiging, grimassen
van zuur of de glimlach van zoet,

het gaat over, omdat het moet.

 

 
Christina Guirlande (Moerzeke, 11 november 1938)

Lees verder “Christina Guirlande, Andreas Reimann, Kurt Vonnegut, Noah Gordon, Louis de Bougainville”

Jacob Cats, Friedrich Schiller, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Rick de Leeuw, Werner Söllner, Vachel Lindsay, Henry van Dyke, Aka Morchiladze

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Cats werd geboren op 10 november 1577 in Brouwershaven. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Jacob Cats op dit blog.

 

Eerste Trouw

Als van twee gepaarde schelpen
D’ene breekt, of wel verliest,
Niemand zal u kunnen helpen —
Hoe men zoekt, hoe nauw men kiest
Aan een, die met effen randen
Juist op d’ ander passen zou.
D’oudste zijn de beste panden,
Niets en gaat voor d’ eerste trouw;
D’eerste trouw, die leert het minnen,
D’eerste trouw is enkel vreugd,
D’eerste trouw, die bindt de zinnen,
Zij is ’t bloempje van de jeugd.
Naar mijn oordeel: twee-maal trouwen
Dat is veel niet zonder pijn;
Drie-maal kan niet als berouwen,
Want hoe kan der liefde zijn?
Houd uw eerste lief in waarden,
Eertse met een vollen zin;
’t Is een hemel opter aarden,
Zo je paart uit rechte min.

 

Is ´t oog verrast, ´t beest is in last

Beziet, het moedig dier de Leeuwe staat gebonden,
Omdat men zijne aard ten leste heeft gevonden:
Ach! Sampson is gevat, omdat zijn machtig haar
Werd, door een ontrouw wijf, zijn vijand openbaar.

Wil iemand in der haast zijn vijand overwinnen,
Die lere zijne grond en aangeboren zinnen.
Want zo hij dat geheim ten volle weten kan,
Daar is geen twijfel aan, hij is er meester van.

 

 
Jacob Cats (10 november 1577 – 12 september 1660)
Standbeeld in Groede

Lees verder “Jacob Cats, Friedrich Schiller, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Rick de Leeuw, Werner Söllner, Vachel Lindsay, Henry van Dyke, Aka Morchiladze”

Kevin Carey

Onafhankelijk van geboortedata

De Engelse dichter en schrijver Kevin Carey werd geboren in november 1951. Hij studeerde aan Cambridge en Harvard. Op 26-jarige leeftijd verloor hij zijn gezichtsvermogen. Aan het einde van de jaren zeventig sloot hij zich aan bij Sightsavers International en werkte hij in vijftien jaar in meer dan vijftig ontwikkelingslanden, en ontwierp nationale blindheidpreventieplannen en -strategieën voor ongeneeslijk blinde mensen die behoefte hadden aan onderwijs, rehabilitatie en werk. Carey is de voorzitter van RNIB, de belangrijkste blindenorganisatie van het Verenigd Koninkrijk en lezer in zijn parochiekerk. Hij was lid van de generale synode en is naast schrijver ook koorzanger, theoloog, en criticus van klassieke muziek. Carey was verder actief als lid van de Ofcom Content Board, Nesta fellow in Accessible Broadcasting en CEO van een IT Consultancy bureau, gespecialiseerd in informatieontwerp en architectuur. Ook ontving hij een Royal Television Society Engineering award voor toegankelijke televisie.

I cannot see the star

I cannot see the star,
The clouds are black like coal,
Not thunder from afar
But bombed and burning oil:
A child You were in Bethlehem
But mine is gone; remember him.

Born in a rubbled cave,
Swords glinting in the night,
I heard the groaning slave,
The desperate urge to fight:
So many children died for me
And I for them; remember me.

I do not want the tree,
The sparkling lights, the snow,
But Your nativity
And its red afterglow
To help me bear my infant’s tiny cross
Through life; remember loss.

The candles and the snow
Are harmless revelry
But I cannot forego
Encounter with the tree
To live my Father’s love who reigns above
For all; remember love.

 

When Jesus cries

When Jesus cries I hear him call,
He who seeks milk and human warmth,
Who could have been an earthly king,
ith awesome power and matchless strength.

I hear the baby where I might
Be deaf to clamour from a king,
For I would never want to fight,
But would console that little thing.

God seems eternally in men,
And so this child gives much to me,
Of motherhood, a woman’s grief,
A simple, smiled nativity.

 
Kevin Carey (november 1951)

ECI Literatuurprijs voor Koen Peeters

ECI Literatuurprijs voor Koen Peeters

Donderdagavond is de ECI Literatuurprijs van 50 duizend euro toegekend aan de Vlaamse schrijver Koen Peeters voor “De mensengenezer”. Juryvoorzitter Thom de Graaf reikte de prijs van 50 duizend euro uit in het Theater aan het Spui in Den Haag. Zie ook alle tags voor Koen Peeters op dit blog.

Uit:De mensengenezer

“Het wezen, er bestaat misschien zoiets als het wezen van de Westhoek. Misschien is het een geest, een daimon, een genius, die niet bestaat als lichaam maar toch sluipt en heerst in het  West-Vlaamse landschap. Altijd opnieuw lijkt deze geest te verschijnen: in de huizen, de dorpen en langs de wegen. Het is alsof die geest de hele tijd opstijgt en neerdaalt in het vlakke landschap. Op ijle wijze. Misschien gebeurt de beweging via zonnestralen, lijsters en leeuweriken, of als een haast onhoorbare tamtam, of via een andere stofwisseling of circulatie. Men kan hem horen hijgen tussen de woorden die de mensen zeggen, in het corpus van zinnen en verhalen die men elkaar vertelt.
Als deze geest een verschijningsvorm heeft, dan zit hij waarschijnlijk daarin: in de verhalen.
Ook zijn er mensen die de geest kunnen waarnemen in de dikke mist die in de Westhoek hangt. Als een deken van as. Als gescheurde flarden van oude gordijnen. In mistslierten over de akkers onder de herfstmaan.
De geest.
Deze geest, de genius, de daimon of hoe moeten we hem noemen?
Wat is een daimon eigenlijk? Hoe noemen we de kracht die iemand verrukt of rusteloos op pad stuurt, over de grenzen van generaties, continenten of zelfs beschavingen heen?
In alles wat in de Westhoek wordt gezegd klinkt die galm.
Het is een klein gonzend geroffel, alleen opgemerkt door een gevoelige observator. Misschien wordt het ritme, de resonantie via de sporen van hazen in de aarde gelegd. Hazenprenten.
Dat zou een mooie theorie zijn: dat oude geschiedenissen per hazenpoot neerdalen en weer opstijgen in al wat groeit. Veelsoortig, onuitroeibaar, elk jaar opnieuw. Deze verhalen verliezen zichzelf in bloemblaadjes. Zachte rode, bloedrode bloemblaadjes. Ik bedoel klaprozen.

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

‘Of in korenbloemen, dat zou ook kunnen,’ zei nonkel Marcel knorrig, wrijvend met de hand over zijn voorhoofd. De ogen trillend gesloten. ‘Larks, wat waren dat ook weer, jongen?’
‘Dat zijn leeuweriken, nonkel.’

 
Koen Peeters (Turnhout, 9 maart 1959)

Ivan Toergenjev, Jens Christian Grøndahl, Erika Mann, Jan Decker, Roger McGough, Anne Sexton, Mohammed Iqbal, Karin Kiwus, Michael Derrick Hudson

De Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev werd geboren op 9 november 1818 in Orjol, in de Oekraïne. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en ook alle tags voor Ivan Toergenjev op dit blog.

Uit: A House of Gentlefolk (Vertaald door Constance Garnett)

“A bright spring day was fading into evening. High overhead in the clear heavens small rosy clouds seemed hardly to move across the sky but to be sinking into its depths of blue.
In a handsome house in one of the outlying streets of the government town of O—— (it was in the year 1842) two women were sitting at an open window; one was about fifty, the other an old lady of seventy.
The name of the former was Marya Dmitrievna Kalitin. Her husband, a shrewd determined man of obstinate bilious temperament, had been dead for ten years. He had been a provincial public prosecutor, noted in his own day as a successful man of business. He had received a fair education and had been to the university; but having been born in narrow circumstances he realised early in life the necessity of pushing his own way in the world and making money. It had been a love-match on Marya Dmitrievna’s side. He was not bad-looking, was clever and could be very agreeable when he chose. Marya Dmitrievna Pestov—that was her maiden name—had lost her parents in childhood. She spent some years in a boarding-school in Moscow, and after leaving school, lived on the family estate of Pokrovskoe, about forty miles from O——, with her aunt and her elder brother. This brother soon after obtained a post in Petersburg, and made them a scanty allowance. He treated his aunt and sister very shabbily till his sudden death cut short his career. Marya Dmitrievna inherited Pokrovskoe, but she did not live there long. Two years after her marriage with Kalitin, who succeeded in winning her heart in a few days, Pokrovskoe was exchanged for another estate, which yielded a much larger income, but was utterly unattractive and had no house. At the same time Kalitin took a house in the town of O——, in which he and his wife took up their permanent abode. There was a large garden round the house, which on one side looked out upon the open country away from the town.
‘And so,’ decided Kalitin, who had a great distaste for the quiet of country life, ‘there would be no need for them to he dragging themselves off into the country.’ In her heart Marya Dmitrievna more than once regretted her pretty Pokrovskoe, with its babbling brook, its wide meadows, and green copses; but she never opposed her husband in anything and had the greatest veneration for his wisdom and knowledge of the world. When after fifteen years of married life he died leaving her with a son and two daughters, Marya Dmitrievna had grown so accustomed to her house and to town life that she had no inclination to leave O——”

 

 
Ivan Toergenjev (9 november 1818 – 3 september 1883)
Cover

Lees verder “Ivan Toergenjev, Jens Christian Grøndahl, Erika Mann, Jan Decker, Roger McGough, Anne Sexton, Mohammed Iqbal, Karin Kiwus, Michael Derrick Hudson”

Lloyd Haft

De Nederlandstalige dichter, vertaler en sinoloog Lloyd Lewis Haft werd geboren in Sheboygan, Wisconsin, op 9 november 1946. Als jongen woonde hij in Wisconsin, Louisiana en Kansas. In 1968 studeerde hij af aan het Harvard College en ging hij naar Leiden voor onderzoek in het Chinees (M. A. 1973, Ph. D. 1981). Van 1973 tot 2004 doceerde hij Chinese taal en literatuur, voornamelijk poëzie, in Leiden. Zijn sinologische publicaties omvatten “Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry” en “Zhou Mengdie’s Poetry of Consciousness” (2006). Zijn meest recente boek, een liberale moderne Nederlandse lezing van Laozi’s “Tao Te King” werd in 2017 gepubliceerd als “Lau-tze’s vele wegen”.Hij vertaalde onder andere werk van Wallace Stevens, Hart Crane, William Carlos Williams naar het Nederlands en Herman Gorter en Willem Hussem naar het Engels, en verder werk van verschillende Chinese dichters waaronder Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin en Zhou Mengdie. Sinds de jaren tachtig is hij ook actief als dichter in het Nederlands en het Engels. Hij ontving de Jan Campert-prijs voor zijn tweetalige bundel “Atlantis” in 1993 en de Ida Gerhardt-prijs voor zijn uit 2003 stammende vertaling van de Psalmen

 

Tabernakel

Ik vraag niet langer
om muren, zal mij ook zonder
weten door wind
afdoende omwand.

Waar marmer niet is
sta ik, waar water niet staat
loop ik, en voel
aan de duur van mijn verlangen

hoe ik hoor, hier
aan deze rivier
waar ik midden in mist,
in schotsen wandel.

Het is niet vreemd
dat in deze kou mijn adem
komt: want ik kom
om de wind te warmen.

 

Naar psalm 126

Ik twijfel er niet aan
dat er mensen zijn die u nog vinden,
in dromen, in de bergen wellicht.
Ook ik was blij
die dag dat er zon was
toen ik over de akkers liep
en opeens in mijn tranen
zaad zag, zaden,
dacht uw zaai te zien.

 
Lloyd Haft (Sheboygan, 9 november 1946)

Kazuo Ishiguro, Joshua Ferris, Alice Notley, Herbert Hindringer, Elfriede Brüning, Margaret Mitchell, Detlef Opitz, Bram Stoker, Peter Weiss

De Japanse schrijver Kazuo Ishiguro werd op 8 november 1954 geboren in Nagasaki. Zie ook mijn blog van 8 november 2009 en ook mijn blog van 8 november 2010 en eveneens alle tags voor Kazuo Ishiguro op dit blog.

Uit: Never Let Me Go

“Sometimes he’d make me say things over and over; things I’d told him only the day before, he’d ask about like I’d never told him. ‘Did you have a sports pavilion?’ Which guardian was your special favourite?’ At first I thought this was just the drugs, but then I realised his mind was clear enough. What he wanted was not just to hear about Hailsham, but to remember Hailsham, just like it had been his own childhood. He knew he was close to com-pleting and so that’s what he was doing: getting me to describe things to him, so they’d really sink in, so that maybe during those sleepless nights, with the drugs and the pain and the exhaustion, the line would blur between what were my memories and what were his. That was when I first understood, really understood, just how lucky we’d been — Tommy, Ruth, me, all the rest of us.
Driving around the country now, I still see things that will remind me of Hailsham. I might pass the corner of a misty field, or see part of a large house in the distance as I come down the side of a valley, even a particular arrangement of poplar trees up on a hillside, and I’ll think: ‘Maybe that’s it! I’ve found it! This actually is Hailsham!’ Then I see it’s impossible and I go on driv- ing, my thoughts drifting on elsewhere. In particular, there are those pavilions. I spot them all over the country, standing on the far side of playing fields, little white prefab buildings with a row of windows unnaturally high up, tucked almost under the eaves. I think they built a whole lot like that in the fifties and sixties, which is probably when ours was put up. If I drive past one I keep looking over to it for as long as possible, and one day I’ll crash the car like that, but I keep doing it. Not long ago I was driving through an empty stretch of Worcestershire and saw one beside a cricket ground so like ours at Hailsham I actually turned the car and went back for a second look. We loved our sports pavilion, maybe because it reminded us of those sweet little cottages people always had in picture books when we were young. I can remember us back in the Juniors, pleading with guardians to hold the next lesson in the pavilion instead of the usual room. Then by the time we were in Senior 2 —when we were twelve, going on thirteen — the pavilion had become the place to hide out with your best friends when you wanted to get away from the rest of Hailsham. The pavilion was big enough to take two separate groups without them bothering each other — in the summer, a third group could hang about out on the veranda. But ideally you and your friends wanted the place just to yourselves, so there was often jockeying and arguing.“

 

 
Kazuo Ishiguro (Nagasaki, 8 november 1954)

Lees verder “Kazuo Ishiguro, Joshua Ferris, Alice Notley, Herbert Hindringer, Elfriede Brüning, Margaret Mitchell, Detlef Opitz, Bram Stoker, Peter Weiss”

Albert Helman, Albert Camus, Jan Vercammen, Antonio Skármeta, Pierre Bourgeade, W. S. Rendra, Vladimir Volkoff, Auguste Villiers de L’Isle-Adam, Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg

De Nederlandse dichter en schrijver Albert Helman werd geboren op 7 november 1903 in Paramaribo. Zie ook alle tags voor Albert Helman op dit blog.

Uit: De dokwerker en de H. Geest

“In het droogdok staat een zware zwarte scheepsromp, en klein daartegen staan een tiental arbeiders op hun stellingen. Maar pijnlijk-hel klinken hun hamerslagen, metaal tegen metaal, weergalmd door het water, over de wijde holle haven. Er waait een zachte, koele bries die de fijne geuren van teer en verf verder stuift, en die alle holten vervult: het holle, leeggeladen schip dat staat in het holle, kuischgespoelde dok, en het dok dat weer staat in de leege, wijde haven, die eerst klein en hol schijnt, wanneer je opziet naar het hooge, blauwe luchtgewelf.
Dat doe je vanzelf, wanneer je uren lang schuin tegen de zwarte scheepswand op moet zien, zooals Willem dat doen moet, die verder van de hamerende mannen verwijderd, met een steekvlam de oude menie uit de naden wegbrandt, terwijl zijn kameraad ze meteen moet schoonkrabben.
– Kijk uit! Ben je nou een haartje be….’ zegt die kameraad, maar hij slikt het booze woord in, want Willem is de kwaadste niet, al is hij deze middag wel heel erg verstrooid. Hij weet dat Willem van die dagen heeft dat zijn aandacht heel ergens anders is, maar wáár weet hij zelf niet. Dan kijkt hij langs het dok in de verte, alsof hij schepen ziet die niemand anders kent, of omhoog, langs het puntje van de mast, dat nog juist te zien is, alsof hij op een vliegmachine met een speciale boodschap voor hem staat te wachten.
Maar vanmorgen zijn het de meeuwen die Willem zoo verstrooid maken, en dat duurt nu al een paar uur. Ze lijken wel gek die vogels. Ze zijn zoo licht en vlug als duiven, maar als je ze goed beschouwt, zijn ze zoo stom als de eenden. Hun lijf is sierlijk en wit, maar ze doen tegen elkaar alsof ze kippen zijn.
– Ik zou er best een van nabij willen zien of in mijn hand houden, denkt Willem. Want zijn het nou duiven of zijn het nou géén duiven?
Maar als zijn kameraad weer eens gevloekt heeft, nu hij de steekvlam heelemaal in de verkeerde richting houdt, omdat een paar meeuwen net op dezelfde waterkring neerduiken, wordt hij weer aandachtig voor het werk en zegt bij zichzelf: ‘Jesses wat een kinderachtige vent ben ik toch eigenlijk. Ik lijk wel een kwajongen.’

 

 
Albert Helman (7 november 1903 – 7 oktober 1996)
Hier in Parijs, 1932

Lees verder “Albert Helman, Albert Camus, Jan Vercammen, Antonio Skármeta, Pierre Bourgeade, W. S. Rendra, Vladimir Volkoff, Auguste Villiers de L’Isle-Adam, Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg”

Willy Vlautin

De Amerikaanse schrijver, muzikant en songwriter Willy Vlautin werd geboren op 7 november 1967 in Reno, Nevada. Hij was leadzanger, gitarist en songwriter van de rockband Richmond Fontaine (1994-2016) en is momenteel lid van The Delines. Hij heeft sinds het midden van de jaren negentig elf studioalbums uitgebracht met Richmond Fontaine, terwijl hij vijf romans schreef. Het werken als zowel songwriter als romanschrijver biedt Vlautin een mechanisme om dezelfde personages en situaties te ontwikkelen in zowel zijn songs als in zijn boeken. De hoofdrolspeler in Northline (zelf een nummer van het Winnemucca-album van Richmond Fontaine) is Allison Johnson. “Allison Johnson” was de titel van een nummer op hun album “Post to Wire”. Vlautins eerste boek “The Motel Life” werd in 2005 uitgegeven en is sindsdien in elf talen vertaald. In “The Motel Life” vertelt Vlautin het verhaal van twee broers die in een hotel in Reno wonen. Hij verwierf de titel van “Dylan of the dislocated “(The Independent). “The Motel Life” werd verfilmd in 2012. “Northline” was het tweede boek van Vlautin. De serveerster Allison Johnson vertrekt vanuit Las Vegas naar Reno om een ​​nieuw leven te beginnen. Een CD met instrumentale en droevige liedjes van Richmond Fontaine is opgenomen in de eerste editie van het boek. In 2008 bracht Vlautin zijn eerste CD met gesproken woord uit, A Jockey’s Christmas, een zwarte komedie over een te zware, alcoholische jockey die voor de feestdagen naar huis gaat in Reno. De derde roman van Vlautin, “Lean on Pete”, is het verhaal van een 15-jarige jongen die werkt en leeft op een vervallen racecircuit in Portland, Oregon, en bevriend raakt met een mislukt racepaard genaamd “Lean on Pete”. Voor het boek ontving de schrijver in 2010 de Ken Kesey Award voor fictie en literaire kunst en de Oregonian People’s Choice Award. In zijn vierde roman “The Free” vertelt Vlautin over Leroy Kervan, een suïcidale Irak-veteraan.

Uit: The Motel Life

“The night it happened I was drunk, almost passed out, and I swear to God a bird came flying through my motel room window. It was maybe five degrees out and the bird, some sorta duck, was suddenly on my floor surrounded in glass. The window must have killed it. It would have scared me to death if I hadn’t been so drunk. All I could do was get up, turn on the light, and throw it back out the window. It fell three stories and landed on the sidewalk below. I turned my electric blanket up to ten, got back in bed, and fell asleep. A few hours later I woke again to my brother standing over me, crying uncontrollably. He had a key to my room. I could barely see straight and I knew then I was going to be sick. It was snowing out and the wind would flurry snow through the broken window and into my room. The streets were empty, frozen with ice. He stood at the foot of the bed dressed in underwear, a black coat, and a pair of old work shoes. You could see the straps where the prosthetic foot connected to the remaining part of his calf. The thing is, my brother would never even wear shorts. He was too nervous about it, how it happened, the way he looked with a fake shin, with a fake calf and foot. He thought of himself as a real failure with only one leg. A cripple. His skin was blue. He had half-frozen spit on his chin and snot leaking from his nose. `Frank,’ he muttered, ‘Frank, my life, I’ve ruined it.’ `What?’ I said and tried to wake. `Something happened.’ `What?’
`I’m freezing my ass off. You break the window?’ `No, a duck smashed into it.’ `You kidding?’ `I wouldn’t joke about something like that.’ `Where’s the duck then?’ `I threw it back out the window.’ `Why would you do that?’ `It gave me the creeps.’ `I don’t even want to tell you, Frank. I don’t even want to say it. I don’t even want to say what happened.’ `You drunk?’ ‘ Sorta.’ `Where are your clothes?’ `They’re gone.’ I took the top blanket off my bed and gave it to him. He wrapped it around himself then plugged in the box heater and looked outside. He stuck his head out the broken window and looked down. `I don’t see a duck.’ `Someone probably stole it.’ He began crying again. `What?’ I said. `You know Polly Flynn, right?’
`Sure.’ I leaned over and grabbed a shirt on the floor and threw up into it. `Jesus, you okay?’ `I don’t know.’ `You want a glass of water?’ `No, I think I feel a little better now.’ I lay back in bed and closed my eyes. The cold air felt good. I was sweating, but my stomach began to settle. `I’m glad I don’t puke at the sight of puke.’ `Me too,’ I said and tried to smile. ‘What happened?’ `Tonight she got mad at me,’ he said in a voice as shaky as I’ve ever heard. ‘I don’t remember what I said, but she yelled at me so hard that I got up to get dressed but she got up first and took my pants and wouldn’t give them back. She ran outside and set fire to them with lighter fluid.”

 
Willy Vlautin (Reno, 7 november 1967)

Wim Noordhoek

De Nederlandse schrijver, radiomaker en journalist Willem Johannes Noordhoek werd geboren in Steenwijk op 7 november 1943. In 1962 ging hij politieke wetenschappen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij maakte de ontgroening bij het Amsterdamsch Studenten Corps mee die berucht werd doordat een ouderejaars riep “en nu gaan we Dachautje spelen!” en besloot, als enige, na dit incident geen lid te worden van de vereniging.Tijdens zijn studententijd was hij redacteur van het blad Propria Cures. In 1967 maakte hij zijn eerste programma voor de VPRO-radio, “Help!” Dit was het eerste programma op de Nederlandse radio waarin alternatieve popmuziek uitgebreid aan bod kwam. Daarna maakte hij programma’s als “HEE”, de “Joe Blow Show”, “Piet Ponskaart presenteert” en “Nova Zembla.” Tegelijkertijd was hij redacteur van het muziekblad Hitweek. Vanaf 1980 maakte Noordhoek programma’s waarin schrijvers centraal staan, zoals “Suite”, “Music-Hall” en “De Avonden.” Samen met Arend Jan Heerma van Voss maakte hij De Radiovereniging, een programma waarin radiomakers over hun vak vertelden en historische radiofragmenten te beluisteren waren. Noordhoek heeft ook een (veel kleiner) aantal televisieprogramma’s gemaakt. In 1970 maakte hij het popprogramma “Piknik”, waarin onder andere Frank Zappa en Gerry Rafferty voor het eerst in Nederland optraden. Onder het pseudoniem “Alex Mol” schreef hij vele jaren een column in de VPRO-gids. Zowel onder eigen naam als onder dat pseudoniem publiceerde hij een aantal boeken. Sinds 2006 heeft hij een weblog op de boekensite van de VPRO, ‘Avondlog’.

Uit: Muzenstraat en andere Haagse verhalen (Sportlaan)

“Mijn moeder fietst. Een mooi meisje op linnen zomerschoenen. Over de Sportlaan naar Houtrust van Kijkduin naar de Frankenslag. Naar de man die verliefd was op haar zusje. Achter haar ligt een tijd van open auto’s en strooien hoeder. van uitstapjes naar Spa en de Cascade de Coo, van een poppenameublement gemaakt door de scheepstimmerman van haarvader, de kapitein, voor poppen bijna zo groot als kinderen. Het is voorbij. Ze fietst, onwetend van wat komen zal. De oorlog nadert. Rechts van haar zal de tankgracht van de Atlantikwall gegraven worden, langs de Sportlaan, dwars door het kaalgeslagen Sperrgebiet tussen Den Haag en het ontvolkte Scheveningen. Alle vier mijn grootouders zullen in 1942 moeten verhuizen.
Ze komt van Kijkduin, waar haar vader nog een tijdje wat probeerde te verdienen als bewaker van de fietsenstalling onder het witte hotel, die hij gepacht had, maar de jongens waren hem te snel af. Haar vader komt voor in de Stamboeken van de Holland-Amerika Lijn. lk vond een krantenknipsel waarin vermeld wordt dat de kapitein Sjerp een medaille kreeg van het KNMI. Er zijn drie brieven, waarin hij mijn moeder als klein meisje weersystemen uitlegt, op blauw Mailpapier, met briefhoofd. Documenten bevestigen dat de kapitein Sjerp in 1931 in Havana een beroerte kreeg aan boord van het vrachtschip de Boschdijk: 5 okt.” Hospitalized Havana.Stroke” en “1 april 1932. Dismissed and put on standby wages” De ‘wages’ waren gering. Pensioen kwam nauwelijks. Mijn moeder ging naar de kweekschool om zo snel mogelijk onderwijzeres te worden.
Een foto op Kijkduin laat de kapitein zien, voorgoed aan wal, in 1932.15:et oma Co en de huishaan Petrus bij zich. De stok waarmee hij liep staat in de hoek Ze fietst de Duinlaan af, de Sportlaan voorbij de kerk, langs het Houtruststadion en de Houtrusthallen waar de kunstijsbaan zal komen van HIJS/Hokij. Over de brug van het Verversingskanaal naar de Frankenslag, in 1933. Naar wie haar schoonouders zullen zijn en mijn grootouders.
Ze fietst naar zeven jaar verloving vol twijfel. Maar ze wil kinderen. Mij als eerste. Ze fietst in het zicht van her straatje waar ze huisvrouw en moeder zal zijn, maar dat nog gebouwd moet worden, na de oorlog. Het doel in haar leven werd, zoals ze me kort voor :laar dood zei, “je vader ergernis besparen.” Ze fietst. Niets houdt haar tegen. In reven jaar verloving verzamelt ze een uitzet, schrijft schriften vol met recepten en manieren om vlekken te verwijderen. Ze heeft de westenwind mee. Mijn maagpijn heb ik van haar.”


Wim Noordhoek (Steenwijk, 7 november 1943)