Wies Moens, José Martí, Miguel Barnet, Hermann Kesten, David Lodge

De Vlaamse dichter en schrijver Wies Moens werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 28 januari 1898. Zie ook alle tags voor Wies Moens op dit blog.

 

Vers voor de jonge monnik
Aan Pieter en Christine van der Meer de Waleheren.

De meiavond is in de boomgaard gegleden
waar hij de stammen omhelst,
de kruinen vastmeert in aandachtigheid.
Over het gras en de boterbloemen die slapen gaan
– wind-vermoeide kinderen –
in verre blinkende transen, diep heiligdom van de vliedende dag,
kom ik tot U, Heilige Vader Benedictus,
zooals ik U ken uit de verhalen van moeder
en de Vijf schitterende Wonden geslagen in mijn kindsheid.

De doornen dragen bloemkladden uw vlees
vurig-bedropte hagedoorn: het opstandige bloed geperst uit uw witheid
– de roodborstjes schreiden om U in het hout! –
O de wierook van uw gekastijde lichaam
in het midden der heilige zusteren,
de vlam van uw woord
als een Godslamp onder hen.
Het Monasterium blauw op de berg
en de witte duiven
die komen pikken uit uw handen!

Een lieve kameraad, een verre onbekende broeder
legt heden zijn hoofd in uw schoot.
Zo komen er velen en altijd weer:
de rinkelende wereld hebben zij gelaten
voor de stille sneeuw waarin uw voeten staan,
de glinsterende gletsjer Gods,
en de nijpende wind der Armoede
die de mantels vreet van het lijf.

Dat hun naaktheid worde gekleed
met de warme wol van het Lam,
Zijn gulpend bloed tot een lafenis
aan de lippen van hen
die het leven hebben aanvaard van het blad,
dat zich verdorren laat in onderworpenheid
– doorruisend de morgenden en de nachten –
en met zijn broeders te gronde gaat
voor de eeuwige terugkeer van Uw lenten,
Uw veropenbaarde majesteit, Heer,
in groen en gewas over de aarde!

 

 
Wies Moens (28 januari 1898 – 5 februari 1982)

Lees verder “Wies Moens, José Martí, Miguel Barnet, Hermann Kesten, David Lodge”

Manfred Jendryschik, Mo Rocca, Hermann Peter Piwitt, Colette, Christian Felix Weiße

De Duitse dichter en schrijver en uitgever Manfred Jendryschik werd geboren op 28 januari 1943 in Dessau. Zie ook ook alle tags voor Manfred Jendryschik op dit blog.

 

Vorm Bahnhof

Iduna / Nova, e’plus – Wahnsinn! Super!
Und Völckers King & Co., ja: Wir vermieten im Alleingang, das
heißt: selbst. Der Krane Glieder greifen in die Nacht
daneben, die Ellenbogenkugellager grellbeleuchtet
(ein großer Glanz von innen). Und aus dem Rohbau
stolpert seine Herrlichkeit Methusalem, der Veteran
des Alkohols, und wirft die Arme auf gleich einer Menschheit
mit einer Kurzhaardame schlurfend die Geleise, worauf
sich Monds Geschling getreu bescheidet, spiegelnd (es
kommt die 11 nun, wie gerufen), so
Leipzigs Pflastermitte mit dem Kosmos knüpfend.

 

Für William C.W.*

Der Tisch der Stuhl das Bett der Schrank
das Fenster klein die Herde Blumen
und die Lampe im August ein Blitz
das steht für Sie bereit Herr Williams
der Nagel in der Wand für Ihren Hut
(daneben dieses Bild das machte einer sich
für uns] das Wasserglas und Whisky
Brot das Messer Zigaretten auch
der Türspalt für den Neugierwind:
hier sind vier Wände also die ich geben kann:
das andre Zimmer brauch ich selbst
mit Tisch Stuhl Bett und Ihnen nebenan.

 

* William Carlos Williams

 
Manfred Jendryschik (Dessau, 28 januari 1943)

Lees verder “Manfred Jendryschik, Mo Rocca, Hermann Peter Piwitt, Colette, Christian Felix Weiße”

Ethan Mordden, Rudolf Geel, Lewis Carroll, Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Samuel Foote, Eliette Abécassis, Mordecai Richler

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Ethan Mordden op dit blog.

Uit: Some Men are Lookers

“Dennis Savage faced him down.
Virgil was watching them, and Cosgrove was watching Virgil.
“Maybe you could think about it,” Virgil said suddenly to Dennis Savage, “and maybe you would change your mind.”
“And maybe I won’t.”
Lionel nodded and left.
After closing the door, Virgil stood in thought, his back to us; Dennis Savage nudged me with a glance, indicating his lover. We all know one another so well that we sometimes operate like a mime troupe, entirely in visuals.
“Can I show my movie now?” Cosgrove asked. “It’s the first videotape that I really made myself.”
“I helped him,” said Virgil, still at the door.
“Virgil always helps me.”
“I’m not sitting through another Friday the 13th sequel,” said Dennis Savage, “I’ll tell you that.”
“It’s The Lost Boys.”
“Are you undergoing a mystical out-of-life experience with that door,” Dennis Savage asked Virgil, who hadn’t yet moved, “or would you like to join us on the couch?”
Virgil coolly came over, sitting on the far side of the couch from Dennis Savage.
“Hey!”
“Easy,” I said.
“Well, what’s he supposed to be, my eighth cousin thrice removed? Come over here, you.”
“Cosgrove,” said Virgil, staying put, “it’s movie time.”
“Were they misunderstood cuties,” Cosgrove cried, jumping up to make his presentation, “or mean ghouls? A magical club, or killers on the loose?”
“Let’s skip the trailer,” said Dennis Savage. “Just run the film.”
“This is becoming a very snarky apartment,” said Virgil.
Dennis Savage leaned over me and asked Virgil, “How come I don’t know what that word means?”
“Virgil and Cosgrove Productions present,” Cosgrove began, with a—at any rate trying to—flourish, and onto the television screen came the credits of Pee-wee’s Big Adventure.
“Sure,” said Dennis Savage. “The three things I most wanted to do tonight were go to the dentist for an emergency root canal, trade fashion tips with Prince, and see Pee-wee’s Big Adventure. That’s one down.”

 

 
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)

Lees verder “Ethan Mordden, Rudolf Geel, Lewis Carroll, Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Samuel Foote, Eliette Abécassis, Mordecai Richler”

Paolo Cognetti

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Op zijn 18e jaar begon hij te schrijven. Hij studeerde eerst wiskunde en Amerikaanse literatuur, studies die hij echter niet af maakte. in 1999 studeerde hij af aan de Civica Scuola di Cinema « Luchino Visconti » in Milaan. Vervolgens richtte hij zich op het maken van sociale, politieke en literaire documentaires. Hij debuteerde als schrijver in 2003 met het verhaal “Fare ordine”, waarvoor hij de Premio Subway-Letteratura literatuurprijs ontving. In de daarop volgende jaren volgden twee bundels met korte verhalen “Manuale per ragazze di successo” (2004) en “Una cosa piccola che sta per esplodere” (2007) en de “roman van korte verhalen” “Sofia si veste sempre di nero” (Sofia draagt altijd zwart, 2012). Na een reeks documentaires over de Amerikaanse literatuur (Scrivere/New York, 2004) publiceerde hij in 2010 “New York è una finestra senza tende”, gevolgd in 2014 door “Tutte le mie preghiere guardano verso ovest”, twee persoonlijke gidsen voor de stad New York. Een andere passie van Cognetti zijn de bergen, waar hij een paar maanden per jaar in eenzaamheid in doorbrengt. In deze tijden van afzondering ontstond in 2013 een dagboek, “Il ragazzo selvatico” (De wilde jongen). In 2014 verscheen “A pesca nelle pozze più profonde”, een meditatie over de kunst van het schrijven van korte verhalen. In 2016 Einaudi kwam zijn eerste roman in de strikte zin van het woord uit: “Le otto montagne” (De acht bergen), al in 30 landen verkocht vóór de publicatie. Hij ontving er in 2017 de prestigieuz Premio Strega voor.

Uit: Acht Berge (Vertaald door Christiane Burkhardt)

“Mein Vater ging auf seine Art in die Berge: Er war weniger ein Mann der Meditation als ein Dickkopf und Draufgänger. Er begann den Aufstieg, ohne seine Kräfte einzuteilen, stets im Wettlauf gegen irgendwen oder was, und wenn ihm ein Weg zu lang war, nahm er die direkte Abkürzung. Bei ihm war es verbten zu rasten, verboten über Hunger, Kälte oder Erschöpfung zu klagen, dafür durfte man ein schönes Lied singen, besonders bei Gewitter oder dichtem Nebel. Und sich laut johlend die Schneefelder hinabstürzen.
Meine Mutter, die ihn schon von klein auf kannte, erzählte, dass er schon damals auf niemanden warten wollte, so wild war er darauf, jeden einzuholen, den er vor sich hatte. Deshalb musste man gut zu Fuß sein, um in den Augen meines Vaters Gnade zu finden. Mit einem Lachen gab sie mir zu verstehen, dass sie ihn so erobert hatte. Später zog sie es vor, keine Wettläufe mehr zu veranstalten, sondern sich auf einer Wiese niederzulassen, die Füße in einen kalten Wildbach zu hängen oder Kräuter und Blumen zu bestimmen. Auch auf dem Gipfel bewunderte sie am liebsten die Kuppen in der Ferne, dachte an die Berge ihrer Jugend zurück und versuchte sich daran zu erinnern, wann sie mit wem wo gewesen war, während mein Vater in diesem Moment nichts als Ernüchterung empfand und nur noch nach Hause wollte.
Zwei unterschiedliche Reaktionen auf dasselbe Heimweh vermutlich. Meine Eltern waren mit Anfang dreißig in die Stadt gezogen, fort aus dem ländlichen Veneto, wo meine Muttergeboren und mein Vater als Kriegswaise aufgewachsen war.
Ihre ersten Berge, ihre erste große Liebe, waren die Dolomitengewesen. Sie erwähnten sie manchmal in ihren Gesprächen, als ich noch zu klein war, ihnen zu folgen, aber manche Worte ragten eindeutig heraus, weil sie sonorer, gewichtiger waren: Rosengarten, Langkofel, Tofana, Marmolada. Es genügte, dass mein Vater einen dieser Namen nannte, und die Augen meiner Mutter begannen zu leuchten.
Das waren die Orte, an denen sie sich verliebt hatten, wie auch ich irgendwann begriff. Ein Pfarrer hatte sie in jungen Jahren mit dorthin genommen, derselbe, der sie später auch
traute: am Fuß der Drei Zinnen, dort vor der kleinen Kirche, eines Morgens im Herbst. Diese Hochzeit im Hochgebirge war der Gründungsmythos unserer Familie – boykottiert von den Eltern meiner Mutter, ohne dass ich gewusst hätte, warum, gefeiert im Kreis weniger Freunde, mit Anoraks statt Hochzeitsgewändern und mit einem Bett in der Auronzohütte in ihrer ersten Nacht als Mann und Frau. Auf den Felsbändern der Großen Zinne glitzerte bereits Schnee. Es war ein Samstag im Oktober ’71, das Ende der Klettersaison – damals, aber auch noch für viele Jahre danach: Wenig später verfrachteten sie die ledernen Bergstiefel, die Kniebundhosen, ihren schwangeren Bauch und seinen Arbeitsvertrag ins Auto und zogen nach Mailand.“

 
Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

Harvey Shapiro

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Hij sprak jiddisch. Toen hij een jongen was, verhuisde zijn familie naar Manhattan en later naar Long Island. Hij studeerde aan de Yale University maar ging tijdens WO II in dienst bij de luchtmacht. Hij vloog 35 missies over Europa als een B-17 schutter en ontving het Distinguished Flying Cross. Hij keerde terug naar Yale en behaalde in 1947 een bachelorgraad in Engels en een masters in de Amerikaanse literatuur aan Columbia University in 1948. Shapiro doceerde de eerste helft van de jaren 1950 Engels aan Cornell University en Bard College. Hij werd vervolgens assistent redacteur bij Commentary magazine, poëzieredacteur bij The Village Voice en fictie editor bij The New Yorker voordat hij in 1957 bij de New York Times werd aangesteld. Hij werkte daar in diverse redactionele posities – bij The New York Times Magazine, The New York Times Book Review (van 1975 tot 1983) en ook als plaatsvervangend redacteur van het tijdschrift. Misschien was de meest opmerkelijke prestatie bij The New York Times er een die niet in het blad terecht kwam. Toen hij in 1962 had gelezen dat Dr. Martin Luther King, Jr. in de gevangenis was gezet belde hij de stichting van King, de Southern Christian Leadership Conference, en stelde voor om de volgende keer dat King in de gevangenis werd gezet, een brief te schrijven, die hij dan zou publiceren. Deze brief werd, nadat King in april 1963 voor de campagne van Birmingham gearresteerd werd, de “Letter from Birmingham Jail”, De superieuren van Shapiro lieten niet toe dat de brief in The New York Times gedrukt werd, maar de brief werd wel elders 50 keer gedrukt, in 325 edities, inclusief Dr. King’s eigen boek “Why We Can’t Wait.” Shapiro bleef poëzie schrijven terwijl hij werkzaam was als redacteur en publiceerde een dozijn boeken, zoals “The Eye” (1953), “The Light Holds” (1984) en “National Cold Storage Company” (1988). Hij heeft ook een anthologie getiteld “Poets of World War II” geredigeerd. Sapiro’s poëzie vertoont vaak een subtiel gevoel voor humor.

Key West

At the corner of Simonton and Amelia
there is a small junkyard that is
as beautiful to me as the deep
blue sea stretching from here to Cuba.
It has an arching tree over it
and its shards of old cars, tractors,
boating gear shine in the tropic sun
but with an American splendor
like rolling waves of grain. How odd
to have been taught to respond to
junk by my culture, and with
a patriotic fervor, so that the colors
red, white, and blue blaze through the rust.

 

The Mother of Invention

On my desk are the bills from the living
and in my sleep are the bills from the dead.

“Emptiness is the mother of invention”
says my fortune cookie. July 23, 2010.
Brooklyn. I walk in the slow rain,
never less accomplished, never happier.

Why should I doubt the world has meaning
when even in myself I see mysterious purposes.

A crow drops down for a moment,
black, rabbinical garb, croaking Kaddish.

 
Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

Arie van der Krogt

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler, zanger en liedjesschrijver Arie van der Krogt werd geboren in Zoeterwoude op 27 januari 1952. In Rotterdam is Van der Krogt stedenbouwkundige bij de gemeente en hij staat daar bekend als een zanger die op een kritische manier liedjes maakt over de stad. Zo bezingt hij op zijn tweede cd, “Zouwe de touwe ’t houwe” uit 1997, onder meer het Rotterdamse Schouwburgplein. Zijn liedteksten zijn in 2007 in boekvorm verschenen bij uitgeverij Ad. Donker, onder de titel “Rotterdam van feest tot feest”. Als dichter vestigde hij de aandacht op zich met zijn vertaling van Shakespeares sonnetten en de liefdesonnetten van Christina Rossetti. Hij vertaalde ook gedichten van de Engelse metafysche dichter George Herbert, die werden uitgegeven door “de Zaak Akkerman” onder de titel “De God van Herbert”.

Het allermooiste plekje

Ik zou haast niet kunnen zeggen
wat de mooiste plekjes zijn
Want een schilderij van Mondriaan
heeft toch ook geen mooiste lijn;
Toch is er een heel mooi plekje
waar ik uren zitten kan
’t is mijn favoriete plekje
in het hart van Rotterdam

’t Is het allermooist plekje van de stad
in de winkel van Van Gennep op de trap

Want je kan daar heerlijk zitten
met je rug tegen de muur
en omgeven door de schrijvers
van de wereldliteratuur;
Al die prachtige verhalen
in die boeken op een rij
Het is een soort Martyrium
en de hoofdpersoon ben jij

’t Is het allermooiste plekje van de stad
bij Maria en Andrea op de trap

Als je daar een uur blijft zitten
trekt de hele stad voorbij,
altijd vragend weer naar boeken,
altijd bezig als een bij;
“Heeft u boeken over paarden”
“Nee, die hebben wij hier niet
Moet u maar bij Donner vragen”
Ja, zo gaat die zaak failliet

Staat de hele zaak vol boeken
vragen ze om een cd
want ……leuke vlotte liedjes
ja, daar haal je omzet mee;
“Wilt u hem laten signeren”,
hoor ik om de haverklap,
“want de zanger van de liedjes
zit toevallig op de trap”

’t Is het allermooiste plekje van de stad
bij Maria en Andrea op de trap

En ik kan je wel vertellen
waar ik ’t meeste van geniet
Van de koffie van Louise
en de kopjes van Piet

 
Arie van der Krogt (Zoeterwoude, 27 januari 1952)

VSB poëzieprijs voor Hannah van Binsbergen

 

VSB poëzieprijs voor Hannah van Binsbergen

De Nederlandse dichteres Hannah van Binsbergen heeft donderdag de VSB Poëzieprijs gewonnen, de prijs voor de beste dichtbundel. Van Binsbergen krijgt de prijs voor haar debuutbundel “Kwaad gesternte”. Hannah van Binsbergen werd geboren in 1993. Zij studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Van Binsbergen schreef o.a. al voor Trouw en De Groene Amsterdammer. Haar eerste gedichten publiceerde zij op het internettijdschrift Samplekanon en zij schrijft ook voor  Tirade en dw B. In 2016 debuteerde zij met de bundel “Kwaad gesternte”, die haar meteen een nominatie voor de VSB Poëzieprijs 2017 opleverde.

Uit: Kwaad gesternte

 

Nu iedereen met me meekijkt kan ik eindelijk beginnen
te groeien naar de markt. Ze weten allemaal waar ik mee bezig
ben en vinden het niks: de tijd dat de postbode de arme
burger achternazat, de tijd dat de goede postbode
symbool stond voor de dood, hebben we toegestaan
te transformeren tot de nadagen van een hippe planeet.
Ik hoef mijzelf niet meer te dwingen een gezicht op te
zetten om naar buiten te gaan. Al mijn gezichten zijn bekend,
gezien in medische catalogi, besproken in ondergrondse
correspondenties, beproefd in het gebruik. Ik wil eruit
maar nergens ben ik veilig, mijn geweten is iets lichts
geworden nu ik mijzelf altijd moet zien en zien hoe ik door
iedereen gezien word. Sinds de tijd dat de ptt het embleem
was van de dood is veel vergeten dat herinnerd had moeten
blijven, nu te lezen in de levende archieven verspreid over
Europa. Ik steek mijn hand door de brievenbus, voel voor het eerst
het afscheid van mijn onverstuurde brieven.

 

 

Vroeger had ik iets

het was niet groot maar groot genoeg om niet verwacht te worden
het was taai en zorgde dat ik met een schoon geweten
die rooie op zijn bek kon slaan
niemand die het zag
hij zou het nooit vertellen en niemand zou mij ooit geloven
(zo onwaarschijnlijk was het niet, ik was een half hoofd groter
en duizend keer slechter opgevoed)

ik kies julia
ik kies ervoor om op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat niet
enkel in mijn handen ligt
mijn voorkeur hebben mannen die op apen lijken boven
mannen die op honden lijken
ik kies ervoor om terug te gaan naar voorhistorische debatten
ik kies de dood die mij voorspeld is door een sticker
te aanvaarden met een beetje waardigheid
ik kies ervoor om daarna op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat
niet enkel in mijn handen ligt

het was mijn eerste vuistgevecht
een dag tevoren had ik wel een jongen voor zijn scheen geschopt
ik was niet trots
nu wel

ik kijk hem aan – het is nu zes jaar later –
en zie dat hij het meer verdient dan ooit maar vroeger had ik iets
wat net buiten mijn handen lag en dingen voor me deed die niemand zag

 

 

 
Hannah van Binsbergen (1993)

Jonathan Carroll, Nora Gomringer, Achim von Arnim, Menno ter Braak, Jos van Daanen, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden

De Amerikaanse schrijver Jonathan Carroll werd geboren op 26 januari 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Jonathan Carroll op dit blog.

Uit: Voice of Our Shadow

“Formori, Greece
At night here I often dream of my parents. They are good dreams and I wake happy and refreshed, although nothing very important happens in them. We will be sitting on the porch in summer, drinking iced tea and watching our scottie dog, Jordan, lope across the front yard. Although we talk, the words are pale and dreamy, unimportant. It makes no difference—we are all very glad to be there, even my brother, Ross.
Now and then Mother laughs or throws her arms out in those great swoops and arcs when she talks—her most familiar gesture. My father smokes a cigarette, inhaling so deeply that I once asked him when I was young if the smoke went down into his legs.
As is true with so many couples, my parents’ temperaments were diametrically opposed. Mother ate life as fast as she could get her hands on it. Dad, on the other hand, was clear and predictable and forever the straight man to her passion and shenanigans. I think the only great sadness in their relationship for him was knowing that although she loved him in a warm, companionable way, she went all-out in adoring her two sons. Originally she had wanted to have five children, but both my brother and I had such difficult births the doctor told her having another child would be a deadly risk. She compensated in the end by pouring the love for those five kids into the two of us.
Dad was a veterinarian; still is a veterinarian. He’d had a successful practice in Manhattan when they were first married, but gave it up to move to the country right after his first son was born. He wanted his children to have a yard to play in and the safety to come and go as they pleased any time of the day.
As with everything else in her life, my mother pounced on the new house and tore it limb from limb. New paint inside and out, new wallpaper, floors stripped and sealed, leaks stopped … When she was done she had created a solid, amiable place with more than enough room, light, warmth, and security to assure each of us this was a home as well as a house.
All that and two little boys to raise. Later she said those first two years in the house were her happiest. Everywhere she went, either someone or something needed her, and that is what she thrived on. With one boy in her arms and another clinging to her skirt, she telephoned, cooked, and hammered the house and our new life there into submission. It took a few years, but when she was done, things both worked and gleamed. Ross was starting school, she’d taught me how to read, and every meal she put on the table was tasty and different.”

 

 
Jonathan Carroll (New York, 26 januari 1949)

Lees verder “Jonathan Carroll, Nora Gomringer, Achim von Arnim, Menno ter Braak, Jos van Daanen, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden”

Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco, Robert Burns, Paavo Haavikko

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Weerwater

“Het rode lampje van de reservetank lichtte op toen ik mijn auto startte. Op goed geluk reed ik de wijk uit terwijl het zweet in mijn ogen droop. Ik had op de kaart moeten kijken, ik had geen idee hoe ik zonder navigatie op een van de stadsdreven kwam die naar de snelweg leidden. Knarsetandend van de spanning sloeg ik willekeurig linksaf, rechtsaf.
Doordat ik niets snapte van Almeres gescheiden verkeersstromen belandde ik plotseling op een vrije busbaan. Ik kon er niet meer af, het leek alsof ik kilometerslang over ­ y-overs en viaducten reed. Paniek sneed me de adem af totdat ik bij een overgang mijn kans schoonzag en ik mijn auto met een onmogelijk krappe draai weer op een gewone weg wist te krijgen. Ik zeilde over een rotonde en kon mijn geluk niet geloven: ik kwam uit op de Hogering, een van de grote doorgaanswegen. Maar daar sloeg de motor af. Vloekend, biddend en machteloos op mijn stuur slaand kon ik nog net de vluchtstrook bereiken. Ik greep mijn handtas en mijn laptop en sloeg het portier achter me dicht.
Hete lucht verplaatsend raasden volgepakte auto’s aan me voorbij. Niemand leek me te zien staan. Of niemand wilde tijd verspillen door te stoppen. Weg, weg, weg van hier!
De middagzon brandde op mijn blote armen. Ik werd dizzy van de warmte. Ik had iets moeten eten.
Net toen ik dacht dat ik in tranen zou uitbarsten, reed er een grote truck met een Belgisch nummerbord de vluchtstrook op. Ik was nog nooit in zo’n gevaarte geklauterd, ik kwam de treeplank amper op. Ik voelde ineens dat ik een vrouw van boven de zestig was, strammer en brozer dan onder deze omstandigheden wenselijk was.
De vrachtwagenchau‑ eur, een man met een goedig gezicht, begon meteen tegen me te kletsen. Hij zei dat hij Lammert heette, Lammert Verweghe, en dat hij zich niet liet gekmaken door die verhalen over een mistbank. ‘Mijn camion geraakt er wel doorheen. Ik ga niet nog een dag vermorsen.’
Ik herademde. Nog even en deze nachtmerrie zou voorbij zijn. In mijn tas vond ik Maartens zakdoek. Ik snoot mijn neus. Nooit van mijn levensdagen zette ik meer een stap in Almere.”

 

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Lees verder “Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco, Robert Burns, Paavo Haavikko”

Robert Margerit

De Franse schrijver en journalist Robert Margerit werd geboren op 25 januari 1910 in Brive-la-Gaillarde. Nadat hij zijn middelbare schoolopleiding in Limoges had afgerond hield hij zich bezig met een opleiding tot notaris, maar ook met geschiedenis, literatuur, zwemmen, paardrijden en schilderen, om zich uiteindelijk te ontwikkelen tot een productief schrijver (romans, toneelstukken, kunst- en theaterkritiek, radio-uitzendingen), Vanaf 1931 werkte Margerit als journalist in Limoges en schreef hij vooral voor “La Vie limousine”. In 1937 trouwde hij met Suzanne Hugon, dochter van de historicus en dichter Henri Hugon Creuse en verliet hij Limoges voor Thias. Samen met Georges-Emmanuel Clancier en René Rougerie richtte hij in 1945 het literaire tijdschrift “Centres” op. Begin 1948 werd hij redacteur van “Centrum Populaire”, waarvoor hij na 1952 als columnist actief bleef. Georges-Emmanuel Clancier richtte in Brive in 1991 de vereniging Vrienden van Robert Margerit op. De vereniging publiceert de “Cahiers Robert Margerit”. Voor zijn vierdelige roman “La Révolution”ontving hij de Grand Prix du roman de l’Académie française

Uit: La Révolution

« Ce mois de juin 93 était radieux. Fini, le printemps froid. Toutes les roses de Paris s’épanouissaient, tandis que, sur la place de la Révolution, tombaient à intervalles quelques têtes. Un soir — la lumière s’attardait aux clochers de Saint-Germain-des-Prés —, dans la rue des Anges, toute proche, étroite, déserte et déjà noyée de nuit, un homme en habit sang-de-boeuf vint frapper à la porte d’une maison. On ne répondit point. Il frappa plus fort. Enfin, il entendit un pas descendre avec prudence. L’huis s’entrebâilla, une figure de vieille femme apparut dans le halo d’une chandelle. « L’abbé est-il chez lui ? demanda l’homme en rouge. — Mais, citoyen, vous faites erreur ! Il n’y a pas de prêtre ici. » Haussant ses larges épaules, le visiteur poussa la porte, entra. « Il m’attend, je vous prie de me conduire. — Ah ! Monsieur me pardonnera. On est tenu à tant de précautions, voyez-vous ! » dit la vieille servante en prenant les devants. À sa suite, il monta quatre étages, suivit un couloir étroit, plein de détours, puis il fut introduit dans une soupente. Il y faisait très chaud, la tabatière levée ne laissait guère entrer de fraîcheur. Un prêtre ultramontain était là : l’abbé de Kéravenant, réfractaire rescapé du massacre de l’Abbaye. Posant son bréviaire, il s’avança vers le visiteur. À sa puissante carrure, à son négligé — la cravate relâchée, le jabot froissé —, à sa grosse tête rougeaude, pleine de grêlures, à sa chevelure blonde en crinière, la bouche sensuelle et bonne, l’oeil bleu éclatant, le prêtre reconnut Danton. Il l’attendait, en effet. Cette présence ne l’impressionnait pas moins. « Monsieur l’abbé, lui dit l’effrayant personnage, vous savez pourquoi je suis ici. Serez-vous assez bon pour m’entendre, pour m’absoudre ? — Mettez-vous à genoux, mon fils. » Gauchement, Danton s’agenouilla sur un mauvais prie-Dieu, devant un crucifix pendu au mur, et joignit les mains. Autour du confesseur et de son extraordinaire pénitent, l’ombre, le silence. Le fond de la pièce reculait dans la nuit. La grande voix de bronze se faisait murmure. « Mon père, je m’accuse… » En vérité, il n’était venu que pour pouvoir épouser une enfant de seize ans. Moins de quatre mois après avoir, dans la violence de sa douleur, passionnément étreint le cadavre de sa femme exhumée, il en voulait une autre, une que Gabrielle-Antoinette connaissait et aimait bien : la fille du citoyen Gély, commis aux bureaux de la Marine. Danton lui-même lui avait procuré cet emploi, l’année précédente. Les Gély étaient fort amis des Charpentier. Ils estimaient Danton et lui devaient de la gratitude, mais ils s’effrayaient de donner leur fille à un tel personnage. »

 
Robert Margerit (25 januari 1910 – 27 juni 1988)
Portret door Edmond Jacquement, 1931