Candlemass (Malcolm Guite)

Bij Maria Lichtmis

 

 
Presentatie van de Heer in de Tempel door Fra Bartolomeo, 1516

 

Candlemas

They came, as called, according to the Law.
Though they were poor and had to keep things simple,
They moved in grace, in quietness, in awe,
For God was coming with them to His temple.

Amidst the outer court’s commercial bustle
They’d waited hours, enduring shouts and shoves,
Buyers and sellers, sensing one more hustle,
Had made a killing on the two young doves.

They come at last with us to Candlemas
And keep the day the prophecies came true
We glimpse with them, amidst our busyness,
The peace that Simeon and Anna knew.

For Candlemas still keeps His kindled light,
Against the dark our Saviour’s face is bright.

 

 
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957)
Ibadan, Nigeria. Oritamefa Baptist Church. Malcolm Guite werd geboren in Ibadan.

 

Zie voor de schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, Norbert Bugeja, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, Monica Camuglia

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Gentlemen of Tea (Vertaald doorJane Fenoulhet)

“He stood at the edge of the jungle in the deep, cool shade. Patches of sunlight dappled the ground at his feet. When he looked up he could see the fierce gleam of the midday sky behind the mass of foliage moving above him. The ground was still damp from the last rainfall. He inhaled the smell of greenness, of Gambung. He heard the wind whispering in the treetops, a rustling and a soft cracking and creaking from within the tangle of vegetation.
A stone with her name and dates had been set into the stonework before him. The stone to the right bore no name. A little further was another grave without a stone. Forty-five years ago, on this spot among the trees, he had planted his first tea.
He leaned on the walking stick which for some time now he had been unable to do without. The dull, gnawing sensation deep inside him was not a pain – not yet. He knew it would always be there, that something (he didn’t know the name of his illness) was consuming him from within, was hollowing him out. The limits of his existence had come into view. This would be his last visit to Gambung.
For a year he had been living in Bandung with Bertha, in the house he had bought there in 1907, but had never moved into. The tenant had handed it over to him temporarily. Not far from there his third stone-built house, a grand edifice where Jenny would have been happy, with spacious verandahs, high ceilings, marble floors, was taking shape. Disguising the seriousness of his condition, he had taken a trip to Batavia together with Bertha, to order the furniture and lamps that Jenny would have chosen. The house stood in splendid grounds called Kebun Karet which the local population revered as an almost holy place because of a group of ancient waringin trees which grew there. He would leave this white house, built in a balanced, modern style, to his children, a place where they could meet one another when they came to the town from Gambung, Malabar or Negla: a Kerkhoven family house, a Netherlands Indies ‘Hunderen’.
He was here to say goodbye to Gambung. One last time he had gone round the factory, that row of sheds with their new machines for withering, drying and sorting. Among the people working there he had seen men and women who had grown up in Gambung village, children of Martasan and Muhiam and Kaidan and Muntayas and Sastra, the first inhabitants.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Hier met Godfried Bomans op een boekenmarkt in 1966

Lees verder “Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, Norbert Bugeja, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, Monica Camuglia”

Dorien de Wit wint Turing Gedichtenwedstrijd 2017

Dorien de Wit wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

De Nederlandse dichteres, schrijfster en beeldend kunstenaar Dorien de Wit heeft de Turing Gedichtenwedstrijd 2017 gewonnen. Voor haar gedicht ‘Legenda’ ontving ze de geldprijs van 10.000 euro. Dat werd woensdagavond bekendgemaakt in het NOS-radioprogramma Met het Oog op Morgen. Dorien de Wit publiceerde gedichten en kort proza in Hollands Maandblad, De Optimist en Tortuca. Bij dit laatste tijdschrift was zij een aantal jaren redacteur. In 2010 was zij een jaar lang medewerker bij Meander Magazine.

Legenda

Een lijn op papier is een grens tussen twee vlakken
Een golvende lijn betekent dat de grens beweegt
Twee golvende lijnen onder elkaar zijn water

Mijn vingertoppen maken afdrukken op alles wat ik aanraak
Elke vinger heeft een eigen patroon als hoogtelijnen op een plattegrond
Ik laat een spoor achter op de tafel, de potloden, mijn glas

In de bergen is de horizon een golvende lijn
Staand op een berg ben ik onderdeel van die lijn
Ik pak de bovenste steen op en verander de horizon

De steen is een bergtop die in mijn handpalm past
Een bergtop die ik in het dal gooi

 

 
Dorien de Wit (’s-Hertogenbosch, 1980)

Hugo von Hofmannsthal, Stijn Vranken, José Luis Sampredo, F. B. Hotz, Toine Heijmans, Dieter Kühn, Günter Eich, Muriel Spark, Georg Rendl

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hugo von Hofmannsthal op dit blog.

 

Verse, auf eine Banknote geschrieben

Was ihr so Stimmung nennt, das kenn ich nicht
Und schweige still, wenn einer davon spricht.
Kann sein, daß es ein Frühlingswogen gibt,
Wo Vers an Vers und Bild an Bild sich flicht,
Wenns tief im Herzen glüht und schäumt und liebt …
Mir ward es nie so gut. Wie Schaum zerstiebt

Im Sonnenlicht mir jede Traumgestalt,
Ein dumpfes Beben bleibt von der Gewalt
Der Melodie, die ich im Traum gehört;
Sie selber ist verloren und verhallt,
Der Duft verweht, der Farbenschmelz zerstört,
Und ich vom Suchen matt, enttäuscht, verstört.

Doch manchmal, ohne Wunsch, Gedanke, Ziel,
Im Alltagstreiben, mitten im Gewühl
Der Großstadt, aus dem tausendstimmgen Chor,
Dem wirren Chaos, schlägt es an mein Ohr
Wie Märchenklang, waldduftig, nächtigkühl,
Und Bilder seh ich, nie geahnt zuvor.

Das Nichts, der Klang, der Duft, er wird zum Keim,
Zum Lied, geziert mit flimmernd buntem Reim,
Das ein paar Tage im Gedächtnis glüht …
Mit einem Strauß am Fenstersims verblüht
In meines Mädchens duftig engem Heim …
Beim Wein in einem Trinkspruch flüchtig sprüht …

So faß ich der Begeistrung scheues Pfand
Und halt es fest, zuweilen bunten Tand,
Ein wertlos Spielzeug, manchmal – selten – mehr,
Und schreibs, wo immer, an der Zeitung Rand,
Auf eine leere Seite im Homer,
In einen Brief – (es wiegt ja selten schwer) …

Ich schrieb auch schon auf eine Gartenbank,
Auf einen Stein am Quell, daraus sie trank,
Auf bunte Schleifen buntre Verse schier,
Auf einer Birke Stamm, weißschimmernd, blank,
Und jüngst auf ein zerknittert Stück Papier
Mit trockner Inschrift, krauser Schnörkelzier:

Ein Fetzen Schuld, vom Staate aufgehäuft,
Wie’s tausendfach durch aller Hände läuft,
Dem einen Brot, dem andern Lust verschafft,
Und jenem Wein, drin er den Gram ersäuft;
Gesucht mit jedes erster, letzter Kraft,
Mit List, in Arbeit, Qualen, Leidenschaft.

Und wie von einem Geisterblitz erhellt,
Sah ich ein reich Gedränge, eine Welt.
Kristallklar lag der Menschen Sein vor mir,
Ich sah das Zauberreich, des Pforte fällt
Vor der verfluchten Formel hier,
Des Reichtums grenzlos, üppig Jagdrevier.

Der Bücher dacht ich, tiefer Weisheit schwer,
Entrungen aus des Lebens Qualenmeer,
Der Töne, aus der Sphären Tanz erlauscht,
Der Bilder Farbenglut, Gestaltenheer,
Der Becher Weins, daraus Begeistrung rauscht,
All’ für das Zauberblättchen eingetauscht.

Der harten Arbeit untertän’ge Kraft,
Erlogner Liebe Kuß und Leidenschaft,
Die Jubelhymne und des Witzes Pfeil,
Was Kunst und was Natur im Wettkampf schafft,
Feil! alles feil! die Ehre selber feil!
Um einen Schein, geträumter Rechte Teil!

Und meiner Verse Schar, so tändelnd schal,
Auf diesem Freibrief grenzenloser Qual,
Sie schienen mir wie Bildwerk und Gezweig
Auf einer Klinge tödlich blankem Stahl …

 

 
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) 
Lithografie door Karl Bauer, 1900

Lees verder “Hugo von Hofmannsthal, Stijn Vranken, José Luis Sampredo, F. B. Hotz, Toine Heijmans, Dieter Kühn, Günter Eich, Muriel Spark, Georg Rendl”

Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann, Anna Blaman, Henk van Straten, Jozef Eijckmans, Marcus Roloff, Norman Mailer, Stefan Beuse

De Nederlands dichter en neerlandicus Anton Korteweg werd geboren in Zevenbergen op 31 januari 1944. Zie ook alle tags voor Anton Korteweg op dit blog.

 

Zee

Ze is zo groot.

En, hoewel grijs in middels,
Zo mooi in haar groenblauwe jurk nog.

We mogen met z’n allen aan haar zitten,
nog steeds. Vindt ze niet erg.

We mogen er zelfs in, helemaal.
Merkt ze niet eens.

Ze is zo groot.

Haar kou gooit ons terug als een visje.

 

Bij het zien van een weegbree in een scheur van het asfalt

Een weegbree – drie ovale blaadjes –
gebroken uit een asfaltscheur

Nu je er toch bij stil moet staan,
wil je er niets van denken.

Of, moest het toch, iets als allicht,
de weegbree immers is heel algemeen
op asfalt, tussen puin en bij gebouwen.

Maar wat je ziet ben je natuurlijk zelf,
door je omgeving wreed gefnuikt maar niet
vergeefs naar volle wasdom strevend, toch,
de Zeeuwse wapenspreuk, zeg maar, maar anders,
zoiets, en anders is het die etterbak die steeds
waar je het niet verwacht z’n kop opsteekt
of, evenmin onaardig, ’t onweerlegbaar teken
dat het het leven is dat altijd wint.

Enfin, het is je blijkbaar niet gegeven
een overblijvend, veel voorkomend plantje
in z’n natuurlijke omgeving waar te nemen
als wat het is: gewoon een weegbree. Jammer.

 

 
Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)
Portret door Lia Laimbock, 1996

Lees verder “Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann, Anna Blaman, Henk van Straten, Jozef Eijckmans, Marcus Roloff, Norman Mailer, Stefan Beuse”

Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Dewulf op dit blog.

 

Impression soleil manquant

in straten, leeg van plezier, horen wij
de wind door de hagen, en weten:
eens gaat hij liggen, ook hij;

wij zoeken naar steun in
de stenen, die ons dragen
als schouders, zo zeldzaam,

en vinden de stemmen terug, van
vroeger, van later, van regen
op zeer fijne planten, en

denken: waar zullen wij
belanden, na dit behoedzaam
verlaten van weerom ons huis,

en waar na dit geduldig
verkennen van lanen, lang
van geheugen, en zonder een lucht
om te reiken, wellicht.

 

Choreografie

als het zo is, dat, wanneer wij in
het sluw geslaap verzeilen, onze ogen
nog gesloten moeten, en de handen
vlug gevouwen,

waarom dan verzoeken wij hier,
zeldzaam gretig soms, de vreugden
en bijwijlen zelfs de woorden
met de meest gemeende sier,

of zijn wij slechts de dwaze dansers,
zeer gracieus en eeuwig soms,
maar van muziek de stille slaven,
van de droeve dans nog slechts
de licht gebogen hand of spaarzaam
uitgevoerde pas?

 

Door liefde

Ik zeg als zij slaapt mijn naam
in de nacht. Zo duid ik mij aan.
Ik spreek hem door liefde gehard
tot ver binnen haar lichaam uit.

Daar wil ik bestaan, uit niets
dan mijn naam en haar lichaam.
Als niemand en woelig er wonen,
als haar schoonheid voorbijgaan.

Slaap is haar stem en zij zucht
tot antwoord niet eens. Buiten haar
houdt zij mij diep in haar vast.
Men heeft haar lief om haar heen.

 

 
Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960

Lees verder “Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare”

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Uit: Taras Bustos en de eeuwigheid

“Pas vele slopende weken nadat hij de fatale diagnose had, durfde dokter Poliot, lijfarts van de bekende vrijgezel-miljardair Taras Bustos (Doctor Honoris Causa), zijn Baas te vertellen aan welke vreselijke ziekte hij leed.
De baas reageerde als een ware stier, en zou Poliot met een tafelaansteker de hersens ingebeukt hebben, als deze niet met een wanhopige falsetto had gekrijst: ‘Wacht, wacht, Baas Bustos. Al is mijn nietswaardige leven niet waard verder geleefd te worden, als u mocht komen te overlijden, wacht toch op mijn laatste raadgeving voordat u mij verplettert.’
Bustos gooide de massieve tafelaansteker in het open vuur. Sinds hij ziek was geworden, bivakkeerde Bustos onder de kap van de reusachtige schouw in zijn landhuis. Op een simpele ligstoel zat hij de hele dag nors voor zich uit te kijken. En hij had de vreemde gewoonte ontwikkeld om alles wat hij had aangeraakt in het vuur te werpen, ongeacht waarde of schoonheid. Dokter Poliot hield het erop dat de Baas een ontsmettingsneurose had, dat hij alles wat hij met zijn zieke handen had aangeraakt, voorgoed onschadelijk wilde maken. Maar het was toch alweer weken geleden dat hij de Baas had ingelicht dat de ziekte niet besmettelijk was, en sindsdien was de verbrandingsmanie alleen maar groter geworden. Baas Bustos ging nu zelfs zover zijn hele bed te laten verbranden, meteen als hij zich ’s ochtends in de nieuwe ligstoel onder de schouw had laten zakken. Urenlang zat hij te kijken, hoe zijn personeel iedere dag het slaapkamerinterieur verbrandde in de haard. En als de voorraad brandbaar materiaal op was, kwam Bustos uit zijn stoel en bewoog zich kriskras door het huis, somber neuriënd. En alles wat hij op zijn korte wandeling aanraakte, moest vernietigd worden, tot de vloerkleden die hij met zijn sloffen had aangeraakt toe.
Vanaf de gaanderij sloeg Poliot hem soms urenlang onopgemerkt gade, doodsbang de Baas definitief in te lichten over de aard van zijn ziekte. En langzamerhand had Poliot ontdekt, dat de Baas de fatale aard van zijn kwaal moest kennen. Er was iets woests over Bustos gekomen, iets verwoestends, iets dat op een naderend einde duidde. In het huis was niets te merken van de maniakale aanval van de miljardair. Nog geen vijf minuten nadat de slaapkamer ontruimd was, droegen de mannen van een prominente firma een identiek meubelement binnen, iedere ochtend met dezelfde matte grap: ‘het wegwerpinterieur voor Doctor Bustos. Wilt u even tekenen alstublieft’.”

 

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)
Portret door Hennie van der Vegt. 2002

Lees verder “Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov”

Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer, Mirjam Müntefering

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zie ook alle tags voor Olga Tokarczuk op dit blog.

Uit: Runners (Vertaald door Jennifer Croft)

“Kunicki has a good job. At work he’s a free man. He works as a sales representative for a big Warsaw publisher–representative, meaning he peddles books. He has several spots in town he has to stop by every so often to tout his wares; he always brings them the latest stuff and makes them special offers.
He drives up to a little store on the outskirts of town and gets the order he’s fulfilling out of the trunk of his car. The store is called Book and School Supplies Store, it’s too small to give itself such airs as a specific name, and anyway, most of what it sells is just notebooks and textbooks.
The order fits into a plastic box: guidebooks, two copies of the sixth volume of the encyclopedia, the memoirs of a famous actor, and the latest bestseller by the unrevealing title of Constellations–a whopping three copies of this. Kunicki promises himself he’s going to read it. They serve him coffee and a slice of cake. They like him. Washing down mouthfuls of cake with the coffee, he shows them the new catalog. This sells well, he says, and this right here gets ordered all the time. Such is Kunicki’s job. As he’s leaving he purchases a calendar that’s on clearance.
In the evening in his tiny office he fills in the publisher’s corporate forms with the orders he’s gotten; he sends the forms by email. He’ll receive the books in the morning.
He takes deep, relieved breaths, inhaling the smoke from his cigarette: the work day is done. He’s been waiting for this moment since morning so he can look through the pictures in peace. He hooks up the camera to the computer.”

 

 
Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

Lees verder “Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer, Mirjam Müntefering”

Vicente Blasco Ibáñez, Serap Çileli, Gert Hofmann, Muna Lee, Johann Seume

 De Spaanse schrijver Vicente Blasco Ibáñez werd geboren op 29 januari 1867 in Valencia. Zie ook alle tags voor Vicente Blasco Ibáñez op dit blog.

Uit:  The Four Horsemen of the Apocalypse  (Vertaald door Charlotte Brewster Jordan)

“And Julio, in his special delivery letter, had proposed meeting in this place, supposing that it would be as little frequented as in former times. She, too, with the same thoughtlessness, had in her reply, set the usual hour of five o’clock, believing that after passing a few minutes in the Printemps or the Galeries on the pretext of shopping, she would be able to slip over to the unfrequented garden without risk of being seen by any of her numerous acquaintances.
Desnoyers was enjoying an almost forgotten sensation, that of strolling through vast spaces, crushing as he walked the grains of sand under his feet. For the past twenty days his rovings had been upon planks, following with the automatic precision of a riding school the oval promenade on the deck of a ship. His feet accustomed to insecure ground, still were keeping on terra firma a certain sensation of elastic unsteadiness. His goings and comings were not awakening the curiosity of the people seated in the open, for a common preoccupation seemed to be monopolizing all the men and women. The groups were exchanging impressions. Those who happened to have a paper in their hands, saw their neighbors approaching them with a smile of interrogation. There had suddenly disappeared that distrust and suspicion which impels the inhabitants of large cities mutually to ignore one another, taking each other’s measure at a glance as though they were enemies.
“They are talking about the war,” said Desnoyers to himself. “At this time, all Paris speaks of nothing but the possibility of war.”
Outside of the garden he could see also the same anxiety which was making those around him so fraternal and sociable. The venders of newspapers were passing through the boulevard crying the evening editions, their furious speed repeatedly slackened by the eager hands of the passers—by contending for the papers. Every reader was instantly surrounded by a group begging for news or trying to decipher over his shoulder the great headlines at the top of the sheet.”

 

 
Vicente Blasco Ibáñez (29 januari 1867 – 28 januari 1928)
Portret door Joaquin Sorolla, 1906

Lees verder “Vicente Blasco Ibáñez, Serap Çileli, Gert Hofmann, Muna Lee, Johann Seume”

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 

Domme Julia

domme julia
wat heb je gedaan
je grote oogjes uitgedoofd
je keeltje gestikt
je navel doorboord
je vingers verknipt
je lijfje vermoord
door domme domme gedachten
ik ben hier
wil je dat ik naar jou toe
wil je dat ik opgestegen kom
om je verder te duwen
om je mee te trekken
om je te helpen
om samen te leren vliegen
zonder los te laten
om samen te klinken
twee kamers van hetzelfde hart
ik kom eraan liefste
ik trek mijn zware vleugels aan
en stijg
en stijg
en onderweg zal ik voor jou de sterren tellen
en planeten
water zal sprenkelen uit mijn tenen
tien tenen bewaar ik voor jou
en uit mijn hielen allebei spuit lichtblauw gas
om hoger te geraken tot bij jou
vuil sijpelt uit mijn beide ogen
over mijn beide wangen
en allebei mijn handen vullen zich ermee
en gieten het uit
ver onder mij
dood vuil over dode aarde
ik kom eraan
ik versnel
ik ben al in donkere luchten en roep om jou
ik zie hoe sterren achter mij steken blijven
en langzaam doven
terwijl ik vuur uit mijn duizenden haren pers
dunne buizen over mijn gehele lijf
mijn hoofd brandt voor jou
mijn handen zijn tien pennen van stralend vuur
ik stijg op eigen kracht
dit is niet meer naar boven
ik kom eraan
mijn lichaam smelt
mijn botten ontploffen als hete lucht ontploft uit een moeras
ik straal
voel hoe mijn lichaam barst en knalt
mijn aderen slagaderen capillairen
nerven van licht gestold in licht voor jou
ik ben voor jou veranderd
ik zoek je
ik verlicht je van binnen
ik zoek de randen van je holle lijf
ik zoek je vingers
tien vingers voor mij
ik brand
ik ben hel lichtend in je
voel je mij
ik kom eraan liefste
ik kom eraan

 

 
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

Lees verder “Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare”