Elaine Goodale Eastman

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elaine Goodale Eastman werd geboren op 9 oktober 1863 als dochter van Dora Hill Read en Henry Sterling Goodale, een boer en schrijver in Mount Washington, Massachusetts. Tegen de tijd dat ze 18 was, had ze al 3 dichtbundels gepubliceerd en gaf zij een maandelijks tijdschrift uit, genaamd “Child’s Monthly Gem”. Om de opleiding die zij thuis hadden gekregen aan te vullen bezochten Elaine en haar jongere zus Dora twee jaar lang in New York een kostschool. In 1878 werden de gedichten van de twee meisjes gepubliceerd onder de titel “Apple Blossoms: verses of two Children”. Er werden meer dan 10.000 exemplaren van verkocht. In 1879 verscheen de bundel “In Berkshire with the wild flowers” en in 1881 “Verses from Sky Farm”. Elaine publiceerde in 1881 nog een boek, “Journal of a Farmer’s Daughter” Het was in dat jaar dat haar ouders gingen scheiden. Henry verhuisde naar New York toen de scheiding in 1882 definitief was. In 1882 aanvaardde Elaine een baan als leerkracht aan het Hampton Normal and Agricultural Institute in Hampton. In 1893 had zij zich ontwikkeld tot een bekwaam docente en had zij verschillende “kampen” bezocht. Zij werd ook een van de oprichters van de Indian Rights Association (1882). “In Sister to the Sioux” schrijft ze over haar uitstapjes naar het Sioux-reservaat had zij veel dingen over de Sioux-cultuur geleerd, en kreeg zij een contractom voor meerdere kranten te schrijven. Zij werd tevens benoemd tot hoofd van de opleidingen in acht reservaten van de Sioux. Ze leerde vloeiend spreken in alle Sioux dialecten. In 1889 reisde ze naar het oosten, ontmoette witte kolonisten en zag de armoede en de ellende, waarin ook deze leefden Toen zij thuis kwam, vestigde ze zich in Northampton en begon ze voor meerdere kranten te schrijven en werd een betaalde lector voor The Women’s National Indian’s rights Association. Hier ontmoette ze Thomas J. Morgan, die The office of the Supervisor of education of the two Dakotas in het leven riep en Elaine als eerste supervisor benoemde. Zij keerde terug naar Pine Ridge vanwege de Wounded Knee-affaire en ontmoette haar toekomstige echtgenoot Charles Alexander Eastman. Elaine en Charles trouwden in 1891 in New York tot ontsteltenis van haar familie. Het huwelijk zou niet zonder problemen blijven, ondanks triomfen die op literair gebied ook werden gevierd. Elaine redigeerde veel van Charles’s geschriften en werd depressief omdat hij succesvol was en zij haar literaire dromen ondergeschikt maakte aan die van haar man. Zij kregen zes kinderen. Haar man publiceerde 10 boeken. Nog 7 boeken werden er geschreven door Elaine. Het laatste was “Hundred Maples” uit 1935. Het echtpaar scheidde kort nadat hun dochter Irene overleed.

June

For stately trees in rich array,
For sunlight all the happy day,
For blossoms radiant and rare,
For skies when daylight closes,
For joyous, clear, outpouring song
From birds that all the green wood throng,
For all things young, and bright, and fair,
We praise thee, Month of Roses!
For blue, blue skies of summer calm,
For fragrant odors breathing balm,
For quiet, cooling shades where oft
The weary head reposes,
For brooklets babbling thro’ the fields
Where Earth her choicest treasures yields,
For all things tender, sweet and soft,
We love thee, Month of Roses!

 

Baby

Dimpled and flushed and dewy pink he lies,
Crumpled and tossed and lapt in snowy bands;
Aimlessly reaching with his tiny hands,
Lifting in wondering gaze his great blue eyes.

Sweet pouting lips, parted by breathing sighs;
Soft cheeks, warm-tinted as from tropic lands;
Framed with brown hair in shining silken strands,—
All fair, all pure, a sunbeam from the skies!

O perfect innocence! O soul enshrined
In blissful ignorance of good or ill,
By never gale of idle passion crossed!

Although thou art no alien from thy kind,
Though pain and death may take thee captive, still
Through sin, at least, thine Eden is not lost.

 
Elaine Goodale Eastman (9 oktober 1863 – 24 december 1954)

Alexis de Roode, Martin van Amerongen, Benjamin Cheever, Jakob Arjouni, John Cowper Powys, Sergei Efron, André Theuriet, Nikolaus Becker, Atticus Lish

De Nederlandse dichter Alexis de Roode werd geboren op 8 oktober 1970 in Hulst. Zie ook alle tags voor Alexis de Roode op dit blog.

 

Dag liefje

Dit gedicht is andersom,
want alles is voorbij.
Het wordt al lente en
ik moet weg van hier.

Het mooie van de tijd is
dat hij doorgaat, trouwer dan mensen.
Zo verdwijnt ook alle pijn.
Zing maar met de vogels
die slecht weinig jaren hebben.

Dag liefje,
Sommige dingen heb ik nooit
gezegd, maar wel altijd gedacht.

Ik weet nog dat ik je zag
voor het eerst, in een zweefmolen,
je had een potlood in je haar.

 

Uit: Gratis tijd voor iedereen.

Elf witte gedaanten / in duisternis
Adem en ruis / onder zware gewelven

Diep in de zalen / flakkerend rood
Achter de stilte / één kleine vlam

Stenen plavuizen / glanzend van leegte
Roerloos rechtop / monnik en touw

Dunne witte armen / glijden uit plooien
Traag als gebeden /  omhoog langs het koord

Een knallende slag / wordt ronde galm
Sterft eenzaam uit / in zuigende stilte

De ruimte staat op / dan nogmaals een dag
Tien witte gestalten / schuifelden weg

Alleen blijft de monnik / met dreunend lawaai
In de doodstille kerk / absoluut silhouet

 

 
Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)

Lees verder “Alexis de Roode, Martin van Amerongen, Benjamin Cheever, Jakob Arjouni, John Cowper Powys, Sergei Efron, André Theuriet, Nikolaus Becker, Atticus Lish”

Simon Carmiggelt, Rachel Kushner, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally, Dirkje Kuik, Steven Erikson, Wilhelm Müller, Sohrab Sepehri, Chigozie Obioma

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Simon Carmiggelt op dit blog.

 

Louter droefheid

Ik voel mij somber. Ei, wat zal ik doen?
Een platte geest dronk nu een glaasje.
Maar ik ben een poëtisch baasje
en ga mijn weemoed in een versje doen.

Dat is het voordeel van mijn gave.
De burger kan zijn ei niet kwijt,
terwijl ik, rustig mijn neerslachtigheid
gelijk een paardje voor mijn kar laat draven.

Is het volbracht, dan ben ik opgelucht.
‘k Heb schoonheid uit mijn pijn gewrongen.
Mijn lieve pen heeft mooi gezongen.
Ik stap in bed. Ik geeuw en zucht.

En staan mijn verzen later soms te kijk
in ‘Gouden Aren’ of in ‘Dichterschat’,
dan zegt de leraar bij deez’ pennespat:
‘Kijk jongens, hier had hij het moejelijk.’

 

In de trein

Bij Vught dacht ik: ‘Hier is broer Jan gestorven.’
En ‘k zag mijn vader, met zijn oud gezicht
rood opgezwollen, toen het doodsbericht
zijn late leven toch nog had bedorven.

Voor moeder kwam een eind aan haar pakketten.
Zij streed, zolang Jan zat, met eigen wapen,
stond aan ’t fornuis haar moed bijeen te rapen,
zond zeven broden, zeven tegenzetten.

En ook het reizen was achter de rug.
Ze gingen met de trein. Daar ligt het kamp.
Daar zit hij in. Daar woont die ramp.
Dan zuchtten ze en gingen maar weer terug.

Ziet ge de boer de vredesakker ploegen?
Mijn moeder heeft Jans foto op de kast gezet.
Mijn vader geeft in ’t graf ’n antwoord aan die vroegen:
‘En de oude man, hoe draagt hij het?’

 

De vader

Dit kleine prinsje, kraaiend, blij en rap,
is ’t enig wezen in het aardse tranendal
voor wie hij in een afgrond springen zal.
Nu ja, maar stellig van een hoge trap.

Van vadertrots zwelt hem de weke krop,
want dit is nu toch ’s levens suikerstang.
Hij sabbelt, maar het duurt niet lang.
Het zoet slinkt weg, de knaap groeit op.

En geen notaris wordt er uit die stek.
Daaraan werd vaders geld bepaald vermorst.
Toch is de jongen wel een flinke borst.
Als krachtig fietsenmaker lang niet gek.

Maar vrolijk kraaien valt hem niet meer in
wanneer hij, eens per jaar, pa’s krot betreedt.
De oude kijkt hem aan. Als jongeling gekleed,
staat hij daar zelve, doch met Anna’s kin.

 

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

Lees verder “Simon Carmiggelt, Rachel Kushner, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally, Dirkje Kuik, Steven Erikson, Wilhelm Müller, Sohrab Sepehri, Chigozie Obioma”

Georg Hermann

De Duitse schrijver Georg Hermann (oorspronkelijk Georg Hermann Borchardt) werd op 7 oktober 1871 in Berlijn als de jongste van zes kinderen in een oude gevestigde Joods-Berlijnse familie geboren. De gekozen naam Hermann was de voornaam van zijn vader, “wiens leven en dood het harde leven en de bittere dood was van de hopeloze.” De naam van zijn vader moest weer worden geëerd – zo Georg Hermann over de keuze van zijn pseudoniem. Georg Hermann werkte als koopman- leerling en bezocht van 1896 tot 1899 literatuur-, kunst- en filosofische lezingen aan de universiteit van Berlijn. Later was hij werkzaam bij het Berlijnse Statistische Bureau en schreef voor veertig kranten en tijdschriften, hoofdzakelijk uitgegeven door Ullstein. In de eerste drie decennia van de twintigste eeuw was Georg Hermann een bekende schrijver. Zijn literaire model was Theodor Fontane, waardoor hij zelf ook wel “de Joodse Fontane” werd genoemd. De romans “Jettchen Geberts Geschichte” en “Henriette Jacoby”, die in het Berlijn van de 1840’s spelen en een beeld schetsen van de liberale geest van deze tijd in een Joodse familie, waren bestsellers met meer dan 260 oplagen. Zijn andere romans hebben niet dezelfde populariteit bereikt. Georg Hermann was in 1909 medeoprichter en eerste voorzitter van de Schutzverband Deutscher Schriftsteller (1910-1913), waarbij al snel bijna alle prominente Duitse schrijvers waren aangesloten. Voortdurend bedreigd door de Nationaalsocialisten besloot Hermann om Duitsland na de Reichstagsbrand in 1933 te verlaten. Met zijn twee jongste dochters en zijn gescheiden vrouw ging hij naar Nederland in ballingschap. Hermann’s werken stonden op de zwarte lijst en werden in mei 1933 verbrand. In ballingschap schreef Hermann onder moeilijke economische omstandigheden “Eine Zeit stirbt” evenals drie andere romans. Na de bezetting door het Duitse leger was hij in het begin van 1943 verplicht zijn woonplaats Hilversum te verlaten en naar Amsterdam te gaan. Vanuit Amsterdam werd Hermann eerstsamen met zijn dochter uit het tweede huwelijk Ursula en haar zoon Michael naar Westerbork en op 16 november 1943 zonder dochter en kleinzoon naar het concentratiekamp Auschwitzgedeporteerd .Als datum van overlijden geldt 19 november 1943.

Uit:Eine Zeit stirbt

“Alle sind damit – mit Unrecht, vielleicht mit Recht, je nach dem, wie man das ansehen will – unzufrieden. Denn ihr Stück Gemüseland, und das gehört zu jeder Wohnung, wäre, so meinen sie, sicher viel ertragreicher geworden, und so bekäme man ja gar nichts raus, kaum ein Bund Radieschen und einen halben Zentner grüner Bohnen, … also – viel ertragreicher wäre es geworden, wenn man nicht damals hier erst mal unnötigerweise den Boden planiert hätte, und dabei die alte Humusdecke abgestochen und untergegraben hätte. Und den dicken, rotgelben, schlechten Lehm, den von ganz unten, dafür hochgeworfen hätte. – Damals nämlich, als man die Absicht auszuführen begann, dieses Dutzend Wohnkästen hier – und warum eigentlich auf der Winterseite des Tals? – hinzustellen. Und außerdem noch gerade neben den Friedhof. Ja, da gehört doch gleich mit Eisenbahnschienen ‘neigeschlagen! meinen sie.
Außerdem hatten die Erdarbeiten, die so unnütz wie ein Kropf waren, denn das Stückchen Gartenland hätte ebenso ruhig etwas mehr hügelan laufen können … oder man hätte es überhaupt ganz so lassen sollen, wie es war, und die Häuser einfach mitten in die Margeriten- und Salbeiwiesen zwischen die alten Birnbäume stellen sollen, statt diese abzutragen und umzuhauen … die Erdarbeiten hatten so viel verschlungen, immer neue Tausender, Hundertausender und Millionenscheine, die stets nach acht Tagen wieder so wertlos waren, daß es sich nicht mal lohnte, sie als Makulatur unter die Tapete zu kleben … derartige Packen von Scheinen hatten die Erdarbeiten gefressen, daß die Häuser deshalb nachher kaum zu Ende gebaut werden konnten. Das Geld, das dafür bestimmt war, rutschte immer wieder unter dem Bau fort, wie Schwimmsand unter dem Fundament.
Sagte ich eben ein Dutzend?! Es sind ja nicht mal ganz ein Dutzend von diesen großen, gelben, langgezogenen Kästen mit je vier Parteien. Aber das ist wirklich nicht so wichtig. Das müßte man erst nachzählen. Und außerdem geht uns das gar nichts an. Vielleicht später mal. Genug, die Siedlung ist in der allerunsichersten Zeit errichtet worden. Heute macht man sowas besser! Kurz nach dem Krieg, als man noch nicht ahnte, was alles los war und werden würde, und nun meinte: jetzt ist der Krieg zu Ende, also ist deshalb doch Frieden. Wieder Frieden. Und alles wird ungefähr so werden, wie es vorher war. Nur die Briefmarken werden wir ändern. Die Menschen aber werden doch wieder wohnen müssen. Nicht wahr? Und sie werden essen müssen. Nicht wahr? Und sie werden Geld verdienen. Nicht wahr? Und sie werden Geld ausgeben. (Das haben sie immer getan.) Alles wird zwar etwas bescheidener sein als vorher, – dafür war eben Krieg! – aber doch ungefähr ebenso. Nicht wahr? Also: Geld wird wieder Geld sein. Und Ware Ware. Und die Menschen werden eben wieder Menschen sein.”

 
Georg Hermann (7 oktober 1871 – 19 november 1943)

Victor Vroomkoning, Ulrike Ulrich, Yaşar Kemal, Heinrich Federer, Ludwig Begley, Maria Dąbrowska, Horst Bingel, Peter Gosse

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Victor Vroomkoning op dit blog.

Waas

Hij wuift het kanten waas
van de beslagen ruit.
De blaren vallen,
zegt hij half luid.
Trage halen
van zijn hand
wissen de herfst
in zicht.

Zij kijkt hem
in zijn uitgeleefde nek
en denkt: verrek
toch met je weer,
kijk naar je schedel,
je vergaan gezicht.

 

Contact

Ze tilt de hoorn van de haak,
verbindt er oor en mond mee,
noemt de naam die bij zijn voor-
naam hoort, achter de hare stond.

Ze moet herstellen.

Het is nog al te vers
dat ze zichzelf hervond,
kind weer van haar eerste man,
haar vader werd, diens naam hernam.

Haar tong die lang in coma lag
wordt fluisterend gewekt.
Door het contact wint zij aan stem.

Mond-op-mondbeademing
verkwikt haar toegesnoerde keel.

 

Zoektocht

Ik vraag het de man die naast zijn Groningse stadsbus bij
de remise recreëert, vraag het in Dorkwerd de gele vrouw
die de bermen fatsoeneert, vraag het de bode in Sauwerd die
met zijn post passeert, herhaal het in Adorp voor de werker
die de weg herstructureert, maar een weet waar jij existeert.
Wel de buitenstaander op het Pieterpad die jou exact traceert.

Nabij het Reitdiep duikt je krans van essen op. Wat houd jij
de door schelpen ingelijste pakweg honderd doden hoog!
Dat jij bewaard mag blijven, stille hoop voor wie rust zoekt.
Bij een graf vind ik een strofe die ik hier met jou verbind:

Wie legt me uit hoe alles werkt
hoe groot het gat is tussen nu en nooit
en hoe het komt dat ik nu merk
jij bent echt dichterbij dan ooit.

 
Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)
Portret door Robert Terwindt, 2004

Lees verder “Victor Vroomkoning, Ulrike Ulrich, Yaşar Kemal, Heinrich Federer, Ludwig Begley, Maria Dąbrowska, Horst Bingel, Peter Gosse”

Anton Wachterprijs 2016 voor Roos van Rijswijk

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk krijgt dit jaar de Anton Wachterprijs, de tweejaarlijkse prijs voor een literair prozadebuut. De schrijfster krijgt die voor haar eerder dit jaar verschenen roman “Onheilig”. Van Rijswijk is de twintigste Anton Wachterprijswinnaar. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: Onheilig

“Mijn sigaret was bijna op en ik stak er nog een aan om ze na te kijken, en aan de overkant van mijn straat stonden twee jongens in de keuken, een zwarte en een witte. Ze zwaaiden naar me. want dat doen we altijd. Het zijn studenten of jonge vrienden die ik in het wild niet zou herkennen om-
dat ze in dat raam horen‚ in het gele licht van hun keuken, en ik hoor in mijn raamkozijn met een siga-
rct tussen mijn vingers. Soms krijgen zij mijn kranten‚ de donkere jongen komt ze me dan brengen. Een aai over zijn bol wil ik hetn geven. hij zegt u en mevrouw. Ik durf hem niet te vragen waar hij vandaan komt: Miguel haatte het als mensen dat deden, nog meer dan wanneer hij in de stad voor toerist gehouden werd. 1 am not a tourist, 1 live here.
Ik moet er niet aan denken dat alle laatste keren nog dagen, weken of maanden verder liggen. Kan het niet gewoon klaar zijn?
*
U heeft kinderenf zei de arts.
‘Ja’.
Ik weet niet of mijn leven begon of eindigde toen Miguel kwam, ik neig naar dat laatste. Het eindigde
toen ik doorhad dat hij zou komen, toen het te laat was om hem tegen te houden. Het enige onverwachte wat die jongen ooit gedaan heeft, op zijn plotselinge verhuizing naar nota bene Duitsland na, is geboren worden op de wc van de Bijenkorf. Zo banaal dat je het niet verzinnen kunt, ik zocht een angoratrui en kreeg ineens ontzettende kramp.
Toen kwam Miguel. Zijn naam kreeg hij pas een paar dagen later, op de dag dat Alfons hem aangaf op het gemeentehuis. Doe maar wat. had ik gezegd, in de volle overtuiging dat ik later nog wel eens van dat kind zou gaan houden.”


Roos van Rijswijk (Amsterdam, 1985)

Václav Havel, Roberto Juarroz, Stig Dagerman, K.L. Poll, Flann O’Brien, Denis Diderot, Charlotte Link, Sven Cooremans

De Tsjechische schrijver en politicus Václav Havel werd op 5 oktober 1936 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2009 en ook mijn blog van 5 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Václav Havel op dit blog.

Uit: To the Castle and Back (Vertaald door Paul Wilson)

“I’ve run away. I’ve run away to America. I’ve run away for two months, with the whole family; that is, with Dasa and our two boxers, Sugar and her daughter Madlenka. I’ve run away in the hope that I will find more time and focus to write something. I haven’t been president now for two years, and I’m starting to worry about not having been able to write anything that holds together. When people ask me, as they do all the time, if I’m writing something and what I’m writing, I get mildly annoyed and I say that I’ve already written enough in my life, certainly more than most of my fellow citizens, and that writing isn’t a duty one can perform on demand. I’m here as a guest of the Library of Congress, which has given me a very quiet and pleasant room where I can come whenever I want, to do whatever I want. They ask nothing from me in return. It’s wonderful. Among other things, I would like to respond to Mr. HvÌzdala’s questions.
I’d like to start the conversation with a question that touches on the second half of the 1980s, when you became the most famous dissident in Central Europe, or-as John Keane wrote-“a star in the theater of opposition.” Do you remember the moment when it first occurred to you that you would have to enter into politics, that your role as a playwright, essayist, and thinker would no longer suffice?
In the first place I’d take issue with the designation “star in the theater of opposition.” We did everything we could not to separate ourselves into the “stars” and the others. The better known someone among us became, and thus the better protected from arbitrary repression, the more he tried to come out in defense of those who were less known and therefore more vulnerable. The regime, after all, held to the principle of “divide and conquer.” To some they said: “How can you, sir, an educated man respected by everyone, demean yourself by associating with such losers?” To others they said: “Don’t get mixed up with those guys; they’re a protected species. They’re always going to lie their way out of trouble, and they’ll go scot-free and leave you to pay the price.” It’s understandable that in such circumstances we placed a special emphasis on the principle of the equality of everyone who somehow expressed opposition to the regime.”

 
Václav Havel (5 oktober 1936 – 18 december 2011)

Lees verder “Václav Havel, Roberto Juarroz, Stig Dagerman, K.L. Poll, Flann O’Brien, Denis Diderot, Charlotte Link, Sven Cooremans”

Coen Peppelenbos, Oek de Jong, Cynthia Mc Leod, Matthieu Gosztola, Gabriel Loidolt, Koos Schuur, Roy Alton Blount Jr.

De Nederlandse dichter en schrijver Coen Peppelenbos werd geboren in Raalte op 4 oktober 1964. Zie ook alle tags voor Coen Peppelenbos op dit blog.

De valkunstenaar
(i.m. Bas Jan Ader)

Vallen is loslaten
het moment bepalen
dat je je overgeeft
aan zwaartekracht.

Ik ben te verdrietig
om je te vertellen
dat.

Vasthouden is de voorbode
van vallen. Vasthouden
is onzekerheid in de vingers.

De oceaan opvaren is
horizontaal vallen
je laat de onzekerheid
achter bij de mensen
die je uitzwaaien.

Je ziet mij huilen
je ziet mij vallen
je ziet mij vertrekken
dit laat je niet los.

 

Skater

Ik wandel met de bedaarde gang van
een bejaarde langs het spoor naar huis
de avond valt en op het verlaten
parkeerterrein komt een skater
tot leven zijn benen bewegen
met zijn hersens
in zijn tenen
hij kruist en draait
heeft geen verleden
lijkt te zweven
de cameraman houdt
van hem in beelden
legt hem vast in licht
van lantaarnpalen
laat herhalen en herhalen
dansende silhouetten op het asfalt
van de nacht de stad is al in slaap en
de laatste trein naar het westen verdwenen.

 
Coen Peppelenbos (Raalte, 4 oktober 1964)
Cover

Lees verder “Coen Peppelenbos, Oek de Jong, Cynthia Mc Leod, Matthieu Gosztola, Gabriel Loidolt, Koos Schuur, Roy Alton Blount Jr.”

Mary Elizabeth Braddon

 

De Engelse schrijfster Mary Elizabeth Braddon werd geboren in Londen op 4 oktober 1837. Haar vader, Henry Braddon, was een weinig succesvol advocaat. Hij scheidde van zijn vrouw Fanny White in 1840, toen Elizabeth drie jaar oud was. Haar broer Edward Braddon vertrok naar India toen Elizabeth tien jaar oud was. Later ging hij naar Australië en werd daar uiteindelijk premier van Tasmanië. Elizabeth kreeg een privéopleiding en werkte enige tijd als actrice om in haar levensonderhoud en dat van haar moeder te voorzien. In 1860 ontmoette zij de tijdschriftuitgever John Maxwell, met wie zij in 1861 ging samenwonen. Maxwell was echter al getrouwd en had vijf kinderen. Zijn vrouw was opgenomen in een psychiatrische instelling in Ierland. Toen deze in 1874 overleed trouwden zij. Het echtpaar kreeg zes kinderen. Braddon ontwikkelde zich tot een bekwaam schrijfster van bestsellers en produceerde ongeveer 80 romans in het populaire sensatie-genre. Vooral met de nog altijd herdrukte roman “Lady Audley’s Secret” vergaarde zij een fortuin. Enkele werken verschenen oorspronkelijk onder het pseudoniem Babington White. Naast de vele romans droeg zij ook artikelen en verhalen bij aan bladen als Punch en The World. Zij was enige tijd redacteur van het literaire tijdschrift Temple Bar en oprichtster en redacteur van het geïllustreerde literaire tijdschrift Belgravia

Uit: Lady Audley’s Secret

“It lay down in a hollow, rich with fine old timber and luxuriant pastures;and you came upon it through an avenue of limes, bordered on either side by meadows, over the high hedges of which the cattle looked inquisitively at you as you passed, wondering, perhaps, what you wanted; for there was no thorough-fare, and unless you were going to the Court you had no business there at all.
At the end of this avenue there was an old arch and a clock tower, with a stupid, bewildering clock, which had only one hand-and which jumped straight from one hour to the next-and was therefore always in extremes.Through this arch you walked straight into the gardens of Audley Court.
A smooth lawn lay before you, dotted with groups of rhododendrons, which grew in more perfection here than anywhere else in the county. To the right there were the kitchen gardens, the fish-pond, and an orchard bordered by a dry moat, and a broken ruin of a wall, in some places thicker than it was high, and everywhere overgrown with trailing ivy, yellow stonecrop, and dark moss. To the left there was a broad graveled walk, down which, years ago, when the place had been a convent, the quiet nuns had walked hand in hand; a wall bordered with espaliers, and shadowed on one side by goodly oaks, which shut out the flat landscape, and circled in the house and gardens with a darkening shelter.
The house faced the arch, and occupied three sides of a quadrangle. It was very old, and very irregular and rambling. The windows were uneven; some small, some large, some with heavy stone mullions and rich stained glass; others with frail lattices that rattled in every breeze; others so modem that they might have been added only yesterday. Great piles of chimneys rose up here and there behind the pointed gables, and seemed as if they were so broken down by age and long service that they must have fallen but for the straggling ivy which, crawling up the walls and trailing even over the roof, wound itself about them and supported them. »

 

 
Mary Elizabeth Braddon (4 oktober 1837 – 4 februari 1915)

Portret door William Powell Frith, 1865

100 jaar James Herriot, Peter Terrin, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Bernard Cooper, Louis Aragon

De Engelse schrijver en dierenarts James Herriot (pseudoniem van James Alfred Wight) werd geboren op 3 oktober 1916 in Sunderland. Zie ook alle tags voor James Herriot op dit blog en ook mijn blog van 3 oktober 2010.

Uit: All Things Wise and Wonderful

‘She won’t go anywhere without Emmeline,’ the lady explained.
‘Emmeline?’
‘The doll.’ She held up the rubber toy. ‘Since this trouble started Lucy has become devoted to her.’
‘I see. And what trouble is that?’
‘Well, it’s been going on for about two weeks now. She’s so listless and strange, and she hardly eats anything.’
I reached behind me to the trolley for the thermometer. ‘Right, we’ll have a look at her. There’s something wrong when a dog won’t eat.’
The temperature was normal. I went over her chest thoroughly with my stethoscope without finding any unusual sounds. The heart thudded steadily in my ears. Careful palpation of the abdomen revealed nothing out of the way.

 


Christopher Timothy (James) en Robert Hardy (Siegfried) in de tv-serie “All Creatures Great And Small” (1978 – 1990)

 

The lady stroked Lucy’s curly poll and the little animal looked up at her with sorrowful liquid eyes. ‘I’m getting really worried about her. She doesn’t want to go walks. In fact we can’t even entice her from the house without Emmeline.’
‘Eh?’
‘I say she won’t take a step outside unless we squeak Emmeline at her, and then they both go out together. Even then she just trails along like an old dog, and she’s only three after all. You know how lively she is norrnally.’
I nodded. I did know. This little poodle was a bundle of energy. I had seen her racing around the fields down by the river, jumping to enormous heights as she chased a ball. She must be suffering from something pretty severe, but so far I was baffled.

And I wished the lady wouldn’t keep on about Emmeline and the squeaking. I shot a side glance at David. I had been holding forth to him, telling him how ours was a scientific profession and that he would have to be really hot at physics, chemistry and biology to gain entrance to a veterinary school, and it didn’t fit in with all this.”

 


James Herriot (3 oktober 1916 – 23 februari 1995)

Lees verder “100 jaar James Herriot, Peter Terrin, Gore Vidal, Stijn Streuvels, Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Bernard Cooper, Louis Aragon”