And you’ll have strengths enough To see and know again How all that was your love Will start to bring a pain. Your friend – without blame – Will come a werewolf once; You’ll be by him defamed, By other ones – repulsed. They will start to seduce, And order, “Abrogate!” – Your heart will be reduced From fear and regret. And you’ll have strengths enough To answer them again: “From all that was my life I never will abstain!” And you’ll have strengths enough, Having recalled this rake, To all that you have loved To cry again: “Come back!”
Olga Berggolts (16 mei 1910 – 13 november 1975) Monument in in St Petersburg
Pinksterfeest door Juan de Flandes (ca. 1465-1519)
Whitsunday in Kirchstetten (for H.A. Reinhold)
Grace dances. I would pipe. Dance ye all. [Acts of John] Komm Schöpfer Geist I bellow as Herr Beer picks up our slim offerings and Pfarrer Lustkandl quietly gets on with the Sacrifice as Rome does it: outside car-worshippers enact the ritual exodus from Vienna their successful cult demands (though reckoning time by the Jewish week and the Christian year like their pedestrian fathers).
When Mass is over, although obedient to Canterbury, I shall be well grüss-gotted, asked to contribute to Caritas though a metic come home to lunch on my own land: no doubt, if the Allies had not conquered the Ost-Mark, if the dollar fell, the Gemütlichkeit would be less, but when was peace or its concomitant smile the worse for being undeserved?
In the onion-tower overhead bells clash at the Elevation, calling on Austria to change: whether the world has improved is doubtful, but we believe it could and the divine Tiberius didn’t. Rejoice, the bells cry to me. Blake’s Old Nobodaddy in his astronomic telescopic heaven, Army, Navy, Law, Church, nor a Prince say who is papabile. (The Ape of the Living God knows how to stage a funeral though, as penitents like it: Babel, like Sodom, still has plenty to offer, though of course it draws a better sort of crowd.) Rejoice we who were born congenitally deaf are able to listen now to rank outsiders.
The Holy Ghost does not abhor a golfer’s jargon, a Lower-Austrian accent, the cadences even of my own little Anglo-American musico-literary set (though difficult, saints at least may think in algebra without sin): but no sacred nonsense can stand Him. Our magic syllables melt away, our tribal formulae are laid bare: since this morning, it is with a vocabulary made wholesomely profane, open in lexicons to our foes to translate, that we endeavor each in his idiom to express the true magnalia which need no hallowing from us, loaning terms, exchanging graves and legends. (Maybe, when just now Kirchstetten prayed for the dead, only I remembered Franz Joseph the Unfortunate, who danced once in eighty-six years and never used the telephone.)
An altar bell makes a noise as the Body of the Second Adam is shown to some of his torturers, forcing them to visualize absent enemies, with the same right to grow hybrid corn and be wicked as an Abendlander. As crows fly, ninety kilometers from here our habits end, where minefield and watchtower say NO EXIT from peace-loving Crimtartary, except for crows and agents of peace: from Loipersbach to the Bering Sea not a living stockbroker, and church attendance is frowned upon like visiting brothels (but the chess and physics are still the same). We shall bury you and dance at the wake, say her chiefs: that says Reason is unlikely. But to most people I’m the wrong color: it could be the looter’s turn for latrine duty and the flogging block, my kin who trousered Africa, carried our smell to germless poles.
Down a Gothic nave comes our Pfarrer now, blessing the West with water: we may go. There is no Queen’s English in any context for Geist or Esprit: about catastrophe or how to behave in one what do I know, except what everyone knows— if there when Grace dances, I should dance.
Wystan Hugh Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) Sint Vituskerk in Kirchstetten
Ik rustte in ’t holle van een golf, ik plooide Mijn vleugels en ik deinde: ik wist niet meer Bewoog ik mee omhoog of mee omneer En of mij links of rechts mijn schomling gooide.
Er was gedroppel dat zich op mij strooide, Er was een hemel en een hemels weer, En ik genoot en leefde in iedre veer, Verheugd omdat zo schoon heelal mij kooide.
Toch wiekte ik traag en wendde en naar mijn ark Richtte ik de koers: van boom op hoge heuvel Plukte ik een twijg en gaf me aan ’t venster in.
En mensen, beesten, met vervreugden zin, Haastten weer uit met mij naar ’t vorig euvel: Het godverlaten, schendig aardepark.
Van de liefde die vriendschap heet
9 Men kàn geen vlammen als een gouden vloed Uit éen vaas gieten in een andre vaas: Daarbinnen branden ze en een bevend waas Gloeit door het hulsel heen met halven gloed.
Open het nooit – het is zoo schoon, en ’t moet Zó schoon zijn, blijvend in die zelfde plaats: Die vlam zal niemand zien: zij zal, helaas! Zichzelf verteren daar haar niemand voedt.
Brand niet zoo luid, mijn ziel! waaróm zoo luid? Gij weet toch, dat ge alleen en stil moet zijn; En veel begrijpen, daar me’ ú nièt verstaat;
Gloed bréngt geen gloed voort, ziel! úw gloed vergaat Weldra, die grote, en zie, een schone schijn Is om u, maar die ook dooft aanstonds uit.
Orfeus
Had Orfeus niet Eurydice gedood Door zelf te hunkren naar haar levende ogen, Voor eeuwig had hij haar in ’t licht gevoerd.
Nu stond hij wenend waar zich de afgrond sloot En had voorgoed zich aan zijn arm onttogen Wie hij zo vast zich dacht aan ’t hart gesnoerd.
Nu bleef zijn hunkren als een open wond En ’t lied van nederwaarts gericht verlangen Zwaar en verzadigd als een boom die treurt,
Terwijl die Andre opnieuw de cirkling bond Waaruit alleen de opvaart van zijn gezangen Haar – voor hoe kort, helaas! – had losgescheurd.
Albert Verwey(15 mei 1865 – 8 maart 1937) Albert Verwey en Stefan George door Jan Toorop, 1901
De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.
rätsel, kreuz, prozeß ein springtanz ohne wanz
was hört was kommt vom draußen ich. das muß ein wagen träger sein dem niemand fehlt den kommt allein von selber aus dem kuckuck zum.
was ich nicht bin das frißt die not also denke beißt die runde. denn er reicht die mühle hof mit schlägern in der stunde.
um heimes willen drückt er zu sieh da sieh da jambeus auch du wie lange noch das über alles schweig lieb heimat, kreist der dalles.
noch eh ich was fromm draußen rein dem niemand frißt die stunde ein will über smok und schweigen der richter sich verneigen.
und aller fragen ofen.
Einige einfache Sätze
Soeben ist ein Insekt ins Netz gegangen. Es wird dort verenden. Auf Vorrat. Aber noch unternimmt das Kerbtier alle Anstrengung der Fangwolke stolzer zu entkommen die Wind nicht zerreißen das Licht nicht trocknen kann. Am Schleppseil turnt der Spinnerich Tod. Ein Widerling. Wie kann man sich nur so gehen lassen. Es klingelt die Masche das fette Kinn lässt sich herab: Den leichen Fang zur Kenntnis nehmen. Distanz. Ein stummer Mechanismus. In der Kehle blüht bereits der Erntekranz: »Probleme werden erst gestellt, wenn sie gelöst werden.« Ganz von selbst. Allein wo hört der Leim denn auf, die Beute an? Du spürst es kaum. Ich stehe dicht davor und schmier die Webe platt. Verwettert als Wandbild, frisch gemalt, prangt unser Sternenzelt: Kehricht. Ein schönes Spiel. Es muss doch ein Gott über uns sein.
„Schon als Kind musste ich schnell sein. wenn die Mutter um halb zwölf feststellte, dass das Salz ausgegangen war. «Aber ditfig!»‚ mahnte sie. Die Modelleisenbahn sollte möglichst schnell über die Gleise rattern, sonsr mache es keinen Spass. meinten meine Spielkameraden. Mit dem Dreirad oder dem Trottinett wollte ich unbedingt mit den älteren Kollegen mithalten, obwohl sie bereits ein kleines Fahrrad hatten. In der Schule lernte ich, dass bei Prüfungsaufgaben die Zeit unerbittlich schrumpft. An meinem ersten Arbeitsplatz wiihrend der Semesterferien war die Stempeluhr das Mass der Zeit und Pünktlichkeit. Jede Verspätung wurde registriert, da gab es keine Ausrede. Die Strassenbahn durfte ja keine Verspätung haben. Meine Hoffnung: die letzte Tür des Anhängers noch zu erreichen. An der Universität blieb nur eine knappe Viertelstunde nach der Vorlesung, um vom Kollegiengebäude am Petersplatz zum Seminar am Stapfelberg zu gelangen. Nichts und niemand durfte mich aufhalnen. Der Professor war gnadenlos. Als Journalist musste ich stets auf dem Sprung sein. Der Redaktor: «In einer halben Stunde beginnt die Pressekonferenz des Regiemngsrats. Ihr Kollege ist ausgefallen. Der Bericht sollte am frühen Abend auf mei nem Tisch liegen.”
Het serveren van de thee was nauwelijks een ritueel naast het bed dat begroeid was met bloemen van hen die je niet meer wilde zien
Het sap nog in de mond van sinaasappelmarmelade deed mij eraan denken dit is geen sinister sprookje
De zuster kwam bedauwd de kamer binnen met voeten verend onder schaars gewicht Op een gedempt klavier van juist gestemde woorden vroeg ze naar de nacht en naar de morgenboterham waarna ze hoorbaar voorzichtig als een vis door kieuwen ademde
de zeep stond klaar de schone handdoek als fluweel gevouwen en gladgestreken voor het toedekken van zoveel doelloos lichaam
Ik tastte aan de golven van uitgebloede aders geen aroma’s meer van japanse kerselaren in de tuin waar het gekanker met kapotgevreten vingertoppen ook daar niet ophield te bestaan
Ach, en wat sereen en listig de gele bekken van narcissen in april
Nog eenmaal
Nog eenmaal om precies te zijn
zou ik een kind willen baren
Het ritueel van de ogenblikken
in mij opslaan als in een gouden kooi
Het lichaam dat zich opent om zwijgend dicht te gaan in de trance van het afgebakend moment
Te weten dat ik vrouw ben en niet zomaar vermoeid van steeds weer stappen over zebrapaden met kinderen in donker uniform en boekentassen vol verzamelingen
Straks de quiche Lorraine op tafel en schoenen poetsen voor het vertrek de brooddoos met het gebakje, het springtouw voor de middagpauze
Nog éénmaal wil ik wakker worden met het weke lijfje aan mijn weke mond Het hart op het hart
De Nederlandse dichter Wilhelm Ange François (Frans) Bastiaanse werd geboren in Utrecht op 14 mei 1868. Bastiaanse studeerde in Utrecht en was lange tijd leraar Nederlands te Hilversum. Hij is bekend om zijn impressionistische natuur- en liefdeslyriek in de trant van het impressionisme der vroege tachtigers: “Natuur en leven” (1900), “Gedichten” (1909), “Een zomerdroom” (1919). Vooral Lodewijk van Deyssel was erg met zijn werk ingenomen. Geïnspireerd door een late liefde toont zijn talent in verspreid later werk een opmerkelijke verdieping: “Ultima thule” (aflevering Helikon, 1938). Van zijn “Verzamelde gedichten” (1946) is slechts één deel verschenen. Van zijn hand zijn voorts: “De techniek der poëzie” (1918) en “Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde” (4 dln., 1914-1927)
Kleine Sonatine
Dit is een sonatine
Precies voor jou, die zacht en fijn
Met een viool, een mandoline
Een cello moet bezongen zijn.
Ik kon de taal wel voor jou zetten Op pauk, bazuin en klarinet, Het klaar klaroenen van trompetten En dubbel héél ’t orkest bezet,
Maar bij die rozen op je wangen, Die glimlach om je teed’re mond Die wedergeeft in diep verlangen Wat in verlangen oorsprong vond,
Speelt nog de taal maar ‘en sourdine’ Precies voor jou, die slank en fijn, In de allerkleinste sonatine Wil, allerliefst, bezongen zijn…
En na het laatste en zoetst gehoorde Vangt er het lange zwijgen aan Waarin, als lied’ren zonder woorden, Wij nog het best elkaar verstaan.
Heel mijn leven
Mijn lief is blij, zij lacht en zingt
En schittert in de zonneschijn
Als zij zó héél mijn leven zingt
Kan nooit mijn leven lijden zijn.
Ja! zang en lachen duren kort Als bloemen in de zomerdag; De zomer sterft, de bloem verdort: Zo sterft der mensen zang en lach.
Maar nu der zonne gouden val Vloeit langs gelaat en blinkend kleed, En zij gaat, zingend of zij zal Zó eeuwig zingen zonder leed,
Nu voel ik – of ‘k mij zelve wieg In dromen die maar kort bestaan ’t Is beter zo ‘k mij zelf bedrieg Dan ’t leven droomloos door te gaan –
Nu voel ik zalige vreugde in mij Bij ’t luistren naar haar lach en zang Want weet, wát blijve of ga voorbij: Dát hoor ik héél mijn leven lang.
De Nederlandse schrijfster Willemina (Wilma) Vermaatwerd geboren in Zetten op 14 mei 1873. Haar moeder overleed toen zij elf jaar was, en zij werd opgevoed door een zeer gelovige tante. Haar vader was leraar maar nogal van het gezin vervreemd. Haar neef dr. J.H. Gerretsen, hofpredikant, ging de doopdienst van Juliana voor. Ze deed kweekschool en ging in Apeldoorn in het onderwijs werken, maar raakte echter rond haar twintigste in een persoonlijke psychische en ook lichamelijke crisis. Hiervan hersteld, raakte zij tijdens WO I betrokken bij groepen die hulp verleenden aan oorlogsslachtoffers en vluchtelingen. Ze sloot zich aan bij de pacifistische beweging onder leiding van Kees Boeke. Samen met twee zusters ging ze in de jaren twintig in een huis in de bossen bij Beekbergen wonen, de Neumshutte. Vermaat debuteerde in 1907 met het verhaal ‘Oude vrijster’, in Ons Tijdschrift. Ze was een productief schrijfster met een vast eigen publiek, dat ze in de loop der jaren bediende met meer dan veertig romans en novellen. Ze was bevriend met mensen als Willem de Mérode, Roel Houwink, Jo Ypma, H.M. van Randwijk, Bert Bakker en Klaas Heeroma.
Uit: Moeder Stieneke
“In razende vaart kwam een auto aansnorren door de nachtstille straat, en stopte voor het Dominéshuis. Het was de auto van hun dokter. De chauffeur gaf een briefje af, daarin stond met donkere, kort-afgebeten woorden een groot verhaal van ellende en een roep om oogenblikkelijke hulp.
‘We komen….’
Stieneke was al naar boven om haar meisje Marieke te waarschuwen, en kwam snel weer beneden gekleed en gereed.
De Dominé wachtte in de gang en daar ging het heen in suizende vaart naar den buitenkant van de stad, de dood-stille Oude Vest. Ze zaten zwijgend in gespannen luisteren naar den angstroep, die hen uit de simpele woorden van den dokter tegen had geklonken.
Het was de angst over de ontdekking van een misdaad jaren geleden begaan. De man had zich, nog jong, aan een kas vergrepen. De oorlogsverwarring had de daad verborgen gehouden, en hij had gehoopt door een voorbeeldig leven zijn vergrijp te kunnen uitwisschen. In het laatste oorlogsjaar was hij getrouwd met een zacht vrouwtje, zij had hem zes maanden geleden twee blonde meisjes geschonken, helaas ten koste van haar beste krachten. Ze was nog niet hersteld.
En nu was plotseling het kwaad uit zijn schuilhoek opgejaagd en aan den dag gebracht. Morgen…. morgen…. dan zou de heele stad het weten!…. dan zou zij het weten, dat was ’t allerergste!
In dien angst voor morgen had hij zich met blinde oogen in den dood gestort. Maar het sterke leven had zoo geweldig gestreden, tegen den zwakken dood, dat hij in de lange worsteling tot bezinning gekomen, plotseling, in zijn berouw wel duizend nieuwe levensmogelijkheden zag, waar hij er tevoren geen enkele meer had kunnen ontdekken. Hij kon zich niet meer losrukken uit den greep van den dood. Hij moest mee naar het onbekende land, naar God! en riep in zijn angst om haar, zijn teere vrouw, en riep om God……..
De auto raasde door de stille straten; de Dominé en Stieneke luisterden, en hoorden niet anders meer dan dit wanhopige roepen, en bleven hun antwoord geven in een stil gebed om hulp, om nog bijtijds te mogen komen. Als aan een schip in nood in een pikdonkeren nacht, zoo zonden ze hun seinen over. God was tusschen hen en dezen nood.
Voor een huis op de Oude Vest met hel-verlichte bovenvensters stopte de auto. Stieneke zag dat het gordijn van een donkere benedenkamer wat op zij was geschoven, ze verbeeldde zich daarachter angstige oogen die tuurden in de leege straat.
De voordeur schoot open, het licht in een klein portaal schoot aan; ze stonden voor een smalle trap met een bonten looper. Dat zag Stieneke, en zag tegelijk eigenlijk niets; het drong haar bewustzijn binnen, terwijl ze achter haar vader aan naar boven klom in een ontzagwekkende stilte; het roepen, dat ze zoo duidelijk had gehoord scheen door die stilte na te klinken als uit een verren droom.”