Dolce far niente, Frouke Arns, Richard Preston, Conrad Aiken, Wendell Berry, René Puthaar

 

Dolce far niente

 

 
Gezicht op Nijmegen vanaf Lent door Eugène Lücker, 1933

 

Liefdesliedje voor Nimma

Wij waren het eindpunt genaderd, maar hadden het niet gemerkt
jouw lichaam was tegen mij aan in slaap gevallen
en ik weet nog dat ik aan Doornroosje dacht
vlak voordat ook ik vertrok.

Op de spoorbrug schrik ik wakker. Geratel en een stem.
Ik versta bestemming en of we niets vergeten willen.
De Waal buigt zich als een aanzoek langs de kade,
en de stad houdt het antwoord voor zichzelf.

Iemand vouwt zijn krant tot hoed tot boot tot vogel
en vliegt op. Wij stappen uit. Slaapdronken nog
gapen we de maan in onze mond. Een late man
speelt piano op het perron. Weer thuis,

weer terug. Hoe waar dat ik je zo vaak verliet,
maar je nooit verlaten kon. Het geeft niet
dat ik een van velen ben. Het is genoeg
je kalme hart te voelen kloppen aan mijn rug.

 

 
Frouke Arns (Handorf, 1964)
Frouke Arns is momenteel stadsdichter van Nijmegen

Lees verder “Dolce far niente, Frouke Arns, Richard Preston, Conrad Aiken, Wendell Berry, René Puthaar”

Dolce far niente, Kees van Beijnum, Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Liao Yiwu

 

Dolce far niente

 

 
De Oudezijds Kapel aan de Zeedijk door Cornelis Springer, 1880

 

Uit: Dichter op de zeedijk

“Het grootste deel van zijn leven had Constant Wegman onder het biljart doorgebracht. Daar, in dat schemerige hol, bereikten de stemmen en de muziek hem als het holle gerommel van een schelp. Soms versmolten de mannen en vrouwen in het café voor zijn ogen tot een groot, drinkend, grommend en rokend wezen met tientallen koppen en handen die hun best deden de dorst van het monster te lessen. Een andere keer, zoals nu, trok juist een enkel paar benen zijn aandacht; de bedachtzame wijze waarop ze voor zijn hol langs schoven maakte hem onrustig, zonder dat hij precies begreep waarom.
(…)

Zijn grootmoeder belde vanaf de paardenkoers, een avondkoers in de buurt van Den Haag, om te vertellen, zeg maar gerust in zijn oor te brullen, dat ze samen met Gijs van Mexico City de ‘doorslag van haar leven’ had gehad. Ze was nogal opgewonden, struikelde over haar woorden. Het kostte hem moeite om uit het warrige verhaal over inzetten, startnummers, een op de baan debuterende merrie die Tosca M heette en een tipgever met de naam Drosse of Drossel af te leiden dat ze veertienduizend gulden had gewonnen. Ze was in de zevende hemel, zei ze, en moest het gewoon even aan hem kwijt. Hij vermoede dat zij die zevende hemel niet op eigen kracht had bereikt. Zo te horen had de brandewijn haar een eindje op weg geholpen.
‘Veertienduizend gulden,’ herhaalde ze. ‘We gaan van de week een bootje voor je kopen. Hoe lijkt je dat?
Hij wist geen boe of ba te zeggen.
‘Hoor je me,’ schreeuwde ze, ‘een bootje.’
‘Ja, ja,’ zei hij, ‘een bootje. Geweldig!
‘Het mooiste bootje van de gracht, voor mijn eigen jongen.’ Haar ademhaling stokte, na een seconde of wat volgde een diepe zucht. Hij meende te horen dat ze een slok nam. ‘Over drie kwartier is het hier afgelopen en dan komen we naar huis. Ga nog niet naar bed, blijf wachten tot ik er ben. Je hoeft morgen niet naar school . Ik wil jou en iedereen zien, dan maken we er nog een leuke avond van. Goed?’

 

 
Kees van Beijnum (Amsterdam, 21 maart 1954)
Danshal, Zeedijk, Amsterdam door Isaac Israels ca.1892-1893

Lees verder “Dolce far niente, Kees van Beijnum, Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Liao Yiwu”

Jojo Moyes

 

De Britse schrijfster en journaliste Jojo Moyes werd geboren op 4 augustus 1969 in Londen. Zij groeide op als enig komd van gescheiden ouders. Zij werkte na de middelbare school in diverse beroepen voordat zij zowel aan Bedford College als aan Royal Holloway, allebei Colleges van de University of London sociologie ging studeren. Met een studiebeurs gefinancierd door The Independent, die ze ontving in 1992, was ze uiteindelijk in staat om succesvol te journalistiek te studeren aan de City University in Londen. Met de uitzondering van een jaar in 1994, in Hong Kong schrijvend voor de Sunday Morning Post, werkte Moyes werkte vervolgens bijna tien jaar bij The Independent in verschillende functies. Met de roman “Sheltering Rain” debuteerde Moyes 2002 als schrijfster. Voortaan concentreerde ze zich volledig op het schrijven en was zij slechts sporadisch actief als columniste, waaronder voor The Daily Telegraph. Met haar tweede roman “Foreign Fruit” won ze haar eerste Romantic Novel of the Year Award van de Britse Romantic Novelists’ Association. In 2011 ontving zij de prijs voor de tweede keer, iets wat weinig schrijvers gelukt is, en wel voor de roman “The Last Letter From Your Lover”. Haar grootste succes tot nu toe was echter de roman “Me Before You” uit 2012. Het boek werd in meer dan 31 talen vertaald. Filmstudio MGM kocht in januari 2013 de filmrechten voor “Me Before You” jaar. Moyes verzet zich tegen de betiteling van haar werk als Chicklit.

Uit: Me Before You

“When he emerges from the bathroom she is awake, propped up against the pillows and flicking through the travel brochures that were beside his bed. She is wearing one of his T-shirts, and her long hair is tousled in a way that prompts reflexive thoughts of the previous night. He stands there, enjoying the brief flashback, rubbing the water from his hair with a towel.
She looks up from a brochure and pouts. She is probably slightly too old to pout, but they’ve been going out a short enough time for it still to be cute.
“Do we really have to do something that involves trekking up mountains, or hanging over ravines? It’s our first proper holiday together, and there is literally not one single trip in these that doesn’t involve either throwing yourself off something or”—she pretends to shudder—”wearing fleece.”
She throws them down on the bed, stretches her caramel-colored arms above her head. Her voice is husky, testament to their missed hours of sleep. “How about a luxury spa in Bali? We could lie around on the sand . . . spend hours being pampered . . . long relaxing nights . . .”
“I can’t do those sorts of holidays. I need to be doing something.”
“Like throwing yourself out of airplanes.”
“Don’t knock it till you’ve tried it.”
She pulls a face. “If it’s all the same to you, I think I’ll stick with knocking it.”
His shirt is faintly damp against his skin. He runs a comb through his hair and switches on his mobile phone, wincing at the list of messages that immediately pushes its way through to the little screen.
“Right,” he says. “Got to go. Help yourself to breakfast.” He leans over the bed to kiss her. She smells warm and perfumed and deeply sexy. He inhales the scent from the back of her hair, and briefly loses his train of thought as she wraps her arms around his neck, pulling him down toward the bed.
“Are we still going away this weekend?”
He extricates himself reluctantly. “Depends what happens on this deal. It’s all a bit up in the air at the moment. There’s still a possibility I might have to be in New York. Nice dinner somewhere Thursday, either way? Your choice of restaurant.” His motorbike leathers are on the back of the door, and he reaches for them.”

 

 
Jojo Moyes (Londen, 4 augustus 1969)

Frouke Arns

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Frouke Arns werd geboren in 1964 in Handorf in Duitsland. Zij groeide tweetalig op en studeerde Engelse Taal- en Letterkunde in Nijmegen. Haar gedichten werden gepubliceerd in diverse Nederlandse en Vlaamse tijdschriften, kranten en verzamelbundels, zoals Het Liegend Konijn, de Poëziekrant, Schrijven Magazine Het Parool en NRC next . Frouke viel met haar werk meermalen in de prijzen. Zo won ze onder andere de Meander Dichtersprijs, de literaire prijs van de Stad Harelbeke , de Rinke Tolman Poëzieprijs en de jury- en publieksprijs van de Nijmeegse editie van Aan het woord! In 2011 won ze met een kort verhaal de Literaire Prijs van de provincie Gelderland. In 2013 verscheen haar debuutbundel ‘Mensen die je misschien kent’ bij uitgeverij Marmer. Twee van haar gedichten zijn opgenomen in de bundel ‘De 100 beste gedichten’ voor de VSB-poëzieprijs. Frouke treedt regelmatig op; ze was ze te zien op Onbederf’lijk Vers, Dichters in de Prinsentuin, het Wintertuinfestival, het Boekenfeest en het Gedichtenbal. In 2015 werd zij stadsdichter van Nijmegen.

 

Vergeten groente

Hij is een man van eindeloze jaren,
hoofd vol buitelende beelden,
lichaam vol geschiedenis.
Elke nacht zit de oorlog aan zijn bed
om te horen of hij niets vergeten is.

Het kraken van de schorseneren
klinkt oorverdovend in zijn mond.
Hij luistert naar de regen op zijn zonne-
panelen en ’s avonds ligt hij dwars
in bed. Alsof ze er nog is.

Hij schuifelt door zijn dagen en houdt zich
wankel vast aan alles wat hem niet ontviel.
Zijn vrienden gingen hem al voor.
Soms gebruikt hij ‘s middags pas
zijn stem.

 

 

hotspot

je kunt met lettervermicelli uit de soep
vertellen hoe hier op romeinse resten
een stiefselkeet uit as herrees

hoe een fabriek de wijk nam en alles veranderde
aan de lopende band; de ketels verdampten
net als de jongens en meiden met witte mutsjes

hoe achter deze muren nieuwe mensen nu
de handen uit de mouwen steken, hoe het bruist
in dit complex van dromen en bedrijvigheid

je kunt, als deze woorden straks gesloopt zijn
en hier een toekomst huizenhoog verrijst, steeds
opnieuw de verhalen niet verloren laten gaan

 

 
Frouke Arns (Handorf, 1964)

Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Leon Uris

Dolce far niente

 

 
Gezicht op het Centraal Station en het IJ door Jan Korthals, 1966

 

MONUMENT

‘Deze metro gaat richting Centraal Station’
Het galmt. Mijn kleinzoon straalt. ‘Oma,
ze zeggen het!’ Het brandpunt van zijn wereld
ligt aan ’t IJ. Roltrap. We stijgen op.

Hoofd in zijn korte nek, hand in mijn hand.
De treinen, trams, de bussen. Kleurige stenen,
torens met hun klokken, beelden en gouden slingers
aan de wand. Zo wordt de glorie van de stad

zijn hersens in geprent. Ik zie een pronkend
bouwsel dat de vluchtweg naar het water bruut
blokkeert. Sloopkogel, bomkanon? Kijk naar
zijn glad gezicht, aanvaard dit monument.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Het IJ bij het centraal station Amsterdam door Cornelis de Bruin (1870 – 1940)
Anna Enquist is momenteel stadsdichter van Amsterdam

Bewaren

Lees verder “Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Leon Uris”

Leo J. Kryn

 

De Vlaamse schrijver, uitgever en boekhandelaar Leo Jan-Baptist Kryn werd geboren in Antwerpen op 3 augustus 1878. Na de humaniora te hebben doorlopen aan het Koninklijk Atheneum in Antwerpen, waar hij onder meer Pol De Mont als leraar had, werd hij bediende bij De Nederlandsche Boekhandel. Hij werd bevriend met heel wat jonge schrijvers en kunstenaars, onder meer met Willem Elsschot. In 1901 verhuisde hij naar Brussel en opende er in 1904 de eerste volledig Nederlandstalige boekhandel onder de naam De Vlaamsche Boekhandel. Hij werd ook uitgever en publiceerde werk van onder meer Lodewijk De Raet, Lodewijk Dosfel en Frank Baur. In 1914 vluchtte hij naar Engeland met zijn Engelse vrouw Katie Dickinson (1874-1954). Na zijn terugkeer stichtte hij de uitgeverij Onze Tijd. Hij gaf onder meer de eerste Nederlandse uitgave uit van de Belgische Grondwet. Hij publiceerde ook enkele fantastische verhalen waarvan hij de auteur was. In 1929 was hij medeoprichter van de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen. Hij was er van 1931 tot aan zijn dood de voorzitter van. Hij was van 1929 tot 1940 ook redacteur bij het Beknopt Verslag van de Belgische Senaat. Na zijn dood werd zijn uitgeverij overgenomen door Angèle Manteau. Zij stichtte, samen met Katie Dickinson, in 1942 de Leo J. Krynprijs voor literatuur.

 Uit: De man met den baard

“Zoowat dertig, veertig jaar geleden, woonde er te Antwerpen een man, en die had een baard. Maar
’t was geen gewone baard zoo-als men er dagelijks zag: het was een heele fijne, een heel bijzondere, een hoogst fatsoenlijke baard.
Het is dus zeer natuurlijk dat iedereen dien man bewonderde, hem en zijn baard, dat de vrouwen verliefd naar hem keken en de mannen hem benijdden. Velen dezer laatsten hadden dan ook hun onbenullige baardjes laten afscheren bij het zien van dien glorierijken baard; en vele vrouwen hadden den lust gevoeld den Man om den hals to vliegen, zoo midden op straat, zijn baard te kussen en met volle handen te woelen~ in het gouden haar.
Het was den Man aan te zien dat hij volkomen bewust was van de gevoelens die hij in de harten van anderen deed ontvlammen, want hij wandelde altijd fier en erg voornaam, zijn baard wuivend voor zich uitdrijvend. Grootmoedig, ietwat beschermend en aanmoedigend, zag hij veer op de vele vrouwen en meisjes die hem lonkend voorbij gingen; maar zijn glimlach bleef altijd statig, zoo-als dat paste aan een man met zoo’n baard.
Toentertijd woonden er ook twee tooverheksen in Antwerpen. De eerste van die twee woonde in een groot huis met dubbele koetspoort in de Huidevettersstraat, en daar ontving zij haar talrijke aanbidders. Zij was niet mooi, maar door haar helsche middelen gelukte zij erin zich te doen liefhebben door al wie in haar behagen stond. En nu had zij besloten het hart van den Man met den Baard te winnen, en het spreekt vanzelf dat dit haar moest gelukken, vermits zij een tooverheks was.
Maar onder al de meisjes die op den Man met den Baard verliefd geraakten, was er een dat al gedaan had wat welvoeglijklaeidshalve kon gedaan worden om de aandacht van den grooten Man te trekken. Maar zij slaagde niet. Hij was toch zoo gewoon dat alle vrouwen naar hem opkeken als naar een god, dat er waarlijk geen reden was waarom hij meer zou gelet hebben op de smachtende, doch eerbiedige blikken van deze juffrouw.”

 

 
Leo J. Kryn (3 augustus 1878 – 4 april 1940)

Dolce far niente, Albert Verwey, James Baldwin, Isabel Allende, Philippe Soupault

Dolce far niente

 

 
Zeelandschap in de morgen, Simon de Vlieger, 1640-45

 

De Noordzee

De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op ’t strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen

Zie van ’t balkon mij naar den einder leunen
Met ogen die sinds lang zo wijd niet keken:
Een droom in ’t hart is me eer ik ’t wist ontweken
En ’t oog wil buiten me op iets komends steunen.

Hoe ben ik altijd weer vervuld, verlaten:
Vervuld van liefde en hoop en schoon geloven;
Verlaten als mijn dromen mij begeven.

Maar dan komt, o Natuur, langs alle straten,
Uw kracht, uw groei, uw dreiging, uw beloven –
Hoe klopt mijn hart van nieuw, van eeuwig leven.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937)
Zicht op de Montelbaanstoren te Amsterdam, gezien vanaf de Sint Antoniesluis
door Cornelis Vreedenburgh, 1920. Verwey werd geboren in Amsterdam

Lees verder “Dolce far niente, Albert Verwey, James Baldwin, Isabel Allende, Philippe Soupault”

Ernest Dowson

 

De Engelse dichter Ernest Christopher Dowson werd geboren op 2 augustus 1867 in Lee, een wijk in het zuidoosten van Londen. Zijn kinderjaren en jeugd bracht Ernest Dowsen voornamelijk buiten Engeland door. Zijn vader woonde voornamelijk in Frankrijk en aan de Riviera. In 1886 ging hij naar het Queen’s College, Oxford, waar hij ongeveer anderhalf jaar studeerde en vertrok vervolgens naar Londen. Met uitzondering van zijn laatste levensjaren bracht hij het grootste deel van zijn tijd in Frankrijk door. Dowson overleed op 23 februari 1900 in Catfort (zuidoostelijk deel van Londen). Hij werd begraven op de rooms-katholieke begraafplaats van Lewisham. Dowsons was een gesleten persoonlijkheid, het was een zachtaardige man, beleefd, elegant, onbaatzuchtig – aan de andere kant vaak onder invloed van alcohol ronduit krankzinnig en totaal onverantwoord. Zijn vader had hem een ​​oude dok in het Oosten van Londen nagelaten, waar hij in een vervallen huis woonde en een frequente gast in de vele kroegen aan de haven was. Dit leven in de pubs en arme wijken werd in Parijs, Dieppe en Brussel voortgezet. Toen zijn gezondheid verslechterde keerde hij terug naar Londen. In de laatste weken van zijn leven nam een vriend hem op in een slechte woning. In 1894, nadat zijn vader aan tuberculose was overleden en zijn moeder zich had opgehangen, bekeerde hij zich tot het katholicisme, – Maar misschien was de aanleiding ook een ongelukkige liefdesaffaire. De liefde voor een meisje, waarvoor hij het grootste deel van zijn verzen schreef bleef onvervuld. Dowson heeft een klein poëtisch oeuvre nagelaten. In 1896 verscheen de kleine bundel “Verses”, in 1897 “The Pierrot of the minute : a dramatic phantasy in one act” en in 1899 “Decorations in Verse and Prose”. Naast deze gedichtbundels hij een klein bundel korte verhalen en ander proza. Samen met Arthur Moore schreef hij twee romans. Hij vertaalde « Pucelle » van Voltaire en van Choderlos de Laclos « Les Liaisons Dangereuses ». Aubrey Beardsley ïllustreerde Dowsons “The Pierrot of the minute”.  Dowson werd zeer gewaardeerd door Stefan George. Hij droeg zijn gedicht “Juli-Schwermut” aan hem op en vertaalde drie van zijn gedichten in het Duits. Arnold Schoenberg zette het gedicht “Séraphita” op muziek.

 

Non Sum Qualis Eram Bonae Sub Regno Cynarae

Last night, ah, yesternight, betwixt her lips and mine
There fell thy shadow, Cynara! thy breath was shed
Upon my soul between the kisses and the wine;
And I was desolate and sick of an old passion,
Yea, I was desolate and bowed my head:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

All night upon mine heart I felt her warm heart beat,
Night-long within mine arms in love and sleep she lay;
Surely the kisses of her bought red mouth were sweet;
But I was desolate and sick of an old passion,
When I awoke and found the dawn was gray:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

I have forgot much, Cynara! gone with the wind,
Flung roses, roses riotously with the throng,
Dancing, to put thy pale, lost lilies out of mind;
But I was desolate and sick of an old passion,
Yea, all the time, because the dance was long:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

I cried for madder music and for stronger wine,
But when the feast is finished and the lamps expire,
Then falls thy shadow, Cynara! the night is thine;
And I am desolate and sick of an old passion,
Yea, hungry for the lips of my desire:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

 

 

Seraphita

Come not before me now, O visionary face!
Me tempest-tost, and borne along life’s passionate sea;
Troublous and dark and stormy though my passage be;
Not here and now may we commingle or embrace,
Lest the loud anguish of the waters should efface
The bright illumination of thy memory,
Which dominates the night; rest, far away from me,
In the serenity of thine abiding place!

But when the storm is highest, and the thunders blare,
And sea and sky are riven, O moon of all my night!
Stoop down but once in pity of my great despair,
And let thine hand, though over late to help, alight
But once upon my pale eyes and my drowning hair,
Before the great waves conquer in the last vain fight.

 

 

To One In Bedlam

With delicate, mad hands, behind his sordid bars,
Surely he hath his posies, which they tear and twine;
Those scentless wisps of straw, that miserably line
His strait, caged universe, whereat the dull world stares,

Pedant and pitiful. O, how his rapt gaze wars
With their stupidity! Know they what dreams divine
Lift his long, laughing reveries like enchanted wine,
And make his melancholy germane to the stars’?

O lamentable brother! if those pity thee,
Am I not fain of all thy lone eyes promise me;
Half a fool’s kingdom, far from men who sow and reap,
All their days, vanity? Better than mortal flowers,
Thy moon-kissed roses seem: better than love or sleep,
The star-crowned solitude of thine oblivious hours!

 

 
Ernest Dowson (2 augustus 1867 – 23 februari 1900)

Bewaren

Kristine Bilkau

 

De Duitse schrijfster Kristine Bilkau werd geboren op 2 augustus 1974 in Hamburg, Zij studeerde geschiedenis in Hamburg en New Orleans. In 2008 was zij finaliste in de literaire competitie Open Mike in Berlijn. In 2009 ontving zij een beurs van de schrijverswerkplaats van het Literair Colloquium Berlin (LCB). In 2010 ontving zij een beurs van het kunstenaarsdorp Schöppingen. In 2013 kreeg zij de Hamburg Literatuurprijs. In het voorjaar van 2015 publiceerde ze haar eerste roman, “Die Glücklichen” en werd een van de meest succesvolle debutanten van het jaar. Bilkau ontving de Klaus-Michael Kuehne-prijs en de Franz-Tumler Literatuurprijs en werd genomineerd voor de aspekte-literatuurprijs.. Zij woont met haar gezin in Hamburg.

Uit:Die Glücklichen

“Es ist dunkel und der Abendverkehr schiebt sich langsam durch die Straße vor dem Haus, die Lichter der Autos schimmern hinter dem Plastikvorhang, die gesamte Außenwelt verschwimmt hinter der Plane und dem Baugerüst. Ein Zustand, der sie nicht son­ derlich stört, im Gegenteil, der gar nicht so schlecht ist, wie die Nachbarn finden, die im Treppenhaus nörgeln, wie lange denn noch. Die milchige Hülle macht die Wohnung zu einem verborgenen Raum, sie verbreitet ein Höhlenge­ fühl. Tagsüber filtert sie das Licht und lässt es geschwächt in die Zimmer, nachts ist sie wie ein schützender Man­ tel. Isabell stellt sich ihren Ahornbaum hinter dem Gerüst vor. Die feinen Anzeichen der Jahreswechsel bemerkt sie an ihm zuerst; wenn sich an den Zweigen Knospen bilden und Tage später hellgrüne Spitzen, wenn sich die Blätter rot und gelb färben und nach drei, vier stürmischen Näch­ ten die Äste kahl sind, und sie Georg mitteilen kann: Wir haben Frühling; bald ist Winter. Während sie die Plane be­ trachtet, sieht sie den Baum in all seinen Details vor sich. Das handtellergroße, gezackte Ahornblatt löst sich wie zu­ fällig von seinem Zweig und fällt langsam, kreiselnd, vom Wind getragen. Sie hat ihre Straße vor dem Auge, die Fas­ saden in Hellblau, Lindgrün und aufreizendem Himbeer­ rot mit weißen Ornamenten, nach und nach herausgeputzt während der letzten Jahre. Dazwischen, wie kümmerliche Provisorien, Häuser aus stadtschmutzigem Gelbklinker. Gegenüber die Hutmacherei und der Feinkostladen mit seinem Bistro, daneben das kleine Geschäft, in dem es überteuerte, schöne Dinge gibt: Rosenseife aus ­Portugal, Alpaka-Decken aus Norwegen, Strickpullis einer südfran­ zösischen Manufaktur. Die hohen Fenster des Yogastudios im ersten Stock, darin am späten Nachmittag die ­Umrisse der Körper, ihre synchronen Bewegungen im warmen Licht. Die Zweige der hochgewachsenen Bäume über den Dächern der parkenden Autos. Alles, ihr Zuhause.
Sie reißt einen kleinen Zettel in Hälften und beginnt zu schreiben.
Meine Hände werden nicht zittern.
Mit geschwungener Schrift notiert sie den Satz. Das Ganze hat etwas Lächerliches, Kindisches, aber sie kann nicht anders.”

 

 
Kristine Bilkau (Hamburg, 2 augustus 1974)

Jussi Adler-Olsen

 

De Deense schrijver Carl Henry Valdemar Jussi Adler-Olsen werd geboren op 2 augustus 1950 in Kopenhagen. Jussi Adler-Olsen, zoon van een psychiater. Hij studeerde geneeskunde, sociologie, politicologie en geschiedenis en filmwetenschap en werkte in diverse functies, waaronder als Managing Director bij uitgeverijen, als redacteur en alscomponist. Vervolgens werkte hij als coördinator van het Deense vredesbeweging, in het bestuur van DK Technologies A / S in Kopenhagen en avn Solarstocc AG in Kempten. In 1997 verscheen zijn eerste thriller Alfabethuset die in Nederland als Het Alfabethuiswerd uitgebracht (2000) en dat veel bestsellerlijsten veroverde. Hetzelfde geldt voor zijn twee internationaal georiënteerde thrillers “And She Thanked the Gods” en “The Washington Decree”. De doorbraak in zijn geboorteland Denemarken kwam in 2007 met de roman “Kvinden i Buret” (“De vrouw in de kooi”), de eerste zaak voor Carl Mørck van de speciale afdeling Q. Sinds de verschijning van de bestseller Fasandræberne (“Defazantenmoordenaars), de tweede aflevering van de serie rond Mørck wordt Adler-Olsen beschouwd als de best verkopende Deense misdaadschrijver. Zijn boeken zijn in meer dan 40 talen vertaald met een totale oplage van meer dan 10 miljoen exemplaren.
 

Uit:The Hanging Girl (Vertaald door William Frost)

“November 20th, 1997
She saw grey hues everywhere. Flickering shadows and gentle darkness covered her like a blanket and kept her warm.
In a dream, she had left her body, hovering in the air like a bird. No, even better, like a butterfly. Like a multicolored fluttering piece of art, put in the world only to spread happiness and wonder. Like a hovering being high up between heaven and earth whose magic dust could awaken the world to endless love and happiness.
She smiled at the thought. It was so beautiful and pure.
Now the ceaseless darkness above her fought with dim glints like distant stars. It felt good, almost like a pulse conducting the sound of wind and rustling leaves.
She couldn’t move at all but she didn’t want to anyway or she’d wake from the dream, and reality would suddenly kick in, and then the pain would come and who would want that?
Now a myriad of images appeared from life-giving times. Small glimpses of her and her brother hopping out over the sand dunes, parents shouting that they should stop. Stop!
Why was it always stop? Wasn’t it there in the dunes that she’d felt free for the first time?
She smiled as beautiful beams of light slid under her like streams of mareel. Not that she had ever seen the milky sea effect before, but it must be like that. Mareel or liquid gold in deep valleys.
Where was it she’d come to?
Wasn’t it a thought of freedom? Yes, that must be it because she’d never felt as free as she did just now. A butterfly that was simply its own master. Light and inquisitive with beautiful people around who didn’t tell her off. Creative hands in all directions, pushing her forward and only wishing the best for her. Songs that lifted her and which had never been sung before.
She sighed momentarily and smiled. Allowed her thoughts to take her everywhere and nowhere all at once.
Then she remembered school and the bike, the icy cold morning and not least her chattering teeth.
And just in that moment, when reality rushed in, and her heart finally gave up, she also remembered the crack when the car hit her, the sound of bones breaking, the branches of the tree that caught her, the meeting that . . .“

 

 
Jussi Adler-Olsen (Kopenhagen, 2 augustus 1950)