Roberto Cotroneo, Jayne Cortez, Barbara Taylor, Benito Pérez Galdós, Johann Peter Hebel

 

De Italiaanse schrijver Roberto Cotroneo werd op 10 mei 1961 geboren in Alessandria. Zie ook mijn blog van 10 mei 2008 en ook mijn blog van 10 mei 2009 en ook mijn blog van 10 mei 2010.

 

Uit: Die Jahre aus Blei (Vertaald door Karin Krieger)

 

„Es war an einem Dienstag, ein paar Minuten vor neun Uhr abends. Am Dienstag, dem 4. Juli. Die Piazza Mattei in Rom lag verlassen da. Wegen der Fußballweltmeisterschaft strebten die wenigen Passanten alle schnell nach Hause: Italien spielte gegen Deutschland. Ich saß in einem Restaurant im

Freien, ohne daß mich die Kellner auch nur eines Blickes würdigten. Sie waren alle drinnen und schauten sich die Fernsehbilder aus dem Dortmunder Westfalenstadion an. Die Tische vor mir waren leer. Als ich so wartete, hçrte ich Schritte und eine Männerstimme, die sich erkundigte, ob man hier

essen kçnne. Widerwillig bejahte der Kellner dies. Eine Frau sprach leise und lachte. Man wies ihnen einen Tisch nur wenige Meter von meinem entfernt. Ich sah den Mann an und erkannte ihn sofort: Es war Cristiano Costantini, ein Exterrorist. Die Frau saß mit dem Rücken zu mir, doch obwohl ich ihr nicht ins Gesicht sehen konnte, war ich mir sicher, daß sie Giulia Moresco war. Ein Irrtum war ausgeschlossen, in meinem letzten Arbeitsjahr hatte ich Dutzende Photos von den beiden gesehen. Ich hatte unzählige Seiten gelesen, Briefe und alle mçglichen Unterlagen.

In dieser unwirklichen Stille mit der Reporterstimme aus dem Fernseher des Restaurants saßen mir zwei Spukgestalten gegenüber. Denn Giulia und Cristiano waren für alle, die sie kannten und suchten, am 21. April 2005 bei einem Verkehrsunfall auf der Strecke Rom-L’Aquila ums Leben gekommen. Das Auto war ausgebrannt, und auf Giulias Identität war man gekommen, weil der Wagen gemietet war. Was Cristiano anging, bestand für die Polizei kein Zweifel daran, daß es sich um ihn handelte, obwohl die Leichen nicht identifiziert werden konnten.“

 

 

Roberto Cotroneo (Alessandria, 10 mei 1961)

 

 

Lees verder “Roberto Cotroneo, Jayne Cortez, Barbara Taylor, Benito Pérez Galdós, Johann Peter Hebel”

Antonine Maillet, Ivan Cankar, Martin Boelitz, Ariel Durant, Leonard Buys, Fritz von Unruh

 

De Canadese schrijfster Antonine Mailletwerd geboren op 10 mei 1929 in Bouctouche, New Brunswick. Zie ook mijn blog van 10 mei 2009 en ook mijn blog van 10 mei 2010.

 

Uit: La Sagouine

 

J’ai peut-être ben la face nouère pis la peau craquée, ben j’ai les mains blanches, Monsieur ! J’ai les mains blanches parce que j’ai eu les mains dans l’eau toute ma vie. J’ai passé ma vie à forbir. Je suis pas moins guénillouse pour ça… j’ai forbi sus les autres. Je pouvons ben passer pour crasseux : je passons notre vie à décrasser les autres. Frotte, pis gratte, pis décolle des tchas d’encens… ils pouvont ben aouère leux maisons propres. Nous autres, parsoune s’en vient frotter chus nous. […]

            Trop mal attifés pour aller à l’église, t’as qu’à ouère ! C’est pour aller à l’église que le monde met ses plus belles hardes. Pour aller à l’église le dimanche. Nous autres, j’avons pas de quoi nous gréyer pour une église de dimanche. CA fait que j’y allons des fois sus la semaine. Mais y en a qui voulont pus y retorner, parce que les prêtres leur avont dit que la messe en semaine, ça comptait pas. Ils faisiont rien qu’un péché de plusse d’aller communier le vendordi matin avec leu messe de dimanche sus la conscience. Quand c’est que Gapi a vu ça, il a arrêté d’y aller aussi ben le vendordi coume le dimanche et asteur j’y retornons pas souvent. […]

            Ca c’est de quoique Gapi a jamais pu comprendre. Asteur pouvez-vous me dire, qu’i’ dit, quoi c’est qu’une persoune peut ben voulouère aller qu’ri’ au loin quand c’est qu’elle a toute chus eux ? […]”

 

 

 

Antonine Maillet (Bouctouche, 10 mei 1929)

 

 

Lees verder “Antonine Maillet, Ivan Cankar, Martin Boelitz, Ariel Durant, Leonard Buys, Fritz von Unruh”

Libris Literatuur Prijs 2011 voor Yves Petry

 

De Vlaamse schrijver Yves Petry heeft maandag de Libris Literatuur Prijs gewonnen met zijn roman “De maagd Marino”. Juryvoorzitter Philip Freriks, voormalig presentator van het NOS journaal, maakte dat bekend in het Amstel Hotel in Amsterdam. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden. Zie ook mijn blog van 26 juli 2009 en eveneens mijn blog van 26 juli 2010.

 

Uit: De maagd Marino

 

„Wat daarover ook allemaal gezegd is en wat niet, ik wil hier uitdrukkelijk stellen dat het aanvankelijk nog eerder Marino’s huis dan Marino zelf was dat me deed geloven mijn bestemming te hebben bereikt. Als hij me naar een locatie had gebracht van dezelfde kleurloosheid als zijn wagen of zijn kleren, was er niet veel gebeurd. Dan zou ik na die stupide doos in ontvangst te hebben genomen, meteen vertrokken zijn, vanbinnen onaangenaam leeg als een kind dat eigenlijk helemaal niet blij was met het speeltuig waar het zo lang om had gezeurd. Maar nu was er die grote rode beuk achteraan in de tuin, waarvan de blaadjes in de alsmaar verzadigder tinten van de avond stuk voor stuk opflakkerden als lekkende vlammetjes. Er was het machinale geraas van de ringweg in de verte, dat door de klimop werd beantwoord of tegengesproken met zacht geruis. Het zal ook wel gelegen hebben aan de funeraire stemming waarin de autorit me had gebracht, dat het leek of het rood van een bed papavers op het punt stond me in te wijden in de ultieme betekenis van zijn zinderende felheid, maar alleen op voorwaarde dat ik bereid was onmiddellijk daarna te sterven – en anders niet. De bakstenen achtermuur van het huis, waarlangs een oranje gloed omhoogkroop, oefende een zuigkracht op me uit, en wel in die mate dat ik me al met gespreide armen naar dit warme, ruwe, poreuze vlak zag  toestappen terwijl ik erin slaagde elk verzet te laten varen, elk greintje weerstand dat het bezit van een lichaam me ingaf, om ten slotte als een spook, nee, niet door de muur heen te lopen, maar erin op te lossen, niets achterlatend dan een schaduw, een vochtvlek, een donkere afdruk met gestrekte vleugels…

 

 

Yves Petry (Tongeren, 26 juli 1967)

Jotie T’Hooft, Charles Simic, Pieter Boskma, Jan Drees, Bulat Okudzhava, Leopold Andrian

De Vlaamse dichter en schrijver Jotie T’Hooft werd geboren in Oudenaarde op 9 mei 1956. Zie ook alle tags voor Jotie T’Hooft op dit blog.

 

En wat dan?

Op een dag zal ik weg zijn en
wat dan? Verdwenen zonder een
teken te geven of te nemen en
het puin dat ik achterlaat is
niet langer lachwekkend.
Want wie als ik nooit heeft
gebouwen laat niets achter dan
verwachting en verwarring en
wat dan?

Wellicht in uw herinnering zal ik
stollen verstijven, niet lang meer
blijven maar verbleken tot verleden
en wat toen? Te doen?
‘Het was waar’ zult gij zeggen ‘hij speelde
met woorden als geen ander maar wat
heeft dat te betekenen.’ Zo bleek
zal ik zijn.

In u…

en wat dan…?

 

Toerisme

We zagen de spraakwatervallen van Speed,
hangende tuinen, verre sterrebeelden
die toch nabijer dan medereizigers waren.

In een bus vol naasten bezochten we
en werden we bezocht door nachtmerries,
visioenen van heiligen en engelen
zongen ons doof en we ontwaakten
in hotel Harmonie.

Twee spiegels, tegenover elkaar geplaatst
boden ons een oneindig perspektief.

En toch, dacht ik, er moet meer zijn.

 

 

 

Jotie T’Hooft (9 mei 1956 – 6 oktober 1977)

Lees verder “Jotie T’Hooft, Charles Simic, Pieter Boskma, Jan Drees, Bulat Okudzhava, Leopold Andrian”

Alan Bennett, Lucian Blaga, Mona Van Duyn, Gamal al-Ghitani, Richard Adams, James Barrie, Pitigrilli

De Britse schrijver en acteur Alan Bennett werd geboren op 9 mei 1934 in Armley in Leeds, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Alan Benett op dit blog.

Uit: The Clothes They Stood Up In

 

“Perhaps they wrapped the stereo in the carpet,” said Mrs. Ransome.
Mr. Ransome shuddered and said her fur coat was more likely, whereupon Mrs. Ransome started crying again.
It had not been much of a Così. Mrs. Ransome could not follow the plot and Mr. Ransome, who never tried, found the performance did not compare with the four recordings he possessed of the work. The acting he invariably found distracting. “None of them knows what to do with their arms,” he said to his wife in the interval. Mrs. Ransome thought it probably went further than their arms but did not say so. She was wondering if the casserole she had left in the oven would get too dry at Gas Mark 4. Perhaps 3 would have been better. Dry it may well have been but there was no need to have worried. The thieves took the oven and the casserole with it.
The Ransomes lived in an Edwardian block of flats the color of ox blood not far from Regent’s Park. It was handy for the City, though Mrs. Ransome would have preferred something farther out, seeing herself with a trug in a garden, vaguely. But she was not gifted in that direction. An African violet that her cleaning lady had given her at Christmas had finally given up the ghost that very morning and she had been forced to hide it in the wardrobe out of Mrs. Clegg’s way. More wasted effort. The wardrobe had gone too.
They had no neighbors to speak of, or seldom to. Occasionally they ran into people in the lift and both parties would smile cautiously. Once they had asked some newcomers on their floor around to sherry, but he had turned out to be what he called “a big band freak” and she had been a dental receptionist with a timeshare in Portugal, so one way and another it had been an awkward evening and they had never repeated the experience. These days the turnover of tenants seemed increasingly rapid and the lift more and more wayward
. People were always moving in and out again, some of them Arabs.”

 

 

 

Alan Bennett (Armley, 9 mei 1934)

 

Lees verder “Alan Bennett, Lucian Blaga, Mona Van Duyn, Gamal al-Ghitani, Richard Adams, James Barrie, Pitigrilli”

James Worthy

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver James Worthy werd geboren in Amsterdamin 1980.Hij studeerde vanaf 1999o.a. Communicatiesystemen in Utrecht en vanaf 2003 Media & Cultuur in Amsterdam (UvA). Schrijven deed James op jonge leeftijd al veel. Hij stotterde aanzienlijk. Op papier kon hij echter wel goed uit zijn woorden komen. Op zijn veertiende schreef je al eens een boek. Later begon hij stukjes te schrijven voor Nalden.net en werd hij verslaggever voor State Magazine. Ook schreef hij voor bladen als Flair en Fancy, Viva en de Cosmopolitan, sinds 2009 ook voor Nieuwe Revu. Daarnaast schreef hij vanaf 2010 zijn blog „Wat een leven“. Op 29 april 2011 verscheen bij uitgeverij Lebowski zijn debuutroman „James Worthy“.

 

Uit: James Worthy

„Polly doet de deur open in mijn badjas, het is halfvijf in de ochtend dus ze kijkt verre van tevreden.

‘Ik heb net een kolibrie geneukt,’ zeg ik.

Ze zucht.

‘Ja, nee, ik bedoel, ik snap je nu. In onze relatie zocht jij altijd naar vooruitgang terwijl ik steevast achteruit fladderde. Polly, ik ben een kolibrie.’

Ze zucht nog een keer. ‘James, je bent een schijtlijster. Laat me met rust, ik wil je vergeten.’ Pete is achter haar gaan staan. Hij krabt aan zijn ballen en heeft zijn T-shirt verkeerdom aan. Oké, ik heb een bierbuik, mijn haar wordt steeds dunner en mijn persoonlijke hygiëne laat de laatste tijd te wensen over, maar Pete slaat alles.

‘Ik ga even peuken halen bij het tankstation,’ zegt de treurwilg van een vent.

‘James, ga je mee?’ Hij plukt een lange jas van de kapstok, trekt een paar afgetrapte cowboylaarzen aan en stapt de Amsterdamse ochtend in.

‘Moet je geen broek aan of zo?’ vraag ik terwijl ik vol ongeloof Polly aangaap.

Ze lacht. ‘Zo is Pete, hij heeft maling aan alles. Heerlijk toch?’

‘Heb je nog zo’n jas?’ vraag ik terwijl ik Pete’s arm vastpak.

Pete knikt, ik trek mijn broek uit.

Als twee volleerde potloodventers lopen Pete en ik even later door een broeierig Amsterdam. Een vadsige Duitse toerist kotst in de gracht, politiebusjes rijden af en aan terwijl het tuig van de richel probeert te ontkomen door op een uitgekookte manier achter bomen te schuilen.“

 

James Worthy (Amsterdam. 1980)

Thomas Pynchon, Roddy Doyle, Gertrud Fussenegger, Pat Barker

De Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon werd op 8 mei 1937 geboren in Glen Cove, Long Island, New York.

 

Uit:Gegen den Tag (Vertaald door Dirk van Gunsteren Nikolaus Stingl)

 

“Vorspring und Achterleine loswerfen!»

«Frischauf jetzt … langsam und vorsichtig … sehr schön! Fertig machen zum Ablegen!»

«Windy City, wir kommen!»

«Hurra! Wir fliegen!»

Unter derlei lebhaften Ausrufen stieg das wasserstoffbetriebene Luftschiff Inconvenience, seine Gondel mit patriotischen Fähnchen geschmückt, an Bord eine fünfköpfige Besatzung – allesamt Mit-

glieder jenes berühmten, unter dem Namen Freunde der Fährnis bekannten aeronautischen Clubs –, zügig in den Morgen auf und wurde alsbald vom Südwind erfasst.

Nachdem das Schiff Reiseflughöhe erreicht hatte und alles, was an Erscheinungen auf dem Boden zurückgeblieben, auf beinahe mikroskopische Größe zusammengeschrumpft war, verkündete Randolph St. Cosmo, der Schiffskommandant: «Wegtreten von Manöverstation», und die Jungs, jeder in der schmucken, aus rotweiß gestreiftem Blazer und himmelblauer Hose bestehenden Sommeruniform, gehorchten munter.

Ihr Ziel an diesem Tag war die Stadt Chicago und die jüngst dort eröffnete Weltausstellung. Seit ihre Befehle eingegangen waren, hat-

te das «Gemunkel» unter den aufgeregten und neugierigen Mannschaften wenig anderes zum Gegenstand gehabt als die sagenhafte «Weiße Stadt», ihr gewaltiges Riesenrad, ihre alabasternen Tempel des Handels und der Industrie, ihre funkelnden Lagunen und die tausend anderen vergleichbaren Wunder wissenschaftlicher wie künstlerischer Art, die ihrer dort harrten.

«Junge, Junge!», rief Darby Suckling, während er sich über die Halteleinen beugte und zusah, wie sich der weite Bogen des amerikanischen Herzlandes tief unten in einem verschwimmenden Wirbel von Grün hinzog, sodass seine flachsblonden Locken im Wind an der Gondel entlangflogen wie ein leewärts flatterndes Banner.”

 

 

Thomas Pynchon (Glen Cove, 8 mei 1937)

Lees verder “Thomas Pynchon, Roddy Doyle, Gertrud Fussenegger, Pat Barker”

Gary Snyder, Romain Gary, Edmund Wilson, Peter Benchley

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco.

 

Robin

 

I always miss you–

last fall, back from the mountains

you’d left San Francisco

now I’m going north again

            as you go south.

 

I sit by a fire at the ocean.

How many times I’ve

hitchhiked away;

                 the same pack on my back.

 

Rain patters on the rhododendron

cloud sweeps in from the sea over sand dunes

and stoopt lodgepole pine.

 

Thinking of the years since we parted.

last week I dreamed of you–

buying a bag of groceries

                 for Hatch.

 

 

Pine tree tops

 

In the blue night

frost haze, the sky glows

with the moon

pine tree tops

bend snow-blue, fade

into sky, frost, starlight.

The creak of boots.

Rabbit tracks, deer tracks,

what do we know.

 

 

 

Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

Lees verder “Gary Snyder, Romain Gary, Edmund Wilson, Peter Benchley”

Alain-René Lesage, J. Meade Falkner, Johann von Besser, Sophus Schandorph, Sloan Wilson, Otto Zierer

De Franse schrijver Alain-René Lesage werd geboren op 8 mei 1668 in Sarzeau. Zie ook mijn blog van 8 mei 2009 en ook mijn blog van 8 mei 2010.

 

Uit: Histoire de Gil Blas de Santillane

 

Blas de Santillane, mon père, après avoir longtemps porté les armes pour le service de la monarchie espagnole, se retira dans la ville où il avait pris naissance. Il y épousa une petite bourgeoise qui n’était plus de sa première jeunesse, et je vins au monde dix mois après leur mariage. Ils allèrent ensuite demeurer à Oviédo, où ma mère se mit femme de chambre, et mon père écuyer. Comme ils n’avaient pour tout bien que leurs gages, j’aurais couru risque d’être assez mal élevé, si je n’eusse pas eu dans la ville un oncle chanoine. Il se nommait Gil Perez. Il était frère aîné de ma mère et mon parrain. Représentez-vous un petit homme haut de trois pieds et demi, extraordinairement gros, avec une tête enfoncée entre les deux épaules : voilà mon oncle. Au reste, c’était un ecclésiastique qui ne songeait qu’à bien vivre, c’est-à-dire qu’à faire bonne chère ; et sa prébende, qui n’était pas mauvaise, lui en fournissait les moyens.
Il me prit chez lui dès mon enfance, et se chargea de mon éducation. Je lui parus si éveillé, qu’il résolut de cultiver mon esprit. Il m’acheta un alphabet, et entreprit de m’apprendre lui-même à lire ; ce qui ne lui fut pas moins utile qu’à moi ; car, en me faisant connaître mes lettres, il se remit à la lecture, qu’il avait toujours fort négligée, et, à force de s’y appliquer, il parvint à lire couramment son bréviaire, ce qu’il n’avait jamais fait auparavant.“

 

 

Alain-René Lesage (8 mei 1668 – 17 november 1747)

Borstbeeld in Vannes

 

Lees verder “Alain-René Lesage, J. Meade Falkner, Johann von Besser, Sophus Schandorph, Sloan Wilson, Otto Zierer”

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Horst Bienek

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

 

Uit: Tsjip

 

“Opdracht

Voor de zooveelste maal kom ik thuis van de reis en weer staat mijn stoel gereed, tafel en bed gedekt, pantoffels bij ’t vuur, alsof ik iederen dag verwacht werd. Mijn kinderen hebben heel gewoon ‘Pa’ gezegd en mijn vrouw heeft gevraagd wat ik verkoos, lever of haring. Ik heb niet geantwoord omdat ik den moed niet had mijn eigen stem aan te hooren, heb de hand uitgestoken naar wat het dichtst bij stond en zwijgend mijn maag gevuld. Hun gerustheid, hun zekerheid dat ik ook ditmaal terugkeeren zou heeft mij beschaamd en diep gegriefd. Maar was ik aan ’t bulderen gegaan dan had er niets op overgeschoten dan met weerzin weer op te staan. En het trekken lokt mij niet meer.

Ben ik vermoeid of kan ik het licht van gindsche land niet meer verdragen? Ik voel in ieder geval dat van een volgenden tocht niets meer terecht komt. En dat is maar goed ook, want mij rest nog maar net de tijd om eindelijk met vrouw en kinderen wat mee te leven, mij te koesteren aan de warmte van den haard en te werken voor onzen ouden dag die voor de deur staat. Zoolang ik ginder dwaalde heb ik mijn kinderen niet opgevoed maar met hen gespeeld, voor mijn vrouw niet gezorgd maar van haar genoten.

Die Meimaandjes zijn nu voorbij. Hier bij ’t vuur, in onze kooklucht, komt het er op aan mijn plicht te doen als een doodgewoon mannetje dat ik tenslotte ben. Want hun oogen zijn op mij gericht. Doet mijn vrouw haar plicht niet als zij wascht en plast, als zij op griezelige regendagen op de vischmarkt loopt te dwalen zonder acht te slaan op haar aderspatten noch op haar slechten stoelgang? Doen niet die kinderen eveneens hun plicht wanneer zij achter schoolmuren hun zonnigste dagen slijten?

Dit is mijn laatste kans want zij groeien als kool en steken de koppen bijeen. Een heeft al een snor en een ouwelijke trek om den mond. Als ik mij nu niet aanpas word ik uitgestooten door die uit mij zijn ontstaan, want zij zien in mijn dolen een verraad en scharen zich zwijgend om hun moeder. En zij hebben gelijk. Als ooit het huis vuur vat dan worden zij door haar gewekt en niet door mij.

 

 

 

Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)

 

Lees verder “Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Horst Bienek”