“Onderweg naar de eerste afspraak met de seksuologe in het AMC kwam ik langs het Bastion Hotel dat in de buurt van de voormalige Bijlmerbajes staat. Ik zag het liggen vanuit de metro. Het regende, vandaar dat ik in de metro zat en niet op de fiets. In dat Bastion Hotel logeerde eens een Amerikaan uit Portland, Oregon. In dat hotel was ik eens samen met die Amerikaan. In 1998 was het. Een gelovige Amerikaan. Op een bepaald moment zei hij: ‘And what shall I do with this penis?’ Hij had het niet over zijn eigen penis, maar over de mijne. Ik heb geen antwoord gegeven. Ik dacht: doe wat je wilt. Ik vond het een vreemde vraag. Later belandden we allebei ook nog op de grond omdat de tweepersoonsbedden in Bastion Hotels tegen elkaar aan geschoven eenpersoonsbedden waren. De seksuologe was een jonge vrouw en deze afspraak bleek een intake te zijn. We babbelden wat over en weer maar op een gegeven moment moest zij toch echt een aantal vragen van haar vragenlijst afwerken. Onder andere wanneer ik mijn eerste seksuele ervaringen gehad had en wanneer het tot de eerste penetratie gekomen was. Ik dacht daar even over na en ik keek haar aan. ‘Ik doe het met mannen,’ zei ik toen tegen haar. ‘Bij ons liggen die dingen iets anders. Misschien moet je er een andere vragenlijst bij pakken?’ Na een uurtje was de intake voorbij en maakten we een volgende afspraak. Ik zat die dag in het AMC omdat mijn vriendin Annelore Kodde maanden eerder al ‘Wat een rotstreek!’ had geroepen. Ik was gestopt met het nemen van mijn antidepressivum omdat ik me goed voelde en omdat ik af wilde van een van de vervelendste bijwerkingen van een antidepressivum: een verminderd libido. Wrang genoeg verdween mijn libido vrijwel geheel in de maanden na het stoppen. Dat was niet de bedoeling, en natuurlijk had Annelore gelijk toen ik het haar vertelde en zij uitriep dat dat een rotstreek was. Maar een rotstreek van wie of wat? Dat wilde ik uitzoeken, samen met de seksuologe in het AMC, naar wie ik verwezen was door mijn huisarts.”
stel je voor, implosies, kort daarop explosie, jouw opgloeien, dan, hoe snel je afkoelt, liefste, je wilt weg van me, hoe hel je bent op de laatste dag, dan grijpt je de wind, de donkerste versnelling, een wolk, nee, een streep uit gas en ergens anders, ver ver ver weg, staat iemand met een verrekijker en berekent uit jouw einde de afstand ver verwijderde melkwegen, terwijl jij als supernova in een zog naar binnen gaat, waar geen licht is, waar echt niets is, ook geen ontkomen is, geen droom meer is, hoe zal ik, vraag ik je, hoe zal ik, zal ik dan
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.
De seizoenen, gekorrigeerd
III Herfst
De bladeren in je hoofd zal je bedoelen.
Dit is een man die in zichzelf praat. Noem het een beperking, maar hij praat. Hoe hij zijn hoofd bedekt zodra hij opstaat, het brood snijdt in de keuken: onwankelbare deemoed.
Ochtendmist, het krassen van een kraai. Het piepen van de riemen. Hoe hij omkijkt.
Dat hij uit de sloten om te gaan ooit deze koos en sedert nam: het verzelfstandigen van beweging.
Dat het land door de verkaveling geopend is en hij daarin is dichtgegroeid. Dat hij met name een rug geworden is die toekomst voor zich uitroeit. D.w.z. uit en thuis.
Het water heeft de diepte van een huid. Daar steekt hij stokken in. Zo spant hij netten. Hij vist wat ooit is uitgezet, ook wel door hem. Hij is verheugd te weten wat hij kan en weet. Over de scherpte van zijn inzicht terzake van het vissen. Maar ook: dat helderheid de duisternis bedekt.
De krant voor je opgetrokken als een wereldbeeld. Iemand – een geintje in zijn filosofie – die daar met de vlakke hand doorheen slaat in jouw schemeruur. Of je nog wel veilig bent. Of je daarin nog weer mee wilt gaan.
Vanaf een uur of tien wordt hij een zuiltje in het riet. Er landt een vogel op zijn hoed. Er worden wissels omgegooid, zodat hij opgetogen verre steden binnenstroomt, of aan de hand loopt van een autochtoon verleden. Er ploffen appels en kastanjes in zijn hoofd. Bankiers breken hun zonen open. De zonen schrijven verder met een steen.
Een passacaglia vaart als herfst door hem heen.
Hoort hij de spartelende vissen in de bun. Blijft hij hier, of gaat hij verder, d.i. terug naar huis.
Om 17 uur 15 schudt hij de abstraktie van zich af en pakt de riemen voor het donker wordt en mompelt voort.
Om de volheid, de wijsheid en de pijn.
IV Winter
Of zijn adem door de bloemen heen kan breken.
Hij is zichzelf als anekdote nu voorbij. Zijn denken is een leeg museum. Soms: glazen schilderijen op een witte muur. Soms: beelden, losgeraakt uit een bewoond verleden. Het zijn de korte eksposities van een goochelaar.
In zijn oren ruist het als televisie ’s nachts. Hij is al jaren doof en dito zwijgt hij, onophoudelijk. Maar zijn glimlach is nog goed! Hij kan nog alles zien! De krant, ja. Maar hij leest niet want hij kijkt.
Meestal staat hij ergens stil, de blik omhoog. Bv. een landweg, of een blauwe tuin bij regen. Of nu, in alle vroegte, in het melklicht van het raam. Vindt zijn familie hem een lief objekt. Zoals een schoenendoos.
Zij vinden hem vooral een rug, die luistert.
In zijn hoofd wil alles soms verbaasd naar buiten, toch. Om landschap groen als een emotie in te gaan. De krant opslaan, verwarde mededelingen doen. Waaronder dat hij van je houdt.
Beweegt hij in de keuken bij het dichtgevroren raam. Er gaat een tuin met bomen schuil als een idee. Of dat vermoede uitzicht achter bloemen een seizoen is. Of zijn adem door die bloemen heen wil breken.
Of dat zijn keuze is: een bloem als Webern of een huilend raam.
wenn wir die augen öffnen, fährt ein lichtblitz hinein durchdringt durchsichtige häute, gallerte, schlägt ein in ein dunkles verkabeltes netz
sehpurpur stäubt
die ersten schemen dieser welt: ein geschenkter gaul mit glänzender mähne und zerrütteten zähnen
gelb und uralt
dann ein riss als ob geschenkpapier reißt sodass man weint
ohne zu wissen, dass man weint
und schreit .. bis einen die stimme fängt die summt .. noch ganz vertraut aus herzstampfender zeit
und ruhe strömt ein.
2
vertreibst du die angst aus irgendeinem loch in deinem kopf, krabbelt sie weiter, wie eine zecke lautlos über deinen schädel, der seine befreiung bekannt gibt wie ein betrunkener esel, und bohrt ein neues loch ein neues gewirr von gängen in dich hinein noch näher an deinem limbischen gral, noch näher an deinem heiligen system, noch tiefer noch leistungsfähiger darin, deinen esel zu köpfen.
und dennoch gibt es eine art blume, die dich noch immer erfreut eine art tier, das sich zu dir legt und dich wärmt einen gedanken, der still hält und dich anhält in deiner verzweifelten magie, eine art wolke die flüstert .. für einen kurzen moment.
3
beruhige dich, atme ruhig, ich weiß dein schreckhaftes herz rast, deine rote libelle, du glaubst zu ersticken, aber beruhige dich du hast luft in dir, mehr als du denkst, mehr als du glaubst dein herunterfahrender kopf kreischt, aber ich rate dir: singe singe und staune, bestaune die luft, die dich verlässt und wieder einkehrt in dich, wie ein hund, oder wie alle deine hunde, die schon gestorbenen, die noch immer bei dir liegen in dir, ohne dass du es merkst, in einer wolke aus fell .. du fragst, wer da spricht? ich bin deine wolke aus nichts: ich gehöre zu dir, zu jeder sekunde, und ich gehöre zu allen zu jeder sekunde, zu jeder sekunde beruhige ich jedes einzelne schreckhafte molekül dieser welt, jeden einzelnen fehlalarm dieser welt, jeden einzelnen übergang, und auch dich –
ik woon in een watertoren aan zee, wat absurd is ik ben altijd te zout, maar ik kan niet tegen wat zoet is. een kat sloop om het huis en wierp zich op zijn rug. waar is dat goed voor? ik wil geen onderwerping, ik wil liefde. waar ik mijn liefde vandaan haal is mijn grootste geheim. ik heb er een tank vol van maar niet in mijn toren. Ik ben vaak dronken van liefde & vaak een stinkend veld. de zee is een kat waar ik niets aan kan toevertrouwen. In de duiden worden vaak de botten van engelen gevonden. als ik uit mijn toren stap, hou ik zielsveel van de zon.
De dageraad komt nu later en later, en ik, die nog maar een maand geleden elke ochtend met koffie kon zitten kijken naar het licht dat de heuvel afdaalt naar de rand van de vijver en daar een ree kon plaatsen, verlegen drinkend,
om dan het licht te zien opkomen uit het water, weerspiegelingen zaaiend aan weerszijden – een tuin vol bomen die als bij toverslag groeiden – zie nu niet meer dan mijn gezicht, weerspiegeld door duisternis, bleek en vreemd,
opgeschrikt door de tijd. Terwijl ik sliep, beteugelde de nacht in zijn dikke winterjas de ree met een draai van natte bladeren en leidde het weg, bracht toen zijn zwarte paard met harnas dat kraakte als een krekel en zette
de watertuin eronder. Ik werd wakker, en vond bij het wachtende raam de gordijnen open voor mijn open gezicht; buiten mij, duisternis. En ik, die alleen maar naar buiten wilde blijven kijken, moet nu naar binnen blijven kijken.
“In den laten zomer, een namiddag in ’t einde van Augustus. Buiten, vóór ’t veranda’tje, tegen het fond van schel licht groen en onrustige wit-blauwe windluchten, stond de eene bij een verwaarloosde huurvelocipède. Hij was fijn gebo uwd, al te slank in zijn grijs sporthemd, waarover los een blauw jasje hing. Met zijn flauw blond gezicht op den langen hals, met zijn gele badschoenen en onverschillig opgezetten grijzen flaphoed, was er iets in hem van het ploertig-losse, verwaaid-zwierige van een burgerjongen op Pinkster-drie. Hij keek knorrig naar binnen naar een ander, die voor een kast op de hurken zat en door zijn stevige, korte, gedrongen gestalte, matgele tint en achter op zijn hoofd hangende roode fez, deed denken aan een Arabischen bediende op een mailboot. -Zeg, ben je nou haast klaar….? We komen nooit weg, zoo! zei die van buiten ongeduldig. -Ach, Jezis! ga dan weg, als ’t je te lang duurt! knorde de ander…. Ik moet dat ding nog hebben, anders ga ik niet weg…. maar ga jij maar vast, ik haal je wel in…. ik haal je wel in! -Ja, dat moet dan maar, anders zijn we nooit om zes uur thuis, bromde de eerste terug. Een derde kwam in de voorste kamer van de suite binnen, en bleef verwonderd even staan. -Zijn jullie nòg niet weg? -Ach, ik kan dien schroevedraaier niet vinden, mompelde die met de fez, terwijl hij hevig een lâ uit en weer krakend toeschoof. Heb jij misschien ook….? O! daar is-i, de schooier! Hij zat notabene in een boek, zeg! richtte hij zich tot die buiten stond. -Ja, kom nou maar gauw mee…. ik ga al vast, hoor, zei deze, terwijl hij zijn machine begon voort te duwen, één hand aan ’t stuur, één op ’t zadel. Knarpend ging ’t door ’t zand, voorbij ’t huis, en weg…. De ander stond op van de kast, liep met de haastige kraaktreden van zijn leeren pantoffels door de suite, om zich in wielerkostuum te gaan kleeden. In zijn schutterigheid raakte hij den stoel bij de deur, die stroefknarsend verschoof.” De jonge man, die ’t laatst was ingekomen, stapte langzaam, de handen in de zakken van zijn buis, op de kleine veranda en bleef met een schouder tegen den stijl van den ingang leunen; de beenen over elkaar, in de houding die mannen altijd aannemen als zij op één voet hun lichaam laten rusten.”
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936) Portret door Valentijn Edgar Van Uytvanck, 1924
De Amerikaanse dichter George Oppen (eig. George Oppenheimer) werd geboren op 24 april 1908 in New Rochelle, New York. Zie ook alle tags voor George Oppen op dit blog.
Leviathan
De waarheid is ook haar najagen: zoals geluk, en houdt geen stand.
Zelfs het gedicht vreet zich weg nu in het zuur. Jagen, jagen;
een wind draait een beetje, draait in de rondte, erg koud.
Hoe zeggen we dat? In gewone mensentaal –
We moeten praten. Ik kan niet langer rekenen op de woorden, het raderwerk van de wereld. Wat onverklaarbaar is
is het ‘overwicht van objecten’. De hemel licht dagelijks op van die overmacht
en wij zijn het hier en nu geworden.
We moeten praten. Angst is angst. Maar wij laten elkaar in de steek.
De Canadese dichteres en schrijfster Margaret Avison OC werd geboren op 23 april 1918 in Galt, Cambridge, Ontario. Avison studeerde van 1936 tot 1940 te studeren aan het Victoria College van de Universiteit van Toronto, waar ze afstudeerde met een Bachelor of Arts (BA). Ze begon haar schrijfcarrière in 1939 met een gedicht in Canadian Poetry Magazine en werkte tussen 1940 en 1945 voor de North American Life Insurance Company, de Gage Press en bij het Canadian Institute of International Affairs. Haar vroege poëzie werd ook opgenomen in AJM Smiths baanbrekende bloemlezing “The Book of Canadian Poetry”, gepubliceerd in 1943. Avison, die tussen 1945 en 1955 als administrateur en bibliothecaris werkte aan de bibliotheek van de Universiteit van Toronto, schreef boeken over een verscheidenheid aan onderwerpen, zoals “History of Ontario” (1951), een leerboek voor middelbare scholen over de geschiedenis van Ontario. Na creatief schrijven te hebben gestudeerd aan de Universiteit van Indiana en de Universiteit van Chicago, ontving ze in 1956 een Guggenheim Fellowship. Voor haar eerste dichtbundel, “Winter Sun” (1960), ontving ze de Governor General’s Award, de meest prestigieuze literaire prijs van Canada. Haar daaropvolgende werken omvatten een medische biografie en samenwerking aan “The Plough and the Pen: Writings from Hungary 1930-1956” (1963), een vertaling uit de Hongaarse taal. In 1963 nam Margaret Avison, die zich dat jaar ook tot het christendom bekeerde, deel aan een poëzieconferentie georganiseerd door Warren Tallman en zijn vrouw Ellen King, samen met Denise Levertov, Charles Olson, Allen Ginsberg, Robert Duncan en Philip Whalen. In 1964 behaalde ze een Master of Arts (MA) aan de Universiteit van Toronto met een proefschrift over de stijl van Byron’s Don Juan in relatie tot de krant van zijn tijd. In 1966 publiceerde Avison “The Dumbfounding”, een toegankelijk verslag van spirituele ontdekkingen en een inzichtelijk verslag van het ontmaskerde, verhalende ‘ik’. Tussen 1967 en 1968 was ze docent aan het Scarborough College van de Universiteit van Toronto en werkte vervolgens tot 1973 als maatschappelijk werkster voor de Presbyterian Church Mission in Toronto, voordat ze vanaf 1973 gedurende acht maanden writer in residence was aan de University of Western Ontario. De stijl die in “The Dumbfounding” werd gebruikt, werd verder ontwikkeld in “Sunblue” (1978). In 1990 ontving ze voor de tweede keer de Governor General’s Award voor “No Time”. In 1994 verscheen “A Kind of Perseverance”, een verzameling van haar lezingen aan universiteiten. Ze ontving in 2003 de prestigieuze Griffin Poetry Prize voor haar bundel “Concrete and Wild Carrot” uit 2002. Naast haar driedelige verzamelde werken gepubliceerd tussen 2003 en 2005, publiceerde ze in 2006 een verzameling nieuwe gedichten onder de titel “Momentary Dark. Margaret Avision werd o.a. geëerd met het Officer’s Cross of the Order of Canada (OC) en de Leslie K. Tarr Award.
Birth Day
Saturday I ran to Mytilene.
Bushes and grass along the glass-still way Were all dabbled with rain And the road reeled with shattered skies.
Towards noon an inky, petulant wind Ravelled the pools, and rinsed the black grass round them.
Gulls were up in the late afternoon And the air gleamed and billowed And broadcast flung astringent spray All swordy-silver. I saw the hills lie brown and vast and passive.
The men of Mytilene waited restive Until the yellow melt of sun. I shouted out my news as I sped towards them That all, rejoicing, could go down to dark.
All nests, with all moist downy young Blinking and gulping daylight; and all lambs Four-braced in straw, shivering and mild; And the first blood-root up from the ravaged beaches Of the old equinox; and frangible robins’ blue Teethed right around to sun: These first we loudly hymned; And then The hour of genesis When the first moody firmament Swam out of Arctic chaos, Orbed solidly as the huge frame for this Cramped little swaddled creature’s coming forth To slowly, foolishly, marvellously Discover a unique estate, held wrapt Away from all men else, which to embrace Our world would have to stretch and swell with strangeness.
This made us smile, and laugh at last. There was Rejoicing all night long in Mytilene.
HIATUS
The weedy light through the uncurtained glass Finds foreign space where the piano was, And mournful airs from the propped-open door Follow forlorn shreds of excelsior. Though the towel droops with sad significance All else is gone; one last reviewing glance, One last misplacing, finding of the key, And the last steps echo, and fade, and die. Then, wanderer, with a hundred things to see to, Scores of decisions waiting on your veto, Or worse, being made at random till you come So weeks will pass before you feel at home, Mover unmoved, how can you choose this hour To prowl at large around a hardware store? When you have puchased the superfluous wrench You wander still, and watch the late sun drench The fruit-stalls, pavements, shoppers, cars, as though All were invisible and safe but you. But in your mind’s ear now resounds the din Of friends who’ve come to help you settle in, And your thoughts fumble, as you start the car, On whether somebody marked the barrel where the glasses are.
Spilzieke lieflijkheid, waarom verteert Ge uw schoonheids erfdeel slechts tot eigen baat? Natuur geeft niet, maar leent wat zij bescheert, En, zelf mild, leent ze aan die mild zijn van daad. Waarom misbruikt gij, schoone zuingaard, dan De gulle gift, ter deeling u bedeeld? Wat trekt gij, vruchtloos woekraar, rente van Zoo groote som, terwijl gij haar verspeelt? Want om u lieve zelf gij zelf u brengt, Als gij uw omzet tot uzelf bepaalt. Als dan natuur u oproept en verlangt De afrekening, hoe krijgt gij haar betaald? Uw onbestede schoonheid deelt uw graf; Besteed, leeft zij en rekent voor u af.
Vertaald door P. C. Boutens
Sonnet 10
Schaam u en zeg dat ge geen liefde kent, Gij, onbezorgd voor ’t eigene gevaar. Bemind te worden zijt ge wel gewend, Maar dat ge zelf niet mint, is al te klaar.
Want u bezielt een zoo misdadige haat, Dat ge u zelfs inspant tot uw eigen pijn, En naar vernieling van ’t schoon welfsel staat Waarvan ’t herstel uw hoogste wensch moest zijn.
O wend uw zin, dat ik ’t mijn oordeel doe. Bouw niet de haat, maar liefde een schoon gewelf. Sluit voor uw eigen goedheid ’t hart niet toe Of wees, voor ’t minst, goedhartig voor uzelf.
Maak u een nieuw zelf en verhoor mij nu, Dat schoonheid leve in de uwen en in u.
Vertaald door Albert Verwey
Sonnet 15
Als ik bedenk hoe al wat groeit en leeft Niet meer dan korte tijd volmaakt kan zijn; Dat het toneel slechts schijn te bieden heeft, Beïnvloed door de sterren in ’t geheim;
Als ik de mensheid zie: een plant die groeit, Die kiemt en kwijnt onder dezelfde zon; Eerst vol van jeugdig sap, dan uitgebloeid, Zodat geen mens haar schoonheid heugen kon;
Beseffend dat ooit alles sterven zal, Zie ik jouw rijke jeugd nu voor me staan, Terwijl de Tijd bekokstooft met Verval In welke nacht jouw jeugd zal ondergaan.
Mijn liefde is in oorlog met de Tijd; Ik dicht, terwijl hij alles openrijt.
Vertaald door Arie van der Krogt
William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616) Standbeeld in Stratford-upon-Avo
Op de wanden van mijn geheime kerk, waarop ik zelf taferelen schilder, staan ze allen opgewekt bijeen:
De Goede Herder en de harige Pan, omstoeid door schapen, geiten en bokken, de verloren zoon in gesprek met Odusseus, Petrus die over het water wandelt, en Arion op de trouwe dolfijn, Sint Franciscus zingend met Orfeus, Magdalena die Leda omarmt.
En te midden van sierlijk onkruid veel kamelen en ezels van hun last bevrijd zoals wolven van de honger.
Ook ridder Joris, in een kluwen van wierook spuwende draken, leeuwen met gouden ogen, snuffelend in folianten met Hiëronymus hun vriend, prachtige vliegenzwammen bij kinderlijke cantharellen, en pauwen die deemoedig paraderen rond Maria de Moeder van Smarten.
Op het altaarpaneel reikt Veronica aan Judas de zweetdoek aan in ruil voor de strop van de wanhoop.
Vertaald door Harry Gielen
Christine Busta (23 april 1915 – 3 december 1987) Portret door Rudolf Pleban, 1942
„Paul Kungebein starrte auf den U-Bahn-Plan, dessen bunte Linien wie immer seine ganze Konzentration einforderten, und als er endlich die richtige Bahn gefunden hatte, sagte die Anzeigetafel eine halbe Stunde Wartezeit voraus, Kungebein spuckte auf die Magnetgleise, dann ging er eben zu Fuß! Er konnte nicht glauben, dass die Bahnen um die Jahrtausendwende im Fünfminutentakt gefahren waren, wie alte Berliner einstimmig behaupteten, in den letzten Jahren waren die Züge, die noch verkehrten, nie richtig voll, und die BVG plante, die äußeren Linien ganz zu schließen. Es waren immer weniger Menschen unterwegs in Berlin. Der ehemalige Verlauf der Berliner Mauer markierte ziemlich exakt die Grenze des Altenghettos, das sich im Westteil der Stadt etabliert hatte. Charlottenburg und Wilmersdorf entbehrten jeder Jugend und jeder Lebendigkeit, hier arbeitete kaum jemand mehr, hier feierte kaum jemand mehr, hier starb man still vor sich hin. Aus dem Geschichtsunterricht kannte Kungebein die Bilder der Menschen, die 1989 die Mauer gestürmt hatten, seltsam, fand er, hatten die ausgesehen in ihren altmodischen Hosen, vor allem aber in ihrer schieren Masse, außer im Fernsehen, dachte er, außer auf Bildern von früher hatte er noch nie so viele Menschen auf einem Fleck gesehen. Paul Kungebein verließ die U-Bahn-Haltestelle Hallesches Tor und überquerte die Straße, quietschende Reifen rissen ihn aus seinen Gedanken, eine Limousine fuhr in scharfem Bogen davon. Mit pochendem Herzen blickte er der Limousine hinterher, schwarz, glänzend, kastenförmig, Kungebein vergaß immer öfter, nach links und rechts zu sehen, bevor er eine Straße überquerte, die Straßen waren allzu oft frei. Hinter sich hörte er jemanden an eine Scheibe klopfen, ein Fenster aufstoßen und rufen, und sobald Kungebein den sicheren Bürgersteig erreicht hatte, drehte er sich um und erkannte Hendrik Miller. Der saß noch immer in dieser Fressbude und verschlang honigtriefendes Baklava, wie Kungebein nicht ohne Ekel erspähte, mit der freien Hand fuchtelte Miller in der Luft herum und schrie über die Straße: Aufpassen, Kungebein! Ich brauche Sie noch! Der so Gerufene zog seine Mundwinkel nach oben und winkte, wobei er die Hand schon auf halber Höhe wieder sinken ließ, dann machte er sich auf den Weg in die Redaktion. Seltsamer Mann, dieser Miller, dachte Kungebein, kleidet sich in schwarzes Leinen, hat einen Topjob, trägt eine Mähne wie ein Philosoph, schwitzt und frisst aber wie ein Tier. Was wollte der überhaupt von ihm?“
Toen ik ontwaakte was ik in een woud. Het donker leek natuurlijk, de lucht tussen de dennen bezaaid met lichtjes.
Ik wist niets; kon alleen maar kijken. En terwijl ik keek, verflauwden alle hemellichten, gingen op in een afzonderlijk iets, een vuur dat door de koele sparren schroeide. Daarna was het niet langer mogelijk naar de hemel te staren zonder te gronde te gaan.
Bestaan er wezens die de dood behoeven, zoals ik beschutting? Wanneer ik lang genoeg blijf spreken zal ik die vraag wel beantwoorden, zien wat zij ook zien, een ladder die door de sparren reikt, wat hen ook maar verleidt hun levens op te geven –
kijk eens wat ik al begrijp. Ik ontwaakte onwetend in een woud; een ogenblik geleden wist ik niet dat mijn stem als mij er een gegeven werd zo vol van leed zou zijn, mijn zinnen een keten van pijnlijke kreten. Ik wist niet eens dat ik leed tot dat woord kwam, tot ik regen van mij af voelde stromen.
Vertaald door Erik Menkveld
Louise Glück (New York, 22 april 1943) Hier met voormalig president Obama bij de uitreiking van de National Humanities Medal in 2015
Uit: Napoleon’s Exile (Vertaald door Shaun Whiteside)
“Octave adjusted his white English-style wig, which was combed back with fake nonchalance. He studied himself in the mirror. Pale grey eyes, pinched nostrils, a lipless mouth. His neutral face lent itself to change, and it made him smile. “I can play any part I like,” he thought with satisfaction. Just then there was a knock at his door and someone called his name. Octave drew back the bolt and opened the door to reveal Marquis de la Grange, the former commander of the Vendeé, who had been involved in several failed conspiracies and who was now plotting in Paris, beneath the very noses of the imperial police. Tall, lean, rather severe, wearing a blue woolen frock-coat with an astrakhan collar, the Marquis had not visited Octave’s apartment before. Octave occupied a long and sparsely furnished room on the first floor of the Hôtel de Salerne, in the rue Saint-Sauveur: a candlestick on the pine table, a bed, an enormous wardrobe. The velvet of the armchairs was as faded as that of the canopy of the bed, and Octave had to make do without a valet or chambermaid, with logs piled up beside the fireplace. The velvet of the armchairs was as faded as that of the canopy of the bed, and Octave had to make do without a valet or chambermaid, with logs piled up beside the fireplace. “But they are both temporary and discreet.” “I grant you that, and in any case I’m not here to inspect you but to give you a warning.” “Has someone spotted me?” “No, no, don’t worry about that. The bluebottles down at the Préfecture are far too stupid to do anything of the sort. I wanted to tell you that we appear to have managed a complete revolution.” “A revolution . . .” “In the astronomical sense: the return of a planet to the initial point of its orbit.” “Meaning?” “Meaning that we are about to return to our startingpoint: the monarchy.” “I still don’t get what you’re on about.” “I’ll take you there, and then you’ll understand.” The Marquis lifted Octave’s three-cornered hat from a peg, threw him his coat, thrust his own wide-brimmed black felt hat back on and dragged Octave to the staircase. Outside the front door, in the rue des Deux-Portes, a rented cabriolet awaited, a large number painted on its door. The coachman asked no questions, since the journey had already been decided: the coach—amid a great din of wheels, tinkling bells, hoofs and curses, all of which discouraged conversation—was taking them to the Louvre.”
„Sekundenlang war er unfähig, sich zu bewegen. Hektisch atmend starrte er auf die geborstene Windschutzscheibe, durch deren Risse Sand ins Wageninnere wirbelte, wo er sich mit dem weißen Talkumpuder der Airbags vermischte. Jenseits der Scheibe lag die Sichtweite unter fünf Metern. Mehrere Menschen tauchten auf, rannten in Richtung Standstreifen. Endlich gelang es ihm, den Gurt zu lösen und sich zur Seite zu drehen. Ein rascher Blick nach hinten, die Kinder schienen unversehrt. Claudia war in sich zusammengesunken, hielt sich den Unterarm. Winter zwang sich zur Ruhe, öffnete ihre Gurtschnalle und half ihr, sich zurückzulehnen, vorsichtig, der Unterarm war wohl gebrochen. Sie war leichenblass, brachte kein Wort hervor, nickte nur, alles okay, fast, und er unterdrückte die Angst und die Schmerzen in seiner Brust und nickte ebenfalls, bei mir auch. Er wandte sich den Kindern zu. Emmy saß hochaufgerichtet da, die Hände auf den Ohren, die Augen geschlossen, aus ihrer Nase lief jetzt ein wenig Blut. Vor dem Fenster neben ihr flatterte der Seitenairbag. Plötzlich schüttelte sie wimmernd den Kopf, der Schock kam mit Verzögerung. Leon rieb sich das Bein und weinte leise. »Alles okay?«, stieß Winter hervor. Emmy riss die Augen auf, wirkte vollkommen verwirrt, als wäre sie aus einem tagelangen Schlaf erwacht. Sie begann zu schreien, und er sah, wie ihre Hand nach dem Türgriff tastete. Nur nicht aussteigen, dachte er, und herrschte sie an: »Emmy, sitzenbleiben!« Sie beachtete ihn nicht. Als sie die Tür aufstieß, fuhr ein kräftiger Luftstrom ins Wageninnere, Sand drang in Winters Augen. Er hörte Claudias verstörte Stimme, legte ihr die Hand auf die Schulter, aber er hatte jetzt keine Zeit für sie, Emmys Schreie wurden immer schriller, sie hatte schon ein Bein halb im Freien, während sie mit beiden Händen am Gurtschloss herumfingerte und nach ihm schlug, weil er sie davon abzuhalten versuchte. »Nicht aussteigen, Emmy, bitte! Emmy!« Sie zerrte am Gurt, versuchte durchzuschlüpfen, und Winter öffnete hastig seine Tür. kämpfte sich in den lärmenden Sturm hinaus, wollte um den Wagen herum zu ihr. Sandkörner stachen wie Hunderte feinster Nadeln auf seiner Haut, drangen ihm in Ohren, Nase, Mund, und er dachte fassungslos, dass sie in eine Art Wüstensturm geraten sein mussten, bis er begriff; dass der Sand nicht aus einer Wüste kam, sondern von den umliegenden Äckern, er hatte den Geschmack von Erde im Mund, und er wusste doch, wie Erde schmeckte. Die Augen mit einem Arm abschirmend, ließ er sich von den Böen am Wagen entlangstoßen, vorbei an Leons Tür zum Heck, musste sich für einen Moment an der Dachreling festklammern, um nicht weitergetrieben zu werden. Kaum einen Meter entfernt stand das nachfolgende Auto, die Beifahrertür offen, der Innenraum leer. Plötzlich brach ein riesiger Schatten in sein Blickfeld, grelle Lichter, eine mehrtonige Lkw-Hupe dröhnte.“
Geluiden, boven me, schurende dennentakken. Daarna niets. De zwakke zon fladderde over de droge grond.
Het is vreselijk te overleven als bewustzijn begraven in de donkere aarde.
Toen was het voorbij: dat wat jullie vrezen, bezield te zijn en niet in staat tot spreken, eindigde abrupt, de stugge aarde gaf een beetje mee. En wat ik hield voor vogels schoot lage heesters in.
Jullie die je de overgang uit de andere wereld niet herinneren ik zeg jullie ik kon weer spreken: wat er ook terugkeert uit vergetelheid keert terug om stem te vinden:
uit het hart van mijn leven spoot een grote fontein, diepblauwe schaduwen op een azuren zee.
Nu is er een zeker spel, door kinderen, heb ik het wel, ‘schaduwlopen’ gedoopt. Er loopt een man en men loopt op zijn schaduw trappend mee. Gewoonlijk doet men twee passen, tegen hij één. Het ging door merg en been, het was hartverscheurend, de groep in een rijtje over de stoep achter de vreemdeling aan huppelend mee te zien gaan. Het sneed, sneed door de ziel. Plusfour en matrozenkiel dansten, als een jong paar, arm in arm naast elkaar, houdende aan weerskant de twee anderen aan de hand: de matroos hielp het badpakje, dat een schoentje verloren had en straks het tweede verloor, terwijl naast de plusfour voortholde de eigenaar van de haastig langs het trottoir neergezette autoped. – Tijd, meer dan tijd werd het dat dit een einde nam. Uit alle huizen kwam het driftige geluid van tikken tegen de ruit als riep een nijdige hen kuikens terug naar de ren. De kinderen luisterden niet. Want juist was iets geschied al hun aandacht waard. De schaduw hield halt. Onvervaard sloegen zij de ogen op en namen de vreemdeling op die stil was blijven staan. Nu zag hij hen ernstig aan, het hoofd ten halvegekeerd.
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Zo wenste ik mij mijn laatste gedicht Dat het teder was en sprak van de eenvoudigste en minst nadrukkelijke dingen Dat het verzengend was als een snik zonder tranen Dat het de schoonheid had van bloemen bijna zonder geur De puurheid van de vlam die de meest transparante diamant verteert
De hartstocht van hen die zich zonder uitleg doden.